CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3A Toelichting BP Ottenskamp 4 Siebengewald

Gemeenteraad 23 april 2024, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Ottenskamp 4 Siebengewald;10.540 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan ‘Ottenskamp 4 Siebengewald’ NL.IMRO.0893.BP23025OT4BUI-ON01

Gemeente Bergen

1

Colofon Toelichting: Bestemmingsplan ‘Ottenskamp 4 Siebengewald’ Rapportnummer: 2023.2599 Status: Concept Datum: 4 december 2023 Projectlocaties Ottenskamp 4 5853 EH Siebengewald Gemeente Bergen Opdrachtnemer Reland Adviseurs B.V. Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1

Hurksestraat 60

5835 AR Beugen

5652 AL Eindhoven

Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland Adviseurs B.V. info@reland.nl 085 043 1949 © december 2023 Reland

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.

2

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding ................................................................................................................................ 5

1.2

Leeswijzer ................................................................................................................................ 5

HOOFDSTUK 2 Gebieds- en projectprofiel ............................................................................................. 6 2.1

Ligging plangebied ................................................................................................................. 6

2.2

Ruimtelijke structuur ............................................................................................................... 6

2.3

Functionele structuur .............................................................................................................. 7

2.4

Huidige situatie en gebruik besluitgebied ............................................................................... 7

2.5

Bestemmingsplan ................................................................................................................... 8

HOOFDSTUK 3 Beoogde situatie ........................................................................................................... 9 HOOFDSTUK 4 Beleidskader ............................................................................................................... 10 4.1

Rijksbeleid ............................................................................................................................ 10

4.1.1

Nationale omgevingsvisie (NOVI) ..................................................................................... 10

4.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ................................................................... 10

4.1.3

Ladder voor duurzame ontwikkeling ................................................................................. 10

4.2

Provinciaal beleid.................................................................................................................. 11

4.2.1

Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI) .................................................................... 11

4.2.2

Omgevingsverordening Limburg 2014 ............................................................................. 12

4.2.3

Omgevingsverordening Limburg 2021 ............................................................................. 12

4.3

Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 12

4.3.1

Omgevingsvisie Bergen 2030 ........................................................................................... 12

4.3.2

Programma Vrijetijdseconomie Gemeente Bergen (2021)............................................... 13

4.3.3

Gemeentelijk waterbeleid: gemeente Bergen .................................................................. 13

HOOFDSTUK 5 Omgevingsaspecten ................................................................................................... 18 5.1

Milieu .................................................................................................................................... 18

5.1.1

M.e.r. plicht ....................................................................................................................... 18

5.1.2

Bodem .............................................................................................................................. 18

5.1.3

Lucht ................................................................................................................................. 19

5.1.4

Geur .................................................................................................................................. 20

5.1.5

Geluid ............................................................................................................................... 21

5.1.6

Gezondheid ...................................................................................................................... 22

5.1.7

Externe veiligheid ............................................................................................................. 22

5.1.8

Bedrijven en milieuzonering ............................................................................................. 26

5.1.9

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen ....................................................................... 26

3

5.2

Water .................................................................................................................................... 27

5.2.1

Waterschap beleid: Waterschap Limburg ........................................................................ 27

5.2.2

Huidige situatie .................................................................................................................. 28

5.2.3

Beoogde situatie ............................................................................................................... 28

5.3

Ecologie ................................................................................................................................ 29

5.3.1

Gebiedsbescherming ........................................................................................................ 29

5.3.2

Soortenbescherming......................................................................................................... 31

5.4

Archeologie ........................................................................................................................... 31

5.5

Landschap en cultuurhistorie ................................................................................................ 32

5.6

Verkeer en parkeren ............................................................................................................. 33

5.6.1

Mobiliteit ............................................................................................................................ 33

5.6.2

Parkeren ........................................................................................................................... 33

HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid........................................................................................................... 35 6.1

Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................. 35

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................ 35

Bijlagen Bijlage I: Bijlage II: Bijlage III: Bijlage IV: Bijlage V:

Historisch bodemonderzoek Aeriusonderbouwing Aeriusberekening aanlegfase Aeriusberekening gebruiksfase Omgevingsdialoog

4

HOOFDSTUK 1.1

1 Inleiding

Aanleiding Initiatiefnemers zijn eigenaar van de locatie Ottenskamp 4 en 4b te Siebengewald (ook wel het plangebied genoemd). Binnen het plangebied zijn enkele gebouwen aanwezig. Zo is er een boerderij aanwezig waarbinnen het woonhuis van de initiatiefnemers, een groepsaccommodatie voor max. 10 personen en een recreatiewoning voor max. 4 personen zijn gesitueerd. De groepsaccommodatie heet ‘Het Achterhuis’ en de recreatiewoning ‘Ottenskamp 4’. Initiatiefnemers willen graag het recreatieaanbod verbreden. Tijdens hun verkenning waar deze verbreding kon plaatsvinden, kwam de in eigendom zijnde aangrenzende grond, ten zuidwesten van de locatie Ottenskamp 4 en 4b naar voren. Op deze locatie wil de initiatiefnemer twee nieuwe recreatiewoningen realiseren. Een recreatiewoning is ‘een gebouw of gedeelte van een gebouw dat periodiek dient als recreatief nachtverblijf voor recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben.’ Dit voorstel is in het kader van een principeverzoek voorgelegd aan de gemeente Bergen. Op 7 februari 2023 heeft de gemeente Bergen een principebesluit genomen en daarin aangegeven dat ze onder voorwaarden mee wil werken aan het planvoornemen.

Aangezien het plangebied in de huidige situatie aangeduid is met de enkelbestemming ‘Agrarisch’, dient een ruimtelijke procedure ten behoeve van een herziening van het bestemmingsplan te worden doorlopen om de beoogde situatie planologisch-juridisch te borgen. Deze toelichting vormt onderdeel van dit bestemmingsplan.

1.2

Leeswijzer Deze ruimtelijke onderbouwing bestaat uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 het gebieds- en projectprofiel waarin de huidige situatie van het plangebied wordt beschreven. Hoofdstuk 3 betreft een omschrijving van de beoogde ontwikkeling en een visualisering van de toekomstige situatie. Hierdoor wordt een goed beeld verkregen met betrekking tot de beoogde wijziging. Hoofdstuk 4 betreft het beleidskader op Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 5 worden de omgevingsaspecten beschreven en getoetst. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 betreft een beschrijving de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van de ontwikkeling geformuleerd.

5

HOOFDSTUK 2.1

2 Gebieds- en projectprofiel

Ligging plangebied Het plangebied ligt in de gemeente Bergen en staat bekend als gemeente Bergen, sectie R, nummer 1060. Het plangebied heeft een totaaloppervlak van 11.761 m2.

Figuur 1: Afbakening van het plangebied

Figuur 2: Ligging plangebied in de omgeving

2.2

Ruimtelijke structuur Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Bergen, nabij de kern Siebengewald. Het dorp Siebengewald is gelegen in Noord-Limburg met als meest dichtstbijzijnd gelegen Nederlandse plaatsen Bergen, Afferden, Heijen, Gennep en Ottersum (figuur 2) Het plangebied ligt op circa 1,5 kilometer van de Duitse grens. Aan de Duitse zijde van de grens vind je de dorpen Goch, Weeze, Hassum, Hülm en Oberhelsum. Het plangebied ligt op 5,5 kilometer ten noorden van Weeze international airport, maar het ligt niet in de (aan)vliegroute van deze luchthaven, aangezien de landings-/startbaan van het vliegveld van oost naar west loopt. Over de grens met

6

Duitsland loopt ‘de Kendel’. De Kendel ontspringt en komt 25 kilometer verderop weer uit in de Niers. De Kendel is dan ook een zijriviertje van de Niers. Het plangebied is gelegen ten westen van Siebengewald. De nabije omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door haar agrarische karakter, vlakte en openheid. De wegen rondom Ottenskamp (en ook de weg Ottenskamp zelf) kunnen getypeerd worden als lanen omdat er in een repeterend patroon bomen aanwezig zijn aan weerszijde van de wegen. Doordat deze repetitie van bomen een lage frequentie heeft en door de vlakte van de omgeving is de openheid van het gebied goed zichtbaar. Het dorp Siebengewald is een grensdorp. Door de relatief grote afstand tot andere Nederlandse dorpen heeft de relatief kleine kern Siebengewald veel eigen en tevens grote voorzieningen. Het plangebied ligt tevens op 1,9 kilometer ten oosten van het nationaal park de Maasduinen. De Maasduinen is een van de drie nationale parken in Noord- en MiddenLimburg. Het is een bos- en heidegebied, gelegen op een langgerekte zandrug tussen de Maas en de Duitse grens. Het bevindt zich grotendeels binnen het grondgebied van de gemeente Bergen. Het park strekt zich uit over een lengte van ruim 20 kilometer en heeft een breedte van gemiddeld twee à drie kilometer. In totaal is het ruim 4500 hectare groot.

Het bevat de langste rivierduingordel van Nederland, in duizenden jaren ontstaan door een samenspel van water, wind en mens.

2.3

Functionele structuur In de nabije omgeving van het plangebied zijn veel agrarische gronden gelegen. Deze gronden worden voornamelijk gebruikt als gras- en akkerland. De omliggende functies zijn voornamelijk agrarische bedrijven en woningen. De meest dichtbijgelegen agrarische bedrijven zijn rundveehouderijen. Aangrenzend aan het plangebied ligt Ottenskamp 3. Ottenskamp 3 is in de huidige situatie in gebruik als woning en heeft een woonbestemming.

2.4

Huidige situatie en gebruik besluitgebied Het plangebied wordt in de huidige situatie gebruikt ten behoeve als tuin bij de bestaande recreatieaanbod van de bestaande recreatiewoning en groepsaccommodatie ter plaatse van Ottenskamp 4 en 4a. (figuur 3). Er zijn veel groenstructuren aanwezig in de vorm van struwelen en bomen. In het midden van het plangebied ligt een grote vijver van circa 2.250m2. Het terrein is niet vrij toegankelijk. Er is een ontsluiting van het perceel op de Ottenskamp. Er is namelijk een pad aan de westzijde van het perceel waarop het plangebied te betreden is.

7

Figuur 3: Luchtfoto van de huidige situatie

2.5

Bestemmingsplan Het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018, 1e herziening’ welke is vastgesteld op 23 december 2022. Conform het vigerende bestemmingsplan rusten er op het plangebied– zie figuur 4 – de enkelbestemmingen ‘Wonen’ en ‘Agrarisch’. Er zijn geen dubbelbestemmingen van kracht op het plangebied. Daarnaast rust er een gedeelte van het plangebied de functieaanduiding ‘bed & breakfast’. In het bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen om de realisatie van twee (nieuwe) recreatiewoningen mogelijk te maken. Ook zijn hiervoor geen wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk om de realisatie van de twee (nieuwe) recreatiewoningen mogelijk te maken.

Figuur 4: Een uitsnede uit het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, 1e herziening’ (geconsolideerde versie)' vastgesteld op 13 december 2022

8

HOOFDSTUK

3 Beoogde situatie

De initiatiefnemers hebben de wens om het recreatieve aanbod aan Ottenskamp 4 te vergroten. Ter plaatse van het meest westelijk gelegen gedeelte van het plangebied wensen de initiatiefnemers twee recreatiewoningen te realiseren. De recreatiewoningen moeten elk maximaal 6 personen kunnen huisvesten voor een korte periode. De uitstraling en allure van het bouwwerk moet weghebben van een schuurwoning. De recreatiewoningen zullen een eigen ontsluiting krijgen aan de Ottenskamp (westzijde plangebied). Een schetsmatige uitwerking van het beoogde plan is in figuur 5 weergegeven. In de beoogde situatie zal het deel van het plangebied wat in de huidige situatie agrarisch is de bestemming ‘recreatie’ krijgen.

Figuur 5 Schetsontwerp

9

HOOFDSTUK

4 Beleidskader

4.1

Rijksbeleid

4.1.1

Nationale omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het gaat om het strategisch beleid, omdat de NOVI een visie is en de hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomgeving. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) richt zich op vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes: • • • •

Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken; Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

In onderhavig plan wordt de mogelijkheid geboden voor de realisatie van twee recreatiewoningen. Er wordt dan ook geen aanzet tot een grootschalige ontwikkeling gedaan, waarbij het beleid uit de NOVI in het geding komt. Met de inrichting wordt rekening gehouden met de functies in de omgeving en de bestaande structuur. Er kan worden gesteld dat de NOVI geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.

4.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt geen gebruik gemaakt van kaderstellende uitspraken ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen waarbij Nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit initiatief.

4.1.3

Ladder voor duurzame ontwikkeling De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in ten tijde van de SVIR geïntroduceerd en overgenomen in de NOVI. Vanaf 1 juli 2017 moeten ruimtelijke plannen die een nieuwe

10

stedelijke ontwikkeling mogelijk maken worden getoetst aan de nieuwe Ladder Duurzame Verstedelijking. De grondslag voor de nieuwe Ladder-toets is het nieuwe artikel 3.1.6. lid 2 Bro. De toelichting bij een bestemmingsplan (of wijzigingsplan) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan (of wijzigingsplan) die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Nieuwe stedelijke ontwikkeling Het project leidt tot de realisatie van twee recreatiewoningen met een beperkte omvang en toename aan oppervlakte aan bebouwing.

De beoogde mogelijkheden hebben gelet op de aard, invloed en omvang een kleine ruimtelijke impact op de omgeving. Conclusie Het project betreft derhalve een kleinschalige ontwikkeling die – gelet op de aard, invloed en omvang van de ruimtelijke ingreep – niet valt onder de definitie ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ zoals bedoeld in artikel 1.1.1 onder i, jo. Artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Hierdoor is de Ladder voor duurzame verstedelijking in dit project niet aan de orde.

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1

Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI) Op 1 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. Deze visie bouwt deels voort op eerder gemaakte beleidskeuzes uit het Provinciaal Omgevingsplan (POL2014) en op andere onderdelen zijn er nieuwe keuzes gemaakt. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de lange termijn visie voor de periode 2021 tot 2030-2050 uitgewerkt en wordt richting gegeven aan toekomstbestendige ontwikkelingen. Hierbij wordt steeds de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving gezocht. Vraag en aanbod van verblijfsaccommodaties dienen beter in balans gebracht te worden, zowel kwantitatief als kwalitatief. Meer van hetzelfde leidt tot verdringing en leegstand. Een voortdurende kwaliteitsslag is nodig om nieuw en bestaand aanbod aan te passen aan de veranderende vraag van zowel vaste als nieuwe gasten. Oneigenlijk gebruik van verblijfsaccommodaties (zoals permanent of tijdelijk wonen) leidt tot vertroebeling van de recreatieve identiteit en is ongewenst. Het plan draagt bij aan het toevoegen van twee nieuwe recreatiewoningen en zorgt daarvoor voor een groter aanbod aan verblijfsaccommodaties. Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de toevoeging van twee recreatiewoningen een duurzame ontwikkeling is en dus kwalitatief en kwantitatief past binnen de kaders van het POVI.

11

4.2.2

Omgevingsverordening Limburg 2014 Op 12 december 2014 heeft de provincie Limburg de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin zijn regels opgenomen die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 (Provinciale Omgevingsverordening 2014) juridische binding te geven. Uit de kaarten van de Omgevingsverordening blijkt dat het besluitgebied niet is gelegen binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van bodem, natuur en landschap. Aangezien onderhavige ontwikkeling buiten de beschermingsgebieden voor bodem, natuur en milieu valt is het planvoornemen niet in strijd met het beleid conform de Omgevingsverordening Limburg.

4.2.3

Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en de bewoordingen van de Omgevingswet. Provinciale Staten hebben de nieuwe Omgevingsverordening vastgesteld in de vergadering van 17 december 2021. Deze zal in werking treden zodra de omgevingswet ook in werking treedt, naar alle waarschijnlijkheid is dit 1 januari 2024 De Omgevingsverordening Limburg 2021 kent voor een aantal onderwerpen andere regels, of regels onder een andere benaming dan de Omgevingsverordening Limburg 2014. Het meest in het oog springt de natuur- en landschapsbescherming. De zones 'Goudgroene natuur', 'Zilvergroene natuur' en de 'Bronsgroene Landschapszone' worden gewijzigd. De Goudgroene natuurzone wordt onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (Natuurnetwerk Limburg) en de Zilvergroene en Bronsgroene zones worden samengevoegd tot de 'Groen-Blauwe Mantel'. Aangezien onderhavige ontwikkeling buiten de beschermingsgebieden voor bodem, natuur en milieu valt is het planvoornemen niet in strijd met het beleid conform de Omgevingsverordening Limburg.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Omgevingsvisie Bergen 2030 Op 23 april 2019 heeft de gemeenteraad de ' Omgevingsvisie Bergen 2030' vastgesteld. Deze visie bepaalt in welke richting de gemeente zich wil ontwikkelen. De Omgevingsvisie heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Bergen, met uitzondering van het gebied Wells Meer. Concrete aanvragen van overheden, organisaties, ondernemers en burgers toetst de gemeente aan de tien navolgende uitgangspunten uit deze visie: 1. Waterbeheer op maat; 2. Voorzieningen bereikbaar houden; 3. Verder bouwen aan een gezonde leefomgeving; 4. Energie onafhankelijk in 2030; 5. Woningvoorraad op maat; 6. Versterken natuurwaarden en biodiversiteit; 7. De meest toekomstbestendige gemeente; 8. Leefklimaat in de dorpen verbeteren; 9. Landschap en Landbouw in balans; 10. Kwaliteitsslag en zonering recreatievoorzieningen.

12

De grote landschappelijke kwaliteiten en de vele natuur trekken van oudsher veel recreanten naar Bergen. Verblijfsrecreatie is vooral te vinden op de westrand van het middenterras, rond Afferden, Well, Wellerlooi en met name het Leukermeer. Daarnaast weten recreanten de verschillende bezoekerscentra van Nationaal Park De Maasduinen goed te vinden. De recreatieve aantrekkingskracht is een van de bijzondere kenmerken van de gemeente waarmee zij zich verder kan profileren. Ook voorschrijft de omgevingsvisie van Bergen het volgende met betrekking tot recreatie: Het toevoegen van kleinschalige recreatieve voorzieningen, met meerwaarde voor het landschap en de economie. Dat betekent recreatie gericht op een actief verblijf van een paar dagen, bijvoorbeeld met bezoek aan lokale ondernemers. De ontwikkeling van streekproducten is kansrijk, naar voorbeeld van Texel en het Groene Hart. Het toevoegen van twee extra recreatiewoningen en het bestemmen van recreatie draagt bij aan een groter aanbod aan overnachtingsmogelijkheden voor recreanten die de in de omgeving willen blijven overnachten en recreëren en draagt zodoende bij aan de kwaliteitsslag en zonering van recreatievoorzieningen. Het speerpunt ‘waterbeheer op maat’ is toepasbaar op nagenoeg alle ruimtelijke plannen.

In het geval van onderhavig plan is er sprake van het toevoegen van verharding, dus is het van belang om te kijken hoe neerslag toch ter plekke opgevangen kan worden en niet afgevoerd wordt. Hier biedt de reeds in het plangebied aanwezige vijver een uitkomst. Dit aspect heeft ook een samenhang met het speerpunt ‘versterken natuurwaarden en biodiversiteit’. Het tegengaan van verdroging is immers in het hele gebied rondom de maasduinen belangrijk. Hiermee sluit de beoogde ontwikkeling aan bij de recreatieve uitgangspunten uit de Omgevingsvisie Bergen 2030.

4.3.2

Programma Vrijetijdseconomie Gemeente Bergen (2021) In het geldende beleid voor vrijetijdseconomie wordt gesteld dat het aanbod aan verblijfsrecreatie binnen de gemeente voldoende aanwezig is, van kwaliteit is en toekomstbestendig en divers is. Daarom is enkel een kwalitatieve ontwikkeling wenselijk. De plannen bij voorliggend verzoek worden als een kwalitatieve ontwikkeling bestempeld (conform principebesluit). Daarnaast zijn initiatiefnemers erkende recreatieondernemers die al jaren een goedlopende accommodatie aanbieden. Daar is vanuit de bezoeker waardering voor, blijkt bijvoorbeeld uit online beoordelingen.

4.3.3

Gemeentelijk waterbeleid: gemeente Bergen Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020-2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke verordening ‘Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022’. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen.

13

Daarnaast heeft de gemeente Bergen het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L). De wettelijke basis van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) is vastgelegd in drie wetten. De taken en verplichtingen die de gemeente op het gebied van riolering heeft, zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm artikel 10.33). Een van de verplichtingen uit de Wet milieubeheer betreft het opstellen van een gemeentelijk rioleringsplan (GRP). In het GRP moet inzichtelijk zijn gemaakt welke voorzieningen op het gebied van riolering in beheer zijn, welke effecten deze voorzieningen op het milieu hebben en welke kosten met het beheer en onderhoud hiervan gemoeid zijn, rekening houdend met toekomstige vervanging en/of verbetering. In de Wet milieubeheer is ook de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van afvalwater vastgelegd. De Waterwet is sinds 2009 in werking getreden en beschrijft het brede pakket aan zorgtaken van de gemeente. Vanuit de Waterwet heeft de gemeente een zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 In artikel 3.8 van de verordening wordt bepaald dat in nieuwbouw geen aansluiting op het openbaar riool gerealiseerd mag worden, tenzij er een hemelwatervoorziening is. Deze hemelwatervoorziening moet 60 liter per m2 kunnen bergen.

Uitgangspunt is dat als er een bui valt van 60 mm (is 60 liter per m2) dit geen afstroming veroorzaakt naar belendende percelen (inclusief de openbare ruimte). Al het hemelwater wordt vastgehouden op het eigen perceel.

Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) Ambitie en doelen In het nieuwe GRP wordt het beleid van de afgelopen jaren gecontinueerd. De doelstellingen voor de komende planperiode zijn: 1. Zorgen voor inzameling van het binnen gemeentelijk gebied geproduceerd afvalwater. 2. Zorgen voor doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (voor zover niet verzorgd door particulieren). 3. Beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming in het openbaar gemeentelijk gebied. 4. Zorgen voor het transport van het ingezamelde water naar een geschikt lozingspunt; hierbij: • Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem, grondwater voorkomen • Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken (in de breedste zin van het woord). 5. Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering. 6. Zorgen voor het klimaat adaptief maken van de riolering in samenhang met de inrichting van de openbare ruimte. Afvoercapaciteit Om gezondheidsrisico’s van rioolwater te beperken en wateroverlast te voorkomen, dient de gemengde riolering over voldoende afvoercapaciteit te beschikken om een regenbui te kunnen verwerken. Het rioolstelsel moet dan ook hydraulisch op orde te zijn, wat betekent dat de riolering als systeem (theoretisch) voldoet aan de hydraulische norm (bui 09 Leidraad Riolering, een bui die eens per 5 jaar voorkomt)

14

De gemeente Bergen blijft inzetten op het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering, daarnaast blijft zij ook particulieren stimuleren om af te koppelen. Met afkoppelen wordt het hemelwater van de gemengde riolering afgehaald en het systeem gescheiden in een schoon- en vuilwatersysteem. Het totaal aangesloten hemelwater op de gemengde riolering wordt hiermee verkleind en daarmee de kans op het intreden van vuilwater in gebouwen en het overstorten van vuilwater op het oppervlaktewater. Door afkoppelen neemt dan ook de kans op gezondheidsrisico’s voor mens en natuur af. Daarnaast biedt (grootschalig) afkoppelen een economisch voordeel voor de waterschappen door een kleiner aanbod van afvalwater (minder investering) en aanvoer van een constanter debiet en kwaliteit van afvalwater (zuiveringsrendement gaat omhoog). Tevens wordt de betrokkenheid van inwoners en het gevoel van verantwoordelijkheid ten aanzien van klimaatadaptatie hiermee vergroot. Bijkomend economisch voordeel voor de gemeente zijn minder transport kosten (lager energieverbruik gemalen). Het intensief afkoppelen zorgt voor meer berging in het stelsel en dit creëert meer ruimte voor de zwaardere buien in de toekomst. •

Het afvoeren van rioolvreemd water (Rioolvreemd water is water van een andere herkomst dan dat in dit type riool voor hoort te komen, zoals drainagewater en grondwater in een vuilwaterriool of vuilwater in een hemelwaterriool. Ook intredend oppervlaktewater via overstorten valt onder rioolvreemd water) dient zoveel mogelijk voorkomen te worden daar dit ten koste gaat van de werking van de riolering en zuivering. Alleen indien op grond van klachten foutieve aansluitingen worden vermoed, wordt dit onderzocht. Het preventief opsporen van foutieve aansluitingen zonder dat daar aanwijzingen voor zijn, beschouwt de gemeente niet als doelmatig.

Hemelwater (artikel 3.5 Waterwet) De verantwoordelijkheid voor de afvoer van hemelwater ligt in beginsel bij de burger. De burger draagt in eerste instantie zelf zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem, bergen in bijvoorbeeld een vijver of afvoeren naar oppervlaktewater. Waar dit redelijkerwijs niet mogelijk is, moet de gemeente de zorgplicht op een doelmatige manier overnemen. Nieuwbouw (zowel uitbreiding als inbreiding) Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld. Hemelwater dient voor zover mogelijk op het eigen terrein verwerkt te worden. De gemeente hanteert de volgende beleidsregels voor zowel particulieren/ bedrijven als voor het openbaar gebied. Deze ontwerpnormen zijn conform afspraken uit het samenwerkingsverband Noord en Midden-Limburg: - Bij nieuwbouw dient het regen- en afvalwater altijd gescheiden aangeboden te worden, conform bouwbesluit 2012; - Bij ruimtelijke ontwikkelingen van meer dan 2.000 m2 verhard oppervlak, dient altijd overleg te worden gepleegd met gemeente, waterbeheerders en initiatiefnemer via de watertoets; - In nieuwbouwwijken is afkoppelen verplicht.

Bij bouwplannen met een verhard oppervlak van meer dan 2.000 m2 worden door de gemeente een programma van eisen, randvoorwaarden en ontwerpgrondslagen voor de waterhuishouding vastgesteld; - Bij inbreidingslocaties dient in eerste instantie het hemelwater op eigen terrein geïnfiltreerd te worden. De voorziening dient over voldoende berging te

15

-

-

beschikken, waarbij een overloop op maaiveld richting straat of naar oppervlaktewater is toegestaan, mits geen verslechtering ten opzichte van de huidige situatie ontstaat; Bij alle nieuwbouw of uitbreidingsplannen moet een risicoanalyse opgesteld worden waarbij wordt aangegeven wat de risico’s zijn bij een extreme bui gelijk aan 84 mm; Bij alle bouwplannen dienen de bouwpeilen op 0,3 m boven wegniveau te zijn zodat water niet vanuit de straat de woning kan bereiken. In gebieden waar een druk- of persriool aanwezig is (vooral buiten de bebouwde kom) bedoeld voor de inzameling van alleen afvalwater, is het niet toegestaan om hemelwater op de riolering aan te sluiten. De pompcapaciteit en de afmetingen van de druk- en persleidingen zijn niet berekend op de afvoer van hemelwater. Perceeleigenaren moeten het hemelwater op eigen terrein verwerken.

Klimaat De gemeente Bergen richt zich op: - Het bovenstrooms treffen van maatregelen om benedenstrooms overlast en/of hinder te voorkomen van afstromend water. Afstromend water kan hierbij zowel hemelwater als vuilwater zijn. - Het afkoppelen en vasthouden van hemelwater op locaties waar het niet tot overlast of schade leidt. - Groenvoorzieningen inzetten als bergingsvoorziening voor afstromend hemelwater, door de groenvoorziening lager te plaatsen dan de weg en banden eventueel de verlagen. - Een aandachtspunt hierbij is de relatie met strooiroutes en de hogere beheer en onderhoudsfrequentie. - Toepassen van waterpasseerbare verharding bij parkeervoorzieningen. - Het zo veel mogelijk vervangen van niet-functionele verharding door groen (waar doelmatig) - Waar doelmatig speeltuinen inzetten voor waterberging, aandachtspunt hierbij is de kwaliteit van het water (geen afvalwater af laten stromen naar speeltuinen) en het water mag slechts gedurende een korte periode aanwezig zijn. De opgave van het waterschap is om te voldoen aan een beschermingsnorm van 1x per 100 jaar voor bebouwde kernen voor wat betreft inundaties uit het regionale oppervlaktewatersysteem (Nationaal Bestuursakkoord Water). Afhankelijk van een maatschappelijke kosten-baten afweging kan een lagere bescherming worden geboden. De provincie stelt het beschermingsniveau vast.

Bestemmingsplanfase Als een bestemmingsplan wordt gewijzigd, dient er een Watertoets uitgevoerd te worden. Bij elk nieuw bestemmingsplan wordt de grondwatersituatie meegenomen in de waterparagraaf. De benodigde maatregelen om grondwaterproblemen te voorkomen worden daarbij vastgelegd in regels voor diverse bestemmingen. De gemeente staat geen bebouwing toe op locaties waar dit vanuit het watersysteem tot schade leidt of beperkingen geeft aan het natuurlijke watersysteem. Het gaat daarbij niet alleen om regels ten aanzien van zetting en drooglegging, maar ook ten aanzien van drainagesystemen en ontwateringsdiepte. Het streven van de

16

gemeente is om bij nieuwbouw ‘grondwaterneutraal’ te bouwen. Dit houdt in dat het grondwaterpeil niet beïnvloed mag worden. Beheer rioleringsgegevens bij nieuw aanleg De revisiegegevens van nieuw aangelegde riolering zullen uiterlijk twee weken na de oplevering van een nieuwbouwproject worden verwerkt. Hiermee voldoet de gemeente aan de regels van WION. De beheergegevens zijn actueel.

17

HOOFDSTUK 5.1

5 Omgevingsaspecten

Milieu In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan.

5.1.1

M.e.r. plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Het planvoornemen is het toevoegen van twee recreatiewoningen. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’. Het voorliggende initiatief betreft slechts de nieuwbouw van twee recreatiewoningen. Een dergelijk kleinschalig initiatief betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Als gevolg hiervan hoeft voor de ontwikkeling van de recreatiewoning geen milieueffectrapport te worden opgesteld en hoeft ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.

5.1.2

Bodem In het kader van de bestemmingsplanprocedure vormt de bodemkwaliteit bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. In dit geval heeft het plangebied een agrarische bestemming wat wordt herbestemd naar een recreatiebestemming. Geconcludeerd kan dan ook worden dat het gebruik van de grond die van bestemming verandert, een gevoeliger bodemgebruik betreft, dan op dit moment aanwezig is op de locatie. Een bodemonderzoek is dan ook noodzakelijk in het kader van het planvoornemen. Ten behoeve van het planvoornemen is dan ook een bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage I) . Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het onderzoekslocatie als “onverdacht” worden beschouwd.

vooronderzoek

kan

de

Er bestaat geen aanleiding te vermoeden dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een bodemverontreiniging. De verwachte bodemkwaliteit op basis van de bodemkwaliteitskaart (landbouw/natuur) vormt geen belemmering voor het beoogde gebruik van de locatie voor vakantiewoningen. Indien er werkzaamheden plaatsvinden waarbij grond vrijkomt, is de grond op basis van de Bodemkwaliteitskaart binnen een vergelijkbare zone (of een zone met slechtere kwaliteit) herbruikbaar. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en Tijdelijk Handelingskader PFAS van toepassing. Voor wat betreft het gebied rond de vijver geldt dat het huidige en vorige gebruik, zijnde heide- en bosgebied, en daarna akker/weiland, geen aanleiding geeft om te vermoeden dat er sprake zal zijn van een bodemverontreiniging. De verwachte bodemkwaliteit op

18

basis van de bodemkwaliteitskaart (landbouw/natuur) vormt geen belemmering voor het gebruik van de planlocatie voor recreatie.

5.1.3

Lucht De hoofdlijnen rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b. c. d.

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

In dit geval draagt het plan in niet betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Er worden twee recreatiewoningen gerealiseerd. De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder sub c van voornoemde voorwaarden en de daarbij behorende ‘Regeling NIBM’. Op basis hiervan vormen luchtkwaliteitseisen dus geen belemmering om het onderhavige bestemmingsplan door de gemeenteraad te laten vaststellen. Een project is NIBM als deze binnen de grenzen van een van de categorieën zoals opgenomen in de regeling NIBM valt. Een project dat voorziet in de bouw van minder dan 1.500 woningen met minimaal 1 ontsluitingsweg wordt aangemerkt als NIBM. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van slechts twee recreatiewoningen. Het project is dan ook aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat is de achtergrondwaarde voor fijnstof en stikstofdepositie bepaald met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). In tabel 1 zijn de achtergrondwaarden en de normen weergegeven. Tabel 1. Achtergrondwaarden en normen ter plaatse van het besluitgebied.

Meting Norm

Totale concentratie (µg/m³) NO2

Totale concentratie (µg/m³) PM10

10.39 40

13.51 40

Door de realisatie van de recreatiewoningen zal het aantal verkeersbewegingen in de nieuwe situatie toenemen. Daardoor zal tevens de hoeveelheid fijnstof in de lucht toenemen. Met behulp van de NIBM-tool van het RIVM is berekend of er nader onderzoek moet worden gedaan naar de invloed van het extra verkeer op de luchtkwaliteit.

19

Uit paragraaf 5.6.1 blijkt dat de realisatie van de recreatiewoningen zorgt voor een toename van maximaal 10.8 verkeersbewegingen per etmaal. Door middel van de NIBM-tool kan worden berekend of naar aanleiding van deze toename een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit noodzakelijk is.

Figuur 6. NIBM rekentool luchtkwaliteit

Uit de NIBM-tool (figuur 7) blijkt dat de toename van het extra verkeer niet in betekenende mate is, waardoor nader onderzoek naar de luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat op het gebied van de luchtkwaliteit aanvaardbaar kan worden geacht. Daarnaast heeft de ontwikkeling zelf geen dusdanig negatief effect op de luchtkwaliteit, waardoor nader onderzoek niet noodzakelijk is.

5.1.4

Geur Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat voor gevoelige objecten. Gezien de verblijfsduur in recreatiewoningen, kan gesteld worden dat dit geen gevoelige objecten zijn. Desondanks is bekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel.

20

Rondom het plangebied zijn op ruime afstand veehouderijen gelegen (figuur 8). De dichtstbij gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van 300 meter.

300m 50m 450m 400m 415m

Figuur 7: Ligging van nabijgelegen veehouderijen

Uit mailcorrespondentie met de gemeente Bergen (28 april 2023) blijkt dat de achtergrondgeurbelasting 7,03 [OUE/m3] bedraagt. Dit komt volgens de aangevulde bijlage 6 van de Handreiking Geurhinder en Veehouderij overeen met 9,5% geurgehinderden. Dat komt volgens de tabel uit bijlage 7 van de Handreiking weer overeen met een goede milieukwaliteit m.b.t. geurhinder. De voorgrondgeurbelasting wordt veroorzaakt door de inrichting ten behoeve van een varkenshouderij aan de Koekoek 4, 4a en 6 (op ruim 450m afstand) en bedraagt 6, [OUE/m3]. Dit komt volgens de aangevulde bijlage 6 van de Handreiking Geurhinder en Veehouderij overeen met 9,5% geurgehinderden. Dat komt volgens de tabel uit bijlage 7 van de Handreiking weer overeen met een redelijke goede milieukwaliteit m.b.t. geurhinder.

De meest dichtbijgelegen veehouderijen worden niet onevenredig geschaad in de dagelijkse bedrijfsvoering en/of de verdere ontwikkeling omdat zij op voldoende afstand zijn gelegen. Gezien de verblijfsduur in recreatiewoningen, kan gesteld worden dat dit geen gevoelige of een minder gevoelige bestemming is. Het onderhavige planvoornemen wordt niet belemmerd, of belemmerd omliggende bedrijven, met betrekking tot geurhinder niet onevenredig.

5.1.5

Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt,

21

dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Recreatiewoningen zijn geen geluidgevoelig object. Dit houdt in dat er niet hoeft worden aangetoond dat (spoor)wegverkeerslawaai en industrielawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengen voor de toekomstige bewoners van het pand en er sprake is en blijft van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

5.1.6

Gezondheid Nederland is een land waar mensen en vee dicht op elkaar leven. Het RIVM doet op verschillende manieren onderzoek naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid, voor bijvoorbeeld omwonenden van veehouderijen, gezinnen van veehouderijen en mensen die op veehouderijen werken. Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet bij mensen die woonachtig zijn in de directe omgeving van geitenhouderijen. Met onderhavig plan worden twee recreatiewoningen toegevoegd. Gesteld kan worden dat sprake is van een gevoelige functie in het kader van geitenhouderijen en volksgezondheid, waardoor deze onderzoeken relevant zijn voor deze ontwikkeling. Het is daarom van belang om te weten of binnen een straal van 2 kilometer geitenhouderijen aanwezig zijn, en waar deze zijn gelegen ten opzicht van het besluitgebied. Op een afstand van ca. 1,33 kilometer van het plangebied ligt een geitenhouderij op Vrij 5 in Siebengewald en op een afstand van 1,60 kilometer ligt de geitenhouderij aan de Beekheuvel 2a. Zoals in het principeverzoek is aangegeven, moet ervoor nieuwe ontwikkelingen een advies bij de GGD opgevraagd worden.

Dit in verband met een geldend algemeen advies van de GGD om terughoudend te zijn met nieuwe ontwikkelingen binnen een straal van 2 km bij een geitenhouderij. De milieudeskundige van de gemeente Bergen is tot de volgende conclusie gekomen dat dit advies geen betrekking heeft op recreatiewoningen. Het algemene GGD-advies geldt voor gevoelige bestemmingen als woningen, scholen en ziekenhuizen. Gezien de verblijfsduur in recreatiewoningen, kan gesteld worden dat dit geen gevoelige of een minder gevoelige bestemming is. Daarmee valt het niet onder het algemene advies en hoeft dus ook geen locatie gebonden advies aangevraagd te worden. Het aspect gezondheid vormt geen belemmering ten aanzien van de ontwikkeling van het onderhavige planvoornemen.

5.1.7

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);

22

• •

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’ zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.

Buisleidingen (Bevb)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1.

Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 1

23

Spoor-, (Bevt)

Rijks-

en

waterwegen

Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen2.

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit to vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Niet-gebiedstype afhankelijke voorwaarden: PR Overschrijding grenswaarde is niet acceptabel GR Objecten voor verminderd zelfredzame personen zijn niet toegestaan binnen de 100% letaliteitcontouren van Bevi-inrichtingen en buisleidingen. Bij transportassen geldt dit voor het (plasbrandaandachts)gebied tot 30 meter vanaf de rand van de weg. Gebiedstype afhankelijke voorwaarden: Overschrijding Acceptabel voor bestaande situaties mits goed gemotiveerd richtwaarde PR Overschrijding OW Niet acceptabel Toename GR In beginsel niet acceptabel, tenzij VGR en onder strikte voorwaarden Niet toegestaan Nieuwe Bevi inrichtingen, uitgezonderd propaantanks onder strikte voorwaarden

Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing

3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 2 Bij spoor-, rijks- en waterwegen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

24

Door het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 9 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.

Figuur 8: Risicokaart. Plangebied met blauwe cirkel aangeduid.

Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart (zie figuur 9) blijkt dat in de omgeving van het plangebied een aantal risicovolle inrichtingen zijn gelegen. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is op ruim 480 meter ten noordwesten van het plangebied gesitueerd. Het betreft hier een propaan tank. In de omgeving zijn meerdere propaantanken aanwezig, maar liggen allemaal verder dan die op 480 meter van het plangebied. De plaatsgebonden risicocontouren van deze tanks rijken niet tot het plangebied. Risicovolle inrichtingen leiden hierdoor niet tot een belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Risicovol transport over wegen Zoals te zien is op de risicokaart vindt in de omgeving van de planlocaties geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over wegen. Dit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkelingen. Risicovol transport over spoorwegen De dichtstbijzijnde Nederlandse spoorlijn waar gevaarlijke stoffen over vervoerd worden, (traject Nijmegen-Venlo) is gelegen op een afstand van circa 10,45 kilometer. In Duitsland ligt het dichtstbijzijnde spoor op 6,45 kilometer afstand. Het plangebied ligt hiermee niet binnen het invloedsgebied van een spoorweg. Daarnaast zal de personendichtheid binnen het plangebied slechts beperkt toenemen door de toevoeging van slechts twee recreatiewoningen.

Met betrekking tot risicovol transport over spoorwegen zijn er dus geen belemmeringen of knelpunten te verwachten. Risicovol transport over water De dichtstbijzijnde waterweg (de Maas) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is gelegen op een afstand van circa 2,3 kilometer. Het plangebied ligt niet binnen het

25

invloedsgebied van de Maas. Daarnaast zal de personendichtheid binnen het plangebied slechts beperkt toenemen. Met betrekking tot risicovol transport over waterwegen zijn er dus geen belemmeringen of knelpunten te verwachten. Buisleidingen In de buurt van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Met betrekking tot veiligheidsrisico’s ten opzichte van buisleidingen zijn er dus geen belemmeringen of knelpunten te verwachten. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.1.8

Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de beoogde recreatiewoningen en de grens van het bouwvlak van omliggende bedrijven. Adres

Functie

VNG-cat.

Richtafstand

Pannenweg 4 Pannenweg 11 Pannenweg 5 Ottenskamp 1

Theehuisje Rundveehouderij Rundveehouderij Rundveehouderij

1 3.2 3.2 3.2

10 100 100 100

Werkelijke afstand 166 285 258 373

Er wordt voldaan aan de richtafstanden op basis van het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’. Daarnaast zijn de recreatiewoningen, gezien de beperkte verblijfsduur geen gevoelige objecten. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

5.1.9

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het plangebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden. Op en rond de locatie bevinden zich geen kabels of leidingen die de realisatie van het plan belemmeren. Voorafgaand aan de uitvoering van graafwerkzaamheden zal een KLIC-melding worden gedaan.

26

5.2

Water Deze paragraaf vormt de toelichting hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting in de bestemming.

5.2.1

Waterschap beleid: Waterschap Limburg In het waterbeheerplan (WBP) en Keur van het Waterschap Limburg staan de regels van het Waterschap Limburg. Waterbeheerprogramma (WBP) Met het waterbeheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022 - 2027: •

•

•

•

Programma Waterveiligheid: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas. Het afgekoppelde regenwater zorgt voor minder vervuilende riooloverstorten. Het verbetert de doorstroming en daarmee de kwaliteit van stadswateren. Doordat een groot deel van het water lokaal infiltreert in groenstroken en tuinen, wordt voorkomen dat oppervlakkig afstromend regenwater onderweg vervuild raakt en zo het ontvangende oppervlaktewater belast. Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden. Zo zorgt bijvoorbeeld verdamping in de stad voor minder hittestress. Daarmee zijn de sponswerking van de gebouwde omgeving en de kwaliteit van het oppervlaktewater vergroot. Ook op dit gebied moet samengewerkt worden om werk met werk te kunnen maken (efficiency), om instrumenten van derden te benutten teneinde onze eigen opgave te realiseren (zoals omgevingsplannen) en voor de inpassing in de omgeving. Waterkwaliteit en ecologie: het water binnen de gemeente moet schoon zijn en wateren zijn natuurlijk ingericht. We maken een stevig begin met de (bron)aanpak van de problemen met medicijnresten en opkomende stoffen (zoals PFAS en microplastics) in het oppervlaktewater. Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13949798/1