Bijlage 20 herstelbesluit ELWM Motivering milieunormen
Tekst van het document
Milieunormen Energielandgoed Wells Meer Gemeente Bergen 719007 | v3 6 maart 2025
Pondera
Colofon
Hoofdvestiging Nederland
Soort document
Amsterdamseweg 13 6814 CM Arnhem 088 – pondera (088-7663372) info@ponderaconsult.com
Milieunormen
Projectnaam Energielandgoed Wells Meer
Postbus 919 6800 AX Arnhem
Versienummer
Vestiging South East Asia
Datum
Jl. Mampang Prapatan XV no 18 Mampang Jakarta Selatan 12790 Indonesia
Vestiging North East Asia Suite 1718, Officia Building 92 Saemunan-ro, Jongno-gu Seoul Province Republic of Korea
v3
6 maart 2025
Project nummer 719007
Opdrachtgever Gemeente Bergen
Auteur Stefan Flanderijn
Vestiging Vietnam 7th Floor, Serepok Building 56 Nguyen Dinh Chieu Street, Da Kao Ward, District 1 Ho Chi Minh City Vietnam
Nagekeken door Paul Janssen
Disclaimer In het onderzoek is gebruik gemaakt van algemeen geaccepteerde uitgangspunten, modellen en informatie die ten tijde van het opstellen van dit rapport ter beschikking stonden. Aanpassingen in de uitgangspunten, modellen of gebruikte gegevens kunnen leiden tot andere uitkomsten. De aard en de nauwkeurigheid van de gebruikte gegevens voor het onderzoek bepalen in belangrijke mate de nauwkeurigheid en de onzekerheden van de berekende uitkomsten en aanbevelingen. Pondera is niet aansprakelijk voor schade die wordt geleden door opdrachtgever(s) en/of derden uit conclusies die gebaseerd zijn op gegevens die niet van Pondera afkomstig zijn. Deze rapportage is opgesteld met de intentie dat deze alleen gebruikt wordt door de opdrachtgever en slechts voor het doel waarvoor de rapportage is opgesteld. Er mag geen beroep worden gedaan op de informatie uit deze rapportage voor andere doeleinden zonder schriftelijke toestemming van Pondera. Pondera is niet verantwoordelijk voor de consequenties die kunnen voortvloeien uit het oneigenlijk gebruik van de rapportage. De verantwoordelijkheid voor het gebruik van (de analyse, resultaten en bevindingen in) de rapportage blijft bij de opdrachtgever.
De Rechtsverhouding opdrachtgevers – architect, ingenieur en adviseur conform DNR 2011 is te allen tijde van toepassing.Pondera werkt met een kwaliteitsmanagementsysteem dat door EIK gecertificeerd is volgens de ISO 9001:2015 norm.
Inhoudsopgave 1
Inleiding 1.1 1.2
2
Opzet en locatie 2.1 2.2
3
4
7
Inleiding_________________________________________________________________ 7 Achtergrond Europese systematiek geluidsdosismaat L den en Lnight ___________________ 7 Effecten van geluidbelasting _________________________________________________ 8 Karakterisering van windturbinegeluid ________________________________________ 14 Alternatieven voor toetsingskader windturbinegeluid vanuit wetenschappelijk perspectief _ 18 Beoordeling van windturbinegeluid ___________________________________________ 19 Lokale situatie Energielandgoed Wells Meer ___________________________________ 20
Conclusie en advies 4.1 4.2
4
Beschrijving locatie en omgeving _____________________________________________ 4 Aanwezige woningen en ander verblijfsobjecten _________________________________ 4
Geluid van windturbines 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7
1
Achtergrond: uitspraak Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State 30 juni 2021 ______ 1 Aanpak om te komen tot een normstelling ______________________________________ 2
29
Conclusie ______________________________________________________________ 29 Advies _________________________________________________________________ 30
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6-3-2025 Pagina 1 van 1
1 Inleiding 1.1 Achtergrond: uitspraak Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State 30 juni 2021 Op 30 juni 2021 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de ABRvS) een uitspraak gedaan in de zaak Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding (DZU) over -samengevat - de vraag of voor het vastleggen van milieunormen voor windturbines in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer een plan-MER-plicht bestaat op grond van de Europese SMB-richtlijn1. De Afdeling is in die uitspraak tot het oordeel gekomen dat op grond van het Europese recht inderdaad een dergelijke beoordeling moet worden gemaakt van de gevolgen voor het milieu. Die beoordeling is inmiddels door het Rijk opgesteld en er zijn inmiddels nieuwe ontwerpnormen gepubliceerd2. Deze zijn echter nog niet definitief vastgesteld en nog niet in werking getreden. Totdat deze nieuwe normen in werking treden zijn de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling buiten toepassing. De ABRvS geeft echter ook aan dat in de tussentijd het bevoegd gezag voor een concreet project eigen normen kan stellen ter vervanging van de normstelling uit het Activiteitenbesluit en de -regeling3. Voor Energielandgoed Wellsmeer (ELWM) is op 9 februari 2021 door de gemeenteraad een bestemmingsplan vastgesteld. Ook zijn op 23 februari 2021 omgevingsvergunningen verleend.
Op 25 april 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Energielandgoed Wells Meer" gewijzigd en opnieuw vastgesteld. Ook is op 10 mei 2022 de omgevingsvergunning gewijzigd en opnieuw vastgesteld. Op 24 december 2024 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de ABRvS) een uitspraak gedaan in de zaak Energielandgoed Wellsmeer4. Op basis van deze uitspraak dient het college in de planregels en de vergunningvoorschriften alsnog een eigen norm voor het aspect geluid op te nemen die is voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering. Onderhavige rapportage kan als motivering worden gebruikt bij het vaststellen van een geluidnorm voor windturbinegeluid voor de windturbines van Energielandgoed Wells Meer.
1
ECLI:NL:RVS:2021:1395 Ontwerpwindturbinebepalingen leefomgeving, 12 oktober 2023 3 Overweging 65 uit de uitspraak ECLI:NL:RVS:2021:1395 4 ECLI:NL:RVS:2024:5417 2
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 1 van 33
Kader 1.1 Bescherming tegen hinder versus ruimtelijke ontwikkelingen: ALARA
Het primaire doel van de Wet milieubeheer (Wm), de bijbehorende uitvoeringsbesluiten en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het beschermen van de leefomgeving tegen onaanvaardbare milieueffecten. Daarbij is het begrip milieu ruim gedefinieerd, maar wordt primair de focus gelegd op gevolgen voor mensen en hun directe leefomgeving. In een dichtbevolkt land waarin veel gebruiksfuncties op een beperkte oppervlakte samenkomen zijn enige gevolgen voor het milieu vaak niet volledig te vermijden. Daarom is het ALARA- (as-low-as-reasonably-achievable) beginsel opgenomen in de zorgplicht in artikel 1.1a Wm:”…een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken” en volgens artikel 2.14 lid 1 c 1° Wabo neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht: “dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast”.
Het doel van het ALARA-beginsel is dan ook een adequaat beschermingsniveau te bieden, waarbij duurzame energie projecten nog kunnen worden gerealiseerd. Die projecten hebben – als onderdeel van de energietransitie - per saldo namelijk positieve effecten, zo stelt het RIVM in het rapport: “Klimaatakkoord; effecten op veiligheid, gezondheid en natuur” (2019). Ook als die ontwikkelingen een beperkte, doch aanvaardbare mate van hinder, opleveren voor de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt ook dat - gelet op het ALARA-beginsel - geen nul-hinder als uitgangspunt genomen hoeft te worden (zie o.a. ECLI:NL:RVS:2018:616; ECLI:NL:RVS:2015:1702); ECLI:NL:RVS:2010:BL6187). In de toelichting op de ontwerpbepalingen windturbines leefomgeving wordt dit ook als zodanig beschreven: “Daarbij is uitgangspunt geweest dat omwonenden recht hebben op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, maar niet dat omwonenden van windturbines daar helemaal geen last van mogen hebben. In dat geval zou er voor windturbines in een vol land als Nederland nauwelijks nog plaatsingsruimte overblijven, terwijl het belang van een duurzame energievoorziening ook een zwaarwegend belang is.”
1.2 Aanpak om te komen tot een normstelling Als gevolg van de uitspraak van de ABRvS inzake het Activiteitenbesluit en -regeling als kader kan voor een beoordeling van de aanvaardbaarheid van een milieueffect van windturbines niet meer worden verwezen naar de in dit besluit daarover opgenomen normen (de windturbinebepalingen). In onderhavige rapportage is voor het milieuthema geluid: •
inzichtelijk gemaakt welke effecten optreden als gevolg van de exploitatie van de windturbines van Energielandgoed Wells Meer;
•
aangegeven aan de hand van welke criteria en (reken)methodieken deze effecten inzichtelijk zijn gemaakt en beoordeeld;
•
inzichtelijk gemaakt hoe deze effecten zich lokaal manifesteren in het beoogde project en;
•
welke normstelling, rekening houdend met alle relevante aspecten, voldoende bescherming biedt om onaanvaardbare milieugevolgen te voorkomen.
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 2 van 33
Op basis van bovenstaande punten wordt een op de situatie en locatie toegespitste beoordeling gemaakt van het aantal ernstig gehinderden in relatie tot het energieproductieverlies bij verschillende mogelijk te hanteren geluidnormen.
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 3 van 33
2 Opzet en locatie 2.1 Beschrijving locatie en omgeving Energielandgoed Wells Meer zal worden gerealiseerd in de gemeente Bergen (L), zie Figuur 2.1. Het plangebied ligt tussen Venray en Kevelaer (D), ten oosten van Well. Het plangebied is grotendeels agrarisch. Het gebied rondom Energielandgoed Wells Meer is in Nederland bosrijk en ten oosten (in Duitsland) grotendeels agrarisch en er zijn al meerdere windturbines operationeel (in Duitsland). Figuur 2.1 Plangebied Energielandgoed Wells Meer
2.2 Aanwezige woningen en ander verblijfsobjecten Woningen In de directe omgeving (<1 km) van Energielandgoed Wells Meer zijn weinig woningen gelegen. De meeste hiervan liggen ten westen van de windturbines van Energielandgoed Wells Meer (Wezerweg). In het eerder uitgevoerde akoestisch onderzoek voor Energielandgoed Wells Meer5 is een selectie gemaakt van referentietoetspunten waarop de geluidbelasting inzichtelijk is gemaakt. Voor deze toetspunten is hieronder een Tabel 2.1 opgenomen met de afstand tot de dichtstbijgelegen windturbine. In Figuur 2.2 is de ligging van de toetspunten en overige omliggende woningen weergegeven. De woning aan Wellsmeer
5
Pondera Consult, 21 april 2020 Akoestisch Onderzoek Energielandgoed Wellsmeer v1
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 4 van 33
1a (op korte afstand van de meest noordwestelijke turbinepositie) betreft een woning die in het nieuwe bestemmingsplan niet meer als woning is bestemd. Tabel 2.1 Referentiewoningen en toetspunten Toetspunt
Adres
Afstand tot windturbine [m]
1
Veenweg 1
430
2
Veenweg 5
770
3
Veenweg 6
450
4
Tuinstraat 25
1610
5
Meerseweg 6
1950
6
Bergweg 4
1400
7
Moleneind 7
2060
8
Wezerweg 8
700
9
Wezerweg 14
470
10
Wezerweg 14a
630
11
Wezerweg 16a
420
12 *
Wellsmeer 1a
110
13
Veenweg 2
1030
14
Wezerweg 28
1930
*: Deze woning wordt ofwel geamoveerd of rechtstreeks betrokken bij het Energielandgoed en wordt derhalve niet getoetst aan de geluidnormen,
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 5 van 33
Figuur 2.2 Geluidgevoelige gebouwen nabij windturbines Energielandgoed Wells Meer
Overige verblijfsobjecten (volgens BAG) Er is een zeer beperkt aantal verblijfsobjecten in de directe omgeving van de windturbines met een gebruiksfunctie anders dan woonfunctie. Tabel 2.2 Overige verblijfsobjecten Adres
Functie
Opmerking
Wellsmeer 1
Industriefunctie
Bestemming vervallen in nieuwe bestemmingsplan
Veenweg 4
Industriefunctie
Gelegen naast woning Veenweg 6, geniet daardoor nagenoeg dezelfde bescherming als een woning
Veenweg 8
Overige gebruiksfunctie
In bestemmingsplan bestemd als schaapskooi
Wezerweg 3a
Overige gebruiksfunctie
Transformatorhuisje
Gelet op de ligging en de gebruiksfunctie van de verblijfsobjecten, naast het feit dat het geen geluidgevoelige gebouwen betreffen, is er geen aanleiding om voor deze objecten een geluidnorm op te nemen.
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 6 van 33
3 Geluid van windturbines 3.1 Inleiding Net als alle andere mechanische installaties produceren windturbines geluid. Dit geluid wordt deels veroorzaakt door de bewegende onderdelen in de gondel, maar is voornamelijk afkomstig van de bladen die door de lucht ‘zoeven’. Het geluid van windturbines kan als hinderlijk worden ervaren. Net als voor andere geluidbronnen waaronder wegverkeersgeluid, industriegeluid, railverkeer- en luchtvaartgeluid is het wenselijk om normen vast te leggen voor de hoeveelheid geluid die mag optreden op de omgeving teneinde de hinder hiervan te beperken tot een aanvaardbaar niveau. Met het beperken van het geluid tot een aanvaardbaar niveau is tevens sprake van een beperking van gevolgen in het kader van de bescherming van het milieu. Om te komen tot een normstelling speelt het daadwerkelijk optredende geluidniveau, de betreffende omgeving en de hinderlijkheid van het specifieke geluid een rol.
3.2 Achtergrond Europese systematiek geluidsdosismaat Lden en Lnight Volgens richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement dient omgevingsgeluid in alle lidstaten op dezelfde wijze behandeld te worden. De geluidbelasting wordt daarbij bij voorkeur in decibel (dB) Lden of dB Lnight te worden uitgedrukt. De geluidbelasting in dB Lden wordt ook wel de dag-avond-nachtgeluidbelastingsindicator genoemd. Lden is een berekend gewogen jaargemiddelde van de geluidbelasting tijdens de dag-, de avond- en de nachtperiode. De avond- en nachtperiode krijgen een opslag van respectievelijk +5 en +10 dB omdat in deze periode geluid hinderlijker wordt ervaren en deze periodes worden derhalve zwaarder meegewogen. De geluidbelasting in dB L night is de nachtgeluidbelastingsindicator. Voor het bepalen van de hinder wordt primair gebruik gemaakt van Lden. Lnight wordt gebruikt om effecten die kunnen leiden tot slaapverstoring inzichtelijk te maken. Voor bijzondere geluidbelasting situaties zijn aanvullende indicatoren tevens mogelijk. Redenen hiervoor kunnen bijvoorbeeld zijn6: •
Combinatie van geluid uit verschillende bronnen;
•
Relatief stille zones in het buitengebied;
•
De lage frequentiecomponent (LFG) van het geluid is sterk;
Windturbinegeluid is, ten opzichte van andere geluidbronnen, relatief constant van karakter. De maximale optredende geluidniveaus die door een windturbine worden veroorzaakt zijn circa 2-4 dB(A) hoger dan de waarde van het optredende jaargemiddelde geluidniveau van een windturbine7. Dit betekent dat er in vergelijking met andere geluidbronnen relatief weinig verschil is tussen het gemiddelde geluidniveau en het momentaan optredende geluidniveau. Bij een geluidbelasting van 47 dB L den op een punt is het daadwerkelijk optredende gemiddelde geluidniveau8 op de gevel (bij maximale geluidproductie van de windturbine, wanneer het hard waait) circa 43-45 dB(A). De hoeveelheid geluid die een windturbine produceert is afhankelijk van het geluidsbronvermogen van de windturbine. Het geluid van een windturbine kan desgewenst worden beperkt door toepassing van een voorziening op de bladen of door het vermogen te reduceren. Het reduceren van het vermogen leidt tot een verlies van energieproductie. De voorzieningen die aan de bladen kunnen worden getroffen gaan
6
Zie bijlage 1 punt 3 van richtlijn 2002/49/EG Nederlandse geluidsnormen in internationaal perspectief, E. Koppen, Arcadis, Windnieuws nr 4 2015 8 De daadwerkelijk ervaren geluidniveaus zijn lager dan het gewogen Lden gemiddelde omdat de gewogen Lden waarde strafcorrecties heeft voor geluid in de avond en de nacht. 7
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 7 van 33
doorgaans niet ten koste van de energieproductie. De hoeveelheid geluid heeft tevens een rechtstreeks verband met de optredende windsnelheid. Tot een bepaalde windsnelheid neemt de geluidsproductie toe, vanaf deze specifieke windsnelheid blijft de geluidsproductie gelijk. De windsnelheid is door het KNMI voor geheel Nederland op ashoogtes tussen 10 en 260 meter boven het maaiveld de windverdelingen beschikbaar gesteld. Met deze verdelingen kan een goede voorspelling per beoordelingsperiode worden gegeven van de te verwachten geluidbelasting op de omgeving. Gezien het constante karakter van windturbinegeluid (de verschillen tussen dag-, avond- en nachtperiode zijn beperkt) is er op zichzelf geen aanleiding een Lnight normering te stellen aanvullend op een Ldennormering. Bij constante geluidniveaus bedraagt het verschil tussen de geluidbelasting in dB L den en dB Lnight circa 6 dB en biedt een aparte norm voor Lnight geen extra bescherming, tenzij deze 7 dB of meer lager is dan de Lden-normering. Daarnaast kan er op basis van onderzoeken nog geen conclusie worden getrokken over de samenhang tussen geluid van windturbines en slaapverstoring 9. De WHO geeft in haar rapport van 2018 dan ook geen advies over een Lnight-norm voor windturbines.
3.3 Effecten van geluidbelasting 3.3.1 Inleiding Blootstelling aan geluid kan leiden tot hinder of stress gerelateerde klachten. Met name in de nachtperiode, wanneer dit kan leiden tot slaapverstoring. Een recent literatuuronderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)10 concludeert hierover specifiek voor windturbines dat “wonen in de buurt van een windturbine of het horen van geluid van windturbines kan leiden tot chronische hinder onder omwonenden”. Voor andere gezondheidseffecten (slaapverstoring, slapeloosheid en geestelijke gezondheidseffecten) ontbreekt consistent bewijs. In 2018 heeft de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) een rapport uitgebracht ten aanzien van geluidrichtlijnen voor verschillende geluidbronnen binnen de Europese Unie 11. In aansluiting op de bevindingen van het RIVM volgt uit dit rapport ook dat er geen andere gezondheidseffecten dan hinder optreden als gevolg van de aanwezigheid van windturbinegeluid. Op basis van diverse onderzoeken wordt gesteld dat op basis van een geluidniveau van 45 dB Lden ongeveer 10% van de omwonenden ernstige hinder buitenshuis ervaart. Het bewijs hiervoor wordt echter aangemerkt als van lage kwaliteit. Er wordt geen percentage binnenshuis genoemd, noch wordt aangegeven welke percentages verwacht worden bij andere geluidbelastingen.
Omdat de kwaliteit van dit bewijs als laag wordt beschouwd, is het advies wat hieruit voortkomt, door de WHO, aangeduid als voorwaardelijk (conditional)12. Zie ook Kader 3.1. In het rapport wordt verder opgemerkt dat effecten veroorzaakt door de houding tegenover windturbines moeilijk zijn los te koppelen van de beleving van geluid, dat het percentage van de bevolking dat wordt gehinderd door windturbinegeluid beperkt is ten opzichte van gehinderden door andere geluidbronnen en dat wordt verwacht dat zorg voor communicatie, betrokkenheid en raadpleging van omwonenden tijdens het planningsproces een positieve invloed kan hebben op de beleving van de milieueffecten van windturbines.
9
Factsheet gezondheidseffecten van windturbinegeluid, RIVM, augustus 2021 RIVM-rapport 2020-0214, Gezondheidseffecten van windturbinegeluid, I. van Kamp & G.P. van den Berg 11 Environmental Noise Guidelines for the European Region, WHO, 2018, 12 In tegenstelling tot andere geluidbronnen, zoals wegverkeer, railverkeer en luchtvaart; voor deze bronnen is een veel sterker bewijs gevonden voor hinder en wordt de aanbevolen maximale geluidbelasting ‘sterk aanbevolen’ (strong recommendation) 10
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 8 van 33
Kader 3.1 WHO advies en RIVM review De WHO heeft in 2018 een advies richtlijnen gepubliceerd voor milieugeluid, waaronder windturbinegeluid. Op basis van wetenschappelijk onderzoek naar blootstellingseffectrelaties adviseert de WHO een voorlopige drempelwaarde van 45 dB Lden. De blootstellingseffectrelaties zijn door de WHO bepaald op basis van wetenschappelijk onderzoek tot en met eind 2014. Gezondheidseffecten worden bij deze waarde, maar ook bij hogere waarden, niet verwacht. Voor gezondheidseffecten vanwege windturbinegeluid werd op basis van het onderzoek geconcludeerd dat (i) er nog onvoldoende bewijs bestaat, (ii) het bewijsmateriaal van lage kwaliteit is en (iii) hierdoor geen betrouwbare algemene blootstelling-effectrelatie kan worden vastgesteld. Desondanks heeft de WHO een conditioneel advies met drempelwaarde uitgebracht. Het RIVM constateert in haar update van onderzoek naar gezondheidseffecten van windturbinegeluid “Health effects related to wind turbine sound: an update” (november 2020) het volgende: “Bij de voor de WHO uitgevoerde review van Guski et al (2017) werd gekeken naar studies die tot aan eind 2014 waren gepubliceerd. In hun literatuuronderzoek hebben Van Kamp et al (2020a, 2020b) een update gegeven van de WHO-review op basis van publicaties die waren verschenen tot aan eind 2019.
Hierin kwamen 9 nieuwe publicaties over windturbinegeluid en hinder naar voren (die betrekking hadden op 5 onderzoeken) die aan de inclusiecriteria voldeden. Enkele van deze onderzoeken waren al besproken in onze review uit 2017.” Samengevat: de door de WHO gestelde voorlopige drempelwaarde is gebaseerd op het bewijsmateriaal van lage kwaliteit (beperkt en tot eind 2014) en niet alle actuele onderzoeken zijn meegenomen. Het RIVM heeft geconcludeerd dat er geen nieuwe informatie naar voren is gekomen uit latere onderzoeken die tot inzichten hebben geleid die tot andere conclusies zouden leiden.
3.3.2 Hinderlijkheid van windturbinegeluid Gebruikte dosis-hinder relaties voor windturbinegeluid Janssen/TNO & Kuwano In de literatuur zijn dosishinderrelaties gevonden die de geluidbelasting in dB L den relateren aan een percentage personen dat ernstige hinder ondervindt. Twee van deze relaties zijn ook beschreven in het WHO-rapport uit 2018 (zie ook kader 2.1), Janssen13 et al uit 2011 en Kuwano14 et al uit 2014. De dosishinderrelatie van Janssen et al uit 2011 is dezelfde als het TNO-rapport uit 200815 en is vastgesteld voor zowel hinder als ernstige hinder16 binnenshuis als buitenshuis. De dosishinderrelatie uit Kuwano et al, 2014 is gegeven voor de situatie “here at home”, wat door de WHO wordt geassocieerd met (ernstige) hinder buitenshuis1718. In onderstaande grafiek zijn de 13
Janssen SA, Vos H, Eisses AR, Pedersen E (2011). A comparison between exposure–response relationships for wind turbine annoyance and annoyance due to other noise sources. J Acoust Soc Am. 130(6):3746–53 14 Kuwano S, Yano T, Kageyama T, Sueoka S, Tachibanae H (2014). Social survey on wind turbine noise in Japan. Noise Control Eng J. 62(6):503–20 15 S.A. Janssen, H. Vos en A.R. Eisses, TNO-rapport, Hinder door geluid van windturbines: Dosis—effectrelaties op basis van Nederlandse en Zweedse gegevens, 2008-D-R1051/B 16 Volgens het TNO-rapport: “De verdeling van de hinderscores bij een gegeven geluidsniveau kan op verschillende manieren worden weergegeven. Vaak wordt het percentage antwoorden dat een zekere grens overschrijdt gerapporteerd. Als de grens 72 is op een 0-100 schaal, wordt het resultaat het percentage “ernstig gehinderde” personen (%HA: % Highly Annoyed) genoemd, de grens van 50 geeft het percentage “gehinderde” personen (%A: % Annoyed).” 17 Guski et al, 2017, Int. J. Environ. Res. Public Health 2017,: WHO Environmental Noise Guidelines for the European Region: A Systematic Review on Environmental Noise and Annoyance, 1539; doi:10.3390/ijerph14121539 18 Guski, R., Schreckenberg, D., & Schuemer, R. (2017). Supplementary Materials: WHO Environmental Noise Guidelines for the European Region: A Systematic Review on Environmental Noise and Annoyance. Int. J. Environ. Res.
Public Health, 14. https://www.mdpi.com/1660-4601/14/12/1539/s1
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 9 van 33
dosishinderrelaties (ernstige hinder, binnenshuis en buitenshuis) van Janssen et al (2011) en (ernstige hinder, buitenshuis) van Kuwano (2014) weergegeven voor geluidbelasting tussen 33 en 55 dB L den. Figuur 3.1 Percentage ernstig gehinderden binnenshuis (blauw) en buitenshuis (rood)
De ontwikkeling van de windturbinetechnologie heeft door de jaren niet stilgestaan. Belangrijke kenmerken die zijn veranderd zijn de toegenomen afmetingen, het optimaliseren van windturbinebladen om windkracht maximaal en zo efficiënt mogelijk te benutten en het optimaliseren van de controle van de windturbinebladen/-rotor (zoals het individueel pitchen van bladen). Uit de literatuur volgen geen aanwijzingen dat er een verandering is opgetreden in de dosis-hinderrelatie van windturbinegeluid ondanks voornoemde ontwikkelingen in de windturbinetechnologie. Zo toonde onderzoek van Hongisto et al19 aan dat voor geluidbelastingen tot 40 dB LA,eq de mate van ernstige hinder van een vergelijkbaar geluidniveau van windturbines tussen de 3 en 5 megawatt (hierna: MW) opgesteld vermogen overeenkomt met die van kleinere windturbines (0,15 – 3 MW)20.
Andere beschouwde dosis-hinder relaties Umwelt Bundesamt (2022) In juni 2022 heeft de Duitse Umwelt Bundesamt (German Environment Agency) een onderzoek gepubliceerd waarin de geluideffecten van windturbines op land zijn onderzocht. Hierin is echter de geluidbelasting in een andere grootheid beoordeeld (Lr i.p.v. Lden) en is een andere puntenschaal gehanteerd om te boordelen of iemand ernstig gehinderd is of niet. In het onderzoek van de Umwelt 19
Hongisto, V., Oliva, D., & Keränen, J. (2017). Indoor noise annoyance due to 3–5 megawatt wind turbines—An exposure–response relationship. The Journal of the Acoustical Society of America, 142(4), 2185-2196 20 Vanwege het gebrek aan hoeveelheid data van hogere geluidniveaus kan dit voor geluidniveaus boven 40 dB L A,eq niet bevestigd worden
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 10 van 33
Bundesamt wordt de zogeheten ‘five point verbal scale’ gebruikt (aanbevolen door ICBEN, International Commission on Biological Effects of Noise) en iemand die in de bovenste twee schalen valt wordt daarbij als ernstig gehinderd beschouwd (bovenste 40%). In de onderzoeken van Janssen en Kuwano wordt echter de bovenste ~28% als ernstig gehinderd beschouwd (conform Schultz et al21 en wordt ook door de auteurs van het WHO-rapport11 als de de facto standaard beschouwd22). De dosis-hinderrelatie van de Umwelt Bundesamt is daarom niet rechtstreeks vergelijkbaar met de dosis-hinderrelaties van Janssen en Kuwano. Onderzoek van Gjestland23 en Morinaga24 laat zien dat de geluidbelasting25 waarbij 10% van de blootgestelden ernstige hinder ondervindt met circa 5 dB verschuift wanneer i.p.v. vijfpunts ICBEN schaal hetzelfde criterium als Janssen en Kuwano wordt gehanteerd. Afhankelijk van de bronsoort bedraagt het verschil tussen de 3,9 en 6,7 dB. Door zowel een correctie toe te passen voor de afwijkende dosismaat als de afwijkende wijze van enquêteren kan een vergelijking worden gemaakt van de waarde waarbij 10% van de blootgestelden ernstige hinder binnenshuis ondervindt uit het onderzoek van de Umwelt Bundesamt en uit het onderzoek van Janssen26. Voor de dosismaat zou een correctie van 4,7 dB kunnen worden gebruikt, vergelijkbaar met Janssen.
Voor de wijze van enquêteren zou bijvoorbeeld een correctie van 4,9 dB kunnen worden gehanteerd, conform het gemiddelde voor verschillende bronsoorten uit het onderzoek van Morinaga 24. Door 4,7 + 4,9 = 9,6 dB op te tellen bij de waarde in Lr uit het onderzoek van Umwelt Bundesamt waarbij 10% van de blootgestelden ernstige hinder binnenshuis ondervindt, kan een vergelijking worden gemaakt met de resultaten uit het onderzoek van Janssen. De waarde waarbij 10% van de blootgestelden ernstige hinder binnenshuis ondervindt bedraagt circa 38 dB Lr (bron: figuur 60 uit onderzoek Umwelt Bundesamt). Dit komt overeen met een waarde van circa 47,6 dB Lden na correcties voor dosismaat en wijze van enquêteren. Tabel C.1 uit het TNO-onderzoek15 laat zien dat bij een geluidbelasting van 48 dB Lden 9,91% van de blootgestelden ernstige hinder binnenshuis ervaart. Of de dosis-hinderrelatie bij lagere geluidbelastingen eveneens vergelijkbaar is, is op basis van de op dit moment beschikbare informatie niet te beoordelen. Ook kan niet worden bepaald of de correctie vanwege de wijze van enquêteren van 4,9 dB voor windturbinegeluid van toepassing is (het betreft immers een gemiddelde van wegverkeer-, railverkeer- en vliegverkeerslawaai). Ondanks deze kanttekeningen lijkt de dosis-hinderrelatie van TNO daarmee nog steeds toepasbaar.
Gelet op de verschillen met de onderzoeken van Janssen en Kuwano is het onderzoek van Umwelt Bundesamt niet gebruikt om het aantal ernstig gehinderden binnenshuis te bepalen. Omdat er - na correctie voor methodeverschillen – geen significante verschillen meer zijn en er voor lagere waarden belangrijke informatie ontbreekt, is er ook geen reden om de dosismaat van Umwelt Bundesamt te verkiezen boven die van TNO of Kuwano.
21
Schultz, T. J. (1978). Synthesis of social surveys on noise annoyance. The journal of the acoustical society of America, 64(2), 377-405. 22 Guski, R., Schreckenberg, D., & Schuemer, R. (2017). WHO environmental noise guidelines for the European region: A systematic review on environmental noise and annoyance. International journal of environmental research and public health, 14(12), 1539. 23 Gjestland, T. (2023). Comparing results from annoyance surveys - Factors affecting the results of a survey. 14th ICBEN Congress on Noise as a Public Health Problem 24 Morinaga, M., Nguyen, T. L., Yokoshima, S., Shimoyama, K., Morihara, T., & Yano, T. (2021). The Effect of an Alternative Definition of “Percent Highly Annoyed” on the Exposure–Response Relationship: Comparison of Noise Annoyance Responses Measured by ICBEN 5-Point Verbal and 11-Point Numerical Scales. International Journal of Environmental Research and Public Health, 18(12), 6258. 25 Er is in de genoemde onderzoeken gekeken naar weg-, rail- en luchtverkeerslawaai. 26 Het onderzoek van Kuwano maakt geen onderscheid tussen hinder binnen- en buitenshuis, derhalve wordt een vergelijking gemaakt met Janssen
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 11 van 33
Michaud (2016) In onderzoek van Michaud27 uit 2016 zijn diverse dosis-hinderrelaties met elkaar vergeleken, waarbij werd gefocust op de zogeheten Community Tolerance Level (CTL), de geluidbelasting in Day-Night Average Sound Level (DNL) waarbij 50% van de omwonenden ernstige hinder zou ervaren. Allereerst lijkt er, net als bij Kuwano en Janssen, een relatie te zijn tussen hinder en geluidniveau. Maar tussen verschillende gemeenschappen (bijv land, maar ook binnen een land kan er sprake zijn van verschillende gemeenschappen) lijken er verschillen te zijn in CTL. Er wordt gesuggereerd dat dit oa. komt door persoonlijke en situationele factoren, zoals houding t.o.v. windenergie of gevoeligheid voor geluid. De CTLs (en de door Michaud daarop gebaseerde dosis-hinderrelaties) van de gemeenschappen die zijn beschouwd in het onderzoek van Janssen / TNO zijn vergelijkbaar met de CTLs en dosis-hinderrelaties van Canadese en Japanse gemeenschappen. Hierbij moet worden opgemerkt dat Michaud uitgaat van de ervaren hinder buitenshuis 45. Onder de aanname “DNL ≈ Lden“ geldt dat 10% ernstige hinder (buitenshuis) optreedt bij gemiddeld 45 dB Lden. Bij Kuwano is dit circa 44 dB Lden en bij Janssen / TNO bedraagt de geluidbelasting circa 43 – 44 dB Lden.
Ter indicatie is de dosis-hinderrelatie, gebaseerd op het gemiddelde van meerdere gemeenschappen, gebruikt om het aantal ernstig gehinderden buitenshuis te bepalen. Overige onderzoeken Ook andere onderzoeken van na 2014 beschrijven de dosis-hinderrelatie van windturbines28. De uitkomsten van die onderzoeken bevestigen de uitkomst van het onderzoek van Janssen / TNO en vormen hiermee een actualisatie en validatie. Dit wordt bevestigd met de WHO richtlijnen (onderzoek tot en met 2015) en het RIVM literatuuronderzoek uit 2020 (actualisatie literatuur vanaf de WHO onderzoeksbasis).
3.3.3 Slaapverstoring als gevolg van windturbinegeluid Zoals ook in paragraaf 3.2 beschreven blijkt het verband tussen nachtelijke geluidbelasting als gevolg van windturbines en slaapverstoring zwak. In het WHO-rapport11 van 2018 wordt vanwege het ontbreken van consistent bewijs en geen bewijs in het algemeen voor het effect van Lnight op slaap dan ook geen norm geadviseerd voor de nachtperiode. In 2023 is een onderzoek gepubliceerd29 van Godono et al; een literatuurstudie naar de effecten van windturbinegeluid op slaapstoornissen. Er wordt een hogere prevalentie van slaapstoornissen gevonden in de buurt van windturbines dan op grotere afstand, echter stellen de onderzoekers ook vast dat er nog geen conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de causaliteit.
3.3.4 Windturbinegeluid in vergelijking met andersoortige geluidbronnen Er zijn in Nederland ook voor andere vormen van geluidproducerende activiteiten geluidnormen van toepassing. Bijvoorbeeld voor weg- en railverkeer, industrie en luchtvaart. Bij de vaststelling van de
27
Michaud, D. S., Keith, S. E., Feder, K., Voicescu, S. A., Marro, L., Than, J., ... & van den Berg, F. (2016). Personal and situational variables associated with wind turbine noise annoyance. The Journal of the Acoustical Society of America, 139(3), 1455-1466. 28 Naast Pedersen (2009) en Janssen et al. (2011) betreft dit bijvoorbeeld Pawlaczyk-Łuszczyńska, M. et al. (2014 en 2018), Hongisto et al. (2017 en 2022). Deze onderzoeken zijn (m.u.v. Hongisto 2022) ook betrokken door WHO (2018) en/of RIVM (2020/2021) bij het beoordelen van de meest recente inzichten. 29 Godono, A., Ciocan, C., Clari, M., Mansour, I., Curoso, G., Franceschi, A., ... & Boffetta, P. (2023). Association between exposure to wind turbines and sleep disorders: A systematic review and meta-analysis. International Journal of Hygiene and Environmental Health, 254, 114273.
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 12 van 33
geluidnormen voor andere bronnen wordt vaak de maximaal toegestane geluidbelasting gerelateerd aan een percentage personen die bij deze geluidbelasting ernstige hinder ondervindt 30. In Nederland wordt voor het beoordelen van geluidbronnen en gevolgen daarvan voor de omgeving altijd de situatie binnenshuis beoordeeld. Achterliggende reden is dat een bewoner in zijn eigen woning een goed- woonen leefklimaat mag verwachten en daar ook optimale bescherming verdient. Ook voor windturbinegeluid wordt daarom gekeken naar de situatie binnenshuis. De volgende tabel geeft het geaccepteerde percentage potentieel ernstig gehinderden aan bij de normstelling in Nederland voor verschillende geluidbronnen. Voor windturbines ligt het verwachte percentage ernstig gehinderden bij een geluidbelasting van Lden 47 dB op circa 9%31. Tabel 3.1 Verwacht percentage ernstig gehinderden voor verschillende geluidsbronnen32
*
Geluid veroorzakende activiteit/geluidsbron
Verwacht percentage ernstig gehinderden*
snelwegverkeer
14 %
railverkeer
16 %
industrie/bedrijvigheid
9%
grote luchthavens
54 %
windturbines
9%
bij het maximale toelaatbare geluidniveau
In absolute aantallen gaat het in Nederland bij wegverkeer om ca. 970.000 ernstig gehinderden, bij luchtvaartverkeer ruim 260.000, bij railverkeer om bijna 100.000 en windturbines ruim 7.000 ernstig gehinderden31. Niet-akoestische factoren en hinderbeleving Wat geluidbelasting voor een individuele bewoner betekent, kan sterk verschillen: de meesten zullen weinig tot geen hinder ervaren, maar anderen kunnen er om meerdere redenen veel last van hebben. De aard van ondervonden hinder kan daarbij ook worden veroorzaakt door niet-akoestisch factoren. In het kennisbericht Geluid van windturbines uit 2015 wordt hierover nog het volgende gesteld: “Het is niet goed mogelijk de beoordeling van geluid los te zien van andere factoren. Bijvoorbeeld het zien van windturbines en de schaduwwerping kunnen invloed hebben op de mate van geluidhinder. Ook heeft de manier waarop een project tot stand is gekomen, invloed op de houding en waarneming van omwonenden. Dit is bij andere geluidsbronnen niet anders.” In de factsheet van RIVM (2021) worden niet-fysieke factoren die invloed kunnen hebben op de hinderbeleving van windturbines als volgt gecategoriseerd: •
Demografische factoren (o.a. leeftijd, geslacht, opleidingsniveau)
•
Persoonlijke factoren (o.a. angst, geluidgevoeligheid)
•
Situationele factoren (o.a. aanwezigheid andere geluidbronnen, type gebied)
•
Contextuele (maatschappelijke/economische) factoren (o.a. betrokkenheid bij het proces, procedurele rechtvaardigheid)
30
Brief van de minister van VROM, 31 209, nr 135, 28-9-2010 Zie o.a. Kamerbrief Staatssecretaris van EZK, 9 juni 2021; DGKE-WO / 21119163 32 Brief van de minister van VROM, 31 209, nr 135, 28-9-2010 31
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 13 van 33
Hoewel de invloed van deze factoren niet alleen een rol spelen windturbinegeluid, maar tevens bij andersoortige geluidbronnen, spelen bepaalde aspecten van persoonlijke en contextuele factoren naar verhouding een grote rol bij windturbinegeluid. Lokale betrokkenheid bij het planningsproces en gedeeld eigenaarschap zijn voorbeelden van belangrijke factoren voor de sociale acceptatie van het windpark en de hinderbeleving van omwonenden. Ook in diverse literatuur (bijv. TNO rapport uit 2008) wordt beschreven dat in geval er sprake is van (economisch) profijt van de windturbines door bewoners (contextuele factor), deze minder of in het geheel geen hinder ondervinden.
3.4 Karakterisering van windturbinegeluid 3.4.1 Laagfrequent geluid en infrasoon geluid Een terugkerend thema in de discussie rond de normen voor windturbinegeluid is laagfrequent geluid (LFG) en infrageluid. Dit betreft geluidemissie in het spectrum beneden de circa 100 Hz (laagfrequent) en beneden de 20 Hz (infrasoon). In het kennisbericht geluid van Windturbines (2015) is het volgende opgenomen: “Omwonenden zijn bezorgd dat door een toename van de hoogte van windturbines meer laagfrequent geluid zal ontstaan. Op basis van metingen wordt dit verschil echter gering geacht. Daarnaast wordt de nadruk op het laagfrequente aandeel onterecht genoemd omdat het normaal geaccepteerde geluid van wegverkeer meer laagfrequent geluid bevat dan wat wettelijk is toegestaan bij windturbines.” Windturbines produceren geluid over het hele spectrum van lage en hoge tonen, net als andere geluidbronnen. Wanneer gekeken wordt naar de spectrale verdeling van de geluidemissie van windturbines is er geen sprake van een specifiek groot aandeel in de frequenties beneden de 100 Hz. Dit aandeel is bij moderne grote windturbines (circa 250 meter tiphoogte) niet significant anders dan ten tijde van het opstellen van het kennisbericht en in het verleden bij windturbines van voor deze datum. Deze conclusie wordt bevestigd in o.a.
de notitie van Van Den Berg (2021) waarin wordt verwezen naar onderzoek van Soendergaard (2015)33. Relevant in het onderzoek van Soendergaard is de opmerking dat ‘nieuwere’ grote turbines naar verwachting een beperkter aandeel LFG hebben dan ‘oudere’ grote turbines als gevolg van de techniekontwikkeling van de windturbine (het pitchen van de bladen en optimalisatie van bladontwerp). Ook het RIVM stelt in haar recente literatuurstudie uit 2020 dat laagfrequent geluid en infrageluid van windturbines niet voor andere effecten zorgt dan ‘normaal’ geluid. Er ontbreekt bewijs dat laagfrequent geluid en infrageluid ver onder de gehoordrempel tot enig effect kan leiden. Bij blootstelling aan windturbinegeluid vormt voornamelijk het geluidniveau en de amplitudemodulatie (zie paragraaf 3.4.2) van het algehele windturbinegeluid de oorzaak van de hinder. Kortom: het aandeel laagfrequent geluid is niet onevenredig groot bij windturbines (in tegenstelling tot bijvoorbeeld compressoren of transformatoren), het aandeel LFG is niet significant toegenomen met het formaat van de windturbine en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat specifiek LFG en infrageluid een effect op de volksgezondheid veroorzaken of tot additionele hinder leiden ten opzichte van dat wat reeds wordt beoordeeld. Bekend is de beoordeling van het RIVM dat een geluidsnorm van 47 dB Lden ook 33
Soendergaard, B. (2015). Low frequency noise from wind turbines: do the Danish regulations have any impact? An analysis of noise measurements. Int. Journal of Aeroacoustics volume 14.
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 14 van 33
voldoende bescherming biedt voor het laagfrequente deel als dit bijvoorbeeld wordt vergeleken met de Deense norm. In 2014 concludeert de Staatsecretaris van I&M34 dan ook: ‘De Deense norm voor laagfrequent windturbinegeluid in het binnenmilieu van een woning biedt geen extra bescherming ten opzichte van de Nederlandse norm voor de gevelbelasting in geval van een standaard geïsoleerde woning.’ Het specifiek toevoegen van een norm voor LFG van windturbines leidt daarmee dus niet tot een betere beoordeling en bescherming van de optredende effecten van geluid. Bovengenoemde bevindingen worden eveneens bevestigd in een recente review door de Expertgroep gezondheid van de gemeente Amsterdam pag. 35 uit Advies expertgroep gezondheidseffecten Windturbines, 4 april 2022): "Windturbines produceren niet meer laagfrequent geluid en infrageluid dan andere geluidbronnen: een drukke weg die op een woning 55 dB Lden veroorzaakt, bevat meer laagfrequent geluid dan een windturbine bij 40 dB Lden. Ook wijst onderzoek uit dat grotere windturbines niet meer laagfrequent geluid en infrageluid produceren dan kleinere windturbines. De gemeten toename van laagfrequent geluid bij windturbines is evenredig met de toename van het totale geluidniveau van windturbines.
De controle op laagfrequent geluid is derhalve verdisconteerd in de huidige normering voor (het volledige spectrum van) windturbinegeluid.” Met bovenstaande kennis kan worden geconcludeerd dat het hanteren van een Lden en eventueel een Lnight norm volstaat ter bescherming van laagfrequent geluid van windturbines. In het onderzoek van Peutz35 wat is bijgevoegd bij het ontwerpbesluit windturbines leefomgeving is laagfrequent geluid als gevolg van moderne, grote windturbines onderzocht. Er wordt geconcludeerd dat bij een grenswaarde van 41 dB Lnight en 47 dB Lden er bij woningen met beperkte laagfrequente geluidwering wordt voldaan aan de Vercammen-curve, bij zowel windturbines mét als zonder serrations. Bij strengere normen dan 47 dB Lden is dat uiteraard ook het geval. Er kan wel sprake zijn van enig hoorbaar laagfrequent geluid in woningen, maar hinder als gevolg van LFG zal beperkt zijn. Een aanvullende berekening in het kader van LFG is derhalve niet uitgevoerd.
3.4.2 Amplitudemodulatie Uit onderzoek dat in de voorgaande paragrafen is beschreven volgt dat windturbinegeluid bij gelijke geluidsniveaus hinderlijker wordt ervaren dan ander geluid, zoals van wegverkeergeluid, bij hetzelfde geluidsniveau. Het ritmische karakter van het windturbinegeluid wordt daarbij als één van de oorzaken benoemd.36 Het ritmische karakter van windturbinegeluid wordt aangeduid als ‘amplitudemodulatie’ (hierna: AM). Dit is een verschil in geluidniveau (sterkte of diepte) over een terugkerende periode (frequentie), overeenkomend met de draaisnelheid van de rotorbladen vermenigvuldigd met het aantal rotorbladen (ook wel de blade pass frequency). De grootte van geluidsverschil en de snelheid van de herhaling zijn elementen die de hinderlijkheid bepalen.
34
Tweede Kamer brief Structuurvisie wind op land, 31 maart 2014 (kamerstuk 33612, nr 22) Onderzoek naar laagfrequent geluid ten gevolge van windturbines, Peutz, F 22656-2-RA-001, 20 januari 2023 36 Interessant is de conclusie uit de literatuurreview van het RIVM (2020): A number of studies showed that especially the rhythmic character of the sound (technically: Amplitude Modulation or AM) was experienced as annoying. We concluded that AM appeared to aggravate already existing annoyance, but AM did not lead to annoyance in people who were positive about or benefitted from wind turbines. 35
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 15 van 33
In onderzoek naar de metingen van AM in de VS37 wordt geconcludeerd dat het optreden van AM niet voorspelbaar is. Deze conclusie wordt bevestigd in een studie uit 201638 in opdracht van het Britse ministerie van Energie en Klimaatverandering. AM varieert met verschillende meteorologische parameters en kan niet worden voorspeld. Er wordt wel aan een meetnorm gewerkt, maar die is momenteel nog niet beschikbaar. Onderzoeken naar de dosis-hinderrelatie richten zich op het waargenomen windturbinegeluid en daarmee ook het aspect van de AM. De kennisbasis laat zien dat vooralsnog de aanknopingspunten ontbreken om specifiek voor AM een separate norm te stellen naast de algemene normstelling in L den/Lnight. Het normeren van het windturbinegeluid bevat daarmee ook een beperking van het optreden van AM.
3.4.3 Tonaal geluid Men spreekt over tonaal geluid wanneer er sprake is van een duidelijk waarneembare toon in het geluid afkomstig van de windturbine (bijvoorbeeld een brom- of fluittoon). Tonaal geluid is meer opvallend voor het menselijk gehoor en zorgt daardoor doorgaans voor meer hinder. Voor industrielawaai wordt een straftoeslag van 5 dB toegepast indien het geluid ter plaatse van een geluidgevoelig object een tonaal karakter heeft. Tonaliteit komt niet veel voor bij windturbines, en in de Meet- en rekenmethode geluid windturbines (Bijlage IVi Omgevingsregeling) is geen methode opgenomen voor het vaststellen van tonaliteit bij windturbines. In de normstelling van het Activiteitenbesluit milieubeheer werd verondersteld dat eventuele tonaliteit van windturbines reeds is verdisconteerd in de dosis-hinderrelatie die aan de normstelling ten grondslag lag, en dat een aanvullende beoordeling van tonaal geluid niet nodig was. In het planMER dat is opgesteld ten behoeve van het ontwerpbesluit windturbines leefomgeving, wordt in overweging gegeven om een toeslag voor tonaal geluid op te nemen en een objectieve beoordelingsmethode voor te schrijven. Er worden twee beoordelingsmethodes genoemd, één op basis van IEC61400-11 voor bepaling aan de bron en één op basis van ISO 1996-2:2017 voor bepaling bij de ontvanger.
Een aandachtspunt wat genoemd wordt is de toepassing van de tonaliteitstoeslag op een jaargemiddelde norm. Het toepassen van de toeslag op enkel die perioden waar sprake is van tonaliteit kan zorgen voor uitmiddeling en mogelijk geen recht doen aan de dagen dat er extra hinder wordt ondervonden als gevolg van het tonale geluid. In het ontwerpbesluit windturbines leefomgeving (toelichting) is beschreven dat in de Omgevingsregeling een objectieve methode wordt opgenomen39 voor het bepalen van tonaliteit. Tevens wordt in de toelichting op het ontwerpbesluit windturbines leefomgeving een toeslag van 5 dB beschreven die wordt toegepast op het jaargemiddelde Lden-niveau. Ook in de toelichting wordt verondersteld dat tonaal geluid slechts in
RSG et al, “Massachusetts Study on Wind Turbine Acoustics,” Massachusetts Clean Energy Center and Massachusetts Department of Environmental Protection, 2016. (https://tethys.pnnl.gov/sites/default/files/publications/RSG-2016-Report.pdf) – summary: https://www.cesa.org/resource-library/resource/summary-of-massachusetts-study-on-wind-turbine-acoustics/ 38 Wind turbine AM Review, phase 2 report, Department of Energy & Climate Change (UK), WSP | Parsons Brinckerhoff, Project No 3514482A, August 2016 (https://assets.publishing.service.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/562186/Phase_2_R eport_-_Wind_Turbine_AM_Review_Issue_3__FINAL_.pdf): 39 Deze methode is nog niet expliciet beschreven en ook nog niet opgenomen in de Omgevingsregeling. Ten tijde van schrijven is dus nog niet bekend hoe men voornemens is dit te willen beoordelen 37
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 16 van 33
uitzonderlijke gevallen optreedt en extra metingen n.a.v. vermoedens van tonaal geluid niet tot extra regeldruk zal leiden. Vaststellen tonaliteit bij ontvanger Voor Energielandgoed Wells Meer kan worden overwogen om een vergelijkbare norm op te nemen als voor industrielawaai (5 dB straftoeslag bij tonaal geluid). Dat wil zeggen dat middels metingen ter plaatse van de ontvanger wordt beoordeeld of er sprake is van tonaal geluid. Deze methode, zoals beschreven in het planMER, kan worden gebaseerd op ISO 1996-2:2017 – bijlage J40. Bij industrielawaai geldt voor metingen op basis van ISO 1996-2:2017 (kritische bandbreedtemethode) dat er sprake is van geluid met een duidelijk tonaal karakter indien de grootheid KT 5 dB of meer bedraagt41. Dit komt overeen met een gemiddelde hoorbaarheid (ΔL) van meer dan 9 dB, conform tabel J.1 van ISO 1996-2:2017. Vanwege de hoogte van een dergelijke straffactor (5 dB) en de geluidbelastingen op nabijgelegen woningen, zorgt een eventuele aanwezigheid van tonaliteit ervoor dat één of meerdere turbines al dan niet deels moeten worden stilgezet. Een reductie van 5 dB Lden is namelijk zeer ingrijpend en met reguliere geluidvoorzieningen niet of nauwelijks realiseerbaar. Vaststellen tonaliteit bij bron Vanwege de uitvoerbaarheid kan het wenselijk zijn om de tonaliteit bij de bron vast te stellen.
Dichter bij de bron is het brongeluid en eventuele tonaliteit beter te onderscheiden van het achtergrondgeluid dan op verder weg gelegen locaties (zoals bij de ontvanger). De Meet- en rekenmethode geluid windturbines voorziet niet in een methode om tonaliteit door middel van een bronmeting te kwantificeren. De IEC 61400-11:201242 voorziet hier echter wél in en zou derhalve als leidraad kunnen dienen voor het kwantificeren van tonaliteit. Ook bij het kwantificeren van de mate van tonaliteit conform IEC 61400-11:2012 wordt een gemiddelde hoorbaarheid (tonal audibility) bepaald. Bij een gemiddelde hoorbaarheid van >0 dB is sprake van hoorbaar tonaal geluid43. Om, net als bij industrielawaai, een straftoeslag van 5 dB toe te passen bij geluid met een duidelijk tonaal karakter kan eveneens aansluiting worden gezocht met tabel J.1 uit ISO 19962:2017, en dient de gemiddelde hoorbaarheid (ΔL), bepaald conform IEC 61400-11:2012, meer dan 9 dB te zijn om aangemerkt te worden als duidelijk hoorbaar tonaal. Het is ook mogelijk om een lagere grootheid KT, zoals in andere landen, te hanteren als grens voor “duidelijk tonaal karakter”. In Duitsland wordt een straftoeslag gehanteerd bij een KT van 3 dB of hoger. Dit komt, volgens ISO 1996-2:2017, overeen met een gemiddelde hoorbaarheid van 5 dB of hoger.
Het verlagen van de toegestane gemiddelde hoorbaarheid zorgt voor meer bescherming bij omwonenden. Er bestaat echter de kans dat windturbinegeluid ten onrechte wordt geclassificeerd als “duidelijk tonaal karakter” of dat tijdens de aanbesteding windturbinefabrikanten niet of tegen hogere prijzen willen aanbieden vanwege eventuele risico’s. Het aanmerken van windturbinegeluid als “duidelijk tonaal” bij een gemiddelde hoorbaarheid van 6 dB of hoger biedt enerzijds meer bescherming tegen tonaal geluid dan de 40
In deze bijlage J wordt verwezen naar ISO/PAS 20065, waarin een methode op basis van smalbandige FFT-metingen wordt voorgesteld. 41 Paragraaf 4.3.1 van Meet- en rekenmethode geluid industrie, bijlage IVh Omgevingsregeling 42 Of: NEN-EN-IEC 61400-11:2013 43 Hoorbaar tonaal geluid is niet hetzelfde als geluid met een duidelijk tonaal karakter
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 17 van 33
voorgestelde methode uit het planMER en industrielawaai, maar verkleint de kans op onterechte classificering van het geluid als “duidelijk tonaal”. Gelet op de uitvoerbaarheid van het handhaven van een dergelijke norm wordt de voorkeur gegeven aan het vaststellen van tonaliteit bij de bron (conform IEC 61400-11:2012).
3.5 Alternatieven voor toetsingskader windturbinegeluid vanuit wetenschappelijk perspectief Er wordt eerst gekeken naar verschillende redelijkerwijs te beschouwen alternatieven voor de normen die voor windturbinegeluid kunnen worden gehanteerd. Feitelijk zijn er weinig onderbouwde (advies)normen beschikbaar welke wetenschappelijk goed gemotiveerd zijn in relatie tot het doel van hinderbeperking. De aangegeven grenzen die voor Energielandgoed Wells Meer relevant worden geacht zijn: •
Geen geluidnorm (worst-case situatie)
•
47 dB Lden – grenswaarde conceptnormen windturbinebepalingen en geluidnorm Activiteitenbesluit;
•
45 dB Lden – standaardwaarde conceptnormen windturbinebepalingen en voorwaardelijke advieswaarde WHO11;
•
44 dB Lden – Op basis van meerdere dosis-hinderrelaties (Kuwano, Michaud, Janssen) is een geluidbelasting van circa 44 dB Lden de ondergrens van 10% ernstige hinder buitenshuis
Voor het stellen van een andere soort van beschermingsmaat van de geluidnorm (bijv. een bescherming bieden via het beperken van een geluidniveau omschreven als L95, LAeq, o.a.) dan de Lden-methodiek is er geen aanleiding. Andere beschermingsmaten van de geluidnorm zijn namelijk niet voldoende vastgelegd / onderzocht in (wetenschappelijke) studies of onderbouwingen voor toepassing bij windturbinegeluid. Er is daardoor weinig bewijslast of onderzoek ten aanzien van de relatie met ervaren hinder aanwezig.
3.5.1 Equivalente geluidniveau bij maximale emissie (LAeq,max) Er zijn windparken in Nederland44 waar naast een norm in de grootheid Lden ook een norm in LAeq is voorgeschreven. LAeq heeft betrekking tot het geluidniveau gedurende een doorgaans korte periode, bijvoorbeeld 1 minuut of 10 minuten. Deze norm wordt doorgaans opgenomen op verzoek van omwonenden als extra handhavingsmechanisme. Het idee hiervan is dat het dan op ieder moment mogelijk is te bepalen of een windturbine de norm overschrijdt, in plaats van dat na afloop van een kalenderjaar wordt vastgesteld dat er sprake is geweest van normoverschrijding. Voor toetsing aan de norm kan met het huidige Meet- en rekenvoorschrift geluid windturbines reeds op ieder moment worden gehandhaafd. Middels een bronmeting kan worden geverifieerd of de windturbine voldoet aan de specificaties waarmee het akoestisch onderzoek is uitgevoerd. Voor het bepalen van de jaargemiddelde geluidemissie kan zowel de langjaargemiddelde windverdeling als de windverdeling van het afgelopen kalenderjaar worden gebruikt. Zo kan vanaf moment van in gebruik name handhavend worden opgetreden. Soms wordt beargumenteerd dat zeer hoge piekniveaus worden toegestaan en kunnen worden gecompenseerd met windstillere perioden, waardoor de geluidbelasting in dB L den de norm niet overschrijdt.
Windturbines zijn echter beperkt in de maximale geluidniveaus die ze kunnen veroorzaken.
44
Bijvoorbeeld windpark Horst en Telgt of windpark Haringvlietdam
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 18 van 33
Bij lage windsnelheden draait de windturbine langzamer en wordt ook minder geluid geproduceerd. Echter de rotatiesnelheid van de windturbine neemt op een gegeven moment niet meer toe, waardoor ook de geluidproductie niet meer toeneemt. Afhankelijk van het windturbinetype en locatie ligt het maximale geluidniveau wat een windturbine veroorzaakt circa 2-4 dB(A) hoger dan het jaargemiddelde geluidniveau in de nachtperiode (of: 2-4 dB(A) lager dan de geluidbelasting in dB Lden). Met een begrenzing van het Ldenniveau wordt derhalve ook indirect een beperking gesteld aan het maximale geluidniveau in dB L Aeq. Vanuit het aspect milieubescherming voegt een LAeq-norm naast een Lden-norm niet voldoende toe om te adviseren een dergelijke norm op te nemen. In onderzoek45 uit 2022 worden de mogelijkheden en meerwaarde onderzocht voor het stellen van een afstandsnorm voor windturbines tot woningen, in plaats van of additioneel aan een geluidnorm. Dit gebeurt op basis van een beoordeling van bestaand onderzoek en de praktijk in een aantal landen. Het onderzoek betreft een literatuuronderzoek (er komen geen nieuwe inzichten of nieuwe literatuur naar boven). Het literatuuronderzoek laat zien dat de achtergrond achter de (voormalige) Nederlandse geluidnorm als enige is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek naar hinderbeleving.
De inhoud van de rapportage geeft daarom geen aanwijzingen die aanleiding geven een andere afweging te maken. Naast bovenstaande argumentatie geeft de omgeving van het windpark (zie hoofdstuk 2) geen specifieke aanleiding om een andere norm-systematiek als maat te hanteren bij dit project. Een bescherming tegen de geluidhinder op de omgeving via een maximale L den maat wordt als meest effectief, geschikt en toepasbaar gezien.
3.6 Beoordeling van windturbinegeluid Toepassing rekenmethodiek Om de geluidbelasting te berekenen is een rekenmethodiek vereist die rekening houdt met de specifieke eigenschappen van windturbinegeluid. Bijlage IVi van de Omgevingsregeling (“Meet- en rekenmethode geluid windturbines46”) is specifiek opgesteld voor het berekenen van windturbinegeluid. De overdrachtsberekeningen van deze rekenmethode zijn integraal overgenomen van de “Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai” (HMRI), uitgave 1999 van het Ministerie van VROM, methode II.8. Het HMRI is op zijn beurt op vele fronten vergelijkbaar47 met ISO 9613-2, de volgens de EU-richtlijn aanbevolen methode voor overdrachtsberekeningen voor industriegeluid (windturbinegeluid wordt niet genoemd in de EU-richtlijn). Het Reken- en meetvoorschrift windturbines is gebaseerd op het HMRI, maar is aangevuld met onderdelen die specifiek voor windturbines van belang zijn. Zo komt de beschreven methode om geluidbronmetingen uit te voeren grotendeels overeen met de methode die in IEC 61400-11 wordt beschreven. Daarnaast worden, om de jaargemiddelde geluidemissie van een windturbine te bepalen, windsnelheidsverdelingen beschikbaar gesteld48 op ashoogtes tussen 10 en 260 meter. De betreffende bijlage is daarmee de best beschikbare methode voor het bepalen van windturbinegeluid.
Het windturbinegeluid is berekend met het rekenprogramma Geomilieu® versie v2024.1, module IL-WT. Dit rekenprogramma volgt de Meet- en rekenmethode geluid windturbines. Bij de beoordeling van geluid wordt primair gekeken naar de effecten op geluidgevoelige objecten zoals die zijn gedefinieerd in artikel 1 van de Wet geluidhinder, echter in dit onderzoek is ook breder in beeld gebracht welke gevolgen windturbinegeluid voor de omgeving heeft. 45
Koppen, E. (2022). Onderzoek afstandsnormen windturbines, Arcadis. Bijlage IVi bij Omgevingsregeling, https://wetten.overheid.nl/BWBR0045528/2025-01-01#BijlageIVi 47 CNOSSOS and industrial noise, R. Witte, DGMR, Euronoise 2018 48 https://rekentool.mp.nl/informatie.php 46
Milieunormen 719007 | Energielandgoed Wells Meer | v3 | 6 maart 2025 Pagina 19 van 33
Op basis van voorgenoemde redenen wordt het Reken- en meetvoorschrift windturbines toepasbaar geacht om geluidberekeningen uit te voeren voor windturbinegeluid. De methodiek in het Reken- en meetvoorschrift is de best beschikbare methode waarmee de gevolgen voor het milieu inzichtelijk kunnen worden gemaakt. Kader 3.2 Alternatieve rekenmethodes
In andere landen worden naast rekenmethodes gebaseerd op ISO9613-2 ook rekenmethodes gebaseerd op bijv. NORD2000 gebruikt. Vooral in Scandinavische landen wordt dit rekenmodel gebruikt voor oa. wegverkeer maar ook voor windturbinegeluid. Complexe terreinen (met hoogteverschillen) zijn met NORD2000 beter te modelleren, echter ontbreekt een gedegen vergelijking van de resultaten voor Nederlandse situaties. Ook bij het publiceren van het ontwerpbesluit windturbines leefomgeving (eind 2023) is nog steeds de rekenmethode uit de Omgevingsregeling (en gebaseerd op ISO9613-2) voorgeschreven. Er is derhalve voor gekozen om niet een nieuwe rekenmethode te hanteren, maar om aan te sluiten bij de Meet- en rekenmethode geluid windturbines, gebaseerd op ISO9613-2.