Bijlagen bij toelichting totaal
Tekst van het document
Toelichting landschappelijke inpassing Ericaweg 5 Siebengewald
Bodemdata Bodem: Hn30: Veldpodzolgronden; grof zand Grondwatertrap VIId Geomorfologie: M42: Terrasvlakte Inleiding Het plangebied is onderdeel van het huidige kavel aan de Ericaweg 5 en grenst aan de Callunastraat in Siebengewald en valt onder de gemeente Bergen. Het is de bedoeling dat de huidige situatie landschappelijk wordt ingepast waarmee de nieuwe woning een vanzelfsprekend onderdeel is van het omringende landschap. Omdat het groene karakter van de gemeente een belangrijke identiteitsdrager is, verlangt de gemeente Bergen een haalbaar landschappelijk inrichtingsplan, waarbij nieuwe ontwikkelingen worden ingezet ter versterking van deze groene kwaliteit. In de planvorming is rekening gehouden met een drietal zaken die van belang zijn: 1. Landschap 2. Cultuurhistorie 3. Wensen van de eigenaar Dit landschappelijk inrichtingsplan borduurt verder op het ‘Landschapsplan gemeente Bergen 2013’. Hierin is verkenning van het landschap en afwegingskader landschappelijke inpassing uitgevoerd en zijn uitgangspunten en randvoorwaarden gesteld. De gemeente Bergen heeft ook gereageerd op het eerste plan, met een helder advies over de
landschappelijke inpassing. Hieronder volgt een concrete, landschappelijke uitwerking van deze notitie. Inrichtingselementen Het landschappelijk inrichtingsplan is zoveel mogelijk afgestemd op het Landschapsplan van de gemeente Bergen. Dit resulteert in een landschappelijk en cultuurhistorisch verantwoorde inrichting, waarbij niet alleen is gelet op de inrichting van het nieuwe perceel (zie bijlage 1), maar ook op de mogelijkheden om op het bestaande perceel te versterken door het aanplanten van solitaire inheemse bomen. Ericaweg 5 ligt aan de rand van Grote Horst, een woongebied in het buitengebied van de gemeente Bergen, nabij Siebengewald. Aan de overzijde van de locatie stroomt de Eckeltse beek. Het gebied is te karakteriseren als een gemengd gebied met wonen, agrarische grondgebruik, bedrijvigheid en natuur. De nadruk ligt in dit landschappelijke inrichtingsplan op de kenmerkende structuren van dit gebied. Dit zijn: - vrijstaande inheemse bomen - hoogstamboomgaarden - hagen - vogelbosjes Planbeschrijving De hierboven beschreven elementen zijn terug te vinden op de bijgevoegde ontwerpkaart (GO-1c). Naast de ontwerpkaart is een plantsoenlijst voor de landschappelijke inpassing gemaakt. Deze lijst beschrijft de toegepaste soorten, maar ook de maat, plantafstand en hoeveelheden.
Wanneer het gaat om een landschappelijke inpassing zijn vooral de grote structuren op of rond het perceel van belang. Deze hebben landschappelijk gezien de meeste impact en zijn bepalend voor het aanzien. Tevens is het doel om met deze inpassing een bijdrage te leveren aan het versterken van natuurwaarden en bevorderen van biodiversiteit. Deze structuren zijn in veel gevallen erf-overschrijdend en zorgen ervoor dat het erf onderdeel wordt van het landschap. Dergelijke structuren bestaan voornamelijk uit opgaande beplantingselementen welke verschillend van aard kunnen zijn. Vrijstaande inheemse bomen Op het gehele perceel worden zes gebiedseigen solitaire bomen aangeplant om zowel de nieuwe als bestaande bebouwing te verankeren in het landschap. Naast landschappelijke inpassing dragen deze bomen ook bij aan de verhoging van de biodiversiteit. Hoogstamboomgaard De voorgestelde boomgaard met losse opzet is een kenmerkend element uit de streek. Diverse soorten en bloeitijden verhogen de belevingswaarde en biodiversiteit. De voorgestelde soorten zijn ter indicatie.
Hagen De bestaande beukenhaag aan de voorzijde van het perceel krijgt d.m.v. beheer een hoogte van ca. 1,2m hoog, waardoor een relatie met het tegenoverliggende open landschap ontstaat. Deze haag markeert tevens ook het entreegebied van de nieuwe kavel. Als perceelsscheiding wordt er een beukenhaag voorgesteld met een beheerhoogte van ca. 2 meter. Deze haag sluit ook aan qua lijnelementen op de haag op naastgelegen perceel aan de Heidestraat. Bloemenweide Als basislaag wordt er op een groot deel van het nieuwe perceel voorgesteld om een natuurlijke kruidenvegetatie op gang te brengen. Dit door middel van een natuurlijk maaibeheer. De gelaagdheid in beplanting, haag, struiken, bomen en solitairen zorgen voor een goede inpassing in de omgeving. Op de plantsoenlijst (zie bijlage 2 van deze toelichting) zijn de beplantingssoorten en plantwijze nader beschreven. De ontwerpkaart (zie bijlage 2 van deze toelichting) toont aan hoe de locatie voorzien wordt van een robuuste landschappelijke structuur die de locatie een vanzelfsprekend onderdeel laat zijn van het landschap. Tevens draagt zij met haar robuuste structuur bij aan de landschappelijke kwaliteiten en ecologische waarden van dit gebied.
Plantsoenlijst landschappelijke inpassing Ericaweg 5 te Siebengewald op basis van inrichtingsplan GO-1c 6 oktober 2023 Nederlandse naam
Latijnse naam
maat
diverse soorten
n.v.t.
Cornus mas
Gele kornoelje
60-80
50 st
Corylus avellana
Hazelaar
60-80
50 st
Crataegus monogyna
Eenstijlige meidoorn
60-80
50 st
Cytisus scoparius
Brem
60-80
50 st
Euonymus europaeus
Kardinaalsmuts
60-80
50 st
Frangula alnus
Sporkehout / Vuilboom
60-80
50 st
Ilex aquifolium
Hulst
60-80
50 st
Lonicera periclymenum
Wilde kamperfoelie
60-80
50 st
Prunus padus
Inheemse vogelkers
60-80
50 st
Prunus spinosa
Sleedoorn
60-80
50 st
Rosa canina
Hondsroos
60-80
50 st
Rosa spinosissima
Duinroos
60-80
50 st
Sambucus nigra
Gewone Vlier
60-80
50 st
Viburnum opulus
Gelderse Roos
60-80
50 st
Fagus sylvatica
80-100
50m1
dubbelrijig/ 7 st per m1
9 st
solitaire bomen
Quercus robur
zomereik
16-18
3st
1e orde
Juglans regia
walnoot
16-18
1st
1e orde
Prunus avium
zoete kers
16-18
1st
1e orde
Betula pendula
ruwe berk
16-18
1st
1e orde
Tilia cordata
winterlinde
16-18
1st
1e orde
Tilia platyphyllos
zomerlinde
16-18
1st
1e orde
8 st
voorstel voor een wijdsopgezette gemengde bongerd, soorten ter inspiratie/indicatie
BLOEMEN EN KRUIDEN Bloemenweide
VOGELBOSJE
aantal
Opmerking
860m2
vorm en vegetatieontwikkeling d.m.v. maaibeheer
3 st/50m2
Biodiversiteitsbosje (vogelbosje) ca.50m2 per bosje
HAGEN Beuk
BOMEN
HOOGSTAMBOOMGAARD Appel
Brabantse Bellefleur
14-16
Appel
Lemoenappel(*)
14-16
Kers
Hedelfinger Riesenkirsche
14-16
Kers
Meikers*
14-16
Peer
Conferance*
14-16
Peer
Zwijndrechtse wijnpeer*
14-16
Pruim
Dubbele Boerenwitte
14-16
Pruim
Hauszwetsche*
14-16
Bovengenoemde soorten kunnen afwijken. Gebiedseigenheid, ordegrote en aanplantmaat zijn leidend voor alternatief.
