Kadernota Begroting BsGW 2023 MJR 2023-2027 versie DEF
Tekst van het document
met
een
toename
van
de
WOZ-
proceskostenvergoeding. Zie onderstaande tabel:
29
Ontwikkeling proceskosten BsGW (begroting) Bedragen * € 1.000,2020 2.000
Proceskosten BsGW
2021 2.040
2022 2.081
2020 2021 2.700-3.000
2022
Ontwikkeling proceskosten BsGW (realisatie/prognose) Bedragen * € 1.000,2014 595
Proceskosten BsGW
2015 621
2016 1.167
2017 1.332
2018 1.700
2019 1.500
Hoewel in 2019 een lichte daling te zien was in zowel de ingediende bezwaren als de uitbetaalde proceskostenvergoeding, zagen we juist in 2020 een forse stijging. In 2021 zien we ten opzichte van 2020 ‘slechts’ een lichte stijging van het aantal ingediende bezwaren door de ncnp-bedrijven, waarbij de stijging van 2020 lijkt af te zwakken. Een stijging van het aantal bezwaarschriften vertaalt zich niet alleen door in een stijging van de proceskosten. Ook de uitvoeringskosten (extra inzet personele ondersteuning in de vorm van taxateurs, juristen en KCC-medewerkers) stijgen, waardoor de begroting verder onder druk komt te staan. De
proceskostenvergoeding
in
de
jaarschijf
2023
uit
de
vastgestelde
begroting
2022
en
meerjarenbegroting 2022-2026 is ingeschat op € 2,08 miljoen. Gezien bovenstaande ontwikkelingen en het feit dat de tarieven voor de proceskostenvergoeding regelmatig worden verhoogd, wordt net als in de begroting 2022 rekening gehouden met € 3 miljoen aan proceskostenvergoeding. Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft op basis van voornoemde ontwikkelingen een onderzoek ingesteld naar de ontwikkeling van het aantal bezwaren en de in verband hiermee toegekende kostenvergoedingen met als doel scherp te krijgen in hoeverre de ncnp-bedrijven juridische procedures bij WOZ-beschikkingen en BPM-aangiftes hoofdzakelijk inzetten als verdienmodel voor de verkrijging van proceskostenvergoedingen. Het onderzoek wordt is uitgevoerd door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC). In februari 2021 is het rapport door het WODC opgeleverd. Naar aanleiding hiervan heeft de VNG aangegeven dat op korte termijn een oplossing dient te komen voor de uitvoeringsproblemen. Volgens de VNG staat in deze discussie de rechtsbescherming van de burger (en ondernemer) uitdrukkelijk voorop. Het bestaan van het Besluit proceskosten bestuursrecht zelf staat niet ter discussie, noch het bestaan van de ncnp-bedrijven, maar wel de onbedoelde uitwassen. De VNG heeft het COELO gevraagd om een nader onderzoek.
Het WODC-rapport geeft namelijk geen antwoord op een van de hoofdvragen van het onderzoek: of er een onbedoeld verdienmodel in de proceskostenregeling schuilt? Bij het afronden van deze Kadernota waren de uitkomsten van het COELO-onderzoek nog niet bekend. Stimuleringsregeling Vanaf 1-1-2017 is het voor medewerkers vanaf 10 jaar voor hun AOW-leeftijd mogelijk om minder te gaan werken met het oog op strategisch formatiebeheer nu en in de toekomst. De maatregel behelst compensatie salaris en pensioenopbouw tot het moment dat de deelnemende medewerker de AOWgerechtigde leeftijd bereikt en uitstroomt.
30
Medewerkers hebben gedurende de periode 2017 tot en met 2020 gebruik kunnen maken van deze regeling. De financiële effecten, in totaliteit begroot op € 672 duizend, zijn evenwel merkbaar tot de definitieve (pensioen-)uitstroom oftewel uiterlijk 2029. De Stimuleringsregeling wordt budgetneutraal voor de deelnemers uitgevoerd; de kosten dienen binnen de begroting van BsGW te worden opgevangen. In het AB van 8 oktober 2020 is besloten deze regeling niet meer te verlengen. De belangrijkste redenen zijn een versnippering van fte’s, toename van het aantal parttimers naast het feit dat het een kostbare regeling is. Waarderen op gebruiksoppervlakte: beheerfase Vanaf 1 januari 2022 bestaat de verplichting om woningen te waarderen op basis van de gebruiksoppervlakte. Daarvoor gebruikte BsGW de bruto inhoud om woningen te waarderen. De gebruiksoppervlakte is een authentiek gegeven en wordt door de inliggende gemeenten (of gegevenshuizen) beheerd in de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG). Namens en op verzoek van de deelnemers heeft BsGW de regie van dit transitieproject (2019-2021) op zich genomen, in nauwe samenwerking met de gemeenten en Het Gegevenshuis. Eind 2020 en in de loop van 2021 zal voor steeds meer gemeenten de transitie gereed zijn. Dan start de beheerfase: het bijhouden en actueel houden van de gegevens.
In 2020 zijn gemeenten en BsGW in overleg gegaan hoe de beheerfase, als (mogelijke) voorloper van de Samenhangende Objecten Registratie (SOR), ingericht dient te worden en hoe het beheer op termijn wordt belegd. Regieportaal Een werkgroep, bestaande uit BAG- en/of contractmanagers van de gemeenten Beek, Beesel, Bergen, Gulpen-Wittem, Roermond, Stein en Valkenburg, Het Gegevenshuis (Landgraaf) en BsGW, heeft onder begeleiding van een externe marktpartij een onderzoek uitgevoerd en unaniem als oplossingsrichting gekozen om te gaan werken met een zogenaamd regieportaal. Dit is een applicatie, die in staat is om relevante gegevens voor zowel de BAG (gemeente), de BGT als de WOZ (BsGW) op een efficiënte manier uit te wisselen en te tonen, zowel administratief als geografisch. De samenhang tussen beide administraties blijft zo kwalitatief op peil, gegevens blijven 1 op 1 lopen en er is realtime inzicht in de verschillende databronnen. Het portaal is dus zowel voor de gemeenten, de op GEO-gebied aan de gemeente gerelateerde samenwerkingsverbanden, als ook voor BsGW van belang en voor alle partijen te benaderen en te gebruiken. Nut en noodzaak om over dit portaal te beschikken is voor het bestuur evident en staat los van welke positie BsGW, de deelnemende gemeente(n) en de gegevenshuizen in zullen gaan nemen in relatie tot de SOR.
Net als bij het project ‘Waarderen op gebruiksoppervlakte’ voert BsGW namens de deelnemers de regie over het regieportaal uit. Mutatiedetectie Voor het in beheer krijgen en houden van de WOZ-administratie is enkel de stroom van bouw- en sloopvergunningen vanuit de gemeenten of gegevenshuizen inmiddels onvoldoende. Onder andere door vergunningsvrije (en illegale) bouw en sloop en in de toekomst de werking van het
31
omgevingsplan in het kader van de Omgevingswet, zijn andere inwinningstechnieken noodzakelijk geworden. In het project Waarderen op gebruiksoppervlakte is voor elke gemeente eenmalig een WOZ-mutatiedetectie
uitgevoerd.
WOZ-mutatiedetectie
betreft
het
op
basis
van
luchtfoto’s,
obliekfoto’s, de BAG- en de WOZ-administratie inzichtelijk maken welke WOZ-onderdelen opgevoerd en afgevoerd moeten worden in de WOZ-administratie. Deze wijzigingen worden gestructureerd aangeleverd zodat deze automatisch verwerkt kunnen worden in de WOZ-administratie. Het beter inzichtelijk hebben van de mutaties door het uitvoeren van de WOZ-mutatiedetectie draagt dan ook bij aan het verbeteren van de WOZ-waardering. Om de gegevens vanuit het project Waarderen op gebruikersoppervlakte actueel te houden dient de WOZ-mutatiedetectie jaarlijks te worden uitgevoerd. De gemeente maakt daarbij de keuze om de WOZ-mutatiedetectie zelf uit te (laten) voeren of door BsGW uit te laten voeren. De WOZmutatiedetectie kan immers het beste uitgevoerd worden samen met de BAG/BGT-mutatiedetectie die enkele gemeenten al jaarlijks laten uitvoeren. Het samenvoegen van de WOZ-mutatiedetectie met de BAG/BGT mutatiedetectie is efficiënt en economisch het voordeligst. Visie op dienstverlening In 2020 is de Visie op dienstverlening voor belastingplichtigen, inclusief dienstverleningsnormen, vastgesteld. De komende jaren worden, aan de hand van business-cases, projecten opgezet om de dienstverlening te verbeteren. In dit kader heeft in 2021 een nulmeting plaatsgevonden. Vanaf 2022 worden de effecten middels de bestuursrapportages gerapporteerd en verantwoord.
Informatievoorziening en ICT BsGW maakt deel uit van een sterk veranderende omgeving waarin de steeds verdere digitalisering van de informatievoorziening een belangrijke ontwikkeling is en impact zal krijgen op de bedrijfsvoering van BsGW. De interne processen en informatievoorziening van BsGW dienen op deze ontwikkelingen afgestemd te worden. Onderstaand volgt een toelichting op deze ontwikkelingen: o
Collectieve Infrastructuur Aansluiten bij deze ontwikkeling is alleen maar mogelijk wanneer de organisatie beschikt over een betrouwbare, veilige en robuuste IT-infrastructuur. Ontwikkelingen die hiervoor zorgen zijn: •
De Generieke Digitale Infrastructuur (GDI)
•
de Gemeentelijke Gemeenschappelijke infrastructuur (GGI)
•
Common Ground
De GDI bestaat uit digitale basisvoorzieningen waarmee overheidsorganisaties hun primaire processen kunnen inrichten. Denk onder meer aan Mijn Overheid Berichtenbox en eHerkenning. Door vanuit de gebruiker te redeneren, wordt in kaart gebracht en onderzocht welke doorontwikkeling van de GDI wenselijk is, hoe regie wordt georganiseerd en hoe met GDI voorzieningen de processen verbeterd worden. De Gemeentelijke Gemeenschappelijke Infrastructuur (GGI) is een veilige digitale infrastructuur, aangesloten op andere beveiligde overheidsnetwerken, waardoor samenwerken tussen gemeenten en andere overheden beter, veiliger en makkelijker wordt. De GGI wordt fasegewijs en
32
projectmatig ontwikkeld, zodat kan worden ingespeeld op landelijke veranderingen zoals de Omgevingswet. De
GGI
vormt
de
technische basis waarin
toegewerkt wordt
naar een
gemeentelijke cloud, die uiteraard is aangesloten op de landelijke GDI. De Common Ground is een informatiekundige visie die de modernisering van de gemeentelijke dienstverlening en bedrijfsvoering mogelijk maakt. Betrokkenen krijgen directe toegang tot gedeelde informatiebronnen. Ze versnelt de ontwikkeling van dienstverlening en bedrijfsvoering door het omarmen van nieuwe technologie. Common Ground is geïnitieerd en wordt uitgevoerd door gemeenten en gemeentelijke organisaties zelf. De VNG faciliteert deze ontwikkeling. Deze ontwikkelingen zullen door BsGW nadrukkelijk worden gevolgd en hebben een plaats in de Ivisie (zie hierna). o
I-visie In 2020 is een I-visie ontwikkeld. De I-visie vormt de basis voor de vormgeving van de informatievoorziening naar de toekomst. Naast een visie is er ook een visie en strategiedocument voor de afdeling IPA zelf opgesteld. Deze twee documenten gecombineerd geven een duidelijk beeld over de I-strategie van BsGW en de wijze waarop de afdeling IPA wordt geherstructureerd. Dit is verwoord in het document “oplegnotitie I-visie en I-strategie BsGW”. Tevens wordt een stappenplan opgesteld met activiteiten en projecten om de opgestelde visie in de komende jaren vorm te geven.
Enkele belangrijke pijlers van dit plan zijn het vanwege einde looptijd contract vervangen van zowel de ICT-infrastructuur als het huidige belastingpakket via een Europese aanbesteding. Eind 2020 is met de nodige vertraging gestart met de voorbereiding hiervan. De publicatie van de aanbesteding staat voor het laatste kwartaal van 2021 gepland; voor de zomer van 2022 zou de opdracht tot definitieve gunning dienovereenkomstig kunnen plaatsvinden. Daarna kan worden gestart met de technisch implementatie en het migratietraject, dat geheel 2022 bestrijkt. Na oplevering
beschikt BsGW
over een
hernieuwd
applicatielandschap, dat
aansluit
bij
de
technologische ontwikkelingen, zoals de scheiding van data met processen en het verminderen van afhankelijkheid van leveranciers conform de Common Ground gedachte. Daarnaast is de infrastructuur geschikt om de samenhang tussen de verschillende basisregistraties integraal te ontsluiten. De implementatiekosten voor het nieuw belastingpakket worden vooralsnog geschat op € 2,775 miljoen voor 2022 en 2023. Dit is een bovenwaartse bijstelling van € 800 duizend op basis van een reeds afgerond aanbestedingstraject van een collega-samenwerkingsverband. Zodra de verwachte kosten meer bekend zijn worden de financiële effecten hiervan verwerkt in de begroting 2023 en de meerjarenbegroting (2023 en verder). Afhankelijk van de uitkomsten van het overleg met de accountant kan een deel van deze kosten worden geactiveerd. Harmonisatie Op dit moment zijn er veel varianten die als heffingsgrondslag voor de verschillende belastingsoorten gelden. Dit maakt het inrichten van de processen, inclusief de automatisering hiervan, ingewikkeld. Maatwerk, work-arounds en meer zijn hiervoor nodig. Harmonisatie is een onderwerp dat al meer dan
33
een jaar op de actielijst stond. Dit onderwerp komt eveneens terug in een van de aanbevelingen voortvloeiend uit een onderzoek van de Rekenkamer(commissie)s van elf van de negenentwintig in BsGW deelnemende gemeenten. In AB-verband zijn met betrekking tot het harmonisatieproces alsmede de kostenverdeelmethode procesafspraken gemaakt. Bij harmonisatie gaat het primair om de vraag ‘Hoe kan BsGW tegen lagere kosten een gelijkblijvende of hogere service bieden aan de deelnemers’. Maar zeker ook de bestuurlijk veel gestelde vraag ‘Hoe krijgen deelnemers meer grip en sturing op kosten’ wordt hiermee beantwoord: door vooraf te gaan bepalen welke producten in welke vorm/variant tegen welke prijs door een deelnemer worden afgenomen. Omdat deze opgave meerdere aspecten kent, zullen deze worden benoemd en beschreven. Beleidsvrijheid, maakbaarheid, juridische juistheid, maar ook toekomstige ontwikkelingen spelen hierbij een rol; naast de verdeling van deze kosten. Verbetering archiefbeheer In 2021 heeft een archiefinspectie plaatsgevonden binnen BsGW. Hieruit is een aantal verbeterpunten naar voren gekomen. Een plan van aanpak en een businesscase worden opgesteld. Bij de afronding van deze Kadernota waren de uitkomsten en daarmee de eventuele financiële consequenties nog niet bekend.
Mogelijke ontwikkelingen De volgende mogelijke ontwikkelingen hebben invloed op de bedrijfsvoering en de kosten van BsGW, maar worden niet opgenomen in de begroting 2023: Sociaal invorderen Op het gebied van het invorderen van openstaande belastingvorderingen ontstaat landelijk een sterke tendens om kwetsbare groepen te ontzien en in ieder geval niet op te zadelen met sterk stijgende invorderingskosten. Door de decentralisering in het sociale domein wordt van lokale overheden verwacht dat zij hier een actieve invulling aangeven. Er dient dus in een zo vroeg mogelijk stadium een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen ‘niet kunnen’ en ‘niet willen’ betalen van aanslagen. Met ingang van 2021 zijn een aantal grote wijzigingen die de afgelopen jaren zijn aangegeven in werking getreden. De vereenvoudiging berekening beslagvrije voet is de grootste aanpassing,
aangezien
deze
berekening
opnieuw
dient
te
worden
gemaakt
voor
alle
invorderingsdossiers die in de beslagfase verkeren. Ook de implementatie van vroegsignalering bij de gemeenten gaat ondanks capaciteitsproblemen bij veel gemeenten door. Zij kunnen met belangrijke organisaties zoals woningbouwverenigingen, zorgverzekeraars, nuts-bedrijven, sociale verzekeringsbank etc. een convenant afsluiten, waarin wordt afgesproken dat indien er bij één van de aangesloten organisaties betalingsachterstand ontstaat, een sociaal wijkteam wordt ingeschakeld om met de betreffende burger in gesprek te gaan om erger te voorkomen. Lokale heffingen mogen wettelijk geen deel uitmaken van vroegsignalering en afspraken over de invordering van lokale heffingen mogen niet door het sociale wijkteam gemaakt worden. BsGW neemt samen met een aantal deelnemers proactief deel aan een door het ministerie goedgekeurd
34
experiment vroegsignalering. Na deze pilot kan worden bezien of en in hoeverre BsGW kan aanhaken op deze trend en welke mogelijkheden dit biedt, zowel wat betreft de wetgevingskaders als met betrekking
tot
de
taakuitvoering
van
BsGW.
Een
belangrijk
aspect,
zeker
ook
gezien
de
invorderingskosten (opbrengsten uit in rekening gebrachte vervolgingskosten) die een behoorlijke baten binnen de BsGW begroting beslaan. Wijziging beroepsprocedure kwijtschelding (artikel 25 Invorderingswet) De wijziging in artikel 25 in de Invorderingswet zal worden ingevoerd. Deze wijziging betekent dat op een uitspraak van een kwijtscheldingsverzoek in plaats van een administratief beroep, een bezwaar kan worden ingediend. Met deze mogelijkheid wordt de Invorderingswet gelijk getrokken aan de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Vanaf 2021 zou er in plaats van een administratief beroep, een bezwaarschrift kunnen worden ingediend. Bij een ongegrond verklaring van een bezwaarschrift, krijgt de belanghebbende de mogelijkheid van een rechtsgang naar beroep, hoger beroep en beroep in cassatie. De implementatie van de wijziging is echter wederom uitgesteld. Verwacht wordt dat deze wijziging nu in 2022 ingaat. Momenteel geldt dat bij elk verzoek om kwijtschelding of verzoek om uitstel van betaling, de mogelijkheid bestaat voor een belanghebbende om, in het geval van afwijzing, een administratief beroep in te dienen. Bij het ongegrond verklaren van een administratief beroep is er verder geen mogelijkheid meer voor een verdere rechtsgang. Deze wijziging brengt naast een wettelijke behandeltermijn van 6 weken, mogelijk extra kosten met zich mee. Hierbij kan worden gedacht aan : •
Dwangsommen voor het niet na kunnen leven van de behandeltermijn (€ 1.442,- p/s)
•
Kosten voor beroepsprocedures
•
Griffierechten betalen voor kwetsbare doelgroepen
•
Behandelkosten voor bezwaren tegen afgewezen kwijtscheldingsverzoeken door onder andere NCNP-bedrijven die zich op deze markt zullen richten (momenteel zijn deze bureaus nog met name gericht op de WOZ-waarde bepaling).
Kwijtschelding 3.0 In 2023 staat Kwijtschelding 3.0 in de planning vanuit het Inlichtingbureau. De bedoeling van KWS 3.0 is dat de burger zelf de regie gaat voeren over zijn eigen gegevens. Het idee is dat de burger zijn eigen gegevens ophaalt bij de verschillende instanties (Belastingdienst, UWV, RDW), deze verifieert en vervolgens meestuurt met het betreffende kwijtscheldingsverzoek. Met name de digitale toegankelijkheid van systemen voor burgers zal hierbij een belangrijke rol gaan spelen, maar ook de mogelijkheden die burgers in betreffende systemen tot hun beschikking dienen te krijgen. Dit zou kunnen inhouden dat er (automatiserings)aanpassingen in het proces dienen plaats te vinden. Een landelijk tegengeluid in deze ontwikkeling rondom kwijtschelding is dat sommige waterschappen en gemeenten er voor kiezen juist geen of beperkt kwijtschelding te verlenen. Een voorbeeld is om voor het vastrecht van Diftar wel kwijtschelding te verlenen maar voor het aangeboden vuil niet. Teveel verschillende varianten kunnen overigens wel leiden tot onduidelijkheid bij de burgers en problemen bij de verwerking in het belastingsysteem. Immers op een combibiljet waar
verschillende
variaties
gehanteerd
worden
is
dit
niet
alleen
onduidelijk
maar
ook
automatiseringstechnisch lastig uitvoerbaar.
35
Net niet in aanmerking komen voor kwijtschelding, maar toch net niet rond kunnen komen. Deze gevallen komen helaas vaak voor. Dit komt doordat de berekening van de betalingscapaciteit (= inkomen minus woonlasten minus zorgkosten minus rijksnormbedrag), te ingewikkeld is geworden. Hierdoor kan het voorkomen dat burgers met een iets lager inkomen wel huurtoeslag ontvangen, maar dan geen kwijtschelding krijgen, terwijl burgers met een hoger inkomen, maar zonder huurtoeslag, wel kwijtschelding krijgen. Het totaalbedrag van kwijtschelding is veelal lager dan het totaalbedrag van huurtoeslag, waardoor iemand met een lager inkomen uiteindelijk meer netto te besteden heeft dan iemand met een hoger inkomen. Fiscale Vereenvoudigingswet 2017 In het kader van belastingvereenvoudiging is op 21-12-2016 de Fiscale Vereenvoudigingswet 2017 aangenomen, die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Dit is een rijksregeling die zijn weerslag kan hebben op diverse andere regelingen, zoals de Invorderingswet 1990. Tot 2017 was er een aparte rechtsgang met betrekking tot eventuele geschillen over uitstel van betaling en kwijtschelding, namelijk administratief beroep bij het bestuursorgaan. Dit betekent dat dit de enige (en laatste) mogelijkheid was ten aanzien van deze twee procedures. In de Fiscale Vereenvoudigingswet 2017 wordt aangesloten op de reguliere rechtsbescherming.
