Getekend voorstel en besluiten diverse belastingverordeningen
Tekst van het document
bouwkosten: Met een minimum van: En een maximum van:
0,2% € 50,00 € 4.000,00
b. Voor een advies van de gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in de "Verordening Gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Bergen (L)" in andere gevallen dan bedoeld in onderdeel a, dan wel van externe adviserende commissies of bureaus, worden de gefactureerde kosten doorberekend. c. voor een advies in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen a tot en met b: het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld. 2. Als een begroting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is uitgebracht, wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. Artikel 2.51 Instemming 1. Onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, als een aanvraag om een omgevingsvergunning of een ander besluit op grond van de Omgevingswet betrekking heeft op een activiteit waarvoor de beslissing op de aanvraag op grond van artikel 16.16 van de Omgevingswet instemming behoeft van een bestuursorgaan: a.
als een ander bestuursorgaan moet besluiten over de instemming: het bedrag dat dit bestuursorgaan aan rechten zou heffen als het voor de activiteit waarvoor instemming wordt verzocht zelf bevoegd gezag zou zijn. 2. Het bedrag bedoeld in het eerste lid, wordt voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag aan de aanvrager meegedeeld. De aanvraag wordt dan in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop het verschuldigde bedrag aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken.
Paragraaf 2.13 Vermindering Artikel 2.52 Vermindering na omgevingsoverleg 1. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning is voorafgegaan door een aanvraag om omgevingsoverleg als bedoeld in artikel 2.4, kan onder de in het tweede lid genoemde voorwaarden, het legesbedrag van de aanvraag om omgevingsoverleg worden verrekend met de leges voor de aanvraag om omgevingsvergunning. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de aanvraag om een omgevingsvergunning gedaan: a. voor dezelfde activiteit of activiteiten als waarop het omgevingsoverleg betrekking had; b. in overeenstemming met de uitkomsten van het omgevingsoverleg; en c. binnen 12 maanden na het laatste omgevingsoverleg of, als het omgevingsoverleg volgens afspraak leidt tot een kennisgeving aan de aanvra er, na de dagtekening van de kennisgeving. 3. Bij intrekking van de aanvraag voor omgevingsoverleg is in ieder geval verschuldi d:
100%
50%
Pagina 19 van 26
Artikel 2.53 Vermindering bij meervoudige aanvraag (gereserveerd)
Paragraaf 2.14 Teruggaaf Artikel 2.54 Teruggaaf bij aanvraag en oordeel geen omgevingsvergunning nodig Als het college van burgemeester en wethouders op grond van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning oordeelt dat voor de voorgenomen activiteit geen omgevingsvergunning is vereist, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is gedaan verschuldigde leges.
85%
(Artikel 2.55 Teruggaaf als aanvraag verder buiten behandeling wordt gelaten Als na toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht een aanvraag buiten behandeling wordt gelaten, bestaat aanspraak op teruggaaf. De teruggaaf bedraagt: van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is gedaan verschuldigde leges.
85%
Artikel 2.56 Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning en/ of maatwerkvoorschrift bij reguliere procedure Als een aanvrager zijn aanvraag om een omgevingsvergunning of aanvraag om een maatwerkvoorschrift op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is geheel of gedeeltelijk intrekt terwijl het college van burgemeester en wethouders daarover nog geen besluit heeft genomen, bestaat aans raak o• teruggaaf van een deel van de leges. De teru aaf bedraas t: a. bij gehele of gedeeltelijke intrekking binnen vier weken na de indiening van de aanvraag: van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges; b. bij gehele of gedeeltelijke intrekking op een tijdstip vanaf vier weken tot acht weken na de indiening van de aanvraag: van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges;
50%
20%
Artikel 2.57 Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning en1 of maatwerkvoorschrift bij uitgebreide voorbereidingsprocedure Als een aanvrager zijn aanvraag om een omgevingsvergunning of aanvraag om een maatwerkvoorschrift op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is geheel of gedeeltelijk intrekt terwijl het college van burgemeester en wethouders daarover nog geen besluit heeft genomen, bestaat aanspraak op teruggaat van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: a. bij gehele of gedeeltelijke intrekking binnen vijf weken na de indiening van de aanvraag: van de voor de activiteit waarvoor de aanvraa• is ingetrokken verschuldigde lees; b. bij gehele of gedeeltelijke intrekking op een tijdstip vanaf zes weken tot achttien weken na de indiening van de aanvraag: van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges; c. bij gehele of gedeeltelijke intrekking op een tijdstip vanaf achttien weken na de indiening van de aanvraag: van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges.
75%
50%
25%
Artikel 2.58 Teruggaaf als gevolg van intrekking verleende omgevingsvergunning voor bouw- of milieubelastende activiteiten Als het college van burgemeester en wethouders een verleende omgevingsvergunning voor een bouw- of milieubelastende activiteit intrekt op aanvraag van de vergunninghouder, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges, mits deze aanvraag is ingediend binnen achttien weken na verlening van de vergunning en
50%
Pagina 20 van 26
van de vergunning geen gebruik is gemaakt. De teruggaaf bedraagt: van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges. Artikel 2.59 Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor bouw- of milieubelastende activiteiten a. Als het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning voor een bouw- of milieubelastende activiteit weigert, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: van de voor de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is geweigerd verschuldigde leges. b. Onder een weigering bedoeld in onderdeel a wordt mede verstaan een vernietiging van de beschikking waarbij de vergunning is verleend bij rechterlijke uitspraak.
