Bijlagen bij toelichting Bijlage 10 Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
26
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: vleermuizen, huismussen, boerenzwaluw en kerkuil. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Mogelijke functie planlocatie
Art. 3.5
Ja
Verblijfplaats
Art. 3.1 Art. 3.1 Art. 3.1
Ja Ja Ja
Nestlocatie Nestlocatie Rustplaats
Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Huismus Boerenzwaluw Kerkuil Vogels (Algemeen en cat. 5)
Tabel 4.2
Overzicht van de benodigde aanvullende onderzoeken per deelgebied.
Deelgebied
Soortspecifiek onderzoek
Bleijenbeek 6A en 8
Indien gevels en daken worden aangetast
Bleijenbeek 10
Indien gevels en daken worden aangetast
Bleijenbeek 12
Indien gevels en daken worden aangetast
Bleijenbeek 15
Ja
Bleijenbeek 17
Ja
De Boshof
Nee
Wandelpaden
Nee
Bomenlanen
Nee
Soortgroep Huismus Vleermuis Huismus Vleermuis Huismus Vleermuis Huismus Boerenzwaluw Vleermuis Kerkuil Huismus Vleermuis
27
4.2 Gebiedsbescherming De deelgebieden maken geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Een deel van de deelgebieden zijn wel gelegen binnen de Goudgroene natuurzone en/of de Bronsgroene natuurzone. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde situatie niet tot een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Vervolgstappen betreffende stikstof zijn niet benodigd. Voor de Goudgroene natuurzone en de Bronsgroene natuurzone geldt dat er een inpassingsplan opgesteld dient te worden om te waarborgen dat er geen sprake is van aantasting van de gebieden wegens de beoogde ruimtelijke ingreep. Tabel 4.3
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Goudgroene natuurzone Bronsgroene landschapszone Zone natuurbeek Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zilvergroene natuurzone
0m 0m 0m 8 km
Geen Ja Ja Geen
N.v.t. Inpassingsplan Inpassingsplan N.v.t.
71 km
Geen
N.v.t.
425 m
Geen
N.v.t.
4.3 Houtopstanden Indien er t.h.v. Bleijenbeek 12 zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken worden gekapt met een oppervlakte van 1000 m2 of meer dient er een melding in het kader van de Wet natuurbescherming gedaan te worden en geldt er een herplantingsplicht binnen 3 jaar (zie H5.3). Indien er t.h.v. Bleijenbeek 12 geen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken worden gekapt met een oppervlakte van 1000 m2 of meer is een meldingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming niet benodigd.
28
5 Conclusie 5.1
Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep binnen het Landgoed Bleijenbeek is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt mogelijk tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Indien er sprake is van kap van houtopstanden dient er een melding in het kader van de Wet natuurbescherming gedaan te worden en geldt er een herplantingsplicht. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming, de Goudgroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone uit te sluiten dient vooraf een inpassingsplan opgesteld te worden. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor huismus, boerenzwaluw, gebouwbewonende vleermuizen en kerkuil (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen.
De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus, boerenzwaluw en kerkuil: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
29
5.3 Vervolgstappen • Voor de beoogde sloop van de bebouwing aan de Bleijenbeek 15 en 17 dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Indien het dak van de bebouwing aan de Bleijenbeek 6a, 8, 10 of 12 vrij komt te liggen tijdens de renovatie dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei, conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Een technische inspectie kan worden uitgevoerd middels het inspecteren van de dakruimte. Buiten het broedseizoen kan dit tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat er geen onderscheid gemaakt kan worden tussen oud nestmateriaal en recentelijk gebruikte nesten. • Voor de beoogde sloop van de bebouwing aan de Bleijenbeek 15 dient aanvullend onderzoek naar de boerenzwaluw uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar boerenzwaluw wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 20 mei t/m 30 juni. • Voor de beoogde sloop van de bebouwing aan de Bleijenbeek 15 en de woning aan de Bleijenbeek 17 dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden.
Indien het dak en/of de luchtspouw van de bebouwing aan de Bleijenbeek 6a, 8, 10 of 12 vrij komt te liggen tijdens de renovatie dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vier gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen twee rondes in het voorjaar en twee rondes in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 3.1 en 3.2 uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute. • Voor de beoogde sloop van de schuur aan de Bleijenbeek 17 dient aanvullend onderzoek naar de kerkuil uitgevoerd te worden. Tijdens het onderzoek wordt de aan- of afwezigheid van een rust en/of nestlocatie vastgesteld. Het aanvullend onderzoek betreft 3 gerichte veldbezoeken in de periode 1 februari t/m 31 augustus, conform het kennisdocument kerkuil (BIJ12, 2017). Het aanvullende onderzoek betreft gericht veldbezoeken in de avondschemer, vanaf een halfuur na zonsondergang tot middernacht. De inventarisatie vindt plaats door inspectie van de verblijfplaats(en), zichtwaarnemingen en navraag bij betrokkenen en/of relevante instanties.
• Voor de beoogde werkzaamheden welke gelegen zijn in de Goudgroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone dient een inpassingsplan opgesteld te worden om vast te stellen of er sprake is van negatieve effecten op de gebieden wegens de beoogde ruimtelijke ingreep. • Indien er t.h.v. Bleijenbeek 12 zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken worden gekapt geldt een meldingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Tevens geldt er een herplantingsplicht van de gekapte houtopstand binnen 3 jaar.
30
5.4 Algemene te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.
• Voor rugstreeppad dient het terrein welke gelegen is aan ‘De Boshof’ en het terrein aan de Bleijenbeek 15 gedurende de ontwikkeling van de woningen ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 4. • De (kap)werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
• Bij het doortrekken van de waterplas t.h.v. Bleijenbeek 14 dient de Algemene Zorgplicht in acht genomen te worden. Bij het doortrekken van de waterplas dient mogelijke sterfte van vissen en amfibieën voorkomen te worden. Dit kan middels het plaatsen van damwandplaten waar de waterplas doorgetrokken wordt. Daarna dient eerst de nieuwe waterplas uitgegraven te worden. Als laatst kunnen de damwandplaten verwijderd te worden om verbinding met de bestaande waterplas te realiseren (zie onderstaande afbeelding). • De werkzaamheden aan De Boshof en ter hoogte van Bleijenbeek 15 dienen buiten het broedseizoen c.q. maart t/m juli uitgevoerd te worden.
31
32
5.5 Te treffen maatregelen ten behoeve van de hazelworm en levendbarende hagedis Tabel 1
Te treffen maatregelen voor de bomenkap aan de Bleijenbeek 17 en de mogelijke bomenkap t.h.v. Bleijenbeek 12.
Maatregel
Omschrijving
Dagelijkse controle van werklocatie
De hoofdverantwoordelijkheid of de door dien aangestelde controleert dagelijks voorafgaand aan de werkzaamheden of er hazelwormen of levendbarende hagedissen aanwezig zijn (figuur 1). Indien deze aangetroffen worden dienen deze met rust gelaten te worden en in de gelegenheid gesteld te worden om op eigen initiatief de planlocatie te verlaten.
Bij start werk, verwijderen alle losliggende elementen en vegetatie op werklocatie
Hazelwormen en levendbarende hagedissen leiden soms een verborgen leven. De soorten kunnen zich schuilhouden onder de vegetatie of hout of ze verblijven in holen in de grond. Voorafgaand aan werkzaamheden dienen structuren waar hazelwormen of levendbarende hagedissen onder kunnen schuilen voorzichtig verwijderd te worden.
Eén werkrichting en een rustige werkwijze hanteren
Bij het opstarten van werkzaamheden op de planlocatie één werkrichting hanteren zodat eventueel aanwezige dieren zich naar de directe omgeving kunnen begeven.
Afstand houden tot aangetroffen dieren
Hazelwormen en levendbarende hagedissen zijn koudbloedig en vervellen meermaals per jaar. Dit maakt de soorten kwetsbaar. Aangetroffen dieren dienen met rust gelaten te worden en in de gelegenheid gesteld te worden om op eigen initiatief de planlocatie ter verlaten.
Geen losliggend materiaal, puin of anderszins op planlocatie
Op de werklocatie dienen geen losliggende platen of andere bouwmaterialen te blijven liggen. De hazelworm gebruikt deze mogelijk om op te warmen of om zich te verschuilen. Dit geldt eveneens van puinhopen of opslag van ander (bouw)materiaal.
Controle van containers, machines en andere grote materialen voor plaatsing/verwijdering
Voorafgaand aan het plaatsen en verwijderen van containers, machines zoals bouwkranen of het plaatsen en verwijderen van rijplaten dient gecontroleerd te worden of er geen hazelwormen of levendbarende hagedissen aanwezig zijn onder of nabij de werklocatie.
33
Bronvermelding Bouwens, S, 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging in opdracht van de provincie Noord-Brabant. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. De Roever Omgevingsadvies, 2022. Stikstofdepositieonderzoek Landgoed Bleijenbeek te Afferden, Schijndel.
Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.polviewer.nl www.portal.prvlimburg.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4
Overzicht van de deelgebieden Overzicht van de locaties met potentie Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming Ecologie rugstreeppad
34
Bijlage 1
Overzicht van de deelgebieden
Deelgebied – Bleijenbeek 6A en 8
Figuur 1
Het deelgebied bestaat uit woning en schuur.
Figuur 2
Impressie van het deelgebied.
35
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie.
Deelgebied – Bleijenbeek 10
Figuur 4
Het deelgebied bestaat uit woning, schuren en grasweides. .
36
Figuur 5
Impressie van het deelgebied.
Figuur 6
Visuele representatie van de beoogde situatie.
37
Deelgebied – Bleijenbeek 12
Figuur 7
Het deelgebied bestaat uit woning, akkerperceel en een bosschage.
Figuur 8
Impressie van het deelgebied.
38
Figuur 9
Visuele representatie van de beoogde situatie.
Deelgebied – Bleijenbeek 14
Figuur 10
Het deelgebied bestaat uit een akkerperceel en een deel het golfterrein.
39
Figuur 11
Impressie van het deelgebied.
Figuur 12
Visuele representatie van de beoogde situatie.
40
Deelgebied – Bleijenbeek 15
Figuur 13
Het deelgebied bestaat uit een akkerperceel en een woonperceel met woning en schuren.
Figuur 14
Impressie van het deelgebied.
41
Figuur 15
Visuele representatie van de beoogde situatie.
42
Deelgebied – Bleijenbeek 17
Figuur 16
Het deelgebied bestaat uit een woning en enkele schuren.
Figuur 17
Impressie van het deelgebied.
43
Figuur 18
Visuele representatie van de beoogde situatie.
Deelgebied – De Boshof
Figuur 19
Het deelgebied bestaat uit een akkerperceel.
44
Figuur 20
Impressie van het deelgebied.
Figuur 21
Visuele representatie van de beoogde situatie.
45
Deelgebied – Te realiseren wandelpaden
Figuur 22
Op twee locaties binnen het landgoed worden wandelpaden gerealiseerd.
Figuur 23
Impressie van het westelijke deelgebied waar een wandelpad wordt gerealiseerd.
46
Figuur 24
Impressie van het oostelijke deelgebied waar een wandelpad wordt gerealiseerd.
Deelgebied – Te realiseren bomenlanen
Figuur 25
Op twee locaties binnen het landgoed worden wandelpaden gerealiseerd.
47
Figuur 26
Impressie van het deelgebied waar bomenlanen worden gerealiseerd.
48
Bijlage 2 Overzicht van de locaties met potentie Potentie huismussen en vleermuizen
Figuur 1
De bebouwing waarin potentie aanwezig is voor huismussen en vleermuizen.
Potentie boerenzwaluw
Figuur 2
De bebouwing aan de Blijenbeek 15 waar potentie aanwezig is voor de boerenzwaluw.
49
Potentie kerkuil
Figuur 2
De schuur aan de Blijenbeek 7 waar potentie aanwezig is voor de kerkuil.
Maatregelen rugstreeppad
Figuur 3
De locaties binnen het landgoed aan de Blijenbeek 15 en De Boshof waar voor de start van de werkzaamheden maatregelen getroffen dienen te worden betreffende de rugstreeppad.
50
Maatregelen reptielen
Figuur 3
De locaties binnen het landgoed aan de Blijenbeek 12 en het te realiseren westelijk gelegen wandelpad waar voor de start van de werkzaamheden maatregelen getroffen dienen te worden betreffende reptielen.
51
Bijlage 3 Vervolgstappen Wnb Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
52
Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee).
De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
53
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het
daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen,
industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter
plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.
54
Bijlage 4 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (figuur 1, Diepenbeek & Creemers, 2006).
Figuur 1
Impressies van de verschillende levensstadia van rugstreeppad. Bron: bovenste foto’s RAVON, onderste foto’s: Blom Ecologie.
55
Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.
Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Voorkomen kolonisatie Doordat de rugstreeppad een typische pioniersoort is en een dynamische omgeving met vergraafbare grond prefereert, kan snel spontane kolonisatie van de soort in een braakliggend gebied of bouwterrein ontstaan. Om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen.
Deze maatregelen bestaan uit het ongeschikt dan wel ontoegankelijk houden van het plangebied. Indien er sprake is van het ontstaan van mogelijk geschikt voortplantingswater dient het ontoegankelijk maken van een perceel voor de migratie en voortplantingsperiode (april-september) uitgevoerd worden. Het ongeschikt houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat zo min mogelijk vergraafbaar zand gebruikt of opgeslagen wordt binnen het bouwterrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. De aanleg van een zanddepot moet voorkomen worden. In de voorjaars- en zomerperiode zorgen dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden (figuur 2).
56
Figuur 2
Bij hevige regenval kunnen ondiepe plassen gevuld worden met water. Deze tijdelijke poelen zijn uitermate geschikt voor de rugstreeppad, waarin eisnoeren afgezet kunnen worden. Het ontstaan van deze geulen dient te allen tijde voorkomen te worden (bron: Blom Ecologie).
In de najaar- en winterperiode moet gezorgd worden dat er geen overwintering van rugstreeppadden kan optreden. Voldoende vergraafbaar zand (zanddepot) kan gebruikt worden voor overwintering. Ook stenenstapels, houtstapels of andere vorstvrije structuren (onder een bouwkeet bijvoorbeeld) kunnen gebruikt worden voor overwintering. Dergelijke structuren dienen weggehaald te worden buiten de overwinteringsperiode (september-april) van de soort. Het ontoegankelijk houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat voorzieningen worden geplaatst waardoor rugstreeppadden het plangebied niet kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (figuur 3). De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
Figuur 3
Een incorrect geplaatst amfibiescherm (links). Een correct geplaatst amfibiescherm (rechts). Deze dienen minimaal 10 cm ingegraven te zijn (bron foto’s: Blom Ecologie).
57
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 58