Motivering - regels - verbeelding
Tekst van het document
d.
de bebouwing zoveel mogelijk wordt geconcentreerd; Het nieuwe bijbehorende bouwwerk wordt links van de bestaande woning gesitueerd, ca. 8,5 m achter de achtergevel van de bestaande woning. Hiermee wordt een juiste balans gezocht tussen het aanhouden van een scheiding tussen de woning en het bijbehorende bouwwerk. Tevens wordt hiermee de bebouwing voldoende geconcentreerd. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
e.
de verruiming van de bouwmogelijkheden vanuit milieuhygiënisch oogpunt aanvaardbaar is; Zoals hierboven reeds benoemd wordt een afstand van ca. 8,5 m achter de achtergevelrooilijn van de bestaande woning voldoende geacht om een scheiding te creëren tussen de woning en het bijbehorende bouwwerk. Tevens worden er in dit bijbehorende bouwwerk geen milieugevoelige activiteiten uitgevoerd. Hiermee is het vanuit milieuhygiënisch oogpunt aanvaardbaar. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
f.
de verruiming van de bouwmogelijkheden niet leidt tot extra belemmeringen voor omliggende (agrarische) bedrijven; Er worden geen milieugevoelige activiteiten in dit bijbehorend bouwwerk mogelijk gemaakt. Daarmee leiden de bouwmogelijkheden niet tot extra belemmeringen voor omliggend (agrarische) bedrijven.
g.
de natuurlijke waarden niet worden aangetast; Er worden geen bestaande groenstructuren of landschappelijke elementen gerooid dan wel beschadigd door de realisatie van dit bijbehorende bouwwerk. Door middel van landschappelijke inpassing worden de natuurlijk waarden in de directe omgeving van het plangebied versterkt. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
h.
sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. In het landschappelijk inpassingsplan is tevens rekening gehouden met het hydrologisch neutraal ontwikkelen. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Geconcludeerd kan worden dat het realiseren van een bijbehorend bouwwerk van ca. 400 m 2 bij de bestaande bedrijfswoning op deze locatie ruimtelijk inpasbaar is.
22 ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Vrij 27 Siebengewald’
4.
Fysieke leefomgeving en milieu
In het kader van een ruimtelijke procedure dient voor diverse milieu- en omgevingsaspecten te worden aangetoond dat de ontwikkeling uitvoerbaar is en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de directe omgeving en de beoogde ontwikkeling zelf. In dit hoofdstuk wordt voor de beoogde ontwikkeling nader ingegaan op de verschillende aspecten; indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De betreffende rapportages maken als bijlage deel uit van deze toelichting.
4.1.
Milieueffectenrapportage
De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is bedoeld om vooraf mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld te brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over plannen en besluiten. De wetgeving omtrent de m.e.r. is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Vanuit de tabel in bijlage V van het Omgevingsbesluit kan worden bepaald of een m.e.r. noodzakelijk is voor een project c.q. activiteit. In de 1e kolom van bijlage V staat de omschrijving van het project, waarna in kolom 4 de besluiten staan genoemd waarvoor de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee toestemming voor een project wordt verleend. Uit kolom 2 en 3 volgt wanneer voor een besluit een mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt. Als het project voldoet aan de voorwaarde uit kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt er een mer-beoordelingsplicht, tenzij in kolom 3 nog voorwaarden staan. In categorie J11 staat een ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ opgenomen. Onder deze categorie vallen ook onder andere woningbouw, de bouw van kantoren, universiteiten, bioscopen, theaters, woonboulevards, ziekenhuizen en scholen. Ook stedelijke projecten in dorpen vallen eronder.
Opgemerkt wordt dat het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ in deze context verschilt van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ zoals dat wordt gehanteerd bij de Ladder voor duurzame verstedelijking. Onderhavig planvoornemen voorziet in het saneren van een intensieve veehouderij waarbij de bestaande bedrijfswoning omgezet wordt naar burgerwoning. Aan de zuidzijde van het perceel worden twee nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Het plan betreft derhalve een kleine wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Bergen (L). Ten opzichte van het gemeentelijk omgevingsplan als geheel betreft het plan een klein gebied op lokaal niveau waarvoor gemeente het bevoegd gezag is. Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat volstaan kan worden met een plan-mer-beoordeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke motivering. Samen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde plan-mer-beoordeling in het kader van artikel 16.36 lid 3 en 4 Ow. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die aanzienlijke milieueffecten kent.
Met de sanering van een de intensieve veehouderij wordt juist een kwaliteitswinst voor de directe omgeving van het plangebied behaald. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze ruimtelijke motivering met bijgevoegde uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit wijzigingsbesluit te kunnen nemen.
23 ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Vrij 27 Siebengewald’
4.2.
Bodemkwaliteit
Het aspect bodem (-kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving. Ofwel dient bezien te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het beoogde gebruik. De regels met betrekking tot het aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Dit besluit bepaalt ook voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid van mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Ow). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functie. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan de daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage llA Bal).
De gemeente kan echter in haar omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid van het Bkl niet worden overschreden. Onderhavig planvoornemen betreft het saneren van een intensieve veehouderij waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Hier is reeds sprake van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, waardoor een bodemonderzoek voor deze functionele omzetting niet noodzakelijk wordt geacht. Het plan maakt ook de realisatie van twee extra woningen mogelijk. Dit betreft een nieuwe, bodemgevoelige activiteit op deze locatie. Om te aan te tonen dat de bodemkwaliteit voldoende geschikt is voor de bouw en bewoning van deze woningen, is een bodemonderzoek noodzakelijk. Met een bodemonderzoek worden mogelijke bodemverontreinigingen en mogelijke risico’s voor de volksgezondheid vroegtijdig in kaart gebracht. In dit stadium wordt echter nog geen bodemonderzoek uitgevoerd, om praktische redenen. Op de locatie waar de nieuwe woningen zijn gepland, bevinden zich momenteel nog varkensstallen. Pas na de sloop van deze stallen (2026), kan het bodemonderzoek plaatsvinden. Voorafgaand aan de sloop is tevens een inventariserend asbestonderzoek (conform NEN 5707) vereist, gezien de mogelijke aanwezigheid van asbest in de bestaande gebouwen.