50%
Artikel 2.60 Geen teruggaaf legesdeel modaliteiten in afwijking van de voorgaande artikelen van deze paragraaf wordt geen teruggaaf verleend van het legesdeel dat betrekking heeft op de modaliteiten genoemd in paragraaf 2.12. Artikel 2.61 Minimumbedrag voor teruggaaf Een bedrag minder dan € 25 wordt niet teruggeven.
Pagina 21 van 26
HOOFDSTUK 3 DIENSTVERLENING VALLEND ONDER DE DIENSTENRICHTLIJN EN NIET VALLEND ONDER HOOFDSTUK 2 Paragraaf 3.1 Horeca Artikel 3.1 Exploitatie openbare inrichting Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van: a. een aanvraag om een vergunning tot het exploiteren van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening:
€ 315,00
b. een aanvraag om een ontheffing van de sluitingstijd voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:29, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening:
€ 48,00
Artikel 3.2 Uitoefenen horeca- of slijtersbedrijf Het tarief bedras t voor het in behandelin nemen van: a. een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 3 van de Alcoholwet:
€ 275,00
b. een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Alcoholwet:
€ 77,00
c. een melding als bedoeld in artikel 30 van de Alcoholwet:
€ 109,00
d. een aanvraag om wijziging van het aanhangsel als bedoeld in artikel 30a, tweede lid, van de Alcoholwet: € 38,00 € 77,00.
e. een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Alcoholwet:
Paragraaf 3.2 Seksbedrijven (gereserveerd) Artikel 3.3 Vergunning seksbedrijf (gereserveerd) Artikel 3.4 Wijzigen vergunning seksbedrijf (gereserveerd)
Paragraaf 3.3 Winkeltijdenwet Artikel 3.5 Ontheffing winkeltijden (gereserveerd)
Paragraaf 3.4 Organiseren evenement of markt Artikel 3.6 Organiseren evenement Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning voor het organiseren van een evenement als bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening (evenementenvergunning), als het betreft: a. Melding
€
0,00
b. ,A-evenement = klein evenement
€ 38,00
c. B-evenement = middelgroot evenement
€ 85,00
d. C-evenement = groot evenement
€ 113,00
Indien stroom wordt afgenomen van de gemeente wordt het tarief vermeerderd met € e. 20,00 per dag. In afwijking van artikel 1, onder a, worden de uren tussen middernacht tot 8.00 uur van de daaropvolgende dag toegerekend aan de vorige dag.
Pagina 22 van 26
Artikel 3.7 Organiseren markt (gereserveerd)
Paragraaf 3.5 Standplaatsen Artikel 3.8 Marktstandplaatsvergunningen en andere vergunningen op markt 1. Het tarief bedraat voor het in behandelin• nemen van een aanvraa• om: a. tot het verkrijgen of verlengen van een vergunning als bedoeld in artikel 5:15 van de VFL Bergen (L) 2022 i€ 78,00 b.
ot het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 5:15 van de VFL Bergen (L) 2022 € 78,00
Artikel 3.9 Overige administratieve dienstverlening markt Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraa• om: overschrijving van een vaste-standpiaatsvergunning op naam van een ander als bedoeld in artikel 5:20 van de VFL Bergen (L) 2022:
€ 78,00
b. toestemming met vervanging van de vergunninghouder artikel 5:20 van de VFL Bergen L 2022: € 78,00 Artikel 3.10 Losse standplaatsen Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning voor het innemen of hebben van een standplaats, bedoeld in artikel 5:17 van de VFL Beren (L) 2022:
€ 78,00
Paragraaf 3.6 Gereserveerd Artikel 3.11 (gereserveerd) Artikel 3.12 (gereserveerd) Artikel 3.13 (gereserveerd) Artikel 3.14 (gereserveerd) Artikel 3.15 (gereserveerd) Artikel 3.16 (gereserveerd) Artikel 3.17 (gereserveerd)
Paragraaf 3.7 In dit hoofdstuk niet benoemd besluit Artikel 3.18 Niet benoemd besluit op aanvraag Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een andere, in dit hoofdstuk niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikking: € 100,00
Pagina 23 van 26
BIJLAGE TABEL NORM (BOUW)KOSTEN
Gemeente Bergen-L Berekening bouwkosten. 2024
phirdeehheid
totaal in €, ex 1. BTW
EE
418,00 514,00
418,00 514,00
E EE EEE
373,00 516,00 418,00 568,00 516,00 671 00
373,00 516,00 418,00 568,00 516,00 671,00
215,00 290,00 154,00 1.557,00 431,00 193,00
215,00 290,00 154,00 1357,00 431,00 193,00
re re rh
1.877,00 1.627,00 1.971,00
t877,00 1.627,00 1.971,00
ti
EEE