Quickscan Wet natuurbescherming Ericaweg 5 te Siebengewald Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2023-0542
Datum:
30 juni 2023
Samensteller:
ing. P. Kalkman
Collegiale toets:
ing. A.H.M. Ruit
Opdrachtgever:
Huisman Ruimte
Contactpersoon:
R. Huisman
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
8
2.1
Uitvoering onderzoek
8
2.2
Soortenbescherming
8
2.3
Gebiedsbescherming
11
2.4
Houtopstanden
11
2.5
Houdbaarheid en toepassing
11
3 Beoordeling
12
3.1
Soortenbescherming
12
3.2
Gebiedsbescherming
17
3.3
Houtopstanden
17
4 Samenvatting
18
4.1
Soortenbescherming
18
4.2
Gebiedsbescherming
18
4.3
Houtopstanden
18
5 Conclusie
19
5.1
Conclusie
19
5.2
Uitvoerbaarheid
19
5.3
Vervolgstappen
19
5.4
Te treffen maatregelen
19
1 Inleiding Aan de Ericaweg 5 te Siebengewald is een woonperceel met bedrijfsstatus. Er zijn momenteel een woning, bijgebouwen en een grasperceel gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op het grasperceel op de planlocatie een nieuwe woning te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Huisman Ruimte begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Ericaweg 5 te Siebengewald.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Ericaweg 5 te Siebengewald (figuur 1.2). Op de planlocatie zijn een woning en een werkplaats aanwezig. Beiden zijn opgebouwd uit bakstenen muren met luchtspouw en een dakpannen dak. Tevens zijn er een tuin met een aantal bomen en struiken, een ingegraven, afgedekt zwembad en het grasperceel waarop de woning gerealiseerd dient te worden, aanwezig. De tuin is goed onderhouden en heeft een hoog onderhoudsbeeld Rondom de woning en de werkplaats is verharding aanwezig. Het grasperceel was ten tijde van het veldbezoek geheel begroeid met gras en wordt omgeven door een beukenhaag. Het gras is kort gemaaid. Aan de noordzijde van het grasperceel zijn twee kassen gesloopt, waardoor hier nu braakliggend terrein aanwezig is. Dit stuk van het perceel is derhalve omgeven met bouwhekken. In figuur 1.3, figuur 1.4 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Ericaweg 5 te Siebengewald. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische percelen. Direct naast de planlocatie aan de oost-, west- en noordzijde zijn woonpercelen gesitueerd. Aan de zuidzijde is open terrein aanwezig. De planlocatie is gelegen ten zuidwesten van het dorp Siebengewald, op circa 1 km ten westen van de grens met Duitsland. Op circa 1,7 km ten zuidwesten is het bomenrijke gebied Eckeltse Bergen gelegen. De dichtstbijzijnde snelweg is de A77, gesitueerd op circa 4 km ten noorden. De Maas is gelegen op circa 5 km ten westen. Dichterbij gelegen is de Horsterbeek op circa 100 m ten zuiden.
5
Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om op het grasperceel een woning te realiseren.
Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een woning. De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
6
Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Huisman Ruimte).
7
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 5 juni 2023 en is uitgevoerd door ing. P. Kalkman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 19 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
8
Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c.
vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift. Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn.
Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn.
9
Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 3: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 4: nesten en rustplaatsen van vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, tenzij er sprake is van zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 3 Boerenzwaluw Boomvalk Bosuil Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Huiszwaluw Kerkuil Oehoe
Ooievaar Raaf Ransuil Rode wouw Roek
Slechtvalk Steenuil Torenvalk Wespendief Zwarte wouw
Paapje Ringmus Roerdomp Sperwer Spotvogel
Visdief Wulp Zomertortel Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 4 Bijeneter Blauwe reiger Buizerd Draaihals Grauw klauwier
Grutto IJsvogel Kramsvogel Kwartelkoning Oeverzwaluw
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Limburg is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Limburg. (x1) = vrijstelling in periode maart – april en juli t/m november, (x2) = vrijstelling in periode 15 aug t/m februari, (x3) = vrijstelling in periode juli, augustus en september, (x4) = vrijstelling in periode 15 augustus t/m 15 oktober, * voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling in/op gebouwen en bijbehorende erven Wnb 3.10 3e lid.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bastaardkikker
Hazelworm (x3)
Rode eekhoorn (x1)
Bosmuis *
Hermelijn
Steenmarter (x2)
Bruine kikker
Huisspitsmuis *
Tweekleurige bosspitsmuis
Bunzing
Kleine watersalamander
Veldmuis *
Dwergmuis
Konijn
Vos
Dwergspitsmuis
Levendbarende hagedis (x4)
Wezel
Egel
Meerkikker
Woelrat
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Gewone pad
Ree
10
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
11
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2013-2023). Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Doordat het gras op de planlocatie kort gemaaid wordt, is de kans klein dat beschermde planten er kunnen groeien. Enkele waargenomen soorten betreffen: bonte gele dovenetel, duizendblad, gewone paardenbloem, grote brandnetel, grote klaproos, klein kruiskruid, klimop, paarse dovenetel en ronde ooievaarsbek. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Het grasperceel wordt omringd door beukenhagen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, waterspitsmuis, wezel, woelrat en zwarte rat (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, das, rode eekhoorn, steenmarter en waterspitsmuis. De bever komt voor rondom grote waterlichamen, zoals meren, plassen en rivieren. Van hieruit voedt de soort zich met vegetatie die op de oever aanwezig is. Bekende waarnemingen binnen 2 km zijn enkel gedaan in of binnen 10 m van waterlichamen (NDFF 2013-2023). Binnen circa 100 m van de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig.
