CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

OGV Kasteellaan Well 28okt2025 Ruimtelijke onderbouwing (3)

Gemeenteraad 16 december 2025, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel een bindend advies te geven op de aanvraag omgevingsvergunning voor het realiseren van 42 appartementen in het woningbouwplan 'Kasteellaan Well';23.656 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.1.6

Conclusie

Vanuit de omgeving zijn er geen gezondheidsrisico's die een negatief effect hebben op het project. Het gezondheidseffect van het project zelf op de omgeving is te verwaarlozen danwel uitsluitend positief.

5.2

Geluid door activiteiten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.)

5.2.1

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.2.1.1 Wettelijk kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die | omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 3 6

blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Wanneer voor lokale wegen waarvan een geluidaandachtsgebied moet worden bepaald geen verkeersgegevens bekend zijn en van die wegen de verkeersintensiteit hoger kan zijn dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal, worden contouren bepaald met de volgende afstanden van de rand van de contour tot de weg: Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: ten minste 100 m; Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u: ten minste 200 m; en Voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: ten minste 350 m. 5.2.1.2 Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet dient gezorgd te worden voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit kan onder andere bereikt worden door: De ordening van de locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar; hierbij kan worden gedacht aan de afstand tussen een woning en een bedrijf. Het stellen van regels aan activiteiten op een locatie; hierbij kan worden gedacht aan normen voor geluidimmissies of preventieve maatregelen. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl.

5.2.1.3 Onderzoek Woningen zijn in artikel 3.21 Bkl aangewezen als geluidsgevoelige gebouwen met daarin geluidsgevoelige ruimten. Aangezien de beoogde woningen enkele meters van de N271 (Rijksweg) afliggen zal er een akoestisch onderzoek plaats moeten vinden. Op 25 september 2025 is door K-Plus een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierin is het volgende geconstateerd: ''Gemeentewegen De geluidbelasting ten gevolge van de gemeentewegen is maximaal 50 dB waarmee deze onder de standaardwaarde ligt. Het Besluit kwaliteit leefomgeving legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan.

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 3 7

N271 Moleneind - De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de N271 Moleneind is maximaal 53 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). - Bij de gemeente Bergen kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. - In deze situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd ter vervanging van een bestaande bebouwing. - Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De optredende geluidbelasting kan daarmee mogelijk worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op € 100.000,- (200 m * 10m * € 50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. - Als een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan moet beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. In Tabel 5.1 t/m 5.3 is zichtbaar dat de gebouwen beschikken over tenminste één geluidluwe gevel.

- Conform het Bbl worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB.

Gecumuleerd geluid De maximale gecumuleerde geluidbelasting is 56 dB, dit is gelijk aan de maximale geluidbelasting van de bronsoort provinciale weg. Mede aan de hand van het gecumuleerde geluid kan het bevoegd gezag beoordelen of en in welke mate het verantwoord is de afwegingsruimte boven de standaardwaarde te benutten. Om een beoordeling van het gecumuleerd geluid te kunnen maken zou gebruik gemaakt kunnen worden de beoordeling geluidkwaliteit gecumuleerd geluid. Binnen deze methode wordt de optredende geluidbelasting ingedeeld in verschillende classificaties. In Tabel 6.1 is de methode opgenomen.

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 3 8

Gezamenlijk geluid en Besluit bouwwerken leefomgeving Het gezamenlijk geluid is maximaal 56 dB. Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer de standaardwaarde wordt overschreden, moet voor de nieuwe woningen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil tussen het gezamenlijk geluid en 33 dB.'

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 3 9

Het akoestisch onderzoek is integraal bijgevoegd aan de planstukken.

Spoorweglawaai In de nabijheid van het projectgebied is geen spoorlijn gesitueerd. De spoorlijn, Venlo-Nijmegen bevindt zich op een afstand van bijna 6 km ten westen van het projectgebied.

Het aspect 'geluid' vormt, na afronding van het onderzoek naar de te treffen gevelmaatregelen, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan; wel zal er een procedure voor het toekennen van hogere waarden doorlopen dienen te worden.

Het onderzoek is integraal opgenomen als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing.

5.2.1.4 Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.3

Kwaliteit van de buitenlucht

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

5.3.1

Wettelijk kader

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit | omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 4 0

bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Artikel 5.54. (standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit)van het Bkl geeft het volgende aan: Het toelaten van activiteiten leidt in ieder geval tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 µg/m3 of minder als bedoeld in artikel 5.53 voor zover het gaat om een verhoging als gevolg van het toelaten van: a. gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m2; of 2. twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige verkeersverdeling en een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 200.000 m2; b. gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; c. zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: 1. één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of 2.

twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties; d. het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1. niet-verwarmde kassen; of 2. verwarmde kassen niet groter dan 2 ha; e. het telen van gewassen in de open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving; f. het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1. witloftrek; of 2. teelt van eetbare paddenstoelen; of g. het exploiteren van een spoorwegemplacement, bedoeld in artikel 3.295b van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het begin van de activiteit of een wijziging die leidt tot een toename van het aantal dieseltractie-uren van ten hoogste 7.500 per jaar.