1.762,00 1.602,00 2.434,00
1.762,00 1.602,00 2.434,00
EEE EE
Nr. Type
395,00 529,00 470,00 455,00 1.274 ,00
395,00 529,00 470,00 455,00 1.274,00
hoeveelheid eenheid
WOONGEBOUWEN Appartementen standaard Appartementen beter
S$
1 2
GRONDGEBONDEN WONINGEN
n •1 n
n n
Tussenwoning standaard Tussenwoning beter Half vrijstaand standaard Half vrijstaand beter Vrijstaand standaard Vrijstaand beter
8_8_8_8_88_
3 4 5 6 7 8
WONINGEN - AANVULLINGEN
n
E E EEEE
n rh hm. n re
Garage / berging (in m3) Kelder (onder nieuwbouw) (in m3) Carport / overkapping (in m2) Dakkapel h=1,6 m. (per m' breedte) Aanbouw tegen bestaande woning Gemetselde tuinmuur d=100 kolom= hoh 4000
8_88_8_88
9 10 11 12 13 14
BIJEENKOMSTGEBOUW (in m2)
EEE
888
15 Multifunctionele accommodatie 16 Café 1Restaurant 17 Hotel 1Motel GEZONDHEIDSZORGGEBOUW (in m2)
ti
8_8_8
18 Gezondheidscentrum 19 Woonzorgcentrum 20 Ziekenhuis INDUSTRIEEL GEBOUW_Ori m2)
ti n ti ti
Bedrijfshal, (basic 1, lowbudget) Bedrijfshal, < 2.500 m2 Bedrijfshal, > 2300 m2 < 10.000 m2 Bedrijfshal, > 10.000 m2 Toeslag kantoor tegen bedrijfshal
8_8_88 8_
21 22 23 24 25
pagina 1van 3
Pagina 24 van 26
Gemeente Bergen-L Berekening bouwkosten. 2024
Nr. Type 26 Toeslag kantoor inpandig in bedrijfshal
hoeveelheid eenheid prijskenheid Maai int. excl. BTW 1,00
m2
771,00
771,00
1,00 1,00
m2 m2
1.521.00 2.312,00
1.521,00 2.312,00
1,00 1,09
m2 m2
1.592,00 1.707,00
1.592,00 1.707,00
1,OD 1,00
rri2 m2
1.391,00 1707,00
1.391,00 1.707,00
1,0D 1,00 1,00
m2 m2 m2
1.013,00 837,00 1.637,00
1.013,00 837,00 1.637,00
1,00 1,00
m2 m2
423,00 1.088 ,00
423,00 1.088,00
1,OD 1,00 1,00
m2 m2 m2
706,00 922,00 1.399,00
706,00 922,00 1.399,00
1,0D
m2
49,00
49,00
1,0D 1,00 1,0D 1,00
m2 m2 m2 m2
195,00 234,00 195,00 89,00
195,00 234,00 195,00 89,00
KANTOORGEBOUWEN (in ni2) 27 Kantoor standaard 28 Kantoor beter ONDERWIJSGEBOUW (in m9 29 Basis- en bredeschool 30 Middelbare- en hogereschool SPORTGEBOUW (in m2) 31 Sporthal \gymzaal 32 Clubhuis (kleedlokalen + kantine) WINKELGEBOUW (in m=) 33 Doe-het-zelf hal \ meubelzaak \ supermarkt 34 Autogarage met showroom 35 Winkels PARKEERGARAGES (in m9 36 Parkeergarage bovengronds 37 Parkeergarage ondergronds PORTA KABINES (in m2) 38 Porta kabines lowbudget 39 Porta kabines afgewerkt 40 Woonwagen TOESLAGEN GEBOUWEN 41 Paalfundering in m2 bebouwd oppervlak AGRARISCH (in m9 42 43 44 45
Werktuigen loods Geisoleerd stal (pluimvee) Sterk geventileerde stal (rundvee\ varkens) Mestkelder
pagina '2 ,an 3
Pagina 25 van 26
Pagina 26 van 26
g emeent
e
.•1111, Besluit van de gemeenteraad
BE
R
CrEN
Limburg
Onderwerp Verordening onroerendezaakbelastingen 2024
De raad van de gemeente Bergen, Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2023; Gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet,
Besluit Vast te stellen de verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelastingen 2024.
Artikel 1
Belastingplicht
1.
Onder de naam `onroerendezaakbelastingen' worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenaren belasting;
2.
Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de gebruikgever); de gebruikgever, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker; b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld;
3.
Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 2
Voorwerp van de belasting
1. Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.
Pagina 1 van 4
2. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; 3. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 3 1.
2.
Maatstaf van heffing
De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1; Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4
Vrijstellingen
1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken. j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; I. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.
Pagina 2 van 4
2. De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht; 3.
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 5 Belastingtarieven 1.
Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting (niet woningen) 0,18716%; b. de eigenarenbelasting 1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,08729%; 2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,22422%.
2. 3.
Belastingbedragen van minder dan €5,00 worden niet geheven. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 6
Wijze van heffing
De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 7
Termijnen van betaling
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan € 20.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. 3. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 8 Inwerkingtreding en citeertitel 1.
De 'Verordening onroerendezaakbelastingen 2023 van 13 december 2022 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich "voor die datum hebben voorgedaan; 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking; 3. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2024; 4. Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening onroerendezaakbelastingen 2024'.
Pagina 3 van 4
Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van de gemeente Bergen van 12 december 2023.
De gri ier
I.C. v
M.H.E. Pelzer
Pagina 4 van 4
g emeent
Besluit van de gemeenteraad
e
••111111.• BERGEN Limburg
Onderwerp Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrecht 2024
De raad van de gemeente Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 31 oktober 2023; Gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer,
Besluit Vast te stellen de verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2024.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Inleidende bepaling Krachtens deze verordening worden geheven: a. een afvalstoffenheffing; b. reinigingsrechten Artikel 2 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: 1. 'gebruik maken'in hoofdstuk II Afvalstoffenheffing: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet Milieubeheer 2. Minicontainer: de vanwege de gemeente uitgezette ophaalbak met een bepaald volume; 3. Gft-afval: groente-, fruit- en tuinafval; 4. Restafval: huishoudelijk afval niet zijnde gft-afval; 5. Grof huishoudelijk afval: huishoudelijke afvalstoffen die met enige regelmaat in een particulier huishouden vrijkomen, doch die te groot of te zwaar zijn om op dezelfde wijze als andere huishoudelijke afvalstoffen aan de periodieke inzameldienst te worden aangeboden; 6. Grof tuinafval: tuinafval dat met enige regelmaat in een particulier huishouden vrijkomt, doch dat te groot of te zwaar is om dezelfde wijze als gft-afval aan de periodieke inzameldienst te worden aangeboden; 7. Gft-bedrijfsafval: gft-afval afkomstig van bedrijven en instellingen, dat aan de periodieke inzameldienst in minicontainers wordt aangeboden en tegelijkertijd met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen kan worden meegenomen; 8.
Bedrijfsafval: afvalstoffen afkomstig van bedrijven en instellingen, niet zijnde gftbedrijfsafval, die naar aard, omvang en samenstelling gelijk zijn te stellen aan huishoudelijke afvalstoffen, die aan de periodieke inzameldienst in minicontainers worden
Pagina 1 van 8
aangeboden en tegelijkertijd met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden meegenomen.
Hoofdstuk 2 Afvalstoffenheffing
Artikel 3 Aard van de belasting en belastbaar feit 1. 2.
Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1. 2.
Voorwerp van de belasting is een perceel. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; C. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren. e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5 Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel. Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel 6 a Reductie heffing medisch afval 1. De belastingplichtige als bedoeld in artikel 5 komt in aanmerking voor vermindering van de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1, lid 1.2.1.4 t/m lid 1.2.1.8 van de bij deze verordening behorende tarieventabel, indien de belastingplichtige als gevolg van chronische ziekte of handicap dan wel chronische ziekte of handicap van personen die behoren tot zijn of haar huishouden, extra afval moet aanbieden aan de gemeentelijke inzameldienst. 2. De in het eerste lid bedoelde vermindering bedraagt 60% van de totaal verschuldigde belasting als gevolg van het aantal aangeboden ledigingen restafval per belastingjaar. 3. De belastingplichtige die in aanmerking wil komen voor vermindering op grond van het eerste lid, dient hiervoor een verzoek bij de heffingsambtenaar van de gemeente.
Bij dit verzoek dient een schriftelijke verklaring van de huisarts of medisch specialist te worden overlegd, waaruit blijkt dat als gevolg van een chronische ziekte of handicap extra afval wordt aangeboden. 4. De berekening van de vermindering als bedoeld in het eerste en tweede lid vindt plaats na afloop van het betreffende belastingjaar. 5. Er wordt slechts één vermindering per huishouden verleend. Artikel 7 Belastingjaar Pagina 2 van 8
Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingtijdvak gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing 1. 2.
De belasting bedoeld in de hoofdstukken 1.1 en 1.2.1 van de tarieventabel wordt bij wege van aanslag geheven; De belasting bedoeld in de hoofdstukken 1.2.2 en 1.3 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving. Het gevorderde bedrag wordt mondeling dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingtijdvak, of zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht; 2. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.2. onderdelen 1.2.1 tot met 1.2.1.8 van de tarieventabel is verschuldigd na afloop van het belastingtijdvak, of zo dit eerder is na beëindiging van de belastingplicht; 3. De belasting als bedoeld in de hoofdstuk 1.2.2 en 1.3 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening; 4. Indien de belastingplicht, als bedoeld in het eerste lid, in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat belastingjaar verschuldigde belasting als er in dat belastingjaar na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven; 5. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat belastingjaar verschuldigde belasting als er in dat belastingjaar, na beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven; 6.
Het vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt. 7. Voor de hoofdstukken 1.1. en 1.2 van de tarieventabel geldt dat belastingbedragen van minder dan € 5,00 niet worden geheven. 8. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 10 Termijnen van betaling 1.
2.
3.
4.
5.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten aanslagen, bedoeld in de hoofdstukken 1.1. en 1.2.1 van de tarieventabel, worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan € 20.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. De belasting bedoelt in de hoofdstukken 1.2.2 en 1.3 moet worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 8, tweede lid: a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.
Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Pagina 3 van 8
Hoofdstuk 3 Reinigingsrechten Artikel 11 Belastbaar feit Onder de naam 'reinigingsrechten' worden rechten geheven zowel voor het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn. Artikel 12 Belastingplicht De reinigingsrechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt. Artikel 13 Maatstaf van heffing en belastingtarief De reinigingsrechten worden geheven aan de hand van en naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel 14 Belastingjaar Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 15 Wijze van heffing 1. De belasting bedoeld in hoofdstuk 2.1 en 2.2 van de tarieventabel wordt bij wege van aanslag geheven; 2. De belasting bedoeld in hoofdstuk 2.3 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving. Het gevorderde bedrag wordt mondeling dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
Artikel 16 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. 2. 3. 4.
5.
6. 7.
Het recht bedoeld in hoofdstuk 2.1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht; De rechten als bedoeld in hoofdstuk 2.2 van de tarieventabel zijn verschuldigd na afloop van het belastingtijdvak, of zo dit eerder is na beëindiging van de belastingplicht; Het recht als bedoeld in hoofdstuk 2.3 van de tarieventabel is verschuldigd bij aanvang van de dienstverlening; Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is het recht als bedoeld in onderdeel 2.1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat belastingtijdvak verschuldigde recht als er in dat belastingtijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven; Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor het recht bedoeld in onderdeel 2.1 van de tarieventabel, voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven Voor de hoofdstukken 2.1. en 2.2. van de tarieventabel geldt dat belastingbedragen van minder dan € 5,00 niet worden geheven. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 17 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag, bedoeld in de hoofdstukken 2.1 en 2.2 van de tarieventabel, worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later.
Pagina 4 van 8
2.
3.
4.
5.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan € 20.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. In afwijking van de in voorgaande leden genoemde betaaltermijnen moet een aanslag bedoeld in hoofdstuk 2.3. ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 15, tweede lid: a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 18 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De 'Verordening Afvalstoffenheffing en Reinigingsheffingen 2023' van 13 december 2022 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan; 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van bekendmaking; 3. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2024; 4. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening Afvalstoffenheffing en Reinigingsrechten 2024'. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van d gemeente Bergen van 12 december 2023.
De griffier
De voorzitter
I.0 van
M.H.E. Pelzer
Pagina 5 van 8
Bijlage Tarieventabel behorende bij de Verordening Afvalstoffenheffingen en Reinigingsrechten 2024 Algemeen De bedragen genoemd in deze tabel zijn inclusief B.T.W. indien deze verschuldigd is. Tarieven tabel 2024 Hoofdstuk 1
Maatstaven en tarieven afvalstoffenheffing
Hoofdstuk 1.1 1.1.
Vastrecht afvalstoffenheffing De belasting bedraagt per perceel per belastingtijdvak
€ 119,63
Variabel tarief afvalstoffenheffing Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de belasting per lediging van een: Minicontainer van 25 liter, bestemd voor gft-afval Minicontainer van 80 liter, bestemd voor gft-afval Minicontainer van 140 liter, bestemd voor gft-afval Minicontainer van 40 liter, bestemd voor restafval Minicontainer van 80 liter, bestemd voor restafval Minicontainer van 140 liter, bestemd voor restafval Minicontainer van 240 liter, bestemd voor restafval Ondergrondse container afvalzak restafval 60 liter
€ 4,16 € 5,76 € 7,48 € 5,03 € 6,61 € 8,97 € 12,91 € 3,28
Hoofdstuk 1.2 1.2.1 1.2.1.1 1.2.1.2 1.2.1.3 1.2.1.4 1.2.1.5 1.2.1.6 1.2.1.7 1.2.1.8
1.2.2 1.2.2.1 1.2.2.2 1.2.2.3 1.2.2.4 1.2.2.5 1.2.2.6 1.2.2.7 1.2.2.8
Hoofdstuk 1.3. 1.3.1
1.3.1.1
Extra containers Voor de levering van een extra container bedraagt het tarief eenmalig per extra geplaatste container per levering voor een: Minicontainer van 25 liter, bestemd voor gft-afval Minicontainer van 40 liter, bestemd voor restafval Minicontainer van 80 liter, bestemd voor gft-afval Minicontainer van 80 liter, bestemd voor restafval Minicontainer van 140 liter, bestemd voor restafval Minicontainer van 240 liter, bestemd voor restafval Bij teruggave van de in hoofdstuk 1.2.2.1 t/m 1.2.2.6 genoemde container(s) wordt geen restitutie verleend Voor de in hoofdstuk 1.2.2.1 t/m 1.2.2.6 genoemde containers is hoofdstuk 1.2.1.1 t/m 1.2,1.7 eveneens van toepassing
Overige tarieven afvalstoffenheffing Onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken 1.1 en 1.2 bedraagt de belasting voor het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats: Indien het afval, hout, metalen, asbest (verpakt), autobanden (maximaal 4 stuks), dakleer, vloerbedekking, harde kunststoffen, droge matrassen en grofvuil betreft, per hoeveelheid van 2 m3 of gedeelte daarvan
Het aanbieden van grof tuinafval en/of snoeiafval tot een maximum van 4 m3 per aanbieding, papier en karton, glas/vlakglas, wit-en bruingoed, gasontladingslampen (tl- en spaarlampen), klein chemisch afval, PMD in de speciale
€ 26,90 € 27,70 € 35,55 € 35,55 € 32,75 € 37,95
€ 15,00
gratis
Pagina 6 van 8
1.3.1.2 1.3.1.3
1.3.1.4
1.3.1.5
1.3.1.6
Hoofdstuk 2.1 2.1. Hoofdstuk 2.2 2.2.1 2.2.1.1 2.2.1.2 2.2.1.3 2.2.1.4 2.2.1.5 2.2.1.6 2.2.1.7 Hoofdstuk 2.3. 2.3.1
2.3.1.1 2.3.1.2
zakken, Het aanbieden van autobanden zonder velg, met een maximum van vijf stuks per aanbieding Indien het puin en grond betreft, per 0,5m3 of gedeelte daarvan Indien het puin en grond betreft, aangeboden door nietinwoners van gemeente of door mensen die zich niet kunnen legitimeren, per 0,5 m3 of gedeelte daarvan Indien autobanden met velg aangeboden worden, per autoband. Indien meer dan vijf autobanden zonder velg worden aangeboden, per autoband Indien het overig huishoudelijk afval betreft met uitzondering van papier, karton, glas, vlakglas, wit- en bruingoed, klein chemisch afval, tetrapakken en textiel, per vuilniszak van 40 liter of een gedeelte daarvan Indien het afval betreft, aangeboden door niet-inwoners of door mensen die zich niet kunnen legitimeren, per hoeveelheid van 2 m3 of gedeelte daarvan
€ 15,00 € 37,50
€ 3,00 € 1,75
€ 37,50
Vastrecht reinigingsrecht Het recht bedraagt per bedrijfspand of zelfstandig gebruikt gedeelte daarvan per belastingtijdvak
€ 127,00
Variabel tarief reinigingsrecht Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2.1 bedraagt het recht per lediging van een: Minicontainer van 25 liter, bestemd voor gft-bedrijfsafval Minicontainer van 80 liter, bestemd voor gft-bedrijfsafval Minicontainer van 140 liter, bestemd voor gft-bedrijfsafval Minicontainer van 40 liter, bestemd voor bedrijfsafval Minicontainer van 80 liter, bestemd voor bedrijfsafval Minicontainer van 140 liter, bestemd voor bedrijfsafval Minicontainer van 240 liter, bestemd voor bedrijfsafval
€ 4,16 € 5,76 € 7,48 € 5,03 € 6,61 € 8,97 € 12,91
Overige tarieven reinigingsrechten Onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken 1.1 en 1.2 bedraagt de belasting voor het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats: Indien het afval, hout, metalen, asbest (verpakt), autobanden (maximaal 4 stuks), dakleer, vloerbedekking, harde kunststoffen, droge matrassen en grofvuil betreft, per hoeveelheid van 2 m3 of gedeelte daarvan Het aanbieden van grof tuinafval en/of snoeiafval tot een maximum van 4 m3 per aanbieding, papier en karton, glas/vlakglas, wit-en bruingoed, gasontladingslampen (tl- en spaarlampen), klein chemisch afval, PMD in de speciale zakken, Het aanbieden van autobanden zonder velg, met een maximum van vijf stuks per aanbieding Indien het puin en grond betreft, per 0,5m3 of gedeelte daarvan
€ 15,00
gratis
€ 15,00
Pagina 7 van 8
2.3.1.3
2.3.1.4
2.3.1.5
Indien het puin en grond betreft, aangeboden door nietinwoners van gemeente of door mensen die zich niet kunnen legitimeren, per 0,5 m3 of gedeelte daarvan Indien autobanden met velg aangeboden worden, per autoband. Indien meer dan vijf autobanden zonder velg worden aangeboden, per autoband Indien het overig huishoudelijk afval betreft met uitzondering van papier, karton, glas, vlakglas, wit- en bruingoed, klein chemisch afval, tetrapakken en textiel, per vuilniszak van 40 liter of een gedeelte daarvan
€ 37,50 € 3,00
€ 1,75
Behoort bij raadsbesluit van 12 december 2023 Griffier van de gemeente Bergen,
Pagina 8 van 8
gemeente
Besluit van de gemeenteraad Onderwerp:
BERGEN
Verordening rioolheffing 2024
De raad van de gemeente Bergen, gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2023; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2024 Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a. b.
gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater-, grondwater of oppervlaktewater.
Toelichting begrip gemeentelijke riolering: Het begrip gemeentelijke riolering is veel ruimer dan alleen de riolering op zich. Het gaat om alle voorzieningen die worden getroffen om te voldoen aan de wettelijke zorgplichten. Daaronder vallen onder andere rioleringspijpen en kolken, maar ook bijvoorbeeld voorzieningen tegen grondwateroverlast en individuele behandelingssystemen (iba's). Toelichting begrip water: Onder het begrip water vallen alle verschillende soorten water. In de zorgplichten van artikel 228a Gemeentewet worden meerdere waterbegrippen gebruikt die gebaseerd zijn op de herkomst van het water. De definities van de specifieke waterbegrippen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer of de Omgevingswet en behoeven in de verordening rioolheffing geen nadere toelichting. Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. b.
de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht De belasting wordt geheven: 1. van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.
99-3
2. Met betrekking tot de belasting wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1. 2.
Voorwerp van de belasting is een perceel. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5 Maatstaf van heffing De belasting bedoeld in artikel 2 wordt geheven naar een vast bedrag per perceel. Artikel 6 Belastingtarief Het tarief bedraagt € 281,12. Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Minimum aanslag 1. Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven. 2. Voor de toepassing van het vorig lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 10 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. 2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan € 20.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt.
99-4
2/3
3. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 11Kwijtschelding Bij de invordering van de rioolheffing wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De verordening rioolheffing 2023 van 13 december 2022, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2024. 4. Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening rioolheffing 2024'. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van de gemeente Bergen van 12 december 2023.
De voorzitter
99-4
g emeent
Besluit van de gemeenteraad
e
BERTEN
Onderwerp Verordening Verblijfsbelasting 2024
De raad van de gemeente Bergen, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2023; gelet op artikel 224 van de Gemeentewet;
Besluit Vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van verblijfsbelasting 2024. Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. vakantieonderkomens: woningen en andere verblijven, niet-zijnde mobiele kampeeronderkomens of stacaravans, in hoofdzaak bestemd voor en gebezigd als verblijf voor vakantie- en andere recreatieve doeleinden; b. mobiele kampeeronderkomens: tenten, vouwwagens, kampeerauto's, toercaravans, en soortgelijke onderkomens dan wel soortgelijke voertuigen welke bestemd zijn en gebezigd worden als verblijf voor vakantie en andere recreatieve doeleinden; c. vaste jaarplaats: een gehuurd terrein of terreingedeelte, gelegen op een kampeerterrein, dat bestemd is voor het gedurende een jaar hebben van een zelfde mobiel kampeeronderkomen, stacaravan of vakantieonderkomen, welke geen van allen volgtijdig worden gebruikt, en die doorgaans na afloop van het jaar niet worden verwijderd; d. seizoenplaats: een gehuurd terrein of terreingedeelte, gelegen op een kampeerterrein, waar gedurende het seizoen een zelfde mobiel kampeeronderkomen is geplaatst, dat niet volgtijdig wordt gebruikt en dat na afloop van het seizoen van de plaats wordt verwijderd; e.
toeristische plaats: een terrein of terreingedeelte, gelegen op een kampeerterrein, dat bestemd is voor steeds wisselende mobiele kampeeronderkomens gedurende het jaar of seizoen; f. kampeerterrein: een terrein dat geheel of nagenoeg geheel bestaat uit vakantieonderkomens en mobiele kampeeronderkomens en is bestemd om te worden gebruikt voor verblijfsrecreatie; g. qroepsaccommodatie: verblijven, bestemd voor en gebezigd als verblijf van groepen van tien of meer personen waarbij het gemeenschappelijk gebruik van sanitaire voorzieningen, keuken, verblijfsruimten en slaapzalen centraal staat; h. scoutinqkampeerterrein: een kampeerterrein zonder voorziening (ten hoogste waterpunt aanwezig), welk beheerd wordt door een door de gemeente aangestelde beheerder, en uitsluitend bedoeld voor primitief kamperen in groepsverband. Artikel 2. Belastbaar feit Onder de naam 'verblijfsbelasting' wordt een directe belasting geheven voor 1. het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven. 2.
het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, indien deze personen gedurende hun verblijf beroeps- of bedrijfsmatige werkzaamheden
Pagina 1 van 4
verrichten voor of in opdracht van anderen en het verblijf plaatsvindt op door de werkgever of opdrachtgever ter beschikking gestelde terreinen of in door de werkgever of opdrachtgever ter beschikking gestelde gebouwen. Artikel 3. Belastingplicht 1. Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot het houden van verblijf als bedoeld in artikel 2; 2. De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene, die verblijf houdt als bedoeld in artikel 2; 3. Indien met toepassing van het eerste lid geen belastingplichtige is aan te wijzen, is belastingplichtig degene die overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 verblijf houdt. 4. De belastingplichtige die gelegenheid biedt tot het houden van verblijf als bedoeld in artikel 2, in hem daartoe ter beschikking staande ruimten, dan wel ter beschikking staande terreinen kan ter zake van elk van die ruimten en/of terreinen afzonderlijk in de heffing worden betrokken. Artikel 4. Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven voor het verblijf: 1. van degene die verblijft in een instelling als bedoeld in artikel 4 van de Wet toetreding zorgaanbieders; 2.
van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, letters c, d, f, g, h, van voornoemde wet, en voor zover deze persoon verblijf houdt als bedoeld in artikel 2 van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers; 3. van degene die verblijf houdt in een gemeubileerde woning voor welk verblijf forensenbelasting is verschuldigd; 4. op vaartuigen voor welk verblijf waterverblijfsbelasting is verschuldigd; 5. in een groepsaccommodatie als bedoeld in artikel 1, letter g, en scoutingkampeerterreinen als bedoeld in artikel 1, letter h, indien in een georganiseerd verband gezamenlijk en in eenzelfde periode verblijf wordt gehouden door tien (10) of meer personen in de leeftijd onder de 18 jaar, welk verblijf plaatsvindt onder leiding c.q. begeleiding van een of meer personen boven de 18 jaar, waarbij het verblijf een educatief, religieus, sportief en/of scouting karakter heeft. Artikel 5. Maatstaf van heffing 1. De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen in het belastingjaar. Het aantal overnachtingen wordt gesteld op het aantal overnachtende personen vermenigvuldigd met het aantal nachten, dat zij verblijf houden. 2.
In afwijking van het eerste lid kan, op een bij de aangifte gedaan verzoek van de belastingplichtige, de belasting voor het houden van verblijf op vaste jaarplaatsen en seizoenplaatsen op een kampeerterrein door dezelfde persoon of personen naar vaste bedragen per standplaats worden geheven zoals weergegeven in artikel 6, lid 2. Artikel 6. Belastingtarief 1. Het tarief bedraagt, per persoon, per overnachting € 1,35. 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief indien verblijf wordt gehouden conform artikel 5, lid 2 op een: € 236,50; a. Vaste Jaarplaats € 200,00; b. Seizoenplaats Artikel 7. Belastingtijdvak Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Voorlopige aanslag 1. Na de aanvang van het belastingjaar kan aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag over dat jaar vermoedelijk zal worden vastgesteld. 2. De voorlopige aanslag, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald op 90% van het aantal overnachtingen gerealiseerd in het voorgaande belastingjaar maal het tarief.
Indien vóór het opleggen van de voorlopige aanslag aannemelijk is dat het aantal overnachtingen vermoedelijk lager zal zijn dan 90% van het aantal overnachtingen gerealiseerd in het voorgaande belastingjaar, wordt de voorlopige aanslag bepaald op het vermoedelijke aantal overnachtingen maal het tarief. 3. De voorlopige aanslag wordt met de definitieve aanslag verrekend.
Pagina 2 van 4
Artikel 10. Aanslaggrens 1. In Belastingaanslagen van minder dan € 5,00 worden niet geheven. 2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 11. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een voorlopige aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede een maand later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan € 20.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de voorlopige aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt 3. De overige aanslagen moeten worden betaald binnen één maand na dagtekening van het aanslagbiljet 4.
Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de voorgaande leden is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW); 5. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel gestelde termijnen. Artikel 12. Kwijtschelding Bij invordering van verblijfsbelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 13. Aanmeldingsplicht 1. De belastingplichtige bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden, voordat hij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verordening gelegenheid tot overnachten verschaft, zulks schriftelijk te melden aan de door het dagelijks bestuur van de BsGW aangewezen ambtenaar belast met de heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen als bedoeld in artikel 232, vierde lid sub a en b van de Gemeentewet. 2. De verplichting als bedoeld in het voorgaande lid geldt niet voor de belastingplichtige die met betrekking tot het jaar voorafgaand aan het belastingjaar in de heffing van de verblijfsbelasting betrokken is. Artikel 14. Registratieplicht 1. De belastingplichtige is verplicht per belastingjaar een verblijfsregister bij te houden. 2.
De vorm van het nachtverblijfregister is vrij, maar bevat tenminste met betrekking tot een ieder aan wie gelegenheid tot overnachten wordt verschaft, de volgende gegevens: a. naam, adres en woonplaats van de (hoofd)persoon die overnacht; b. aantal van het gezin of de groep waarmee men reist; c. datum van aankomst en datum van vertrek; d. het aantal overnachtingen ter zake waarvan belasting verschuldigd is. 3. De verplichting als bedoeld in de voorgaande leden geldt niet voor zover de belastingplichtige gebruik maakt van de vaste tarieven van de heffingsmaatstaf als bedoeld in artikel 6, lid 2 van deze verordening. In deze gevallen is de in het eerste lid genoemde verplichting beperkt tot de in het tweede lid onder sub a genoemde gegevens tezamen met de aanduiding (naam of nummer) van de standplaats waar wordt overnacht. Artikel 15. Aangifte 1. Het uitnodigen tot het doen van aangifte kan naast de op de in artikel 237, eerste lid, van de Gemeentewet aangegeven wijze geschieden door het uitreiken, toezenden of elektronisch verzenden van een aangiftebrief waaruit blijkt de wijze van het doen van elektronische aangifte, een omschrijving van de gevraagde gegevens of bescheiden en de termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan.