CConstaterende datBergen (L)
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij toelichting Bijlage 11 Stikstofdepositieonderzoek

Gemeenteraad 30 mei 2023, gemeente Bergen (L)Bij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan landgoed Bleijenbeek e.o. 2022;21.740 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Afstand in km

Maasduinen HR en VR 2000

0,2

Maasduinen VR 1994

8,2

Zeldersche Driessen

5,7

Boschhuizerbergen

9,3

Tabel 2 afstand tot de beschermde gebieden

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag wordt getoetst of het project/handeling, gelet op de instandhoudingsdoelstelling(en), de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen. Zure depositie leidt in voedselarme milieus, zoals die aanwezig zijn in de nabij gelegen natuurgebieden, tot verrijking van het milieu (vermesting). Tevens neemt de zuurgraad toe (verzuring). Deze processen hebben een negatieve invloed op de natuurwaarden. Het verspreidingsmodel AAgro-Stacks, waarmee de stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden kan worden berekend, houdt rekening met de feitelijke omstandigheden van de veehouderijbedrijven en de windrichting. Door de invoer van de feitelijke gegevens van de gebouwen (stallen), zoals onder andere staltype, gebouwhoogte, uittreedsnelheid en het aantal dieren, kan het rekenmodel een (relatief) nauwkeurige weergave maken van de stikstofdepositie op de nabij gelegen natuur.

2016/72681

7

Om een goed beeld te krijgen van de depositie op de Natura 2000-gebieden is, gebruikmakend van het computermodel AAgro-Stacks, de depositie berekend op verschillende punten. Het dichtstbijzijnde punt per gebied hebben wij overgenomen in tabel 3 (zie ook bijlage 1). Weergegeven is de depositie in de bestaande en aangevraagde situatie.

Naam

Depositie

Depositie

uitgangssituatie

aangevraagde situatie

X-coördinaat Y-coördinaat (mol N / ha / jaar)

Afname

(mol N / ha / jaar)

Maasduinen HR en VR 2000 201 242

406 043

31,4

31,4

0,0

Maasduinen VR 1994

205 087

398 695

0,1

0,1

0,0

Zeldersche Driessen

199 351

411 412

0,2

0,2

0,0

Boschhuizerbergen

198 913

397 132

0,1

0,1

0,0

Tabel 3 depositie op de beschermde gebieden

Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van de aangevraagde situatie in voornoemde beschermde gebieden niet toeneemt. Uit de aanvraag blijkt verder dat er geen andere - niet aan stikstofdepositie gerelateerde - negatieve effecten (zoals geluid, trillingen, licht, grondwaterstand-/grondwaterkwaliteitveranderingen etc.) te verwachten zijn die de natuurlijke kenmerken van voornoemde beschermde gebieden kunnen aantasten. 4.5. Conclusie Op grond van bovenstaande beoordeling concluderen wij dat gelet op de instandhoudingdoelstellingen onderhavige door Maatschap G.H.M. Fransman-Peeters te Afferden (L) aangevraagde activiteiten geen (significante) negatieve effecten zullen veroorzaken op de Natura 2000-gebieden 'Maasduinen', 'Zeldersche Driessen' en 'Boschhuizerbergen'. Het natuurschoon en de natuurwetenschappelijke betekenis zullen geen negatieve gevolgen ondervinden, mits deze vergunning en de daaraan verbonden voorschriften worden nageleefd. Tegen deze achtergrond is vergunningverlening voor de aangevraagde activiteiten in overeenstemming met het bepaalde in de Natuurbeschermingswet 1998.

2016/72681

8

5.

Besluit

Gelet op het bepaalde in de Natuurbeschermingswet 1998 en voorgaande overwegingen, besluiten wij: 1. aan Maatschap G.H.M. Fransman-Peeters een vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 te verlenen voor het in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden 'Maasduinen', 'Zeldersche Driessen' en 'Boschhuizerbergen' exploiteren van een rundveehouderij zoals aangevraagd d.d. 3 maart 2015 met kenmerk 2015-0378 aan de Bleijenbeek 13a te Afferden (L); 2. aan de vergunning de beperkingen te stellen en voorschriften te verbinden, zoals opgenomen onder hoofdstuk 7; 3. dat de aanvraag en de bijbehorende stukken ontvangen op 5 maart 2015, aangevuld op 27 juni 2016, deel uitmaken van deze vergunning, behoudens en voor zover daarvan bij dit besluit niet wordt afgeweken.

6.

Rechtsbescherming

Als dit besluit uw belang rechtstreeks raakt en u het met de inhoud van dit besluit niet eens bent, kunt u, tegen betaling van de verschuldigde griffierechten, beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. U moet dan binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is verzonden een beroepschrift indienen. Op deze procedure is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het beroepschrift moet worden ondertekend en ten minste bevatten: de naam en het adres van de indiener; de datum; een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht alsmede de redenen van het beroep (motivering). Het beroepschrift moet worden gericht aan: Raad van State; Afdeling bestuursrechtspraak; Postbus 20019; 2500 EA Den Haag. Als u een beroepschrift heeft ingediend, dan kunt u tevens de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken een voorlopige voorziening te treffen. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de internetpagina van de Raad van State, www.raadvanstate.nl. Klik op ‘ONZE WERKWIJZE’. Klik op ‘Bestuursrechtspraak’.

Gedeputeerde Staten van Limburg namens dezen,

A.T.J. van der Pol Clustermanager Vergunningen

2016/72681

9

7.

Voorschriften

Aan deze vergunning worden de volgende voorschriften verbonden: 7.1.

De vergunning heeft betrekking op het houden van de dieraantallen op het stalsysteem aan de Bleijenbeek 13a te Afferden (L) zoals weergegeven in onderstaande tabel:

Type

Code stal

Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar

A 1.100

Aantal dieren 5

Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

A 3.100

35

Vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 tot 24 maanden

A 6.100

70

De in bovenstaande tabel vermelde ‘Code stal’ alsmede de ammoniakemissiefactoren die zijn gehanteerd bij het berekenen van de (totale) emissie, zijn ontleend aan de bijlage behorende bij de Regeling ammoniak en veehouderij, Staatscourant 2015, nr. 16866 (in werking getreden op 1 augustus 2015) en de wijziging van de Regeling ammoniak en veehouderij, Staatscourant 2016, nr. 15585 (in werking getreden op 31 maart 2016). 7.2.

2016/72681

De vergunning heeft betrekking op de emissie van 590,0 kg NH3 / jaar.

10

8.

Afschriften

Een afschrift van dit besluit hebben wij verzonden aan: 

Maatschap G.H.M. Fransman-Peeters, Bleijenbeek 13a, 5851 EE te Afferden (L), als besluit op de aanvraag;

Arvalis B.V., Postbus 5043, 5800 GA te Venray, ter kennisname;

Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bergen, Postbus 140, 5854 ZJ te Bergen, ter kennisname;

Ministerie van Economische Zaken, DG Regio, Postbus 20401, 2500 EK te Den Haag, ter kennisname.

2016/72681

11

2016/72681

12

BIJLAGE III. NB-WET VERGUNNING BLEIJENBEEK 15A

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

25

Besluit van Gedeputeerde Staten van Limburg

Vergunning Artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998 Maatschap J.H.P. en G. Fransman-de Bruin te Afferden Zaaknummer: 2016-0169

Kenmerk: 2016/34098 Verzonden:

d.d. 4 mei 2016

1.

Aanvraag

Op 4 februari 2016 heeft Arvalis namens Maatschap J.H.P. en G. Fransman-de Bruin te Afferden een vergunning ex artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) aangevraagd voor het exploiteren en wijzigen van een varkens- en rundveehouderij, aan de Bleijenbeek 15a te Afferden. De inrichting heeft een (potentieel) negatief effect op de Natura 2000-gebieden “Maasduinen” en “Rijntakken”. De aanvraag is geregistreerd onder nummer 2016-0169.

2.

Procedure en zienswijze

2.1. Procedure De aanvraag wordt afgehandeld met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De aanvraag om vergunning en een ontwerp van dit besluit hebben van 16 maart 2016 tot en met 26 april 2016 voor een ieder ter inzage gelegen in het gouvernement te Maastricht (bibliotheek) en het gemeentehuis van de gemeente Bergen. Gedurende deze termijn kon een ieder bij het bestuursorgaan schriftelijk dan wel mondeling zienswijzen inbrengen. Het ontwerpbesluit en de kennisgeving konden in genoemde periode tevens worden geraadpleegd via de internetsite van de Provincie Limburg (www.limburg.nl). Binnen de termijn waarin de aanvraag en het ontwerpbesluit ter inzage hebben gelegen zijn geen zienswijzen ingediend. Op grond van artikel 2, vijfde lid, en/of artikel 2a, vierde lid, van de Nbw 1998, is voor het besluit op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, overeenstemming vereist met de colleges van Gedeputeerde Staten van alle provincies waarin (delen van) Natura 2000-gebieden zijn gelegen waarvoor het aangevraagde project/de aangevraagde andere handeling gevolgen kan hebben. Het aangevraagde project/de aangevraagde andere handeling kan gevolgen hebben voor (delen van) Natura 2000-gebieden gelegen in de provincies Overijssel, Utrecht en Gelderland.

Met de colleges van Gedeputeerde Staten van voornoemde provincies bestaat overeenstemming over het voorliggende besluit. 2.2. Zienswijzen ten aanzien van de aanvraag Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 44, tweede en derde lid, van de Nbw 1998 hebben wij het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bergen in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen over de aanvraag. De gemeente Bergen heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een zienswijze naar voren te brengen met betrekking tot deze aanvraag.

2016/34098

2

3.

Beoordelingskader en de beschermde gebieden

3.1. Algemeen Artikel 19d van de Nbw 1998 heeft betrekking op de vergunningplicht in verband met Natura 2000gebieden (Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebieden) binnen en buiten Nederland. Op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is een vergunning van Gedeputeerde Staten vereist voor de uitvoering van projecten of andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het gebied kunnen aantasten. Bij het beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 dient overeenkomstig het bepaalde in artikel 19e van de Nbw 1998 rekening te worden gehouden met de gevolgen die een project of andere handeling kan hebben gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied. Tevens kan rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, alsmede met regionale en lokale bijzonderheden.

Ten aanzien van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden is tevens van belang dat ingevolge artikel 15a, tweede lid, van de Nbw 1998 een besluit houdende de aanwijzing van een Beschermd Natuurmonument vervalt voor zover en met ingang van het tijdstip waarop dat Beschermd Natuurmonument deel uitmaakt van een aangewezen Natura 2000-gebied (Vogelrichtlijngebied of Habitatrichtlijngebied). Indien met toepassing van artikel 15a, tweede lid, van de Nbw 1998 een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als Beschermd Natuurmonument geheel of gedeeltelijk is vervallen, heeft de instandhoudingsdoelstelling voor het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen Natura 2000-gebied mede betrekking op de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied zoals bepaald in het vervallen besluit (zie artikel 15a, derde lid, van de Nbw 1998). Indien een aangevraagd project, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen, significant negatieve effecten kan hebben voor een Natura 2000-gebied, dient op grond van het bepaalde in artikel 19f van de Nbw 1998 een passende beoordeling te worden gemaakt van de gevolgen voor het gebied, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen.

Is een passende beoordeling vereist, dan kan de aangevraagde vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 in principe slechts worden verleend, indien op grond van de passende beoordeling de zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. Daarbij geldt dat bij de passende beoordeling het positieve effect van mitigerende maatregelen mag worden betrokken. Bestaat op grond van de passende beoordeling (inclusief de daarbij betrokken mitigerende maatregelen) niet de vereiste zekerheid, dan kan niettemin toestemming worden verleend in het uitzonderlijke geval dat bij toetsing blijkt dat geen Alternatieve oplossingen voor handen zijn, sprake is van Dwingende redenen van openbaar belang en Compenserende maatregelen worden getroffen. Oftewel in voorkomend geval dat de zogenaamde ADC-toets met succes wordt doorlopen.

2016/34098

3

3.2 De Programmatische Aanpak Stikstof Voor zover een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 voorziet in een project of andere handeling welke stikstofdepositie veroorzaakt op een Natura 2000 gebied waarin tenminste één stikstofgevoelig kwalificerend habitattype voorkomt waarvoor de geldende kritische depositiewaarde wordt overschreden (geldt voor alle Natura 2000 -gebieden in Limburg behoudens voor de Natura 2000-gebieden “Grensmaas” en “Abdij Lilbosch en voormalig klooster Mariahoop”), is van belang dat op 1 juli 2015 de Programmatische Aanpak Stikstof (verder: de PAS) in werking is getreden. De PAS bestaat uit een wijziging van de Nbw 1998, alsmede uit het Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof (verder: het Besluit grenswaarden PAS), de Regeling programmatische aanpak stikstof (verder: de Regeling PAS) en het desbetreffende programma voor de periode 2015 – 2021 (verder: het Programma PAS 2015 – 2021). Aan het Programma PAS 2015-2021 ligt een (generieke) passende beoordeling als bedoeld in artikel 19f van de Nbw 1998 ten grondslag. Onderdeel van deze passende beoordeling vormen de gebiedsanalyses die voor alle in de PAS betrokken Natura 2000-gebieden zijn opgesteld.

De conclusie van de passende beoordeling (inclusief de gebiedsanalyses) is dat op grond daarvan de zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van de in het Programma PAS 2015 - 2021 betrokken Natura 2000gebieden als gevolg van de uitvoering van dit programma niet zullen worden aangetast. Door ons college is zowel met het Programma PAS 2015 - 2021 als met de daaraan ten grondslag liggende passende beoordeling ingestemd. Doel van de PAS is het vinden van evenwicht tussen ecologie en economie. Daartoe voorziet de PAS (meer specifiek het Programma PAS 2015 – 2021) in brongerichte maatregelen die leiden tot een (verdere) afname van stikstofdepositie en gebiedsspecifieke herstelmaatregelen, waarmee de natuurwaarden van de betreffende Natura 2000-gebieden worden versterkt. Mede als resultaat van de trendmatige daling van stikstofdepositie als gevolg van (eerder) vaststaand beleid, biedt de PAS hierdoor ook ruimte voor economische ontwikkelingen die stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Deze zogenaamde depositieruimte is allereerst beschikbaar voor autonome ontwikkelingen alsmede voor projecten en andere handelingen waarvan de op een betrokken Natura 2000-gebied veroorzaakte stikstofdepositie onder de in het Besluit grenswaarden gestelde grenswaarde blijft.

Het overige gedeelte van deze ruimte kan als “ontwikkelingsruimte” op grond van artikel 19km, eerste lid, van de Nbw 1998 worden toegedeeld aan (deels prioritaire) projecten en andere handelingen bij toestemmingsbesluiten, zoals een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 of een omgevingsvergunning waarop hoofdstuk IX van de Nbw 1998 van toepassing is. Voor het toedelen van ontwikkelingsruimte (OR) in een toestemmingsbesluit bestaat in principe aanleiding voor zover een project of andere handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op een hectare van een voor stikstof gevoelig habitat in een in het Programma PAS opgenomen Natura 2000-gebied, uitgaande van het jaar waarin de veroorzaakte depositie het hoogst is. Of sprake is van een zodanige toename en hoeveel OR moet worden toegedeeld om toestemming te kunnen verlenen voor de betreffende activiteit, wordt vastgesteld met behulp van het rekeninstrument AERIUS Calculator. Daarbij wordt een aantal uitgangspunten gehanteerd, waarvan de voornaamste onderstaand worden toegelicht.

2016/34098

4

1

§

Geen OR nodig voor zover de grenswaarde niet wordt overschreden Voor het toedelen van OR in een toestemmingsbesluit bestaat geen aanleiding voor zover de door een nieuwe of (wijziging of uitbreiding van een) bestaande activiteit (project of een andere handeling) veroorzaakte toename van stikstofdepositie als hier bedoeld, de geldende grenswaarde op grond van het Besluit grenswaarden PAS niet overschrijdt. Deze grenswaarde bedraagt in principe 1 mol per hectare per jaar. Indien en voor zolang evenwel uit AERIUS Calculator blijkt dat ten aanzien van een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat in het desbetreffende Natura 2000-gebied 5% of minder van de depositieruimte voor grenswaarden beschikbaar is, bedraagt de grenswaarde 0,05 mol per hectare per jaar. Overigens geldt een aanvraag om een toestemmingsbesluit op grond van artikel 8, zevende lid, van de Regeling PAS, in meldingsplichtige situaties, tevens als een (automatische) melding ten aanzien van Natura 2000-gebieden waarop de aangevraagde activiteit stikstofdepositie veroorzaakt die lager is dan of gelijk is aan de geldende grenswaarde op grond van het Besluit grenswaarden PAS. Laatstbedoelde stikstofdepositie blijft in het aangevraagde toestemmingsbesluit buiten beschouwing.

§

Geen OR nodig voor de feitelijk veroorzaakte stikstofdepositie vóór 1 januari 2015 Voor bestaande activiteiten waarvoor de vereiste vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 dan wel de vereiste omgevingsvergunning waarop hoofdstuk IX van de Nbw 1998 van toepassing is ontbreekt (de zgn. “interimmers”), wordt bedoeld e toename van stikstofdepositie bepaald ten opzichte van de stikstofdepositie die door de bestaande activiteit ten hoogste feitelijk werd veroorzaakt vóór 1 januari 2015 [1]. Leidt een (voorgenomen) wijziging of uitbreiding van de bestaande activiteit ten opzichte van deze referentiesituatie niet tot een toename van stikstofdepositie als hier bedoeld, dan kan toedeling van OR in het toestemmingsbesluit voor het betreffende project of de andere handeling achterwege blijven. In voorkomend geval dat een (voorgenomen) wijziging of uitbreiding van een bestaande activiteit ten opzichte van voornoemde referentiesituatie (wel) leidt tot een toename van stikstofdepositie als hier bedoeld, dan is in zoverre toedeling van OR in een toestemmingsbesluit noodzakelijk voor zover de geldende grenswaarde op grond van het Besluit grenswaarden PAS wordt overschreden.

Overigens is het aan de aanvrager om aan te tonen wat, binnen de daarvoor geldende kaders, de stikstofdepositie was die door de bestaande activiteit ten hoogste fe itelijk werd veroorzaakt vóór 1 januari 2015. Zo daartoe aanleiding bestaat, wordt onder de overwegingen van dit besluit nader ingegaan op de wijze waarop een en ander kan worden aangetoond en of daarvan in casu sprake is.

Onder “de stikstofdepositie die door de bestaande activiteit ten hoogste feitelijk werd veroorzaakt vóór 1 januari

2015”, wordt op grond van artikel 5, zesde lid, van de Regeling PAS verstaan de stikstofdepositie die in een kalenderjaar in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 ten hoogste werd veroorzaakt als gevolg van hetgeen daadwerkelijk plaatsvond binnen de kaders van een op 1 januari 2015 geldende omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel een op 1 januari 2015 geldende vergunning of melding krachtens de Wet milieubeheer of de Hinderwet.

2016/34098

5

§

Geen OR nodig voor reeds toegestane stikstofdepositie Voor bestaande activiteiten waarvoor een vergunning krachtens artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is verleend, met toepassing van hoofdstuk IX van de Nbw 1998 een omgevingsvergunning is verleend of overeenkomstig artikel 8 van d e Regeling PAS een melding is gedaan, wordt bedoelde toename van stikstofdepositie in principe bepaald ten opzichte van de stikstofdepositie die op grond van de eerdere verleende vergunning of gedane melding is toegestaan. Dit leidt uitzondering wanneer de stikstofdepositie die door de bestaande activiteit ten hoogste feitelijk werd veroorzaakt vóór 1 januari 2015 hoger is dan de stikstofdepositie toegestaan op grond van een vóór 1 juli 2015 verleende vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 of een met toepassing van hoofdstuk IX van de Nbw 1998 vóór 1 juli 2015 verleende omgevingsvergunning. In die situatie wordt de toename van stikstofdepositie bepaald ten opzichte van de stikstofdepositie die door de bestaande activiteit ten hoogste feitelijk werd veroorzaakt vóór 1 januari 2015.

Voor wat betreft de noodzaak om ten behoeve van een (voorgenomen) wijziging of uitbreiding van een bestaande activiteit als hier bedoeld OR toe te delen in een toestemmingsbesluit, is het gestelde onder het vorige uitgangspunt - met inachtneming van de juiste hiervoor vermelde referentiesituatie - van overeenkomstige toepassing.

Zoals uit het vorenstaande blijkt, kan onder omstandigheden toedeling van OR in het toestemmingsbesluit voor een project of een andere handeling welke stikstofdepositie veroorzaakt op een voor stikstof gevoelig habitat in een in het Programma PAS opgenomen Natura 2000 -gebied achterwege blijven. Achtergrond daarvan is dat in het Programma PAS 2015 – 2021 en de daaraan ten grondslag liggende passende beoordeling rekening is gehouden met zowel de (eerder) toegestane als de feitelijk vóór 1 januari 2015 veroorzaakte stikstofdepositie als hiervoor toegelicht. Bestaat met inachtneming van het vorenstaande (wel) de noodzaak om OR toe te delen in een toestemmingsbesluit, dan is allereerst de vraag opportuun of voor het betreffende project of de andere handeling voldoende OR beschikbaar kán worden gesteld. Zonder toedeling van de benodigde OR kan het betreffende project of de andere handeling in de bedoelde situatie immers niet worden toegestaan. Om te kunnen besluiten tot toedeling van de voor een project of andere handeling noodzakelijke OR in een toestemmingsbesluit, dient voldaan te zijn aan de diverse daarvoor geldende voorwaarden. Relevant in dit opzicht voor (niet-prioritaire) projecten en andere handelingen is allereerst de beschikbaarheid van OR in segment 2.

Toedeling van OR in een toestemmingsbesluit mag er immers niet toe leiden dat de resterende OR voor een hectare voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied in segment 2 minder bedraagt dan nul. Daarbij dient de toedeling van OR plaats te vinden in overeenstemming met de door ons college bij besluit van 30 juni 2015 vastgestelde “Beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte Programmatische Aanpak Stikstof Limburg 2015 segment 2”. Uitgangspunt van deze beleidsregel is onder meer dat bij een toestemmingsbesluit de volgorde van de ontvangst van de volledige én ontvankelijke aanvraag voor een toestemmingsbesluit bepalend is (“wie het eerst komt, wie het eerst maalt”). Voorts geldt dat aan een project of een andere handeling casu quo per inrichting cumulatief niet meer dan 3 mol stikstof per hectare per jaar aan OR wordt toegedeeld per PAS-programmaperiode, behoudens voor zover stikstofdepositie wordt veroorzaakt op één of meer daarbij genoemde ZuidLimburgse Natura 2000 gebieden. Voor zover daarvan sprake is en de stikstofdepositie niet wordt veroorzaakt door een veehouderij, kan bij een toestemmingsbesluit ten hoogste 8 mol stikstof per hectare per jaar worden toegedeeld. 2016/34098

6

Overigens wordt volgens de beleidsregel in de eerste PAS-programmaperiode bij een toestemmingsbesluit geen OR toegedeeld aan in Limburg gelegen “interimmers 2009”. Kortweg gaat het daarbij om projecten of andere handelingen die in de periode 1 februari 2009 tot en met 30 juni 2015 in strijd met artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 zijn/worden uitgevoerd en waarvoor vóór 1 juli 2015 geen genoegzame vergunningaanvraag is ontvangen om het project of de andere handeling te (kunnen) legaliseren. Uitsluitend voor zover met inachtneming van het vorenstaande én de noodzaak bestaat om OR toe te delen én wordt voldaan aan de diverse voorwaarden voor het beschikbaar stellen van de benodigde OR, wordt de voor een project of een andere handeling benodigde OR toegedeeld in een toestemmingsbesluit. Is sprake van een toestemmingsbesluit voor onbepaalde tijd, dan wordt eenmalig OR toegedeeld voor onbepaalde tijd ter hoogte van de stikstofdepositie in het jaar waarin deze het hoogst is. Wordt voor een project of een andere handeling toestemming verleend voor ten hoogste vijf jaar, dan is de OR die in het toestemmingsbesluit wordt toegedeeld gelijk aan de som van de stikstofdeposities die het project of de andere handelingen in de onderscheiden jaren op de desbetreffende hectare kan veroorzaken, gedeeld door zes.

De OR die in een toestemmingsbesluit wordt toegedeeld, wordt uitgedrukt in mol per hectare per jaar. Wordt bij een toestemmingsbesluit OR toegedeeld, dan wordt deze geregistreerd in AERIUS Register en afgeschreven van de totale hoeveelheid OR. Daarmee is de toegedeelde hoeveelheid OR niet meer beschikbaar voor overige projecten of andere handelingen. 3.3 Buitenlandse toetsingskaders stikstofdepositie Buitenlandse Natura 2000-gebieden vallen met de inwerkingtreding van de PAS per 1 juli 2015 onder de reikwijdte van artikel 19d Nbw 1998. Zo is in artikel 2, zesde lid, van de Nbw 1998 thans expliciet bepaald dat gedeputeerde staten bij een besluit op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 tevens de gevolgen betrekken die een project of andere handeling kan hebben in een buiten Nederland gelegen Natura 2000-gebied. Daarbij gaat het om alle denkbare (negatieve) gevolgen van een project of andere handeling die de natuurlijke kenmerken van een buitenlands Natura 2000-gebied kunnen aantasten. In de praktijk is het vorenstaande evenwel met name van belang voor aanvragen voor projecten op Nederlands grondgebied die (mede) voorzien in het veroorzaken van stikstofdepositie op stikstofgevoelige buitenlandse Natura 2000-gebieden, waarbij de in het Besluit grenswaarden PAS gestelde grenswaarde van in principe 1 mol/ha/jaar wordt overschreden.

Resulteert een zodanige aanvraag niet in stikstofdepositie op een stikstofgevoelig buitenlands Natura 2000-gebied waarbij voornoemde grenswaarde wordt overschreden, dan kan er in zoverre op voorhand vanuit worden gegaan dat significante effecten zijn uitgesloten en artikel 19f van de Nbw 1998 niet verplicht tot het maken van een passende beoordeling. In voorkomend geval dat een vergunningaanvraag voor een project (wel) voorziet in een toename van stikstofdepositie op één of meer stikstofgevoelige Duitse en/of Belgische Natura 2000-gebieden waarbij voornoemde grenswaarde wordt overschreden, is relevant dat volgens paragraaf 5.7 van het Programma PAS 2015 – 2021 voor het beoordelen van de effecten van stikstofdepositie op de betreffende buitenlandse Natura 2000-gebieden toepassing wordt gegeven aan de daarvoor geldende toetsingskaders in Duitsland en België.

2016/34098

7

In verband hiermee wordt onderstaand ingegaan op de toetsingskaders voor de beoordeling van effecten van stikstofdepositie op Duitse en Belgische Natura 2000-gebieden, zoals deze thans in Duitsland en België worden gehanteerd. 3.3.1 Het Duitse toetsingskader voor stikstofdepositie Voorziet een vergunningaanvraag voor een project op Nederlands grondgebied voor geen enkel Duits Natura 2000-gebied in een toename van stikstofdepositie van 0,1 kg N/ha/jaar (7,14 mol/ha/jaar) of meer, dan kan er volgens het Duitse toetsingskader vanuit worden gegaan dat significante effecten zijn uitgesloten. Leidt een zodanige aanvraag voor één of meer Duitse Natura 2000-gebieden wel tot een toename van stikstofdepositie van 0,1 kg N/ha/jaar (7,14 mol/ha/jaar) of meer, dan dient voor het/de betreffende gebied(en) een nadere beoordeling plaats te vinden. Deze beoordeling bestaat er in voorkomend geval primair uit dat ten aanzien van het/de betrokken gebied(en) voor de relevante habitattypen wordt nagegaan of rekening houdend met de extra stikstofdepositie als gevolg van het aangevraagde project en eventuele cumulerende andere projecten, de minimumwaarde van het zogenaamde critical loads-bereik (CL-bereik) wordt overschreden.

Wordt de minimumwaarde van het CLbereik niet overschreden óf bedraagt de stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door het aangevraagde project en eventuele cumulerende andere projecten voor de relevante habitattypen minder dan 3% van de minimumwaarde van het CL-bereik, dan kunnen significante effecten ook voor het/de betrokken Duitse Natura 2000-gebied(en) uitgesloten worden geacht. Rest de situatie dat de minimumwaarde van het CL-bereik wordt overschreden én het 3%-criterium wordt overschreden. Alsdan dient aan de hand van een passende beoordeling anderszins de zekerheid te zijn verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Duitse Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast. Bij ontstentenis van deze zekerheid, dient er in voorkomend geval vanuit te worden gegaan dat de aangevraagde vergunning dient te worden geweigerd. Overigens kan onder omstandigheden, in afwijking van het normaliter in eerste aanleg te hanteren (afbakenings)criterium van 0,1 kg N/ha/jaar (7,14 mol/ha/jaar), een afbakeningscriterium worden gehanteerd van 0,3 kg N/ha/jaar (21,42 mol/ha/jaar). Een en ander is evenwel afhankelijk van onder meer de juridische ontwikkelingen en de staat van instandhouding van de kwalificerende habitats en soorten ten tijde van het besluit op de vergunningaanvraag.

3.3.2 Het Vlaamse toetsingskader voor stikstofdepositie De beoordeling van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden bevindt zich in Vlaanderen momenteel in een transitiefase, die uiteindelijk moet leiden tot vaststelling van een Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) naar Nederlands voorbeeld. Onderdeel van deze transitiefase is de inwerkingtreding per 27 februari 2015 van een tijdelijk Vlaams toetsingskader voor de beoordeling van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Op basis van deze toetsingsmethode kunnen significante negatieve effecten in eerste aanleg uitgesloten worden geacht, indien in een Vlaams Natura 2000-gebied met inbegrip van de bijdrage van een aangevraagd project op Nederlands grondgebied geen sprake is van een overbelaste situatie dan wel wanneer als gevolg van een zodanig project binnen een Vlaams Natura 2000-gebied ter plaatse van een relevant (potentieel) habitattype of een voorlopige zoekzone de zogenaamde nulcontourlijn niet wordt overschreden. De nulcontourlijn bedraagt in deelgebieden van een Vlaams Natura 2000-gebied waar voedselarme wateren (habitattypen 3110 en 3130) voorkomen of ten doel zijn gesteld 0,18 kg N/ha/jaar (12,85 mol/ha/jaar) en in de overige Vlaamse Natura 2000-gebieden 0,30 kg N/ha/jaar (21,42 mol/ha/jaar). 2016/34098

8

Voorziet een vergunningaanvraag voor een project op Nederlands grondgebied binnen één of meer Vlaamse Natura 2000-gebieden ter plaatse van een relevant (potentieel) habitattype of een voorlopige zoekzone in een toename van stikstofdepositie van meer dan 0,18 kg N/ha/jaar (12,85 mol/ha/jaar) onderscheidenlijk 0,30 kg N/ha/jaar (21,42 mol/ha/jaar), dan is in zoverre een nadere beoordeling noodzakelijk. Relevant voor deze nadere beoordeling is of de stikstofdepositie als gevolg van het aangevraagde project (mede) voortvloeit uit ammoniakemissie dan wel sec voortvloeit uit NOx-emissie. Voor zover de stikstofdepositie als gevolg van het aangevraagde project (mede) voortvloeit uit ammoniakemissie en sprake is van een uitbreiding van bestaande activiteit of een zogenaamde “hervergunning”, kunnen significante negatieve effecten uitgesloten worden geacht indien het aangevraagde project ter plaatse van de relevante (potentiële) habitattypen of een daarvoor aangewezen voorlopige zoekzone leidt tot een toename van stikstofdepositie van minder dan 3% van de geldende kritische depositiewaarde. Let wel: het criterium van 3% geldt niet voor nieuwe activiteiten (= activiteiten die feitelijk niet eerder plaatsvonden).

Is sprake van nieuwe activiteiten en leiden deze tot een overschrijding van de nulcontourlijn, zoals hiervoor toegelicht, dan kunnen significante negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten worden geacht. Voor zover de door het aangevraagde project veroorzaakte stikstofdepositie louter voortvloeit uit NOxemissie, kunnen significante negatieve effecten uitgesloten worden geacht indien het aangevraagde project ter plaatse van de relevante (potentiële) habitattypen of een daarvoor aangewezen voorlopige zoekzone leidt tot een toename van stikstofdepositie van minder dan 5% van de geldende kritische depositiewaarde. Daarbij geldt geen uitzondering voor nieuwe activiteiten. Voorwaarde voor uitbreidingen van bestaande activiteiten, zogenaamde “hervergunningen” en nieuwe activiteiten is evenwel dat in de vergunning de gangbare emissiereducerende technieken (BBT) zijn voorgeschreven. Voldoet het aangevraagde project op Nederlands gebied niet aan de hiervoor genoemde criteria, dan dient er vanuit te worden gegaan dat vergunningverlening uitsluitend mogelijk is, indien op grond van een in een passende beoordeling opgenomen ecologische onderbouwing de zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van de relevante Vlaamse Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast.

3.3.3 Het Waalse toetsingskader voor stikstofdepositie Wallonië kent op dit moment geen eigen toetsingskader voor het beoordelen van de effecten van stikstofdepositie op Waalse Natura 2000-gebieden, veroorzaakt door aangevraagde projecten. Dat laatste veronderstelt dat de voor de toetsing van een vergunningaanvraag voor een project op Nederlands grondgebied welke voorziet in stikstofdepositie op één of meer stikstofgevoelige Waalse Natura 2000-gebieden bij voorkeur een passende beoordeling wordt opgesteld, waaruit blijkt of in zoverre de zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van de relevante Waalse Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast. Relevant is evenwel dat - naar aanleiding van voorliggende vergunningaanvragen van ENCI B.V. te Maastricht en tegen de achtergrond van het bepaalde in artikel 4, derde lid, van het Verdrag van de Europese Unie – in dit verband op 15 januari 2015 afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden met het Waalse gewest, meer in het bijzonder met het Département de la Nature et des Forêts (DNF).

Daarbij is namens DNF medegedeeld dat, bij gebreke van een Waals toetsingskader, ermee wordt ingestemd dat de beoordeling van een vergunningaanvraag voor een project op Nederlands grondgebied welke (mede) voorziet in stikstofdepositie op één of meer Waalse Natura 2000-gebieden in zoverre plaatsvindt met inachtneming van het hiervoor toegelichte Vlaamse toetsingskader. Een en ander is door DNF bevestigd bij brief van 9 september 2015. 2016/34098

9

Gegeven het feit dat DNF daarmee uitdrukkelijk heeft ingestemd, is het verdedigbaar dat voor het beoordelen van de effecten van stikstofdepositie op Waalse Natura 2000-gebieden, welke wordt veroorzaakt door een aangevraagd project op Nederlands grondgebied het Vlaamse toetsingskader wordt toegepast. Dit laatste geldt te meer nu in voorkomende gevallen dat het voornemen bestaat om voor een zodanig project tot vergunningverlening over te gaan, tijdig afstemmingsoverleg plaatsvindt met DNF waarbij informatie wordt verstrekt over (de gevolgen van) het betreffende project, de vergunningaanvraag (inclusief alle relevante bijbehorende stukken) en de (ontwerp)besluiten tot vergunningverlening aan de Waalse autoriteiten worden gezonden, van de (ontwerp)besluiten op een toereikende wijze kennis wordt gegeven in Wallonië, alsmede genoegzaam de gelegenheid wordt geboden om kennis te nemen van alle relevante stukken, zienswijzen naar voren te brengen en beroep in te stellen.

2016/34098

10

4.

Overwegingen

4.1. Aanvraag De aanvraag heeft betrekking op het exploiteren en wijzigen van een vóór 1 januari 2015 bestaande varkens- en rundveehouderij van Maatschap J.H.P. en G. Fransman-de Bruin, gelegen aan de Bleijenbeek 15a te Afferden. Er wordt vergunning gevraagd voor de situatie als weergegeven in tabel 1. Emissie (kg NH3 / dier /

Totaal (kg NH3 /

Type

Code Stal

Aantal dieren

jaar)

jaar)

Zoogkoeien ouder dan 2 jaar

A 2.100

15

4,1

61,5

Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

A 3.100

28

4,4

123,2

A 6.100

28

5,3

Fokstieren en overig rundvee > 2 jaar

A 7.100

28

6,2

173,6

Volwassen paarden > 3 jaar

K 1.100

5

5

25

Paarden in opfok < 3 jaar

K 2.100

3

2,1

6,3

Vleesvarkens

D 3.100

367

3

1.101

Totaal

1.639

Vleesstieren en overig vleesvee 8-24 maanden

148,4

Tabel 1 aangevraagde situatie

De ‘Code Stal’ in tabel 1 en volgende betreft de code zoals opgenomen in de bijlage behorende bij de Regeling ammoniak en veehouderij, zoals laatstelijk gewijzigd 24 juni 2015 (Staatscourant 2015, nr. 16866) en in werking getreden op 1 augustus 2015. 4.2. Nederlandse Natura 2000-gebieden In relatie tot de in de PAS betrokken (Nederlandse) Natura 2000-gebieden dient te worden vastgesteld dat de aanvraag betrekking heeft op het exploiteren en wijzigen van een vóór 1 januari 2015 bestaande activiteit, waarvoor niet eerder de vereiste toestemming ingevolge artikel 19d, eerste lid, dan wel hoofdstuk IX van de Nbw 1998 is verleend. Om dit aantoonbaar te maken zijn ten aanzien van deze activiteit (afschriften van) de volgende documenten overgelegd: § de op 1 januari 2015 voor de inrichting van de aanvrager geldende vergunning zoals verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bij besluit van 13 september 2011; § veesaldokaarten d.d.

9 november 2012, voorzien van een door een beëdigde accountant verstrekte accountantsverklaring; § een verschilberekening met behulp van AERIUS Calculator van de stikstofdepositie die door de vóór 1 januari 2015 bestaande activiteit sec respectievelijk de aangevraagde (bestaande) activiteit na wijziging wordt veroorzaakt op de voor stikstof gevoelige habitattypen in één of meer Natura 2000-gebieden die zijn opgenomen in het Programma PAS.

2016/34098

11

Op basis van de hiervoor aangehaalde documenten is genoegzaam aangetoond dat de stikstofdepositie die in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 ten hoogste werd veroorzaakt als gevolg van hetgeen daadwerkelijk plaatsvond binnen de kaders van de op 1 januari 2015 voor de aangevraagde bestaande activiteit geldende omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voortvloeit uit een ammoniak emmisie van in totaal 1.746,7 kg/jaar. Ten opzichte van de stikstofdepositie die bijgevolg binnen de daarvoor geldende kaders door de bestaande activiteit ten hoogste feitelijk werd veroorzaakt vóór 1 januari 2015, voorziet de aanvraag niet in een toename van stikstofdepositie. Mede in aanmerking genomen dat in het Programma PAS 2015 – 2021 en de daaraan ten grondslag liggende passende beoordeling, binnen de daarvoor geldende kaders, rekening is gehouden met de stikstofdepositie die door bestaande activiteiten ten hoogste feitelijk werd veroorzaakt vóór 1 januari 2015, is aldus genoegzaam gewaarborgd dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden in zoverre niet zullen worden aangetast door de aangevraagde activiteit. Reden waarom de aangevraagde vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 in zoverre kan worden verleend.

Daarbij kan het toedelen van OR achterwege blijven. 4.3. Buitenlandse Natura 2000-gebieden Zoals in paragraaf 3.3 nader is toegelicht, vallen buitenlandse Natura 2000-gebieden met de inwerkingtreding van de PAS per 1 juli 2015 onder de reikwijdte van artikel 19d Nbw 1998. Daarnaast geldt voor aangevraagde projecten op Nederlands grondgebied die meer stikstofdepositie dan 1 mol/ha/jaar veroorzaken op stikstofgevoelige Duitse en Belgische Natura 2000-gebieden dat de effecten van stikstofdepositie volgens paragraaf 5.7 van het Programma PAS 2015 – 2021 dienen te worden beoordeeld overeenkomstig de daarvoor geldende toetsingskaders in Duitsland respectievelijk Vlaanderen en Wallonië. Reden waarom onder 3.3.1, 3.3.2 en 3.3.3 uitvoerig op deze toetsingskaders is ingegaan. Vastgesteld dient te worden dat de voorliggende aanvraag niet voorziet in het veroorzaken van meer stikstofdepositie dan 1 mol/ha/jaar op de stikstofgevoelige Duitse Natura 2000-gebieden, zodat er in principe geen aanleiding bestaat om de effecten van stikstofdepositie te beoordelen overeenkomstig het daarvoor geldende Duitse toetsingskader.

Niettemin wordt ten overvloede opgemerkt dat, nu de aanvraag voor Duitse Natura 2000-gebieden niet voorziet in een toename van stikstofdepositie van 0,1 kg N/ha/jaar (7,14 mol/ha/jaar) of meer, er ook bij toepassing van het desbetreffende Duitse toetsingskader vanuit zou kunnen worden gegaan dat significante negatieve effecten op Duitse Natura 2000-gebieden in zoverre zijn uitgesloten.

2016/34098

12

4.4. Conclusie Op grond van bovenstaande beoordeling concluderen wij dat onderhavige door Maatschap J.H.P. en G. Fransman-de Bruin te Afferden aangevraagde activiteit geen (significante) negatieve effecten zal veroorzaken op de betrokken Nederlandse Natura 2000-gebieden “Maasduinen” en “Rijntakken”. Verder blijkt uit de aanvraag dat er geen andere - niet aan stikstofdepositie gerelateerde - negatieve effecten (zoals geluid, trillingen, licht, grondwaterstands- en/of grondwaterkwaliteitveranderingen etc.) te verwachten zijn die de natuurlijke kenmerken van voornoemde beschermde gebieden kunnen aantasten. Het natuurschoon en de natuurwetenschappelijke betekenis zullen geen negatieve gevolgen ondervinden, mits deze vergunning en de daaraan verbonden voorschriften worden nageleefd. Tegen deze achtergrond is vergunningverlening voor de aangevraagde activiteiten in overeenstemming met het bepaalde in de Natuurbeschermingswet 1998.

2016/34098

13

5.

Besluit

Gelet op het bepaalde in de Natuurbeschermingswet 1998 en voorgaande overwegingen, besluiten wij: 1. aan Maatschap J.H.P. en G. Fransman-de Bruin een vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 te verlenen voor het exploiteren en wijzigen van een varkens- en rundveehouderij zoals aangevraagd d.d. 4 februari 2016 met kenmerk 2016-0169 aan de Bleijenbeek 15a te Afferden, waarbij de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden “Maasduinen” en “Rijntakken” zijn bezien; 2. aan de vergunning de beperkingen te stellen en voorschriften te verbinden, zoals opgenomen onder hoofdstuk 7; 3. dat de aanvraag en de bijbehorende stukken ontvangen op 4 februari 2016 deel uitmaken van deze vergunning, behoudens en voor zover daarvan bij dit besluit niet wordt afgeweken.

6.

Rechtsbescherming

Als dit besluit uw belang rechtstreeks raakt en u het met de inhoud van dit besluit niet eens bent, kunt u, tegen betaling van de verschuldigde griffierechten, beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. U moet dan binnen zes weken na de dag waarop dit besluit ter inzage is gelegd een beroepschrift indienen. Op deze procedure is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het beroepschrift moet worden ondertekend en ten minste bevatten: de naam en het adres van de indiener; de datum; een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht alsmede de redenen van het beroep (motivering). Het beroepschrift moet worden gericht aan: Raad van State; Afdeling bestuursrechtspraak; Postbus 20019; 2500 EA Den Haag. Als u een beroepschrift heeft ingediend, dan kunt u tevens de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken een voorlopige voorziening te treffen. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de internetpagina van de Raad van State, www.raadvanstate.nl. Klik op ‘ONZE WERKWIJZE’. Klik op ‘Bestuursrechtspraak’.

Gedeputeerde Staten van Limburg namens dezen,

A.T.J. van der Pol Clustermanager Vergunningen

2016/34098

14

7.

Voorschriften

Aan deze vergunning worden de volgende voorschriften verbonden: De vergunning heeft betrekking op het houden van de dieraantallen op de stalsystemen aan de Bleijenbeek 15a te Afferden zoals weergegeven in onderstaande tabel:

§

Type

Code stal

Aantal dieren

Zoogkoeien ouder dan 2 jaar

A 2.100

15

Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

A 3.100

28

Vleesstieren en overig vleesvee 8-24 maanden

A 6.100

28

Fokstieren en overig rundvee > 2 jaar

A 7.100

28

Volwassen paarden > 3 jaar

K 1.100

5

Paarden in opfok < 3 jaar

K 2.100

3

Vleesvarkens

D 3.100

367

De ‘Code Stal’ in tabel 1 en volgende betreft de code zoals opgenomen in de bijlage behorende bij de Regeling ammoniak en veehouderij, zoals laatstelijk gewijzigd 24 juni 2015 (Staatscourant 2015, nr. 16866) en in werking getreden op 1 augustus 2015. De vergunning heeft betrekking op de emissie van 1.639 kg NH3 / jaar, resulterend in een stikstofdepositie op de beschermde natuurgebieden zoals weergegeven in onderstaande tabel:

§

Depositie Naam

X-coördinaat

Y-coördinaat

(mol N / ha / jaar)

Maasduinen

201 264

405 976

47,8

Rijntakken

197 449

431 497

0,05

2016/34098

15

8.

Afschriften

Een afschrift van dit besluit hebben wij verzonden aan: §

Maatschap J.H.P. en G. Fransman-de Bruin, Bleijenbeek 15a, 5851 EE te Afferden als besluit op de aanvraag;

§

Arvalis, Deputé Petersstraat 27, 5808 BB te Oirlo, ter kennisname;

§

Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bergen, Postbus 140, 5854 ZJ te Bergen, ter kennisname;

§

Ministerie van Economische Zaken, DG Regio, Postbus 20401, 2500 EK te Den Haag, ter kennisname;

§

Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, Postbus 9090, 6800 GX te Arnhem, ter kennisname;

§

Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel, Postbus 10078, 8000GB Zwolle, ter kennisname;

§

Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht, Postbus 80300, 3508 TH Utrecht, ter kennisname.

2016/34098

16

Bijlage 1, Aerius-berekening

2016/34098

17

Dit document bevat resultaten van een stikstofdepositieberekening met AERIUS Calculator. U dient dit document te gebruiken ter onderbouwing van een vergunningaanvraag in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998. De resultaten geven de stikstofeffecten van deze activiteit weer voor haar omgeving. Tot de omgeving behoren zowel Natura 2000gebieden als beschermde natuurmonumenten. Calculator maakt enkel voor de PAS-gebieden inzichtelijk welke stikstofgevoelige habitattypen er voor komen en op welke hiervan een effect is. Op basis hiervan is aangegeven voor hoeveel hectares ontwikkelingsruimte benodigd is. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en stikstofoxide (NOx), of één van beide. Hiermee is de depositie van de activiteit berekend en uitgewerkt. Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in de Calculator.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Emissie Depositie natuurgebieden Depositie habitattypen

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl. Rjg9JV9HDXFB (03 maart 2016) pagina 1/22

Berekening voor vergunningaanvraag

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

mts

Bleijenbeek 15a, 5851 EE Afferden

Omschrijving

AERIUS kenmerk

J, H, P en G Fransman-de Bruin

Rjg9JV9HDXFB

Datum berekening

Rekenjaar

03 maart 2016, 16:08

2016

Totale emissie

Depositie Hectare met hoogste projectverschil (mol/ha/j)

Situatie 1

Situatie 2

Verschil

NOx

-

-

-

NH3

1.746,70 kg/j

1.639,00 kg/j

-107,70 kg/j

Natuurgebied

Provincie

Zeldersche Driessen

Limburg

Situatie 1

Situatie 2

Verschil

0,15

0,15

+ 0,00

Toelichting

Vergelijking -6

Berekening voor vergunningaanvraag

Situatie 1

Rjg9JV9HDXFB (03 maart 2016)

Situatie 2

pagina 2/22

Berekening voor vergunningaanvraag

Locatie Situatie 1

Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3

Dier

Berekening voor vergunningaanvraag

RAV code

Omschrijving

A 2.100

Bron 1 201531, 405940 1,5 m 0,0 mw 78,70 kg/j

Aantal Stof dieren

Emissiefactor (kg/dier/j)

Emissie

overige huisvestingssystemen (Rundvee; zoogkoeien ouder dan 2 jaar) (Overig)

14 NH3

4,100

57,40 kg/j

K 1.100

overige huisvestingssystemen (Paarden; volwassen paarden (3 jaar en ouder)) (Overig)

3 NH3

5,000

15,00 kg/j

K 2.100

overige huisvestingssystemen (Paarden; paarden in opfok (jonger dan 3 jaar)) (Overig)

3 NH3

2,100

6,30 kg/j

Situatie 1

Rjg9JV9HDXFB (03 maart 2016)

Situatie 2

pagina 3/22

Berekening voor vergunningaanvraag

Naam Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3

Dier

RAV code

Omschrijving

Aantal Stof dieren

Emissiefactor (kg/dier/j)

Emissie

D 3.100

overige huisvestingssystemen (Varkens; vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking ) (Overig)

205 NH3

3,000

615,00 kg/j

Aantal Stof dieren

Emissiefactor (kg/dier/j)

Emissie

45 NH3

4,400

198,00 kg/j

Naam Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3

Dier

Berekening voor vergunningaanvraag

Bron 2 201526, 405923 3,8 m 0,0 mw 615,00 kg/j

RAV code

Omschrijving

A 3.100

overige huisvestingssystemen (Rundvee; vrouwelijk jongvee tot 2 jaar) (Overig)

Bron 3 201505, 405930 5,4 m 0,0 mw 198,00 kg/j

Situatie 1

Rjg9JV9HDXFB (03 maart 2016)

Situatie 2

pagina 4/22

Berekening voor vergunningaanvraag

Naam Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3

Dier

RAV code

Omschrijving

Aantal Stof dieren

Emissiefactor (kg/dier/j)

Emissie

D 3.100

overige huisvestingssystemen (Varkens; vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking ) (Overig)

162 NH3

3,000

486,00 kg/j

Aantal Stof dieren

Emissiefactor (kg/dier/j)

Emissie

123 NH3

3,000

369,00 kg/j

Naam Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3

Dier

Berekening voor vergunningaanvraag

Bron 4 201484, 405921 4,0 m 0,0 mw 486,00 kg/j

RAV code

Omschrijving

D 3.100

overige huisvestingssystemen (Varkens; vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking ) (Overig)

Bron 5 201488, 405941 5,0 m 0,0 mw 369,00 kg/j

Situatie 1

Rjg9JV9HDXFB (03 maart 2016)

Situatie 2

pagina 5/22

Berekening voor vergunningaanvraag

Locatie Situatie 2

Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 2

Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3

Dier

Berekening voor vergunningaanvraag

RAV code

Omschrijving

A 2.100

Bron 1 201531, 405940 1,5 m 0,0 mw 92,80 kg/j

Aantal Stof dieren

Emissiefactor (kg/dier/j)

Emissie

overige huisvestingssystemen (Rundvee; zoogkoeien ouder dan 2 jaar) (Overig)

15 NH3

4,100

61,50 kg/j

K 1.100

overige huisvestingssystemen (Paarden; volwassen paarden (3 jaar en ouder)) (Overig)

5 NH3

5,000

25,00 kg/j

K 2.100

overige huisvestingssystemen (Paarden; paarden in opfok (jonger dan 3 jaar)) (Overig)

3 NH3

2,100

6,30 kg/j

Situatie 1

Rjg9JV9HDXFB (03 maart 2016)

Situatie 2

pagina 6/22

Berekening voor vergunningaanvraag

Naam Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3

Dier

RAV code

Omschrijving

Aantal Stof dieren

Emissiefactor (kg/dier/j)

Emissie

D 3.100

overige huisvestingssystemen (Varkens; vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking ) (Overig)

205 NH3

3,000

615,00 kg/j

Aantal Stof dieren

Emissiefactor (kg/dier/j)

Emissie

28 NH3

4,400

123,20 kg/j

Naam Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3

Dier

Berekening voor vergunningaanvraag

Bron 2 201526, 405923 3,8 m 0,0 mw 615,00 kg/j

RAV code

Omschrijving

A 3.100

overige huisvestingssystemen (Rundvee; vrouwelijk jongvee tot 2 jaar) (Overig)

Bron 3 201505, 405930 5,4 m 0,0 mw 123,20 kg/j

Situatie 1

Rjg9JV9HDXFB (03 maart 2016)

Situatie 2

pagina 7/22

Berekening voor vergunningaanvraag

Naam Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3

Dier

RAV code

Omschrijving

Aantal Stof dieren

Emissiefactor (kg/dier/j)

Emissie

D 3.100

overige huisvestingssystemen (Varkens; vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking ) (Overig)

162 NH3

3,000

486,00 kg/j

Aantal Stof dieren

Emissiefactor (kg/dier/j)

Emissie

Naam Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3

Dier

Berekening voor vergunningaanvraag

Bron 4 201484, 405921 4,0 m 0,0 mw 486,00 kg/j

Bron 5 201518, 405958 5,5 m 0,0 mw 322,00 kg/j

RAV code

Omschrijving

A 6.100

overige huisvestingssystemen (Rundvee; vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 tot 24 maanden (roodvleesproductie)) (Overig)

28 NH3

5,300

148,40 kg/j

A 7.100

overige huisvestingssystemen (Rundvee; fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar ) (Overig)

28 NH3

6,200

173,60 kg/j

Situatie 1

Rjg9JV9HDXFB (03 maart 2016)

Situatie 2

pagina 8/22

Berekening voor vergunningaanvraag Depositie natuurgebieden

Hoogste projectverschil (Zeldersche Driessen)

Hoogste projectverschil per natuurgebied

Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Beschermd natuurgebied Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn Habitatrichtlijn, Beschermd natuurgebied Vogelrichtlijn, Beschermd natuurgebied Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Beschermd natuurgebied

Berekening voor vergunningaanvraag

Situatie 1

Rjg9JV9HDXFB (03 maart 2016)

Situatie 2

pagina 9/22

Berekening voor vergunningaanvraag Depositie PASgebieden

Natuurgebied

Situatie 1

Situatie 2

Verschil

Hoogste depositie Situatie 2 (mol/ha/j)

Zeldersche Driessen

0,15

0,15

+ 0,00

0,35

Oeffelter Meent

>0,05

>0,05

+ 0,00

0,07

Sint Jansberg

0,09

0,09

+ 0,00

0,13

Maasduinen

0,07

0,06

- 0,00

47,80

Deurnsche Peel & Mariapeel

>0,05

0,05

- 0,00

0,05

Rijntakken

>0,05

0,05

- 0,00

0,05

Boschhuizerbergen

0,07

0,06

- 0,00

0,16

De Bruuk

>0,05

>0,05

- 0,00

>0,05

Hectare met hoogste projectverschil (mol/ha/j)

Overschrij- Ontwikkelingsding KDW ruimte beschikbaar

-

Geen overschrijding Wel overschrijding* Ontwikkelingsruimte beschikbaar** Geen ontwikkelingsruimte beschikbaar *

Deze uitkomst wordt niet meegenomen in de toetsing aan de Nb-wet. Bij de toetsing aan de NB-wet gaat het om de relevante hexagonen waarvoor ontwikkelingsruimte is gereserveerd.

** Bij beoordeling van een vergunningaanvraag in het kader van de Nb-wet wordt vastgesteld of er voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar is en of dat significante verslechtering uitgesloten kan worden.

Berekening voor vergunningaanvraag

Situatie 1

Rjg9JV9HDXFB (03 maart 2016)

Situatie 2

pagina 10/22

Berekening voor vergunningaanvraag Depositie per Zeldersche Driessen habitatt•ype Habitattype

Hectare met hoogste projectverschil (mol/ha/j) Situatie 1

Situatie 2

Verschil

H6120 Stroomdalgraslanden

0,15

0,15

+ 0,00

H9120 Beuken-eikenbossen met hulst

0,23

0,23

- 0,00

H91F0 Droge hardhoutooibossen

0,11

0,10

- 0,01

H6430C Ruigten en zomen (droge bosranden)

0,21

0,20

- 0,01

Overschrij- Ontwikkelingsding KDW ruimte beschikbaar

Oeffelter Meent Habitattype

Hectare met hoogste projectverschil (mol/ha/j) Situatie 1

Situatie 2

Verschil

H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)

>0,05

>0,05

+ 0,00

H6120 Stroomdalgraslanden

>0,05

>0,05

- 0,00

Overschrij- Ontwikkelingsding KDW ruimte beschikbaar

Sint Jansberg Habitattype

Berekening voor vergunningaanvraag

Hectare met hoogste projectverschil (mol/ha/j) Situatie 1

Situatie 2

Verschil

H9120 Beuken-eikenbossen met hulst

0,09

0,09

+ 0,00

ZGH9120 Beuken-eikenbossen met hulst

0,09

0,09

+ 0,00

H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

0,11

0,11

+ 0,00

H7210 Galigaanmoerassen

0,08

0,08

- 0,00

Overschrij- Ontwikkelingsding KDW ruimte beschikbaar

Situatie 1

Rjg9JV9HDXFB (03 maart 2016)

Situatie 2

pagina 11/22

Berekening voor vergunningaanvraag Maasduinen Habitattype

Berekening voor vergunningaanvraag

Hectare met hoogste projectverschil (mol/ha/j) Situatie 1

Situatie 2

Verschil

H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

0,07

0,06

- 0,00

H2330 Zandverstuivingen

0,06

0,06

- 0,00

H4030 Droge heiden

0,06

0,06

- 0,00

ZGH9120 Beuken-eikenbossen met hulst

0,06

0,06

- 0,00

H9120 Beuken-eikenbossen met hulst

0,05

0,05

- 0,00

H3130 Zwakgebufferde vennen

>0,05

>0,05

- 0,00

ZGH91D0 Hoogveenbossen

0,07

0,07

- 0,00

H9190 Oude eikenbossen

0,06

0,06

- 0,00

ZGH9190 Oude eikenbossen

0,06

0,06

- 0,00

H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)

>0,05

0,05

- 0,00

H6120 Stroomdalgraslanden

>0,05

0,05

- 0,00

H91D0 Hoogveenbossen

>0,05

0,05

- 0,00

ZGH91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

>0,05

0,05

- 0,00

H6230dka Heischrale graslanden, droog kalkarm

0,06

>0,05

- 0,00

H2310 Stuifzandheiden met struikhei

0,12

0,11

- 0,00

H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen

0,10

0,10

- 0,00

Overschrij- Ontwikkelingsding KDW ruimte beschikbaar

Situatie 1

Rjg9JV9HDXFB (03 maart 2016)

Situatie 2

pagina 12/22

Berekening voor vergunningaanvraag

Habitattype

Hectare met hoogste projectverschil (mol/ha/j) Situatie 1

Situatie 2

Verschil

ZGH3130 Zwakgebufferde vennen

0,27

0,27

- 0,01

H3160 Zure vennen

0,22

0,21

- 0,01

H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes)

2,50

2,34

- 0,16

Overschrij- Ontwikkelingsding KDW ruimte beschikbaar

Deurnsche Peel & Mariapeel Habitattype

H7120ah Herstellende hoogvenen, actief hoogveen

Hectare met hoogste projectverschil (mol/ha/j) Situatie 1

Situatie 2

Verschil

>0,05

0,05

- 0,00

Overschrij- Ontwikkelingsding KDW ruimte beschikbaar

Rijntakken Habitattype

H3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen

Berekening voor vergunningaanvraag

Hectare met hoogste projectverschil (mol/ha/j) Situatie 1

Situatie 2

Verschil

>0,05

0,05

- 0,00

Overschrij- Ontwikkelingsding KDW ruimte beschikbaar

-

Situatie 1

Rjg9JV9HDXFB (03 maart 2016)

Situatie 2

pagina 13/22

Berekening voor vergunningaanvraag Boschhuizerbergen Habitattype

Hectare met hoogste projectverschil (mol/ha/j) Situatie 1

Situatie 2

Verschil

H3130 Zwakgebufferde vennen

0,07

0,06

- 0,00

ZGH3130 Zwakgebufferde vennen

0,08

0,07

- 0,00

H2310 Stuifzandheiden met struikhei

0,07

0,07

- 0,00

H5130 Jeneverbesstruwelen

0,07

0,07

- 0,00

H2330 Zandverstuivingen

0,07

0,07

- 0,00

Overschrij- Ontwikkelingsding KDW ruimte beschikbaar

De Bruuk Habitattype

H6410 Blauwgraslanden

Hectare met hoogste projectverschil (mol/ha/j) Situatie 1

Situatie 2

Verschil

>0,05

>0,05

- 0,00

Overschrij- Ontwikkelingsding KDW ruimte beschikbaar

Geen overschrijding Wel overschrijding* Ontwikkelingsruimte beschikbaar** Geen ontwikkelingsruimte beschikbaar *

Deze uitkomst wordt niet meegenomen in de toetsing aan de Nb-wet. Bij de toetsing aan de NB-wet gaat het om de relevante hexagonen waarvoor ontwikkelingsruimte is gereserveerd.

** Bij beoordeling van een vergunningaanvraag in het kader van de Nb-wet wordt vastgesteld of er voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar is en of dat significante verslechtering uitgesloten kan worden.

Berekening voor vergunningaanvraag

Situatie 1

Rjg9JV9HDXFB (03 maart 2016)

Situatie 2

pagina 14/22

Berekening voor vergunningaanvraag Depositie resterende gebieden

Berekening voor vergunningaanvraag

Natuurgebied

Situatie 1

Situatie 2

Verschil

Hoogste depositie Situatie 2 (mol/ha/j)

Vogelschutzgebiet 'Unterer Niederrhein'

>0,05

0,05

- 0,00

0,20

-

NSG Salmorth, nur Teilfläche

>0,05

0,05

- 0,00

0,15

-

NSG Kranenburger Bruch

>0,05

0,05

- 0,00

0,13

-

NSG Bislicher Insel, nur Teilfläche

>0,05

0,05

- 0,00

0,05

-

Fleuthkuhlen

>0,05

0,05

- 0,00

0,15

-

NSG Emmericher Ward

>0,05

0,05

- 0,00

0,12

-

NSG Bienener Altrhein, Millinger u. Hurler Meer u. NSG Empeler M

>0,05

0,05

- 0,00

0,12

-

Diersfordter Wald/ Schnepfenberg

>0,05

0,05

- 0,00

>0,05

-

NSG Kellener Altrhein, nur Teilfläche, mit Erweiterung

>0,05

0,05

- 0,00

0,08

-

Uedemer Hochwald

>0,05

0,05

- 0,00

0,12

-

Dornicksche Ward

>0,05

>0,05

- 0,00

0,17

-

NSG Grietherorter Altrhein

>0,05

>0,05

- 0,00

0,06

-

Rhein-Fischschutzzonen zwischen Emmerich und Bad Honnef

>0,05

>0,05

- 0,00

0,15

-

NSG Gut Grindt u. NSG Rheinaue >0,05 zw. Km 830,7 - 833,2 , nur Teilfl

0,05

- 0,00

0,05

-

Wisseler Dünen

>0,05

0,05

- 0,00

0,21

-

Kalflack

0,05

0,05

- 0,00

0,09

-

Hectare met hoogste projectverschil (mol/ha/j)

Overschrij- Ontwikkelingsding KDW ruimte beschikbaar

Situatie 1

Rjg9JV9HDXFB (03 maart 2016)

Situatie 2

pagina 15/22

Berekening voor vergunningaanvraag

Natuurgebied

Situatie 1

Situatie 2

Verschil

Hoogste depositie Situatie 2 (mol/ha/j)

NSG Rheinaue Bislich-Vahnum, nur Teilfläche

0,06

>0,05

- 0,00

0,07

-

Reichswald

0,19

0,18

- 0,01

0,33

-

Erlenwälder bei Gut Hovesaat

0,22

0,21

- 0,01

0,31

-

Hectare met hoogste projectverschil (mol/ha/j)

Overschrij- Ontwikkelingsding KDW ruimte beschikbaar

Geen overschrijding Wel overschrijding* *

Berekening voor vergunningaanvraag

Deze uitkomst wordt niet meegenomen in de toetsing aan de Nb-wet. Bij de toetsing aan de NB-wet gaat het om de relevante hexagonen waarvoor ontwikkelingsruimte is gereserveerd.

Situatie 1

Rjg9JV9HDXFB (03 maart 2016)

Situatie 2

pagina 16/22

Berekening voor vergunningaanvraag Depositie per Vogelschutzgebiet 'Unterer Niederrhein' habitatt•ype Habitattype

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12667223/1