Bijlage 3A Toelichting BP Ottenskamp 4 Siebengewald
Tekst van het document
Voor het plangebied is vooral klimaatadaptatie van belang. Om de klimaatverandering een stap voor te blijven, is nu het moment om de plannen gereed te hebben en te starten met de uitvoering. Daarom is klimaat adaptief denken en handelen de basis van al het werk van het Waterschap en dat verwacht zij ook van haar partners. De speerpunten zijn: • • • •
Samen klimaat adaptief inrichten van stad en land; Aanpakken grootste wateroverlastknelpunten; Risico gestuurd peilbeheer en onderhoud; Elke druppel vasthouden en pas afvoeren als het moet.
Bij nieuwbouw is het afkoppelen van regenwater inmiddels vanzelfsprekend. De voorkeursvolgorde bij afkoppelen is vasthouden - bergen - afvoeren, waarbij infiltreren in de bodem voorgaat op lozen op oppervlaktewater. Ook opvangen en gebruiken voor huis en tuin is een duurzame oplossing. In klei- en lössgronden en in sterk hellend gebied vraagt infiltreren een grotere inspanning. In kleine tuinen is dan vaak te weinig ruimte. Gezamenlijke centrale infiltratievoorzieningen in de wijk kunnen dan een oplossing bieden. Vanzelfsprekend geldt bij afkoppelen en infiltreren dat dit geen overlast elders mag veroorzaken. Ook belangrijk is de kwaliteit van het afgekoppelde regenwater. Alleen met het doorlopen van de trits schoon houden - scheiden - zuiveren is lozen op de bodem of op watergangen acceptabel.
27
Keur 2019 Per 1 april 2019 is er een nieuwe keur in werking getreden. In de keur staan regels over wat er wel en niet mag in en rondom het water in Limburg. Voor de meest voorkomende vergunningplichtige activiteiten zijn er beleidsregels. In deze beleidsregels staat met welke criteria een vergunningsaanvraag wordt beoordeeld. Volgens artikel 1.12 Uitvoeringsregels van het Keur van het Waterschap blijkt dat het waterschap het bevoegd gezag is vanaf 10 hectare. Het totale oppervlak van het plangebied is 11.761 m2. Daarom is niet het Waterschap, maar de gemeente bevoegd gezag.
5.2.2 Huidige situatie Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak Bij onderhavig plangebied zijn geen bestaande verhardingen (figuur 3). Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden Het plangebied is niet gelegen binnen een beschermingszone of reserveringsgebied (figuur 4)
Huidige verwerking hemelwater Infiltratie in de bodem en afwatering op bestaande vijver. Huidige verwerking afvalwater en waterkwaliteit Niet van toepassing. Aanwezig oppervlaktewater Er is een bestaande vijver aanwezig van 2250m2. Grondwaterstanden en maaiveldhoogte Grondwaterstand De gemiddelde grootste grondwaterdiepten voor het besluitgebied variëren tussen 208 en 254 cm diepte. De gemiddelde kleinste grondwaterdiepten variëren tussen 117 en 180 cm diepte. Maaiveldhoogte Het plangebied ligt op 15,50 meter boven NAP.
5.2.3
Beoogde situatie Beschrijving plan In de beoogde situatie zullen er twee recreatiewoningen gerealiseerd worden. Het bouwvlak hiervoor Ontwerp nieuw watersysteem Hemelwater Het Waterschap Limburg en de gemeente Bergen streven ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering, regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. Binnen het plangebied vindt nieuwbouw plaats. Het bebouwd
28
oppervlak neemt toe. Het is echter in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet duidelijk in welke omvang er verharding plaats vindt. Daarom zal in het kader van de bouwvergunningsverlening afgewogen moeten worden hoeveel hemelwater het plangebied extra moet kunnen infiltreren. Afvalwater Het afvalwater afkomstig van het plangebied zal worden geloosd op het bestaande rioleringsstelsel. In de beoogde situatie vinden geen ontwikkelingen plaats waardoor in de toekomst een toenemende hoeveelheid afvalwater van af zal komen. Hierdoor worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het afvoeren van afvalwater. De twee nieuwe recreatiewoningen zullen worden aangesloten op het bestaande rioleringsnetwerk Grondwater Uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen een boringsvrije zone waardoor dit aspect geen belemmering vormt. Waterkwaliteit en beheer Aangezien de hoeveelheid bebouwing binnen het plangebied toeneemt kan onderhavige ontwikkeling een belemmering vormen ten aanzien van de bergingscapaciteit van nabijgelegen rivieren. Echter ligt het plangebied niet binnen een waterbergend regime of een stroomvoerend rivierbed, waardoor dit aspect geen belemmering vormt.
5.3
Ecologie
5.3.1
Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming is het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke.
Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het besluitgebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Nedelandse Natura 2000-gebied betreft ‘Maasduinen’. De Maasduinen liggen op 1,9
29
kilometer afstand van het plangebied. Het dichtstbijzijnde Duitse Natura 2000-gebied betreft ‘Erlenwälder bei Gut Hovesaat’. Dit gebied is op een afstand van circa 7,8 kilometer van het plangebied gelegen. Natura 2000-gebieden in Duitsland Stikstofdepositie vormt net als in Nederland op Europees niveau een bedreiging voor habitattypen en doelsoorten in Natura 2000-gebieden. Tussen Nederland en de buurlanden België en Duitsland zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop de verschillende bevoegde gezagen de gevolgen toetsen van projecten met een relevante stikstofemissie. Met Duitsland is afgesproken dat activiteiten binnen Nederland die stikstofdepositie veroorzaken op Duitse Natura 2000-gebieden het toetsingskader hanteren van dat land. Dit toetsingskader is opgebouwd uit meerdere stappen: 1. Een project of handeling op Nederlandse grondgebied die op geen enkel Natura 2000-gebied in Duitsland een stikstofdepositietoename veroorzaakt van <7,14 mol/ha/jr. kan toestemming krijgen voor het uitvoeren daarvan. Deze procedure staat vergunningverlening door de Nederlandse overheid dan niet in de weg; 2.
Voor een project of handeling op Nederlandse grondgebied die op een Natura 2000-gebied in Duitsland een stikstofdepositietoename veroorzaakt van >7,14 mol/ha/jr., maar <3% van de kritische depositiewaarde van een voor stikstof gevoelig habitattype, leef- of zoekgebied waar de totale achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde zijn vervolgstappen nodig. De Nederlandse overheid verzoekt in deze situatie het relevante Duitse bevoegd gezag om vast te stellen of in cumulatie sprake kan zijn van significante gevolgen. Als Duitsland oordeelt dat hiervan geen sprake is, staat deze procedure vergunningverlening door de Nederlandse overheid niet in de weg; 3. Voor een project of handeling op Nederlandse grondgebied die op een Natura 2000-gebied in Duitsland een stikstofdepositietoename veroorzaakt van >3% van de kritische depositiewaarde van een voor stikstof gevoelig habitattype, leef- of zoekgebied waar de totale achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde zal overleg tussen de Nederlandse en Duitse overheid plaatsvinden. Gezamenlijk zal dan worden beoordeeld of en zo ja, onder welke voorwaarden toestemming mag worden verleend. Bij mogelijk significante gevolgen zal conform artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn een passende beoordeling voor het project moeten worden opgesteld.
Bouwfase Binnen het plangebied worden twee recreatiewoningen gebouwd. Op basis van de Handreiking woningbouw en AERIUS van de rijksoverheid bedraagt de emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transportbewegingen) 3 kg NO x per woning. Voor de te realiseren recreatiewoningen wordt dan ook een NOx emissie van 6 kg per jaar aangehouden. Gebruiksfase Er wordt uitgegaan dat het project gasloos zal worden uitgevoerd. In de gebruiksfase is derhalve alleen sprake van een verkeersgeneratie. De realisatie van de vrijstaande woning zal zorgen voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. Om te bepalen of deze toename een belemmering vormt voor de huidige infrastructuur is de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. ‘Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (december 2018) gehanteerd. Conform de CROW-publicatie wordt voor een vrijstaande woning in de bebouwde kom met een matig stedelijk karakter maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal per woning.
30
Conclusie Bovenstaande gegevens zijn ingevoerd in AERIUS calculator. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat er geen toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden wordt berekend als gevolg van het plan. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor de realisatie en het gebruik van de beoogde ontwikkeling aan de Ottenskamp 4 te Siebengewald. De onderbouwing en berekening zijn te vinden in bijlage II, III, en IV. Natuur Netwerk Nederland De planlocatie is tevens niet binnen een gebied gelegen behorend tot het Natuur Netwerk Nederland. Het meest dichtbijgelegen gebied behorende tot het Natuur Netwerk Nederland is op een afstand van circa 0,9 kilometer. Gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied vormt dit naar verwachting, voor wat betreft de gebruiksfase, geen belemmering ten aanzien van het Natuur Netwerk Nederland.
5.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Op de locatie binnen het plangebied waar de nieuwe recreatiewoningen gebouwd zullen worden zijn weinig groenelementen aanwezig. Tevens is er ook geen gebouw dat gesaneerd moet worden ten aanzien van de nieuwbouw. Er kan daarom ook geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een aantasting van een leef- of foerageergebied van beschermde soorten. Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.4
Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018, 1e herziening’ heeft een het plangebied geen dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’. Het aspect ‘Archeologie’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
31
5.5
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Conform het vigerende bestemmingsplan en de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Limburg heeft het plangebied geen aanduidingen die eventuele historische facetten beschermen. Op de kaart behorende bij het Landschapsplan zijn in de nabijheid van het plangebied echter wel een aantal aanduidingen opgenomen (figuur 10).
Figuur 9: Uitsnede uit het Landschapsplan van de gemeente Bergen.
Conform de kaart behorende bij het Landschapsplan zijn binnen het plangebied twee belangrijke solitaire bomen gelegen in het westen van het plangebied (groene sterren). Verder is de huidige bebouwing (Ottenskamp 4 en 4b) opgenomen als voorbeelderf. De beoogde ontwikkeling zal rekening houden met deze landschapselementen. Er zal namelijk geen verbouwing plaatsvinden aan de bestaande bebouwing conform dit planvoornemen. De solitaire bomen zullen blijven bestaan. Er zijn verder geen monumenten binnen het plangebied aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling
32
5.6
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.6.1
Mobiliteit Binnen het plangebied worden twee recreatiewoningen toegevoegd. Hierdoor wordt de verkeersaantrekkende werking van dit perceel verhoogd met circa 4,1 bewegingen per woning per dag (8,2 totaal per dag). Gerekend is met de getallen uit de CROWpublicatie 381. De kengetallen van ‘bungalowpark per huisje’ zijn hier aangehouden. Aangezien een huisje op een bungalowpark circa 4 personen kan huisvesten, is voor onderhavig plan anderhalf keer de waarde van het kengetal per huisje (2,7 x 1,5 ≈ 4,1) genomen om mee te rekenen. Het betreft slechts een beperkte ontwikkeling en toename. Deze zeer beperkte stijging van het aantal verkeersbewegingen kan goed door de bestaande infrastructuur verwerkt worden zonder dat dit negatieve gevolgen heeft voor de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid ter plaatse.
5.6.2
Parkeren Er vindt een herziening plaats van de aanwezige gronden en hun bestemming. Evenals bij mobiliteit gaan we uit van anderhalve vierpersoonsbungalow bij het bepalen van de parkeernorm voor een zespersoons recreatiewoning. Conform de Nota Parkeernormen van de gemeente Bergen dient parkeren op eigen terrein plaats te vinden. Er moeten per bungalow 2,1 parkeerplaatsen gerealiseerd worden, dus per recreatiewoning 2,1*1,5 = 3,15. Het totale plan moet dus voorzien in 6,3 (6) parkeerplaatsen. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren. Concluderend kan worden gesteld dat het aspect parkeren geen belemmering zal vormen voor de ontwikkeling.
33
Figuur 10: Parkeernormen uit de Parkeernota Bergen (L).
34
HOOFDSTUK
6
Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
6.1
Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Binnen onderhavige ontwikkeling is sprake van een bouwplan. Een exploitatieplan is echter niet noodzakelijk aangezien middels een anterieure overeenkomst het kostenverhaal is verzekerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan ‘Ottenskamp 4 Siebengewald’ wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter visie gelegd, waarbij gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal 6 weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Vooruitlopend op de formele procedure heeft de initiatiefnemer zijn plannen kenbaar gemaakt aan de directe omgeving middels een omgevingsdialoog. Uit de omgevingsdialoog kwamen geen bezwaren van omwonenden naar voren. Een verslag van de omgevingsdialoog is in bijlage V opgenomen.
35