Catharina Wellerl. appt.4nov2025 Bijlagen Bijlage 9 Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
RAPPORTAGE archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Catharinastraat te Wellerlooi, in de gemeente Bergen (L)
Rapport archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Catharinastraat, te Wellerlooi in de gemeente Bergen (L) Opdrachtgever
Beusmans en Jansen Adviseurs Steeg 12 5975 CE Sevenum
Rapportnummer
22633.001
Versienummer1
2
Datum
3 september 2025
Opsteller2
Mevrouw L. Veenendaal, MA en de heer drs. J. Holl (reg. nr. 79651031)
Kwaliteitscontrole
De heer B.C. Tunker, MA (reg. nr. 85643747)
1 Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij de definitieve versie is het rapport wel
beoordeeld door de bevoegde overheid. 2 AVG In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwart gelakt te worden.
Econsultancy Archeologisch Rapport
KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.
Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en KNA protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder wettelijke eisen uit de Erfgoedwet, prevaleert boven de AVG. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)
Econsultancy Archeologisch Rapport
INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ..................................................................................................... 16 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................................. 1 Methoden ...................................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied ....................................................................... 2 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................................. 4 Archeologische waarden ................................................................................................................ 7 Beschrijving van het historische gebruik ...................................................................................... 10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ...................................................................... 13 Conclusie bureauonderzoek ......................................................................................................... 15
Doelstelling en onderzoeksvragen ............................................................................................... 16 Methoden .................................................................................................................................... 16 Resultaten .................................................................................................................................... 17 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................................. 17
CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 18
LITERATUUR BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN
TABELLEN Tabel 2.1 Tabel 2.2 Tabel 2.3 Tabel 2.4 Tabel 3.1
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw
KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. Kaart 5. Kaart 6. Kaart 7. Kaart 8. Kaart 9. Kaart 10. Kaart 11. Kaart 12. Kaart 13. Kaart 14. Kaart 15. Kaart 16.
Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000) Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto uit 2022 Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3) Het plangebied op de bodemkaart Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied Het plangebied op de kadastrale minuutkaart uit 1817 Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1899 Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1925 Het plangebied op de topografische kaart uit 1953 Het plangebied op de topografische kaart uit 1970 Het plangebied op de topografische kaart uit 1980 Het plangebied op de topografische kaart uit 2019 Boorpuntenkaart Vervolgonderzoek
BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7.
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Boorstaten
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED Projectcode
22633.001
Opdrachtgever
Beusmans en Jansen Adviseurs
Toponiem
Catharinastraat
Plaats
Wellerlooi
Gemeente
Bergen
Provincie
Limburg
Kadastrale gegevens
Kadastrale gemeente Bergen (Limburg), sectie S, percelen 828, 1358, 1359 en een gedeelte van percelen 2226 en 2373
Omvang plangebied
Circa 6.950 m2
Kaartblad
52E (1:25.000)
Centrumcoördinaten (X/Y)
X: 206.670 / Y: 393.955
Archeoregio NOaA
5: Limburgs zandgebied
Bevoegde overheid
Gemeente Bergen Raadhuisstraat 2 5854 AX Bergen
T: 0485 348 383 E: info@bergen.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Dhr. F. Kortlang
T: 06-22505236 E: advies@archaeo.nl
Uitvoeringsperiode
Juli 2023
Uitvoerders
Econsultancy, mevrouw L. Veenendaal, MA (Archeoloog) en de heer drs. J. Holl (Senior KNA Prospector)
Onderzoeksmelding ARCHIS3
Bureauonderzoek: 5444134100 Booronderzoek: 5444150100
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy en op termijn het provinciaal depot van Limburg
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Beusmans en Jansen Adviseurs in juli 2023 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Catharinastraat te Wellerlooi in de gemeente Bergen. De initiatiefnemer heeft het voornemen de voormalige horecalocatie Taste en Go te slopen en nieuwbouw (woningen en appartementen) te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken dient in het kader van de omgevingswet en de hierbij behorende onderliggende regelgeving inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen.
