CConstaterende datBergen (L)
Koppel je AI →
Document · PDF

motivering TAM-omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) vastgesteld

Gemeenteraad 7 oktober 2025, gemeente Bergen (L)Bij agendapunt: Voorstel tot vaststellen TAM-IMRO-plan Bergse Heide Nieuw Bergen fase II;30.733 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 59

5.8.2 Toetsing omgevingsveiligheid De nieuwe woningen zijn te kwalificeren als kwetsbaar objecten. Middels onderstaande uitsnede van de Externe Veiligheidsignaleringskaart (versie 2.6) zijn de volgende aspecten van externe veiligheid onderzocht: risicovolle inrichtingen; transport over weg, water en spoor; hogedruk aardgastransportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen; bovengrondse hoogspanningslijnen.

uitsnede risicokaart (plangebied zwart omcirkeld) (bron: www.ev-signaleringskaart.nl)

Risicovolle inrichtingen Uit de Externe Veiligheidsignaleringskaart (versie 2.6) blijkt dat de dichtstbijzijnde risicovolle inrichting een brandstofverkooppunt met LPG aan de Rijksweg 27 te Nieuw Bergen is. De vergunde jaardoorzet voor LPG bedraagt 500-1000 m3. De bijbehorende plaatsgebonden risicocontour bedraagt 35 m en de contour waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden bedraagt 150 m. Het tankstation is op ca.295 meter afstand van het plangebied gelegen. Het plangebied ligt ruim buiten de PR 10-6-contour en ruim buiten de brand- en explosie-aandachtsgebieden rond deze bron. Vervoer gevaarlijke stoffen De dichtstbijzijnde weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de provinciale weg N271. De PRcontour 10-6/jr bedraagt hier 0 m. Ook zijn hier geen brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden bepaald Het plangebied ligt op een afstand van ca. 265 m van deze weg. De dichtstbijzijnde waterweg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de Maas. De PR-contour 10-6/jr bedraagt ook hier 0 m. Het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 1,7 km van de Maas. Het plangebied ligt ruim buiten de aangeduide brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden langs de Maas.

Kabels en leidingen In de ruime omgeving van het plangebied zijn geen planologisch te beschermen kabels, (hoge druk)aardgas-, olie-en andere leidingen, hoogspanningslijnen en radarverstoringsgebieden aanwezig.

5.8.3 Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 60

5.9

Natuur

5.9.1 Beoordelingskader De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel gebiedsbescherming als soortenbescherming als geregeld. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.44 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. 2. 3.

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 61

Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Flora- en fauna-activiteiten Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en faunaactiviteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: ‘Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

5.9.2

Ecologisch onderzoek en stikstof

Gebiedsbescherming Het plangebied zelf maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of een ander natuurgebied dat behoort tot het Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Het plangebied omvat geen landschapselementen of bomen met een beschermde status. Door de voorgenomen werkzaamheden kan verstoring door geluid en beweging optreden. Deze effecten zijn echter zeer lokaal. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ ligt op een afstand van circa 200 meter van het plangebied. Vanwege deze afstand wordt niet verwacht dat de voorgenomen werkzaamheden een direct effect op bovengenoemd Natura 2000-gebied hebben. Het hierboven genoemde Natura 2000-gebied bevat echter tenminste één stikstofgevoelig habitattype, dat overbelast is door stikstofdepositie. De bouw en de bewoning van de woningen en de bijbehorende extra verkeersbewegingen zullen leiden tot stikstofuitstoot. Door de geringe afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied, ontstaat er mogelijk een significant negatief effect door stikstofdepositie op de habitattype(s) in het Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt op circa 230 meter afstand van het plangebied. Vanwege de afstand hebben de werkzaamheden waarschijnlijk geen noemenswaardig effect op de natuurwaarden in het NNN.

Stikstof Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Na de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) mag het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten die stikstof uitstoten worden gebruikt. Daarom moet per activiteit duidelijk worden gemaakt dat beschermde natuurgebieden daardoor niet worden aangetast. Het beoogde project mag geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden. Het project kan leiden tot verhoogde emissie van stikstof. In een bijgevoegde rapportage wordt een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op voor stikstof gevoelige habitattypen een leefgebieden van soorten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Berekening Voor de berekening van de planbijdrage voor de depositie van NOx en NH3 in Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de AERIUS CALCULATOR (versie 2025).

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 62

Op basis van de stikstofberekening blijkt dat er dat er ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een relevante toename van stikstofdepositie (≥0,01 mol N/ha/jaar) binnen de Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’. De toename aan stikstofdepositie op hexagonen met een overschrijding van de Kritische Depositiewaarde (KDW) bedraagt maximaal 0,19 mol N/ha/jaar in de aanlegfase en maximaal 0,08 mol N/ha/jaar in de gebruiksfase. Het projecteffect op de Duitse Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan de drempelwaarde. Bij een dergelijk projecteffect zal de beoogde ontwikkeling niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Voor de ontwikkeling hoeft geen toestemming te worden gevraagd aan het bevoegde gezag in Duitsland. De uitkomsten van dit stikstofonderzoek zijn in deze paragraaf opgenomen. Het volledige rapport is als bijlage 4 bij deze motivering opgenomen. Algemeen De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 5 van de Omgevingswet (Ow). Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen.

De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitattypen binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd vanuit een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Het Ministerie van Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid, en Natuur (LVVN) wijst de Natura 2000-gebieden aan met een aanwijzingsbesluit (artikel 2.44 lid 1 Ow). In dat besluit is aangegeven welke natuurwaarden kwalificerend zijn op grond van de Europese Habitatrichtlijn en/of Vogelrichtlijn. Voor deze natuurwaarden zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitattypen en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitattypen en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- en/of verbeterdoelstellingen voor habitattypen en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen toetsbaar te maken kent de Ow een goedkeuringsvereiste voor plannen of projecten die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied zouden kunnen hebben (‘Natura 2000-activiteit’; artikel 16.53c eerste lid Ow en artikel 10.24 Bkl).