In overleg met de gemeente Bergen is afgesproken dat het bodemonderzoek na de sloop wordt uitgevoerd, mits dit voldoende geborgd kan worden in dit TAM-omgevingsplan. Dit biedt de mogelijkheid om het inventariserende asbestonderzoek te combineren met een eindonderzoek naar de bodemkwaliteit (conform NEN 5740). Op basis van deze onderzoeken kan worden onderbouwd dat de bodemkwaliteit voldoet aan de vereisten voor de realisatie van de woningen. In de regels van dit TAM-omgevingsplan wordt via een voorwaardelijke bepaling vastgelegd dat zowel het bodemonderzoek als het asbestonderzoek moet worden uitgevoerd voordat de bouw van de nieuwe woningen en de loods behorende bij de bestaande woning kan starten. Hierdoor wordt gegarandeerd dat de bodemkwaliteit voldoende geschikt is en dat eventuele risico's tijdig in kaart worden gebracht en verminderd. Conclusie bodem Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘bodem’ geen belemmering voor het planvoornemen.
4.3.
Activiteiten en milieuzoneringen
Het begrip ‘inrichting’ uit de Wet milieubeheer bestaat onder de Omgevingswet niet meer; deze is vervangen door regels voor milieubelastende activiteiten. Een ‘milieubelastende activiteit’ is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Inhoudelijk zijn er weinig veranderingen, wel is de systematiek gewijzigd. De rijksregels voor milieubelastende activiteiten staan opgenomen in hoofdstuk 3 in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal). Voor 24 ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Vrij 27 Siebengewald’
activiteiten die niet in hoofdstuk 3 van het Bal zijn aangewezen, kan een gemeente regels opnemen in het Omgevingsplan. De algemene zorgplicht (artikel 1.7 Ow) en het algemene verbod (artikel 1.7a Ow) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen of andere gevoelige functies krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: • Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; • Het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. Ondanks het beschikbaar zijn van de nieuwe VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering is om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, gebruik gemaakt van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009.
In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de richtafstand. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Omgevingstype Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype “rustige woonwijk” of daarmee vergelijkbaar. Wanneer sprake is van het omgevingstype “gemengd gebied” kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woonen leefklimaat. Afstand meten De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de functie die de milieubelastende functie toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Toets omgevingstype en milieucategorie Het plangebied is overeenkomstig de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” 2009 gelegen in gebiedstype “Rustige woonwijk en rustig buitengebied”.
In de directe omgeving van het plangebied liggen enkele agrarische bedrijven, op relatief grote afstand van het plangebied. Deze bedrijven vormen geen belemmeringen voor het planvoornemen en andersom, vormt deze ontwikkeling ook geen belemmeringen voor mogelijke bedrijfsontwikkeling van deze bedrijven. Daarbij wordt opgemerkt dat op de locatie Vrij 14 een voormalig melkrundveebedrijf gesitueerd is, welke al enkele jaren is gestopt. Op de locatie Vrij 29 betreft het ook een voormalig agrarisch bedrijf, waar al enkele tientallen jaren geen agrarische bedrijfsactiviteiten meer worden uitgevoerd. Deze twee locaties vormen dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. Op de overige locaties vinden de volgende activiteiten plaats: Vrij 3 – melkrundveebedrijf Op deze locatie is een melkrundveebedrijf gevestigd. Een bedrijf welke is gericht op het fokken en houden van rundvee (SBI-code-0141 en 0142) wordt voor milieu aangemerkt als categorie 3.2 bedrijf. De richtafstand van het milieuaspect ‘geur’ (dit milieuaspect kent de grootste richtafstand) tot een milieugevoelige functie in het omgevingstype ‘rustige woonwijk/buitengebied’ bedraagt 100 meter. De afstand van de gevel van de dichtstbijzijnde nieuwe woning tot aan de grens van het bouwvlak op de locatie Vrij 3 bedraagt ca. 1,27 km. Er wordt aan de richtafstand van 100 meter voldaan.
25 ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Vrij 27 Siebengewald’
Vrij 5 – intensieve veehouderij Op deze locatie is een geitenhouderij1 gevestigd. Een bedrijf welke is gericht op het fokken en houden van overige graasdieren (SBI-code-0143 en 0145) wordt voor milieu aangemerkt als categorie 3.2 bedrijf. De richtafstand van het milieuaspect ‘geur’ (dit milieuaspect kent de grootste richtafstand) tot een milieugevoelige functie in het omgevingstype ‘rustige woonwijk/buitengebied’ bedraagt 50 meter. De afstand van de gevel van de dichtstbijzijnde nieuwe woning tot aan de grens van het bouwvlak op de locatie Vrij 5 bedraagt ca. 674 meter. Er wordt aan de richtafstand van 50 meter voldaan. Opgemerkt wordt dat op deze locatie volgens het KRD (kernregistratie dierverblijven) een vergunning aanwezig is voor het houden van in totaal 320 geiten en 10 vleesvarkens. De vleesvarkens betreffen de categorie ‘intensieve veehouderij’. Voor het milieuaspect ‘geur’ geldt in dit geval een richtafstand van 200 meter. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat ook aan deze richtafstand wordt voldaan. Vrij 23 – intensieve veehouderij Op deze locatie is een melkrundveehouderij gevestigd. Een bedrijf welke is gericht op het fokken en houden van rundvee (SBI-code-0141 en 0142) wordt voor milieu aangemerkt als categorie 3.2 bedrijf.
De richtafstand van het milieuaspect ‘geur’ (dit milieuaspect kent de grootste richtafstand) tot een milieugevoelige functie in het omgevingstype ‘rustige woonwijk/buitengebied’ bedraagt 100 meter. De afstand van de gevel van de dichtstbijzijnde nieuwe woning tot aan de grens van het bouwvlak op de locatie Vrij 23 bedraagt ca. 122 meter. Er wordt aan de richtafstand van 100 meter voldaan. Opgemerkt wordt dat op deze locatie volgens het KRD (kernregistratie dierverblijven) een vergunning aanwezig is voor het houden van in 52 melk- en kalfkoeien van 2 jaar en ouder (incl. kalveren tot 14 dagen), 45 vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar, fokstieren jonger dan 2 jaar en 10 fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar. De fokstieren (RAV-beschrijving vleesstieren en overig vleesvee) betreffen de categorie ‘intensieve veehouderij’. Echter is het IV-gedeelte op dit bedrijf van dusdanig ondergeschikte aard, dat kan worden volstaan met de richtafstanden van een melkrundveehouderij. Conclusie bedrijven en milieuzoneringen Gelet op vorenstaande kan geconcludeerd worden dat aan de richtafstanden wordt voldaan. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.4.
Geluid
4.4.1.
Geluid door activiteiten
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat'). Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn de instructieregels voor activiteiten van toepassing (5.59 Bkl) waarbij een omgevingsplan er onder andere in voorziet dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan in het kader van de beoordeling of dat er bij woonbestemmingen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gebruik gemaakt worden van bijlage 5 uit de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” 2009. Deze omschrijft voor geluid het volgende stappenplan: 1.
Indien de richtafstand niet wordt overschreden kan verdere toetsing in beginsel achterwege blijven;
1
Opgemerkt wordt dat het plangebied binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij ligt. In dat kader geldt aanvullend advies van de GGD. In de paragraaf ‘Beschermen van de gezondheid’ wordt hier nader op ingegaan.
26 ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Vrij 27 Siebengewald’
2.
3.
4.
Indien stap 1 niet toereikend is, dient middels een geluidonderzoek (vanaf deze stap noodzakelijk) aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de geluidbelastingen voor stap 2 als weergegeven in navolgende tabel. Indien voldaan wordt is buitenplanse inpassing mogelijk. Stappen 3 en 4 alleen bij buitenplanse inpassing. Indien stap 2 niet toereikend is, dient middels een geluidonderzoek aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de geluidbelastingen voor stap 3 als weergegeven in navolgende tabel. Indien voldaan wordt, is buitenplanse inpassing mogelijk met dien verstande dat het bevoegd gezag moet motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht. Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal buitenplanse inpassing doorgaans niet mogelijk zijn.
Tabel 4.4.1.1: Geluidgrenswaarden VNG brochure “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 [1] Exclusief piekgeluiden door aan- afrijdend verkeer
Stap en gebiedstype Stap 2 rustige woonwijk Stap 2 gemengd gebied Stap 3 rustige woonwijk Stap 3 gemengd gebied
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 45 dB(A) 50 dB(A) 50 dB(A) 55 dB(A)
Maximaal (piekgeluiden) 65 dB(A) 70 dB(A) 70 dB(A) 70 dB(A)[1]
Verkeersaantrekkende werking 50 dB(A) 50 dB(A) 50 dB(A) 65 dB(A)
Beoordeling geluid door activiteiten Uit de beoordeling in het kader van het omgevingsaspect ‘Bedrijven en milieuzoneringen’ (paragraaf 4.3) blijkt dat er voldaan wordt aan de richtafstand voor geluid, zijnde 50 meter. 4.4.2.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Op het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen is artikel 3.18 Bkl van toepassing. De instructieregels hierover in het Bkl heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (artikel 3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (artikel 3.20 Bkl). Het plan voorziet in het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Dit betreft reeds een geluidgevoelig gebouw. Volgens de Atlas Leefomgeving bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting 46 dB. Rekening houdend met een geluidwering van de gevel van minimaal 20 dB, bedraagt in onderhavige situatie het binnenniveau maximaal 26 dB. Het binnenniveau zijnde 33 dB, is gewaarborgd. Het plan maakt ook de realisatie van twee nieuwe woningen mogelijk. Een van deze woningen wordt in dezelfde lijn gelegd als de bestaande (nu nog bedrijfs-)woning. Derhalve kan geconcludeerd worden dat hiervoor een aanvaardbaar binneniveau van 26 dB wordt gewaarborgd. De schuurwoning wordt ca. 15 meter verder naar achteren gesitueerd, waardoor hier eveneens geen sprake zal zijn van overlast als gevolg van wegverkeer.
Conclusie geluid Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘geluid’ geen belemmering voor het planvoornemen.
4.5.
Kwaliteit van de buitenlucht
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom de luchtkwaliteitseisen beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Volgens paragraaf 5.1.4.1 gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
27 ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Vrij 27 Siebengewald’
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarde; • De activiteit leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • De activiteit draagt alleen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Achtergrondwaarden De grenswaarden gelden voor de buitenlucht en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland, de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. In de onderstaande tabel worden de te hanteren grenswaarden weergegeven. Daarbij wordt in de laatste kolom de grenswaarden van deze stoffen ter plaatse van het plangebied weergegeven. Daaruit kan geconcludeerd worden dat de grenswaarden zoals gesteld door de WHO binnen het plangebied niet worden overschreden. Volgens de kaarten van Atlas Leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Tabel 4.5.1 Grenswaarden WHO en grenswaarden plangebied
Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
Waarde t.h.v. plangebied 8,5 µg/m3 14,3 µg/m3 7,8 µg/m3
NIBM Tenslotte is de mate van verhoogde concentraties van bepaalde stoffen in de lucht van belang. Artikel 5.53 en 5.54 Bkl legt vast wanneer een activiteit 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een activiteit is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaald voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, gebouwen met een woonfunctie tot ten hoogste 1.500 woningen en het telen van gewassen in kassen, artikel 5.54 Bkl. NIBM-tool Infomil Infomil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een 'worst-case' berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 3.432 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer. Van een dergelijke toename van de hoeveelheid verkeersbewegingen is als gevolg van het plan geen sprake.
Het plan voorziet in de sanering van het intensieve veehouderijbedrijf waarbij de bestaande bedrijfswoning omgezet wordt naar een burgerwoning. Tevens maakt het plan de realisatie van 2 nieuwe woningen mogelijk. Met het saneren van de intensieve veehouderij vervallen de verkeersbewegingen voor o.a. aan- en afvoer van dieren, aan- en afvoer van mest en de aanvoer van voer. In de nieuwe situatie zal alleen nog sprake zijn van verkeersbewegingen met licht verkeer, t.b.v. de woonfuncties. Conclusie luchtkwaliteit Gelet op vorenstaande wordt in het kader van ‘luchtkwaliteit’ voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.
4.6.
Geur
In de fysieke leefomgeving kunnen (bedrijfsmatige) activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving'). Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels op voor geurbelasting (artikel 5.91 Bkl), maar de gemeente bepaalt zelf welke mate 28 ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Vrij 27 Siebengewald’
van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Een verdere invulling van de plicht vloeit voort uit artikel 5.92 Bkl op grond waarvan in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • Bij het mogelijk maken van het verrichten van geuractiviteiten in de buurt van geurgevoelige gebouwen; • Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geur veroorzakende bedrijven. Gemeenten leggen in het Omgevingsplan waarden en/of afstanden vast ten aanzien van geur door een activiteit op een geurgevoelig object. Indien er nog geen aanpassing van het tijdelijke omgevingsplan heeft plaatsgevonden, gelden indien van toepassing de gemeentelijke geurverordening of op grond van artikel 22.1 en 22.2 Ow de geurregels uit het activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet geurhinder en veehouderij, als onderdeel van de Bruidsschat en maken deze deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van rechtswege. Het plan betreft de sanering van een intensieve veehouderij waarbij de huidige bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Tevens worden er twee nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Het saneren van de intensieve leidt tot een aanzienlijke verbetering van het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van het plangebied.
Mogelijke geuroverlast, en emissies van fijnstof en ammoniak afkomstig van dit bedrijf verdwijnen. In paragraaf 4.3 wordt eveneens aangetoond dat aan de richtafstanden voor het aspect ‘geur’ wordt voldaan. Aanvullend op bovenstaande heeft de gemeente Bergen (L) in haar brief van 27 juli 2023 (kenmerk 37797) aangegeven een geuronderzoek te laten uitvoeren ten aanzien van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Een negatieve uitkomst kan een zogenoemde ‘no-go’ opleveren. Bij mail van 30 april 2024 heeft de gemeente Bergen (L) kenbaar gemaakt dat het uitgevoerde geuronderzoek geen belemmeringen heeft opgeleverd ten aanzien van het plan. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse. Conclusie geur Gelet op vorenstaande wordt in het kader van ‘geur’ voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.
4.7.
Waarborgen van de veiligheid
Externe veiligheid (ook wel omgevingsveiligheid genoemd) beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor de omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toestaan van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied zijn er regels en voorschriften wanneer sprake is van een activiteiten met gevaarlijke stoffen. Zo zijn in de regelgeving verschillende afstanden gebieden benoemd. Het gaat hierbij om het plaatsgebonden risico, de aandachtsgebieden en voorschriftengebieden. •
Het plaatsgebonden risico (PR-contouren) c.q. veiligheidsafstanden is vooral gericht op de te realiseren basisveiligheid voor individuele burgers. Het plaatsgebonden risico houdt kort gezegd in dat (beperkt) kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties niet binnen een bepaalde afstand mogen komen te liggen van aangewezen activiteiten met externe veiligheidsrisico's. De grens- en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico zijn opgenomen in het Bkl. Deze waarden worden ruimtelijk vertaald in afstanden die tot gebouwen en locaties in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden. 29 ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Vrij 27 Siebengewald’
•
Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar zich, bij een ongeval met gevaarlijke stoffen, levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brandaandachtsgebieden), overdruk (explosieaandachtsgebieden) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolkaandachtsgebieden). De aard en omvang van aandachtsgebieden wordt bepaald door de effecten van een scenario en niet door de kans. De begrenzing van de aandachtsgebieden ligt daar waar mensen binnenshuis in een standaard gebouw beschermd zijn tegen de gevaren van brand, explosie en gifwolk. Binnen elk aandachtsgebied geldt van rechtswege de verplichting om in het omgevingsplan rekening te houden met het groepsrisico. Het bevoegd gezag dient hierbij af te wegen welke maatregelen worden ingezet om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Een brandaandachtsgebied (BAG) of een explosieaandachtsgebied (EAG) (of een deel hiervan) kan worden aangewezen als voorschriftengebied. Binnen dit gebied gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van een bouwwerk. De aanvullende bouweisen hebben tot doel om mensen in een gebouw te beschermen tegen de gevolgen van een van buiten komende brand of explosie.
Op grond van de risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en om het plangebied. Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet gelegen is binnen invloedsgebieden van enige risicobron. Hierdoor is een nadere motivering van de externe veiligheidsrisico’s niet noodzakelijk. Conclusie externe veiligheid Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘externe veiligheid’ geen belemmering voor het planvoornemen.
4.8.
Trillingen
Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op gronden van een omgevingsplan. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de bruidsschat en artikel 5.87 Bkl. Er zijn in de nabije omgeving van het plangebied geen bronnen aanwezig die mogelijk trillinghinder kunnen veroorzaken, zoals spoorlijnen. Conclusie trillingen Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘trillingen’ geen belemmering voor het planvoornemen.
4.9.
Water
Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen, dit volgt uit paragraaf 5.1.3 Bkl. De gemeente moet hierbij voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Daarnaast zijn in het Bkl instructieregels opgenomen. Artikel 5.37 Bkl stelt dat bij de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden met het waterbelang en de gevolgen voor het beheer van het watersysteem. Daarnaast is paragraaf 5.1.3 van het Bkl specifiek gericht op onderdelen van het rijksbelang. 4.9.1.
Waterbeleid
Relevante stukken op het gebied van water zijn o.a. het ‘Waterbeheerplan 2022-2027’ van het waterschap, de Omgevingsvisie Limburg, het ‘Nationaal Waterplan’, ‘WB21’, ‘Nationaal Bestuursakkoord Water’ en de Europese ‘Kaderrichtlijn Water’. Al deze beleidsstukken hebben in de kern een belangrijk punt: water is een belangrijk sturend element in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn daarbij leidend: • Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit); • Hergebruik-bergen-infiltreren. 30 ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Vrij 27 Siebengewald’
Daarnaast staat in de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. De hierboven genoemde drietrapsstrategieën gelden hierbij ook. Het waterbeleid in de Omgevingsvisie Limburg sluit aan op de Europese doelen en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: • Herstellen van de sponswerking, waarbij het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderingen in het klimaat centraal staan; • Het herstellen van de natte natuur waarmee een ecologisch gezond watersysteem ontstaat en grondwaterafhankelijke natuur; • Schoon water door het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment. • Duurzame watervoorziening waarbij het beschermen van water voor menselijke consumptie centraal staat, zodat er voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is. • Een veilige Maas, waarbij het streven is naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. 4.9.2.
Gemeentelijk beleid
Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 De gemeente Bergen heeft in 2020 het GRP Bergen (L) 2020-2025 vastgesteld. Hierin staat de ambitie van de gemeente beschreven: het creëren van een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem, waarbij het vasthouden van regenwater een belangrijk uitgangspunt is. Dit beleid is eveneens verankerd in de gemeentelijke verordening ‘Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022’. In artikel 3.8 van deze verordening wordt bepaald dat in gevallen van nieuwbouw geen aansluiting op het openbaar riool gerealiseerd mag worden, tenzij er een hemelwatervoorziening is. Deze hemelwatervoorziening moet 60 liter per m2 kunnen bergen, waarbij het uitgangspunt is dat wanneer er een bui van 60 mm valt, dit geen afstroming veroorzaakt naar de naastgelegen percelen (inclusief de openbare ruimte). Al het hemelwater wordt opgevangen en geborgen op het eigen perceel. 4.9.3.
Waterhuishoudkundige situatie (huidige situatie)
Op de bodemkaart van Nederland kennen de gronden binnen het plangebied het bodemprofiel ‘poldervaaggronden; lichte zavel’. Conform de algemene gegevens van Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 1,5 – 10 m/dag. Conform de Omgevingsverordening Limburg is het plangebied ook niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Wel is op de leggerkaart van Waterschap Limburg te zien dat in de directe omgeving van het plangebied de watergang ‘Vrij’ stroomt. Dit betreft een secundaire watergang, wat betekent dat de Keur van het waterschap van toepassing is. Echter berust het onderhoud van deze watergangen niet bij het waterschap zelf. Onderhavig initiatief voorziet niet in activiteiten in of rondom de watergang, die deze watergang mogelijk kunnen schaden. Hierdoor een vergunning van het Waterschap niet noodzakelijk is. Voor wat betreft het afvalwater huishoudelijke aard, is de locatie Vrij 27 reeds aangesloten op het rioleringsstelsel van de gemeente. Dit blijft in de beoogde situatie ook het geval. 4.9.4.
Waterhuishoudkundige situatie (nieuwe situatie)
Vanuit het beleid van het waterschap dient sprake te zijn van hydrologisch neutraal ontwikkelen. Dat wil zeggen dat de nieuwe watersituatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Het hemelwater, afkomstig van de nieuwe bebouwing, dient in de gemeente Bergen op eigen terrein te worden afgekoppeld. Voor het bufferen en infiltreren van het hemelwater eist het Waterschap dat minimaal een bui van T = 100 kan worden geborgen.
31 ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Vrij 27 Siebengewald’
Binnen het plangebied worden de bedrijfsgebouwen t.b.v. het houden van varkens geheel gesloopt. De bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning, waarbij een bijbehorend bouwwerk wordt gerealiseerd van ca. 400 m2. Ten zuiden van de bestaande woning worden twee nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Er is rekening gehouden met een verhard oppervlak van 1.500 m 2. Op basis hiervan is de benodigde hemelwaterberging berekend. Zoals hierboven genoemd betreft de bergingseis van het Waterschap 100mm/ m2. Voor een verhard oppervlakte van 1.500 m2, is een minimale bergingscapaciteit nodig van 150 m 3. De gemiddelde hoogte van het grondwater (GHG) binnen het plangebied is vastgesteld op 0,41 meter. Op basis van deze informatie heeft de hemelwaterberging een oppervlakte van 450 m 2 en een diepte van 0,40 meter. Daarmee wordt een bergingscapaciteit van 155 m3 behaald, welke voldoende is om het hemelwater op eigen gronden te bergen en te laten infiltreren. Het volledige waterplan wordt tevens weergegeven op de landschappelijke inpassingstekening, bijgevoegd als bijlage 22K.1 bij deze motivering. Conclusie water Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘water’ geen belemmering voor het planvoornemen.
4.10.
Kabels, leidingen en straalpaden
Er kunnen planologisch relevante kabels en/of leidingen in het plangebied liggen. Ze kunnen ook in de omgeving voorkomen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Dit kunnen leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen zijn. Daarnaast zijn aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen en afvalwaterleidingen ook voorbeelden. De locaties van deze leidingen worden aangegeven in het omgevingsplan als ze voorkomen in het gebied. Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Op een afstand van ca. 10 km bevindt zich de hoogspanningsverbinding ‘150 kV Boxmeer – Venray’. Gezien de grote afstand vormt deze hoogspanningsverbinding geen belemmeringen voor het plan. Eveneens zorgt het plan niet voor belemmeringen voor deze hoogspanningsverbinding. Conclusie kabels en leidingen Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘kabels en leidingen’ geen belemmering voor het planvoornemen.
4.11.
Natuur
In de toelichting van een omgevingsplan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de wet- en regelgeving op het gebied van natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleids-neutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. 4.11.1.
Gebiedsbescherming
Natura2000-gebieden De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 11 Besluit activiteiten leefomgeving. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Effecten kunnen in beginsel alleen optreden door zogenaamde externe werking, waarbij veranderingen en activiteiten binnen de locatie kunnen leiden tot effecten in de natuurgebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen of in de directe nabijheid van een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde (Nederlandse) Natura2000-gebied betreft De Maasduinen, en ligt op een afstand van ca. 1,3 km ten zuiden van het plangebied. Doordat het plangebied buiten de begrenzing van Natura2000-gebieden ligt, 32 ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Vrij 27 Siebengewald’
kunnen de directe negatieve effecten, zoals oppervlakteverlies, op voorhand worden uitgesloten. Verstorende effecten door bijvoorbeeld licht of geluid tijdens de (sloop)werkzaamheden zijn ook uitgesloten vanwege de ruime afstand en tussenliggende infrastructuur. Significante negatieve effecten door stikstofdepositie zijn in principe nooit op voorhand uit te sluiten vanwege de overbelaste situatie in Nederland. Onderhavig plan betreft het saneren van een intensieve veehouderij, waarbij emissies van ammoniak, geur en fijnstof afkomstig van dit bedrijf in zijn geheel verdwijnen. Ook vervallen de verkeersbewegingen met zwaar verkeer in zijn geheel, daar er in de huidige situatie enkel woonfuncties gesitueerd worden. De verkeersbewegingen t.b.v. het wonen zijn van dusdanig kleinschalige aard dat een toename van stikstof als gevolg van verkeersbewegingen niet aannemelijk is. Om toch mogelijke negatieve effecten in beeld te brengen is er een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase. De gebruikte gegevens zijn gebaseerd op de richtlijnen van het CROW. Om mogelijke emissies tijdens de aanlegfase in kaart te brengen, is er een AERIUS-berekening uitgevoerd, welke is bijgevoegd als bijlage 22K.3, bijlage 22K.3a, bijlage 22K.3b en bijlage 22k.3c. bij deze toelichting. Natuur Netwerk Nederland (NNN) Een andere vorm van gebiedsbescherming is het Natuur Netwerk Nederland (NNN).
Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Limburg uitgewerkt in de Omgevingsverordening Limburg. Binnen het NNN streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. De dichtstbijzijnde grens met een NNN-gebied is gelegen op een afstand van ca. 1,3 kilometer ten zuiden van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling kan worden geconcludeerd dat dit niet leidt tot een aantasting c.q. doorkruising van het NNN. 4.11.2.
Soortenbescherming
Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet tevens duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde soorten. Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd waardoor vrijwel voor alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan moet worden of er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat dan zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald wanneer een vergunning nodig is. Binnen het plangebied is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Uit de onderzoeksresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: ‘het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfsplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door werkzaamheden worden beïnvloed’. Het volledige rapport van de uitgevoerde QuickScan is bijgevoegd als bijlage 22K.2 bij deze toelichting. Daarnaast heeft er vorig jaar een koppel boerenzwaluwen gebroed in de daarvoor aanwezige zwaluwnestkommen. Momenteel broedt er geen koppel, maar na de sloop van de bebouwing worden deze zaluwnestkommen weer teruggeplaatst in de nieuwe bebouwing. Op die manier wordt er ruimte gecreëerd voor deze dieren om hier terug te keren en zich voort te planten.
Conclusie natuur Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘natuur’ geen belemmering voor het planvoornemen.
4.12.
Archeologie en cultuurhistorie
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee
33 ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Vrij 27 Siebengewald’
te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Onder erfgoed vallen cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit rijksmonumenten, gemeentelijke en provinciale monumenten en archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Dit volgt uit artikel 5.130 lid 1 van het Bkl. Deze instructie geldt nadrukkelijk ook voor bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie. Om hieraan gevolg te kunnen geven, maakt de gemeente een inventarisatie en analyse van het binnen de gemeente aanwezige en te verwachten cultureel erfgoed. Voor het te behouden cultureel erfgoed moet de gemeente een toereikend beschermingsregime instellen. Bij cultureel erfgoed kan het gaan om: • Monumenten zoals (bouw)werken. • Tuinen en parken. • Bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. • Stads- en dorpsgezichten en (delen van) cultuurlandschappen.
De gemeente legt de te beschermen gemeentelijke en provinciale monumenten vast in het omgevingsplan. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische functies en cultuurhistorische functies opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Archeologisch erfgoed Op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018, 1e herziening’, onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Bergen, is er binnen het plangebied geen dubbelbestemming ‘Archeologie’ aanwezig. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat er geen archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn, danwel worden verstoord door onderhavig planvoornemen. Cultuurhistorisch erfgoed Binnen het plangebied liggen geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Ook is geen sprake van een beschermd stads- en dorpsgezicht. Conclusie archeologie en cultuurhistorie Als gevolg van het planvoornemen worden geen archeologische en/of cultuurhistorische waarden aangetast.
4.13.
Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren
4.13.1.
Verkeer
Middels het plan wordt de functie ter plaatse omgezet van agrarisch naar wonen. Voor het bepalen voor de verkeersgeneratie voor de functie ‘wonen’ is aansluiting gezocht bij de kengetallen van het CROW. Als gevolg van de nieuwe woningen, is de te verwachten verkeersgeneratie als volgt: •
Licht verkeer t.b.v. wonen:
8,6 verkeersbewegingen per dag;
Bovenstaande leidt tot 3.139 verkeersbewegingen per jaar per woonfunctie. Dit komt neer op ca. 25 verkeersbewegingen per dag (worst-case). De infrastructuur van de Vrij is voldoende geschikt om dit verkeer af te wikkelen.
34 ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Vrij 27 Siebengewald’
4.13.2.
Parkeren
Binnen de gemeente Bergen (L) vinden diverse soorten ruimtelijke ontwikkelingen plaats, welke kunnen zorgen voor een verandering van de parkeersituatie. Om een uniform toetsingskader te kunnen hanteren heeft de gemeente op 25 april 2023 de ‘Parkeernota Bergen’ opgesteld. Om de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie in kaar te brengen, is aansluiting gezocht bij voornoemd beleidsstuk. Parkeren op eigen terrein is het uitgangspunt. Om de parkeernorm te bepalen is gekeken bij de functie ‘wonen’, waarbij de parkeernorm bestaat uit een bewoners- en bezoekersgedeelte. Het aandeel bezoekers is 0,3 parkeerplaats per woning. Voor de bewoners geldt de onderstaande parkeernorm: • •
Vrijstaande koopwoning: 2,3 parkeerplaatsen; Twee onder een kap koopwoning: 2,2 parkeerplaatsen.
Totaal aantal parkeerplaatsen ziet er, inclusief bezoekers, als volgt uit: • •
Twee vrijstaande woningen: (2,3 x 2) + (0,3 x 2) = 5,2, dus afgerond 5 Eén twee onder een kap: (2 x 2,2) + (2 x 0,3) = 5.
In totaal zal er dus ruimte nodig zijn voor 10 parkeerplaatsen (worst-case). Gelet op de nieuwe indeling van de percelen kan geconcludeerd worden dat er voldoende ruimte aanwezig is om deze parkeervoorzieningen te realiseren. Conclusie verkeer en parkeren Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘verkeer en parkeren’ geen belemmering voor het planvoornemen.
4.14.
Duurzaamheid
Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent dat in de praktijk gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig). Voorts kan door tijdens de bouw zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat. Het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ is in de Omgevingswet (Ow) als volgt gedefinieerd: ‘een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien, in gevaar te brengen.’ In artikel 1.3 Ow zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: ‘deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en: b.
doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter invulling van de maatschappelijke behoeften.’ Met deze bepaling wordt een duurzame ontwikkeling binnen de fysieke leefomgeving geborgd. Er wordt gezocht naar de samenhang van alle relevante belangen, waaronder ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen. Conclusie duurzaamheid Voorliggend plan betreft het omzetten van een (voormalige) bedrijfswoning naar een burgerwoning met loods voor privégebruik, en het mogelijk maken van twee nieuwe woningen. De nieuwe woningen en nieuwe loods 35 ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Vrij 27 Siebengewald’
worden energiezuinig uitgevoerd. De woningen zullen daarmee ook toekomstbestendig worden uitgevoerd. Het materiaalgebruik voor de nieuwe bebouwing (loods en woningen) zal worden afgestemd op de bestaande bebouwing in de directe omgeving. Op deze manier wordt ook aangesloten bij het bestaande bebouwingsbeeld.
4.15.
Beschermen van de gezondheid
Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow). Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en beidt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een Omgevingsplan dan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Ow). Gelet hierop dient, indien sprake is van wijziging van activiteiten in de fysieke leefomgeving, te worden aangegeven op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Hierbij gaat het om zowel het beschermen alsook het bevorderen van de gezondheid. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan. Regels met betrekking tot de 'gezondheid' is sterk afhankelijk van het gemeentelijke beleid. 4.15.1.
Geitenhouderijen
Het plangebied is gelegen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij. De afstand van de gevel van de dichtstbijzijnde nieuwe woning tot aan de grens van het bouwvlak op de locatie Vrij 5 bedraagt ca. 674 meter. Het is een betrekkelijk kleine bedrijfsomvang met maximaal 200 volwassen geiten en 120 geiten in opfok. Uitbreiding van de omvang is niet mogelijk. Het algemeen advies van de GGD geeft aan dat terughoudend moet worden omgegaan met het toevoegen van nieuwe gevoelige objecten binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij, i.v.m. Q-koorts. Dit advies is gebaseerd op onderzoek dat aantoont dat mensen die in de buurt van geitenhouderijen wonen, mogelijk een hoger risico op longontsteking hebben. VGO-lll onderzoek In het recent uitgevoerde VGO-lll onderzoek van de GGD wordt vermeldt dat er 23 bacteriën zijn aangetroffen bij zowel omwonenden van geitenhouderijen, en dat sommige van deze bacteriën ook in de geitenstallen aanwezig waren. Echter, is het moeilijk om met 100% zekerheid te zeggen dat deze bacteriën uitsluitend afkomstig zijn van de geitenhouderij, omdat bacteriën ook via andere routes in de omgeving kunnen komen (zoals via de lucht, andere dieren of via menselijke interactie).
Wat het onderzoek wel aantoont is dat de bacteriën die gevonden zijn bij de omwonenden overeenkomen met die bacteriën welke in de geitenhouderijen werden aangetroffen, wat een aanwijzing is dat er een relatie kan zijn. Er wordt dus een verband gelegd tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de verhoogde kans op blootstelling aan bepaalde bacteriën die longontsteking kunnen veroorzaken. Samenvattend is er een sterk vermoeden dat geitenhouderijen bijdragen aan een verhoogd risico op longontsteking bij omwonenden, maar het is niet mogelijk om met zekerheid te zeggen dat alle gevonden bacteriën uitsluitend afkomstig zijn van geitenhouderijen omdat er tal van factoren zijn die invloed kunnen hebben op de verspreiding van bacteriën. Conclusie geitenhouderijen Hoewel het VGO-lll onderzoek bacteriën heeft aangetoond bij omwonenden van geitenhouderijen betekent dit uiteraard niet dat alle omwonenden die in dit gebied wonen daadwerkelijk ziek worden. In de huidige situatie bevinden zich reeds al een aantal woonfuncties in de nabijheid van de geitenhouderij. Deze woonbestemmingen zijn op kortere afstand gelegen dan de woningen binnen het plangebied. De afstand tussen het plangebied en de geitenhouderij betreft 674 meter. Dit betreft een zeer ruime afstand. Daarbij wordt opgemerkt dat binnen deze 36 ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Vrij 27 Siebengewald’
afstand ook enkele landschapselementen gesitueerd zijn, welke mogelijk kunnen dienen als fysieke barrières. Ze kunnen bijdragen aan het vertragen van de luchtstroom maar ook door bepaalde deeltjes uit de lucht te filteren. Ze vangen stof, pollen en mogelijk ook andere deeltjes die bacteriën kunnen bevatten. Dit kan helpen om de hoeveelheid bacteriën die zich mogelijk verspreiden te verminderen. Op basis van deze ruime afstand tot de woningen in combinatie met de beperkte omvang van de geitenhouderij, wordt het risico aanvaardbaar geacht. Omgekeerd levert dit plan voor de geitenhouderij aan Vrij 5 geen belemmeringen in haar bedrijfsvoering op, daar er reeds woningen dichterbij gesitueerd zijn. Dit zijn de woningen aan o.a. Vrij 8, 9, 11, 13, 15 en 21. Aanvullend hierop ligt er reeds een verbod op uitbreiding van de geitenhouderij in Nederland. Geconcludeerd wordt dat het toevoegen van twee nieuwe woningen en het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning, op deze afstand van een geitenhouderij acceptabel wordt geacht. 4.15.2.
Spuitzones
Doordat het plangebied in het buitengebied van Bergen ligt, is het in het kader van het aspect (volks)gezondheid wenselijk om te beschouwen of er sprake is van potentiële (onaanvaardbare) risico’s ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Indien gewasbeschermingsmiddelen op teeltgronden worden toegepast kan er sprake zijn van drift. Hierdoor kunnen deze gewasbeschermingsmiddelen bijvoorbeeld bij woningen en in tuinen terecht komen (verwaaien). Om een zonering te kunnen hanteren tussen bespuitingen en gevoelige functies wordt de term ‘spuitzones’ gehanteerd. Hoewel in geen enkele wettelijke regeling aan te houden afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen c.q. functies en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, dient op basis van het criterium ‘evenredige toedeling van functies aan locaties’ door het bevoegd gezag een ruimtelijke afweging te worden gemaakt. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen de gronden waar gewassen op worden geteeld en de te realiseren nieuwe gevoelige functie, zoals een woning, kan worden gehanteerd. Dit betreft meer een aandachtszone, daar er tot op heden geen wetenschappelijke grondslag bestaat voor het vastleggen van de 50 meter.
De directe noodzaak tot het opnemen van een vaste spuitzone ontbreekt nog in de wetenschap. Afwijken van deze afstand is mogelijk mits daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Deze motivering moet op de locatie toegesneden zijn. Voor het telen van gewassen in de openlucht gelden algemene rijksregels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De milieubelastende activiteit telen van gewassen in de openlucht staat in paragraaf 3.6.3 van het Bal. Alle activiteiten die in de openlucht plaats vinden en die het telen functioneel ondersteunen, vallen ook onder het telen van gewassen in de openlucht. Dit geldt dus ook voor het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen. Artikel 3.209 van het Bal verwijst voor wat betreft het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen naar paragraaf 4.64 van het Bal. Deze paragraaf bevat de inhoudelijke regels voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten. Hierbij wordt zoveel mogelijk driftarme apparatuur voorgeschreven. Sinds 1 januari 2018 geldt hierbij een minimale vereiste driftreductie van 75% (artikel 4.723c Bal) ten opzichte van de referentietechniek. Bovendien bevat het Bal regels voor teeltvrije zones in directe nabijheid van oppervlaktewateren (zoals sloten).
Deze teeltvrije zones hebben een functie aangaande de vermindering van drift van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater (en daarmee ook richting naastgelegen functies). Ook bevatten de regels een verbod op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij hogere windsnelheden. Het plan voorziet in het omzetten van een (voormalige) bedrijfswoning naar een burgerwoning en maakt de realisatie van twee nieuwe woningen mogelijk. De gronden die buiten het bouwvlak vallen, krijgen de functie agrarisch en zijn tevens in eigendom van initiatiefnemer. Dit gedeelte van het perceel wordt ingezet voor de landschappelijke inpassing van het initiatief. Daarbij komt dat initiatiefnemer geen agrarische activiteiten meer uitoefent. Op dit gedeelte van het perceel vindt daarom enkel nog onderhoud plaats aan de bestaande groenstructuren. De volgende percelen met agrarische bestemming liggen op een afstand van minder dan 50 meter van het plangebied. Per perceel is de afstand aangegeven tot aan het plangebied en welke gewassen er geteeld worden.