Bijlagen bij toelichting Bijlage 10 Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Landgoed Bleijenbeek te Afferden Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2022-0255
Datum:
5 augustus 2022
Samenstellers:
ir. L Davids & ing. J. Dekkers
Collegiale toets:
ir. T.W.D. Schrader
Opdrachtgever:
Buro Waalbrug
Contactpersoon:
ir. drs. R. van den Oetelaar
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
7
2 Methode
9
2.1
Uitvoering onderzoek
9
2.2
Soortenbescherming
9
2.3
Gebiedsbescherming
10
2.4
Houtopstanden
11
2.5
Houdbaarheid en toepassing
11
3 Beoordeling
12
3.1
Soortenbescherming
12
3.2
Gebiedsbescherming
21
3.3
Houtopstanden
26
4 Samenvatting
27
4.1
Soortenbescherming
27
4.2
Gebiedsbescherming
28
4.3
Houtopstanden
28
5 Conclusie
29
5.1
Conclusie
29
5.2
Uitvoerbaarheid
29
5.3
Vervolgstappen
30
5.4
Algemene te treffen maatregelen
31
5.5
Te treffen maatregelen ten behoeve van de hazelworm en levendbarende hagedis
33
1 Inleiding In Afferden is het Landgoed Bleijenbeek gelegen. Het landgoed is eigendom van a.s.r. real estate. Gemeente Bergen en a.s.r. real estate hebben het centrale doel van een duurzame doorontwikkeling en instandhouding van het landgoed, hiervoor is een ontwikkelingsvisie opgesteld. In de ontwikkelingsvisie zijn meerdere ontwikkelvelden opgesteld. Voor het Landgoed Bleijenbeek wordt een bestemmingsplan opgesteld. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro Waalbrug begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
Een impressie van de ruïne welke gelegen is in het Landgoed Bleijenbeek. 4
1.1
Planlocatie De planlocatie bestaat uit Landgoed Bleijenbeek. Een deel van het landgoed bestaat uit een golfbaan, tevens zijn er woningen, verschillende wateren, bosgebieden en wandelpaden op het landgoed aanwezig. In figuur 1.2 is de buitengrens van het landgoed wat eigendom is van a.s.r. real estate aangegeven. Binnen deze begrenzing zijn verschillende deelgebieden gelegen, welke zijn weergegeven in figuur 1.3. In Bijlage 1 zijn kaarten van de deelgebieden en de voorgenomen werkzaamheden weergegeven. Tevens zijn er foto’s opgenomen welke een impressie geven van de deelgebieden.
Figuur 1.2 De buitengrens van Landgoed Bleijenbeek welke eigendom is van a.s.r. real estate.
Figuur 1.3 De deelgebieden binnen Landgoed Bleijenbeek. De nummers geven de adressen weer.
5
• Op de percelen van Bleijenbeek 6A & 8 en Bleijenbeek 10 wordt er beplanting aangevuld, de bebouwing wordt mogelijk gerenoveerd. • Op het perceel van Bleijenbeek 12 wordt beplanting aangevuld en een werkschuur gerealiseerd. De woning wordt mogelijk gerenoveerd. • Het perceel ter hoogte van Bleijenbeek 14 bestaat uit een akker, hierop is geen bebouwing aanwezig. Op dit perceel worden recreatielodges gerealiseerd en wordt er een bestaand oppervlaktewater doorgetrokken. • In het deelgebied van Bleijkenbeek 15 zijn een woning en een schuur gesitueerd. Beide zijn opgebouwd uit gemetselde muren zonder luchtspouw met een dakpannen dak. In de schuur en het achterste gedeelte van de woning is geen dakbeschot aanwezig. • In deelgebied Bleijenbeek 17 zijn een woning en enkele schuren gesitueerd. De woning is opgebouwd uit gemetselde muren met een dakpannen zadeldak, in de woning zijn een luchtspouw en dakbeschot aanwezig. Op het perceel is tevens een schuur aanwezig welke is opgebouwd uit gemetselde muren zonder luchtspouw met een dakpannen zadeldak waarin deels een dakbeschot aanwezig is. • Op de locatie van de Boshof wordt een woning gerealiseerd. Naast de verschillende deelgebieden worden er twee wandelpaden aangelegd en worden verschillende bomenlanen aangevuld.
In figuur 1.4 en bijlage 1 zijn foto’s opgenomen die een impressie geven van de deelgebieden en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.4 Een impressie van een aantal van de deelgebieden. De nummers geven de adressen aan de Bleijenbeek weer. Een deel van het landgoed bestaat uit een golfbaan waarop verschillende oppervlaktewateren aanwezig zijn. Een deel van de noord- en zuidzijde van het landgoed bestaat uit bosgebied. Daarnaast zijn er agrarische percelen in het landgoed aanwezig. De directe omgeving van het landgoed aan de noord-, west-, en zuidzijde wordt gekenmerkt door bosgebied. De omgeving aan de oostzijde van het landgoed bestaat uit agrarische percelen. De dichtstbijzijnde snelweg is de N271 welke gelegen is op een afstand van circa 630 m ten westen van de buitengrens van het landgoed. Het landgoed wordt grotendeels omringd door het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’.
6
Figuur 1.5 Fotografische indruk van een deel van de golfbaan op het landgoed.
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft onder andere de sloop van bestaande bebouwing, de realisatie van nieuwbouw, mogelijk de renovatie van woningen, het verwijderen van beplanting, de aanleg van beplanting en bomenlanen, aanleg van wandelpaden, het doortrekken van oppervlaktewater en het doortrekken van bomenlanen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • • • • • •
slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; renovatie van bebouwing: algemene renovatiewerkzaamheden; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; doortrekken oppervlaktewater: graafwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden; aanvulling beplanting: allerhande hovenierswerkzaamheden; realisatie wandelpaden: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Onderstaand volgt een opsomming van de voorgenomen werkzaamheden per deelgebied. • Bleijenbeek 6A, 8 & 10: • Aanvullen beplanting; • Mogelijke renovatie bebouwing; • Bleijenbeek 12: • Aanvullen beplanting; • Realisatie werkplaats; • Mogelijke renovatie bebouwing; • Mogelijke kap van bomen; • Bleijenbeek 14: • Realisatie recreatieve ontwikkeling; • Realisatie lodges; • Doortrekken oppervlaktewater. • Bleijenbeek 15: • Slopen van alle bebouwing; • Realisatie 5 nieuwe woningen; 7
• Bleijenbeek 17: • Slopen van woning; • Verwijderen van alle niet inheemse beplanting; • De Boshof: • Realiseren 1 woning. Naast de deelgebieden worden er aan de oost- en westzijde van het landgoed twee wandelpaden aangelegd en worden er verschillende bomenlanen aangevuld (figuur 1.6).
Figuur 1.6 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro Waalbrug).
8
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 7 april 2022 en is uitgevoerd door ir. L. Davids en ing. J. Dekkers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; afwisselend regen en droog, 6/8 bewolkt, 10 Celsius en windkracht 5 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
9
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of
bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.
Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Limburg is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Limburg. (x1) = vrijstelling in periode maart – april en juli t/m november, (x2) = vrijstelling in periode 15 aug t/m februari, (x3) = vrijstelling in periode juli, augustus en september, (x4) = vrijstelling in periode 15 augustus t/m 15 oktober, * voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling in/op gebouwen en bijbehorende erven Wnb 3.10 3e lid.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bastaardkikker
Hazelworm (x3)
Rode eekhoorn (x1)
Bosmuis *
Hermelijn
Steenmarter (x2)
Bruine kikker
Huisspitsmuis *
Tweekleurige bosspitsmuis
Bunzing
Kleine watersalamander
Veldmuis *
Dwergmuis
Konijn
Vos
Dwergspitsmuis
Levendbarende hagedis (x4)
Wezel
Egel
Meerkikker
Woelrat
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Gewone pad
Ree
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.
10
Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland De Goudgroen natuurzone, Bronsgroene landschapszone, Beschermingsgebied Nationaal Landschap, Zone natuurbeek en Zilvergroene natuurzone maken deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen. Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht. Ten aanzien van de Goudgroene natuurzone, Bronsgroene landschapszone, Beschermingsgebied Nationaal landschap, Zone natuurbeek en/of Zilvergroene natuurzone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
11
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie zijn verschillende habitattypen aanwezig. Een deel van het landgoed bestaat uit een goed onderhouden golfbaan, ook zijn er oppervlaktewateren, agrarische percelen en bosgebieden aanwezig. Rondom de woningen zijn onderhouden tuinen aanwezig. Ter plaatse van de planlocatie is sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: berk, blauwe druif, brede weegbree, conifeer, gewone braam, gewone klimop, gewoon speenkruid, grote brandnetel, grove den, haagbeuk, hulst, laurierkers, magnolia, paarse dovennetel, riet, ridderzuring, smalle weegbree, witte dovennetel, zomereik en zwarte els.
De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos en waterspitsmuis (NDFF 2012-2022). Voor de steenmarter geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de periode 15 augustus tot en met februari. Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, das, rode eekhoorn en waterspitsmuis. De bever leeft in overgangsgebieden van land en water met goed bereikbare bomen en struiken op de oever. De bever komt voor langs rivieren, beken, meren en moerassen (Zoogdiervereniging, 2022).
Op het landgoed zijn waarnemingen van de bever bekend (NDFF 2012-2022). Tevens zijn er sporen van de bever aangetroffen tijdens het veldbezoek. In de beoogde ruimtelijke ingreep wordt één oppervlaktewater doorgetrokken, hier zijn geen waarnemingen van de bever bekend en zijn geen sporen aangetroffen. Het oppervlaktewater wordt enkel doorgetrokken en blijft in de huidige staat behouden. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden aan de Bleijenbeek 17 alle niet inheemse beplanting verwijderd. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot aantasting van essentieel leefgebied van de bever. Van negatieve effecten op de bever wegens de beoogde ruimtelijke ingreep is geen sprake. De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van verschillende habitattypen. De das heeft een voorkeur voor een kleinschalig akker- en weidelandschap waarin voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen aanwezig zijn welke als dekking functioneren.
12
Dassen maken gebruik van een netwerk van verblijfplaats, waaronder hoofdburchten, bijburchten en vluchtpijpen (Bij12 kennisdocument Das, 2017). Ter hoogte van Bleijenbeek 10 en 17 zijn tijdens het veldbezoek dassenpijpen en graafsporen van de das aangetroffen. Alle niet inheemse beplanting op het perceel van Bleijenbeek 17 zullen worden verwijderd, dit resulteert niet in een onderbreking in een eventuele migratieroute van de das. Tevens is er veelvuldig foerageergebied aanwezig in de directe omgeving. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt derhalve niet tot aantasting van het essentieel leefgebied van de das. De rode eekhoorn leeft in bosgebieden en tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bosgebieden (Zoogdiervereniging, 2022). In de beoogde ruimtelijke ingreep wordt er aan de Bleijenbeek 17 niet inheemse beplanting verwijderd, hierbij gaat het voornamelijk om coniferen. Dit leidt niet tot een onderbreking van een eventuele migratieroute. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden meer bomen aangeplant waardoor het leefgebied van de rode eekhoorn wordt versterkt. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van essentieel leefgebied van de rode eekhoorn De steenmarter heeft een voorkeur voor een kleinschalig parklandschap met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes.
Verblijfplaatsen bevinden zich in schuren, zolders, dakruimtes, boomholtes en takkenhopen (Zoogdiervereniging steenmarter, 2022). In de te slopen bebouwing zijn geen sporen van de steenmarter aangetroffen waardoor aanwezigheid van een verblijfplaats van de steenmarter in de te slopen bebouwing op het landgoed uitgesloten kan worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot een aantasting van essentieel foerageergebied of een essentiële migratieroute. Van negatieve effecten op de steenmarter wegens de beoogde ruimtelijke ingreep is derhalve geen sprake. De waterspitsmuis leeft in gebieden met schoon, niet te voedselrijk water met een goed ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Bodem bedekkende vegetatie is een voorwaarde, tevens dienen er voldoende schuilmogelijkheden op de oevers aanwezig te zijn (Zoogdiervereniging, 2022). Ter hoogte van Bleijenbeek 14 wordt een oppervlaktewater doorgetrokken. De oever van het oppervlaktewater bestaat uit een rietkraag en uit grasland en zandgrond. Door de afwezigheid van ruig begroeide oevers bestaat het oppervlaktewater niet uit ideaal leefgebied van de waterspitsmuis. Het oppervlaktewater blijft behouden en wordt enkel doorgetrokken waardoor er geen essentieel leefgebied van de waterspitsmuis verloren gaat. Van negatieve effecten wegens de beoogde ruimtelijke ingreep op de waterspitsmuis is derhalve geen sprake.
Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat.
Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op enkele locaties dienen bomen gekapt te worden. Dit geldt voor de coniferen t.h.v. Bleijenbeek 17 en mogelijk voor een deel van de bosschage t.h.v. Bleijenbeek 12. De coniferen zijn ongeschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen.
13
De overige, mogelijk, te kappen bomen betreffen allen relatief kleine en jonge bomen waardoor deze eveneens ongeschikt zijn als verblijfplaats. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen en mogelijk te renoveren bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De bebouwing welke gelegen is aan de Bleijenbeek 15 is opgebouwd uit gemetselde muren zonder luchtspouw en een dakpannen dak zonder dakbeschot. Enkel in de woning is aannemelijk dakbeschot aanwezig. De kantpannen van de woning zijn afgesloten waardoor vleermuizen geen toegang hebben tot het, aannemelijke aanwezige, dakbeschot. In de bebouwing ontbreken dakpannen waardoor vleermuizen zoals de gewone grootoorvleermuis toegang kunnen krijgen tot de schuur (figuur 3.1).
De aanwezigheid van verblijfplaatsen van de gewone grootoorvleermuis in de bebouwing aan de Bleijenbeek 15 is derhalve niet uit te sluiten. De woning welke gelegen is aan Bleijenbeek 17 is opgebouwd uit gemetselde muren met een dakpannen zadeldak met een luchtspouw en dakbeschot. Tussen het boeiboord en de kantpannen zijn openingen aanwezig welke vleermuizen toegang kunnen verlenen tot de dakruimte (figuur 3.1). De schuur is opgebouwd uit gemetselde muren zonder luchtspouw en een dakpannen zadeldak waarin deels een dakbeschot aanwezig is. In de schuur zijn geen sporen van de grootoorvleermuis aangetroffen, waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in deze schuur zijn uit te sluiten. Om de aan- of afwezigheid van vleermuis verblijfplaatsen in de bebouwing aan de Bleijenbeek 15 en in woning te Bleijenbeek 17 vast te stellen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie H5.3). De bebouwing welke mogelijk gerenoveerd gaat worden aan de Bleijenbeek 6A, 8, 10 & 12 bestaat uit gemetselde muren met een dakpannen dak waarvan de dakruimte toegankelijk is voor vleermuizen. Hierdoor is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in deze bebouwing niet uit te sluiten.
Indien het dak of de spouwmuur van de bebouwing gelegen aan de Bleijenbeek 6A, 8, 10 of 12 vrij komt te liggen dient door middel van aanvullend onderzoek de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld te worden (zie H5.3). In bijlage 2 is weergegeven voor welke bebouwing er potentie voor verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig is.
Figuur 3.1 In de bebouwing aan de Bleijenbeek 15 ontbreken dakpannen (links). De kantpannen van de woning aan de Bleijenbeek 17 kieren voldoende om vleermuizen toegang te kunnen verlenen tot de dakruimte (rechts). In de beoogde ruimtelijke ingreep worden geen lijnvormige structuren aangetast, de beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot een aantasting van een essentiële vliegroute. In de directe omgeving is voldoende foerageergebied voor vleermuizen aanwezig.
14
In de beoogde ruimtelijke ingreep worden bomenlanen en andere groenstructuren aangeplant waardoor het gebied geschikter wordt voor vleermuizen. Van aantasting van een essentiële vliegroute of een essentieel foerageergebied van vleermuizen in de beoogde ruimtelijke ingreep is geen sprake. Tabel 3.1
Samenvatting van de beoordeling op mogelijke overtreding Wnb voor verschillende vleermuissoorten, essentiële vliegroute en foerageergebied.
Vleermuissoort
Potentie
Onderbouwing
Gewone dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing.
Ruige dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing
Laatvlieger
Nee
Geen geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Planlocatie ligt lichtverstoring
Meervleermuis
Nee
Geen geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing
Watervleermuis
Nee
Geen bomenkap van bomen met geschikte boomholten
Rosse vleermuis
Nee
Geen bomenkap van bomen met geschikte boomholten
Tweekleurige vleermuis
Nee
Buiten bekende verspreiding en afwezigheid van zeer hoge bebouwing voor paarverblijfplaatsen.
Vleermuizen algemeen
Potentie
Onderbouwing
Massawinterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis) Essentiele vliegroute
Nee
Geen hoge bebouwing met bufferende vermogen
Nee
Geen aantasting van lijnvormige structuren
Essentieel foerageergebied
Nee
Geen aantasting van houtopstanden met struweel en oppervlaktewater
Tabel 3.2
in landelijk
gebied zonder
te
veel
Samenvatting van de potentie voor vleermuissoorten op de planlocatie.
Vleermuissoort
Zomer
Kraam
Paar
Massawinter
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad en vinpootsalamander (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, heikikker, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad en vinpootsalamander. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De voorgenoemde soorten worden waargenomen nabij meerdere waterplassen binnen het landgoed (NDFF 2012-2022). Aan één enkele waterplas zijn werkzaamheden beoogd. Dit betreft de waterplas t.h.v. Bleijenbeek 14. De locaties waar bebouwing wordt gerealiseerd betreffen akkerpercelen, welke ongeschikt zijn als overwinteringslocaties en/of foerageergebieden. De waterplas t.h.v. Bleijenbeek 14 wordt verder doorgetrokken naar oostelijke richting. In deze waterplas zijn geen waarnemingen gedaan van beschermde amfibieënsoorten. Ook zijn deze niet waargenomen ten tijde van het veldbezoek.
15
De directe omgeving van de waterplas betreft gazon met een regelmatig maairegime, waardoor deze ongeschikt is als overwinteringslocatie en/of foerageergebied. Daarnaast wordt de waterplas voor het overgrote deel niet aangetast. Ten aanzien van de Algemene Zorgplicht dienen enkele maatregelen getroffen te worden (zie H5.4). De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). Voor de meeste deelgebieden geldt dat de rugstreeppad niet is waargenomen binnen straal van één km in de afgelopen drie jaar (NDFF 2012-2022). Circa 130 m ten oosten van deelgebied t.h.v. Bleijenbeek 14 is de rugstreeppad waargenomen. Aan de Bleijenbeek 15 en ‘De Boshof’ zijn akkers gesitueerd, op deze locaties worden woningen gesitueerd. Doordat de locaties uit akkers bestaan en deze in gebruik zijn ten tijde van het voortplantingsseizoen van de rugstreeppad bestaan deze niet uit geschikt leefgebied voor de rugstreeppad.
Tijdens de werkzaamheden kan er wel sprake zijn van vergraafbare zandige grond en tijdelijke poeltjes. Derhalve dienen maatregelen te worden getroffen om kolonisatie van de rugstreeppad ten tijde van de werkzaamheden te voorkomen (zie H5.4). In bijlage 2 is weergegeven voor welke gebieden er maatregelen betreffende de rugstreeppad genomen dienen te worden. Geen van de andere deelgebieden bestaat uit geschikt leefgebied voor de rugstreeppad. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: hazelworm en levendbarende hagedis (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Hazelwormen leven over het algemeen in open bossen, bosranden, heidegebieden, houtwallen en struwelen, steenachtige biotopen en tuinen (RAVON Hazelworm, 2022). Hazelwormen zijn actief in de periode maart – oktober, waarna er overwinterd wordt in droge holten, al dan niet zelf gegraven, of spleten in rotsen (Creemers & Van Delft, 2009). De hazelworm is waargenomen in bosgebieden gelegen ten noorden en zuiden van het landgoed.
De dichtstbijzijnde waarneming tot een deelgebied betreft circa 630 m (NDFF 2012-2022). De locaties waar bebouwing wordt gerealiseerd betreft een bestaand woonperceel of akkerpercelen. De akkerpercelen voldoen niet aan de eisen van de soort vanwege de afwezigheid van structuren. Binnen het woonperceel blijven de groenstructuren behouden. Voor de realisatie van een werkschuur t.h.v. Bleijenbeek 12 worden mogelijk bomen gekapt. Binnen de locaties van de (mogelijke) beoogde kapwerkzaamheden is een bosbodem met een strooisellaag aanwezig, waardoor sporadische aanwezigheid van de hazelworm niet uit te sluiten is (figuur 3.2). Echter is er voldoende leefgebied aanwezig in de directe omgeving van de beoogde bomenkap waardoor de beoogde ruimtelijke ingreep niet zal leiden tot significante afname van mogelijk functioneel leefgebied van de hazelworm. Voor de bomenkap aan de Bleijenbeek 17 en indien er bomen gekapt worden t.h.v. Bleijenbeek 12 dienen enkele maatregelen in acht genomen te worden, om schade aan een sporadisch aanwezig individu op of rondom de planlocaties tijdens de werkzaamheden te voorkomen (zie H5.5). In bijlage 2 is weergegeven voor welke locaties er maatregelen betreffende reptielen genomen dienen te worden.
16
Figuur 3.2 Locaties van de mogelijk te kappen bomen t.h.v. Bleijenbeek 12. Sporadisch aanwezigheid van hazelwormen is niet uit te sluiten. De levendbarende hagedis komt voor in open bossen, ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in duinen. Het habitattype heide en hoogveen genieten echter de voorkeur. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort. In de genoemde landschapstypen wordt de soort voornamelijk aangetroffen op structuurrijke overgangen van droge naar vochtige terreindelen/oevers. De soort is afhankelijk van structuurrijk habitat met daarbinnen open zon beschenen, snel opwarmende plekken in de nabijheid van dekkingsmogelijkheden om zich te beschermen tegen uitdroging en predatie. De homerange van de levendbarende hagedis is doorgaans beperkt tot enkele tientallen vierkante meters tot ruim 500m2. De vaste verblijfplaatsen en functionele leefomgeving bestaan uit het overwinteringshabitat en het zomer/voortplantingshabitat. Voldoende eiafzetmogelijkheden en een ruimaanbod van wateren in nabijheid van hoge gronden zijn belangrijke randvoorwaarden. Levendbarende hagedissen overwinteren boven het grondwaterniveau in grote gras- en zeggepollen, oude zoogdierholen, onder boomstronken en dergelijke. De overwinteringsplaatsen worden gebruikt van half september tot en met half april.
In de actieve periode gebruiken levendbarende hagedissen veelal meerdere maar steeds dezelfde plekjes als verblijfplaats. Dergelijke gebieden worden eveneens gebruikt om te paren en gedurende de periode dat vrouwtjes hun eieren meedragen. Derhalve wordt het gebied waarin dragende vrouwtjes voorkomen, gezien als voortplantingshabitat (BIJ12 kennisdocument Levendbarende hagedis, 2017; RAVON Levendbarende hagedis, 2022). De levendbarende hagedis is voornamelijk waargenomen in bosgebieden gelegen ten noorden en zuiden van het landgoed. De dichtstbijzijnde waarneming tot een deelgebied betreft circa 75 m (NDFF 20122022). Dit is t.h.v. Bleijenbeek 8, waar nu sprake is van voornamelijk gras rondom het woonperceel. Derhalve is er geen sprake van aantasting van functioneel leefgebied voor de soort op dit perceel. De locaties waar bebouwing wordt gerealiseerd is tevens ongeschikt als leefgebied voor de levendbarende hagedis door de afwezigheid van structuren. Voor de bomenkap aan de Bleijenbeek 17 en indien er bomen gekapt worden t.h.v. Bleijenbeek 12 dienen enkele maatregelen in acht genomen te worden, om schade aan een sporadisch aanwezig individu op of rondom de planlocaties tijdens de werkzaamheden te voorkomen (zie H5.5). Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). Binnen het landgoed vindt binnen één deelgebied werkzaamheden plaats aan oppervlaktewater. Dit betreft de waterplas t.h.v. Bleijenbeek 14. De beoogde ingreep betreft het doortrekken van de waterplas in de oostelijke richting. Bij deze werkzaamheden dienen enkele maatregelen getroffen te worden (zie H5.4). Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
17
Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder (NDFF 2012-2022). Binnen het landgoed zijn meerdere bosschages aanwezig. De voorgenoemde vlindersoorten zijn gebonden aan houtige vegetatie. Derhalve is niet uit te sluiten dat de soorten mogelijk gebruik maken van het plangebied. In de beoogde ingreep worden groenstructuren aan de Bleijenbeek 17 verwijderd, echter betreffen dit voornamelijk coniferen. Coniferen behoren niet tot een waardplant van de vlindersoorten. Ten behoeve van het te realiseren wandelpad aan de westzijde van het landgoed en ten behoeve van de realisatie van de werkschuur t.h.v. Bleijenbeek 12 worden mogelijk bomen gekapt. Deze bomen bestaan onder andere uit berk, zomereik en zwarte els. In de directe omgeving van de te kappen bomen is voldoende alternatief leefgebied aanwezig voor soorten welke in bosgebieden leven. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot aantasting van het essentieel leefgebied van de grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: aalscholver, grote bonte specht, buizerd, ekster, gaai, grauwe gans, houtduif, huismus, koolmees, meerkoet, merel, nijlgans, putter, scholekster, vink, wilde eend, witte kwikstaart en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Deelgebieden waar bebouwing wordt gesloopt betreft Bleijenbeek 15 en 17. In de woning aan de Bleijenbeek 15 is nestmateriaal aangetroffen, waardoor de aanwezigheid van nestlocaties in de bebouwing hier niet is uit te sluiten (figuur 3.3). In de schuur aan de Bleijenbeek 15 zijn oude nesten van de boerenzwaluw waargenomen, waardoor de aanwezigheid van nestlocaties van de boerenzwaluw niet uit te sluiten is.
Om de aan- of afwezigheid van nestlocaties van de boerenzwaluw in de schuur aan de Bleijenbeek 15 vast te stellen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie H5.3).
Figuur 3.3 Aangetroffen nestmateriaal onder de dakgoot van de woning t.h.v. Bleijenbeek 15. De schuren aan de Bleijenbeek 17 bevatten geen dakbeschot. Tevens is er geen nestmateriaal aangetroffen in de spanten van de schuren. Derhalve is uitgesloten dat de schuren een functie vervullen als nestlocatie voor huismussen. De woning bevat een dakpannen zadeldak. De dakruimte kon vanaf de grond niet onderzocht worden, maar de dakruimte is zeer waarschijnlijk toegankelijk via de dakvoet.
18
Middels aanvullend onderzoek dient de aan- of afwezigheid van huismusnestlocaties in de bebouwing aan de Bleijenbeek 15 en de woning aan de Bleijenbeek 17 vastgesteld te worden (zie H5.3). De bebouwing welke mogelijk gerenoveerd gaat worden aan de Bleijenbeek 6A, 8, 10 & 12 bestaat uit gemetselde muren met een dakpannen dak waarvan de dakruimte toegankelijk is voor huismussen. Hierdoor is de aanwezigheid van nestlocaties van huismussen in deze bebouwing niet uit te sluiten. Indien het dak van de bebouwing gelegen aan de Bleijenbeek 6A, 8, 10 of 12 vrij komt te liggen dient door middel van aanvullend onderzoek de aan- of afwezigheid van nestlocaties van huismussen vastgesteld te worden (zie H5.3). In bijlage 2 is weergegeven in welke bebouwing potentie aanwezig is voor huismussen en boerenzwaluw en er aanvullend onderzoek uitgevoerd dient te worden. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten.
Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. De bebouwing gelegen aan Bleijenbeek 15 bevat geen toegankelijke kantpannen waardoor de dakruimte niet te bereiken is via deze weg. Tevens zijn er geen overige geschikte invliegopeningen aangetroffen die gierzwaluwen toegang bieden tot geschikte nestlocaties. Aanwezigheid van gierzwaluw kan derhalve op deze planlocatie uitgesloten worden. De woning gelegen aan de Bleijenbeek 17 bevat kantpannen echter is de ruimte tussen de kantpan en het overstek beperkt. Er zijn geen overige invliegopeningen aangetroffen die gierzwaluwen toegang bieden tot geschikte nestlocaties. Hetzelfde geldt voor de bebouwing aan de Bleijenbeek 6A, 8, 10 & 12. De schuren aan de Bleijenbeek 17 bevatten geen dakbeschot waardoor deze op voorhand ongeschikt zijn als nestlocatie voor gierzwaluwen. Daarnaast wordt de soort minder waargenomen in landelijk gebied en zijn het koloniebroeders. Gezien de beperkte potentie en de ligging in landelijk gebied kan de aanwezigheid van gierzwaluw uitgesloten worden. In een schuur binnen het plangebied Bleijenbeek 17 zijn sporen van kerkuil waargenomen (c.q. braakballen en krijtsporen) (figuur 3.4).
In de schuur is geen geschikte plek voor een nest van kerkuil, echter is een rustplaats wel mogelijk. Derhalve dient middels aanvullend onderzoek de aan- of afwezigheid van een rustplaats van de kerkuil te worden vastgesteld (zie H5.3). In bijlage 2 is de schuur weergegeven waarin potentie aanwezig is voor de kerkuil
Figuur 3.4 Braakballen en krijtsporen van kerkuil aangetroffen in de schuur aan de Bleijenbeek 17. In de schuren aan de Bleijenbeek 15 zijn geen sporen aangetroffen van uilen. Derhalve kan de aanwezigheid van een rust- of nestlocatie van uilen uitgesloten worden. De locaties waar bebouwing wordt gerealiseerd betreffen akkerpercelen. Gezien de hoeveelheid van vergelijkebare percelen binnen het landgoed is er geen sprake van essentieel leefgebied op de desbetreffende locaties.
19
Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen van het onderzoeksgebied, echter is het landgoed niet vlakdekkend onderzocht. Binnen het landgoed zijn vastgestelde territoria bekend van de buizerd, havik, ransuil en sperwer. Het overgrote deel van de territoria behoren tot de buizerd (NDFF 2012-2022). T.h.v. ‘De Boshof’ en Bleijenbeek 14 zijn de territoria nabij het deelgebied gelegen. Gezien de beoogde ingreep nieuwbouw betreft, dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden om verstoring van roofvogels te voorkomen. Gezien de hoeveelheid van vergelijkebare percelen binnen het landgoed is er geen sprake van verlies van essentieel leefgebied op de desbetreffende locaties. Aan de Bleijenbeek 12 is een torenvalknestkast aanwezig. In verschillende jaren is hier een territorium van de torenvalk vastgesteld (NDFF 2012-2022). Aan de Bleijenbeek 12 wordt een werkschuur gerealiseerd en wordt de bomenlaan aangevuld, dit resulteert niet tot aantasting van het essentieel leefgebied van de torenvalk. Onder een brug t.h.v. Bleijenbeek 8 is een nestkast aanwezig, deze wordt wellicht in gebruik genomen door de grote gele kwikstaart. Deze soort broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of onder bruggen of stuwen. Deze nestkast wordt niet aangetast en er vinden geen werkzaamheden plaats nabij deze nestkast.
Op één locatie wordt een wandelpad gerealiseerd welke een watergang zal oversteken. Deze locatie betreft een relatief smalle watergang met langzaam stromend tot stilstaand water. Gezien de kleine ingreep en de korte duur van de werkzaamheden kunnen negatieve effecten op de grote gele kwikstaart uitgesloten worden. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Aan de Bleijenbeek 12 is een steenuilennestkast aanwezig. De bewoonster gaf aan dat deze niet bezet is. Daarnaast blijft deze nestkast behouden. Gedurende het broedseizoen zijn nestlocaties en de functionele leefomgeving van de steenuil beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
20
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 Het Landgoed Bleijenbeek is deels gelegen in het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’. Geen van de deelgebieden is gelegen in het Natura 2000-gebied (figuur 3.5). Wel worden een deel van de bomenlanen en een deel van het wandelpad gerealiseerd in het Natura 2000-gebied.
Figuur 3.5 Het Landgoed Bleijenbeek is deels gelegen in het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ (bron: nationaal Georegister PDOK). In de beoogde ruimtelijke ingreep worden 2 woningen gesloopt en 6 woningen gerealiseerd. Tevens worden er recreatielodges gerealiseerd. Daarnaast wordt beplanting aangeplant, worden er bomenlanen aangevuld, wandelpaden aangelegd en wordt er een oppervlaktewater doorgetrokken. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ geldt dat niet op voorhand uitgesloten kan worden dat er sprake is van negatieve effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) ten gevolge van de realisatie van de woning t.h.v. ‘De Boshof’ en de sloop van de woning en realisatie van 5 woningen aan de Bleijenbeek 15. Derhalve zijn deze effecten getoetst middels de ‘effectenindicator soorten’. Om de beoogde ruimtelijke ingreep het beste te kunnen categoriseren is in de ‘effectenindicator soorten’ de effecten van de activiteit ‘Woningbouw’ gegenereerd. De beoogde ruimtelijke ingreep is getoetst aan de storingsfactoren zoals aangegeven in figuur 3.6.
21
Figuur 3.6 Effectenindicator van de aangewezen habitattypen en doelsoorten van het Natura2000 gebied ‘Maasduinen’ (bron: synbiosys.alterra.nl). Oppervlakteverlies & versnippering Van oppervlakteverlies en versnippering is sprake wanneer er afname is van het beschikbaar oppervlak van leefgebieden van soorten en/of habitattypen en wanneer er sprake is van versnippering van het leefgebied van soorten. De beoogde ruimtelijke ingreep vindt buiten het Natura2000-gebied plaats. Van oppervlakteverlies en versnippering is derhalve geen sprake. Verontreiniging & Verdroging Er is sprake van verontreiniging wanneer er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen welke onder natuurlijke omstandigheden niet of in lage concentraties aanwezig zijn. Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van woningen aan De Boshof en aan de Bleijenbeek 15. Gezien de beoogde functie van de percelen is er geen sprake van een verhoogde concentratie van onnatuurlijke stoffen in het gebied en is er geen sprake van verdroging. Verstoring door geluid, licht en trilling Verstoring door geluid wordt gedefinieerd als onnatuurlijke geluidsbronnen, zoals permanent wegverkeer. Verstoring door licht bestaat uit verstoring door kunstmatige lichtbronnen.
Er is sprake van verstoring door trillingen als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren en heien. Ten opzichte van de huidige situatie zal in en rond de locatie Boshof een beperkte toename van geluid ontstaan (8,6 voertuigbewegingen per etmaal). Het is niet uit te sluiten dat er vanuit de te realiseren woning aan de Boshof geluid wordt gegenereerd.
22
Deze geluiden vanuit de woning zijn naar verwachting niet van dermate verstorende aard, dat dit tot overlast in het Natura2000-gebied leidt. Daarnaast dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Tevens wordt het geluid gebufferd door de groene delen die aan de rand van het woonperceel gerealiseerd worden. Voor de woningen ter hoogte van Bleijenbeek 15, vindt uitwisseling plaats met een voorheen aanwezig agrarisch bedrijf, waardoor er geen sprake is van een toename in verstoring door geluid. Rondom de nieuwe woonpercelen ter hoogte van Bleijenbeek 15 is sprake van een robuuste landschappelijke inpassing, hierdoor is er geen sprake van lichthinder richting het Natura2000-gebied. Voor de locatie De Boshof dient de groenbestemming nader uitgewerkt te worden. Op de locatie aan De Boshof komt, met name aan de zijde van het Natura2000-gebied, een robuuste groene inpassing. Tevens zullen er geen extra lantaarnpalen gerealiseerd in de openbare ruimte ten opzichte van het bestaande aantal. Derhalve is er geen sprake van significante verstoring door licht op het Natura2000gebied. Tijdens de werkzaamheden kunnen er verstoringen middels trillingen op het Natura2000-gebied ontstaan. Deze verstoringen zijn echter van tijdelijke aard en vinden buiten het broedseizoen plaats.
In de permanente situatie is er, gezien de beoogde functie van de percelen, geen sprake van verstoring door trillingen. De werkzaamheden leiden niet tot significant negatieve effecten op het naastgelegen Natura2000-gebied. Voor een aantal doelsoorten van het Natura2000-gebied geldt dat deze voorkomen in en rondom oppervlaktewater. In de directe omgeving van de locatie aan De Boshof en De Bleijenbeek 15 is geen oppervlaktewater in het Natura2000-gebied aanwezig. Van verstoringen door geluid, licht en trillingen op deze soorten is derhalve geen sprake. Voor de boomleeuwerik geldt dat deze voorkomt op zandgronden, heide of stuifzand. De roodborsttapuit leeft op heiden, in duinen, ruige, open moerasgebieden en in halfopen boerenland. Op de locaties aan De Boshof en De Blijenbeek 15 is geen sprake van geschikt leefgebied voor de vorengenoemde soorten. De grauwe klauwier is een broedvogel van ruige, halfopen gebieden met opslag van struweel of jong geboomte. De zwarte specht leeft in bossen met voldoende dikke loofbomen. De grauwe klauwier broedt van half mei-juli, de zwarte specht broedt van maart-mei. Om verstoring op vorengenoemde soorten te voorkomen dienen de werkzaamheden uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen van de soorten (maart-juli).
Van significant negatieve effecten ten aanzien van geluid, licht en trillingen op de doelsoorten van het Natura2000-gebied is geen sprake. Optische verstoring & verstoring door mechanische effecten Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Mechanische effecten worden gedefinieerd als verstoring door betreding, luchtwervelingen, etc. welke optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. Aan De Boshof wordt één woning gerealiseerd, ter hoogte van Bleijenbeek 15 worden 5 woningen gerealiseerd. De Bleijenbeek 15 functioneert in de huidige situatie als agrarisch bedrijf. Gezien de aantallen woningen welke worden gerealiseerd is er geen sprake van een significante toename in aanwezigheid, bewegingen en betreding van mensen welke niet tot het natuurlijke systeem behoren. Van significant negatieve effecten wegens de beoogde ruimtelijke ingreep op het Natura2000-gebied ‘Maasduinen’ is geen sprake. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase.
Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a). De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering):
23
a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde situatie niet tot een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000gebieden (De Roever Omgevingsadvies, 2022). Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie is deels gelegen in de Goudgroene natuurzone en de Bronsgroene natuurzone. De zilvergroene natuurzone ligt op een afstand van circa 245 m ten zuidwesten van het landgoed (figuur 3.7). Op een afstand van circa 8 km ten zuiden van de planlocatie ligt de Zone Natuurbeek (geen kaartweergave). Op een afstand van circa 71 km ten zuiden van de planlocatie ligt het Beschermingsgebied Nationaal Landschap (geen kaartweergave). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Een ruimtelijke plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. In de gebieden die onder de Goudgroene natuurzone vallen worden bomenlanen aangevuld en wordt een wandelpad gerealiseerd. Om te waarborgen dat er geen sprake is van aantasting van de Goudgroene natuurzone dient een inpassingsplan opgesteld te worden (zie H5.3). Bij een ruimtelijke ontwikkeling in de Bronsgroene landschapszone dienen de kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming en versterking hiervan omgegaan wordt beschreven te worden. Eventueel negatieve effecten dienen gecompenseerd te worden. De kernkwaliteiten van de Bronsgroene landschapszone betreffen: (1) groen karakter, (2) visueel- ruimtelijk karakter, (3) cultuurhistorisch erfgoed en (4) reliëf (bron: Omgevingsverordening Limburg, 2014). Binnen de Bronsgroene landschapszone worden op meerdere locaties groen aangeplant. Ten noorden van het plangebied wordt een woning gerealiseerd. Om te waarborgen dat er geen sprake is van aantasting van de Bronsgroene landschapszone dient een inpassingsplan opgesteld te worden (zie H5.3).
24
Figuur 3.7 Het Landgoed Bleijenbeek is deels gelegen in de Goudgroene natuurzone en in de Bronsgroene landschapszone. Op een afstand van circa 245 ten zuidwesten van het landgoed is de Zilvergroene natuurzone gelegen (bron: polviewer.nl).
25
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ruimtelijke ingreep zijn mogelijk kapwerkzaamheden voorzien aan zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers en struiken met een oppervlakte van 1000 m2 of meer t.h.v. Bleijenbeek 12. Indien er in de beoogde ruimtelijke ingreep t.h.v. Bleijenbeek 12 zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers en struiken met een oppervlakte van 1000 m2 of meer wordt gekapt is een melding in het kader van Wnb noodzakelijk. Voor het vellen van een houtopstand geldt een compensatieplicht voor de gekapte bomen welke binnen 3 jaar herplant dienen te worden. Verder zijn er in de beoogde ingreep geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Indien er t.h.v. Bleijenbeek 12 geen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers en struiken met een oppervlakte van 1000 m2 of meer worden gekapt is een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV).