Catharina Wellerl. appt.4nov2025 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
De rijksoverheid ontwikkelt een landelijk toetsingskader voor endotoxinen. Dit toetsingskader is momenteel nog niet beschikbaar. Daarom heeft het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid (team van provincie Noord-Brabant, de GGD en verschillende Brabantse omgevingsdiensten en gemeenten) vooruitlopend op de ontwikkeling van een landelijk toetsingskader de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld.
Uit bijlage N: 'figuren overschrijdingsafstanden uit modelberekeningen' behorende bij het rapport ‘Emissies van endotoxinen uit de veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodellering’ van WUR (2016) (endotoxinerapport) valt af te lezen dat in de regio Noord-Limburg op een afstand van meer dan 550 meter gemeten vanuit welke intensieve veehouderijtak dan ook, geen overschrijding van de norm voor endotoxinen plaatsvindt.
Gelet op het feit dat binnen deze afstand van 550 m géén actieve intensieve veehouderij is gelegen en er binnen een afstand van 550 meter vanuit milieuoogpunt geen nieuwe intensieve veehouderijactiviteiten mogen worden ontplooid, is er geen belemmering te verwachten voor de realisatie van de appartementen.
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 3 8
5.1.4
Spuitzones
Rondom het projectgebied zijn agrarische percelen gesitueerd, die agrarisch (mogen) worden gebruikt voor het telen van gewassen. Akkerbouwgewassen en ook containerteelten worden beschermd door middel van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het toebrengen van deze middelen kan de spuitvloeistof ten gevolge van luchtstroming verplaatst worden naar omliggende percelen. Dit wordt 'drift' genoemd. Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een evenwichtige functietoedeling aan locaties een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6).
Dit brengt echter niet reeds met zich dat een kortere afstand in dit geval niet redelijk zou kunnen zijn. Dit hangt mede samen met de hoogte van de gewassen (hoe hoger, des te meer sprake er kan zijn van drift), windrichting, soort bestrijdingsmiddelen en frequentie van spuiten.
De heersende windrichting in de regio is zuid-west, zoals uit onderstaande gegevens van het KNMI blijkt:
Afbeelding: bron Klimaatviewer KNMI
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 3 9
Het projectgebied ligt niet binnen 50 meter van agrarisch gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. De omliggende agrarische gronden zijn slechts in gebruik als weilanden voor het beweiden van vee en in eigendom van initiatiefnemer. In de voorwaarden bij de omgevingsvergunning zal een bepaling worden opgenomen dat binnen 50 m rondom het projectgebied geen gebruik gemaakt mag worden van gewasbeschermingsmiddelen.
5.1.5
Gezondheidseffect project
Het onderhavige project gaat over de ontwikkeling van 24 nieuwe appartementen. De gezondheidseffecten hiervan zijn te verwaarlozen.
5.1.6
Conclusie
Vanuit de omgeving zijn er geen gezondheidsrisico's die een negatief effect hebben op het project. Het gezondheidseffect van het project zelf op de omgeving is te verwaarlozen.
5.2
Geluid door activiteiten
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.)
5.2.1
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
5.2.1.1 Wettelijk kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen;
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 4 0
het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Wanneer voor lokale wegen waarvan een geluidaandachtsgebied moet worden bepaald geen verkeersgegevens bekend zijn en van die wegen de verkeersintensiteit hoger kan zijn dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal, worden contouren bepaald met de volgende afstanden van de rand van de contour tot de weg: Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: ten minste 100 m; Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u: ten minste 200 m; en Voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: ten minste 350 m. 5.2.1.2 Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet dient gezorgd te worden voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit kan onder andere bereikt worden door: De ordening van de locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar; hierbij kan worden gedacht aan de afstand tussen een woning en een bedrijf. Het stellen van regels aan activiteiten op een locatie; hierbij kan worden gedacht aan normen voor geluidimmissies of preventieve maatregelen. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl.
5.2.1.3 Onderzoek Woningen zijn in artikel 3.21 Bkl aangewezen als geluidsgevoelige gebouwen met daarin geluidsgevoelige ruimten. Het projectgebied is deels georiënteerd op het doodlopende deel van de Catharinastraat, waar een maximumsnelheid van 30 km/uur is toegestaan en deels op de Rijksweg-Zuid (N271) waar de maximumsnelheid 80 km/uur bedraagt. Om te beoordelen wat de gevelbelasting van de nieuw te realiseren appartementen wordt, is op 17 september 2025 een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd door K-Plus. In de rapportage is het volgende geconcludeerd: ' De geluidbelasting ten gevolge van de gemeentewegen is maximaal 44 dB waarmee deze onder de standaardwaarde ligt. Het Besluit kwaliteit leefomgeving legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. N271
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 4 1
- De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de N271 is maximaal 62 dB. - De gemeente Bergen dient aan de hand van voorliggend onderzoek een afweging te maken om het geluid boven de standaardwaarde toe te staan. - In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd ter vervanging van een bestaand pand te midden van bestaande woningen. - Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee niet worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. Daarnaast worden de kosten voor dergelijke maatregelen geraamd op €120.000,(300 m * 8m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. - Het verder naar achteren verplaatsen van de woningen om de geluidbelasting verder te reduceren leidt er niet toe dat wordt voldaan aan de standaardwaarde. Zou de afstand tot de weg bijvoorbeeld worden verdubbeld, van 10 naar 20 meter, dan zal de geluidbelasting op de voorgevel met circa 3 dB afnemen, een verschil wat nauwelijks hoorbaar is.
Uit stedenbouwkundig oogpunt is het verder van de weg plaatsen niet wenselijk: de woningen zijn in aansluiting op de lintbebouwing reeds verder van de weg geplaatst dan de bestaande woningen. Zouden de woningen nog verder naar achteren worden verplaatst, dan komt de rooilijn van de nieuwbouw achter de achtergevel van de buren te liggen, wat ook in het kader van privacy niet wenselijk is. - Het plaatsen van scherm is akoestisch niet verder onderzocht. Om de geluidbelasting op de gevel te verlagen is een geheel gesloten scherm benodigd. Een geheel gesloten scherm is in de praktijk niet uitvoerbaar gezien de inritten van de woningen dan niet te bereiken zijn. Gecumuleerd geluid De maximale gecumuleerde geluidbelasting is 64 dB, dit is gelijk aan de maximale geluidbelasting van de bronsoort provinciale weg. Mede aan de hand van het gecumuleerde geluid kan het bevoegd gezag beoordelen of en in welke mate het verantwoord is de afwegingsruimte boven de standaardwaarde te benutten. Om een beoordeling van het gecumuleerd geluid te kunnen maken zou gebruik gemaakt kunnen worden de beoordeling geluidkwaliteit gecumuleerd geluid. Binnen deze methode wordt de optredende geluidbelasting ingedeeld in verschillende classificaties. In Tabel 6.1 is de methode opgenomen. Tabel 5.1: Beoordeling geluidkwaliteit gecumuleerd geluid
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 4 2
Figuur 5.1: Beoordeling geluidkwaliteit gecumuleerd geluid
Gezamenlijk geluid en Besluit bouwwerken leefomgeving Het gezamenlijk geluid is maximaal 64 dB. Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer de standaardwaarde wordt overschreden, moet voor de nieuwe woningen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil tussen het gezamenlijk geluid en 33 dB.'
Op basis van dit akoestisch onderzoek blijkt dat voor de appartementen extra geluidsisolerende maatregelen moeten worden getroffen. Het onderzoek is integraal opgenomen als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing.
5.2.1.4 Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.3
Kwaliteit van de buitenlucht
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.
5.3.1
Wettelijk kader
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 4 3
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Artikel 5.54. (standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit)van het Bkl geeft het volgende aan: Het toelaten van activiteiten leidt in ieder geval tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 µg/m3 of minder als bedoeld in artikel 5.53 voor zover het gaat om een verhoging als gevolg van het toelaten van: a. gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m2; of 2. twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige verkeersverdeling en een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 200.000 m2; b. gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; c.
zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: 1. één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of 2. twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties; d. het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1. niet-verwarmde kassen; of 2. verwarmde kassen niet groter dan 2 ha; e. het telen van gewassen in de open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving; f. het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om:
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 4 4
1. witloftrek; of 2. teelt van eetbare paddenstoelen; of g. het exploiteren van een spoorwegemplacement, bedoeld in artikel 3.295b van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het begin van de activiteit of een wijziging die leidt tot een toename van het aantal dieseltractie-uren van ten hoogste 7.500 per jaar.
5.3.2
Onderzoek
Het initiatief heeft betrekking op de ontwikkeling van 24 appartementen. Het verkeer dat wordt veroorzaakt is zo minimaal in vergelijking met een project van 1500 woningen dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, dat de impact van onderhavig initiatief verwaarloosbaar is en evenmin in betekenende mate effect heeft op de verslechtering van de luchtkwaliteit. De appartementen zijn echter ook objecten die moeten voldoen aan het blootstellingscriterium. In het kader van een evenwichtige functietoedeling dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het RIVM is de actuele concentratie PM10 in Wellerlooi tussen 10 en 15 µg/m3 en de concentratie NO2 schommelt rond de 10 µg/m3 . In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m3. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m3. De daggemiddelde norm van 50 µg/m³ voor PM10 mag maximaal 35 dagen per jaar overschreden worden en is voor PM10 belangrijker dan de jaargemiddelde norm van 40 µg/m3. De daggemiddelde norm komt overeen met ongeveer 32 µg/m3 jaargemiddeld (Bron: www.rivm.nl). Met een actuele waarde onder de 15 µg/m³ wordt bij nieuwe gevoelige ontwikkelingen, ook voor deze daggemiddelde norm voor PM10, ruimschoots aan deze lagere norm voldaan.
Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit goed te noemen.
5.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.4
Geur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.
5.4.1
Wettelijk kader
Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening; hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan | omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 4 5
gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan.
Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandeisen Randvoorwaarden
5.4.2
Onderzoek
De gemeente moet in een omgevingsplan en omgevingsvergunning rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) . In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet).
Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven Gebouwen met een woonfunctie zijn in ieder geval geurgevoelige gebouwen (artikel 5.91 Bkl). Paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan Bergen bepaalt dat de waarde voor geur ouE/m3 als 98-percentiel op een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet meer mag bedragen dan:
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 4 6
Voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactor geldt altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. In de omgeving van het projectgebied bevinden zich geen veehouderijen. Achtergrondbelasting en vaste afstanden In een straal van 1,5 km rondom het projectgebied liggen geen intensieve veehouderijen. De afstand van het projectgebied tot aan het bouwvlak van de meest nabijgelegen niet intensieve veehouderij bedraagt ruim 470 m (Kruisstraat 4 Wellerlooi); dit betreft een paardenhouderij waarvoor vaste afstanden gelden; deze vaste afstanden (100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom) worden ruimschoots gehaald. Tegenover het projectgebied worden, binnen de bestemming 'Wonen', ook paarden gehouden (Looierweg 2a); hiervoor wordt ervan uitgegaan dat dit een aan huis verbonden activiteit betreft, welke passend is tussen burgerwoningen in. Gesteld kan worden dat intensieve veehouderijen op deze grote afstand geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied voor wat betreft geur.
Omgekeerde werking In het kader van de omgekeerde werking levert dit project gezien het bovenstaande geen belemmeringen op voor de ontwikkeling van omliggende veehouderijbedrijven. Bestaande veehouderijen worden al beperkt door geurgevoelige objecten als woningen die dichterbij die veehouderijen zijn gelegen.
5.4.3
Conclusie
Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat dit project geen belemmeringen oplevert voor de ontwikkeling van veehouderijbedrijven en dat ter plaatse van het projectgebied voor wat betreft geur sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies. | omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 4 7
5.5
Bodem- en grondwaterkwaliteit
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.
5.5.1
Wettelijk kader
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in paragraaf 5.1.4.5 Bkl opgenomen. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
5.5.2
Onderzoek
Voor het realiseren van deze ontwikkeling zullen er grondroeringen plaatsen moeten vinden, dus is een bodemonderzoek verplicht.
Op 16 september 2025 heeft Aelmans het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierin is het volgende geconstateerd: "Zintuiglijk Ter plaatse van de zuidelijke oprit van de horecagelegenheid is een bijmenging met puin waargenomen. Bij de overige boringen rondom de horecagelegenheid is sporadisch een bijmenging met overwegend zuivere baksteen waargenomen, welke geen aanleiding geeft tot een onderzoek naar asbest. Door de eigenaar is aangegeven dat de aanwezige puinverhardingen ter plaatse van de zuidelijke oprit van de horecagelegenheid (ter plaatse van boring 111) en ter plaatse van de paardenweide (parkeerplaats, inrit en de oostzijde) in 2015 (recent voor de opening van Taste & Go) zijn aangelegd. Op basis van de leeftijd, ruimschoots na de ingang van het productbesluit asbest (2005), kunnen de verhardingslagen als onverdacht voor asbest worden beschouwd en is er geen aanleiding tot een verkennend onderzoek naar asbest.
Bovengrond
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 4 8
De baksteen-/puinhoudende grond rondom de horecagelegenheid is licht verontreinigd met PAK en minerale olie. Uit afzonderlijk onderzoek volgt dat de verontreiniging zich concentreert in de bovengrond van boring 108.
Ondergrond Het mengmonster van de onverdachte ondergrond is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht.
Grondwater Het grondwater is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht.
Beoordeling onderzoeksstrategie De, op basis van de voorinformatie, gehanteerde onderzoeksstrategie onverdacht dient voor de bovengrond formeel verworpen te worden en kan voor de ondergrond en het grondwater worden aangenomen op basis van de onderzoeksresultaten.
Beoordeling nader onderzoek / restricties Het aangetroffen gehalte aan PAK ter plaatse van boring 108 geeft aanleiding tot een nader onderzoek. Het doel van het nader onderzoek is het bepalen van de omvang van de verontreiniging (zowel horizontaal als verticaal). Voor het overige is maximaal sprake van lichte verhogingen. Gelet op de beperkte overschrijding van de norm voor landbouw/natuur voor de overige componenten, behoeven er ons inziens voor het overige geen restricties gesteld te worden aan de beoogde herontwikkeling van de locatie.
a. b. c.
d. e.