5.3.2

Onderzoek

Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM). Het onderhavige project valt met de realisatie van 42 appartementen niet onder de Regeling NIBM.

De appartementen zijn echter ook objecten die moeten voldoen aan het blootstellingscriterium.

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 4 1

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het RIVM is de actuele concentratie PM10 in Bergen minder dan 14 µg/m3, en de concentratie NO2 minder dan 10 µg/m3 . In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m3. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m3. De daggemiddelde norm van 50 µg/m³ voor PM10 mag maximaal 35 dagen per jaar overschreden worden en is voor PM10 belangrijker dan de jaargemiddelde norm van 40 µg/m3. De daggemiddelde norm komt overeen met ongeveer 32 µg/m3 jaargemiddeld (Bron: www.rivm.nl). Met een actuele waarde (d.d. 6 juni 2023) onder de 14 µg/m³ wordt bij nieuwe gevoelige ontwikkelingen, ook voor deze daggemiddelde norm voor PM10, ruimschoots aan deze lagere norm voldaan. Dit wordt bevestigd door de resultaten van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit, waarbij bij de toetspunten langs de N271 ter hoogte van het projectgebied voor 2021 wat betreft het aantal overschrijdingsdagen voor PM10 ook sprake is van minder dan 35 overschrijdingsdagen; het aantal overschrijdingsdagen bedraagt 6. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit in Bergen goed te noemen.

5.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.4

Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.

5.4.1

Wettelijk kader

Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening; hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 4 2

rekening houden met het omgevingsplan.

Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandeisen Randvoorwaarden

5.4.2

Onderzoek

De gemeente moet in een omgevingsplan en omgevingsvergunning rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) . In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet).

Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven Gebouwen met een woonfunctie zijn in ieder geval geurgevoelige gebouwen (artikel 5.91 Bkl). Paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan Bergen bepaalt dat de waarde voor geur ouE/m3 als 98-percentiel op een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet meer mag bedragen dan:

Voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactor geldt altijd een | omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 4 3

minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. In de omgeving van het projectgebied bevinden zich geen veehouderijen. Achtergrondbelasting en vaste afstanden In een straal van 2 km rondom het projectgebied liggen geen intensieve veehouderijen. Gesteld kan worden dat intensieve veehouderijen op een grotere afstand dan 1 km geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied voor wat betreft geur.

Omgekeerde werking Daarnaast leveren de nieuwe woningen geen extra belemmeringen voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden voor de veehouderijen op omdat bestaande woningen al dichterbij de betreffende veehouderijen zijn gelegen en daarmee maatgevend zijn voor de huidige ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderijen.

5.4.3

Conclusie

Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat dit project geen belemmeringen oplevert voor de ontwikkeling van veehouderijbedrijven en dat ter plaatse van het projectgebied voor wat betreft geur sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.5

Bodem- en grondwaterkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.

5.5.1

Wettelijk kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in paragraaf 5.1.4.5 Bkl opgenomen. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. De toelaatbare kwaliteit | omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 4 4

van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

5.5.2

Onderzoek

Voor het realiseren van deze ontwikkeling zullen er grondroeringen plaatsen moeten vinden, dus is een bodemonderzoek verplicht. Op 15 september 2025 heeft Archimil de rapportage van het verkennend bodemonderzoek opgesteld. Hierin is het volgende geconstateerd: "Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de resultaten van het vooronderzoek van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Op basis van de in het vooronderzoek verzamelde gegevens is de locatie grotendeels als niet-verdacht worden beschouwd. Ter plaatse van de onverharde regendrupzone is de toplaag van de bodem (0-10 cm) verdacht voor een verontreiniging met asbest. Veld- en laboratorium-werkzaamheden zijn derhalve uitgevoerd conform de strategie onverdacht uit de NEN 5740 en heterogeen verdacht uit de NEN 5707. Regendrupzone Uit het onderzoek volgt dat ter plaatse van de onverharde regendrupzone op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal is waargenomen. In het materiaal uit de inspectiesleuven is evenmin asbest aangetoond. Ook is in de toplaag van de onverharde drupzone geen verhoogd gehalte PCB's aangetoond. De golfplaten hebben dan ook niet geleid tot een verontreiniging met asbest of PCB's ter plaatse van de onverharde drupzone. Verkennend bodemonderzoek Uit het onderzoek volgt dat in de bovengrond (tot circa 0,6 m-mv) een zwakke tot sterke bijmenging met puin en/of baksteen waargenomen.

In de bovengrond van boring 117 (0,2-0,6 m-mv) is een matige bijmenging met asfalt en een zwakke bijmenging met puin waargenomen. Deze bodemlaag is sterk verontreinigd met PAK's en licht verontreinigd met minerale olie, cadmium, molybdeen, zink en PCB's. De puin/baksteen grond uit de bovenlaag (0-0,65 m-mv) is plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie. De zintuiglijk schone grond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) is licht verontreinigd met cadmium en zink. De monsters van de onderlaag zijn door een technische storing verloren gegaan. Aangezien sprake is van grindige zandlagen en in de bovengrond, met uitzondering van boring 117, geen sterke verontreinigingen zijn aangetoond zal deze bodemlaag niet verontreinigd zijn en achten wij vervolgonderzoek naar de onverdachte ondergrond niet noodzakelijk. Het grondwater is licht verontreinigd met cadmium. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merken wij op dat de aangetroffen bijmenging met puin, in lijn met bijlage A van de NEN 5725, aanleiding geeft tot een verkennend onderzoek naar asbest. Ook geeft het aangetroffen gehalte aan PAK's in de bovengrond van boring 117 aanleiding tot een nader onderzoek, om de omvang van de verontreiniging te bepalen.

Voor het overige behoeven, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan de beoogde herontwikkeling." | omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 4 5

De rapportage is als Bijlage 6 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.

Het aanvullend bodemonderzoek heeft plaatsgevonden, zoals neergelegd in Bijlage 15. Hierin is geconstateerd: 'Asbest Op en in de bodem is geen asbest aangetoond. Derhalve is vastgesteld dat geen sprake is van een bodemverontreiniging met asbest. PAK Bij het verkennend onderzoek is in de puin- en asfalthoudende bovengrond van boring 117 (0,2-0,6 m-mv) een sterk verhoogd gehalte PAK (51 mg/kg ds.) en zijn licht verhoogde gehalten cadmium, molybdeen, zink en minerale olie (gerelateerd aan het gehalte PAK) aangetoond. Bij onderhavig onderzoek is de bijmenging met asfalt en het sterk verhoogde gehalte PAK niet bevestigd (19 mg/kg ds). In de onderliggende laag en de meest verdachte bodemlaag van omliggende boringen zijn evenmin sterk verhoogde gehaltes aangetoond. Derhalve zal geen sprake zijn van een sterk verontreinigde bodemlaag en is er bij eventuele graafwerkzaamheden geen saneringsnoodzaak. Mogelijk kunnen plaatselijk wel resten asfalt in de bovengrond aanwezig zijn. Op basis van de onderzoeksresultaten is vermoedelijk sprake van teerhoudend asfalt en kan rondom deze resten sprake zijn van verhoogde gehaltes PAK in de bodem. Ondergrond Bij het verkennend bodemonderzoek is vastgesteld dat de puin-/baksteenhoudend grond uit de bovenlaag (0-0,65 m-mv) van het terrein plaatselijk licht verontreinigd is met minerale olie.

De zintuiglijk schone grond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) is licht verontreinigd met cadmium en zink. De monsters van de onderlaag zijn destijds door een technische storing in het laboratorium verloren gegaan. Op basis van het geheel aan onderzoeksresultaten is geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van verhoogde gehaltes. Bij onderhavig onderzoek is analytisch bevestigd dat de ondergrond niet verontreinigd is met één van de componenten uit het standaardpakket.'

5.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.6

Verkeer en parkeren

In deze paragraaf komt aan de orde hoe de verkeersafwikkeling plaats vindt en op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect parkeren.

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 4 6

5.6.1

(Wettelijk) kader

Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De activiteit dient getoetst te worden aan het gemeentelijk beleid. Op basis van de Nota Parkeernormen van de gemeente Bergen kan berekend worden hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. Op deze wijze kan worden aangetoond dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden.

5.6.2

Onderzoek

5.6.2.1 Verkeer Binnen onderhavig initiatief zullen de nieuwe woonfuncties en gemengde functie leiden tot extra verkeersbewegingen van bewoners en bezoekers. Hier staat tegenover dat de aan het aannemersbedrijf, de supermarkt, en de (bedrijfs)woningen te relateren verkeersbewegingen komen te vervallen. In een schematisch overzicht ziet de bestaande versus toekomstige verkeersgeneratie op basis van de toekomstige bestemming, uitgaande van de typering van de omgeving 'rest bebouwde kom; weinig stedelijk', er als volgt uit:

huidige bestemming

aantal

verkeersbewegingen

Totaal

supermarkt

1310 m2

105,3 per 100 m2 bvo

1379,5

aannemersbedrijf

525 m2

4,6 per 100 m2

24,1

(bedrijfs)woning

2

8,6 per woning

17,2

detailhandel

395 m2

9,8 per 100 m2 bvo

38,7

Totaal

1459,5

toekomstige bestemming

aantal

verkeersbewegingen

Totaal

appartement huur midden/goedkoop

42

4,1 per appartement

172,2

woning

1

8,6 per woning

8,6

Totaal

180,8

Uit dit overzicht blijkt dat het aantal verkeersbewegingen flink zal afnemen ten opzichte van het op basis van het vigerende bestemmingsplan toegestane gebruik. Ook zullen er geen zwaardere verkeersbewegingen meer zijn ten behoeve van de bevoorrading van de supermarkt en vrachtverkeer van een naar het aannemersbedrijf.

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 4 7

Het projectgebied zal via de Kasteellaan en Sterrenbos worden ontsloten op de nieuwe rotonde in de N271 (Moleneind-Weezerweg). Het verkeer zal ter plaatse van de nieuwe rotonde opgaan in de huidige verkeersstroom op de N271 in de richtingen van Nieuw-Bergen, Venlo of Venray. De noordelijke zijde van de Kasteellaan is voorzien van een van de rijbaan vrijliggend trottoir en langs de N271 loopt een van de rijbaan gescheiden fietspad.

De nabij het projectgebied (op circa 150 meter) gelegen bushaltes 'Kasteellaan' zorgen voor het vervoer van personen via lijn 81 en 83 (naar Venray Centrum respectievelijk naar station Venlo). De bereikbaarheid van het projectgebied via het openbaar vervoer is dan ook goed.

5.6.2.2 Parkeren De nieuwe functie leidt eveneens tot parkeerbehoefte. Parkeren geschiedt geheel op eigen terrein. Ter plaatse van het nieuwe woningbouwproject zal voldaan moeten worden aan de parkeernorm (basis: Parkeernota Bergen). Hierbij geldt, uitgaande van de typering van de omgeving 'rest bebouwde kom; weinig stedelijk', een norm van gemiddeld 1,1 parkeerplaatsen per huurappartement tot 110 m2. Uitgaande van 42 nieuwe woningen betekent dit dat er 42x 1,1 = 46,2 (47) parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd. Inclusief ruimte voor bezoekersparkeren komt dit neer op een parkeervraag van in totaal 59 plaatsen. Deze parkeerplaatsen zijn voorzien achter de nieuwe appartementen. Op onderstaande afbeelding is te zien waar de nieuwe parkeergelegenheden (59 stuks) in beginsel gerealiseerd zullen gaan worden. De exacte situering is uiteraard afhankelijk van de projectie en vormgeving van de woongebouwen op het perceel.

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 4 8

Figuur: parkeren

Voor de bedrijfswoning welke omgezet wordt naar burgerwoning blijven de benodigde 2 parkeerplaatsen per vrijstaande woning op eigen perceel voor handen.

5.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van de ruimte en zal de openbare ruimte niet worden belast door parkeren langs de Kasteellaan.

5.7

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de nieuwe activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, explosies, gifwolken et cetera. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal) wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aandachtsgebieden aan. Het bevoegd gezag dient binnen de aandachtsgebieden bij de vergunningverlening rekening te houden met het groepsrisico; indien sprake is van een verhoogd risico dan gelden aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De norm van het plaatsgebonden risico (PR) blijft gelijk en daarmee ook het basisbeschermingsniveau. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 4 9

PR-contouren en aandachtsgebieden zijn.

5.7.1

Wettelijk kader

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastendeactiviteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Aandachtsgebieden (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl) gelden van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Ingeval van nieuwe activiteiten moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen.

In het Bkl staan instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl)

5.7.2

Onderzoek

Volgens de Signaleringskaart Externe Veiligheid ligt in de directe omgeving (in een straal van 1 km) van het projectgebied slechts één risicovolle inrichting. Dit betreft een brandstofverkooppunt met lpg aan de Moleneind 19 te Well (Groothandel in brandstoffen en andere minerale olieproducten). De vergunde jaardoorzet voor LPG bedraagt 999 m3. De contour waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden bedraagt 150 m. De feitelijke afstand tot het projectgebied bedraagt ruim 220 m, waardoor er wat betreft risicovolle inrichtingen geen verantwoording hoeft plaats te vinden.

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 5 0

Figuur: uitsnede Signaleringskaart externe veiligheid

De dichtstbijzijnde weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de provinciale weg N271. De PR-contour 10-6/jr bedraagt hier 0 m; het projectgebied ligt op een afstand van ongeveer 75 m van deze weg. Nu het project betrekking heeft op een gebied dat binnen 200 m van een transportroute is gelegen, dient in het kader van de verantwoording van het groepsrisico te worden ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid), en b. voor zover dat plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet (zelfredzaamheid). De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om de taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het projectgebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten, gelet op de ligging op een steenworp afstand van de provinciale weg.

Tevens zijn er binnen en nabij het projectgebied voldoende opstelmogelijkheden en is de bereikbaarheid voor voertuigen van de hulpverleningsdiensten vanuit twee aanvalswegen goed te noemen. In de verdere uitwerking van het bouwplan zal hier ook nadrukkelijk aandacht voor zijn. Als bluswatervoorziening zal gebruik moeten worden gemaakt van de bestaande

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 5 1

voorzieningen/brandkranen. Mobiliteit van de aanwezigen: Binnen het projectgebied worden appartementen gerealiseerd. Er mag vanuit worden gegaan dat de bewoners zelfredzaam zijn en zich bij een calamiteit zelfstandig in veiligheid kunnen brengen. Mogelijkheden voor ontvluchten/schuilen: Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. Feit blijft dat in geval van een calamiteit een vroegtijdige alarmering van levensbelang is om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om te kunnen vluchten nemen toe door uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de risicobron af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door het gebouw zelf en overige bebouwing die tussen de N271 en de woningen zijn gelegen. Risicocommunicatie: In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem. Nu er sprake is van reguliere woningen is het algemene systeem van NL-Alert voldoende als waarschuwingssysteem.

De gemeente Bergen dient in het kader van de ruimtelijke procedure advies in te winnen bij de Veiligheidsregio en een standpunt in te nemen aangaande de verantwoording van het groepsrisico. De dichtstbijzijnde waterweg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de Maascorridor. De PR-contour 10-6/jr bedraagt ook hier 0 m; het projectgebied ligt op een afstand van ruim 0,7 km van de Maascorridor. Transport van gevaarlijke stoffen over de Maas vormt geen belemmering voor dit project.

Op 13 november 2023 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord advies aan het bevoegd gezag uitgebracht (opgenomen als Bijlage 11). Het advies luidt: Indien een woning is voorzien van mechanische ventilatie, wordt geadviseerd om deze installatie te voorzien van een centrale voorziening (gemakkelijk te bereiken; bijvoorbeeld in de meterkast) om de ventilatie te kunnen uitschakelen bij een toxische scenario, zodat men in het gebouw veilig kan schuilen. Indien een gebouw geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie, is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden (en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden). Bereikbaarheid. In de overlegde situatie behoeft de bereikbaarheid van de diverse gebouwen voor de hulpdiensten nadere aandacht: 1. Op de centrale parkeerplaats ontbreken opstelmogelijkheden; 2. De 12 studio’s achter de bestaande woning Kasteellaan 11a zijn onvoldoende bereikbaar; 3. Er is onvoldoende duidelijkheid omtrent de bereikbaarheid van de zes tweeslaapkamerappartementen + de status van de weg/het pad dat achterlangs voert. 4. De gebouwen liggen in de overlegde situatie deels met de ingangen naar de risicobron toe. Geadviseerd wordt om de gebouwen te roteren, zodat de in-/uitgangen van de risico’s af zijn gelegen.

Verzoek om een vooroverleg te beleggen met Brandweer Limburg Noord om te bekijken wat er nodig is en wat de (on-)mogelijkheden zijn. De bewoners moeten kennis hebben van de gevaren van de externe veiligheid scenario’s en weten wat te doen bij het optreden van deze scenario’s. Hierdoor kan het juiste

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 5 2

handelingsperspectief gekozen worden, namelijk schuilen of vluchten. Voor een effectieve bestrijding van calamiteiten nabij het projectgebied is een bluswatervoorziening nabij de nieuwe rotonde op de N271 nodig, zoals reeds aangegeven in ons advies van 1 maart 2022 (ons kenmerk 2022-009246). Advies is om binnenplans een geboorde put met een capaciteit van minimaal 90 m3/uur aan te leggen in het kader van gebouwbrandbestrijding. Dit in overleg met brandweer Limburg-Noord; Neem kennis van een overschrijding van de gestelde opkomsttijd voor de woningen. Eventueel te nemen maatregelen zijn uiteengezet in het “Dekkingsplan, werkexemplaar 1.06 gemeente Bergen”. Op 6 oktober 2025 is een aanvullend advies gegeven (zie Bijlage 12) ten aanzien van bluswater en bereikbaarheid: Bluswater De bluswatervoorzieningen dienen te voldoen aan het gemeentelijke beleid voor bluswater. Uitgangspunt bij toetsing is "Woongebouwen met de hoogste verblijfsvloer tussen de 6 meter en 20 meter boven het meetniveau". Hiervoor gelden de volgende eisen: De maximale afstand tussen een opstelplaats en een object is 15 meter. De maximale afstand tussen een opstelplaats en een primaire bluswatervoorziening met een debiet van tenminste 30 m3/uur is 100 meter.

De maximale afstand tussen een object en een secundaire bluswatervoorziening is 200 meter en een secundaire bluswatervoorziening met een debiet van 30 m3/uur is 200 meter. Bereikbaarheid De bereikbaarheid dient te voldoen aan het gemeentelijke beleid voor bereikbaarheid voor hulpdiensten (brandweer). Om incidenten snel en effectief te kunnen bestrijden is het belangrijk dat een incidentlocatie goed, snel en via meerdere zijden voor hulpdiensten bereikbaar is.

Met deze (aanvullende) eisen wordt rekening gehouden bij de inrichting en het gebruik van het projectgebied.

5.7.3

Conclusie

Vanuit het aspect externe veiligheid is er derhalve sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.8

Natuur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie.

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 5 3

5.8.1

Wettelijk kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het (Besluit kwaliteit leefomgeving) Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die tot voor kort waren opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

5.8.1.1 Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.

De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

5.8.1.1.1 Onderzoek Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN); op korte afstand ligt de Maasduinen. Het lichtgroene vlak op onderstaande afvbeelding betreft het Natura 2000-gebied de Maasduinen (op een afstand van circa 100 m van het projectgebied).

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 5 4

Figuur 19: Ligging ten opzichte van Natura 2000 gebieden

Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de aanvoer van materialen en personen en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie ten behoeve van de realisatie van het plan. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. Ter plaatse van het huidige bouwbedrijf zal een vermindering van de milieudruk plaatsvinden, waardoor de planwijziging feitelijk uitsluitend positieve effecten heeft op het milieu en dus op Natura 2000-gebieden. Doordat voor de huidige activiteiten echter geen vergunning op basis van de Wn is verleend, zal uitgegaan moeten worden van een 0-situatie, als ware er nu geen enkele activiteit. De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase met peiljaar 2025 is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator (zie Bijlage 7).

Op basis van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de geplande activiteiten ten behoeve van de realisatie en het gebruik van de appartementen aan de Kasteellaan te Well de kritische depositiewaarden als gevolg van de stikstofuitstoot voor stikstof gevoelige habitattypen een leefgebieden van soorten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden overschrijden. Op basis van dat onderzoek blijkt dat er dus een omgevingsvergunning noodzakelijk is voor een Natura 2000-activiteit. Gedeputeerde Staten van Limburg zijn hiervoor het bevoegd gezag. Op 2 mei 2024 is deze omgevingsvergunningaanvraag ingediend (zaaknummer Z2024-00000789; | omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 5 5

kenmerk D2024-00005735) waarbij is verzocht om voor onderhavig woningbouwproject stikstofdepositieruimte beschikbaar te stellen vanuit het SSRS (StikStofRegistratieSysteem). Naar verwachting zal de vergunningverlening dan ook binnen afzienbare tijd plaatsvinden. In de volgende paragraaf zal ingegaan worden op mogelijke aantasting van flora en fauna.

5.8.1.2 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

5.8.1.2.1 Onderzoek Het projectgebied is bebouwd met een bedrijfswoning bij een detailhandelsbedrijf (Kasteellaan 11a), een burgerwoning (Kasteellaan 13), een voormalige SPAR-supermarkt (Kasteellaan 13a-15) en een aannemersbedrijf (Kasteellaan 15a). Hiervan zal de bebouwing aan de Kasteellaan 11a behouden blijven en de overige bouwmassa's zullen worden gesloopt. Water is binnen het projectgebied niet aanwezig. Wel bevinden zich aan de oostelijke rand van het projectgebied bomen en struiken, welke deels behouden blijven en deels gerooid zullen worden. Omdat de bedrijfsbebouwing geheel zal worden gesloopt en er ook beplanting zal moeten wijken, is het noodzakelijk dat ecologisch veldwerk zal worden verricht om te beoordelen of er broedplaatsen van vogels, vleermuisverblijfplaatsen of andere fauna of flora is. Hiertoe is op 31 juli 2023 een ecologisch rapport opgemaakt door Faunaconsult. Er is het volgende geconstateerd: "Huismus: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf In de woning en de magazijnruimte (1 en 3 in figuur 4.1) broeden mogelijk jaarlijks huismussen. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Voordat de gebouwen worden gesloopt, dient daarom eerst het voorkomen van huismusnesten conform Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017a) te worden onderzocht. Hierbij wordt voor de huismus uitgegaan van 2 ochtendbezoeken in de periode 1 april – 15 mei.

Voor elk nest dat verloren gaat, dienen er meerdere alternatieve nestlocaties voor de huismus in de nieuwe situatie te worden gerealiseerd (BIJ12, 2017a). Dat kan door het

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 5 6

plaatsen van nestkasten. Huismussen hebben de tijd nodig om aan nieuwe nestplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beiden aanwezig zijn (minimaal 3 maanden voor de start van de sloopwerkzaamheden). Om vertraging te voorkomen is het daarom verstandig om vooruitlopend op de onderzoeksresultaten al een 4-tal houtbetonnen huismusnestkasten (type Vivara NK SA 01 Nestkast ovaal) rondom de wijk op te hangen. Dit dient te gebeuren onder begeleiding van een deskundige. Gierzwaluw: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf In de woning (1 in figuur 4.1) broeden mogelijk jaarlijks gierzwaluwen. Omdat gierzwaluwnesten jaarrond beschermd zijn, dient hun voorkomen conform het Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2017b) nader te worden onderzocht. Hierbij wordt uitgegaan van 3 avondbezoeken in de periode 1 juni – 15 juli. Indien blijkt dat er gierzwaluwnesten aanwezig zijn, dient de functionaliteit daarvan te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er buiten de broedtijd van de gierzwaluw (15 april – 31 augustus) wordt gesloopt, zodat er geen gierzwaluwen en hun jongen of eieren worden gedood. Daarnaast dient er voor elk nest dat zijn functie niet meer kan vervullen, te worden gezorgd dat er in de eindsituatie meerdere nieuwe alternatieve nestlocaties aanwezig zijn.

Vervangende nestlocaties moeten voor de eigenlijke werkzaamheden en voor terugkomst van de gierzwaluwen uit het zuiden al beschikbaar zijn. Om vertraging te voorkomen is het verstandig om vooruitlopend op de onderzoeksresultaten al voor 15 april 2024 (start broedseizoen gierzwaluw) een 2-tal houtbetonnen gierzwaluwnestkasten (type NK GZ 08 Nestkast Gierzwaluw, te bestellen bij vivarapro.nl) binnen 200 meter van het projectgebied op te hangen (bij meer dan 10 gierzwaluwnesten geldt namelijk een gewenningsperiode van 1 broedseizoen). Dit dient te gebeuren onder begeleiding van een deskundige. Algemene vogels In het projectgebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door het verwijderen van de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf Alle te slopen gebouwen bevatten mogelijk vleermuisverblijven.

Het slopen van deze gebouwen kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig: - 3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd 15 mei – 15 juli (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee avonden en tussen één avond en de ochtend); - 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken).

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 5 7

Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het projectgebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten tegen nabijgelegen gebouwen op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017c). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 4 vleermuiskasten op te hangen van types als VK WS 02 en VK MP 05 (te bestellen bij vivarapro.nl), Beaumaris maxi (te bestellen bij vivara.nl) of VMT1, VMT1a, VMTH1 (te bestellen bij unitura.nl). Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 200 meter van het projectgebied (BIJ12, 2017c), onder begeleiding van een deskundige.

Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het projectgebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud (Provinciale staten van Provincie Limburg, 2016). Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het projectgebied worden verplaatst."

Het ecologisch onderzoek is als Bijlage 8 aan de ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Op basis hiervan is het noodzakelijke vervolgonderzoek uitgezet. Op 8 oktober 2024 heeft Faunaconsult de rapportage (zie Bijlage 13) opgeleverd, waarin is geconcludeerd dat zich in het projectgebied 5 huismusnesten en een egelverblijf bevinden. Gierzwaluwnesten en vleermuisverblijven zijn afwezig in het projectgebied. Bij de sloop van de gebouwen dient dus rekening te worden gehouden met huismussen en egels. Dit houdt in dat de werkzaamheden ter plaatse van de woning en een deel van het magazijn achter de supermarkt ecologisch dienen te worden begeleid en dat er een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten dient te worden aangevraagd. Voornoemde omgevingsvergunning is op 7 oktober 2025 aangevraagd bij de provincie Limburg en naar verwachting is deze ook verleenbaar vanwege de mitigerende en compenserende maatregelen welke worden getroffen tijdens de sloop en de herontwikkeling van het projectgebied en welke zijn opgenomen in het als Bijlage 14 opgenomen activiteitenplan.

De kans op verstoring van beschermde soorten is so wie so het kleinst als de sloop-, graaf- en bouwwerkzaamheden buiten de periode van maart tot augustus starten (de sloop-, graaf- en bouwwerkzaamheden zullen voor dit project dus ook buiten deze periode starten). Ook buiten

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 5 8

deze periode mogen broedende vogels niet worden verstoord en moet gewacht worden tot het broeden voorbij is en de jongen zijn uitgevlogen. Hier wordt allemaal rekening mee gehouden.

5.8.2

Conclusie

Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies onder voorwaarde dat de woning en een deel van het magazijn niet eerder gesloopt gaan worden dan nadat de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit is verleend.

5.9

Waterparagraaf

Deze paragraaf vormt de toelichting hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting in de bestemming. Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige en meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: 'ruimte maken voor water'. Naast de kans op meer wateroverlast neemt ook de kans op langdurige periodes van droogte toe.

5.9.1

Waterschap beleid: Waterschap Limburg

In het waterbeheerplan (WBP) en de Waterschap verordening van het Waterschap Limburg staan de regels van het Waterschap Limburg. Waterbeheerprogramma (WBP) Met het waterbeheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022 - 2027: Programma Waterveiligheid: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas. Het afgekoppelde regenwater zorgt voor minder vervuilende riooloverstorten. Het verbetert de doorstroming en daarmee de kwaliteit van stadswateren. Doordat een groot deel van het water lokaal infiltreert in groenstroken en tuinen, wordt voorkomen dat oppervlakkig afstromend regenwater onderweg vervuild raakt en zo het ontvangende oppervlaktewater belast. Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden. Zo zorgt bijvoorbeeld verdamping in de stad voor minder hittestress. Daarmee zijn de sponswerking van de gebouwde omgeving en de kwaliteit van het oppervlaktewater vergroot. Ook op dit gebied moet samengewerkt worden om werk met werk te kunnen maken (efficiency), om instrumenten van derden te benutten teneinde onze eigen opgave te realiseren (zoals omgevingsplannen) en voor de inpassing in de omgeving. Waterkwaliteit en ecologie: het water binnen de gemeente moet schoon zijn en wateren zijn natuurlijk ingericht.

We maken een stevig begin met de (bron)aanpak van de problemen met medicijnresten en opkomende stoffen (zoals PFAS en microplastics) in het oppervlaktewater. Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Voor het projectgebied is vooral klimaatadaptatie van belang. Om de klimaatverandering een stap voor te blijven, is nu het moment om de plannen gereed te hebben en te starten met de

| omgevingsvergunning OGV Kasteellaan Well | status: concept |

Pagina | 5 9

uitvoering. Daarom is klimaat adaptief denken en handelen de basis van al het werk van het Waterschap en dat verwacht zij ook van haar partners. De speerpunten zijn: Samen klimaat adaptief inrichten van stad en land; Aanpakken grootste wateroverlastknelpunten; Risico gestuurd peilbeheer en onderhoud; Elke druppel vasthouden en pas afvoeren als het moet. Bij nieuwbouw is het afkoppelen van regenwater inmiddels vanzelfsprekend. De voorkeursvolgorde bij afkoppelen is vasthouden - bergen - afvoeren, waarbij infiltreren in de bodem voorgaat op lozen op oppervlaktewater. Ook opvangen en gebruiken voor huis en tuin is een duurzame oplossing. Vanzelfsprekend geldt bij afkoppelen en infiltreren dat dit geen overlast elders mag veroorzaken. Ook belangrijk is de kwaliteit van het afgekoppelde regenwater. Alleen met het doorlopen van de trits schoon houden - scheiden - zuiveren is lozen op de bodem of op watergangen acceptabel.

Waterbeheerprogramma (WBP) Per 1 januari 2024 is de Waterschap verordening Waterschap Limburg in werking getreden. In de Waterschap verordening staan regels over wat er wel en niet mag in en rondom het water in Limburg. Voor de meest voorkomende vergunning plichtige activiteiten zijn er beleidsregels. In deze beleidsregels staat met welke criteria een vergunningsaanvraag wordt beoordeeld.

5.9.2

Gemeentelijk beleid: gemeente Bergen

Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020-2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke verordening 'Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022'. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente Bergen het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L). Het gemeentelijk rioleringsplan dat vastgesteld is voor ingang van de Omgevingswet, blijft namelijk gelden totdat de periode is verstreken waarvoor het plan is vastgesteld. Het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) blijft gelden tot en met het jaar 2025. Het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) heeft dezelfde juridische status als het water & rioleringsprogramma, afgekort WRP. De taken en verplichtingen die de gemeente op het gebied van riolering heeft, zijn vastgelegd in artikel 2.16 van de Omgevingswet.

Een van de verplichtingen uit de Wet milieubeheer betreft het opstellen van een gemeentelijk rioleringsplan (GRP). In het GRP moet inzichtelijk zijn gemaakt welke voorzieningen op het gebied van riolering in beheer zijn, welke effecten deze voorzieningen op het milieu hebben en welke kosten met het beheer en onderhoud hiervan gemoeid zijn, rekening houdend met toekomstige vervanging en/of verbetering. In de Wet milieubeheer is ook de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van afvalwater vastgelegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16225219/1