Dit betekent dat er in eerste instantie bezwaar ingediend kan worden en vervolgens beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter (bij de rechtbank (in eerste aanleg), het gerechtshof (in hoger beroep) en de Hoge Raad (in cassatie). De Fiscale Vereenvoudigingswet 2017 is een rijksregeling. Indien deze wijzigingen ook voor decentrale overheden worden geformaliseerd, leidt dit tot extra werkzaamheden bij BsGW. Er worden immers extra rechtsbeschermingsstappen in de procedure ingebouwd: bezwaar, hoger beroep en cassatie. Daarnaast zal dit naar verwachting leiden tot een (forse) toename van de proceskostenvergoedingen. In de huidige situatie kan geen aanspraak worden gemaakt op de proceskostenvergoeding. Dit is wel het geval indien de procedures onder de reguliere rechtsbescherming van bezwaar en beroep (rechtbank) gaan vallen. Daarnaast leidt deze nieuwe wetgeving wellicht tot een nieuwe markt voor de zogenaamde beroepsmatige gemachtigden (eventueel op ‘no cure, no pay’ basis) om namens burgers bezwaar/beroep te maken waarbij deze gemachtigden de tegemoetkoming proceskosten als mogelijke inkomsten zien. Vanwege eenvoud en eenduidigheid voor de belastingbetaler hebben de decentrale overheden sinds jaar en dag als uitgangspunt bij formele invorderings- en kwijtscheldingswetgeving dat zij het beleid van het Rijk volgen, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om daarvan af te wijken.
De reactie van de commissie Invordering van de Landelijke Vereniging Lokale Belastingen (LVLB) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) op de wet is dat deze weliswaar voorziet in een verbetering van de rechtsbescherming voor de verzoeker en een eenduidige werkwijze van afdoening ten opzichte van andere werkprocessen, maar dat de voorgestelde wijziging een forse (werk)druk met zich mee zal brengen bij zowel de kwijtschelding verlenende organisaties als de rechterlijke macht.
36
De beoogde inwerkingtreding voor de lokale overheden betreffende het onderdeel wijziging rechtsbescherming bij verzoeken uitstel van betaling en kwijtschelding was 1 januari 2019 maar is inmiddels opgeschort naar op zijn vroegst 1 januari 2022. In de huidige begroting van BsGW zijn dan ook geen proceskostenvergoedingen als gevolg van eventuele geschillen over uitstel van betaling en kwijtschelding opgenomen. De verwachting is dat hiermee een nieuwe doelgroep voor ncnp-bedrijven gaat ontstaan. Voortgang implementatie Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en Verbreding beslagregister Het invorderingsproces gaat wijzigen Grip op de invorderingspraktijk van overheden is politiek actueel, zeker na de toeslagenaffaire. Eerder is ook al door de Ombudsman vastgesteld dat veel mensen met betalingsproblemen er verder door in het nauw worden gebracht. Om mensen met schulden beter te helpen, zijn er diverse wetswijzingen doorgevoerd. Op 1 januari 2021 is de nieuwe Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (Wvbvv) in werking getreden. De beslagvrije voet – het bedrag waar schuldeisers niet aan mogen komen – blijkt in de praktijk vaak te laag te worden vastgesteld. Veel mensen met schulden komen daardoor onder het absolute bestaansminimum terecht, ook omdat schuldeisers niet van elkaar weten dat ze beslag leggen op hetzelfde inkomen. De nieuwe wet moet hier verandering in brengen.
BsGW zal dus op dit vlak meer moeten samenwerken met onder andere sociale diensten en schuldhulpinstanties om mensen wegwijs te maken in de wetgeving en de mogelijkheden van kwijtschelding. Het berekenen van de beslagvrije voet wordt na invoering van de wet eenvoudiger en uniform door middel van een digitale rekentool. Omdat zowel softwareontwikkelaars als een groot aantal organisaties hebben aangegeven voor onderdelen van hun proces een volledige inwerkingtreding per 1 januari 2021 niet te gaan halen komt er mogelijk een overgangstermijn in de wet. De nieuwe beslagvrije voet heeft als gevolg dat het invorderingsproces aangepast moet worden. Er wordt daarnaast bij samenloop van meerdere beslagen één coördinerend deurwaarder aangewezen die de beslagvrije voet berekent, de betalingen regelt en communiceert met de schuldenaren en andere schuldeisers. VNG Realisatie start een implementatietraject om te ondersteunen bij de invoering van de Wvbvv. Een achterliggende ambitie is ook eerder en meer contact, wat er uiteindelijk aan gaat bijdragen dat bijvoorbeeld stapeling van schulden wordt voorkomen. Hier gaan de kosten zoals de te investeren tijd in maatwerk voor de baten uit. Bovendien zal een deel van de (financiële) voordelen niet bij BsGW belanden maar bij de gemeenten, omdat hier bijvoorbeeld schuldhulpverlening trajecten worden voorkomen.
In de verschillende rapporten wordt aangegeven dat de kosten die hierbij komen, zoals een tarief per berekening, uitwisseling van gegevens en realiseren van real-time koppelingen niet zondermeer op de schuldenaar doorberekend mogen worden.
37
Verbreding beslagregister Gekoppeld aan het programma ‘Verbreding beslagregister’ heeft de staatssecretaris aan het wetsvoorstel
‘Stroomlijning
keten
voor
derdenbeslag’
gewerkt.
De
beoogde
datum
van
inwerkingtreding van de wet en het besluit is 1 januari 2022, maar dit is mede afhankelijk van de oplevering
van
de
routeervoorziening
en
de
aansluiting
op
de
routeervoorziening
door
de
beslagleggende partijen. Gedacht wordt aan een gefaseerde aansluiting van partijen in de periode. Het is de bedoeling dat overheidsorganisaties en deurwaarders informatie uitwisselen over beslagen en verrekeningen van mensen met schulden. Op basis van deze informatie kunnen zij bij de vaststelling van de beslagvrije voet en bij het leggen van beslag beter rekening houden met reeds lopende beslagen en verrekeningen. Dit zorgt in het verlengde van de nieuwe beslagvrije voet voor een betere borging van het bestaansminimum van de schuldenaar. De met het wetsvoorstel te realiseren gegevensuitwisseling maakt het daarnaast ook mogelijk om in bepaalde gevallen een afweging te maken met betrekking tot de proportionaliteit van een beslaglegging. Hierdoor wordt voorkomen dat een schuldenaar te maken krijgt met onnodige kosten. De komende jaren zal het leggen van beslag op roerende zaken verder gaan veranderen. Wordt het enerzijds makkelijker voor deurwaarders om ‘administratief’ beslag te leggen op een auto, door de opkomst van ‘private-lease’ wordt dit in de praktijk evenwel steeds lastiger om daadwerkelijk beslag te kunnen leggen. Dit vanwege het feit dat het eigendom van de auto in genoemde situatie bij de leasemaatschappij ligt.
Het leggen van derdenbeslag (bankrekening) wordt door banken enkel nog elektronisch toegestaan, waardoor dit via een beveiligde email-omgeving zal worden gedaan. Herziening beslag- en executierecht De “Wet van 3 juni 2020 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet in verband met de herziening van het beslag- en executierecht (Stb. 2020, 177)” beoogt het bestaansminimum van schuldenaren te beschermen, beslag en executie efficiënter te maken en te voorkomen dat beslag en executie uitsluitend als pressiemiddel worden ingezet. De wet is als een prioritair voorstel behandeld en nu is besloten voor een snelle stapsgewijze inwerkingtreding. De nieuwe wet betekent dat nogal wat wijzigingen in het invorderingsbeleid en uitvoeringsproces moeten worden doorgevoerd. Naast deze wetswijzigingen en landelijke ontwikkelingen staan ook nog op het programma de uitbreiding van de toepassing van de overheidsvordering en de recentelijk geïntroduceerde ‘betalingsvordering’: een (vereenvoudigd) derdenbeslag door de ambtenaar belast met de invordering waarbij inzet van de belastingdeurwaarder niet altijd meer noodzakelijk lijkt. Bovenstaande ontwikkelingen hebben naar verwachting (financiële) gevolgen voor de begroting van BsGW.
Meer inzicht op de (financiële) effecten hiervan wordt in de loop van 2021 verwacht, mede ingegeven door het feit dat er mogelijk een overgangstermijn in de wet wordt opgenomen. Op basis van de huidige contouren is echter al evident dat, wil BsGW tegemoetkomen aan deze wettelijke
eisen,
er
investeringen
gedaan
moeten
worden
in
specifieke
software
en
gegevensuitwisseling (€ 250.000, -), naast uitbreiding van capaciteit met minimaal 1 fte. Overigens kan dit niet los gezien worden van de waarschijnlijk positieve impact op de (gemeentelijke) schuldhulpverlening.
38
Gezien het maatschappelijke belang is BsGW voornemens om in overleg te gaan met de individuele deelnemers. Lagere opbrengst vervolgingskosten en invorderingsrente Als gevolg van COVID-19 zijn in 2020 op verzoek van de deelnemers van BsGW verschillende maatregelen genomen om met name de ondernemers, die zijn getroffen door deze pandemie, te ontzien, zoals: -
kosteloze betalingsherinnering,
-
coulance met betrekking tot aanvraag betalingsregeling,
-
lage invorderingsrente (0,01% in plaats van 4%).
Dit heeft geresulteerd in lagere opbrengst vervolgingskosten en invorderingsrente in 2020 en naar verwachting ook 2021. Gedurende de periode maart 2020 tot en met 31 december 2021 is de invorderingsrente verlaagd van 4% naar 0,01%. De invorderingsrente gaat met ingang van 31 december 2021 stapsgewijs terug naar het oude niveau. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wordt het percentage invorderingsrente per 1 januari 2022 op 1% vastgesteld, per 1 juli 2022 op 2%, per 1 januari 2023 op 3% en per 1 januari 2024 op 4%. Verruiming gemeentelijk belastinggebied Door de recente decentralisaties vanuit het Rijk, is het taakveld van de gemeenten aanzienlijk toegenomen. De financiële ruimte (lees: het belastinggebied), die gemeenten krijgen, is daarentegen niet mee ontwikkeld. Tijdens het debat over de inning door de Belastingdienst op 21 juni 2018 heeft de toenmalige staatssecretaris van Financiën aangegeven verbeteringen in het belastingstelsel in kaart te brengen voor de volgende kabinetsperiode. Het doel was om begin 2020 concrete bouwstenen en voorstellen voor verbeteringen en vereenvoudigingen van het stelsel te bewerkstelligen. Naast schuiven tussen grondslagen en tarieven op rijksniveau, zou een verschuiving naar een ruimer gemeentelijk belastinggebied ook tot de mogelijkheden behoren.
Hoewel een wezenlijke wijziging dan wel toevoeging van belastingsoorten vergaande gevolgen kan hebben voor de bestaande processen binnen BsGW en zelfs voor de kostenverdeelmethode, is een dergelijke wijziging op korte termijn niet te verwachten. De demissionaire status van het kabinet in combinatie met de uitloop van de vorming van een nieuw kabinet komt onderhavig proces niet ten goede. Omgevingswet Met de Omgevingswet wil de overheid de regels voor ruimtelijke ontwikkeling vereenvoudigen en samenvoegen. De vereenvoudiging heeft ook tot gevolg dat er meer vergunningsvrij gebouwd of verbouwd kan worden. BsGW zal hierdoor minder informatie over wijzigingen in de leefomgeving kunnen halen uit vergunningen en meldingen. Teneinde deze veranderingen te kunnen faciliteren, wordt het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) opgezet en stapsgewijs ontwikkeld. Het DSO dient per 2024 volledig operationeel te zijn. BsGW raadpleegt momenteel andere bronnen zoals bijvoorbeeld luchtfotovergelijking. BsGW voorziet dan ook dat de verwerking van de vergunningsvrije bouwmutaties arbeidsintensiever is dan de huidige
39
werkwijze,
zeker
in
de
overgangsperiode.
In
het
kader
van
het
project
waarderen
op
gebruiksoppervlakte heeft er een nul-meting/mutatiedetectie plaatsgevonden waardoor deze mutaties in beeld worden gebracht. Voor de toekomst zullen hierover afspraken gemaakt dienen te worden. Een en ander ligt in lijn met de beheerfase van het project waarderen op gebruiksoppervlakte én in het verlengde van de Samenhangende Objecten Registratie (zie hieronder). Samenwerking / nieuwe deelnemers in BsGW Schaalvergroting op het gebied van belastingheffing en invordering heeft zowel financieel als qua kwaliteit van de dienstverlening een heel direct effect. Waterschap Limburg en 29 Limburgse gemeenten zijn onderdeel van de samenwerking. Slechts twee gemeenten in het werkgebied van BsGW zijn geen deelnemer. Eventuele groei heeft dan ook geen groot toekomstig (financieel) effect voor de zittende deelnemers. Samenhangende Objecten Registratie (SOR) Een samenhangende objectenregistratie (SOR) is een uniforme registratie met daarin basisgegevens over objecten in de fysieke werkelijkheid die zich voor gebruikers als één registratie gedraagt. Daaronder verstaan we objecten die in het terrein zichtbaar zijn, zoals gebouwen, wegen, water, spoorlijnen
en
bomen,
terreindelen,
aangevuld
met
enkele
(administratieve)
objecten
als
woonplaatsen, gemeentegrenzen en openbare ruimten. In de objectenregistratie gaan in ieder geval de objecten van de basisregistratie adressen en gebouwen (BAG) en de basisregistratie grootschalige topografie (BGT) op. Daarnaast is het de bedoeling dat ook het gedeelte van de WOZ-administratie waarin objectgegevens zijn opgenomen en een aantal basisgegevens uit aanpalende registraties in de objectenregistratie worden opgenomen. Ook het project waarderen op gebruiksoppervlakte toont aan dat de WOZ-data alleen in samenhang met de BGT en de BAG kan plaatsvinden. Naast de ketenprocessen met betrekking tot bouw- en sloopvergunningen, is jaarlijkse mutatiedetectie op basis van luchtfoto’s en puntenwolken noodzakelijk om de administratieve en geometrische data actueel en in lijn te houden. Kortom, de trigger van de beheerprocessen van WOZ, BAG en BGT zijn vaak hetzelfde. Het is dan ook het onderzoeken waard of dit niet centraal belegd zou moeten worden. De ontwikkeling naar een SOR heeft gevolgen voor zowel BsGW als voor haar deelnemers en aan de deelnemers gelieerde partijen, zoals gegevenshuizen. Het is inefficiënt en onwenselijk om op meerdere plaatsen dezelfde of nagenoeg dezelfde gegevens te verzamelen en te verwerken. Dit staat immers haaks op de doelstelling van juist één unieke registratie.
In juni 2020 heeft het Dagelijks Bestuur aangegeven een businesscase op te laten stellen door een onafhankelijk adviesbureau
met
betrekking
tot de
vraag
waar en
hoe
de
samenhangende
objectenregistratie voor de deelnemers het beste belegd kan worden. De kosten voor het uitvoeren van de businesscase zullen binnen de begroting van BsGW opgevangen worden dan wel (afhankelijk van de vervolgstappen voortvloeiend uit deze businesscase) worden opgenomen in een projectbegroting.
40
Het is evenwel de vraag of de beoogde ingangsdatum van 1 januari 2025 van de SOR realistisch is. Op nationaal niveau is in grote mate overeenstemming over de inhoud en architectuur van de SOR. Dat geldt evenwel niet voor de governance en financiering van de implementatie en het beheer van de SOR. Ook hier spelen de demissionaire status van het kabinet, de uitloop van de vorming van een nieuw kabinet én de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen het proces parten. Uit oogpunt van zekerheid en continuïteit wordt het regieportaal begrotingstechnisch ook voor de jaren 2025 tot en met 2027 gecontinueerd. Alle projectmatige activiteiten met betrekking tot de SOR zijn in dit kader tot nader order opgeschort. Dit ook om onnodige projectkosten (o.a. de inzet van Berenschot) te voorkomen. Unie van Waterschappen: onderzoek houdbaarheid belastingstelsel De Commissie Aanpassing Belastingstelsel (CAB) van de Unie van Waterschappen onderzoekt of het huidige belastingstelsel van de waterschappen op de middellange termijn houdbaar is. In mei 2018 is het definitieve rapport van de commissie opgeleverd, met voorstellen tot wijziging van de waterschapsbelastingen. Een nieuw belastingstelsel voor de waterschappen gebaseerd op het principe ‘de vervuiler betaalt en de gebruiker betaalt’.
Op basis van de bevindingen van de commissie heeft het Uniebestuur in juni 2018 een voorstel voor een nieuw belastingstelsel voorgelegd aan de waterschappen. In de ledenvergadering van de Unie van Waterschappen van 13 december 2019 is besloten dat het traject om tot een aanpassing van het belastingstelsel van de waterschappen te komen een vervolg krijgt. Er zijn momenteel enkele voorstellen tot aanpassing van de watersysteemheffing opgesteld en naar het ministerie gestuurd, hetgeen uiteindelijk zal moeten leiden tot een wetswijziging. Daarna moet e.e.a. in de verordeningen worden verwerkt. Schatting is dat voornoemde pas voor het eerst in werking treedt voor de feitelijke heffing belastingjaar 2025. Waardering zonnepanelen voor de WOZ-waarde Bij de behandeling van het Belastingplan 2019 is de regering bij motie (kamerleden Lodders/Van Weyenberg) verzocht een voorstel te ontwikkelen waarmee zonnepanelen standaard buiten de OZB gehouden
worden
(vrijstelling).
Daarbij
werd
gevraagd
te
onderzoeken
hoe
vormen
van
verduurzaming in de toekomst niet ontmoedigd worden door hogere lokale lasten. Minister Ollongren geeft in een brief van 14 januari 2021 aan de Tweede Kamer aan, dat een wettelijke belastingvrijstelling via de OZB of de WOZ de nodige uitvoeringsproblemen kent. Een subsidie of ‘groene’ heffingskorting is volgens haar een betere oplossing. Op 22 juli 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het ministerie van BZK, een aantal gemeenten en de VNG. Daaruit blijkt dat gemeenten hier het subsidie-instrument desgewenst al langer en naar tevredenheid gebruiken. Er is bij gemeenten geen behoefte aan aanvullende maatregelen. Vergroening belastingen Er is momenteel veel aandacht voor het vergroenen van belastingen. Te denken valt hierbij aan begunstigend beleid voor het vaststellen van belastingtarieven indien belanghebbenden maatregelen treffen om bij te dragen aan een beter milieu. Concrete ideeën hierin zijn minder rioolbelasting indien tuinen worden vergroend door bestrating achter wege te laten en het afkoppelen van regenwaterafvoer op het riool.
41
Indien deelnemers verordeningen hierop willen aanpassen, is het raadzaam om al in een vroeg stadium aandacht te hebben voor het – in samenwerking met BsGW - in kaart brengen van de (financiële) haalbaarheid en uitvoerbaarheid van deze maatregelen. Het hiervoor genoemde standaardisatietraject mag hierbij niet uit het oog worden verloren. Voor dit moment is het aan te bevelen om in de betreffende verordeningen nog niets vast te leggen met
betrekking
tot
maatregelen
die
de
duurzaamheid
bevorderen.
Er
heerst
nog
te
veel
onduidelijkheid. BsGW adviseert gemeenten om burgers en bedrijven op een andere manier tegemoet te komen indien deze energiebesparende maatregelen nemen. Wanneer nu nog niets in de verordeningen opgenomen wordt kunnen extra bezwaren/beroepen en de mogelijk daarmee samenhangende proceskosten voorkomen worden. Wordt er wel iets vastgelegd in de verordeningen, dan kan er voor beroepsmatig gemachtigden, die zich gespecialiseerd hebben in het voeren van procedures tegen WOZ-waarden, een vruchtbaar klimaat ontstaan. Amendement Omtzigt: verruimde tariefdifferentiatie OZB Door een aangenomen amendement (14-11-2018) van kamerlid Omtzigt op het Belastingplan 2019 hebben gemeenten de vrijheid gekregen om voor sportaccommodaties, dorpshuizen en andere 'instellingen van sociaal belang' het woningtarief voor de OZB te rekenen in plaats van het vaak hogere tarief voor niet-woningen. Deze voorgestelde wetswijzing roept veel vragen op die niet eenvoudig te beantwoorden zijn. Het is namelijk de vraag of de toepassing van het lagere OZB-tarief wel het juiste middel is ter ondersteuning, gelet op de uitvoerbaarheid en mogelijke rechtsongelijkheid die door de maatregel ontstaat. Te meer er ook andere mogelijkheden beschikbaar zijn zoals het verstrekken van een subsidie.
Naar aanleiding van de vragen die hierover zijn gesteld en de reactie van de Minister geeft de VNG aan dat de mogelijkheid bestaat dat er een wetswijziging nodig is om een einde te maken aan de onduidelijkheid. Dit traject heeft een doorlooptijd van ongeveer 2 jaar. Het toepassen van tariefdifferentiatie brengt namelijk financiële risico’s met zich mee en kan leiden tot juridische procedures. Omdat de risico’s thans niet goed te overzien zijn, adviseert de VNG te wachten met het toepassen van tariefdifferentiatie tot de gewenste duidelijkheid er is. Minister Ollongren (BZK) heeft de vragen beantwoord en zij gaat met de VNG op zoek naar mogelijke en wenselijke oplossingen. Dit gebeurt op basis van een inventarisatie van de VNG van de door gemeenten ervaren knelpunten. Feit blijft dat zolang de betreffende wetgeving aan de voorzijde niet wordt afgedicht het risico op een substantieel aantal gerechtelijke procedures en proceskostenvergoedingen hoog is. Op 22 juli 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het ministerie van BZK, de VNG en een aantal gemeenten. Daaruit blijkt dat gemeenten hier het subsidie-instrument desgewenst al langer en naar tevredenheid gebruiken. Er is bij gemeenten geen behoefte aan aanvullende maatregelen.
42
Wet modernisering elektronisch berichtenverkeer Op 1-1-2023 zal de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer in werking treden. Het wetsvoorstel geeft de burger recht om elektronisch berichten aan een bestuursorgaan te zenden op een door het bestuursorgaan bepaalde wijze. Voor BsGW betekent dit dat BsGW haar klanten meer opties moet bieden in de keuze van welk klantkanaal men gebruik wenst te maken. Daartoe dient een verdere digitalisering van in– en uitgaande documentstromen mogelijk te worden gemaakt. Bij het schrijven van deze Kadernota is BsGW bezig met nadere verkenningen. In dit kader krijgen marktpartijen de gelegenheid om hun meerwaarde te presenteren. Hierbij wordt ook gebruik van ervaringen van collega-samenwerkingsverbanden. Het is in dit stadium nog niet mogelijk om een kostenvergelijking (meerkosten digitalisering vs. minderkosten formatie-inzet) op te stellen.
43