Bijlagen bij toelichting Bijlage 6 Archeologisch proefsleuvenonderzoek
Tekst van het document
Archeologisch onderzoek (IVO-P) Wethouder Kortingstraat te Aijen Archeologish onderzoek (IVO-P) Wethouder Kortingstraat te Aijen, gemeente Bergen AB240142.R01v0.3.ARG727 Archeologische Rapporten Geonius 727 07 september 2025
Archeologisch onderzoek (IVO-P) Wethouder Kortingstraat te Aijen Archeologisch onderzoek (IVO-P) Wethouder Kortingstraat te Aijen, gemeente Bergen Documentnummer AB240142.R01v0.3. ARG727 7 september 2025 Archeologische Rapporten Geonius 727 ISSN 2405-5506 Opdrachtgever Architectenbureau Th. Vissers
Versie concept v0.3
Auteur D. Keijers
+31 88 130 06 00 info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen
Geonius.nl
Functie
Naam
senior KNA archeoloog
J.J.G. Geraeds
AB240142.R01v0.3.ARG727
2 van 78
Paraaf
Administratieve gegevens Opdrachtgever:
Architectenbureau Th. Vissers dhr. Th. Vissers Sint Leonardsweg 2 5861 BR Wanssum
Uitvoerder:
Geonius Archeologie De Asselen Kuil 10 6161 RD Geleen Contactpersoon: J. Geraeds E: j.geraeds@geonius.nl T: 088-1300600
Bevoegde overheid:
Gemeente Bergen Raadhuisstraat 2 5854 AX Bergen Adviseur gemeente: F. Kortlang
Beheer en plaats van documentatie:
Archief Geonius & Provinciaal depot Limburg
Landelijk registratienummer:
5803378001
Locatie:
Gemeente: Bergen Plaats: Aijen Toponiem: Wethouder Kortingstraat Centrum coördinaat: X 200.510 / Y 399.560 Omvang plangebied: ca. 6.452 m2
NoaA archeoregio:
Limburgs zandgebied
Onderzoekskader:
Omgevingsvergunning
Onderzoeksteam:
D. Keijers (senior KNA archeoloog) P. Heggen (archeoloog) Lucien van Geel (projectmedewerker)
Type onderzoek:
IVO-P
Periode veldonderzoek:
juli 2025
Geonius Archeologie is een onderdeel van Geonius Milieu B.V. Geonius is gecertificeerd voor de protocollen 4001 (Programma van Eisen), 4002 (Bureauonderzoek), 4003 (Inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven landbodem) van de SIKB BRL 4000 Geonius Groep B.V. en de verschillende divisies zijn gecertificeerd volgens de algemene kwaliteitsnorm NEN-EN-ISO 9001:2015, NEN-ENISO 14001:2015, VCA**2017/6.0 en CO2 Prestatieladder niveau 3.
Bronzen riemverdeler uit circa 900 na Chr. De riemverdeler of driepas is het beeldmerk van Geonius Archeologie. Een riemverdeler verbindt meerdere riemen met elkaar. De vorm komt overeen met het logo van Geonius dat staat voor de van oorsprong drie disciplines die één organisatie vormen en zorg dragen voor de uitvoering van integrale projecten.
AB240142.R01v0.3.ARG727
3 van 78
Samenvatting In juni en juli 2025 heeft Geonius Archeologie een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd aan de de Wethouder Kortingstraat 19 te Aijen (gemeente Bergen). Aanleiding voor het uitvoeren van het proefsleuvenonderzoek is de geplande nieuwbouw in het plangebied. De voorgenomen werkzaamheden die hiermee gepaard gaan kunnen een bedreiging vormen voor eventueel in de ondergrond aanwezige archeologische resten. In 2009 is een deel van het plangebied onderzocht middels bureauonderzoek en IVO‐O. Hieruit bleek een hoge verwachting op deels intacte vindplaatsen uit de bronstijd tot en met de nieuwe tijd. Geadviseerd werd bij bodemverstoringen dieper dan 50 cm onder maaiveld een proefsleuvenonderzoek (IVO‐P) uit te voeren. Het bevoegd gezag (gemeente Bergen) heeft dit verplicht gesteld. Het doel van het IVO‐P was vast te stellen of binnen het plangebied behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Verspreid over het terrein zijn zeven proefsleuven aangelegd met een totaaloppervlak van ca. 893,33 m² (dekkingsgraad ca. 13,85%). Het plangebied ligt op een Maasterras uit het Allerød, omgeven door lager gelegen terrasgeulen uit het Dryas. De hoger gelegen ligging maakte het terrein aantrekkelijk voor bewoning. Door plaggenbemesting in de periode late middeleeuwen -nieuwe tijd is een dik, humeus dek ontstaan.
Uit de veldwaarnemingen blijkt echter dat deze enkeergrond grotendeels diep is omgespit tot in de C‐horizont, waardoor het natuurlijke bodemprofiel slechts plaatselijk intact is. Het vondstmateriaal, voornamelijk uit de prehistorie–Romeinse tijd en late middeleeuwen, bestaat hoofdzakelijk uit huishoudelijk afval, deels ingebracht via plaggenbemesting en deels afkomstig van oude bewoningsactiviteiten. De dichtheid aan archeologische sporen is laag. Twee vindplaatsen zijn gedefinieerd: •
In het noordwesten een cluster kuilen uit de nieuwe tijd, mogelijk gerelateerd aan agrarische activiteiten of een zone waar gelijkaardige handelingen plaats vonden. Het betreft hier een duidelijk offsite fenomeen.
•
In het zuidwesten een waterput en een cluster ingravingen. De waterput is vermoedelijk Romeins, maar kan ook een middeleeuwse oorsprong hebben. Waterputten staan over het algemeen in verband met bewoning. Ten westen van de waterput bleek de bodem iets minder diep verspit en zijn ook ingravingen waargenomen. De meeste van deze ingravingen zijn ondiep en lijken grotendeels gegraven vanuit het ophoogdek. Dit zou beteken dat ze een jongere datering (nieuwe tijd) hebben waardoor een relatie met agrarische activiteiten bij vele sporen mogelijk is.
Op basis van de gemiddelde fysieke kwaliteit en lage tot gemiddelde inhoudelijke waarde worden de vindplaatsen met uitzondering van de waterput als niet‐behoudenswaardig beoordeeld. Geonius adviseert daarom met uitzondering van het niet onderzochte deel van de waterput geen archeologische beperkingen voor de verdere planvorming. De resultaten van dit onderzoek zijn niet toepasbaar op de aanwezigheid of gaafheid van archeologische resten in aangrenzende gebieden.
AB240142.R01v0.3.ARG727
4 van 78
Inhoud 1
Inleiding
8
1.1
Aanleiding en motivering
8
1.2
Locatie plangebied
9
1.3
Onderzoeksopzet en richtlijnen
9
1.4
Doelstelling en onderzoeksvragen
9
2
Vooronderzoek
11
2.1
Geologie en geomorfologie
11
2.2
Bodem
12
2.3
Archeologische context
12
2.4
Historische ontwikkeling
15
2.5
IVO-O
16
2.6
Gespecificeerde verwachting
17
3
Methodiek
3.1
Algemeen
18
3.2
Terreininspectie
18
3.3
Wijzigingen t.o.v. Programma van Eisen
18
3.4
Werkputten en vlakken
19
3.5
Documentatie vlakken en profielen
21
3.6
Afwerking en behandeling van sporen en vondsten
21
3.7
Bemonstering
21
3.8
Afronding en uitwerking
22
4
Resultaten veldwerk
4.1
Geologie en bodem
23
4.1.1
Antropogene lagen
23
4.1.2
Natuurlijke afzettingen
24
4.1.3
Interpretatie
24
4.2
Sporen
27
4.2.1
Inleiding
27
4.2.2
Recente verstoringen
27
4.2.3
Greppels
29
4.2.4
Waterput
29
4.2.5
Kuilen en paalkuilen
31
4.3
Vondsten
39
4.3.1
Gebruiksaardewerk
39
4.3.2
Metaal
43
4.3.3
Organisch materiaal
44
4.3.4
Besluit
44
4.4
Interpretatie
45
4.5
Vindplaatsen
47
AB240142.R01v0.3.ARG727
18
5 van 78
23
4.5.1
Definiëring
47
4.5.2
Vindplaats 1
47
4.5.3
Vindplaats 2
47
4.6
Waardestelling
47
4.6.1
Algemeen
47
4.6.2
Fysieke kwaliteit
48
4.6.3
Inhoudelijke kwaliteit
48
4.6.4
Conclusie
49
5
Conclusies en aanbevelingen
5.1
Beantwoording van de onderzoeksvragen
50
5.2
Aanbevelingen
53
50
Literatuurlijst
55
Gebruikte bronnen
56
Lijst met afbeeldingen Afbeelding 1: Ligging plangebied. Inzet: situering plangebied in Nederland (rode stip).
9
Afbeelding 2: Uitsnede geomorfogenetische kaart van Nederland.
11
Afbeelding 3: Overzicht AMK-terreinen, vondstlocaties en onderzoeksmeldingen. Bron: Archis. 13 Afbeelding 4: Urngraf ten zuiden van het plangebied op het Dryas-terras (Keijers, 2018).
14
Afbeelding 5: Uitsnede Tranchot kaart (1805).Bron: Tranchot und von Muffling.
15
Afbeelding 6: Luchtfoto uit 2016. Bron: Topotijdreis.nl.
16
Afbeelding 7: Boorpuntenkaart IVO-O. Bron: Wullink & Stiekema, 2009.
17
Afbeelding 8: Situatie plangebied bij aanvang veldwerk.
18
Afbeelding 9: Overzicht aangelegde putten, kijkgaten en gedocumenteerde profielen.
20
Afbeelding 10: Overzicht aangelegde putten (zonder uitbreiding).
21
Afbeelding 11: Kolomprofiel 1 in werkput 1. (links) en kolomprofiel 6 in werkput 3 (rechts).
23
Afbeelding 12: Het plangebied en werkputten op het AHN. Bron: Algemeen Hoogtebestand Nederland.
24
Afbeelding 13: Interpretatie sporen vlak 1.
25
Afbeelding 14: Interpretatie sporen werkput 1- vlak 2.
26
Afbeelding 15: Luchtfoto uit 2021. De sloot (blauw) is nog deels herkenbaar
28
Afbeelding 16: Luchtfoto uit 2024. De verspittingen en voormalige sloot (blauw) zijn nog goed in de begroeiing herkenbaar.
28
Afbeelding 17: Doorsnede waterput.
30
Afbeelding 18: Detail van de centrale waterputvulling. Het hout van de bekisting is vergaan maar wel nog herkenbaar.
31
Afbeelding 19: De noordelijke kuilencluster in de westelijke helft van werkput 6.
32
Afbeelding 20: De noordelijke kuilencluster. De lichtere sporen (S6 en S7) vormden de aanleiding van de uitbreiding. Door de hoge temperaturen droogden de sporen sterk uit wat deels ook de lichtere verkleuring van de sporen verklaard.
33
Afbeelding 21: Doorsnede van kuil 18.
34
Afbeelding 22: De zuidelijke kuilencluster in de westelijke helft van werkput 3.
36
AB240142.R01v0.3.ARG727
6 van 78
Afbeelding 23: De zuidelijke kuilencluster.
37
Afbeelding 24: De zuidwestelijke sporencluster op de luchtfoto van 2006. Diverse sporen langs de zuidwestrand komen overeen met de bomen. Het is vooralsnog onbekend in hoeverre ook elders in het westelijk deel van werkput 3 ooit bomen hebben gestaan.
38
Afbeelding 25: Aardewerk uit de Romeinse tijd.
40
Afbeelding 26: Aardewerk uit de middeleeuwen.
41
Afbeelding 27: Verspreiding gebruiksaardewerk.
42
Afbeelding 28: Gordelhaak (V28).
43
Afbeelding 29: De aangetroffen sporen op het inrichtingsplan.
54
Lijst met tabellen Tabel 1 Overzicht werkputten.
19
Tabel 2 Overzicht spoorcategorieën.
27
Tabel 3 Overzicht greppels/ verspitting.
29
Tabel 4 Overzicht kuilen noordelijke cluster.
33
Tabel 5 Overzicht (paal)kuilen zuidelijke cluster.
35
Tabel 6 Aantal vondsten per materiaalcategorie.
39
Tabel 7 Scoretabel waardestelling van de vindplaatsen.
49
AB240142.R01v0.3.ARG727
7 van 78
1 Inleiding 1.1 Aanleiding en motivering Aan de Wethouder Kortingstraat te Aijen (gemeente Bergen) wordt een herontwikkeling voorzien die inspeelt op de woonbehoefte in het dorp Aijen. In het plangebied is het innemen om 3 vrijstaande woningen en 6 twee onder een kap woningen te bouwen (totaal 9 woningen). Volgens de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeenten Gennep, Mook en Middelaar en Bergen bevindt het plangebied zich in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Aangezien de voorgenomen activiteiten eventuele archeologische resten in de ondergrond kunnen aantasten, was een archeologisch onderzoek noodzakelijk. In het kader van de herontwikkeling is een deel van het plangebied reeds in 2009 onderzocht middels een bureauonderzoek en een IVO‐O.1 Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting voor resten uit het laat paleolithicum t/m de nieuwe tijd, met de nadruk op de late middeleeuwen en nieuwe tijd vanwege de ligging aan de rand van de historische kern van Aijen. Uit het IVO‐O bleek dat binnen het plangebied een vrij verstoorde bodemopbouw aanwezig is. Het esdek is volledig omgewerkt, waarschijnlijk als gevolg van het gebruik als tuinbouwgrond. Sporen van jager-verzamelaars zullen daardoor zijn verstoord. Wel worden dieper ingegraven sporen verwacht vanaf de bronstijd t/m de nieuwe tijd.
Deze sporen worden verwacht vanaf de top van de C-horizont, op een diepte van 50 – 80 cm -mv. Geadviseerd werd om bij bodemverstorende werkzaamheden beneden 50 cm onder het huidige maaiveld, een Inventariserend Veldonderzoek – Proefsleuven (IVO-P) uit te voeren. Doel van het IVO-P is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en het booronderzoek en het waarderen van aanwezige archeologische waarden. Het bevoegd gezag (gemeente Bergen) heeft naar aanleiding van het onderzoek een IVO-P verplicht gesteld. Voorafgaand aan het onderzoek is, conform de KNA, een Programma van Eisen (PvE) opgesteld.2 Dit PvE diende als uitgangspunt voor het onderzoek Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd in juni en juli 2025 en heeft tot doel het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting zoals vastgesteld in het bureau- en booronderzoek. In voorliggend rapport worden de resultaten van het archeologisch onderzoek beschreven. Ook wordt een inzicht verkregen over een eventuele vervolgstap in de AMZ (Archeologische Monumenten Zorg) cyclus. 3
1 Stiekema, 2010 & Wullink & Stiekema, 2009. 2 Verschuren 2024. 3
Sterk vereenvoudigd kent de AMZ cyclus vier opeenvolgende en nauw samenhangende fasen. De eerste fase behelst de inventarisatie (bijv. kartering) en documentatie van archeologische waarden: waar in de bodem is wat aanwezig? In de tweede fase wordt aan de hand van een reeks heldere criteria vastgesteld welke waarde de gekarteerde resten hebben , zodat op basis van geëxpliciteerde normen vervolgens een selectie kan worden gemaakt: welke resten verdienen het behouden te worden (in of ex situ) en welke mogen ongezien verloren gaan? In de derde fase wordt het behoud vormgegeven van de gewaardeerde en geselecteerde resten: is het mogelijk om de archeologische resten in de bodem te behouden of moeten ze – bijvoorbeeld onder druk van ruimtelijke ontwikkelingen - opgegraven worden? In het eerste geval moet worden vastgesteld hoe bescherming in situ (instandhouding) wordt vormgegeven, in het tweede geval hoe de opgraving moet worden uitgevoerd en uitgewerkt. In de vierde en laatste fase van de AMZ-cyclus worden tenslotte de resultaten van het uitgevoerde onderzoek 'opgewerkt' tot nieuwe kennis over de Nederlandse geschiedenis. Deze kennis op haar beurt vormt weer de inbreng voor de eerste procesfase.
AB240142.R01v0.3.ARG727
8 van 78
1.2 Locatie plangebied Het plangebied is gelegen aan de zuidoostrand van het dorp Aijen (gemeente Bergen). Het staat afgebeeld op kaartblad 52Oost van de topografische kaart van Nederland. Het wordt in het noordwesten begrensd door de Wethouder Kortingsstraat, in het oosten en zuiden door weilanden en in het noorden en westen door bebouwing (Afbeelding 1). Het plangebied heeft een oppervlakte van 6.452 m2. Ten tijde van het onderzoek was het plangebied in gebruik als grasland. In het noordwesten komt echter verharding (oprit) en bebouwing (garage) voor.
Afbeelding 1: Ligging plangebied. Inzet: situering plangebied in Nederland (rode stip).
1.3 Onderzoeksopzet en richtlijnen Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003, dat deel uitmaakt van de beoordelingsrichtlijn (BRL) 4000. De BRL 4000 is opgesteld op basis van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.24 die beheerd wordt door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsboring Bodembeheer (SIKB). 5
1.4 Doelstelling en onderzoeksvragen Doel van het onderzoek is het is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting en vast te stellen of zich binnen de begrenzing van het onderzoeksgebied behoudenswaardige archeologische resten bevinden. Er wordt getracht inzicht te verkrijgen in de precieze aard, omvang, diepteligging en datering van deze archeologische resten.
4 Deze versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.2) is op 1 april 2024 vastgesteld door het Centraal College van
Deskundigen (CCvD) Archeologie, ondergebracht bij de SIKB te Gouda. 5 www.sikb.nl
AB240142.R01v0.3.ARG727
9 van 78
Om de doelstellingen te behalen zijn in de Programma’s van Eisen6 de navolgende onderzoeksvragen opgenomen, die op basis van de onderzoeken beantwoord dienen te worden. 1.
Zijn er archeologische waarden aanwezig binnen het plangebied? Zo ja: waaruit bestaan de archeologische waarden en wat is de ouderdom hiervan? In hoeverre komen deze aangetroffen archeologische waarden overeen met de gespecificeerde archeologische verwachting? 2. Wat is de ruimtelijke spreiding van de archeologische waarden, zowel in het horizontale als verticale vlak? Welke materiaalcategorieën zijn aanwezig? Wat is de vondstdichtheid? 3. Is er sprake van een archeologische vindplaats? Hoe is deze vindplaats te waarderen en is de vindplaats op grond van deze waardering als behoudenswaardig te bestempelen (met het oog op de rest van het onderzoeks-/plangebied)? 4. Welk type vindplaats vertegenwoordigen de archeologische waarden? 5. In welke mate hebben agrarisch gebruik, de bouw van de kas of andere antropogene ingrepen geleid tot aantasting of verstoring van de vindplaats? 6. Is er een relatie met uit gravend archeologisch onderzoek bekende vindplaatsen in of op zeer korte afstand van het betreffende deelgebied? 7. Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio aanscherpen? 8. In welke geologische en bodemkundige eenheden dan wel lagen bevinden zich de archeologische waarden? Wat is de relatie tussen de ligging van de archeologische waarden en geomorfologische en bodemkundige kenmerken van het gebied? 9.
Indien het onderzoek geen archeologische waarden of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, is er dan mogelijk wel sprake van een of meerdere vondstconcentraties? Welke verklaring is te geven voor de afwezigheid van archeologische resten/sporen? Is er (bijvoorbeeld) sprake van: aantoonbare afwezigheid van bewoning en/ of actief landgebruik, verstoring van antropogene aard, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door bodemprocessen, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werk- of weersomstandigheden? 10. Is het mogelijk op basis van de resultaten van het onderzoek een beleidsaanbeveling te doen voor het plangebied en/of het omliggende gebied (t.a.v. beleid, inrichting en beheer)? 11. Heeft het onderhavige onderzoek een bijdrage geleverd aan de kennisstand archeologie zoals weergegeven in de provinciale synthese uit 2017? 12. Welke nieuwe inzichten heeft het onderzoek in dat opzicht opgeleverd en op welk vlak (periode, gebied, thema)? Leeswijzer Na het inleidende hoofdstuk 1, wordt in hoofdstuk 2 het vooronderzoek kort behandeld. In hoofdstuk 3 wordt de methodiek van het veldwerk beschreven en in hoofdstuk 4 worden de resultaten van het veldwerk gepresenteerd. Het rapport wordt afgesloten met hoofdstuk 5 waarin de conclusies en aanbevelingen geformuleerd worden.
In de bijlagen zijn de overzichtskaarten en lijsten opgenomen.
6 Verschuren, 2024.
AB240142.R01v0.3.ARG727
10 van 78
2 Vooronderzoek 2.1 Geologie en geomorfologie Het plangebied behoort tot het terrassenlandschap van de Maas. Dit terrassenlandschap is ontstaan gedurende de verschillende koude en warme perioden van het Pleistoceen. Gedurende het Pleistoceen overheersten over het algemeen de koude omstandigheden (ijstijden), maar er kwamen ook (relatief kortstondige) warme perioden voor. Tijdens koudere perioden (glacialen) had de Maas een vlechtend patroon waarin dikke pakketten grof zand en grind werden afgezet (Formatie van Beegden). Tijdens warmere perioden had ze over het algemeen een meanderend karakter, waarbij een dal werd uitgegraven in de oudere afzettingen. Als gevolg van de opeenvolgende glacialen en interglacialen werd de Maas gedwongen om zich in haar eigen bedding in te graven, waarbij een nieuw dal met een nieuwe vlakte werd gevormd. De restanten van de oude dalbodem met het vlechtende patroon lagen als een terras boven de dalbodem van de meanderende rivier. Als gevolg van de afwisseling van koude en warme perioden volgden de processen van opvulling en insnijding elkaar op en ontstonden er verscheidene terrassen (terrassenlandschap). De oude terrassen liggen hoger dan de jonge terrassen. In het Holoceen (ca. 11.500 jaar geleden tot vandaag de dag) begon de vegetatie zich onder invloed van klimaatsveranderingen te herstellen.
Mede hierdoor veranderde het karakter van de Maas geleidelijk in een systeem met één hoofdgeul (een meanderend systeem). Dit holocene Maasdal vormt (vooralsnog) het laatste stadium in het terassenlandschap. Er werden verschillende sedimenten afgezet in de bedding, op de oevers en in de naastgelegen komgebieden.
Afbeelding 2: Uitsnede geomorfogenetische kaart van Nederland.
AB240142.R01v0.3.ARG727
11 van 78
Aijen bevindt zich op een hogere rug naast de huidige Maas, op een terras dat is gevormd tijdens het Allerød (11.900 – 10.950 BP). Het terras wordt omringd door lager gelegen, oude terrasgeulen uit het Dryas. Ten zuiden van het Allerød-terras bevindt zich nog een terras uit het Dryas. De huidige Maas ligt op circa 250 m ten westen van het plangebied.
2.2 Bodem Op de bodemkaart is het plangebied gekarteerd als hoge bruine enkeerdgrond. Bij enkeerdgronden is sprake van een antropogeen opgebracht dek om de vruchtbaarheid van de grond te verbeteren. Mogelijk al in de late middeleeuwen, maar zeker in de nieuwe tijd, werd de landbouwproductie op de zandgronden vergroot door een intensivering met behulp van bemesting. Humusrijk materiaal (zoals bosstrooisel, heide- en/of grasplaggen) werd gebruikt om de mest van het gestalde vee te binden waarna het op de akker werd gebracht. Door de eeuwen heen ontstonden hier gronden met een dikke humushoudende bovenlaag boven de natuurlijke bodem, vaak aangeduid met de term ‘plaggenbodem’. Bij een hoge enkeerdgrond is de humeuze bovengrond dikker dan 50 cm. De hoge bruine enkeerdgronden zouden zijn ontstaan door het opbrengen van bosstrooisel en klei-/grasplaggen. Het is evenwel ook mogelijk dat in het plangebied van nature moderpodzolen en verbruining (een combinatie van inspoeling van ijzer/aluminium en homogenisatie door bodemleven van humus met bodemmateriaal, resulterend in een intens bruine kleur) voorkomt. Bij hoge bruine enkeerdgronden is vaak nog discussie of het bruine dek hier volledig antropogeen is opgebracht of dat het deels de bruine B-horizont van een moderpodzol betreft.
2.3 Archeologische context In de omgeving van Well-Aijen zijn door onderzoeken in het kader van de Maaswerken vele vindplaatsen aangetroffen op diverse landschappelijke eenheden. Holocene kronkelwaardruggen Op ca. 500 meter ten zuiden van het plangebied ligt de noordrand van een beschermd AMK-terrein van zeer hoge archeologische waarde (AMK-terrein 16018). Het terrein omvat een strook met Holocene kronkelwaardruggen direct langs de Maas van ca. 3 km lang en ca. 500 meter breed, waar in 2005 een uitgebreid proefsleuvenonderzoek heeft plaatsgevonden. Bij dit onderzoek zijn 27 individuele vindplaatsen aangetroffen. Deze vindplaatsen bevatten o.a. grondsporen uit het midden neolithicum, een begraven neolithisch landschap (afgedekte rivierduinen), bewoningssporen uit het mesolithicum, neolithicum, midden bronstijd en vroege, midden en late ijzertijd, een crematiegraf uit de late ijzertijd/ vroeg Romeinse tijd, en bewoningssporen (paalkuilen, meilers en ijzersmeltovens) uit de vroege middeleeuwen.
AB240142.R01v0.3.ARG727
12 van 78
Afbeelding 3: Overzicht AMK-terreinen, vondstlocaties en onderzoeksmeldingen. Bron: Archis.
Dryas terras Direct ten oosten van AMK-terrein 16018, op het Dryas terras ca. 500 m ten zuiden van het plangebied, zijn vondsten en sporen aangetroffen uit het mesolithicum, het neolithicum, de bronstijd, de periode late bronstijdRomeinse tijd, de Romeinse tijd en de periode middeleeuwen-nieuwe tijd. Vuurstenen artefacten uit het mesolithicum en neolithicum wijzen op menselijke activiteiten. Uit de periode vroege- midden bronstijd zijn diverse sporen waaronder één vermoedelijke structuur en twee graven aangetroffen. De meeste vondsten en sporen dateren uit de periode late bronstijd-vroeg Romeinse tijd. In het westelijke deel van het terrein zijn dertien structuren aangetroffen. Te midden van deze structuren zijn vermoedelijk ook nog eens twaalf crematiegraven zijn vastgesteld (Afbeelding 4). Vanaf de middeleeuwen ontbreken aanwijzingen voor bewoning volledig. Wel zijn diverse sporen aangetroffen die in verband staan met de inrichting van het gebied. Ze dateren vermoedelijk ten vroegste uit de volle/late middeleeuwen Ook sporen gevonden die wijzen op off site activiteiten gedurende de middeleeuwen en nieuwe tijd zijn aanwezig. Het gaat om enkele losstaande kuilen en een veldbrandoven direct ten oosten van de hier aanwezige weg. Tot slot zijn nog sporen uit de Tweede Wereldoorlog aangetroffen. Het gaat om twee loopgraven en mogelijk kuilen ten gevolge van granaatinslagen.
AB240142.R01v0.3.ARG727
13 van 78
Afbeelding 4: Urngraf ten zuiden van het plangebied op het Dryas-terras (Keijers, 2018).
Alleröd terras Ook het Alleröd terras rondom Aijen heeft diverse vindplaatsen opgeleverd. Direct ten zuidwesten van het plangebied zouden in 1880 een rand- en vleugelbijl uit de bronstijd gevonden zijn (zaakidentificatienr. 3114436100). Het gaat her echter om een oude waarneming waarvan de precieze vondstlocatie niet gekend is en hier administratief geplaatst is. Op ca. 500 m ten noordwesten van het plangebied zijn 19 grotendeels verstoorde crematiegraven aangetroffen die waarschijnlijk rond de overgang van de midden ijzertijd (500-250 v.Chr.) naar de late ijzertijd (250-12 v.Chr.) gedateerd moeten worden. Het gaat hier om eenvoudige kuiltjes met crematieresten, enkele grafgiften en soms resten van de brandstapel (zaakidentificatienrs. 4561972100 en 456302100). Uit de Romeinse periode werden een aantal aardewerkfragmenten aangetroffen. Duidelijke sporen zijn echter niet herkend. Vermoedelijk werd ergens in de loop van de late ijzertijd en de Romeinse tijd het overstromingsrisico te groot en zocht men voor bewoning de hogere delen in het landschap op.7 Op 300 m ten noordwesten van het plangebied, aan de westrand van Aijen, zijn op de hoogste delen van het landschap vele sporen uit de vroege middeleeuwen aangetroffen. Het gaat om 61 kuilen waarin mogelijk een éénschepige merovingische-karolingische structuur verborgen zit.
Verder zijn hier ook 3 waterputten opgegraven (zaakidentificatienrs. 4561972100 en 456302100). Er lijkt in de vroege middeleeuwen continue bewoning aanwezig geweest (van ca. 525 tot 1050 n.Chr.).
7 Bringmans, 2020.
AB240142.R01v0.3.ARG727
14 van 78
2.4 Historische ontwikkeling De westelijke rand van het plangebied behoort tot AMK-terrein 16272, een terrein van hoge archeologische waarde, dat de historische bewoningskern van Aijen betreft. De oudste vermelding van Aijen (Oyen) stamt uit 1331. Aijen bestond toen uit een tamelijk losse groep boerderijen liggend op een aantal ruggen langs de Maas. Volgens de Tranchotkaart ligt het plangebied op de overgang van de oude dorpskern van Aijen naar een veld (Afbeelding 5; op de Camps Veld). Velden zijn (open) akkers die behoren bij een gehucht of dorp, in dit geval dus het dorp Aijen.
Afbeelding 5: Uitsnede Tranchot kaart (1805).Bron: Tranchot und von Muffling.
Het stratenpatroon en verkavelingspatroon rond het plangebied is sindsdien nauwelijks veranderd. Het plangebied kende een agrarisch gebruik. In de tweede helft van de 20 ste eeuw verscheen in het plangebied een kassencomplex (Afbeelding 6). Dit complex wordt omstreeks 2020 afgebroken.
AB240142.R01v0.3.ARG727
15 van 78
Afbeelding 6: Luchtfoto uit 2016. Bron: Topotijdreis.nl.
2.5 IVO-O Tijdens het IVO-O in 2009 zijn in totaal vijf boringen uitgevoerd (Afbeelding 7).8 Het verkennend inventariserend booronderzoek heeft aangetoond dat de locatie inderdaad op een hoge enkeerdgrond is gelegen. Uit de boringen blijkt echter dat het oorspronkelijke plaggendek tot in de C-horizont is verploegd. Deze verstoring is vermoedelijk ontstaan door de bouw van de kas en het intensief bewerken van de gronden in en behorende bij de kas. De verstoringsdiepte varieert van 50 - 80 cm —mv. De verstoorde bodemlagen (A/C-horizont) kenmerken zich voornamelijk door kleurafwijkingen en -vlekken en de aanwezigheid van fragmenten (recent) baksteen. De aanwezigheid van het oorspronkelijke plaggendek was nog wel te herkennen in de verstoorde bovengrond. Onder de verstoorde laag bevindt zich het oorspronkelijke moedermateriaal (C-horizont). Deze afzettingen onderscheiden zich door een betere sortering en de meer effen, geel tot geeloranje kleur. Het betreft Maasafzettingen van de Formatie van Beegden. Door de diepe verstoringen is de kans dat er in het plangebied nog een intacte vondstlaag aanwezig is, erg klein. Diepe grondsporen kunnen wel nog aanwezig zijn.
8 Wullink & Stiekema, 2009.
AB240142.R01v0.3.ARG727
16 van 78
Afbeelding 7: Boorpuntenkaart IVO-O. Bron: Wullink & Stiekema, 2009.
2.6 Gespecificeerde verwachting Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting voor resten uit het laat paleolithicum t/m de nieuwe tijd, met de nadruk op de late middeleeuwen en nieuwe tijd vanwege de ligging aan de rand van de historische kern van Aijen. Uit het booronderzoek bleek dat de bodem is verstoord tot in de C-horizont. Sporen van jager-verzamelaars zullen daardoor zijn verstoord. Wel worden dieper ingegraven sporen verwacht vanaf de bronstijd t/m de nieuwe tijd. Geadviseerd werd om bij bodemverstorende werkzaamheden beneden 50 cm onder het huidige maaiveld, een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven te laten uitvoeren. Naar aanleiding van het onderzoek heeft de gemeente Bergen besloten dat een IVO-P uitgevoerd diende te worden.
AB240142.R01v0.3.ARG727
17 van 78
3 Methodiek 3.1 Algemeen Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden in juni en juli 2025. Het veldteam bestond uit D. Keijers (senior KNA archeoloog), P. Heggen (archeoloog) &. L. van Geel (projectmedewerker). Het onderzoek is conform de BRL 4003 uitgevoerd.
3.2 Terreininspectie Het plangebied is overwegend in gebruik als grasland (Afbeelding 8). Het reliëf is relatief gelijk. Ten oosten van het plangebied is de oude Maasgeul herkenbaar door de lagere ligging. Direct ten oosten van het plangebied is een klein steilrandje herkenbaar. Dit suggereert dat het plangebied lichtjes -door ophoging en/of afvlakkinggenivelleerd is. Het noordwestelijke deel van het plangebied is verhard (oprit). Hier is ook een garage aanwezig.
Afbeelding 8: Situatie plangebied bij aanvang veldwerk.
3.3 Wijzigingen t.o.v. Programma van Eisen Er is tijdens het veldwerk beperkt afgeweken t.o.v. het PvE. Deze wijzigingen zijn in chronologische volgorde:
AB240142.R01v0.3.ARG727
18 van 78
•
De zevende optionele proefsleuf is niet aangelegd aangezien bij de nabijgelegen putten 4 en 5 geen sporen werden aangetroffen en het profiel in deze putten voor een groot deel verspit is.9
•
Aangezien de optionele werkput 7 niet werd aangelegd is werkput 6 op 2 locaties waar mogelijk goede sporen aanwezig waren uitgebreid (ca. 106 m2). Het doel was meer inzicht in een aantal sporen te bekomen.10
•
Pas in de uiterst finale fase van het reguliere veldwerk bleek na het couperen van een groot spoor in het westelijk deel van de overwegend diep verspitte werkput 3 alsnog een waterput aanwezig. Om meer inzicht te verkrijgen is hier alsnog een westelijke en zuidelijke uitbreiding gebeurd. De bij de uitbreiding aangetroffen sporen zijn zo veel mogelijk gecoupeerd om verder inzicht te verkrijgen.11 Hoewel de putten ten noorden van de werkput 3 (WP 4 en 5) geen archeologische waarden opleverden en direct ten noorden van werkput 3 een brede en diepe sloot eventuele waarden heeft vernietigd, is een kleine proefsleuf 7 aangelegd om iets meer inzicht in de noordelijke verspreiding en de bodemopbouw te verkrijgen. Gezien de aanwezigheid van verspittingen is deze put niet verder uitgebreid.
3.4 Werkputten en vlakken In totaal zijn er 7 werkputnummers uitgedeeld (Afbeelding 9). Met behulp van een bandenkraan met gladde bak is laagsgewijs verdiept tot de top van de onverstoorde bodem (vlak 1). Deze diepte kon per put variëren (Tabel 1; Bijlage 2). In totaal is ca. 893,33 m2 vlak gedocumenteerd. Dit komt neer op een dekkingsgraad van 13,85 % van het totale plangebied. Ten behoeve van de kijkgaten en om meer inzicht te verkrijgen in plaatselijke fenomenen, is lokaal nog verder laagsgewijs verdiept. In totaal is 48,2 m2 aan vlak 2 gedocumenteerd. Tabel 1 Overzicht werkputten.
oppervlakte
hoogtes maaiveld (m NAP)
hoogtes vlak (m NAP)
werkput WP1 -vlak 1
100,3
m²
14,75-14,98
13,93-14,08
werkput WP2 -vlak 1
98,35
m²
14,5-14,71
13,73-14,11
werkput WP3 -vlak 1
222,56
m²
14,33-14,52
13,58-13,84
werkput WP4 -vlak 1
104,9
m²
14,63-14,73
13,6-14,03
werkput WP5 -vlak 1
115,57
m²
14,66-14,81
13,86-14,05
werkput WP6 -vlak 1
221,5
m²
14,43-14,70
13,51-13,88
werkput WP7 -vlak 1
30,15
m²
14,52-14,64
13,88-14
Vlak 2
48,2
Totaal
m² 14,42-14,83 m² 941,53
9 Telefonisch overleg F. Kortlang op 27-06-2025. 10
Telefonisch overleg F. Kortlang op 27-06-2025.
11 Overleg uitbreiding en doorsneden telefonisch overlegd met dhr. F. Kortlang op 30-06-2025.
AB240142.R01v0.3.ARG727
19 van 78
12,31-14,04
Afbeelding 9: Overzicht aangelegde putten, kijkgaten en gedocumenteerde profielen.
AB240142.R01v0.3.ARG727
20 van 78
Afbeelding 10: Overzicht aangelegde putten (zonder uitbreiding).
3.5 Documentatie vlakken en profielen Alle vlakken zijn gefotografeerd en ingemeten met behulp van een GNSS RTK GPS. Dit omvat het digitaal inmeten van de put, sporen, spoornummers, vondsten, kolomprofielen, coupelijnen, vlakhoogten en maaiveldhoogten (x- en y- coördinaten, ingemeten in het RD-coördinatenstelsel; hoogte ten opzichte van NAP). Alle vlakken zijn met een metaaldetector onderzocht. Alle sporen en bodemlagen zijn in een reeks genummerd en tijdens het veldwerk beschreven. De beschrijving en interpretatie van sporen en lagen is opgenomen in de sporenlijst (zie bijlage 4). Tijdens het onderzoek zijn 13 kolomprofielen gefotografeerd, ingemeten en beschreven. Daarnaast zijn ook nog ten behoeve van de documentatie van sporen nog langere profielen gedocumenteerd vanaf het maaiveld.
3.6 Afwerking en behandeling van sporen en vondsten Tijdens het onderzoek zijn alle, op het eerste gezicht, relevante sporen gecoupeerd, gefotografeerd en gedocumenteerd. Indien mogelijk is zoveel mogelijk geregistreerd door middel van een putwandprofiel. Een grotere verkleuring langs het putwandprofiel in de overwegend verstoorde werkput 3, bleek na het opschaven alsnog een waterput. De sporen zijn niet afgewerkt. Er zijn 50 vondstnummers uitgedeeld die betrekking hebben tot 105 vondsten (zie bijlage 5). De diverse vondstcategorieën bestaan uit aardewerk, metaal en organisch materiaal.
3.7 Bemonstering Er werden tijdens het onderzoek 2 monsters genomen uit een waterput. Het betreft een pollenmonster (M1) en een algemeen monster (M2). Twee houtskoolmonsters zijn behandeld als vondst (V10 en V25). Aangezien geen humeuze lagen (uitgezonderd vergaand hout) in de waterput zijn vastgesteld, wordt verwacht dat de monsters slechts matig bewaarde macroresten en pollen bevat. De monsters zijn dan ook niet aan een nadere waardering of analyse onderworpen.
AB240142.R01v0.3.ARG727
21 van 78
3.8 Afronding en uitwerking De digitale meetgegevens werden verder verwerkt in QGis. De sporen-, foto-, tekeningen- en vondstenlijst werden opgemaakt in Microsoft Excel en Microsoft Word.
AB240142.R01v0.3.ARG727
22 van 78
4 Resultaten veldwerk 4.1 Geologie en bodem De bodem werd onderzocht aan de hand van 13 kolomprofielen. In het onderzoeksgebied kan globaal een onderscheid gemaakte worden tussen antropogene lagen en natuurlijke lagen.
4.1.1 Antropogene lagen In heel het onderzoeksgebied werd de bodem aan het maaiveld gekenmerkt door een dik matig humeus en bruin ophogingspakket. Oorspronkelijk is dit pakket geleidelijk gevormd door plaggenbemesting, zodat van een plaggendek of mestdek gesproken kan worden. In het humeuze dek is materiaal verzameld uit diverse perioden, van de prehistorie tot in de late middeleeuwen. Het humeuze dek heeft een dikte van ca. 40 cm. Slechts plaatselijk is aan de basis nog een oude begraven A-horizont herkenbaar (Afbeelding 11 links). In het plangebied blijkt het humeuze dek meestal gekenmerkt door partikels puin en gele vlekjes waarbij de overgang naar de natuurlijke ondergrond relatief scherp is. Hier blijkt het oorspronkelijk plaggendek diep verspit tot in de natuurlijke ondergrond. De overgang wordt ook gekenmerkt door een relatief strakke grens (Afbeelding 11 rechts). In hoeverre de natuurlijke ondergrond verstoord is door de verspitting, is niet geheel duidelijk.
Afbeelding 11: Kolomprofiel 1 in werkput 1. (links) en kolomprofiel 6 in werkput 3 (rechts).
Slechts plaatselijk (P1, P2, P8, P9, P11, P12) lijkt de verspitting de natuurlijke ondergrond niet geraakt te hebben en is (een deel van) het oude plaggendek nog intact. De meest intacte profielen zijn aangetroffen in werkput 1.
AB240142.R01v0.3.ARG727
23 van 78
4.1.2 Natuurlijke afzettingen De top van de natuurlijke bodem is over het algemeen verspit en grotendeels door bodembewerking opgenomen in het plaggendek. Een menglaag (S7000, S7500 en S7600) is ontstaan door sporadische diepere omwerking van de bodem, bioturbatie en/of door inspoeling vanuit het hoger gelegen humeuze dek. Een intacte B-horizont is nergens meer aangetroffen. Alleen in werkput 1 is nog een BC-horizont herkenbaar. Elders in het plangebied bevindt het humeuze dek zich direct op de C-horizont. Dit moedermateriaal (S5000 t/m 510) bestaat uit matig fijn zandige Maasafzettingen. Met name in het centrale en westelijke deel van het plangebied is hier een sterke gelaagdheid in herkenbaar (WP3 t/m WP7). In werkput 3 is grover zand op een dieper niveau grof zand vastgesteld (S5009).
4.1.3 Interpretatie In het plangebied is oorspronkelijk een hoge bruine enkeerdgrond aanwezig. Uit het veldonderzoek worden ook de conclusies uit het vooronderzoek bevestigd dat de bodem in het plangebied diep verspit is tot in de C-horizont. Slechts plaatselijk is het natuurlijke bodemprofiel (nog deels) intact. Ondiepe grondsporen zullen hierbij voor een groot deel vernietigd zijn. Oorspronkelijk diepere grondsporen kunnen wel nog bewaard zijn. De verspittingen hangen mogelijk samen met de gebruiksfunctie van het voormalige kassencomplex. Het is ook niet uitgesloten dat het terrein lichtjes geëgaliseerd is. Het steilrandje ten oosten van het plangebied komt grotendeels overeen met de oostelijke grens van deze kas (Afbeelding 12).
Afbeelding 12: Het plangebied en werkputten op het AHN. Bron: Algemeen Hoogtebestand Nederland.
AB240142.R01v0.3.ARG727
24 van 78
Afbeelding 13: Interpretatie sporen vlak 1.
AB240142.R01v0.3.ARG727
25 van 78
Afbeelding 14: Interpretatie sporen werkput 1- vlak 2.
AB240142.R01v0.3.ARG727
26 van 78
4.2 Sporen 4.2.1 Inleiding Tijdens de onderzoeken zijn 88 spoornummers uitgedeeld. Hiervan behoren 39 spoornummers tot menglagen, ophogingslagen, spitsporen, verstoringen en natuurlijke lagen. De 49 overige spoornummers hebben betrekking op greppelvullingen, een waterput en kuilen/paalkuilen.
Tabel 2 Overzicht spoorcategorieën.
spoor
Aantal spoornummers
menglagen, ophogingslagen, spitsporen, verstoringen, natuurlijke lagen
39
Greppel
2
waterput
1
Kuil/ paalkuil
46
Totaal
88
4.2.2 Recente verstoringen Behalve de diepe verspittingen zijn in het plangebied nog meerdere lokale verstoringen vastgesteld. Hiertoe behoren ook de poerfunderingen van de voormalige kas (S999) die nog regelmatig in het vlak herkenbaar waren. Een grotere verstoring werd aangetroffen in het zuidelijk deel van werkput 2. Hier bevindt zich een diepe verspitting met west-oriëntering. Deze verstoring blijkt deels verband te houden met een voormalige sloot, net ten zuiden van de voormalige kas. De sloot, omstreeks 2009 gegraven, zou oorspronkelijk ruim 3 m breed en 1,5 tot 2 m diep geweest zijn.12 Op oude luchtfoto’s is deze sloot en aangrenzende verspitting nog goed herkenbaar (Afbeelding 15 en Afbeelding 16). Ook op het terrein is nog deels herkenbaar door de iets lagere ligging van het maaiveld. In het uiterste westelijke deel van het plangebied is nog begroeiing en een kuil in het terrein herkenbaar die hier mee verband houden.
12 Mededeling grondeigenaar.
AB240142.R01v0.3.ARG727
27 van 78
Afbeelding 15: Luchtfoto uit 2021. De sloot (blauw) is nog deels herkenbaar
Afbeelding 16: Luchtfoto uit 2024. De verspittingen en voormalige sloot (blauw) zijn nog goed in de begroeiing herkenbaar.
AB240142.R01v0.3.ARG727
28 van 78
4.2.3 Greppels In werkputten 4 en 7 zijn enkele noord-zuid georiënteerde verkleuringen (S5 en S56) geconstateerd (Tabel 3). Tabel 3 Overzicht greppels/ verspitting.
spoor
breedte (cm)
diepte (cm)
doorsnede
5
60
25
komvormig
56
75
30
komvormig
De verkleuringen waren herkenbaar onder het plaggendek/ verspitting. Ze worden gekenmerkt door een bruin gevlekte vulling identiek aan het ophoogdek. De precieze interpretatie en datering is niet geheel duidelijk. Vondstmateriaal werd niet aangetroffen. Mogelijk betreft het greppels of langwerpige kuilen die verband houden met de ontginning van het terrein of een functie hadden in de latere agrarische werkzaamheden. Een relatief recente oorsprong is niet geheel uitgesloten.
4.2.4 Waterput In de westelijke helft van werkput 3 werd tegen de putrand een grote (half)ronde verkleuring (S2) aangetroffen. Na een dwarsdoorsnede langs de zuidelijke putrand leek deze verkleuring in eerste instantie een komvormige doorsnede te hebben. Pas na handmatige opschoning en verdieping blijkt het om een waterput te gaan.13 Latere uitbreiding toont aan dat de waterput in het vlak een ovale omvang heeft van ca. 4,4 x 3,3 m. Hoewel de dwarsdoorsnede maar net de noordelijke rand van de kern heeft geraakt, geeft deze heel wat informatie over de opbouw (Afbeelding 17).14 De waterput heeft een getrapte aanlegkuil. Deze kuil is boven ruim 3,2 m breed en kent een relatief steile insteek tot ca. 2m -mv. Op deze diepte is een 1,4 m brede en 1 m diepe uitgraving herkenbaar (S2-15 en 2-16) tot in het grove zand (S 5009). Op deze diepte bevond zich tijdens het veldwerk ook de grondwatertafel. De waterput is vanaf het huidige maaiveld ruim 3 m diep. Het is echter mogelijk dat meer zuidwaarts, centraal in de kern, de put nog dieper is uitgegraven.
13 Omwille van veiligheidsredenen werd het profiel iets schuin aangelegd aan de zuidrand van de werkput. Pas na handmatige opschoning
en verdieping werd de kern bereikt en werd handmatig verdiept. 14 Het grootste deel van de kern is nog steeds aanwezig aangezien de put niet is afgewerkt.
AB240142.R01v0.3.ARG727
29 van 78
Afbeelding 17: Doorsnede waterput.
AB240142.R01v0.3.ARG727
30 van 78
In de taps uitlopende verdieping is een merkwaardige humeuze donkerbruine, laddervormige verkleuring (S2-7 en 2-9) herkenbaar (Afbeelding 18). Twee ca. 10 cm brede verticale banden met een onderlinge tussenafstand van 40 tot 56 cm, hebben op 2 niveaus (tussenafstand ca. 40 cm) een horizontale verbinding. De bruine verkleuring houdt verband met de (vermoedelijk rechthoekige) houten bekisting die in de aanlegkuil werd geplaatst. Het hout is door de droge omstandigheden nagenoeg volledig vergaan.
Afbeelding 18: Detail van de centrale waterputvulling. Het hout van de bekisting is vergaan maar wel nog herkenbaar.
In de kern van de waterput (S2-4 t/m S2-6; S2-8) werden geen humeuze vullingen of vondsten aangetroffen. In het bovenste deel van de vulling (S2-0 t/m 2-3), waarschijnlijk pas ontstaan door recuperatie van hout na het in onbruik raken van de structuur, werden enkele scherven aangetroffen uit de Romeinse tijd (V13,V29,V31 en V48). De waterput kan bijgevolg gedateerd worden in of na de Romeinse tijd. Een Romeinse oorsprong lijkt aannemelijk aangezien bekiste waterputten in deze periode veelvuldig voorkomen. Een middeleeuwse oorsprong mag echter ook niet uitgesloten worden.
4.2.5 Kuilen en paalkuilen Doorheen het plangebied zijn diverse kuilen vastgesteld. Hoewel enkele kuilen in het veld als paalkuilen zijn gedefinieerd, is het precieze onderscheid tussen kuil en paalkuil niet eenduidig te bepalen. Het is ook niet uitgesloten dat sommige als (paal)kuil geïnterpreteerde sporen de onderkant van verspittingen (akkerbewerking) betreffen. Twee “clusters” kunnen onderscheiden worden:
Noordelijke cluster In het westelijke deel van werkput 7 is een cluster van ingravingen vastgesteld (Afbeelding 19; Tabel 4).
AB240142.R01v0.3.ARG727
31 van 78
Afbeelding 19: De noordelijke kuilencluster in de westelijke helft van werkput 6.
AB240142.R01v0.3.ARG727
32 van 78
Tabel 4 Overzicht kuilen noordelijke cluster.
(paal)kuil
Vorm vlak
afmetingen(cm)
Diepte (cm)
doorsnede
6
rond
123 x 111
7
komvormig
7
rond
146 x 155
32
komvormig
12
ovaal
133 x 113
16
onregelmatig
13
rond
80 x 85
16
onregelmatig
14
rond
90 x 92
15
ovaal
76 x 63
31
komvormig
16
onregelmatig
145 x 141
38
komvormig
17
ovaal
30 x 21
10
onregelmatig
18
ovaal
110 x 79
23
komvormig
onregelmatig
De kuilen hebben -met uitzondering van kuil 17- een redelijk grote omvang in het vlak. De meeste sporen worden in het vlak gekenmerkt door een donker grijsbruine vulling die sterk lijkt op de kleur van het bovenliggende humeuze (ophogings)dek (Afbeelding 20). In doorsnede blijken diverse kuilen op dieper niveau geleidelijk lichter van kleur te worden.15
Afbeelding 20: De noordelijke kuilencluster. De lichtere sporen (S6 en S7) vormden de aanleiding van de uitbreiding. Door de hoge temperaturen droogden de sporen sterk uit wat deels ook de lichtere verkleuring van de sporen verklaard.
Gezien de clustering staan de kuilen, ondanks dat de vulling soms verschilde, duidelijk in verband met eenzelfde activiteit. De ingravingen bleken in het vlak relatief ondiep. Hoewel in S16 een middeleeuwse scherf is aangetroffen, lijkt het hier opspit te betreffen. In S12 werd immers een gordelhaak (V28) uit de nieuwe tijd
15
Het verklaart waarom in het vlak spoor 6 duidelijk lichter van kleur was. Ook door uitdroging in de warme temperaturen worden de sporen snel lichter van kleur.
AB240142.R01v0.3.ARG727
33 van 78
gedetecteerd die een terminus post quem van de sporen geeft. De kuilen dateren bijgevolg in de nieuwe tijd en op zijn vroegst de 16de -17de eeuw. Dit lijkt deels bevestigd door de gelijkaardige vulling van de meeste sporen met het bovenliggende ophoogdek (S12, S13, S14, S16 en S18). Een ingraving vanuit een hoger niveau (ophoogdek) is aannemelijk.
Afbeelding 21: Doorsnede van kuil 18.
De precieze functie van de kuilen blijft onbekend. In de nieuwe tijd kende het plangebied een agrarisch gebruik. De aanwezigheid van een gebouw voor oogstopslag (bijvoorbeeld graan of hooi; zogenaamde berg) waarbij de structuur een onderling gehoekte paalopstelling heeft (S6, S13, S15, S16 en S18), lijkt niet erg aannemelijk. Bij een dergelijke interpretatie kan ook de functie van de overige kuilen niet verklaard worden. Bovendien werd in diverse “paalkuilen” bot aangetroffen wat ook niet direct strookt met een functie als paalkuil. Een functie in de agrarische sector of een zone met gelijkaardige individuele handelingen is het meest waarschijnlijk. Enkele sporen werden gekenmerkt door wortelrestanten waardoor ook -mede gezien de grote omvang- de aanwezigheid van boomkuilen niet uitgesloten moet worden.
AB240142.R01v0.3.ARG727
34 van 78
Zuidelijke cluster Naar aanleiding van de waterput is werkput 3 in westelijke en zuidelijke richting uitgebreid. Hoewel deze put voor het overgrote deel gekenmerkt werd door diepe verspittingen, bleek de bodem in de westelijke uitbreiding beter bewaard. Hier is ook een cluster van ingravingen vastgesteld (Afbeelding 22; Tabel 5). Tabel 5 Overzicht (paal)kuilen zuidelijke cluster.
spoor
vorm vlak
afmetingen (cm) Diepte (cm) doorsnede
20
rond
38 x 36
16
komvormig
21
onregelmatig
132 x 56
22
onregelmatig
23
rond
71 x 64
18
komvormig
24
rond
49 x 42
19
vlakke bodem
25
ovaal
137 x 125
10
komvormig
26
ovaal
82 x 70
10
komvormig
27
ovaal
59 x 35
16
vlakke bodem
28
ovaal
100 x 68
20
onregelmatig
29
rond
40 x 35
20
komvormig
30
ovaal
59 x 46
17
komvormig
31
rond
57 x 58
16
komvormig
32
ovaal
73 x 61
15
onregelmatig
33
ovaal
45 x 31
35
komvormig
35
rechthoekig
129 x 70
32
onregelmatig
37
onregelmatig
131 x 76
26
onregelmatig
38
onregelmatig
71 x >56
40
komvormig
39
ovaal
70 x 61
10
onregelmatig
40
rechthoekig
36 x 25
40
komvormig
41
ovaal
89 x 67
44
vlakke bodem
42
rechthoekig
100 x 70
20
komvormig
43
rechthoekig
34 x 26
12
komvormig
44
ovaal
66 x 52
12
onregelmatig
45
ovaal
58 x 53
10
onregelmatig
46
ovaal
133 x >95
40
komvormig
47
onregelmatig
87 x 57
20
komvormig
48
ovaal
128 x 77
24
hoekig
49
ovaal
78 x 53
20
komvormig
50
rechthoekig
66 x 48
12
komvormig
51
rechthoekig
67 x 67
50
tasvormig
53
rechthoekig
75 x 65
15
komvormig
54
rond
77 x 85
18
onregelmatig
55
rond
22 x 20
22
vlakke bodem
58
rechthoekig
23 x 22
10
vlakke bodem
59
rechthoekig
21 x 20
10
komvormig
60
ovaal
48 x 33
9
onregelmatig
Opmerking
mogelijk natuurlijk of restant
AB240142.R01v0.3.ARG727
35 van 78
verspitting mogelijk natuurlijk
Afbeelding 22: De zuidelijke kuilencluster in de westelijke helft van werkput 3.
AB240142.R01v0.3.ARG727
36 van 78
De sporen zijn vooral aangetroffen buiten het voormalige kassencomplex (WP3). In werkput 7 zijn enkele vage kleine sporen (S58 t/m S6) ook nog als kuil geïnterpreteerd hoewel hier sterk het vermoeden bestaat dat het hier restanten van verspittingen betreft. Bij het aanleggen was immers duidelijk dat de bodem hier sterk verspit is. De afmetingen en bewaarde diepte (10 tot 50 cm) van de sporen varieert sterk. De meeste ingravingen zijn echter maar 10 tot 25 cm diep. Het verklaart mogelijk ook waarom er in het dieper verspitte oostelijke deel van werkput 3 geen ingravingen meer zijn waargenomen (zie ook Afbeelding 11 rechts).
Afbeelding 23: De zuidelijke kuilencluster.
De sporen worden overwegend gekenmerkt door een donker grijsbruine, humeuze vulling (Afbeelding 23) die vrijwel identiek is aan het bovenliggende ophoogpakket. Diverse sporen bevatten ook partikels puin waarvan het onduidelijk blijft in hoeverre deze door bioturbatie in de vulling terecht zijn gekomen (zie bijlage 4). Enkele sporen (S20, S33, S42 en S55) hebben evenwel een duidelijk lichtere vulling. Gezien de nabijheid van de waterput dient rekening te worden gehouden met bijkomende bewoningsstructuren. Ondanks dat alle sporen gecoupeerd zijn, blijft de functie evenwel onduidelijk. Een aantal sporen zijn op basis van hun kleinere omvang en doorsnede geïnterpreteerd als paalkuilen (S20, 23 , 24, 33, 40, 43, 51 en 55). Alleen bij de twee rechthoekige sporen 40 en 43 lijkt evenwel een kern herkenbaar. Hoewel onderlinge samenhang tussen sommige sporen aannemelijk is, is binnen de cluster geen duidelijke structuur vastgesteld. De sporen 32, 39, 44 en 49 zouden deel kunnen uitmaken van één geheel hoewel hierbij opgemerkt dient te worden dat in spoor 32 een duidelijk groter baksteenpartikel aanwezig was. Ook bij de dieper ingegraven sporen -waarvan aangenomen kan worden dat ze eventueel deel uitmaakten van een grotere structuur- is geen samenhang te herkennen.
AB240142.R01v0.3.ARG727
37 van 78
Met uitzondering van puinpartikels ontbreekt materiaal uit de nieuwe tijd. In diverse sporen is een enkel fragment aardewerk uit de Romeinse tijd of late middeleeuwen aangetroffen. Grotere vondstcomplexen ontbreken echter. De sterke fragmentatie van het materiaal sluit bovendien niet uit dat het hier om opspit gaat. 16 Het vondstmateriaal biedt dus vooral een terminus post quem datering van de ingravingen. Hoewel niet uitgesloten wordt dat enkele oudere sporen aanwezig zijn, lijkt een relatief recente oorsprong van de meeste donkergekleurde ingravingen aannemelijk. Hierop duidt: •
De vrijwel identieke vulling van deze sporen met het bovenliggende ophoogdek wat suggereert dat ze vanuit een hoger niveau zijn ingegraven. De sporen hebben soms zelfs een meer donkere vulling dan de kuilen uit de noordelijke cluster die uit de nieuwe tijd dateert;
•
De aanwezigheid van diverse partikels puin in vele sporen.
•
Op een luchtfoto uit 2006 te zien is dat in dit gebied ook bomen stonden (Afbeelding 24). Diverse sporen aan de zuidwestrand lijken zelfs gekoppeld te kunnen worden met de bomen op deze foto. Gezien de gelijkaardige donkere vulling van de meeste sporen wordt een relatief recente oorsprong allesbehalve uitgesloten. Mogelijk is de duidelijk diepere verspitting in het oostelijke deel van werkput 3 zelfs te koppelen aan verspittting na het rooien.
Afbeelding 24: De zuidwestelijke sporencluster op de luchtfoto van 2006. Diverse sporen langs de zuidwestrand komen overeen met de bomen. Het is vooralsnog onbekend in hoeverre ook elders in het westelijk deel van werkput 3 ooit bomen hebben gestaan.
16
In diverse verstoringen o.m. in het oosten van werkput 3 werd handgevormd aardewerk aangetroffen. Ook in de noordelijke cluster werd in sommige kuilen een enkel fragment middeleeuws aardewerk aangetroffen.
AB240142.R01v0.3.ARG727
38 van 78
4.3 Vondsten Tijdens het onderzoek zijn 50 vondstnummers uitgedeeld die betrekking hebben op 106 vondsten (Tabel 6). De diverse vondstcategorieën bestaan uit aardewerk, metaal en organisch materiaal. Voor de determinatie wordt verwezen naar de bijlages 6 t/m 8. De vondsten dateren uit de periode prehistorie t/m nieuwe tijd. 17 Tabel 6 Aantal vondsten per materiaalcategorie. Vondstcategorie
gebruiksaardewerk
metaal
Organisch materiaal
soort
aantal
gewicht
handgevormd aardewerk
19
205
Romeins aardewerk
24
350,8
Zuid-Limburgs aardewerk
19
108
(blauw)grijsbakkend aardewerk
4
17
protosteengoed
4
24
indetermineerbaar
3
4
ijzer
12
234
gordelhaak (brons)
1
3
slak
1
10
bot
17
25
houtskool
2
4
105
984,8
totaal
4.3.1 Gebruiksaardewerk De grootste vondstcategorie is, zoals gebruikelijk, het gebruiksaardewerk. Met een totaal van 73 scherven is het aardewerkcomplex relatief gering van omvang. Het aardewerk is verzameld in het plaggendek en in sporen. Het kan gedateerd worden tot de prehistorie, de Romeinse tijd en de middeleeuwen.
Handgevormd aardewerk Verspreid over het plangebied zijn diverse fragmenten handgevormd aardewerk verzameld. Van de meeste fragmenten handgevormd aardewerk blijft de datering onduidelijk. De meeste handgevormde scherven zijn gemagerd met sjamotte (potgruis), eventueel met een lichte kwarts/zandbijmenging. Deze scherven kunnen niet nader gedateerd worden dan de prehistorie-vroeg Romeinse tijd. Potgruismagering komt vooral voor in complexen uit de IJzertijd en kwam de kwaliteit van het aardewerk ten goede. Ook een scherf met kamstreekversiering kan niet nader gedateerd worden. Kamstreekversiering komt veelvuldig voor op aardewerk uit de IJzertijd maar komt ook nog voor op aardewerk uit de vroeg-Romeinse periode. Eén scherf is gemagerd met gebroken (witte) kwarts, eventueel met een weinig potgruis. Een dergelijke magering werd veelvuldig gebruikt in het midden neolithicum maar ook in de bronstijd.
Aardewerk uit de Romeinse tijd Tijdens het onderzoek zijn 24 scherven gevonden van Romeinse oorsprong (Afbeelding 25). Hoewel een nauwkeurige determinatie niet altijd mogelijk is door het veelal fragmentarisch karakter, zijn diverse baksels herkenbaar: 17
De vondsten zijn gedetermineerd door M. Gast, L. van Geel en D. Keijers.
AB240142.R01v0.3.ARG727
39 van 78
•
Ruwwandig aardewerk is ruim aanwezig. Het dankt zijn naam aan de magering van grof zand, die iets door het oppervlak steekt. Dit typische gebruiksaardewerk omvat vormen die voor de meest uiteenlopende doeleinden gebruikt zijn (transport, opslag, bereiding en conservering van voedingsmiddelen).
•
Ook gladwandig aardewerk is verzameld. Aangenomen wordt dat door de gladde afwerking de doorlatendheid van het aardewerk werd verminderd. Hoewel precieze typen door de onvolledige vormen niet of nauwelijks te bepalen zijn, kunnen kruiken aanwezig zijn. Amforen zijn grote transportcontainers voor vloeistoffen. Twee scherven kunnen hier mogelijk aan een amfoor toegewezen worden.
•
Van de grote bolle voorraadpotten (dolium) is duidelijk één wandfragment aanwezig. Dit wandfragment heeft een reliëfband dat een touw imiteert. Vermoedelijk zijn op de dolium meerdere van deze versieringen aanwezig.
•
Door aardewerk onder te dompelen in een papje zuivere klei met kleurstoffen bekwam men het zogenaamde geverfd aardewerk. Dit aardewerk behoort tot de tafelwaar, waardoor in hoofdzaak bekers worden aangetroffen. Eén scherf heeft een dofrode deklaag (techniek a). Een andere scherf heeft een donkergrijze deklaag (techniek b) en dateert uit de 2de of 3de eeuw na Chr.
•
Verder kan ook nog één scherf aan het zogenaamde terra nigra toegewezen worden.
Afbeelding 25: Aardewerk uit de Romeinse tijd.
Aardewerk uit de middeleeuwen Het zogenaamde Zuid-Limburgs aardewerk is met 19 scherven goed vertegenwoordigd in het aangetroffen middeleeuws aardewerk. Baksels uit de Zuid-Limburgse pottenbakkerijen (in huidig Nederland) zijn vooral wit tot geel van kleur. De aangetroffen scherven kunnen algemeen gedateerd worden in de 12de en 13de eeuw. In deze periode was de aardewerkindustrie van het Zuid-Limburgs aardewerk van bovenlokale betekenis. De producten werden verhandeld tot in delen van het Rijnland, Noord-Brabant, Limburg en de Belgische Kempen en in een enkel geval tot ver daarbuiten. Vanaf de 14 de eeuw zakten de pottenbakkersactiviteiten in Zuid-Limburg geleidelijk terug tot lokale productie.18
18 Twee publicaties van Bruijn (1962/63 en 1965) geven een overzicht van Zuid-Limburgs aardewerk uit verschillende productieplaatsen. De
typologie van Bruijn geldt nog steeds, alleen de dateringen zijn in de loop der tijd aangepast. Een overzicht van deze ontwikkelingen is goed weergegeven door Stoepker (2011). Op basis van meer recent onderzoek lijken met name de oudste dateringen bijgesteld te moeten worden (Janssen, 2022).
AB240142.R01v0.3.ARG727
40 van 78
Vier scherven behoren tot het zogenaamde (blauw)grijs aardewerk. De productie van (blauw)grijs aardewerk begint in de 11de eeuw. In deze eerste productiefase, die duurde tot circa 1125-1150, werden uitsluitend kogelpotten met een rond of driehoekig randprofiel geproduceerd. De herkomst van dit ‘vroege’ aardewerk is onduidelijk; mogelijk is het, onder andere, afkomstig uit Pingsdorf. Het ‘late’ blauwgrijze aardewerk omvat het ‘klassieke’ vormenrepertoire van het Elmpt-aardewerk, bestaande uit grote voorraadpotten of dolia, schalen en kannen en kogelpotten met ‘late’ randvormen. Dit vormenrepertoire vertegenwoordigt de productie van blauwgrijs aardewerk in de periode van circa 1125-1150 tot 1350. Tot in de 14de eeuw blijft het baksel goed vertegenwoordigd. Daarna lijkt het voorkomen af te nemen hoewel met name fijne baksels in gebruik blijven tot in de 16de eeuw. Het aardewerk uit het plangebied kan algemeen gedateerd worden in de periode 12de - 14de eeuw. In het plangebied zijn 4 scherven pro-steengoed verzameld. Deze scherven kenmerken zich door een harder baksel dat deels versinterd is. Vooral vanaf de 12de eeuw begon men volop te experimenteren met het bakken van aardewerk op hoge baktemperaturen. Voor dergelijke hoge temperaturen is hoogwaardige klei nodig die reeds bij niet te hoge temperatuur geheel dicht sintert zonder gevaar voor vervorming.
De techniek werd alsmaar verbeterd tot het aardewerk volledig dichtsinterde, waardoor het waterbestendig werd. In de 14de eeuw evolueert het proto-steengoed tot het echte steengoed.
Afbeelding 26: Aardewerk uit de middeleeuwen.
Indetermineerbaar Een klein fragmentje kan zowel een brokje verbande leem zijn als tot het handgevormd aardewerk behoren (V18). Uit twee kuilen van de zuidelijke kuilencluster is nog een witbakkende scherf verzameld waarvan het onduidelijk is of het Romeins aardewerk betreft of dat het een laatmiddeleeuwse oorsprong heeft (V36 en V44).
AB240142.R01v0.3.ARG727
41 van 78
Afbeelding 27: Verspreiding gebruiksaardewerk.
AB240142.R01v0.3.ARG727
42 van 78
Verspreiding aardewerk De keramische vondsten zijn verspreid over het plangebied aangetroffen. Het handgevormd en middeleeuws aardewerk is zowel in kuilen als in het plaggendek geborgen. Het handgevormd aardewerk bevindt zich vooral in het oostelijke en zuidelijke deel van het plangebied, het middeleeuws is in het gehele plangebied aanwezig (Afbeelding 27). Romeinse keramiek is met name in het oostelijke en zuidwestelijke deel van het plangebied aangetroffen. •
De aanwezigheid van relatief veel aardewerk in het oostelijke deel (werkput 1) hangt deels samen met de hier nog relatief intacte bodemopbouw. Het aardewerk is hier dan ook vooral verzameld in het onderste deel van het esdek en/of de begraven A-horizont, wat ook nauwkeuriger geïnspecteerd is. Westwaarts kunnen de verspittingen hebben geleid tot een diffusere verspreiding doorheen het hele verspitte pakket.
•
Hoewel ook de Romeinse keramiek in het plaggendek aanwezig is, is het vooral verzameld in kuilen van de zuidwestelijke kuilencluster. Het meer intensief onderzoeken van deze zone -waaronder het couperen van alle hier vastgestelde ingravingen - speelt in de verspreiding waarschijnlijk een grote rol. Kuilen met grotere vondstconcentraties zijn echter niet aanwezig. Over het algemeen is het aardewerk sterk fragmentarisch.
4.3.2 Metaal Tijdens huidig onderzoek zijn 14 metalen objecten gedetecteerd (V1, V3, V5, V8, V11, V20, V23, V28, V29 en V32). De meeste objecten zijn geborgen in het plaggendek. Van de 12 uit ijzer vervaardigde voorwerpen zijn drie vondsten als spijker gedetermineerd. De overige 8 objecten zijn echter indetermineerbaar. Aangezien het vooral fragmenten betreft van objecten (mogelijk deels landbouwwerktuigen) en ze geen verdere toegevoegde waarde bieden, zijn ze niet verder onderzocht. Van een slakfragment (V29) uit de waterput is onbekend tot welke metaalsoort deze behoort. Een bronzen, beter determineerbaar object (V28) is in kuil 11 gedetecteerd. Het betreft een zogenaamde gordelhaak uit de nieuwe tijd, vermoedelijk de 16de of 17de eeuw (Afbeelding 28). 19