Derhalve kan worden uitgesloten dat de bever op de planlocatie voorkomt. De das komt voor in verschillende habitats, zoals heide en bossen. Belangrijk voor de soort zijn de aanwezigheid van voldoende voedsel, vergraafbare grond, hoogteverschillen en de afwezigheid van verstoring. Bekende waarnemingen binnen 2 km zijn voornamelijk gedaan in de nabijheid van bosschages waar veel dekking aanwezig is. Op de planlocatie is weinig dekking aanwezig. Verder zijn er voor de das geen verblijfplaatsen aanwezig op de planlocatie. Bekend is wel dat dassen graspercelen gebruiken om te foerageren. Op de planlocatie zijn geen sporen van de das aangetroffen. Tevens zijn er rondom de planlocatie meerdere gelijkwaardige percelen aanwezig waarbij meer dekking en waar ook minder verstoring aanwezig. Deze kunnen functioneren als uitwijkmogelijkheden. Ook is er veel verstoring aanwezig, doordat de planlocatie in bebouwd gebied gelegen is en aan de zuid- en westzijde omringd wordt door wegen. Het kan derhalve worden uitgesloten dat de das op de planlocatie voorkomt.
12
De rode eekhoorn komt voor in bomenrijke gebieden. Op de planlocatie zijn enkel beukenhagen en een aantal aangeplante bomen in de tuin aanwezig. Voor de eekhoorn zijn geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig, vanwege het ontbreken van boomholtes en hoge bomen. De planlocatie staat niet in verbinding met andere bosrijke gebieden waardoor het gebruik als migratieroute onwaarschijnlijk is. Tevens worden de groenstructuren zoals de bomen en de beukhaag op de planlocatie niet aangetast. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft derhalve geen negatieve effecten op de rode eekhoorn. De steenmarter komt voor in steenachtige biotopen en gebieden met elementen die voor dekking kunnen zorgen, zoals stenenstapels, rommelhoeken, ruigtes en greppels. Verblijfplaatsen worden onder andere gevonden in spouwmuren, op zolders en onder takkenhopen. Binnen 1 km van de planlocatie zijn geen waarnemingen van de steenmarter bekend (NDFF 2013-2023). Op de planlocatie zijn geen openingen in de bebouwing aanwezig die van voldoende grote zijn en bereikbaar zijn voor de steenmarter om binnen te komen. Daarnaast zijn er geen andere mogelijke verblijfplaatsen voor de soort aanwezig. De beukenhaag kan gebruikt worden door de soort om te migreren. De haag wordt tijdens de ingreep echter niet aangetast. Tevens zou het grasveld gebruikt kunnen worden als foerageergebied.
De planlocatie beschikt over een geringe hoeveelheid dekking en heeft een gebrek aan steenachtig biotoop. Daarnaast is er een groot aantal percelen in de nabije omgeving waarbij meer dekking aanwezig is. Zodoende is er voldoende uitwijkmogelijkheid. Mogelijk passeert de soort sporadisch de planlocatie. Er is echter geen sprake van een negatief effect op de steenmarter. De waterspitsmuis komt voor rondom schone wateren met een goed begroeide oever. Ook is het belangrijk dat er bodembedekkende vegetatie aanwezig is. De soort verblijft in holtes, beschutte plekken of holen aan de oever. De enige bekende waarneming binnen 2 km komt van de resten van een individu in een braakbal, waardoor het mogelijk is dat de soort binnen een afstand van 2 km helemaal niet voorkomt (NDFF 2013-2023). Binnen circa 100 m van de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Tevens zijn er op de planlocatie geen geschikte verblijfplaatsen en slechts een geringe hoeveelheid bodembedekkende vegetatie aanwezig. Ook is de soort erg verstoringsgevoelig, waardoor het niet aannemelijk is dat deze in bebouwd gebied voorkomt. Vanwege vorengenoemde kan geconcludeerd worden dat er voor de soort geen geschikt habitat aanwezig is. Derhalve kan de aanwezigheid van de waterspitsmuis op de planlocatie worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren.
Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bosmuis, bruine rat, egel, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de gewone dwergvleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5).
Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Rondom de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen 13
aangetroffen. Er worden geen bomen gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Bij de beoogde ruimtelijke ontwikkeling wordt geen bebouwing aangetast, waardoor het kan worden uitgesloten dat verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen worden weggenomen. Mogelijk wordt de aanwezige woning en werkplaats gebruikt door vleermuizen. Om verstoring te voorkomen dienen maatregelen te worden genomen, zie H5.4. Hoewel het uitgesloten is dat er vleermuisverblijfplaatsen worden weggenomen, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Foerageergebieden en vliegroutes worden vaak gevonden rondom water(gangen) en bomen(rijen). Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Bomen zijn enkel aanwezig in de vorm van een beukenhaag en in de aanwezige tuin. Mogelijk worden deze gebruikt als foerageergebied. Indien echter de maatregelen vermeld in H5.4 in acht worden genomen, kan worden uitgesloten dat er negatieve effecten voor vleermuizen zijn. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, knoflookpad, rugstreeppad en vinpootsalamander (NDFF 2013-2023).
Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: kamsalamander, knoflookpad, rugstreeppad en vinpootsalamander. De kamsalamander komt vooral voor in kleinschalige natuurlandschappen. Hier verblijven ze onder andere onder stenenstapels of in ruigtes en struwelen. Voortplantingswater is visvrij, vrij groot en goed begroeid. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig en tevens zijn er geen structuren aanwezig die als verblijfplaats kunnen dienen. Het kan derhalve worden dat de kamsalamander op de planlocatie voorkomt. De knoflookpad heeft een voorkeur voor onder andere agrarische gebieden en ruderale terreinen. Binnen 2 km van de planlocatie zijn alleen waarnemingen bekend op meer dan 1 km rondom poelen op ruderale terreinen. Een voorwaarde voor de aanwezigheid van de soort is de aanwezigheid van vergraafbare, open zandplekken omringd door vegetatie. Op de planlocatie zijn deze plekken niet aanwezig. Vanwege het ontbreken van deze plekken en het ontbreken van habitat, kan worden uitgesloten dat de knoflookpad op de planlocatie voorkomt. De rugstreeppad komt vooral voor op ruderale terreinen. Belangrijk zijn de aanwezigheid van ondiepe poeltjes en vergraafbaar zand. Deze elementen zijn op de planlocatie beiden niet aanwezig.
Vanwege het ontbreken van deze elementen en habitat in de vorm van ruderaal terrein, kan de aanwezigheid van de rugstreeppad op de planlocatie worden uitgesloten. Gezien er in de afgelopen drie jaar geen waarnemingen binnen 1 km bekend zijn (NDFF 2013-2023) hoeven er geen maatregelen genomen te worden. De vinpootsalamander komt vrijwel alleen voor in heidegebieden en heuvellandschap. Voortplanting gebeurt vooral in poelen en vennen. Overwintering gebeurt vooral in het water. Op de planlocatie zijn een woning met tuin, een werkplaats en een grasperceel aanwezig. Derhalve is er voor de vinpootsalamander geen geschikt habitat aanwezig. Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater en geschikt habitat, kan de aanwezigheid van de soort op de planlocatie worden uitgesloten. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Uit oude luchtfoto’s lijkt het alsof er in het verleden op de planlocatie een poel aanwezig was. Deze is echter in de huidige situatie niet meer aanwezig. Het dichtstbijzijnde oppervlaktewater is de Horsterbeek. Deze is snelstromend en bevat zeer aannemelijk vis, waardoor het voor de meeste soorten niet geschi Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie.
Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien 14
van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de levendbarende hagedis (NDFF 2013-2023). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De levendbarende hagedis heeft een voorkeur voor heide en hoogveen en komt hier vooral voor op oevers en vochtige terreindelen. Bekende waarnemingen zijn gedaan op circa 2 km van de planlocatie op het terrein van een golfclub (NDFF 2013-2023). Op de planlocatie zijn een woonhuis, een werkplaats, een tuin en een grasperceel aanwezig. Er is zodoende geen geschikt habitat voor de levendbarende hagedis aanwezig, derhalve kan de aanwezigheid van de soort worden uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20132023). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2013-2023). De teunisbloempijlstaart is niet waargenomen binnen een straal van 2 km in de afgelopen 10 jaar. Echter is de soort de laatste jaren flink in opmars en reikt zijn verspreidingsgebied inmiddels ten zuidoosten van de lijn Rotterdam – Zwolle. Het betreft een zwervende soort waardoor deze lastig waar te nemen is en waarnemingen in de NDFF aannemelijk ontbreken. Derhalve wordt deze soort ook meegenomen in de beoordeling. De teunisbloempijlstaart komt voor in open gebieden in bosrijke gebieden. Waardplanten voor de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Deze soorten zijn op de planlocatie niet aanwezig. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat en geschikte waardplanten, kan worden uitgesloten dat er voor de teunisbloempijlstaart functioneel habitat op de planlocatie aanwezig is. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen.
Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: aalscholver, huismus, huiszwaluw, kauw en winterkoning. Gedurende het veldbezoek zijn individuen en nesten aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Deze worden echter niet aangetast tijdens de ruimtelijke ingreep. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen 15
en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2023). Zowel in de woning als de werkplaats zijn tijdens het veldbezoek nesten van de huismus aangetroffen. Echter worden beiden niet aangetast in de beoogde ingreep. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. Om verstoring te voorkomen dient buiten het broedseizoen van de huismus te worden gewerkt, zie H5.4. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn.
Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. De bebouwing op de planlocatie is opgebouwd uit bakstenen muren met luchtspouw en heeft een dakpannen dak. Doordat de dakpannen niet goed aansluiten op de daklijst zijn er openingen die gierzwaluwen zouden kunnen gebruiken om de bebouwing binnen te komen. Echter worden er geen aantastingen gedaan aan de bestaande bebouwing, waardoor het kan worden uitgesloten dat er negatieve effecten ontstaan voor de gierzwaluw bij de ruimtelijke ingreep. Wel dient er buiten het broedseizoen van de gierzwaluw gewerkt te worden, zie ook H5.4. De werkplaats is toegankelijk voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil). Echter zijn er geen sporen aangetroffen en wordt de werkplaats bij de ruimtelijke ingreep niet aangetast, waardoor er geen negatieve effecten ontstaan op mogelijke nesten voor de soorten. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden.
Op de planlocatie is vanwege de kleinschaligheid, het behouden van de helft van het grasperceel en de aanwezigheid van veel verschillende alternatieve, soortgelijke percelen in de omgeving geen sprake van essentieel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m eins september. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de realisatiewerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
16
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,4 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,4 km tot het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een woning. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke verhoogde stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling. Gezien de geringe afstand (1,4 km) tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’, wordt geadviseerd om een stikstofonderzoek met de AERIUS Calculator uit te voeren.
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
17
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
Mogelijke functie planlocatie
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden in een stikstofonderzoek. Dit kan middels de AERIUS Calculator. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
1,4 km
Stikstof
Zie bijgevoegd stikstofonderzoek
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
18
5 Conclusie 5.1
Conclusie De beoogde realisatie van een woning aan de Ericaweg 5 te Siebengewald is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3 Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan door een stikstofonderzoek uit te voeren middels de AERIUS Calculator.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie en de aanwezige beukenhaag tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De realisatiewerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio september).
Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
19
Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
20
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Ericaweg 5 te Siebengewald en bestaat uit een woning met tuin, een werkplaats en een grasperceel. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een woning op het grasperceel.
Figuur 2
De bebouwing bestaat uit bakstenen muren met luchtspouw en een dakpannen dak. Er worden geen werkzaamheden aan de bebouwing verricht.
21
Figuur 3
Het grasperceel waarop de woning gerealiseerd zal worden beukenhagen.
Figuur 4
Het grasperceel waarop de woning gerealiseerd zal worden.
wordt omgeven door
22
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 23
Blom Ecologie Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg
Huisman Ruimte
0418 820 288
T.a.v. dhr. R. Huisman
info@blomecologie.nl
Putterweg 32
www.blomecologie.nl
3886 PC te Garderen
Onderwerp:
Stikstofonderzoek Ericaweg 5 te Siebengewald
Datum:
26 juni 2023
Project:
2023-0542
Samensteller:
E. Honingh MSc.
KVK
67221904
BTW nr.
NL856882999B01
IBAN
NL21RABO0314240683
Aanleiding Aan Ericaweg 5 te Siebengewald is een woonperceel met woning, bijgebouwen en een grasperceel gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op het grasperceel een nieuwe woning te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’.
Figuur 1 Locatie van de activiteiten (AERIUS Calculator).
Natura 2000 De planlocatie ligt op een afstand van 1,4 km tot het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ (figuur 2). Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Middels een berekening met de AERIUS Calculator wordt rekenkundig inzichtelijk gemaakt of de voorgenomen ontwikkeling resulteert in een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. De nieuwe habitatkartering afkomstig uit het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden is op 25 november 2022 vastgesteld.
Figuur 2
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,4 km tot het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ (AERIUS Calculator).
Locaties van stikstofemissie
Figuur 3
De stikstofemissie wordt gemodelleerd middels een verkeersweg en een planlocatie (AERIUS Calculator).
Stikstofemissie gebruiksfase Verkeer De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuwe woning. De woning wordt geclassificeerd als koop, huis, vrijstaand, buitengebied en niet stedelijk. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep worst-case tot een toename van circa 8,6 verkeersbewegingen (tabel 1) (CROW Toekomstbestendig parkeren, 2012). Voor de extra aangetrokken verkeersbewegingen worden deze voor 100% in oostelijke richting gezien de aansluiting richting een doorgaande weg (figuur 3), totdat deze verkeersbewegingen opgaan in het heersende verkeersbeeld. Hiervan is sprake indien het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Of zich daar daadwerkelijk ander verkeer bevindt, is niet relevant in het kader van de vraag of de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdende verkeer aan de beoogde ontwikkeling kunnen worden toegerekend. Stikstofemissie aanlegfase Gedurende de sloopfase en de aanlegfase wordt een tijdelijke toename in stikstofemissie verwacht. Deze stikstofemissie komt ten gevolge van: 1. De inzet van machines op de werklocatie en; 2. Het aan- en afvoeren van personeel, materiaal en machines middels verkeersbewegingen. Tabel 1
Inzet van mobiele werktuigen gedurende de aanlegfase.
Fase
Werktuig
Stage
Gemiddelde motorbelasting
Vermogen (kW)
Draaiuren
Woningbouw
Betonpomp
IV
25,3%
200
4
Woningbouw
Hijskraan
IV
38%
200
40
Woningbouw
Graafmachine
IV
36,7%
75
6
Woningbouw
Shovel
IV
36,7%
200
4
Woningbouw
Trilplaat
IV
25,3%
20
4
Tabel 2 Bepaling van de gemiddelde motorbelasting zoals conform Ligterink et al 2021.. Inzet
Gemiddelde motorbelasting
Beperkt
Wisselend
25,3%
Transmissie
Dynamisch
Wisselend
29,9%
Hydrauliek
Dynamisch
Wisselend
36,7%
Vaste as
Hoge last
Wisselend
38,0%
Transmissie
Constant
Continue
37.0%
Hydrauliek
Constant
Continue
45,6%
Vaste as
Constant
Continue
47,3%
Aandrijving
Motorbelasting
Vaste as
Conform de Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2022 (BIJ12, 2023) wordt voor de berekening van het brandstofverbruik van mobiele werktuigen, met behulp van de AUB-spreadsheet van TNO (Ligterink et al. 2021), de volgende formule gebruikt: 𝐿𝐵𝑃𝐽 = 𝐵 ∗ 𝐷 Waarin: LBPJ:
Brandstofverbruik [liter/jaar]
B:
Brandstofverbruik volgens de AUB-spreadsheet van TNO (Ligterink et al 2021) [liter/uur]
D:
Aantal draaiuren per jaar [uur/jaar]
De samenvatting van de inzet van mobiele werktuigen en de bijbehorende draaiuren, brandstofverbruik en Adblueverbruik staat in tabel 2. Het Adblueverbruik voor Stage IV en V werktuigen mag geschat worden op 6% van het brandstofverbruik (BIJ12, 2023). Tabel 2 Samenvatting van mobiele werktuigen gedurende de aanlegfase als input voor de AERIUS Calculator. Werktuig
Stage
Vermogen (kW)
Draaiuren (uur/jaar)
Brandstofverbruik (liter/jaar)
Adblueverbruik (liter/jaar)
4
8
n.v.t.
Lichte machines
IV
20-60
Middelzware machines
IV
60-150
6
51
3
150-500
48
1024
61
Zware machines
IV
De tijdelijke toename in verkeersbewegingen tijdens de aanlegfase wordt in onderstaande tabel berekend (tabel 3). Tabel 3 Samenvatting van de verkeersbewegingen gedurende de aanlegfase als input voor de AERIUS Calculator. Type verkeer
Weken aanlegfase
Aantal per week
Totaalaantal
Licht verkeer
28
30
840
Middelzwaar vrachtverkeer
28
4
112
Zwaar vrachtverkeer
28
2
56
Resultaten gebruiksfase Er is geen sprake van toename van stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase. Resultaten aanlegfase Er is geen sprake van toename van stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep in de aanlegfase. Conclusie De beoogde ontwikkeling is wat betreft stikstofdepositie en gebiedsbescherming gedurende de gebruiksfase en de aanlegfase uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Derhalve is er geen vergunning nodig en zijn er voor stikstof geen verdere vervolgstappen noodzakelijk.
We hopen u met dit schrijven voldoende te hebben geïnformeerd. We verblijven in afwachting van uw reactie.
Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., E. Honingh MSc. Auteur
Blom Ecologie B.V., ing. J. Dekkers Collegiale toets
Blom Ecologie B.V. Koeweistraat 2 - 4181 CD Waardenburg Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
C.J. Blom Ericaweg 5, 5853 EW Siebengewald Ericaweg 5 te Siebengewald Aanlegfase
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RpDrUJAa3DrK 23 juni 2023, 11:09 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Aanlegfase - Beoogd Aanlegfase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RpDrUJAa3DrK (23 juni 2023)
2023 -
0,3 kg/j
6,9 kg/j
2/7
Projectberekening
Aanlegfase (Beoogd), rekenjaar 2023 Emissiebronnen 1
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Bron 1 Verkeersnetwerk
RpDrUJAa3DrK (23 juni 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
0,3 kg/j 16,4 g/j
6,5 kg/j 0,4 kg/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RpDrUJAa3DrK (23 juni 2023)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Aanlegfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RpDrUJAa3DrK (23 juni 2023)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol N/ha/jr)
-
-
5/7
Projectberekening
Aanlegfase, Rekenjaar 2023 1
Naam Locatie
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning Bron 1 X:203701,3 Y:405658,16
Naam
NOₓ NH₃
Stageklasse
Lichte machines
Brandstofverbruik
Stage-IV, 2014-2018, <= 56 kW, diesel, 8 l/j SCR: nee
Middelzware machines
Stage-V, >= 2019 , 75-560 kW, diesel, SCR: ja
Zware machines
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 1024 l/j SCR: ja
2
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte Verkeer
Bron 2 X:203422,79 Y:405634,98 666,53 m Binnen bebouwde kom (doorstromend) Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 3
Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte Verkeer
Bron 3 X:203424,81 Y:405633,77 666,43 m Binnen bebouwde kom (doorstromend) Beide richtingen 1 Normaal 0m