Een vergunningplicht geldt voor een ‘Natura 2000-activiteit’ waarvoor (significant) negatieve gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen niet kunnen worden uitgesloten, waarbij de kwaliteit van de habitattypen of leefgebieden van soorten in het betreffende Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect op soorten waarvoor dat gebied is aangewezen kan optreden (artikel 5.1 eerste lid Ow en artikel 8.74b Bkl). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn (artikel 8.74b Bkl). Wanneer er dan nog steeds wel sprake kan zijn van een activiteit met nadelige, maar zeker geen significante, gevolgen voor een Natura 2000-gebied, geldt de zorgplicht (artikel 11.6 Bal). Deze bestaat uit het nemen van passende preventieve of herstelmaatregelen om nadelige gevolgen te beperken. Indien uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar) dan is er voor het onderdeel stikstofdepositie geen sprake van een vergunningplichtige ‘Natura 2000-activiteit’.

Indien uit de AERIUS-berekening blijkt dat er wel sprake is van een toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jaar, dan is er een vergunningplicht in het kader van de Ow, tenzij uit een ecologische voortoets blijkt dat significante gevolgen op grond van objectieve criteria op voorhand zijn uit te sluiten. Een omgevingsvergunning kan in de volgende situaties worden verleend: 1

in het stikstofregistratiesysteem is voldoende depositieruimte beschikbaar om de effecten van het project te salderen;

2

uit een passende beoordeling, eventueel inclusief extern salderen of andere mitigerende maatregelen, de zekerheid is verkregen dat het plan of project de natuurlijke kenmerken van het

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 63

Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. De instandhoudingsdoelstellingen vormen hierbij het toetsingskader; 3

na het succesvol doorlopen van de ADC-toets (artikel 5a.1 Bkl, lid 2 en 3 Ow; artikel 6 lid 4 Habitatrichtlijn).

Ecologische voortoets Er is in het kader van dit plan een ecologische voortoets verricht. Deze rapportage geeft duidelijkheid of projectgebonden toenames aan stikstofdepositie significante gevolgen kunnen hebben voor de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen en/of kwalificerende soorten in dit Natura 2000- gebied. Deze beoordeling is uitgevoerd aan de hand van de volgende vragen: 1

Wat is de kritische depositiewaarde (KDW) van het habitattype/leefgebied?

2

Wat is de maximale achtergronddepositie op het habitattype/leefgebied?

3

Hoe groot is de maximale toename aan stikstofdepositie?

4

Hoe groot is de maximale relevante toename aan stikstofdepositie? 6

5

Wat is de huidige kwaliteit van het habitattype/leefgebied met een relevante toename aan stikstofdepositie?

6

Vormt stikstofdepositie een knelpunt voor het halen van instandhoudingsdoelstellingen?

7

Kan de berekende toename aan stikstofdepositie ecologische effecten hebben op de oppervlakte of kwaliteit van habitattypen of stikstofgevoelige leefgebieden?

8

Indien sprake van ecologische effecten, staat dit de realisatie van de instandhoudingsdoelen in de weg?

Conform de definitie van de ‘Natura 2000-activiteit’ in bijlage A van de Omgevingswet en artikel 6 derde en vierde lid van de Habitatrichtlijn, dient ook beoordeeld te worden of een plan of project in combinatie met andere plannen of projecten, tot significant negatieve gevolgen kan leiden voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied (de zogenaamde cumulatietoets). Conclusie De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt een toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,19 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige natuur binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen. Voor de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten waarvoor geldt dat de KDW wordt overschreden, is in een ecologische voortoets onderzocht of de berekende toename aan stikstofdepositie kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van de kwaliteit of oppervlakteverlies van het stikstofgevoelige areaal. Op basis van een gebiedspecifieke analyse kan worden geconcludeerd dat dit binnen het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ niet het geval is. De stikstoftoename ten gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling staat ook niet in de weg van het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen/leefgebieden van kwalificerende soorten in de ‘Maasduinen’.

Significant negatieve gevolgen door de geringe toename aan stikstofdepositie ten gevolge van het voorgenomen project zijn hierom op voorhand uitgesloten. Een omgevingsvergunning voor een ‘Natura 2000-activiteit’ is niet noodzakelijk. Voor de volledige ecologische voortoets wordt verwezen naar de rapportage die als bijlage 5 deel uitmaakt van deze motivering. Soortenbescherming

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 64

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora & fauna uitgevoerd ter plekke van het plangebied. De uitkomsten van deze quickscan zijn in deze paragraaf opgenomen. De volledige rapportage is als bijlage 6 bij deze motivering opgenomen.

De conclusies en aanbevelingen van de quickscan zijn als volgt: Algemene in grasvegetatie broedende vogels In de grasvegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Vleermuizen: verstoring vliegroute/foerageergebied De bosrand aan de westzijde van het plangebied fungeert mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Dergelijke vliegroutes / foerageergebieden zijn onder de Omgevingswet beschermd.

Deze bomen blijven behouden maar om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017). Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere beschermde soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een omgevingsvergunning voor flora- en faunaactiviteiten voor is verkregen (deze soorten zijn opgenomen in Bijlage X van de Omgevingsverordening Limburg; Provinciale Staten van Limburg, 2023). Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 11.27 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

5.9.3 Conclusie Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.10 Cultureel erfgoed 5.10.1

Beoordelingskader

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 65

geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Archeologie De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m 2 in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m2 vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.

Cultuurhistorie De verplichting om ook cultuurhistorische waarden te beschermen is in de Omgevingswet meegenomen. De instructieregels uit artikel 5.130 lid 2 van het Bkl geven aan voor welke punten onder meer bescherming benodigd is (o.a. ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en aantasting van de omgeving of karakteristieke stadsgezichten, dorpsgezichten en cultuurlandschappen. In het omgevingsplan zal hiertoe een toereikend beschermingsregime moeten worden opgenomen.

5.10.2

Toetsing cultureel erfgoed

5.10.2.1 Archeologie Op 13 november 2012 heeft de gemeenteraad de “Nota Archeologie beleid Bergen” vastgesteld. Op basis van de inventarisaties is een archeologisch en cultuurhistorisch verwachtingsmodel opgesteld. Op de archeologische beleidskaart (zie onderstaand) is het plangebied aangeduid als categorie 5.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 66

.

uitsnede archeologische beleidskaart

Categorie 5-gebieden hebben een middelhoge archeologisch verwachting of betreffen naoorlogse woonwijken en industrieterreinen met hoge verwachting. Er geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m 2. Deze waarden zullen sowieso in de vorm van de functie ‘Waarde-Archeologie-5’ via het TAM-omgevingsplan beschermd worden. Voor het plangebied bestaat het voornemen het bestemmingsplan te wijzigen te behoeve van de bouw van 17 nieuwe woningen in het gebied (6960 m2). Bij de planrealisatie wordt een oppervlakte van ca. 1.200 m2 van het plangebied dieper dan 40 cm onder maaiveld verstoord. Dit ligt ruim onder de onderzoeksnorm van 2.500 m2 behorend bij een middelhoge verwachting. Als gevolg van deze archeologische verwachtingswaarde is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek derhalve niet noodzakelijk.

5.10.2.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In de Omgevingsvisie Limburg is derhalve opgenomen dat het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen moet worden nagestreefd. Op onderstaande provinciale kaart zijn de cultuurhistorische waarden van de gronden rondom het plangebied in beeld gebracht. Zowel de N271 als de Bergse Heide zijn gekenmerkt als historisch waardevolle wegen.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 67

Cultuurhistorische waardenkaart

In het Landschapsplan van de gemeente Bergen (L.) zijn diverse landschapselementen beschreven. Als kenmerkende en in principe te behouden cultuurhistorische landschapselementen kunnen in Bergen de volgende componenten worden genoemd: elementen uit de archeologie, zoals Celtic fields en oude nederzettingen; de begrenzingen van velden en kampen; oude ontginnings- en perceelsgrenzen; oude wegtracé’s, veldwegen en dergelijke; bomen die al relatief oud zijn; bijvoorbeeld meer dan 100 jaar; veldkruisen en kleine kapellen. Op onderstaande uitsnede van deze cultuurhistorische waardenkaart is te zien dat het plangebied is gelegen op een oude akker.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 68

Landschappelijke elementen uit cultuurhistorische waardenkaart gemeente Bergen (2017)

Binnen het plangebied zijn geen rijks -of gemeentelijke monumenten gelegen. Ook ligt het plangebied niet binnen een molenbiotoop of een beschermd stads-of dorpsgezicht. De voorgenomen ontwikkeling heeft gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot op grotere afstand gelegen rijks-en gemeentelijke monumenten geen negatieve invloed op cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de realisatie van het nieuwe woongebied.

5.10.3

Conclusie

Vanuit het aspect cultureel erfgoed is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.11 Waterparagraaf Deze paragraaf vormt de motivering hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting in de bestemming. Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige en meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: 'ruimte maken voor water'. Naast de kans op meer wateroverlast neemt ook de kans op langdurige periodes van droogte toe.

5.11.1

Waterschapbeleid: Waterschap Limburg

In het waterbeheerplan (WBP) en Keur van het Waterschap Limburg staan de regels van het Waterschap Limburg. Waterbeheerprogramma (WBP) Met het waterbeheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022 - 2027: Programma Waterveiligheid: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas. Het afgekoppelde regenwater zorgt voor minder vervuilende riooloverstorten. Het verbetert de doorstroming en daarmee de kwaliteit van stadswateren. Doordat een groot deel van het water lokaal infiltreert in groenstroken en tuinen, wordt voorkomen dat oppervlakkig afstromend regenwater onderweg vervuild raakt en zo het ontvangende oppervlaktewater belast. Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden. Zo zorgt bijvoorbeeld verdamping in de stad voor minder hittestress. Daarmee zijn de sponswerking van de gebouwde omgeving en de kwaliteit van het oppervlaktewater vergroot. Ook op dit gebied moet samengewerkt worden om werk met werk te kunnen maken (efficiency), om instrumenten van derden te benutten teneinde onze eigen opgave te realiseren (zoals omgevingsplannen) en voor de inpassing in de omgeving.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 69

Waterkwaliteit en ecologie: het water binnen de gemeente moet schoon zijn en wateren zijn natuurlijk ingericht. We maken een stevig begin met de (bron)aanpak van de problemen met medicijnresten en opkomende stoffen (zoals PFAS en microplastics) in het oppervlaktewater. Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Voor het plangebied is vooral klimaatadaptatie van belang. Om de klimaatverandering een stap voor te blijven, is nu het moment om de plannen gereed te hebben en te starten met de uitvoering. Daarom is klimaat adaptief denken en handelen de basis van al het werk van het Waterschap en dat verwacht zij ook van haar partners. De speerpunten zijn: Samen klimaat adaptief inrichten van stad en land; Aanpakken grootste wateroverlastknelpunten; Risico gestuurd peilbeheer en onderhoud; Elke druppel vasthouden en pas afvoeren als het moet. Bij nieuwbouw is het afkoppelen van regenwater inmiddels vanzelfsprekend. De voorkeursvolgorde bij afkoppelen is vasthouden - bergen - afvoeren, waarbij infiltreren in de bodem voorgaat op lozen op oppervlaktewater. Ook opvangen en gebruiken voor huis en tuin is een duurzame oplossing. In klei- en lössgronden en in sterk hellend gebied vraagt infiltreren een grotere inspanning. In kleine tuinen is dan vaak te weinig ruimte.

Gezamenlijke centrale infiltratievoorzieningen in de wijk kunnen dan een oplossing bieden. Vanzelfsprekend geldt bij afkoppelen en infiltreren dat dit geen overlast elders mag veroorzaken. Ook belangrijk is de kwaliteit van het afgekoppelde regenwater. Alleen met het doorlopen van de trits schoon houden - scheiden - zuiveren is lozen op de bodem of op watergangen acceptabel. Waterschapverordening Per 1 januari 2024 is de Waterschapverordening Waterschap Limburg in werking getreden. In de Waterschap verordening staan regels over wat er wel en niet mag in en rondom het water in Limburg. Voor de meest voorkomende vergunning plichtige activiteiten zijn er beleidsregels. In deze beleidsregels staat met welke criteria een vergunningsaanvraag wordt beoordeeld. Toetsingspunten waterparagraaf in de toelichting van ruimtelijke plannen Het waterschap Limburg heeft een aantal toetsingspunten opgesteld waar de gemeente haar ruimtelijke plannen aan toetst. Het betreft de navolgende toetsingspunten: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Doorgaans zijn lagergelegen gebiedsdelen het meest geschikt voor waterberging. Is het plangebied nodig is voor de wateropgave van omliggende gebieden. Logische waterstructuren mogen niet worden geblokkeerd. Circa 10% van het plangebied dient gereserveerd te zijn voor watervoorzieningen. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand (input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem, mogelijke bodemverontreinigingen). Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit: Schoonhouden, scheiden, zuiveren. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit: Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 70

10. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur indien op een watergang van het waterschap wordt geloosd. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. 11. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid. Afweging Ad 1 en 5 Binnen het plangebied bestaan er geen specifieke hoogteverschillen of andere geomorfologische karakteristieken. De maaiveldhoogte ligt over het hele plangebied op gemiddeld 15 m +NAP. Ad 2 Er ligt geen ruimteclaim op het plangebied in verband met de verwerking van hemelwater vanuit de omliggende bestaande en nieuwe woongebieden. Met name is hier van belang het feit dat de hemelwaterberging en -infiltratie vanwege het naastgelegen woningbouwplan Bergse Heide I, geheel binnen dat betreffende plangebied wordt gerealiseerd. Ad 3 De in paragraaf 5.11.4.2 voorgestelde wijze van hemelwaterverwerking gaat uit van een berging en infiltratie van hemelwater ter plaatse van het plangebied zelf. Gevolgen voor specifieke waterlopen en beïnvloeding van waterstructuren vanwege het plan zijn niet te verwachten (zie ook paragraaf 5.11.3.6). Ad 4 Het plangebied heeft een oppervlakte van 6950 m 2. Er wordt voor ca.

1276 m2 voorzien in watervoorzieningen binnen de openbare ruimte in de vorm van WADI’s. Dat is al meer dan 10 % van het plangebied en dan zijn de watervoorzieningen ter plaatse van de privé woonpercelen nog niet eens meegenomen. Ad 6 Er is geen expliciet bodemdoorlatendheidsonderzoek uitgevoerd. De K-waarde is volgens de bodemdoorlatendheidskaart van de gemeente Bergen en analoog aan een bodemdoorlatendheidsonderzoek van het naastgelegen woongebied Bergse Heide I bepaald. Verwezen wordt hier naar paragraaf 5.11.3.3. Er is wel een voor- en verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd. Daaruit is niet van een bodem-of grondwaterverontreiniging gebleken. Verwezen wordt hier naar paragraaf 5.3.2. Ad 7 t/m 11 Verwezen wordt hier naar de te realiseren hemelwaterbergings-en infiltratievoorzieningen binnen het plan, zoals beschreven in paragraaf 5.11.4.2. Aangezien er niet wordt geloosd op watergangen van het waterschap, worden de hemelwaterbergings- en infiltratievoorzieningen gedimensioneerd volgens gemeentelijke norm van 60 mm/etmaal.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 71

5.11.2

Gemeentelijk beleid: gemeente Bergen

Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020-2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke verordening 'Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022'. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente Bergen het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L). Het gemeentelijk rioleringsplan dat vastgesteld is voor ingang van de Omgevingswet, blijft namelijk gelden totdat de periode is verstreken waarvoor het plan is vastgesteld. Het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) blijft gelden tot en met het jaar 2025. Het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) heeft dezelfde juridische status als het water & rioleringsprogramma, afgekort WRP. De taken en verplichtingen die de gemeente op het gebied van riolering heeft, zijn vastgelegd in de Omgevingswet (Ow), die sinds 2024 in werking is getreden.

Deze wet beschrijft het brede pakket aan zorgtaken van de gemeente. Eén van die verplichtingen betreft het opstellen van een gemeentelijke Water- en rioleringsprogramma, afgekort WRP (ex artikel 3.14 Ow). In het WRP moet inzichtelijk zijn gemaakt welke voorzieningen op het gebied van riolering in beheer zijn, welke effecten deze voorzieningen op het milieu hebben en welke kosten met het beheer en onderhoud hiervan gemoeid zijn, rekening houdend met toekomstige vervanging en/of verbetering. In de Ow is ook de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van afvalwater vastgelegd. Op basis van artikel 2.16 Ow heeft de gemeente een zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater.

Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022: In artikel 3.8 van de verordening wordt bepaald dat in nieuwbouw geen aansluiting op het openbaar riool gerealiseerd mag worden, tenzij er een hemelwatervoorziening is. Deze hemelwatervoorziening moet 60 liter per m2 kunnen bergen. Uitgangspunt is dat als er een bui valt van 60 mm (is 60 liter per m2) dit geen afstroming veroorzaakt naar belendende percelen (inclusief de openbare ruimte). Al het hemelwater wordt vastgehouden op het eigen perceel.

Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) Ambitie en doelen In het nieuwe GRP wordt het beleid van de afgelopen jaren gecontinueerd. De doelstellingen voor de komende planperiode zijn: 1. 2. 3. 4.

5. 6.

Zorgen voor inzameling van het binnen gemeentelijk gebied geproduceerd afvalwater. Zorgen voor doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (voor zover niet verzorgd door particulieren). Beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming in het openbaar gemeentelijk gebied. Zorgen voor het transport van het ingezamelde water naar een geschikt lozingspunt; hierbij:  Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem, grondwater voorkomen  Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken (in de breedste zin van het woord). Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering. Zorgen voor het klimaat adaptief maken van de riolering in samenhang met de inrichting van de openbare ruimte.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 72

Afvoercapaciteit Om gezondheidsrisico's van rioolwater te beperken en wateroverlast te voorkomen, dient de gemengde riolering over voldoende afvoercapaciteit te beschikken om een regenbui te kunnen verwerken. Het rioolstelsel moet dan ook hydraulisch op orde te zijn, wat betekent dat: De riolering als systeem (theoretisch) voldoet aan de hydraulische norm (bui 09 Leidraad Riolering, een bui die eens per 5 jaar voorkomt) De gemeente Bergen blijft inzetten op het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering, daarnaast blijft zij ook particulieren stimuleren om af te koppelen. Met afkoppelen wordt het hemelwater van de gemengde riolering afgehaald en het systeem gescheiden in en schoon- en vuilwatersysteem. Het totaal aangesloten hemelwater op de gemengde riolering wordt hiermee verkleind en daarmee de kans op het intreden van vuilwater in gebouwen en het overstorten van vuilwater op het oppervlaktewater. Door afkoppelen neemt dan ook de kans op gezondheidsrisico's voor mens en natuur af. Daarnaast biedt (grootschalig) afkoppelen een economisch voordeel voor de waterschappen door een kleiner aanbod van afvalwater (minder investering) en aanvoer van een constanter debiet en kwaliteit van afvalwater (zuiveringsrendement gaat omhoog). Tevens wordt de betrokkenheid van inwoners en het gevoel van verantwoordelijkheid ten aanzien van klimaatadaptatie hiermee vergroot.

Bijkomend economisch voordeel voor de gemeente zijn minder transportkosten (lager energieverbruik gemalen). Het intensief afkoppelen zorgt voor meer berging in het stelsel en dit creëert meer ruimte voor de zwaardere buien in de toekomst.

Hemelwater (artikel 2.16 lid 1 onder a sub 1 Omgevingswet) De verantwoordelijkheid voor de afvoer van hemelwater ligt in beginsel bij de burger. De burger draagt in eerste instantie zelf zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem, bergen in bijvoorbeeld een vijver of afvoeren naar oppervlaktewater. Waar dit redelijkerwijs niet mogelijk is, moet de gemeente de zorgplicht op een doelmatige manier overnemen. Nieuwbouw (zowel uitbreiding als inbreiding) Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld. Hemelwater dient voor zover mogelijk op het eigen terrein verwerkt te worden. De gemeente hanteert de volgende beleidsregels voor zowel particulieren / bedrijven als voor het openbaar gebied. Deze ontwerpnormen zijn conform afspraken uit het samenwerkingsverband Noord en Midden Limburg: Bij nieuwbouw dient het regen- en afvalwater altijd gescheiden aangeboden te worden, conform Besluit bouwwerken leefomgeving; Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient altijd overleg te worden gepleegd met gemeente, waterbeheerders en initiatiefnemer via de watertoets; In nieuwbouwwijken is afkoppelen verplicht.

Bij nieuwbouwplannen worden door de gemeente een programma van eisen, randvoorwaarden en ontwerpgrondslagen voor de waterhuishouding vastgesteld; Bij inbreidingslocaties dient in eerste instantie het hemelwater op eigen terrein geïnfiltreerd te worden. De voorziening dient over voldoende berging te beschikken, waarbij een overloop op maaiveld richting straat of naar oppervlaktewater is toegestaan, mits geen verslechtering ten opzichte van de huidige situatie ontstaat; Bij alle nieuwbouw of uitbreidingsplannen moet een risicoanalyse opgesteld worden waarbij wordt aangegeven wat de risico's zijn bij een extreme bui gelijk aan 84 mm; Bij alle bouwplannen dienen de bouwpeilen op 0,3 m boven wegniveau te zijn zodat water niet vanuit de straat de woning kan bereiken. In gebieden waar een druk- of persriool aanwezig is (vooral buiten de bebouwde kom) bedoeld voor de inzameling van alleen afvalwater, is het niet toegestaan om hemelwater op de riolering aan te sluiten. De pompcapaciteit en de afmetingen van de druk- en persleidingen zijn niet berekend op de afvoer van hemelwater. Perceeleigenaren moeten het hemelwater op eigen terrein verwerken.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 73

Klimaat: De gemeente Bergen richt zich op: Het bovenstrooms treffen van maatregelen om benedenstrooms overlast en/of hinder te voorkomen van afstromend water. Afstromend water kan hierbij zowel hemelwater als vuilwater zijn. Het afkoppelen en vasthouden van hemelwater op locaties waar het niet tot overlast of schade leidt. Groenvoorzieningen inzetten als bergingsvoorziening voor afstromend hemelwater, door de groenvoorziening lager te plaatsen dan de weg en banden eventueel de verlagen. Een aandachtspunt hierbij is de relatie met strooiroutes en de hogere beheer en onderhoudsfrequentie. Toepassen van waterpasseerbare verharding bij parkeervoorzieningen. Het zo veel mogelijk vervangen van niet-functionele verharding door groen (waar doelmatig) Waar doelmatig speeltuinen inzetten voor waterberging, aandachtspunt hierbij is de kwaliteit van het water (geen afvalwater af laten stromen naar speeltuinen) en het water mag slechts gedurende een korte periode aanwezig zijn. De opgave van het waterschap is om te voldoen aan een beschermingsnorm van 1x per 100 jaar voor bebouwde kernen voor wat betreft inundaties uit het regionale oppervlaktewatersysteem (Bestuursakkoord Water). Afhankelijk van een maatschappelijke kosten-baten afweging kan een lagere bescherming worden geboden. De provincie stelt het beschermingsniveau vast.

Wijziging omgevingsplan Als het omgevingsplan wordt gewijzigd, dient er een Watertoets uitgevoerd te worden. Bij elke wijziging van het omgevingsplan wordt de grondwatersituatie meegenomen in de waterparagraaf. De benodigde maatregelen om grondwaterproblemen te voorkomen worden daarbij vastgelegd in regels voor diverse functies. De gemeente staat geen bebouwing toe op locaties waar dit vanuit het watersysteem tot schade leidt of beperkingen geeft aan het natuurlijke watersysteem. Het gaat daarbij niet alleen om regels ten aanzien van zetting en drooglegging, maar ook ten aanzien van drainagesystemen en ontwateringsdiepte. Het streven van de gemeente is om bij nieuwbouw 'grondwaterneutraal' te bouwen. Dit houdt in dat het grondwaterpeil niet beïnvloed mag worden.

Beheer rioleringsgegevens bij nieuw aanleg De revisiegegevens van nieuw aangelegde riolering zullen uiterlijk twee weken na de oplevering van een nieuwbouwproject worden verwerkt. Hiermee voldoet de gemeente aan de regels van WION. De beheergegevens zijn actueel.

5.11.3

Huidige situatie

5.11.3.1 Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak Het plangebied is een volledig onverhard en onbebouwd perceel dat gebruikt wordt als weiland dan wel als akker. Ook groen- en watervoorzieningen zoals bomen en sloten zijn niet aanwezig. Het betreft dus uitsluitende een grondgebruik ten behoeve van agrarische doeleinden. Het totale oppervlak van het plangebied is 6.950 m2.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 74

Uitsnede verbeelding actuele situatie met globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

5.11.3.2

Ligging van beschermingszone en reserveringsgebieden

Er liggen geen beschermingszones of reserveringsgebieden in het plangebied, omdat er geen oppervlaktewater in het plangebied is. 5.11.3.3 Huidige verwerking hemelwater Het hemelwater wordt dat neerslaat op de onbebouwde en onverharde gronden (akker/weiland) wordt ter plaatse geïnfiltreerd. De K-waarde (geeft de mate van infiltratiegeschiktheid aan) van het plangebied bedraagt volgens de kaart inzake de bodemdoorlatendheid (K-waarde) van de gemeente Bergen van het waterschap 1,5 - 10 m/dag. Uit een onderzoek naar de waterdoorlatendheid van de bodem in de directe omgeving van het plangebied is een iets lagere doorlatendheid geconstateerd (0,7 - 1,1 m/dag). 5.11.3.4 Huidige verwerking afvalwater en waterkwaliteit Omdat het plangebied geheel onverhard en onbebouwd is en niet gebruikt wordt ten behoeve van een andere functie dan agrarisch grondgebruik ten behoeve van akkerbouw, is de verwerking van huishoudelijk of bedrijfsmatig afvalwater niet aan de orde. 5.11.3.5 Aanwezig oppervlaktewater In de omgeving van het plangebied bevindt zich een primaire waterloop in de vorm van de Bergerheidelossing en de Heukelomsebeek, die aan de westzijde van het plangebied stromen; de Bergerheidelossing kruist de N271 en buigt naar het noorden af, zoals ook uit onderstaande uitsnede van de legger van het waterschap blijkt:

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 75

Figuur: uitsnede legger

De afstand tot deze waterlopen is weliswaar ruim, maar de riolering waarop het plangebied naar verwachting zal worden aangesloten, heeft een overstort op de Bergseheidelossing; ingeval de riolering de hoeveelheid af te voeren water niet meer kan verwerken, wordt dit water op voornoemde waterloop geloosd. Op die momenten zal ook het afvalwater afkomstig van de toe te voegen 17 woningen in deze waterloop terecht komen. Er wordt nader onderzocht of een alternatieve en minder belastende aansluiting tot de mogelijkheden behoort. Bij het aanvragen van de omgevingsvergunningen zal dit verder uitgewerkt dienen te zijn. 5.11.3.6

Grondwaterstanden en maaiveldhoogte

Grondwaterstand De bodem bestaat voornamelijk uit middel fijn tot uiterst fijn zand, gemengd met of onderbroken door lagen met klei of zandige klei. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) bedraagt ± 13,8 m +NAP of ± 1,2 mmv. Maaiveldhoogte Het maaiveld ligt op een hoogte van gemiddeld 15 m boven NAP.

5.11.4

Toekomstige situatie en waterbergingsopgave

5.11.4.1 Beschrijving plan De grootte van het totale plangebied bedraagt, inclusief het deel van de openbare weg (Bergse Heide) die tot het plangebied behoort, 6950 m2.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 76 2

Toekomstige uitbreiding totale verharding: 2429,2 m Nieuw verhard dakoppervlak (plat): 124,5 m2 Nieuw verhard dakoppervlak (schuin): 1130,7 m2 Nieuwe verharding tuinen: 1174 m2

Totale verharding wegen (onderverdelen in: wegen, voetpaden, parkeerplaatsen) De oppervlakte van de nieuwe openbare verharding is als volgt gespecificeerd:

bestrating rijweg (incl. Bergse Heide)

986 m2 (+ 339 m2 bestrating Bergse Heide)

bestrating stoep

281 m2

bestrating grasklinkers (inrit en parkeren)

182 x factor 0,5= 91 m2

Totaal

1358 m2 (+ 339 m2 bestrating Bergse Heide)

Hiertoe zal een 'hoeveelhedentekening' worden uitgewerkt en bij de omgevingsvergunningaanvraag worden ingediend. Het gehele afvoerend verhard oppervlak zal worden afgekoppeld en het hemelwater zal infiltreren in de bodem.

5.11.4.2

Ontwerp nieuw watersysteem

Hemelwater Uitgangspunten Waterberging voor uitgeefbaar gebied (woningen) zal op eigen terrein (d.w.z. op het eigen woonperceel) worden gerealiseerd. Waterberging voor de openbare ruimte zal worden opgevangen in een hoofdwadi en twee nevenwadi’s in de openbare ruimte. Voor grasbeton (en andere halfverharding) is gerekend met een verhardingspercentage van 50%. Maximaal 20% verharding van de tuinen bij vrijstaande woningen. Maximaal 50% verharding van de tuinen bij aaneengesloten (rij) woningen. Waterberging nodig i.v.m. verharding uitgeefbaar terrein (woonpercelen): 145,7 m3 (2429,2 m2 x 0,06 m). Waterberging nodig i.v.m. (half)verharding openbare ruimte: 81,5 m3 (1358 m2 x 0,06 m). Waterberging op eigen terrein Het infiltratiekrattensysteem (zoals locatie, diepte (i.v.m. GHG), capaciteit, onderhoud) wordt nog nader uitgewerkt. Waterberging in de openbare ruimte Het regenwater wordt via bovengrondse afvoer getransporteerd naar de wadi’s. In het plan is gewerkt met een hoofdwadi aan de lager gelegen zuidzijde. Parallel aan de twee verbindingen richting Bergse Heide, liggen verlaagde groenzones die het water afvoeren richting deze wadi. Ze hebben tevens een waterbergende functie.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 77

Standaard diepte wadi’s is 0,5 meter i.v.m. onderhoud (maaien) en veiligheid (kinderen die in te diep water kunnen vallen)) met een talud van 1:3. Bij een aanlegdiepte van 0,6 meter is uitgegaan van een vulling van 0,5 meter, er zal dan op deze diepte een overstort gemaakt moeten worden. Bij een waterdiepte van 0,5 meter bedraagt de inhoud van de hoofdwadi 74,5 m3 (doorsnede B-B). Langs de twee toegangswegen komen groenstroken met verlaging/lange wadi’s met een talud van 1:3. Hier wel de volledige diepte van 0,3 m gebruiken voor waterberging omdat deze een afvoerfunctie hebben richting de hoofdwadi. Deze groenstroken (doorsnede A-A) bieden samen ruimte aan 11 m3 waterberging. In combinatie met de hoofdwadi is er dan voor 85,5 m3 berging binnen het plangebied aanwezig. Dit voldoet aan de bergingseisen voor de openbare ruimte. We zijn hier uitgegaan van statische berging. In de praktijk zal sprake zijn van dynamische berging omdat tussentijds water de grond in trekt. Daardoor zal er in praktijk nog meer bergingscapaciteit aanwezig zijn. Het hemelwaterstelsel is berekend op een bui van 60 mm. Bij een intensievere bui is er kans op tijdelijk water op straat. Het water op straat zal vanzelf infiltreren. De bouwpeilen van het ontwerp zijn zodanig bepaald dat er geen risico is op water in de woningen.

Het technisch ontwerp van het duurzame waterbergingssysteem is als bijlage 7 bij deze motivering gevoegd. Afvalwater Het afvalwater afkomstig van het plangebied betreft puur huishoudelijk afvalwater dat via de gemeentelijke riolering zal worden afgevoerd. In Nederland wordt per inwoner gemiddeld 125 liter water per dag gebruik, waarvan bijna 100% al afvalwater ook weer in de riolering terecht komt. Binnen het plangebied worden 17 woningen gerealiseerd. Uitgaande van een gemiddeld aantal bewoners per woning van 2,2 (gebaseerd op de meest recente cijfers van het CBS), zullen er binnen het plangebied 17 x 2,2 = 38 (37,4) personen woonachtig zijn, die samen 38 x 125 liter = 4750 liter afvalwater produceren. Hierop zal de riolering binnen het plangebied worden gedimensioneerd en deze zal worden aangesloten op de bestaande uitlegger in de Steenuil. Dit riool heeft een diameter van 250 mm en ligt met een verhang van 1:300. 5.11.4.3 Grondwater Het plan heeft naar verwachting geen invloed op de grondwaterstand nu de hoogste gemiddelde grondwaterstand zich op 1,2 m onder maaiveld bevindt. 5.11.4.4 Waterkwaliteit & Beheer De gemeentelijke riolering waarop het plangebied naar verwachting zal worden aangesloten heeft een overstort op de Bergseheidelossing. Ingeval de riolering de hoeveelheid af te voeren water niet meer kan verwerken, wordt dit water op voornoemde waterloop geloosd.

Op die momenten zal ook het afvalwater afkomstig van de toe te voegen 17 woningen in deze waterloop terecht komen, hetgeen zijn weerslag heeft op de kwaliteit van het water. Er wordt nader onderzocht of een alternatieve en minder belastende aansluiting tot de mogelijkheden behoort. Bij het aanvragen van de omgevingsvergunningen zal dit verder uitgewerkt dienen te zijn. Als er een alternatief wordt gevonden dan blijft de kwaliteit van het water in de Bergseheidelossing gelijk aan de huidige kwaliteit. Wanneer blijkt dat de waterkwaliteit toch kan worden beïnvloed door onderhavige ontwikkeling, zal initiatiefnemer in overleg treden met het Waterschap Limburg. 5.11.4.5 Toepassing wateruitgangspunten op het plangebied De verplichting om op eigen perceel te voorzien in voldoende capaciteit voor de infiltratie van hemelwater, is opgenomen in artikel 10.2 van de planregels.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 78

5.11.5

Conclusie

Vanuit het aspect water en watersystemen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.12 Milieueffectrapportage 5.12.1

Beoordelingskader

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De wettelijke basis voor de m.e.r. ligt in Europa: De mer-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor projecten; De smb-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor plannen en programma’s. Daarnaast geldt het verdrag van Espoo, inclusief het SEA-protocol, als er grensoverschrijdende milieueffecten kunnen zijn. De eisen van de bovengenoemde richtlijnen en het verdrag zijn nationaal omgezet in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De Commissie m.e.r. is geregeld in artikel 17.5 van de Omgevingswet en hoofdstuk 12 van het Omgevingsbesluit. Voor het bepalen of een plan eventueel mer-plichtig is, is artikel 16.36, lid 3 en 4 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde plan-mer-beoordeling twee mogelijke resultaten: 1. Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffect-rapport (MER) worden gemaakt. 2. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.

Of een besluit over een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob), in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V Ob heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.) Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een merbeoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). Motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) In de motivering van de beslissing wordt in ieder geval verwezen naar: a. b.

de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: - 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en - 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 79

5.12.2

Toetsing

In categorie J11, kolom 3 bijlage V Ob is aangegeven dat een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd voor de ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Wat een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ is wordt niet nader gedefinieerd in het Omgevingsbesluit. De minimale drempelwaarden zoals die in onderdeel D categorie D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage stonden zijn vervallen. Bij deze categorie van projecten is verder een m.e.r.-plicht niet aan de orde. Uit de (uitgebreide) jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de enkele omstandigheid dat een project relevante (negatieve) milieugevolgen heeft niet doorslaggevend is voor het oordeel of zo’n project is aan te merken als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. De concrete aard en omvang van het project zijn veel belangrijkere criteria voor deze beoordeling (zie bijvoorbeeld AbRvS 15 maart 2017 / 201601015/1/R1 ECLI:NL:RVS:2017:694 (bouwmarkt Hornbach)). Binnen het plangebied vindt een transformatie plaats – in het buitengebied, maar direct aansluitend aan bestaand stedelijk gebied - van een volledig onbebouwd en onverhard agrarisch gebied (akkers/weiland) naar een woongebied met 17 woningen, 31 parkeerplaatsen en groen- en watervoorzieningen..

Door zowel de situering als de toename van het ruimtebeslag en het functionele programma van het nieuwe woongebied, vindt er een uitbreiding plaats van stedelijke bebouwing en stedelijke functies aansluitend aan bestaand stedelijk gebied. Een m.e.r.beoordeling van het project in het omgevingsplan is derhalve noodzakelijk.

In een bijgevoegd rapport is beoordeeld of als gevolg van de realisatie van het beoogde woongebied nadelige effecten op het milieu zijn te verwachten. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer:

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 80

aspect Natuur (gebiedsbescherming)

Natuur (soortenbescherming)

beoordeling milieu-effecten Een stikstofberekening heeft plaatsgevonden. Gezien de afstand tot het dichtst nabijgelegen Natura 2000-gebied, en de aard van het plan, kan op voorhand worden gesteld dat een negatief effect niet wordt verwacht. De aantasting van beschermde soorten is grotendeels uitgesloten middels een quickscan flora en fauna. Vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Kerkuil Op zo’n 50 meter ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een kerkuilennest. Wanneer het plangebied bebouwd wordt, is er geen directe verstoring van dit nest te verwachten. De omvorming van het grasland in het plangebied naar woningen zal wel een verlies aan foerageergebied opleveren voor de kerkuil. Nesten van de kerkuil en hun foerageergebied zijn in Limburg jaarrond beschermd. Daarom dient er een ontheffing op de Omgevingswet ten aanzien van de kerkuil te worden aangevraagd.

Om die te kunnen krijgen, moet middels onderzoek aannemelijk worden gemaakt dat de lokale staat van instandhouding van de kerkuil niet in het geding is. Ook dient er voor het verlies aan foerageergebied afdoende te worden gecompenseerd. Vleermuizen: verstoring vliegroute/foerageergebied De bosrand aan de westzijde van het plangebied fungeert mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. De betreffende bomen blijven behouden maar om verstoring van vleermuizen te voorkomen, zal er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15927343/1