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is er een hoge kans op het aantreffen van archeologische indicatoren uit alle archeologische perioden. Resultaten inventariserend veldonderzoek De aangetroffen bodemopbouw is in boringen 2 tot en met 6 een omgewerkte bodem tot 0,70 – 1,20 m -mv met hieronder een C-horizont van dekzandafzettingen. In boring 1 is gestuit op puin, wat de aanwezigheid van resten van bebouwing uit de vroege 19e eeuw kan aangeven. Conclusie De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek grotendeels voor de vroegere archeologische perioden ontkracht. Echter, op het historisch kaartmateriaal is te zien dat in het oostelijke gedeelte van het plangebied al in 1817 bebouwing aanwezig was.
Daarom wordt geadviseerd in het oostelijke gedeelte van het plangebied een vervolgonderzoek uit te voeren. Voor het overige gedeelte kan de verwachting voor alle perioden worden bijgesteld naar laag.
22633.001 versie 2
Advies In het oostelijke gedeelte van het plangebied dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Omdat archeologische resten voornamelijk in de vorm van grondsporen worden verwacht, is in dit stadium een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksmethode. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Binnen het overige, westelijke, deel van het plangebied, waar bebouwing aanwezig is en waar geen archeologische resten worden verwacht, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Bergen), die vervolgens het advies over neemt of niet.
Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Bergen wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Bergen op de hoogte te stellen.
22633.001 versie 2
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Beusmans en Jansen Adviseurs een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Catharinastraat in Wellerlooi, gemeente Bergen. De initiatiefnemer heeft het voornemen de voormalige horecalocatie Taste en Go te slopen en nieuwbouw (woningen en appartementen) te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken dient in het kader van de omgevingswet en de hierbij behorende onderliggende regelgeving inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in juli 2023 door Maand Jaar mevrouw L. Veenendaal, MA (Archeoloog) en de heer drs. J. Holl Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door de heer B.C. Tunker, MA (Senior KNA Archeoloog).
2
BUREAUONDERZOEK
2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.
2.2 Methoden Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA versie 4.2 (1403-2022)) en volgens de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.2 (14-03-2022), protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06.3 3 SIKB.
22633.001 versie 2
1 / 18
Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: • • • • •
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • • • • • • • •
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; een recente topografische kaart; recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3); Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de limeskaart; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Bergen; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.
2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaats vindt. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld. Dit is het gebied in een straal van circa 500 m rondom het plangebied. Het plangebied ligt aan de Catharinastraat en de Rijksweg-Zuid in de bebouwde kom van Wellerlooi, in de gemeente Bergen en is kadastraal bekend als gemeente Bergen (Limburg), sectie S en beslaat perceelnummers 1358, 1359, 828 en een gedeelte van percelen 2226 en 2373. Het plangebied heeft een oppervlak van circa 6.950 m2. Het maaiveld ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3) tussen de 16,3 en 15,2 m NAP (in de oostelijke richting aflopend). Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 52E (schaal 1:25.000) zijn de centrumcoördinaten van het plangebied X: 206.660 en Y: 393.947 (zie kaart 2).
22633.001 versie 2
2 / 18
Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel deels in gebruik als grasland (waarop paarden staan) en is deels bebouwd met de voormalige horecalocatie Taste en Go. Ten oosten van de bebouwing loopt een weg met daarnaast een parkeerterrein (zie kaart 3). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018, 1e herziening’ (vastgesteld op 13-12-2022) heeft het plangebied een archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’.
Volgens de planregels geldt er bij beide waardes een onderzoeksplicht bij vergunningplichtige bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm.4 Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Bergen ligt het plangebied in een gebied met een hoge archeologische verwachting.5 Milieuhygiënische situatie Om te bepalen of de milieuhygiënische situatie in het plangebied een risico vormt voor de uitvoering van archeologisch veldonderzoek, is het Bodemloket geraadpleegd.6 Binnen het plangebied zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd, waaruit is gebleken dat deze locaties voldoende zijn onderzocht.
2.4 Toekomstige situatie Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied zijn appartementen en woningen gepland, hiervoor zal de bestaande bouw worden gesloopt. Onder de appartementen zijn bergingen gepland. Hierbij zal een gebied met een oppervlakte van 1.400 m2 worden bebouwd, waarbij de diepte van de verstoring onbekend is. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.