Aandachtspunten Het aangetroffen gehalte aan PAK ter plaatse van boring 108 geeft aanleiding tot een nader onderzoek Op basis van het nader veld- en laboratoriumonderzoek zal vermoedelijk rondom boring 108 een (kleinschalige) sanering noodzakelijk zijn. Eventueel elders op het terrein vrijkomende grond mag op de locatie worden hergebruikt. Indien grond van de locatie afgevoerd dient te worden, is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing: Vrijkomende grond die elders wordt hergebruikt, dient voorafgaand aan de toepassing, als een partij gekeurd te worden conform het BRL SIKB 1000 protocol 1001; Afvoer van de vrijkomende grond naar een erkende grondbank of verwerker is op basis van dit rapport eveneens mogelijk. Voor de afvoer van de grond naar elders zal een aanvullend onderzoek naar het voorkomen van PFAS noodzakelijk kunnen zijn. "
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 4 9
Onderhavige appartementen wordt ook gebouwd op grond waar sprake is van (lichte) verontreinigingen. Voor dit deel van de bodem (ter plaatse van boring 108) dient derhalve nader onderzoek te worden verricht. Het aanvullend onderzoek is verricht op 30 oktober 2025. Uit de analyse resultaten blijkt dat in de bovengrond op 1 meter afstand voor PAK wordt voldaan aan de kwaliteitsklasse wonen. Bij boorpunt 5 (vlak naast boorpunt 108) wordt voor de boven- en ondergrond voldaan aan de kwaliteitsklasse industrie. Dit betekent dat de geconstateerde sterke verontreiniging bij boorpunt 108 als puntverontreiniging mag worden beschouwd. Het betreft een hoeveelheid van maximaal enkele m³ grond. Concluderend kan daarom worden gesteld dat er geen belemmeringen zijn uit oogpunt van de chemische bodemgesteldheid, voor de voorgenomen realisatie van woningen op de locatie. Het aanvullend bodemonderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5.
5.5.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.6
Verkeer en parkeren
In deze paragraaf komt aan de orde hoe de verkeersafwikkeling plaats vindt en op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect parkeren.
5.6.1
(Wettelijk) kader
Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De activiteit dient getoetst te worden aan het gemeentelijk beleid. Op basis van de Nota Parkeernormen van de gemeente Bergen kan berekend worden hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. Op deze wijze kan worden aangetoond dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden.
5.6.2
Onderzoek
5.6.2.1 Verkeer De nieuwe woonfunctie zal leiden tot extra verkeersbewegingen van bewoners en bezoekers. In een schematisch overzicht ziet de toekomstige verkeersgeneratie op basis van de toekomstige 24 appartementen, uitgaande van de typering van de omgeving 'buitengebied', er als volgt uit: toekomstige bestemming
aantal
verkeersbewegingen per woning
Totaal
Burgerwoning
24
8
192
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 5 0
Uit dit overzicht blijkt dat het aantal verkeersbewegingen flink zal toenemen. Daar staat tegenover dat er geen verkeersbewegingen meer zullen zijn behorende bij het horecabedrijf Taste & Go. Aan een horecabedrijf zijn geen verkeerkencijfers gekoppeld, echter uitgaande van 14 benodigde parkeerplaatsen per 100 m2 BVO zou dit betekenen dat er bij 1800 m2 BVO 14x18=252 parkeerplaatsen benodigd zijn. Voor de verkeersgeneratie betekent dat 252 x 2 verkeersbewegingen maakt 504 verkeersbewegingen. Onderhavig initiatief heeft derhalve meer dan een halvering van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg.
De Catharinastraat wordt niet rechtstreeks ontsloten op de Rijksweg-Zuid. Bewonersverkeer zal via het doorgaande deel van de Catharinastraat moeten rijden voor de aansluiting op de Rijksweg-Zuid. De nabij het projectgebied (op minder dan 350 meter) gelegen bushaltes 'Wellerlooi, Catharinastraat' zorgen voor het vervoer van personen via lijn 83 (Nijmegen-Mook-Milsbeek-Gennep-Bergen-Arcen-Venlo). De bereikbaarheid van het projectgebied via het openbaar vervoer is dan ook goed. Om het voetgangersverkeer gescheiden te houden van het fiets- en autoverkeer zal er parallel aan de weg een voetpad worden aangelegd met een breedte van 1,5 m.
5.6.2.2 Parkeren De nieuwe functie leidt eveneens tot parkeerbehoefte. Parkeren geschiedt geheel op eigen terrein. Ter plaatse van het nieuwe woningbouwproject zal voldaan moeten worden aan de parkeernorm (basis: Parkeernota Bergen). Hierbij geldt, uitgaande van de typering van de omgeving 'buiten bebouwde kom', een norm van 1,1 voor huur, appartement, middel/klein (<110 m2) (12 appartementen -> 13,2 parkeerplaatsen) en 1,6 voor middelgrote koopappartementen (12 appartementen -> 19,2 parkeerplaatsen). Voor de 24 appartementen dienen er dus 32,4 (33) parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Deze zullen geheel op eigen terrein worden aangelegd, waarbij onder 'eigen terrein' tevens wordt verstaan het parkeerkoffer dat aan de oostzijde van het appartementengebouw zal worden gerealiseerd. Op onderstaande afbeelding is te zien waar deze parkeergelegenheden gerealiseerd zullen gaan worden.
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 5 1
Figuur: parkeren
5.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van de ruimte en zal de openbare ruimte niet worden belast door parkeren langs de weg.
5.7
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de nieuwe activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, explosies, gifwolken et cetera. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal) wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aandachtsgebieden aan. Het bevoegd gezag dient binnen de aandachtsgebieden bij de vergunningverlening rekening te houden met het groepsrisico; indien sprake is van een verhoogd risico dan gelden aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De norm van het plaatsgebonden risico (PR) blijft gelijk en daarmee ook het basisbeschermingsniveau. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn.
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 5 2
5.7.1
Wettelijk kader
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastendeactiviteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Aandachtsgebieden (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl) gelden van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Ingeval van nieuwe activiteiten moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen.
In het Bkl staan instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl)
5.7.2
Onderzoek
De nieuwe appartementen zijn te kwalificeren als een kwetsbaar object. Volgens de risicokaart van de provincie Limburg ligt in de directe omgeving (in een straal van 500 m) van het projectgebied slechts géén risicovolle inrichting.
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 5 3
Afbeelding: uitsnede signaleringskaart
De dichtstbijzijnde weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de provinciale weg N271. De PR-contour 10-6/jr bedraagt hier 0 m; het projectgebied grenst aan deze weg. Nu het project betrekking heeft op een gebied dat binnen 200 m van een transportroute is gelegen, dient in het kader van de verantwoording van het groepsrisico te worden ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid), en b. voor zover dat plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet (zelfredzaamheid). Op 11 september 2025 is door Kragten een verantwoording opgesteld voor de hoogte van het groepsrisico. Deze verantwoording is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd, evenals het advies van de Veiligheidsregio Limburg-Noord.
5.7.3
Conclusie
Vanuit het aspect externe veiligheid is er derhalve sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 5 4
5.8
Natuur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie.
5.8.1
Wettelijk kader
Ter bescherming van de natuur zijn in het (Besluit kwaliteit leefomgeving) Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die tot voor kort waren opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
5.8.1.1 Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.
De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 5 5
5.8.1.1.1 Onderzoek Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op onderstaande afbeelding is de ligging van het projectgebied te zien ten opzichte van het NNN (groene vlakken). De afstand tot het zuidelijk gelegen natuurnetwerk bedraagt circa 350 m.
Afbeelding: natuurnetwerk Nederland
Tevens zijn de Natura 2000-gebieden in de wijde omgeving van het projectgebied in beeld gebracht:
Afbeelding: Natura 2000-gebieden
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 5 6
Het lichtgroene vlak betreft het Natura 2000-gebied de Maasduinen (op een afstand van ruim 470 m van het projectgebied). Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de aanvoer van materialen en personen en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie ten behoeve van de realisatie van het plan. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. Ter plaatse van het huidige bouwbedrijf zal een vermindering van de milieudruk plaatsvinden, waardoor de planwijziging feitelijk uitsluitend positieve effecten heeft op het milieu en dus op Natura 2000-gebieden. Doordat voor de huidige activiteiten echter geen vergunning op basis van de Wn is verleend, zal uitgegaan moeten worden van een 0-situatie, als ware er nu geen enkele activiteit.
De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase met peiljaar 2025 is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator (zie Bijlage 8). Op basis van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de realisatie en het gebruik van de appartementen aan de Rijksweg-Zuid -Catharinastraat te Wellerlooi de kritische depositiewaarden als gevolg van de stikstofuitstoot voor stikstof gevoelige habitattypen een leefgebieden van soorten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden overschrijden. Op basis van dat onderzoek blijkt dat er dus een omgevingsvergunning noodzakelijk is voor een Natura 2000-activiteit. Gedeputeerde Staten van Limburg zijn hiervoor het bevoegd gezag. Op 20 december 2024 is deze omgevingsvergunningaanvraag ingediend (verzoeknummer 20241220 00265 000) waarbij is verzocht om voor onderhavig woningbouwproject stikstofdepositieruimte beschikbaar te stellen vanuit het SSRS (StikStofRegistratieSysteem). Naar verwachting zal de vergunningverlening dan ook binnen afzienbare tijd plaatsvinden. In de volgende subparagraaf zal ingegaan worden op mogelijke aantasting van flora en fauna.
5.8.1.2 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt bepaald wanneer een
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 5 7
vergunning nodig is.
5.8.1.2.1 Onderzoek Het projectgebied is geheel onbebouwd en onbegroeid (alleen grasland). Om te bepalen of er sprake is van beschermde soorten binnen het projectgebied, is op 8 oktober 2024 een ecologisch rapport opgemaakt door M&A Omgeving BV. Er is het volgende geconstateerd: "In de nabijheid van het perceel zijn tijdens het veldbezoek in juni 2023 geen waarnemingen gedaan van schaarse soorten. Ook rondom het perceel zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten (waaronder jaarrond beschermde soorten, zoals bijvoorbeeld Huismussen, (nesten van) Gierzwaluwen, uilen en vleermuissoorten. Het veldonderzoek, uitgevoerd in de dag- en avondperiode op 19 juni 2023, zijn binnen het broedvogelseizoen uitgevoerd. Desondanks is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten. Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten, achtergebleven nestmaterialen en vraatsporen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet. Het veldonderzoek kan daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd. Bij de inventarisaties is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en -mogelijkheden in het gebied. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen.
De afstanden tot de ecologische verbindingszones en Natura 2000 gebieden zijn voldoende groot om te kunnen stellen dat de ontwikkelingen in het projectgebied geen negatieve invloed zullen hebben op de beschermde natuurgebieden. Door de sloop van de bebouwing op de locatie en de hierop volgende nieuwbouw van woningen, wordt het karakter van het gebied enigszins beïnvloed. Door extra aanleg van groen bij de woningen wordt dit effect positief beinvloed. Wellicht dat in het beleid van de gemeente het ‘natuurinclusief bouwen’ is verankerd en er eisen worden gesteld aan mogelijkheden voor fauna in de bebouwing. Er verdwijnen echter geen verblijfs- of broedmogelijkheden, gezien de resultaten van de veldonderzoek. Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. De zorgmaatregelen bestaan in elk geval uit de volgende aspecten: 1. Voor algemeen voorkomende broedvogels (waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is) dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden: • Voer eventuele snoeiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven.
• Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden te worden totdat de werkzaamheden zijn afgerond.
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 5 8
• Indien werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dient door een deskundig ecoloog onderzocht te worden of broedende vogels ter plaatse aanwezig zijn. 2. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: • Indien verstoring plaatsvindt, dient een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels), maar ook voor vogels, om verkeersslachtoffers te voorkomen. Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. • Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst. • Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken en groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen). 3. Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken.
Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten. • Ook voor mogelijke aanwezigheid van egel en vestiging van de rugstreeppad dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Voorkom opslag van materialen waaronder dieren kunnen gaan verblijven. Het ontstaan van poeltjes en plassen op het terrein dient gedurende het zomerhalfjaar (vanaf april) te worden voorkomen. Als deze soorten worden waargenomen, dienen zij zichzelf in veiligheid te kunnen brengen. 4. Indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden."
Het onderzoek is als bijlage aan de ruimtelijke onderbouwing toegevoegd.
De kans op verstoring van beschermde soorten is dus het kleinst als de graaf- en bouwwerkzaamheden buiten de periode van maart tot augustus starten (de graaf- en bouwwerkzaamheden zullen voor dit project dus ook buiten deze periode starten). Ook buiten deze periode mogen broedende vogels niet worden verstoord en moet gewacht worden tot het broeden voorbij is en de jongen zijn uitgevlogen. Hier wordt rekening mee gehouden.
5.8.2
Conclusie
Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies; het project vormt in beginsel geen belemmering voor dier- of plantensoorten.
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 5 9
5.9
Waterparagraaf
Deze paragraaf vormt de toelichting hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting in de bestemming. Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige en meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: 'ruimte maken voor water'. Naast de kans op meer wateroverlast neemt ook de kans op langdurige periodes van droogte toe.
5.9.1
Waterschap beleid: Waterschap Limburg
In het waterbeheerplan (WBP) en de Waterschap verordening van het Waterschap Limburg staan de regels van het Waterschap Limburg. Waterbeheerprogramma (WBP) Met het waterbeheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022 - 2027: Programma Waterveiligheid: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas. Het afgekoppelde regenwater zorgt voor minder vervuilende riooloverstorten. Het verbetert de doorstroming en daarmee de kwaliteit van stadswateren. Doordat een groot deel van het water lokaal infiltreert in groenstroken en tuinen, wordt voorkomen dat oppervlakkig afstromend regenwater onderweg vervuild raakt en zo het ontvangende oppervlaktewater belast. Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden. Zo zorgt bijvoorbeeld verdamping in de stad voor minder hittestress. Daarmee zijn de sponswerking van de gebouwde omgeving en de kwaliteit van het oppervlaktewater vergroot. Ook op dit gebied moet samengewerkt worden om werk met werk te kunnen maken (efficiency), om instrumenten van derden te benutten teneinde onze eigen opgave te realiseren (zoals omgevingsplannen) en voor de inpassing in de omgeving. Waterkwaliteit en ecologie: het water binnen de gemeente moet schoon zijn en wateren zijn natuurlijk ingericht.
We maken een stevig begin met de (bron)aanpak van de problemen met medicijnresten en opkomende stoffen (zoals PFAS en microplastics) in het oppervlaktewater. Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Voor het projectgebied is vooral klimaatadaptatie van belang. Om de klimaatverandering een stap voor te blijven, is nu het moment om de plannen gereed te hebben en te starten met de uitvoering. Daarom is klimaat adaptief denken en handelen de basis van al het werk van het Waterschap en dat verwacht zij ook van haar partners. De speerpunten zijn: Samen klimaat adaptief inrichten van stad en land; Aanpakken grootste wateroverlastknelpunten; Risico gestuurd peilbeheer en onderhoud; Elke druppel vasthouden en pas afvoeren als het moet. Bij nieuwbouw is het afkoppelen van regenwater inmiddels vanzelfsprekend. De
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 6 0
voorkeursvolgorde bij afkoppelen is vasthouden - bergen - afvoeren, waarbij infiltreren in de bodem voorgaat op lozen op oppervlaktewater. Ook opvangen en gebruiken voor huis en tuin is een duurzame oplossing. Vanzelfsprekend geldt bij afkoppelen en infiltreren dat dit geen overlast elders mag veroorzaken. Ook belangrijk is de kwaliteit van het afgekoppelde regenwater. Alleen met het doorlopen van de trits schoon houden - scheiden - zuiveren is lozen op de bodem of op watergangen acceptabel.
Waterbeheerprogramma (WBP) Per 1 januari 2024 is de Waterschap verordening Waterschap Limburg in werking getreden. In de Waterschap verordening staan regels over wat er wel en niet mag in en rondom het water in Limburg. Voor de meest voorkomende vergunning plichtige activiteiten zijn er beleidsregels. In deze beleidsregels staat met welke criteria een vergunningsaanvraag wordt beoordeeld.
5.9.2
Gemeentelijk beleid: gemeente Bergen
Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020-2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke verordening 'Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022'. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente Bergen het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L). Het gemeentelijk rioleringsplan dat vastgesteld is voor ingang van de Omgevingswet, blijft namelijk gelden totdat de periode is verstreken waarvoor het plan is vastgesteld. Het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) blijft gelden tot en met het jaar 2025. Het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) heeft dezelfde juridische status als het water & rioleringsprogramma, afgekort WRP. De taken en verplichtingen die de gemeente op het gebied van riolering heeft, zijn vastgelegd in artikel 2.16 van de Omgevingswet.
Een van de verplichtingen uit de Wet milieubeheer betreft het opstellen van een gemeentelijk rioleringsplan (GRP). In het GRP moet inzichtelijk zijn gemaakt welke voorzieningen op het gebied van riolering in beheer zijn, welke effecten deze voorzieningen op het milieu hebben en welke kosten met het beheer en onderhoud hiervan gemoeid zijn, rekening houdend met toekomstige vervanging en/of verbetering. In de Wet milieubeheer is ook de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van afvalwater vastgelegd.
In artikel 2.16, lid 1 onder a van de Omgevingswet zijn de zorgtaken van de gemeenten opgenomen inzake afvalwater, hemelwater en grondwater.
Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022: In artikel 3.8 van de verordening wordt bepaald dat in nieuwbouw geen aansluiting op het openbaar riool gerealiseerd mag worden, tenzij er een hemelwatervoorziening is. Deze
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 6 1 2
hemelwatervoorziening moet 60 liter per m kunnen bergen. Uitgangspunt is dat als er een bui valt van 60 mm (is 60 liter per m2) dit geen afstroming veroorzaakt naar belendende percelen (inclusief de openbare ruimte). Al het hemelwater wordt vastgehouden op het eigen perceel.
Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) Ambitie en doelen In het nieuwe GRP wordt het beleid van de afgelopen jaren gecontinueerd. De doelstellingen voor de komende planperiode zijn: 1. Zorgen voor inzameling van het binnen gemeentelijk gebied geproduceerd afvalwater. 2. Zorgen voor doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (voor zover niet verzorgd door particulieren). 3. Beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming in het openbaar gemeentelijk gebied. 4. Zorgen voor het transport van het ingezamelde water naar een geschikt lozingspunt; hierbij: a. Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem, grondwater voorkomen b. Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken (in de breedste zin van het woord). 5. Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering. 6. Zorgen voor het klimaat adaptief maken van de riolering in samenhang met de inrichting van de openbare ruimte. Afvoercapaciteit: Om gezondheidsrisico's van rioolwater te beperken en wateroverlast te voorkomen, dient de gemengde riolering over voldoende afvoercapaciteit te beschikken om een regenbui te kunnen verwerken.
Het rioolstelsel moet dan ook hydraulisch op orde te zijn, wat betekent dat: De riolering als systeem (theoretisch) voldoet aan de hydraulische norm (bui 09 Leidraad Riolering, een bui die eens per 5 jaar voorkomt) De gemeente Bergen blijft inzetten op het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering, daarnaast blijft zij ook particulieren stimuleren om af te koppelen. Met afkoppelen wordt het hemelwater van de gemengde riolering afgehaald en het systeem gescheiden in en schoon- en vuilwatersysteem. Het totaal aangesloten hemelwater op de gemengde riolering wordt hiermee verkleind en daarmee de kans op het intreden van vuilwater in gebouwen en het overstorten van vuilwater op het oppervlaktewater. Door afkoppelen neemt dan ook de kans op gezondheidsrisico's voor mens en natuur af. Daarnaast biedt (grootschalig) afkoppelen een economisch voordeel voor de waterschappen door een kleiner aanbod van afvalwater (minder investering) en aanvoer van een constanter debiet en kwaliteit van afvalwater (zuiveringsrendement gaat omhoog). Tevens wordt de betrokkenheid van inwoners en het gevoel van verantwoordelijkheid ten aanzien van klimaatadaptatie hiermee vergroot.
Bijkomend economisch voordeel voor de gemeente zijn minder transport kosten (lager energieverbruik gemalen). Het intensief afkoppelen zorgt voor meer berging in het stelsel en dit creëert meer ruimte voor de zwaardere buien in de toekomst.
| omgevingsvergunning Catharinastraat Wellerlooi appartementen | status: ontwerp |
Pagina | 6 2
Hemelwater (artikel 2.16 lid 1 onder a sub 1 Omgevingswet): De verantwoordelijkheid voor de afvoer van hemelwater ligt in beginsel bij de burger. De burger draagt in eerste instantie zelf zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem, bergen in bijvoorbeeld een vijver of afvoeren naar oppervlaktewater. Waar dit redelijkerwijs niet mogelijk is, moet de gemeente de zorgplicht op een doelmatige manier overnemen. Nieuwbouw (zowel uitbreiding als inbreiding) Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld. Hemelwater dient voor zover mogelijk op het eigen terrein verwerkt te worden. De gemeente hanteert de volgende beleidsregels voor zowel particulieren / bedrijven als voor het openbaar gebied. Deze ontwerpnormen zijn conform afspraken uit het samenwerkingsverband Noord en Midden Limburg: Bij nieuwbouw dient het regen- en afvalwater altijd gescheiden aangeboden te worden, conform Besluit bouwwerken leefomgeving; Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient altijd overleg te worden gepleegd met gemeente, waterbeheerders en initiatiefnemer via de watertoets; In nieuwbouwwijken is afkoppelen verplicht.
Bij bouwplannen worden door de gemeente een programma van eisen, randvoorwaarden en ontwerpgrondslagen voor de waterhuishouding vastgesteld; Bij inbreidingslocaties dient in eerste instantie het hemelwater op eigen terrein geïnfiltreerd te worden. De voorziening dient over voldoende berging te beschikken, waarbij een overloop op maaiveld richting straat of naar oppervlaktewater is toegestaan, mits geen verslechtering ten opzichte van de huidige situatie ontstaat; Bij alle nieuwbouw of uitbreidingsplannen moet een risicoanalyse opgesteld worden waarbij wordt aangegeven wat de risico's zijn bij een extreme bui gelijk aan 84 mm; Bij alle bouwplannen dienen de bouwpeilen op 0,3 m boven wegniveau te zijn zodat water niet vanuit d e straat de woning kan bereiken. In gebieden waar een druk- of persriool aanwezig is (vooral buiten de bebouwde kom) bedoeld voor de inzameling van alleen afvalwater, is het niet toegestaan om hemelwater op de riolering aan te sluiten. De pompcapaciteit en de afmetingen van de druk- en persleidingen zijn niet berekend op de afvoer van hemelwater. Perceeleigenaren moeten het hemelwater op eigen terrein verwerken. Klimaat: De gemeente Bergen richt zich op: Het bovenstrooms treffen van maatregelen om benedenstrooms overlast en/of hinder te voorkomen van afstromend water. Afstromend water kan hierbij zowel hemelwater als vuilwater zijn.