CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij toelichting Bijlage 11 Stikstofdepositieonderzoek

Gemeenteraad 30 mei 2023, gemeente BergenBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan landgoed Bleijenbeek e.o. 2022;21.740 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

STIKSTOFDEPOSITIEONDERZOEK LANDGOED BLEIJENBEEK AFFERDEN

1

De Roever Omgevingsadvies Rembrandtlaan 4 5462 CH Veghel T 073 594 10 11 E info@deroever.nl W www.deroever.nl NL97 RABO 0122 6903 11 Advies- en ingenieursbureau J.G. de Roever B.V. KvK 16068733 BTW NL 8015.63.136.B.01

Titel document: Referentie: Datum: Opdrachtgever:

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden 20220606.v03 13 april 2023 Buro Waalbrug

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

2

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ....................................................................................................................................... 4

1.1. 1.2.

Algemeen ..................................................................................................................................... 4 Ligging van het plangebied .......................................................................................................... 6

2.

WETTELIJK KADER ...................................................................................................................... 7

2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5.

Wet natuurbescherming .............................................................................................................. 7 Programma Aanpak Stikstof (PAS) ............................................................................................. 7 Beleidsregels intern en extern salderen ...................................................................................... 7 Referentiesituatie ......................................................................................................................... 8 Wet stikstofreductie en natuurverbetering ................................................................................... 8

3.

REKENONDERZOEK ..................................................................................................................... 9

3.1. Uitgangspunten aanlegfase ......................................................................................................... 9 3.1.1. Mobiele werktuigen .............................................................................................................. 9 3.1.2. Bouwverkeer ...................................................................................................................... 10 3.2. Uitgangspunten gebruiksfase .................................................................................................... 12 3.2.1. Verkeer .............................................................................................................................. 12 3.2.2. Mobiele werktuigen ............................................................................................................ 14 3.2.3. Stookinstallaties ................................................................................................................. 15 3.2.4. Dieren ................................................................................................................................ 16 3.3. Uitgangspunten referentiesituatie .............................................................................................. 18 3.3.1.

Dieren ................................................................................................................................ 18 3.3.2. Stookinstallaties ................................................................................................................. 19 3.3.3. Verkeer .............................................................................................................................. 19 3.3.4. Mobiele werktuigen ............................................................................................................ 20 3.4.

Berekeningswijze ....................................................................................................................... 21

4. CONCLUSIES ............................................................................................................................... 22 BIJLAGE I. METHODIEK KENTALLEN AANLEGFASE WONINGBOUW .................................... 23 BIJLAGE II. NB-WET VERGUNNING BLEIJENBEEK 13A ............................................................. 24 BIJLAGE III. NB-WET VERGUNNING BLEIJENBEEK 15A ......................................................... 25 BIJLAGE IV. AERIUS PROJECTBEREKENING (REFERENTIE, BEOOGD EN VERSCHIL) .... 26

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

3

1.

INLEIDING

1.1.

Algemeen

Initiatiefnemer is voornemens om het Landgoed Bleijenbeek te Afferden verder te ontwikkelen. Het landgoed is circa 268 hectare groot. Voor de duurzame doorontwikkeling en instandhouding van het landgoed is een ontwikkelingsvisie opgesteld. Deze ontwikkelingsvisie dient als vertrekpunt voor de verdere uitwerking en de te doorlopen planprocedures en fungeert tevens als kader bij de verschillende uitwerkingen van de deelgebieden. In het kader van deze ontwikkeling moet een stikstofdepositieonderzoek voor de aanlegfase en gebruiksfase worden uitgevoerd. Het landgoed is gelegen aan de rand van Afferden in de gemeente Bergen te Limburg. Op afbeelding 1 is de locatie van het plangebied, de buitengrens van Landgoed Bleijenbeek, weergegeven. Een tekening van de visie Landgoed Bleijenbeek met de locaties van de verschillende deelgebieden is weergegeven op afbeelding 2.

Afbeelding 1. Locatie plangebied (buitengrens Landgoed Bleijenbeek).

Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de volgende gegevens: - informatie versterkt door de initiatiefnemer; - via internet toegankelijke informatie en digitale ondergronden (PDOK); - gegevens en bureauexpertise de Roever Omgevingsadvies; - gebiedsvisie ‘Landgoed Bleijenbeek’ opgesteld door Buro Waalbrug, met kenmerk: W-19047 d.d. december 2021.

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

4

Afbeelding 2. Visie Landgoed Bleijenbeek

De volgende voor stikstofrelevante ontwikkelingen vinden plaats per deelgebied: 1. Deelgebied Bleijenbeek 6A-8 (werkplaats): een bedrijfswoning wordt hier omgezet naar burgerwoning. Eventueel aangevuld met een kleinschalig museum. 2. Deelgebied Bleijenbeek 10 (‘Kasteelse Hof’): de voormalige stallen (centraal gelegen in het hoofdgebouw) worden hier omgezet naar een burgerwoning en de voormalige bedrijfswoning wordt in gebruik genomen als kleinschalige overnachtingsmogelijkheid (B&B); Daarnaast komt er in een vervallen bijgebouw aan de zuidoostzijde een recreatiewoning (124 m²). Ten noordwesten van het hoofdgebouw komt een nieuw bijgebouw in de vorm van een hooimijt (36 m²). 3. Deelgebied Bleijenbeek 12 (‘Aldenhof’): een bedrijfswoning wordt hier omgezet naar een burgerwoning. Daarnaast worden mogelijkheden geboden tot een verblijfsaccommodatie (B&B) en een kleinschalige vergaderaccommodatie. Eventueel in combinatie met dagbesteding. 4. Deelgebied Bleijenbeek 15: een bestaand agrarisch bedrijf (waarvan geen dieren bekend zijn) met bedrijfswoning wordt hier gesaneerd. Vervolgens worden er twee burgerwoningen teruggebouwd. 5. Deelgebied ten zuiden van Bleijenbeek 15: vijf woonkavels worden hier toegevoegd. 6. Deelgebied ‘De Boshof’: een bijzondere vrijstaande woning wordt hier gerealiseerd. 7.

Deelgebied Bleijenbeek 17: alle gebouwen bij een voormalig agrarisch bedrijf (waarvan geen dieren bekend zijn) worden hier gesaneerd. 8. Deelgebied Bleijenbeek 14 (paviljoen Bleijenbeek): een aantal recreatieve lodges worden hier toegevoegd naast het bestaande (golf)paviljoen Bleijenbeek. Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

5

9. Deelgebied Bleijenbeek 13A en 15A: het grondgebonden agrarisch bedrijf op 13A blijft behouden en de varkensrechten van het intensieve agrarisch bedrijf op 15A worden ingeleverd.

1.2.

Ligging van het plangebied

De ligging van het plangebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden met stikstof gevoelige habitattypen zijn weergegeven op afbeelding 3. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied betreft ‘Maasduinen’. Dit is tevens een Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats. Dit Natura 2000-gebied omsluit het westelijke deel van het plangebied.

Afbeelding 3. Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden Bron: AERIUS Calculator

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

6

2.

WETTELIJK KADER

2.1.

Wet natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen. Het gaat om de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) inclusief het Programma Aanpak Stikstof, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in onderdeel gebiedsbescherming (vervangt Nb-wet). Voor bestemmingsplannen is het toetsingskader voor deze gebieden in de basis ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Nb-wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8, van de Wet natuurbescherming (Wnb) eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn. Hierbij moet voor de gewenste situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden.

Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld.

2.2.

Programma Aanpak Stikstof (PAS)

Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, kan de PAS niet meer worden gehanteerd als toetsingskader op grond van de Wet natuurbescherming. Inmiddels is een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS Calculator uitgebracht. Met deze nieuwe tool is de depositie op de stikstofgevoelige natuurgebieden berekend. Hoe de resultaten worden beoordeeld, is aan het bevoegd gezag.

2.3.

Beleidsregels intern en extern salderen

Vanwege de vernietiging van het PAS is het voor het bevoegd gezag niet mogelijk om toestemmingen te verlenen voor projecten waarvoor ontwikkelingsruimte nodig is. Om aan te tonen dat een project geen significant effect heeft op de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden bestaan de volgende mogelijkheden: - aantonen dat in de beoogde situatie geen effect (stikstofdepositie < 0,00 mol/ha/jaar) op de omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden optreedt. - middels intern of extern salderen aantonen dat in de beoogde situatie geen sprake is van een stikstoftoename met significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. - middels een ecologische voortoets onderzoeken of significante negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Een ecologische voortoets is een mogelijkheid voor activiteiten die enkel zorgen voor een stikstofdepositie op hectares waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) niet wordt overschreden.

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

7

Als de stikstofdepositie in de beoogde situatie hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar, dan is een verdere inhoudelijke beoordeling van de te verwachten stikstofdepositie noodzakelijk. Het is dan mogelijk om toestemming te krijgen op basis van intern of extern salderen. Voor extern salderen geldt een vergunningplicht omdat van de beoogde activiteit op zichzelf negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Met salderen wordt inzichtelijk gemaakt of in de beoogde situatie sprake is van een stikstoftoename met significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. Of sprake is van een significante toename van de stikstofdepositie hangt af van de toegestane depositie in de referentiesituatie.

2.4.

Referentiesituatie

Wanneer sprake is van de wijziging of uitbreiding van een bestaande activiteit, gelden voor projecten de volgende referentiesituaties[1], een: - vigerende vergunning die verleend is op basis van de Wet natuurbescherming; - vigerende vergunning die verleend is op basis van de Natuurbeschermingswet 1998; - vigerende omgevingsvergunning die verleend is op basis van de Wabo met een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) op grond van één van de twee hierboven genoemde wetten; - tracébesluit, wegaanpassingsbesluit of kavelbesluit waaraan een passende beoordeling is gekoppeld; - (milieu-)toestemming op de Europese referentiedatum, zie afbeelding 4.

Afbeelding 4. Stappenplan voor het bepalen van de referentiesituatie[1]

Van een (planologisch) plan, zoals een bestemmingsplan of omgevingsplan, is de huidige feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie de referentiesituatie.

2.5.

Wet stikstofreductie en natuurverbetering

Door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2022 is bouwvrijstelling, die onderdeel was van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering, komen te vervallen. Voor ieder plan of project dient ook de aanlegfase (bouwfase) weer doorgerekend te worden. 1

Handreiking intern en extern salderen; https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2020/09/Handreiking-intern-extern-salderen-en-verleasen22092020.pdf

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

8

3.

REKENONDERZOEK

De voor stikstof relevante bronnen voor de aanlegfase en gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling worden hieronder toegelicht. Ook wordt de referentiesituatie beschreven.

3.1.

Uitgangspunten aanlegfase

De aanlegfase bestaat uit de realisatie van in totaal 8 vrijstaande woningen ter plaatse van de deelgebieden Bleijenbeek 15, ten zuiden van Bleijenbeek 15 en ‘De Boshof’. Daarnaast is ter plaatse van deelgebied Bleijenbeek 10 sprake van de volgende bouwwerkzaamheden: het verbouwen van de bestaande voormalige stallen tot woning, het verbouwen van een bestaand vervallen bijgebouw tot recreatiewoning (124 m²) en het bouwen van een nieuw prefab bijgebouw in de vorm van een hooimijt (36 m²). Bij het omzetten van de bedrijfswoningen naar burgerwoningen aan Bleijenbeek 6A-8 en 12 worden geen bouwwerkzaamheden verwacht. Tot slot wordt bij het plaatsen van de recreatieve lodges ter plaatse van deelgebied Bleijenbeek 14 gebruik gemaakt van elektrisch bouwmateriaal. Er is nog niet bekend hoelang de aanlegfase zal duren. Wel is zeker dat de bouwwerkzaamheden gefaseerd plaats zullen vinden. De NOx- en NH3-emissies zijn dan met name afkomstig van de inzet van mobiele werktuigen en (bouw-)verkeer.

3.1.1.

Mobiele werktuigen

Aangezien de ontwikkeling zich nog in de planfase bevindt en nog geen aannemer(s) bekend zijn, is nog niet bekend welke diesel-, benzine of lpg aangedreven (mobiele) werktuigen in de aanlegfase ingezet zullen worden bij de bouw van de woningen. Daarmee is ook over dieselverbruik, bedrijfstijden, bouwjaar en vermogen van de werktuigen geen specifieke informatie beschikbaar. De hoeveelheid NOx- en NH3-emissies die vrijkomen bij de bouwwerkzaamheden zijn bepaald gebruik makend van kentallen opgesteld door adviesbureaus TAUW en De Roever. De kentallen zijn gebaseerd op de werkelijke inzet van mobiele werktuigen en vrachtverkeer bij een groot aantal woningbouwprojecten. Voor de omrekening van inzet van mobiele werktuigen naar emissies is de AUB rekenmethode (AdBlue, Uren, Brandstof) van TNO aangehouden. Dit is sinds AERIUS versie 2021 de voorgeschreven rekenmethode voor de berekening van emissies van mobiele werktuigen. Bijlage I geeft meer informatie over de gehanteerde kentallen en methodiek. Voor de bouw van grondgebonden woningen zijn de volgende kentallen beschikbaar: - 2,6 kg NOx en 0,11 kg NH3 per woning. - 3,4 kg NOx en 0,13 kg NH3 per woning. Dit is inclusief de emissies die vrijkomen bij de sloop van panden op de locatie waar de nieuwbouwwoningen worden gerealiseerd. Deze kentallen gelden echter voor woningbouwprojecten van 10 tot 100 woningen.

Voor kleine projecten kunnen de kentallen een onderschatting zijn, daarom is worst-case een opslagfactor van een factor 2 aangehouden.

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

9

Er is aangenomen dat de emissies die vrijkomen bij de bouwwerkzaamheden ter plaatse van deelgebied Bleijenbeek 10 gelijk zijn aan de emissies die vrijkomen bij de bouw van 2 woningen. Dit kan worden gezien als een worst-case aanname. Dit geeft een totale hoeveelheid emissie die vrijkomt bij de bouwwerkzaamheden van 5,2 kg * 2 = 10,4 kg NOx en 0,22 kg * 2 = 0,44 kg NH3 voor de aanlegfase van het deelgebied Bleijenbeek 10. Dit geeft een totale hoeveelheid emissie die vrijkomt bij de realisatie van het 2 grondgebonden woningen en de sloop van agrarische panden van 6,8 kg * 2 = 13,6 kg NOx en 0,26 kg * 2 = 0,52 kg NH3 voor de aanlegfase van het deelgebied Bleijenbeek 15. Dit geeft een totale hoeveelheid emissie die vrijkomt bij de realisatie van het 5 grondgebonden woningen van 5,2 kg * 5 = 26 kg NOx en 0,22 kg * 5 = 1,10 kg NH3 voor de aanlegfase van het deelgebied ten zuiden van Bleijenbeek 15. Dit geeft een totale hoeveelheid emissie die vrijkomt bij de realisatie van het 1 grondgebonden woning van 5,2 kg * 1 = 5,2 kg NOx en 0,22 kg * 1 = 0,22 kg NH3 voor de aanlegfase van het deelgebied ‘De Boshof’. De mobiele werktuigen zullen actief zijn op de bouwlocatie en daar rondrijden. Daarom zijn de emissies gemodelleerd als vlakbron gelijk aan de verschillende bouwlocaties. De vlakbron is in AERIUS gemodelleerd als bron van de sectorgroep ‘Anders’.

Voor de uittreedhoogte en de spreiding is 4 meter ingevuld en voor de warmte-inhoud 0 MW. De temporele variatie is ‘standaard profiel industrie’. Dit zijn de waarden voor mobiele werktuigen voor de bouw en industrie[2].

3.1.2.

Bouwverkeer

Vervoer van personeel van en naar de locatie vindt plaats met bestelbusjes en/of personenauto’s. Materieel wordt aangevoerd middels vrachtwagens. Het aantal ritten van vrachtwagens en personenauto’s/bestelbusjes is een inschatting van adviesbureaus TAUW en De Roever op basis van informatie van vergelijkbare woningbouwprojecten. Tabel 1 geeft het aantal voertuigen en voertuigbewegingen voor de gehele aanlegfase. Tabel 1. Aantal voertuigbewegingen gedurende de aanlegfase

Type voertuig Per te realiseren woning Personenauto’s en bestelbussen Vrachtwagens Voor totale woningbouwplan* Personenauto’s en bestelbussen Vrachtwagens

Totaal aantal ritten

Totaal aantal vervoersbewegingen[3]

65 25

130 50

720 285

1.440 570

* Voor de verkeersgeneratie ten gevolge van het totale woningbouwplan is tevens rekening gehouden van 35 vrachtwagens en 70 bestelbusjes voor het plaatsen van de in totaal maximaal 35 recreatieve lodges ter plaatse van deelgebied Bleijenbeek 14.

2

Zie Handboek ‘Werken met AERIUS Calculator 2021.2’

3

Het aantal voertuigbewegingen is het aantal ritten maal twee; een voertuig rijdt heen en terug naar de locatie.

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

10

De voertuigbewegingen zijn gemodelleerd als lijnbronnen met licht en zwaar (vracht)verkeer met de actuele emissiefactoren voor wegverkeer die in het rekenprogramma AERIUS Calculator zijn opgenomen. De vrachtwagenbewegingen zijn in AERIUS worst-case allemaal gemodelleerd als ‘zwaar vrachtverkeer’. Er is uitgegaan van een weg binnen de bebouwde kom met 10% stagnatie. Het manoeuvreren en stationair draaien van het vrachtverkeer is ondervangen door een extra rijlijn op het terrein van de bouwlocaties met 100% stagnatie. Het verkeer is gemodelleerd tot het punt waarop de voertuigen in het heersende verkeersbeeld van de openbare weg zijn opgenomen. De voertuigen rijden naar de verschillende deelgebieden binnen het plangebied van het landgoed. Het overgrote deel van het verkeer (80%) bereikt het plangebied vanaf de N271 via de Eckeltsedijk, de Rimpelt en de Bleijenbeek. Een klein gedeelte van het verkeer (20%) bereikt het plangebied vanaf de Gochsedijk via de Hosterbeekweg en de Bleijenbeek. Op de N271 heeft het verkeer zich verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer en is het dus opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is overeenkomstig de verkeersgegevens van het NSL, zie afbeelding 5. Vanaf hier zal het verkeer verder afwikkelen in noordelijke of zuidelijke richting.

Afbeelding 5. Verkeersgegevens NSL met de verkeersintensiteit van het met rood gemarkeerde wegvak (N271). De ligging van het plangebied is met rood omcirkeld

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

11

3.2.

Uitgangspunten gebruiksfase

In de beoogde situatie is het landgoed in gebruik. De NOx- en NH3-emissies worden veroorzaakt door verkeersbewegingen, de inzet van mobiele werktuigen, het stoken van stookinstallaties en het houden van dieren.

3.2.1.

Verkeer

Met betrekking tot het verkeer dat in de gebruiksfase kan worden toegerekend aan het landgoed is uitgegaan van gegevens uit de ASVV 2021 van kennisplatform CROW[4]. Er is uitgegaan van de ligging ‘buitengebied’ in de gemeente Bergen te Limburg (‘niet stedelijk’). Hierbij is de functie: ‘koop, huis, vrijstaand’ aangehouden voor de te realiseren woningen. Verder is de functie ‘bungalowpark (huisjescomplex)’ worst-case aangehouden voor de te realiseren lodges. Voor dit type woningen wordt uitgegaan van de verkeersaantallen zoals genoemd in tabel 2. Tabel 2. Verkeersgeneratie per woning in het ‘buitengebied’ van een ‘niet stedelijke’ stad, ASVV 2021 CROW

Type woning Koop, huis, vrijstaand Bungalowpark (huisjescomplex)

Verkeersgeneratie (vtb/etmaal) minimaal maximaal 7,8 8,6 2,6 2,8

Deelgebied Bleijenbeek 6A-8: hier wordt een agrarische bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning en eventueel aangevuld met een kleinschalig museum. De verkeersgeneratie voor de woning komt naar boven afgerond uit op 9 lichte voertuigbewegingen per etmaal. Daarnaast is nog eens rekening gehouden met 20 lichte voertuigbewegingen per etmaal voor het aanvullende kleinschalige museum. Deelgebied Bleijenbeek 10: hier worden de voormalige stallen (centraal gelegen in het hoofdgebouw) omgezet naar burgerwoning en de voormalige bedrijfswoning wordt in gebruik genomen als kleinschalige overnachtingsmogelijkheid (B&B). Daarnaast komt er in een vervallen bijgebouw aan de zuidoostzijde een recreatiewoning. De verkeersgeneratie voor de woning komt naar boven afgerond uit op 9 lichte voertuigbewegingen per etmaal. Daarnaast is nog eens rekening gehouden met 20 lichte voertuigbewegingen per etmaal voor de B&B en de recreatiewoning samen. Deelgebied Bleijenbeek 12: hier wordt een agrarische bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning en eventueel aangevuld met mogelijkheden tot een verblijfsaccommodatie (B&B) en een kleinschalige vergaderaccommodatie. De verkeersgeneratie voor de woning komt naar boven afgerond uit op 9 lichte voertuigbewegingen per etmaal. Daarnaast is nog eens rekening gehouden met 20 lichte voertuigbewegingen per etmaal voor de B&B/bijeenkomsten/dagbesteding.

Deelgebied Bleijenbeek 15: hier wordt een bestaand agrarisch bedrijf met bedrijfswoning gesaneerd en worden twee burgerwoningen teruggebouwd. De verkeersgeneratie voor twee woningen komt naar boven afgerond uit op 18 lichte voertuigbewegingen per etmaal. 4

Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom (ASVV), CROW, 2021

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

12

Deelgebied ten zuiden van Bleijenbeek 15: hier worden vijf bouwkavels gerealiseerd. De verkeersgeneratie voor vijf mogelijke woningen komt uit op 43 lichte voertuigbewegingen per etmaal. Deelgebied ‘De Boshof’: hier wordt een bijzondere vrijstaande woning gerealiseerd. De verkeersgeneratie voor de woning komt naar boven afgerond uit op 9 lichte voertuigbewegingen per etmaal. Deelgebied Bleijenbeek 17: hier worden alle gebouwen bij een voormalig agrarisch bedrijf gesaneerd. Dit heeft geen verkeersgeneratie tot gevolg. Deelgebied Bleijenbeek 14: hier worden een aantal recreatieve lodges toegevoegd naast het bestaande (golf)paviljoen Bleijenbeek. Het definitieve aantal op te richten lodges moet nog worden vastgesteld, maar zal liggen tussen de 15 en 35 stuks (deze zullen in aantal en vormgeving ondergeschikt aan het landschap zijn). De verkeersgeneratie voor de lodges komt daarmee naar boven afgerond uit op maximaal 2,8 vtb/etmaal * 35 = 98 lichte voertuigbewegingen per etmaal. Daarnaast blijft het bestaande golfpaviljoen Bleijenbeek bij de 90 ha golfbaan behouden. Omdat de golfbaan in functie en omvang niet verandert ten opzichte van de huidige feitelijk aanwezige situatie zijn deze voertuigbewegingen niet meegenomen in dit onderzoek.

Deelgebied Bleijenbeek 13A en 15A: hier blijven het grondgebonden agrarisch bedrijf op 13A en het agrarisch bedrijf op 15A (zonder de varkensrechten) behouden. Voor ieder bedrijf is rekening gehouden met een verkeersgeneratie van 4 lichte, 4 middelzware en 8 zware voertuigbewegingen per etmaal. Dit is volgens opgave door de eigenaren van de agrarische bedrijven. Tot slot is bij iedere om te zetten of nieuw te realiseren woning nog eens rekening gehouden met 10 lichte voertuigbewegingen per etmaal voor het mogelijk maken van aan-huisverbonden beroepen of bedrijven. Ook zijn er 2 voertuigbewegingen middelzwaar en zwaar vrachtverkeer per maand meegenomen voor leveringen ten behoeve van (pakket)bezorging of het ophalen van vuilnis. Hiermee worden de maximale planologische mogelijkheden die het plan biedt ondervangen. Ander verkeer dan bovengenoemd zal niet gegenereerd worden door het onderliggende plan. De voertuigbewegingen zijn gemodelleerd met dezelfde lijnbronnen en dezelfde verdeling als in de aanlegfase. Er is uitgegaan van licht, middelzwaar en zwaar (vracht)verkeer met de actuele emissiefactoren voor wegverkeer die in het rekenprogramma AERIUS Calculator zijn opgenomen. Er is uitgegaan van een buitenweg met 10% stagnatie. Het manoeuvreren en stationair draaien van het zwaar vrachtverkeer is ondervangen door een extra rijlijn op het terrein met 100% stagnatie.

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

13

3.2.2.

Mobiele werktuigen

Op de volgende locaties worden mobiele werktuigen ingezet: - Deelgebied Bleijenbeek 6A-8: Er is een tractor (50 kW) 1 tot 3 uur per week in gebruik voor onderhoudswerkzaamheden aan de laan; - Deelgebied Bleijenbeek 10: Er is een landbouwvoertuig (20 kW) circa 1 uur per week in gebruik. Het grondgebonden agrarisch bedrijf op Bleijenbeek 13A en het agrarisch bedrijf op Bleijenbeek 15A (zonder de varkensrechten) blijven behouden. Vermoedelijk worden bij deze bedrijven ook enkel landbouwvoertuigen gebruikt ten behoeve van de bedrijfsvoering. Omdat deze agrarische bedrijven in functie en omvang niet veranderen ten opzichte van de huidige feitelijk aanwezige situatie is de inzet van mogelijke landbouwvoertuigen bij deze bedrijven niet in dit onderzoek meegenomen. Het bouwjaar van de tractor en het landbouwvoertuig is geschat op 2006 (Stage-IIIB). De NOx- en NH3-emissies als gevolg van de inzet van mobiele werktuigen zijn bepaald door middel van het brandstofverbruik (formule 1) en de AUB-methode (formule 2), afkomstig van het TNO-rapport “AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen”, projectnummer: 060.47477, d.d.10 december 2021. Hierbij is uitgegaan van de actuele parameters overeenkomstig de gegevens van de TNO-factsheet[5].

Het brandstofverbruik is weergegeven in tabel 3 en de emissies zijn weergegeven in tabel 4. De emissies zijn gemodelleerd als vlakbronnen op de terreinen van de desbetreffende deelgebieden in de sector ‘Mobiele werktuigen’ onder ‘Landbouw’. Er is aangesloten bij de defaultwaarden van het bronkenmerk. 1)

LBPJ

LBPJ Fv Fe Pmax D R

Brandstofverbruik [liter/jaar]; Fractie van het volle motorvermogen dat verloren gaat aan interne verliezen [-]; De fractie van het volle motorvermogen dat gemiddeld wordt gebruikt [-]; Het maximale vermogen van het werktuig [kW]; Aantal draaiuren per jaar [uur/jaar]; Motorefficiëntie; liter brandstof per geleverde kilowattuur [liter/kWh].

Fv

Range van 2% - 15% van het maximale vermogen. Lage waarden: grote, moderne machines met transmissie. Hoge waarden: kleinere, oudere machines met een vaste as waarop pompen en dynamo’s meedraaien. Gemiddeld 35% overeenkomstig TNO-factsheet[5]. Standaardwaarde 0,25 overeenkomstig TNO-factsheet[5].

Fe R 2)

5

=

Emissie NOx Emissie NH3

Pmax * D * (Fv + Fe) * R

= =

Qb * B + Qu * D + Qa * AB Pb * B + Pu * D

https://www.aerius.nl/nl/factsheets/mobiele-werktuigen-stage-klasse-categorie%C3%ABn/13-01-2022

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

14

Emissie D B Qb Qu Qa AB

Emissie NOx- en NH3 [kg/jaar]; Tijd dat het werktuig draait [uur/jaar]; Brandstofverbruik [liter/jaar]; Coëfficiënt brandstofverbruik NOx [kg/liter]; Coëfficiënt uren NOx [kg/uur]; Coëfficiënt AdBlue NOx [kg/liter]; Het AdBlue verbruik [liter AdBlue/jaar]; Stage III 3% van het brandstofverbruik (max. 4%) > Stage III 6% van het brandstofverbruik (max. 7%) Coëfficiënt brandstofverbruik NH3; Coëfficiënt uren NH3.

Pb Pu

Tabel 3. Brandstofverbruik van de mobiele werktuigen in de inrichting. Pmax

D

Fv

Fe

R

Brandstofverbruik

Brandstofverbruik

Mobiele werktuigen kW

uur/jaar

-

-

liter/kWh

liter/uur

liter/jaar

Tractor

50

156

0,085

0,35

0,25

5,4

848

Landbouwvoertuig

20

52

0,085

0,35

0,25

2,2

113

Totaal

961

Tabel 4. NOx-en NH3-emissies van de mobiele werktuigen. Pmax D

Stage Klasse

Qb

Brandstof

Qu

Qa

AdBlue

Emissie NOx

Pb

Pu Emissie NH3

kW

uur/jaar

-

-

liter/jaar

-

-

liter/jaar

kg/j

-

-

kg/j

Tractor

50

156

IIIA

0,030

848

0,005

-

-

26,2

0,0000075

-

0,0064

Landbouwvoertuig

20

52

IIIA

0,015

113

0,005

-

-

2,0

0,0000075

-

0,0008

Mobiele werktuigen

Totaal

3.2.3.

28,2

0,0072

Stookinstallaties

Deelgebied Bleijenbeek 6A-8: De woning aan nr. 8 wordt voorzien van 28 zonnepanelen en een elektrische verwarmingsketel. Het bijgebouw met nr. 6A zal, indien noodzakelijk, worden voorzien van een warmtepomp. Als gevolg hiervan vindt geen stikstofemissie plaats door het stoken van stookinstallaties. Deelgebied Bleijenbeek 10: De om te zetten woning zal voorzien blijven van een gastoestel. Er is aangesloten bij de emissiewaarden AERIUS (versie 5 juli 2018) voor huishoudens[6]. Voor een oude vrijstaande woning komt dit neer op een totale jaarlijkse emissie van 3,59 kg NOx en 0,47 kg NH3. In de toekomst zal dit toestel deels hybride worden (met een warmtepomp) waardoor de emissie zal afnemen. Deze emissies zijn gemodelleerd als puntbron ter plaatste van de woning in de sector ‘Anders’ met temporele variatie ‘Verwarming van ruimten’. Als uittreedhoogte is de gebouwhoogte aangehouden en worstcase is een warmte-inhoud van 0,000 MW ingevoerd.

6

https://www.aerius.nl/nl/factsheets/ruimtelijke-plannen-emissiefactoren/05-07-2018

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

15

Deelgebied Bleijenbeek 12: De om te zetten woning gaat van het gas af en wordt voorzien van zonnepanelen en een elektrische boiler. Indien mogelijk zal ook een warmtepomp worden gerealiseerd. Als gevolg hiervan vindt geen stikstofemissie plaats door het stoken van stookinstallaties. Deelgebieden Bleijenbeek 15, ten zuiden van Bleijenbeek 15 en ‘De Boshof’: De te bouwen woningen worden gasloos gerealiseerd en opgeleverd zonder haard en rookgaskanaal. Er zal hier dus geen stikstofemissie uitgestoten worden als gevolg van het stoken van gasgestookte installaties. Deelgebied Bleijenbeek 17: Alle gebouwen bij een voormalig agrarisch bedrijf worden gesaneerd. Er vindt dus geen stikstofemissie meer plaats door het stoken van stookinstallaties. Deelgebied Bleijenbeek 14: De lodges worden gasloos gerealiseerd. Als gevolg hiervan vindt geen stikstofemissie plaats door het stoken van stookinstallaties. Daarnaast blijft het bestaande golfpaviljoen Bleijenbeek bij de 90 ha golfbaan behouden. Omdat de golfbaan in functie en omvang niet verandert ten opzichte van de huidige feitelijk aanwezige situatie zijn de stookinstallaties van dit golfpaviljoen niet in dit onderzoek meegenomen. Deelgebied Bleijenbeek 13A en 15A: Het grondgebonden agrarisch bedrijf op nr. 13A en het agrarisch bedrijf op nr. 15A (zonder de varkensrechten) blijven behouden.

Omdat deze agrarische bedrijven in functie en omvang niet veranderen ten opzichte van de huidige feitelijk aanwezige situatie zijn de stookinstallaties van deze bedrijven niet in dit onderzoek meegenomen

3.2.4.

Dieren

Op de volgende locaties worden dieren gehouden: - Deelgebied Bleijenbeek 6A-8: Hobbymatig zullen hier 7 kippen (E 2.100), 1 haan (E 1.100) en 2 paarden (1 volwassen paard (K 1.100) en 1 paard in opfok (K 2.100)) worden gehouden; - Deelgebied Bleijenbeek 10: Hobbymatig zal hier 1 volwassen paard (K 1.100) worden gehouden; - Deelgebied Bleijenbeek 13A en 15A: De vergunde dieraantallen op nr. 13A blijven behouden en zijn als volgt:

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

16

De varkensrechten op nr. 15A zullen bij vaststelling van het bestemmingsplan komen te vervallen. De vergunde dieraantallen op nr. 15A blijven, op de vleesvarkens na, dus behouden en zijn zodoende als volgt:

Het hobbymatig houden van de dieren op nr. 6A-8 en op nr. 10 heeft respectievelijk een NH3emissie van 9,5 kg per jaar en 5,0 kg per jaar tot gevolg. Het houden van de dieren op nr. 13A en op nr. 15A heeft respectievelijk een emissie van 590,0 kg NH3 per jaar en 538,0 kg NH3 per jaar tot gevolg. De emissies zijn gemodelleerd als vlakbron op het terrein van de deelgebieden in de sector ‘Landbouw’, onder ‘Stalemissies’. Er is aangesloten bij de defaultwaarden van het bronkenmerk.

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

17

3.3.

Uitgangspunten referentiesituatie

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied waar depositie plaatsvindt is “Maasduinen” met een referentiedatum van 24 maart 2000. Omdat het hier echter een bestemmingsplanprocedure betreft is de huidige feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie de referentiesituatie.

3.3.1.

Dieren

Voor de inrichting aan de Bleijenbeek 13A zijn volgens de vigerende Wnb-vergunning de hieronder vermelde dieraantallen vergund. Deze dieren zijn in de huidige feitelijke en de planologisch legale situatie aanwezig. In het onderstaande overzicht zijn de diercategorieën, het aantal dieren, de emissiefactor per diercategorie en de totale NH3-emissie weergegeven:

Voor de inrichting aan de Bleijenbeek 15A zijn volgens de vigerende Wnb-vergunning de hieronder vermelde dieraantallen vergund. Deze dieren zijn in de huidige feitelijke en de planologisch legale situatie aanwezig. In het onderstaande overzicht zijn de diercategorieën, het aantal dieren, de emissiefactor per diercategorie en de totale NH3-emissie weergegeven:

Het houden van de dieren op nr. 13A en op nr. 15A heeft respectievelijk een emissie van 590,0 kg NH3 per jaar en 1.639,0 kg NH3 per jaar tot gevolg. De emissies zijn gemodelleerd als vlakbron op het terrein van de inrichtingen in de sector ‘Landbouw’, onder ‘Stalemissies’. Er is aangesloten bij de defaultwaarden van het bronkenmerk. De agrarische bedrijven aan de Bleijenbeek 15 en 17 worden gesaneerd. Omdat er voor deze bedrijven echter geen vergunde dieraantallen bekend zijn, zijn deze dieren niet in dit onderzoek meegenomen. Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

18

Voor de volledigheid zijn in bijlage II en III de vigerende vergunningen van de inrichtingen bijgevoegd. Het betreft de NB-wet vergunning ‘Maatschap G.H.M. Fransman-Peeters, Bleijenbeek 13a te Afferden (L)’, met kenmerk 2016/72681, d.d. 15 september 2016 en de NB-wet vergunning ‘Maatschap J.H.P. en G. Fransman-de Bruin te Afferden’, met kenmerk 2016/34098, d.d. 16 mei 2016.

3.3.2.

Stookinstallaties

In de referentiesituatie is ter plaatse van de andere deelgebieden binnen het landgoed ook sprake van emissies door het stoken van stookinstallaties, namelijk: - Een propaangas verwarmingsketel op het adres Bleijenbeek 6A-8; - Een gastoestel op het adres Bleijenbeek 10; - Een Cv-installatie op stookolie en geiser in combinatie met propaangasflessen op het adres Bleijenbeek 12; - Een Cv-installatie op zowel het adres Bleijenbeek 15 als het adres Bleijenbeek 17 (de te saneren agrarische bedrijven). Er is aangesloten bij de emissiewaarden AERIUS (versie 5 juli 2018) voor huishoudens voor een oude vrijstaande woning.[7] Per adres komt dit neer op een totale jaarlijkse emissie van 3,59 kg NOx en 0,47 kg NH3. Dit is een worst-case inschatting omdat de bovengenoemde toestellen voor 1 januari 2013 al geplaatst en in gebruik genomen zijn. Volgens artikel 3.10r van het Activiteitenbesluit milieubeheer[8] mag voor deze toestellen daarom een afwijkende (hogere) emissiegrenswaarden worden gehanteerd, waardoor de totale jaarlijkse emissie in praktijk hoger uitvalt. De emissies zijn gemodelleerd als puntbron ter plaatste van de woningen op de desbetreffende adressen in de sector ‘Anders’ met temporele variatie ‘Verwarming van ruimten’. Als uittreedhoogte is de gebouwhoogte aangehouden en worstcase is een warmte-inhoud van 0,000 MW ingevoerd.

Verder zijn de stookinstallaties van de agrarische bedrijven aan de Bleijenbeek 13A en 15A niet in dit onderzoek beschouwd, omdat deze bedrijven in functie en omvang niet veranderen en daardoor geen andere of hogere emissies door het stoken van stookinstallaties tot gevolg hebben.

3.3.3. Verkeer In de referentiesituatie is van en naar de andere deelgebieden binnen het landgoed ook sprake van emissies door verkeer, namelijk: - 8 lichte voertuigbewegingen per etmaal van en naar het adres Bleijenbeek 6A-8; - 6 lichte voertuigbewegingen per etmaal van en naar het adres Bleijenbeek 10; - 12 lichte voertuigbewegingen per etmaal en 2 middelzware en 2 zware voertuigbewegingen per maand van en naar het adres Bleijenbeek 12; - 20 lichte, 4 middelzware en 14 zware voertuigbewegingen per etmaal van en naar het adres Bleijenbeek 15 (het te saneren agrarische bedrijf); 7 8

https://www.aerius.nl/nl/factsheets/ruimtelijke-plannen-emissiefactoren/05-07-2018 https://wetten.overheid.nl/BWBR0022762/2022-07-01#Hoofdstuk3_Afdeling3.2_Paragraaf3.2.1_Artikel3.10r

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

19

-

4 lichte en 4 middelzware voertuigbewegingen per etmaal van en naar het adres Bleijenbeek 17 (het te saneren agrarische bedrijf); 4 lichte, 4 middelzware en 8 zware voertuigbewegingen per etmaal van en naar zowel het adres Bleijenbeek 13A als het adres Bleijenbeek 15A.

De voertuigbewegingen zijn gemodelleerd met dezelfde lijnbronnen en dezelfde verdeling als in de aanlegfase en gebruiksfase. Er is uitgegaan van licht, middelzwaar en zwaar (vracht)verkeer met de actuele emissiefactoren voor wegverkeer die in het rekenprogramma AERIUS Calculator zijn opgenomen. Er is uitgegaan van een buitenweg met 10% stagnatie. Het manoeuvreren en stationair draaien van het zwaar vrachtverkeer is ondervangen door een extra rijlijn op het terrein met 100% stagnatie.

3.3.4.

Mobiele werktuigen

In de referentiesituatie is bij andere deelgebieden binnen het landgoed ook sprake van emissies door de inzet van mobiele landbouwmachines, zoals de eerdergenoemde tractor bij het adres Bleijenbeek 6A- 8 en het eerder genoemde landbouwvoertuig bij het adres Bleijenbeek 10, maar ook eventuele landbouwvoertuigen bij de te saneren de agrarische bedrijven aan de Bleijenbeek 15 en 17. Omdat er geen specificaties en gebruiksuren bekend zijn van deze (eventuele) landbouwmachines zijn de emissies door de inzet hiervan niet in de berekening meegenomen. Verder is de inzet van mogelijke landbouwvoertuigen bij de agrarische bedrijven aan de Bleijenbeek 13A en 15A niet in dit onderzoek beschouwd, omdat deze bedrijven in functie en omvang niet veranderen en daardoor geen andere of hogere emissies door de inzet van mogelijke landbouwvoertuigen tot gevolg hebben.

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

20

3.4.

Berekeningswijze

De stikstofdepositie door de gewenste activiteiten op de Natura 2000-gebieden is berekend met AERIUS Calculator (versie 2022). Er is nog niet bekend hoelang de aanlegfase zal duren. Wel is zeker dat de bouwwerkzaamheden gefaseerd plaats zullen vinden. Daarom zal tijdens de diverse bouwwerkzaamheden ook een deel van het landgoed in gebruik zijn en dus zijn de emissies die optreden in de aanlegfase en gebruiksfase samen in een berekening van de beoogde situatie meegenomen. Er is dus een AERIUS projectberekening uitgevoerd met de emissies als gevolg van de beoogde situatie (aanlegfase + gebruiksfase) en de referentiesituatie. Hierbij is ook een verschilberekening van de beoogde situatie (aanlegfase + gebruiksfase) met de referentiesituatie uitgevoerd. Voor zowel de beoogde situatie (aanlegfase + gebruiksfase) als de referentiesituatie is als rekenjaar 2023 gekozen. De rekenresultaten en de ingevoerde gegevens van de projectberekening zijn te vinden in bijlage IV.

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

21

4.

CONCLUSIES

In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de doorontwikkeling van Landgoed Bleijenbeek in Afferden de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de relevante Natura 2000gebieden berekend. Uit het situatieresultaat van de beoogde situatie (aanlegfase + gebruiksfase) blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten hoogste 36,33 mol N/ha/jaar is (ter plaatse van het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’). Uit het situatieresultaat van de referentiesituatie blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten hoogste 58,37 mol N/ha/jaar is (ter plaatse van het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’). Uit de projectberekening blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie is er dus geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is zelfs sprake van een afname van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden van maximaal 22,05 mol N/ha/jaar. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt dus geen belemmering voor het plan.

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

22

BIJLAGE I. METHODIEK KENTALLEN AANLEGFASE WONINGBOUW De in dit onderzoek gehanteerde emissiekentallen voor de bouwwerkzaamheden van grondgebonden woningen en appartementen zijn afgeleid van gedetailleerde gegevens van de werkelijke inzet van mobiele werktuigen en vrachtverkeer bij enkele tientallen woningbouwprojecten. Zowel de realisatie van grondgebonden woningen als van appartementen zijn ruim vertegenwoordigd in deze dataset. Bij sommige projecten werden ook panden gesloopt, daarvoor is een apart emissiekental beschikbaar. Inbegrepen bij de kentallen is het bouwrijp maken van het terrein, de aanleg van kabels en leidingen, het bouwen van de woningen en de aanleg van het openbaar gebied (bestrating, groen, etc.). De beschouwde woningbouwprojecten zijn projecten die in het westen van Nederland zijn gerealiseerd. Daarom maken heiwerkzaamheden vaak onderdeel uit van de aanlegfase. Dit maakt de kentallen ‘robuust realistisch’, aangezien heien op hogere (zand)gronden meestal niet nodig is. Uit het type werktuigen, het dieselverbruik en het aantal draaiuren volgen de NOx en NH3 emissies die vrijkomen bij de bouwwerkzaamheden. Hierbij is de AUB rekenmethode (AdBlue, Uren, Brandstof) van TNO aangehouden[9]. Dit is sinds AERIUS versie 2021 de voorgeschreven rekenmethode voor de berekening van emissies van mobiele werktuigen.

De in tabel B1 gegeven kentallen gelden voor woningbouwprojecten van 10 tot 100 woningen. Voor grotere projecten zal de emissie per woning lager liggen, maar kunnen deze kentallen worst-case wel worden aangehouden. Voor kleine projecten kunnen de kentallen een onderschatting zijn. Veiligheidshalve kan dan een opslagfactor van een factor 2 worden aangehouden. Tabel B1. Kentallen aanlegfase voor woningen en appartementen

Bouwwerkzaamheden woning Bouwwerkzaamheden appartement Sloopwerkzaamheden nodig voor realisatie van een nieuwbouwwoning/-appartement

Kg NOx per woning/appartement 2,6 1,7 0,8

Kg NH3 per woning/appartement 0,11 0,07 0,03

Voor het bepalen van de emissiekentallen is uitgegaan van de inzet van diesel aangedreven STAGE IV klasse werktuigen met als bouwjaar 2014. Ook dit is een robuust realistische aanname. In de huidige praktijk zijn de in te zetten werktuigen vaak al nieuwer en dus schoner. Ook worden soms al elektrische werktuigen ingezet welke emissieloos zijn. Conform de AUB rekenmethode is 6% AdBlue van het dieselverbruik aangehouden, wat standaard is voor STAGE IV en V-klasse werktuigen met een vermogen tussen 56 en 560 kW.

9

TNO-rapport TNO 2021 R12305 AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen, 10 december 2021

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

23

BIJLAGE II. NB-WET VERGUNNING BLEIJENBEEK 13A

Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden Datum: 13 april 2023 ; Referentie: 20220606.v03

24

Besluit van Gedeputeerde Staten van Limburg

Vergunning Artikel 16/19d Natuurbeschermingswet 1998 Maatschap G.H.M. Fransman-Peeters, Bleijenbeek 13a te Afferden (L) Zaaknummer: 2015-0378

Kenmerk: 2016/72681 Verzonden:

d.d. 15 september 2016

1.

Aanvraag

Bij brief van 3 maart 2015, ontvangen op 5 maart 2015, heeft Arvalis B.V. namens Maatschap G.H.M. Fransman-Peeters te Afferden (L) een vergunning ex artikel 16/19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) aangevraagd voor het exploiteren van een rundveehouderij, aan de Bleijenbeek 13a te Afferden (L). De inrichting is gelegen nabij de Natura 2000-gebieden 'Maasduinen', 'Zeldersche Driessen' en 'Boschhuizerbergen'. De aanvraag is geregistreerd onder zaaknummer 2015-0378. Op 27 juni 2016 zijn aanvullende gegevens ontvangen.

2.

Procedure en zienswijze

2.1. Procedure De aanvraag wordt afgehandeld met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De aanvraag om vergunning en een ontwerp van dit besluit hebben van 27 juli 2016 tot en met 6 september 2016 voor een ieder ter inzage gelegen in het gouvernement te Maastricht (bibliotheek) en het gemeentehuis van de gemeente Bergen (L.). Gedurende deze termijn kon een ieder bij het bestuursorgaan schriftelijk dan wel mondeling zienswijzen inbrengen. Het ontwerpbesluit en de kennisgeving konden in genoemde periode tevens worden geraadpleegd via de internetsite van de Provincie Limburg (www.limburg.nl). Binnen de termijn waarin de aanvraag en het ontwerpbesluit ter inzage hebben gelegen zijn geen zienswijzen ingediend. 2.2. Zienswijzen ten aanzien van de aanvraag Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 44, tweede en derde lid, van de Nbw 1998 hebben wij het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bergen (L.) in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen over de aanvraag. De gemeente Bergen (L.) heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een zienswijze naar voren te brengen met betrekking tot deze aanvraag.

2016/72681

2

3.

Beoordelingskader en de beschermde gebieden

3.1. Natuurbeschermingswet 1998 Artikel 19d van de Nbw 1998 heeft betrekking op de vergunningplicht in verband met Natura 2000gebieden (Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebieden) binnen en buiten Nederland. Op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is een vergunning van Gedeputeerde Staten vereist voor de uitvoering van projecten of andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het gebied kunnen aantasten. Bij het beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 dient overeenkomstig het bepaalde in artikel 19e van de Nbw 1998 rekening te worden gehouden met de gevolgen die een project of andere handeling kan hebben gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied. Tevens kan rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, alsmede met regionale en lokale bijzonderheden.

Voor zover een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw voorziet in een project of andere handeling welke stikstofdepositie veroorzaakt op voor stiks tof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, is van belang dat op 1 juli 2015 de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) in werking is getreden. De PAS bestaat uit een wijziging van de Nbw 1998, alsmede uit het Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof, de Regeling programmatische aanpak stikstof en het desbetreffende programma. Doel van de PAS is het vinden van evenwicht tussen ecologie en economie. Daartoe bevat de PAS enerzijds maatregelen die leiden tot een (verdere) afname van stikstofdepositie en het op een redelijke termijn behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de in de PAS opgenomen Natura 2000-gebieden. Anderzijds komt via de PAS een gedeelte van de met de maatregelen bereikte afname van stikstofdepositie weer beschikbaar voor nieuwe economische ontwikkelingen die stikstofdepositie veroorzaken op voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden. De PAS voorziet voor aanvragen om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 die zijn ingediend vóór 1 juli 2015, in overgangsrecht. Zo volgt uit artikel 67a van de Nbw 1998 dat de artikelen 19km, 19kn en 19ko onder omstandigheden niet van toepassing zijn op deze categorie vergunningaanvragen.

Daarnaast kent het vierde lid van 19km van de Nbw 1998 voor deze aanvragen een specifieke uitzondering op het in het derde lid van dezelfde bepaling opgenomen externe salderingsverbod voor projecten en andere handelingen die betrekking hebben op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer en stikstofdepositie veroorzaken op een in de PAS opgenomen Natura 2000-gebied. Als resultaat van een en ander is het regime van de PAS voor een belangrijk gedeelte niet van toepassing op vergunningaanvragen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 die weliswaar voorzien in het veroorzaken van stikstofdepositie op een in de PAS opgenomen Natura 2000-gebied, maar zijn ingediend vóór 1 juli 2015.

2016/72681

3

Met inachtneming van het vorenstaande en de huidige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geldt voor de beoordeling van aanvragen om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 die voorzien in het veroorzaken van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden én vallen onder het overgangsrecht van de PAS, in zoverre het volgende. Voor zover een zodanige vergunningaanvraag voorziet in het veroorzaken van stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Habitatrichtlijngebied, kan de vergunning in zoverre worden verleend indien voor de exploitatie van de inrichting niet eerder een vergunning op grond van de Nbw 1998 of de Natuurbeschermingswet (oud) is verleend én de aanvraag niet voorziet in een toename van stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats ten opzichte van de situatie met de laagst toegestane ammoniak/NOx-emissie op grond van de Wet milieubeheer of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de periode tussen 7 december 2004 en de datum waarop wordt besloten op de aanvraag (= de referentiesituatie).

Voorziet bedoelde aanvraag ten opzichte van voornoemde referentiesituatie (wel) in een toename van stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in een Habitatrichtlijngebied en is sprake van een project, dan dient ingevolge artikel 19f van de Nbw 1998 een passende beoordeling te worden overgelegd. In een zodanige situatie kan de aangevraagde vergunning in zoverre uitsluitend worden verleend indien door middel van een rechtsgeldige externe saldering, andere mitigerende (beheer)maatregelen of een adequate ecologische onderbouwing uit deze passende beoordeling blijkt dat significante effecten op het betreffende Habitatrichtlijngebied zijn uitgesloten casu quo de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zullen worden aangetast. Voor zover een vergunningaanvraag als hier bedoeld voorziet in het veroorzaken van stikstofdepositie op een Vogelrichtlijngebied, dan is het hiervoor gestelde in relatie tot Habitatrichtlijngebieden van overeenkomstige toepassing. Dit laatste met dien verstande dat als referentiesituatie geldt de situatie met de laagst toegestane ammoniak/NOx-emissie op grond van de Hinderwet, de Wet milieubeheer of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de periode tussen de datum waarop het desbetreffende gebied ter uitvoering van de Vogelrichtlijn is aangewezen en de datum waarop wordt besloten op de vergunningaanvraag.

Let wel: in voorkomend geval dat een Vogelrichtlijngebied is aangewezen vóór 10 juni 1994, dient 10 juni 1994 als begindatum van de bij de referentiesituatie aan te houden periode te worden gehanteerd. Overigens kán bij de beoordeling van vergunningaanvragen als bedoeld in de artikelen 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 die (mede) voorzien in het veroorzaken van stikstofdepositie op een Limburgs Vogelrichtlijngebied, de door ons college bij besluit van 27 november 2012 vastgestelde Beleidslijn “Toetsing stikstofdepositie bij Limburgse Vogelrichtlijngebieden” (verder: de beleidslijn) in aanmerking worden genomen. Voorziet de betreffende vergunningaanvraag in een project en wordt deze beleidslijn in aanmerking genomen, dan dient aan de hand van een aan deze beleidslijn gerelateerde passende beoordeling te worden aangetoond dat voor zover de vergunningaanvraag voorziet in een (tijdelijke) toename van stikstofdepositie op één of meer Limburgse Vogelrichtlijngebieden bedoelde toename in de vorm van een externe saldering of anderszins wordt gemitigeerd. Volgens de beleidslijn geldt daarbij in de regel als toetsmoment 7 december 2004, hetgeen tevens veronderstelt dat in voorkomend geval dat extern wordt gesaldeerd, dit dient plaats te vinden met ammoniak/NOx-rechten die op deze datum bij de saldogevende locatie(s) aanwezig waren op grond van de Hinderwet of de Wet milieubeheer.

2016/72681

4

Wordt een vergunningaanvraag (mede) beoordeeld op grond van de artikelen 19e t/m 19h van de Nbw 1998, dan dient er verder op grond van huidige jurisprudentie vanuit te worden gegaan dat bij wijziging of uitbreiding van een bestaande inrichting – waarvoor nog niet eerder een vergunning krachtens de Nbw 1998 is verleend – de aanvraag betrekking dient te hebben op de exploitatie van de gehele inrichting na uitbreiding of wijziging. Daarnaast kan aan de hand van recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraken van 5 november 2014, zaaknummer 201401834/1/R6, 19 december 2014, zaaknummers 201110075/4/R4 en 201201853/3/R4) en 11 maart 2015, zaaknummers 201207642/1 en 201307354/1) worden afgeleid, dat in voorkomend geval dat de kritische depositiewaarden reeds worden overschreden een toename van stikstofdepositie niet per definitie betekent dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende Natura 2000-gebied worden aangetast. Of van een zodanige aantasting sprake is casu quo het aangevraagde project het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen belemmert, dient ook in een dergelijke situatie beoordeeld te worden aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden.

Ingevolge artikel 15a, tweede lid, van de Nbw 1998 vervalt een besluit houdende de aanwijzing van een Beschermd Natuurmonument voor zover en met ingang van het tijdstip waarop dat Beschermd Natuurmonument deel uitmaakt van een aangewezen Natura 2000-gebied (Vogelrichtlijngebied of Habitatrichtlijngebied). Indien met toepassing van artikel 15a, tweede lid, van de Nbw 1998 een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als Beschermd Natuurmonument geheel of gedeeltelijk is vervallen, heeft de instandhoudingsdoelstelling voor het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen Natura 2000-gebied mede betrekking op de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied zoals bepaald in het vervallen besluit (zie artikel 15a, derde lid, van de Nbw 1998).

2016/72681

5

4.

Overwegingen

4.1. Aanvraag De aanvraag heeft betrekking op het exploiteren van een rundveehouderij van Maatschap G.H.M. Fransman-Peeters, gelegen aan de Bleijenbeek 13a te Afferden (L). Er wordt vergunning gevraagd voor de situatie als weergegeven in tabel 1. Emissie Aantal dieren

(kg NH3 / dier /

Totaal (kg NH3 /

jaar)

jaar)

Type

Code Stal

Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar

A 1.100

5

13,0

65,0

Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

A 3.100

35

4,4

154,0

Vleesstieren en overig vleesvee van circa

A 6.100

70

5,3

371,0

Totaal

590,0

8 tot 24 maanden

Tabel 1

aangevraagde situatie

De in tabel 1 en volgende vermelde ‘Code stal’ alsmede de ammoniakemissiefactoren die zijn gehanteerd bij het berekenen van de (totale) emissie, zijn ontleend aan de bijlage behorende bij de Regeling ammoniak en veehouderij, Staatscourant 2015, nr. 16866 (in werking getreden op 1 augustus 2015) en de wijziging van de Regeling ammoniak en veehouderij, Staatscourant 2016, nr. 15585 (in werking getreden op 31 maart 2016). 4.2. Habitatrichtlijngebieden De Habitatrichtlijngebieden 'Maasduinen', 'Zeldersche Driessen' en 'Boschhuizerbergen' zijn op 7 december 2004 aangewezen als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn en tevens op de lijst van gebieden van communautair belang geplaatst. 4.2.1. Uitgangssituatie Habitatrichtlijngebieden 'Maasduinen', 'Zeldersche Driessen' en 'Boschhuizerbergen' Op 7 december 2004 vigeerde voor de inrichting van de aanvrager de vergunning verleend onder de Hinderwet bij besluit van 12 december 1989. Sinds 7 december 2004 is voor de inrichting van de aanvrager bij of krachtens de Wet milieubeheer een vervangende vergunning verleend in verband met een activiteit die minder ammoniakemissie tot gevolg heeft. De situatie met de laagst toegestane ammoniakemissie vloeit voort uit de bij besluit van 10 juli 2007 onder de Wet milieubeheer verleende vergunning. Deze situatie, als weergegeven in tabel 1, geldt als referentiesituatie.

2016/72681

6

4.3. Vogelrichtlijngebied Het Vogelrichtlijngebied 'Maasduinen' is op 10 mei 1994 (De Hamert) en 'Maasduinen' is op 24 maart 2000 aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn. Mede gezien de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 september 2011 (zaaknummer 201003301/1/R2), gelden als referentiedata met betrekking tot stikstofdepositie op voornoemd gebied 10 juni 1994 en 24 maart 2000. 4.3.1. Uitgangssituatie Vogelrichtlijngebied 'Maasduinen' Op 10 juni 1994 en 24 maart 2000 vigeerde voor de inrichting van de aanvrager de vergunning verleend onder de Hinderwet bij besluit van 12 december 1989. Sinds 10 juni 1994 en 24 maart 2000 is voor de inrichting van de aanvrager bij of krachtens de Wet milieubeheer een vervangende vergunning verleend in verband met een activiteit die minder ammoniakemissie tot gevolg heeft. De situatie met de laagst toegestane ammoniakemissie vloeit voort uit de bij besluit van 10 juli 2007 onder de Wet milieubeheer verleende vergunning met een gedeeltelijke intrekking. Deze situatie, als weergegeven in tabel 1, geldt als referentiesituatie. 4.4. Effecten op de beschermde natuurgebieden De inrichting ligt nabij onderstaande beschermde gebieden: Naam gebied

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12667223/1