4 Portaal voor Ruimtelijke Plannen. 5 Van de Water & Kortlang. 6 Bodemloket.nl.
22633.001 versie 2
3 / 18
2.5 Aardwetenschappelijke gegevens Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel 2.1
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie7
Laag van Wijchen; stevige fijnkorrelige overstromingsafzettingen (BE2)
Geomorfologie8
Dalvlakteterras
Geomorfologische Atlas Limburg9
Dalvlakteterras
Bodem10
Oostelijke gedeelte: Kalkloze poldervaaggronden; zware zavel en lichte klei Westelijke gedeelte: Hoge bruine enkeerdgronden; grof zand
Bodemkaart Atlas Limburg11
Hoge bruine enkeerdgronden
Grondwatertrap
Oostelijke gedeelte: III Westelijke gedeelte: VII
Landschappelijke ontwikkeling Het terrassenlandschap langs de Maas is ontstaan gedurende de verschillende koude en warme perioden van het Kwartair. Tijdens koude perioden heeft de Maas een vlechtend karakter gehad met een brede riviervlakte en een opeenhoping van sedimenten. Gedurende de overgang van een koude naar een warme periode sneed de rivier zich in het rivierterras in. Daarna begon de Maas te meanderen, waarbij de rivier zich concentreerde in één geul en er verschillende sedimenten in de bedding, op de oever en in de naastgelegen komgronden werden afgezet. De oudste terrassen liggen hoog, de jongere lager. Kenmerkend zijn de vele geulen (insnijdingen) binnen de terrasniveaus. De Maas heeft zich herhaalde malen verlegd, zodat behalve de huidige rivierloop diverse oude geulen, vaak in de vorm van een meanderbocht, zijn achtergebleven. Deze meanders zijn scherp begrensd en liggen aanmerkelijk lager in het landschap dan de aangrenzende niet-geërodeerde afzettingen. Hierdoor is een landschap ontstaan met grotere en kleinere plateaus die veel steile randen hebben naar de geulen. De gronden binnen deze plateaus betreffen vaak oude kleigronden en bruine, oude bouwlanden. De meanders zijn meestal opgevuld met jonge rivierklei. Plaatselijk wordt er binnen meanders zand aangetroffen of heeft er enige 7 De Mulder et al., 2003. 8 NGR/Wageningen Environmental Research (2019).
9
Atlas Limburg.
10 NGR/Wageningen Environmental Research (2018).
11
Atlas Limburg.
22633.001 versie 2
4 / 18
veenvorming plaatsgevonden (broekveen) wanneer meanders zijn afgesloten. Behalve in zijn eigen afzettingen (grove, grindrijke rivierzanden behorende tot de Formatie van Beegden) heeft de Maas zich ook ingesneden in het westelijk gelegen dekzandgebied en deels in het gebied van de rivierstuifduinen, waardoor deze hoger gelegen, geïsoleerde delen vormen. Daarnaast zijn de afzettingen van de hoger gelegen terrassen deels bedekt door dekzandafzettingen. De vorm van oude meandergeulen zijn op de kaart goed te herkennen bij de overgang naar het dekzandgebied. Het plangebied bevindt zich binnen de Laat-Pleistocene en Holocene riviervlakte die zich uitstrekt aan weerszijden van de Maas. In het westen worden de Maasterrassen begrensd door een steile rand van het hoger gelegen dekzandgebied en in het oosten door de steile rand van de oude Rijnterrassen. De terrassen ten oosten van de Maas worden lokaal bedekt met afzettingen van rivier-stuifduinen. Vanaf hun ontstaan zijn de Maasterrassen aantrekkelijk geweest voor de mens. In eerste instantie voor tijdelijke kampementen van jagers en verzamelaars en later voor permanente agrarische nederzettingen. Mensen vestigden zich op de hoogste delen van het terras, met name op oeverwallen en rivierduintjes. 12 DINO Het Dinoloket13 is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO).
Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd.14 Hieruit blijkt dat de ondergrond in de bovenste 60 centimeter bestaat uit fijn zand. Hieronder zit tot 2,30 m -mv matig fijn en matig grof zand waarna lagen grof zand en matig grof zand elkaar afwisselen. Een tweede boring heeft een vergelijkbare bodemopbouw. De bovenste laag fijn zand kan worden geïnterpreteerd als dekzand met daaronder grovere rivierafzettingen. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied binnen een dalvlakteterras (zie kaart 5). In riviervlakten kunnen door verschillende fasen van insnijding op verschillende niveaus terrasvormen voorkomen. Binnen de vormsubgroep worden verschillen tussen terrasniveaus aangegeven met een toevoeging ‘H’; relatief hooggelegen. Op de wat hogere terrassen in de dalvlakte ligt dikwijls een pakket dekzand (toevoeging d).
Indien door het dekzandpakket het terras een welvend reliëf heeft is dit aangegeven met de toevoeging G; ‘zwak golvend’.15
12
Berendsen, 2008.
13 Dinoloket. 14
DINO boornummers B52E2705 en B52E0205.
15
NGR/Wageningen Environmental Research 2019.
22633.001 versie 2
5 / 18
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland16 vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Het maaiveld van het plangebied ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3) tussen de 16,3 en 15,2 m NAP (in de oostelijke richting aflopend) (zie kaart 7). Ten oosten van het plangebied loopt het gebied op. Allereerst ligt er volgens de geomorfologische kaart op 10 meter ten oosten van het plangebied een restgeul (15,4 m NAP) met hierachter dekzandwelvingen (19,4 m NAP). Vervolgens komen er landduinen voor (20 m NAP). Op circa 300 meter ten westen van het plangebied begint een rivierdalbodem, waarbij het maaiveld rond de 13 m NAP ligt. Hierachter ligt wederom een dalvlakteterras (15 m NAP) en een restgeul (13,8 m NAP). Ten noordwesten, circa 750 meter van het plangebied, liggen landduinen op circa 20 m NAP. Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het oostelijke gedeelte van het plangebied gekarteerd als poldervaaggrond en het westelijke gedeelte als hoge bruine enkeerdgrond (zie kaart 8). Kleigronden verschillen per regio. De zwaarte van de grond (hoe meer lutum, hoe zwaarder de grond) en het kalkgehalte bepalen de eigenschappen.
Bij kleigronden die een bouwvoor hebben die nog vrij arm is aan organische stof kan de bodemstructuur snel verslechteren. Er is dan sprake van poldervaaggronden, welke volgens de Bodemkaart binnen het plangebied aanwezig is. De bodemstructuur is bij deze jonge gronden echter wel beter dan bij oude zeekleigronden. De structuur verbetert met gewassen die veel organische stof achterlaten, zoals granen of grasland. Ook groenbemesters, vaste mest en compost verbeteren de structuur. Verder is het tijdstip van de grondbewerking van belang. Grondbewerking in het late najaar, vaak onder natte condities, bepaalt in grote mate de bodemstructuur die wordt verkregen. Deze werkt sterk door in het volgende groeiseizoen.17 Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek.
Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten.18 Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek.
16 PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS.
17
Nutrinorm.
18 Doesburg et al., 2007.
22633.001 versie 2
6 / 18
Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. Het grondwaterpeil is een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten; hoe beter de ontwatering, hoe slechter de conservering. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel 2.2 geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Tabel 2.2
Grondwatertrappenindeling19
Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden ") Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Het oostelijke gedeelte van het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap III en het westelijke gedeelte heeft grondwatertrap VII.20 De conservering van metalen en organische resten zal in het plangebied, vanwege de grondwaterstand, niet optimaal zijn. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed.
2.6 Archeologische waarden AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsmeldingen Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), de online database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.21 Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken, 19 Locher & De Bakker, 1990. 20 BRO Grondwaterspiegeldiepte Model, NGR/WER, 2021. 21 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
22633.001 versie 2
7 / 18
vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. Op kaart 10 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weer gegeven. Voor het onderzoek wordt vooralsnog gekeken naar de waarden binnen een straal van 500 m rondom het plangebied. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. AMK-terreinen De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het westelijke gedeelte van het plangebied ligt binnen een deel van AMK-terrein 16574. Binnen het onderzoeksgebied liggen nog twee AMK-terreinen (zie bijlage 2 en Kaart 10). De AMK-terreinen rondom het plangebied geven aan dat er menselijke activiteit heeft plaatsgevonden in de Middeleeuwen en Nieuwe tijd.22 AMK-terreinen 16574 en 16625: Gedeeltelijk binnen het plangebied en 410 meter ten noorden van het plangebied.
Het gaat om de oude dorpskern van Wellerlooi. Op de AMK zijn historische dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19e-eeuwse en vroeg 20e-eeuwse kaarten. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege- en Volle-Middeleeuwen (tot circa 1300) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet perse hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning. AMK-terrein 11189: 275 meter ten noorden van het plangebied. Terrein met sporen van bewoning (vuursteen- en aardewerkvondsten) uit de perioden Laat-Paleolithicum, Neolithicum en uit de IJzertijd. Tijdens het veldbezoek was het perceel dicht begroeid met groenbemester, waardoor de vondstzichtbaarheid zeer slecht was. Uit de boringen bleek dat het diep ontwikkelde bodemprofiel (moderpodzol) nog redelijk intact was en dat er sprake is van een dun eerddek. Op het hogere deel kan door voortdurende grondbewerking erosie verondersteld worden.
In acht van de elf megaboringen werden stukjes prehistorisch aardewerk en/of vuursteen gevonden. Een concentratie is evenwel niet aan te wijzen. In het aangrenzende bosperceel ten zuiden van de vindplaats werd in enkele megaboringen eveneens aardewerk en vuursteen aangetroffen. Het bodemprofiel is daar weinig verstoord. Het ligt daarom voor de hand het bosperceel ook tot de vindplaats te rekenen.
22 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
22633.001 versie 2
8 / 18
Onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal acht archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie bijlage 3 en Kaart 10). Er worden verschillende typen archeologische onderzoeken onderscheiden. Voor ons onderzoek zijn met name de archeologische veldonderzoeken van belang, dus de booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en opgravingen. Als er tijdens archeologisch onderzoek vondsten worden gedaan, dan kunnen er één of meerdere vondstlocaties worden geregistreerd. De drie dichtstbijzijnde en meest representatieve onderzoeken zijn hieronder verder uitgeschreven. Onderzoeksmeldingsnummers 2236656100 en 2236664100: booronderzoek 30 meter ten zuiden van het plangebied, Looijerweg te Wellerlooi. 23 Tijdens het booronderzoek werden matig fijne tot matig grove zandafzettingen aangetroffen met soms kiezels. Deze afzettingen zijn geïnterpreteerd als geulafzettingen. In het noorden van het plangebied werd tot 0,50 – 0,60 m -mv een eerddek aangetroffen. Tevens zijn er indicatoren uit de Nieuwe tijd aangetroffen. In het zuidelijke gedeelte zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. In het noordelijke gedeelte kunnen archeologische resten niet worden uitgesloten. Daarom is geadviseerd om in dit gedeelte een proefsleuvenonderzoek uit te voeren.
Het overige gedeelte kan worden vrijgegeven. Onderzoeksmeldingsnummers 2253674100: proefsleuvenonderzoek 30 meter ten zuiden van het plangebied, Looierweg te Wellerlooi.24 Vervolgonderzoek op onderzoeken met onderzoeksmeldingsnummers 2236656100 en 2236664100. Er is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de nieuw te bouwen woning. Binnen het onderzoeksgebied is een ven (natuurlijke sporen) aangetroffen. In dit ven zijn geen vondsten ouder dan de 19e eeuw gevonden. Er zijn alleen sporen die verband houden met subrecente (landbouw)activiteiten op het voormalige erf aangetroffen. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd. Vondstmeldingen In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan zes vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en Kaart 10). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in alle archeologische perioden. Zo zijn er vuurstenen objecten aangetroffen uit het Paleolithicum, Mesolithicum, Neolithicum en de Bronstijd en (gedraaid) aardewerk uit de IJzertijd, Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd.
23
Ras 2009.
24
Wattenberghe 2011.
22633.001 versie 2
9 / 18
Andere bronnen Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zgn. archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 verschillende gemeenten. Het uitgangspunt hierbij is niet de bescherming van het gehele aandachtsgebied. Het is immers niet van tevoren bekend welke waarden aanwezig zijn en waar de vindplaatsen exact liggen. Basisprincipe voor het beleid is een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek. Omdat niet alle vindplaatsen even belangrijk zijn en niet alle waardevolle vindplaatsen behouden kunnen blijven, zullen in het gehele archeologische onderzoekstraject keuzes gemaakt moeten worden. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen dus wel plaatsvinden in de geselecteerde gebieden, maar alleen als er in een vroegtijdig stadium adequaat archeologisch onderzoek wordt verricht. Er worden immers waarden verwacht die van provinciaal belang zijn.
Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plangebied niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied.25 Atlas Limburg Volgens Atlas Limburg is er binnen het plangebied een lage verwachting op het aantreffen van resten van de jagers en verzamelaars. Atlas Limburg geeft verder aan dat de verwachting voor het aantreffen van resten van de landbouwers en de perioden daarna een middelhoge verwachting hebben. Verdere informatie was niet aanwezig ofwel relevant voor dit onderzoek. 26 Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn wetenschappelijke publicaties en het archief geraadpleegd in de vorm van archeologische rapportages en bouwdossiers. Het provinciaal archeologisch depot is niet geraadpleegd, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben.
2.7 Beschrijving van het historische gebruik In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten, zoals nederzettingsvormen en wegenen kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld.
25 Provinciaal Omgevingsplan Limburg. 26 Provinciaal Omgevingsplan Limburg.
22633.001 versie 2
10 / 18
Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel 2.3
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Kadastrale minuut27
1817
Gemeente Bergen (L), sectie H, blad 1
1:2.500
Tuin en huis in het oostelijke gedeelte en bouwland in het overige deel.
De huidige Rijksweg-Zuid is al aanwezig. Evenals de Catharinastraat, waarlangs enkele gebouwen staan. Verder is voornamelijk in het zuidoosten bebouwing aanwezig.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1899
653
1:50.000
Vergelijkbare situatie als in 1817.
Langs de Rijksweg-Zuid is bebouwing aanwezig, waaronder een kerk. Daarnaast is de weg is verhard.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1925
653
1:50.000
In het westen is bebouwing gerealiseerd.
Bebouwing is toegenomen.
Topografische kaart
1953
52E
1:50.000
Vergelijkbare situatie als in 1925.
De Catharinastraat is verhard en de bebouwing is toegenomen.
Topografische kaart
1970
52E
1:25.000
Door het midden van het Bebouwing in het centrum plangebied loopt van zuid van Wellerlooi neemt toe. naar noord een weg. Het oostelijke deel is grasland en de eerdere bebouwing is niet meer aanwezig. De westelijke helft is bouwland, waar de bebouwing nog wel aanwezig is.
Topografische kaart
1980
52E
1:25.000
Vergelijkbare situatie als in 1970.
Vergelijkbare situatie als in 1970.
Topografische kaart
2019
52E
1:25.000
Vergelijkbare situatie als in 1980.
Vergelijkbare situatie als in 1980.
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is te zien dat in 1817 in het oostelijke gedeelte van het plangebied een huis en tuin voorkomen. De rest van het plangebied is in gebruik als bouwland (zie tabel 2.3). Deze situatie is in 1899 nog vergelijkbaar. Op de kaart van 1925 is te zien dat ook in het oosten bebouwing aanwezig is. Op de kaart van 1970 is te zien dat door het midden van het plangebied een weg van zuid naar oost loopt. Verder is het oostelijke gedeelte in gebruik als grasland en is de eerdere bebouwing hier niet meer aanwezig. De westelijke helft is nog wel bebouwd. Deze situatie blijft tot op heden vergelijkbaar.
27 Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
22633.001 versie 2
11 / 18
In de omgeving van het plangebied is op het historisch kaartmateriaal te zien dat de huidige Rijksweg-Zuid al in 1817 aanwezig was. Evenals de Catharinastraat, waarlangs enkele gebouwen staan. Verder is voornamelijk in het zuidoosten van het plangebied bebouwing aanwezig. In 1899 is ook langs de Rijksweg-Zuid bebouwing aanwezig, waaronder een kerk. Verder is de weg verhard. De bebouwing rond het plangebied neemt tot het heden toe. Ook worden de wegen door de haren heen verhard. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Bergen is het gemeentelijk archief geraadpleegd (contactpersoon de heer R. Kater). Hieruit bleek dat de huidige bebouwing een poerfundering heeft tot circa 1,25 -mv. Bij het raadplegen van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de bestaande bebouwing blijkt dat het gebouw langs Rijksweg-Zuid in het jaar 1978 is gebouwd. Het gebouw was in gebruik voor bijeenkomsten, als kantoor, om te sporten en om te winkelen. Het oppervlakte is 271 m 2. Het gebouw aan de Catharinastraat 1 is in het jaar 1970 gebouwd en had een woonfunctie. Het oppervlakte is 316 m 2. Het elektriciteitshuisje dat binnen het plangebied staat is in 1957 gerealiseerd en staat bekend als Catharinastraat 1a. De overige gebouwen stammen volgens BAG Viewer uit 1970.28 Over de oudere bebouwing zijn geen gegevens bekend.
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 29 De IKME Indicatieve kaart militair erfgoed geeft aan dat het plangebied binnen de Maas-stellung ligt. Dit was een Duitse verdedigingslinie langs de oostoever van de Maas, welke was aangelegd om een geallieerde invasiemacht uit het westen en zuiden te kunnen stoppen dan wel vertragen. De ruimingskaart laat zien dat er in Wellerlooi ruimingen hebben plaatsgevonden. Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging 4 juli 2023, maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd.
28 Kadaster, Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). 29 Indicatieve kaart Militair Erfgoed/Ruimingskaart.
22633.001 versie 2
12 / 18
2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel 2.4
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Hoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Mesolithicum
Hoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Neolithicum
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Bronstijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
IJzertijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Romeinse tijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Vroege-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Late-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
22633.001 versie 2
13 / 18
Nieuwe tijd
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.
Uit de landschappelijke ligging op een dalvlakteterras, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit alle archeologische perioden. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar. 30 Het plangebied ligt in een gradiëntzone en tevens zijn er vondsten uit het Paleolithicum en Mesolithicum in de buurt van het plangebied gedaan. Daarom hebben deze perioden een hoge archeologische verwachting gekregen. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie.
Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.31 Het plangebied ligt op een middelhoog gebied, waar in de omgeving resten zijn aangetroffen van landbouwers. De perioden Mesolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen hebben dan ook een hoge archeologische verwachting gekregen. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 32 Het plangebied ligt voor een gedeelte in een AMKterrein waar resten uit zowel de Middeleeuwen als Nieuwe tijd worden verwacht. Daarom hebben deze perioden een hoge archeologische verwachting. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog. Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont.
De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper 30 Louwe Kooijmans et al., 2005. 31 Louwe Kooijmans et al., 2005. 32 Renes, 1999.
22633.001 versie 2
14 / 18
bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de Chorizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als grasland en is door de jaren heen bebouwd (geweest). Door ploegen en bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.
2.9 Conclusie bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Alle archeologische perioden hebben een hoge archeologische verwachting gekregen. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Ook dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
22633.001 versie 2
15 / 18
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Ook dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.
3.2 Methoden Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA versie 4.2 (14-03-2022)) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.2 (14-03-2022) protocol 4003), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 11 juli 2023 door mevrouw L. Veenendaal, MA (Archeoloog) en mevrouw P. Beurskens, MA (Senior KNA-archeoloog en Senior KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het veldwerk is uitgevoerd op 18 juli 2023. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. In totaal zijn er met behulp van een Edelmanboor (diameter 7 cm) zes boringen tot maximaal 1,50 m -mv gezet. De boringen zijn lithologisch volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 33 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en ywaarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld in hoeverre er sprake is van een gaaf bodemprofiel. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.
Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.
33 Bosch, 2005.
22633.001 versie 2
16 / 18
3.3 Resultaten Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorstaten en worden in bijlage 7 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de bodemopbouw als volgt worden weergegeven: Tabel 3.1
Hoofdlijn bodemopbouw
Diepte
Samenstelling
Interpretatie
0,35 – 0,90 m -mv
Zeer fijn, uiterst siltig, matig humeus, donkergrijs zand
Omgewerkte grond/resten bebouwing
0,70 – 1,20 m -mv
Zeer fijn, uiterst siltig, matig puinhoudend, donker/licht grijsbruin zand met veel donkergrijze vlekken
Omgewerkte grond
0,80 – 1,50 m -mv
Matig fijn, sterk siltig, licht bruingrijs zand met veel roestvlekken C-horizont
De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven: In de bovenste 35 tot 90 centimeter komt zeer fijn, uiterst siltig, matig humeus, donkergrijs zand voor dat is geïnterpreteerd als een omgewerkte grond. In sommige boringen komt in deze laag weinig tot veel puin en kleibrokken voor. Hieronder zit in boringen 1, 2, 3 en 5 wederom een omgewerkte grond, alleen is deze laag licht grijsbruin en veel gevlekt. Deze laag zit tot 0,70 – 1,10 m -mv. Vervolgens zit er een laag van matig fijn, sterk siltig, licht bruingrijs zand met veel roestvlekken. Hier gaat het om de C-horizont van dekzandafzettingen. In boring 1, in het oostelijke gedeelte van het plangebied, is gestuit op puin. Rond deze locatie stond volgens het geraadpleegde historisch kaartmateriaal al in 1817 bebouwing. Het is een mogelijkheid dat het puin in de bodem hiervan afkomstig is. Archeologische indicatoren In boring 1 zijn mogelijk puinresten aangetroffen van bebouwing dat aan het begin van de 19 e eeuw rond die locatie aanwezig was. In de overige boringen zijn geen archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.
3.4 Conclusie veldonderzoek Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. De verwachting blijft voor het oostelijke gedeelte van het plangebied hoog voor de perioden
22633.001 versie 2
17 / 18
Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De verwachting in het overige gedeelte van het plangebied kan voor alle archeologische perioden worden bijgesteld naar laag (zie kaart 16).
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw is in boringen 2 tot en met 6 een omgewerkte bodem tot 0,70 – 1,20 m -mv met hieronder een C-horizont van dekzandafzettingen. In boring 1 is gestuit op puin, wat de aanwezigheid van resten van bebouwing uit de vroege 19e eeuw kan aangeven. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek grotendeels voor de vroegere archeologische perioden ontkracht. Echter, op het historisch kaartmateriaal is te zien dat in het oostelijke gedeelte van het plangebied al in 1817 bebouwing aanwezig was. Daarom wordt geadviseerd in het oostelijke gedeelte van het plangebied een vervolgonderzoek uit te voeren. Voor het overige gedeelte kan de verwachting voor alle perioden worden bijgesteld naar laag. In het oostelijke gedeelte van het plangebied dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd.
Omdat archeologische resten voornamelijk in de vorm van grondsporen worden verwacht, is in dit stadium een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksmethode. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Binnen het overige, westelijke, deel van het plangebied, waar bebouwing aanwezig is en waar geen archeologische resten worden verwacht, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Bergen), die vervolgens het advies over neemt of niet.
Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Bergen wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente bergen op de hoogte te stellen.
22633.001 versie 2
18 / 18
LITERATUUR Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNO-rapport, NITG 05-043-A). Doesburg, J. van, M. de Boer, J. Deeben, B.J. Groenewoudt & T. de Groot (red.), 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort. (Nederlands Archeologische Rapporten 34). Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens & A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Maas, G., P. van Delft, & H. Heidema, 2017: Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000. Wageningen Environmental Research, Wageningen. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff & T.E. Wong, 2003 (red.): De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden.