CConstaterende datBergen (L)
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Zienswijzennota inclusief bijlagen (geanonimiseerd)

Gemeenteraad 13 december 2022, gemeente Bergen (L)Bij agendapunt: 1ste herziening bestemmingsplan buitengebied 2018;24.019 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Pagina

buiten de bedrijfsbestemmingis gelegen en initiatiefnemer hiervan geen kennis droeg. Binnenplans kan de overschrijding van het bestemmingsvlak dan ook niet worden gecorrigeerd, waardoor alleen de procedure van bestemmingsplanherziening een oplossing is. Onderhavig voorgestelde wijziging van het bestemmingsvlak heeft per saldo een minimale

verkleining van de bedrijfsbestemming tot gevolg. Indien de aanpassing aan de al jarenlang bestaande situatie ter plaatse van de ontsluiting niet mee zou worden gerekend, dan zou voor

elke m? uitbreiding van de bedrijfsbestemming ten behoeve van het binnen deze bestemming brengen van het bijgebouw, 2 m? bedrijfsbestemming worden gecompenseerd door verruiming van de bestemming Agrarisch met waarden.

Dit voorstel ligt daarmee in de lijn van de in het bestemmingsplan opgenomen algemene afwijkingsbevoegdheid.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit de volgende delen. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2 met een beschrijving van de ruimtelijke ontwikkeling zelf. In hoofdstuk 3 wordt het plan getoetst aan het

geldende ruimtelijke beleid. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in de milieu-planologische aspecten. Hoofdstuk 5 bevat de waterparagraaf. De juridische vormgeving van het bestemmingsplan is neergelegd in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt aandacht besteed aan de uitvoerbaarheid en de procedure.

| bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

|7

Pagina |8

Hoofdstuk2

Ruimtelijke ontwikkeling

Initiatiefnemer ziet de grens van de bestemming Bedrijf ter plaatse van de locatie Bosserheide

53te Well graag in beperkte omvang van vorm veranderd, zodanig dat het vergunde, doch voor

25 m? buiten de bedrijfsbestemming gesitueerde bijgebouw, binnen het bestemmingsvlak Bedrijf komt te liggen. Per saldo zal de bedrijfsbestemmingin oppervlakte hierdoor licht afnemen.

Het voorliggende bestemmingsplan 'Bosserheide53 Well' voorzietin een adequate

planologisch-juridische regeling voor de legalisatie van de afwijkingen van het vigerende bestemmingsplan, welke afwijkingen redelijkerwijs niet weg te nemen zijn zonder een enorme

kostenpost voor initiatiefnemer. Door onderhavige planherziening zal de bestemming Bedrijf om het gehele bijgebouw heen worden gelegd, waarbij tevens het deel van de erfverharding dat toegang biedt tot de zuidoostelijke gevelopening van het nieuwe bijgebouw mee wordt

genomen in de bedrijfsbestemming, en eveneens de deels buiten de bedrijfsbestemming gesitueerde ontsluiting van het bedrijfsperceel. Deze |aatste ontsluiting is , voorzover nagegaan kon worden, al ten minste vanaf 2006 aanwezig en heeft altijd buiten een bouwvlak gelegen, evenalsde verharding aan de achterzijde van het huidige bedrijfsperceel. Deze verhardingen waren reeds aanwezig voordat initiatiefnemer eigenaar werd van de gronden. Een buiten de bedrijfsbestemming gerealiseerd kippenhok is reeds verwijderd, een gemetselde tuinmuur wordt op zeer korte termijn verwijderd, opslag buiten de bedrijfsbestemming is

beëindigd en de te hoge erfafscheiding is inmiddels verlaagd tot de toegestane hoogte. Echter, het in overeenstemming brengen van het bijgebouw met het bestemmingsplan betekent gehele sloop en herbouw op een [ocatie welke elkaar grotendeels overlappen; zowel kostentechnisch

gezien, als ook milieutechnisch gezien is dit niet te verantwoorden. Er zijn verder ook geen zwaarwegende belangen die nopen tot het binnen het vigerende bestemmingsvlak Bedrijf brengen van het bijgebouw. De gebouwde overschrijding van de bedrijfsbestemming beslaat 20% van het gehele gebouw. Op onderstaande tekeningen is de vergunde situering van het bijgebouw te zien, naast de tekening van de |ocatie zoals de realisatie heeft plaatsgevonden. Vergunde situering versus gerealiseerde situering bijgebouw:

siuatie Figuur4: vergund versus gerealiseerd

l bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

Pagina |9

Het plangebied blijft ongewijzigd op de N271 (Bosserheide) ontsloten. Vanaf de uitrit is er vrij zicht op de weg. De ontsluiting was al aanwezig voordat initiatiefnemer eigenaar werd van het perceel.

De ietwat gewijzigde situering heeft geen enkel effect op het aantal verkeersbewegingen of de parkeerdruk; het realiseren van een bijgebouw dat ondergeschikt is aan de hoofdfunctie heeft dan ook geen gevolgen voor de parkeerdruk.

Echter, als gevolg van het feit dat het bevoegd gezag de aandacht van initiatiefnemer heeft

gevestigd op de aanwezigheid van erfverharding buiten de bestemming Bedrijf aan de oostelijke

zijde, heeft initiatiefnemer ook geconstateerd dat de reeds lange tijd bestaande ontsluiting aan de noordzijde óók deels buiten de bestemming Bedrijf is gesitueerd (cq de bestemming Bedrijf niet voldoende ver is doorgetrokken).

Op onderstaande luchtfoto's daterend uit 2006, 2010 en 2015, alsmede op de foto vanaf de openbare weg gezien, is de al ten minste 15 jaar aanwezige erfverharding waar te nemen:

| bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

Pagina |10

k Tijdr

I bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

Pagina |11

Figuur S: lchtfoto's

wa rop erfverharding s te zien en de ontsluting op N271 (Bosserheide)

Als de luchtfoto onderde verbeelding wordt geprojecteerd, is duidelijkte zien waar de discrepanties tussen de planologische situatie en de (oudere) feitelijke situatie zitten:

| bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

Pagina

Dit s ook de oorzaak van de situering van het nieuwe bijgebouw buiten de planologische grenzen maar binnen de grenzen van hetgeen in het veld als te bebouwen deel valtte verwachten.

Omdat er nu een correctie van de grens van de bestemmingen wordt voorgesteld ten behoeve van het binnen de bedrijfsbestemming brengen van het bijgebouw, wi atiefnemer ook graag de ontsluiting geheel binnen de bedrijfsbestemming brengen, om deze strijdigheid ook meteen op te lossen. Door het bovenstaande planologisch te vertalen naar een te gewijzigde verbeelding, wordtde

volgende verschuiving van bestemmingen voorgesteld:

Flguur 7: verschuiving bestemmingen

Deze correcties van de bestemmingsvlakken Bedrijf en agrarisch met waarden heeft geen vergroting van de bedrijfsbestemming tot gevolg. De vigerende bedrijfsbestemming zal met

circa 80 m? afnemen in de noordelijke hoek. Ten behoeve van de overschrijding ter plaatse van het bijgebouw, inclusiefde ruimte om het bijgebouw vanuit poort in de zuidelijke gevel in te rijden, is hier een verruiming van circa 40 m? bedrijfsbestemming noodzakelijk (dus 80 m?

inleveren om 40 m?toe te voegen). Het ook nog eens corrigeren van het bestemmingsplan ter plaatse van de ontsluiting op de openbare weg, leidt per saldo dan nog steeds niet tot een vergroting van het areaal bedrijfsbestemming. Door de correctie zal ook niemand in zijn belangen worden geschaad en worden geen waarden aangetast. Initiatiefnemer meent daarom dan ook dat voornoemd voorstel tot correctie van de

| bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

|12

Pagia

bestemmingsgrenzen in casu voor alle partijen de beste oplossing is.

| bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

113

Pagina |14

Hoofdstuk3

311

Beleidskader

e Infrastructuur en Ruimte

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaaren veilig. Daar streeft het Rijk naar met een

krachtige aanpak die ruimte geef aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere

verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo ontstaat er ruimte voor maatwerk en ontwikkelingen van burgers en bedrijven. In deze structuurvisie schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040: een visie hoe Nederland er in 2040 voor moet

staan. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028 en is aangegeven welke nationale belangen daarbij aan de orde zijn. Deze

tijdshorizon is gesteld omdat in de loop van de tijd nieuwe ontwikkelingen en opgaven kunnen vragen om bijstelling van de rijksdoelen. Voor de ambities zijn rijksinvesteringen slechts een van de instrumenten die worden ingezet. Ook kennis, bestuurlijke afspraken en kaders worden

ingezet. De huidige financiële rijkskaders (begroting) zijn randvoorwaardelijk voor de concrete invulling van die rijksambities. Een actualisatie van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleidis nodig om de nieuwe aanpak vorm te geven. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte

en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende (wereldwijde) omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen die onder andere ontstaan omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. Deze structuurvisie geeft een integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vormt de 'kapstok' voor rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dat betekent dat het

systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van. Het gaat dan

zowel om belangen die conflicteren als belangen die elkaar versterken. Bij nieuwe ontwikkelingen, aanleg en herstructurering moet in elk geval aandacht zijn voor de gevolgen voor de waterhuishouding, het milieu en het cultureel erfgoed.

Deze aspecten zullen met name in hoofdstuk 5, respectievelijk paragraaf 4.6 en paragraaf 4.7 aan de orde komen.

3.1.2

Ladder duurzame verstedelijking

De 'Ladder voor duurzame verstedelijking'is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd. Vanaf 1 juli 2017 moeten ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke

ontwikkeling mogelijk maken worden getoetst aan de nieuwe Ladder Duurzame Verstedelijking. De grondslag voor de nieuwe Ladder-toets is het nieuwe artikel 3.1.6 lid 2 Bro. De toelichting bij

| bestemmingsplan Bosserheide 53 Well

| status: voorontwerp |

Pagina |15

een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die

ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke

ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocatiesof andere stedelijke voorzieningen.’ In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een

stedelijke ontwikkeling wordt bepaald doorde aard en omvang van de ontwikkelingin relatie tot de omgeving.

In casu is er sprake van een ondergeschikte grenscorrectie van de vigerende

bedrijfsbestemming. De Raad van State heeft bepaald dat dergelijke kleinschalige, solitaire plannen niet zijn aan te merken als een stedelijke ontwikkeling, waarop de Ladder duurzame verstedelijking van toepassing is.

3.13

Besluit algemene

regels ruimtelijke ordening

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) zijn een aantal onderwerpen opgenomen waarvoor het rijk uit het oogpunt van de nationale belangen in de Structuurvisie Infrastructuuren Ruimte ruimtelijke regels stelt.

Het plangebied is niet gelegen in een gebied waar onderwerpen van nationaal belang van toepassing zijn en van waaruit het Barro rechtstreeks regels worden gesteld.

3.2

Provinciaal beleid

321

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Op 12 december 2014 is het nieuwe provinciaal omgevingsplan Limburg vastgesteld. Belangrijke principes in dit nieuwe omgevingsbeleid

1.

zijn:

Kwaliteit. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto ‘meer stad, meer land’, het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn,en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien.

2.

Algemene principes voor duurzame verstedelijking. De ladder van duurzame verstedelijking

3.

en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. Uitnodigen. De manier waarop de provincie samen met de partners het voortreffelijke leefen vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De Provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken

die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. Voor wat betreft de projectlocatie geeft het POL 2014 aan dat de omgeving getypeerd kan worden als 'bronsgroene landschapszone’.

l bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp }

Pagina 116

Het beleid is er op gericht om de (huidige) landschappelijke kernkwaliteiten van de bronsgroene landschapszone te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. Ontwikkelingen

binnen de ruimte die het beleid voor de verschillende thema's biedt zijn mogelijk mits de kemnkwaliteiten behouden blijven of versterkt worden ('ja-mits’). In de Omgevingsverordeningis een motiveringsplicht opgenomen

die gemeenten vraagt om in

de toelichting op nieuwe bestemmingsplannen (voor onderdelen van de bronsgroene landschapszone) aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in het betreffende gebied wordt omgegaan. Voor een beschrijving van de kernkwaliteiten in de bronsgroene landschapszone en een globale ruimtelijke duiding wordt verwezen naar de Omgevingsverordening. Bij verlies van natuurwaarden in de bronsgroene landschapszone is compensatie aan de orde.

322

Omgevingsverordening Limburg

De Omgevingsverordening Limburg is in 2014 gewijzigd, tegelijkertijd met de vaststelling van het POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk Ruimte aan de Omgevingsverordening wordt toegevoegd. Dat hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen.

In de bijlage bij de Omgevingsverordening Limburg zijn de kernkwaliteiten weergegeven voor de

bronsgroene landschapszones.

| bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

Pagina

Kemkwaiteit Groene karakter

|17

Wat (do belangrijkste especten} Maderoruimteiikeduiding| Noord enMidden-LimburgzielandschapskaderNoorsenMWidden _ | Specifekper andschapstype Limburg, deel A hoofdstuk4 onder'Landschapseootoge” inLandschepskader Zuid-Umorg

Bronbassen, beken helingbassen, kalkgrastanden. hekehle graslanden

moerassen, bronnen, zinktors, mante en

zoomvegetaties, nelngen met veel graflen, gubbenen

Visueelruimtelijk karakter

holiewegen.

Noord- enMidden-Limburg zie LandschapskaderNoord. en MiddenUmburg, deol A hoofdstuk 4 onder isueeknmteijk

Specitiek per landschapstype inLandschepskader

Zuid-Umturg

Het contmsttussen de open plateaus en dekieinschaligheidvande bronsgoene andsehapszone zoalsrondomdorpen, ophelingenenin

Bronsgroene landschapszone _ | nabijrandenvanpisteaus

(roogjdaien

Cuttuuristorsch erfgoed

Generiek Verwachte entesds bekende archeoiogsche waarden mattes, | Geheelbronsgroene kastelen.historische bourkunrst,historischgeografscheelemertenen _ | tandschapszone (vooralpust, patronen, zoelswegenen kavelpstonen, verdedigingswerken, tijniocatiesen ensembies} ondergrondse kaksteengroeves, heggen.

Noord- enMiddenLimburgzieLandschapskaderNoord enMidóen. Umburg,

Reut

_ | Specitekper landschapstype

deel , hoofdstuk 4 onder"cultutlstorie”

n Landschepskader

Generiek Steilereelingen steitanden,hale wegen, droogaten,

grubben, beekdaen, bron- n kwetzones, vochtigelaagten, breuktreden,

overgangen Maasterssen, geologische ortstuitingen

Noord enMidden-Limburg zieLandshapskaderNoord-enMigden.

Umburg, deel A hoofdstui 4 onder Tandschapskenmeken en “Landschapsecotogi’ en deelbkaart 4

_ | Speciiekperlandschagstpe

n Landschapstader

onderandschapselemerten.

Figuur8: Kernkwalkeiten bronsgroene landschapszones

Op de kaarten behorende bij het Landschapskader Noord-en Midden Limburg zijn er kernkwaliteiten en de doelstellingen weergegeven.

Het plan, inhoudende een beperkte grenscorrectie van de bedrijfsbestemming van het bestaand bedrijf, heeft in het kader van het provinciale ruimtelijke beleid in beginsel geen consequenties. De feitelijke verhardings- en gebruikssituatie is al jarenlang zodanig, dat ter

plaatse van de deels buiten de bedrijfsbestemming liggende erfverharding (ontsluiting) en evenzeerter plaatse van het ten belope van 25 m?in het agrarisch gebied doorgeschoten bijgebouw geen kernkwaliteiten aanwezig zijn. Per saldo zal de omvang van de

bedrijfsbestemming ook niet toenemen, maar juist verlegd worden zodat deze weer correspondeert met de feitelijke gebruiks- en bebouwingssituatie.

In casu is dit niet strijdig met de provinciale planologische doelstellingen in het grote geheel.

L bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

Pagina |18

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Bergen 2030

Op 23 april 2019 heeft de gemeenteraad van Bergen de Omgevingsvisie Bergen 2030 vastgesteld. Door nadrukkelijk de koppeling te Ieggen tussen de aanwezige groene kwaliteiten en de kansen

op het gebied van duurzaamheid wil Bergen zich nog meer

dan voorheen profileren als

‘toekomstbestendige gemeente’. De ‘meest toekomstbestendige gemeente van Nederland’ vormt het hart van Nationaal Park De Maasduinen, biedt een aantrekkelijke omgevingskwaliteit

voor wonen, werken en recreëren en voorziet in de eigen energiebehoefte. Daar horen dorpen bij die alle ruimte krijgen om hun eigen identiteitte behouden en te versterken. (Nieuwe) ontwikkelingen dienen bij te dragen aan het realiseren van een aantrekkelijke omgevingskwaliteit via ruimtelijke kwaliteitsverbetering en landschappelijke inpassing.

|__ de

G

ee

,

Mansdsen

Figuur : uitsnede visiekaart

De omgevingsvisie bepaalt dat niet agrarische bedrijven primair gevestigd dienen te worden op bedrijventerreinen. Echter, in casu gaat het niet om de vraag of al dan niet een bedrijf wordt gevestigd aan Bosserheide 53, maarde vraag of een grenscorrectie strijdigis met de omgevingsvisie.

Het plan, inhoudende een beperkte grenscorrectie van de bedrijfsbestemming van het bestaand bedrijf, heeft in het kader van het gemeentelijke ruimtelijke beleid in beginsel geen consequenties. De feitelijke verhardings- en gebruikssituatie is al jarenlang zodanig, dat ter plaatse van de deels buiten de bedrijfsbestemming liggende erfverharding (ontsluiting) en

evenzeerter plaatse van het ten belope van 25 m2in het agrarisch gebied doorgeschoten bijgebouw, geen bosgebied aanwezig is. Per saldo zal de omvang van de bedrijfsbestemming ook niet toenemen, maar juist verlegd worden zodat deze weer correspondeert met de feitelijke gebruis- en bebouwingssituatie.

In casu is dit niet strijdig met de gemeentelijke planologische doelstellingen in het grote geheel. L bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

Pagina

Hoofdstuk4 41

|19

Milieu-planologische aspecten

Geluidhinder

De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer

woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf

aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48B (art. 82 Weh).

Het plangebied is direct langs de N271 (met een geluidszone van 200 meter) gelegen. Aangezien een bijbehorend bouwwerk geen verblijfsfunctie heeft, is er geen sprake van een geluidgevoellig object en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk.

Spoorweglawaai

In de nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn gesitueerd. De spoorlijn, Venlo-Nijmegen bevindt zich op een afstand van ruim 5,5 km ten westen van het plangebied.

4.2

Bodem-en

grondwaterkwaliteit

In het kader van het onderhavige plan wordt binnen het plangebied geen nieuwe bodemgevoelige functie toegelaten; het bijbehorend bijgebouw heeft immers geen

verblijfsfunctie maaris uitsluitend bedoeld als stallings-/opslagruimte.

43

Luchtkwaliteit

43.1

Kleine en grote projecten

De regels inzake luchtkwaliteit kennen het onderscheid tussen 'kleine' en grote’ projecten. Kleine projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd

grote projecten dragen juist wel 'In betekenende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip ’In betekenende mate' precies inhoudt, staat in het Besluit “Niet n betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”.

Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten - die jaarlijks meer dan 3 procent van de

grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM en NO, bijdragen- een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.

| bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status:

voorontwerp }

Pagina |20

43.2

Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwal

tseisen)

Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onderc‚ van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)). Het gaat hierbij

om de volgende categorieën:

3.

inrichtingen

b.

infrastructuur

c

kantoorlocaties

d.

woningbouwlocaties

Voor woningbouw

geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in

geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 38.2 Regeling NIBM). Het onderhavige project valt met de verschuiving van het bijgebouw met circa 2 meterten

opzichte van de situering zoals vergund, zonder meer onder de Regeling NIBM. Deze verschuiving heeft geen enkel effect op het aantal verkeersbewegingen. Luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het project.

44

Natuur

441

Gebiedsbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wn) in werking getreden. Op onderstaande

afbeelding is de ligging van het plangebied te zien ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Het lichtgroene vlak betreft het Natura 2000-gebied de Maasduinen (op een afstand van circa 55 m van het plangebied en 100 m vanaf het bijgebouw).

. EHS

a

g

| bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

Pagina |21 Figuur 10: Ligging ten opzichte van Natura 2000 gebieden

Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dientte vinden naar de

stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositieen worden negatieve effecten uitgesloten.

De relevante emissies van stikstofoxiden (NO,) en ammoniak (NH,) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de aanvoer van materialen en personen en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie ten behoeve van de realisatie van het

plan. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats doorde verkeersbewegingen van en naar het plan. Deze verkeersbewegingen zullen als gevolg van het feit dat het bijgebouw

een ondergeschikte functie betreft, niet wijzigen. Het bijgebouw is reeds vergund en voor de effecten op de Maasduinen is het niet relevant of het bijgebouw wordt gesitueerd waar het vergund is, of 2 meter verder, zijnde niet dichter bij de Maasduinen.

Het maken van een berekening van het projecteffect voor de gebruiksfase met gebruikmaking van het programma Aerius Calculator heeft daarom geen (meer)waarde.

Voorde stikstofdepositie op de Maasduinen is het overigens uitsluitend positief indien het

bestemmingsplan wordt aangepast aan de verschoven situering van het bijgebouw (administratieve handeling zonder stikstofemmissies), in vergelijking met de sloop en wederopbouw van het bijgebouw (feitelijke handeling die emissies tot gevolg heeft). Dit pleit voor het oplossen van de door initiatiefnemer onbewust veroorzaakte strijdigheid via een grenscorrectie van de bestemmingen.

In de volgende paragraaf zal ingegaan worden op mogelijke aantasting van flora en fauna. 442

Soortenbescherming

Met de Wet natuurbescherming (Wn) wordt een eind gemaakt aan de discussies over de

implementatie van de Europese richtlijnen. In artikel 3.1 Wn wordt direct een link gelegd met de Vogelrichtliijn. Alle vogels die beschermd zijn op grond van artikel 1 Vogelrichtlijn vallen onder het beschermingsregime van de artikel 3.1 Wn, voor zover deze vogels van nature in Nederland

voorkomen. Artikel 3.1 eerste lid Wn ziet op het verbod om vogelste doden of vangen. De verboden in de Wn zijn

vrijwel Ietterlijk overgenomen uit de artikelen 5 en 6 Vogelrichtlijn. Net

als de in de Vogelrichtlijn zijn de verboden beperkt tot opzettelijke handelingen. Het

beschermingsregime voor vogels is iets versoepeld ten opzichte van het systeem onder de Flora en faunawet. Het verbod op het opzettelijk verstoren van vogels is beperkt tot verstoringen die van “wezenlijke invloed” zijn op de staat van instandhouding van de soort. Onder wezenlijke invloed wordt

verstaan: “een wezenlijke negatieve invloed op een beschermde soort”. Of daar

sprake van is hangt af van de populatie van de diersoort. Hoe zeldzamerde soort hoe groter de

kans dat naar bijvoorbeeld een lokale populatie moet worden gekeken. Daarnaast is van belang of de populatie een negatief effect zelf teniet kan doen, bijvoorbeeld of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders. Als een populatie het effect niet zelf teniet kan doen is de kans groter dat het effect als wezenlijke invloed kan worden aangemerkt.

I bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

Pagina |22

Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaaris

De wet voorziet in ruime mogelijkheden voor het verlenen van vrijstellingen, ook voor vogels en strikt beschermde soorten. Bij het verlenen van de vrijstelling moet aan dezelfde voorwaarden worden voldaan als bij het verlenen van de vroegere ontheffing. Een ontheffing van een verbod ex artikel 3.1 W

kan slechts worden verleend indien:

*

ergeen andere bevredigende oplossing voorhanden is;

* *

ergeen sprake is van verslechtering van de staat van instandhouding van de soort; enereen limitatief opgesomde ontheffingsgrond aan de ontheffing ten grondslag kan worden gelegd.

Quickscan flora en fauna

Het plangebied is in gebruik als bedrijf. Voorde realisatie van het bijgebouw is op 14 november 2017 een omgevingsvergunning verleend. Het gebouw is op een iets andere locatie gerealiseerd. Of ten tijde van de bouw een verstoring van flora en/of fauna heeft plaatsgehad, valt nu niet meerte achterhalen. Nu de bebouwingis gerealiseerd en onderhavige bestemmingsherziening

slechts een administratieve handeling is welke leidt tot een nieuwe begrenzing van de bedrijfsbestemming welke correspondeert met de bebouwings- en gebruikssituatie, kan dat in deze fase niet leiden tot een verstoring van flora en fauna.

Het uitvoeren van een ecologisch onderzoek heeft nu geen meerwaarde. Ten overvloede wordt gewezen op de algemene zorgplicht welke in artikel 1.11 van de W

is

opgenomen.

4.5

Externe veiligheid

45.1

Risicovolle inrichtingen (Bevi)

De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Beví heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotelsen winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10$/jr.

Bij het nemen van een planologische besluit (zoalsde vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contourin acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 10%/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldtde contour als richtwaarde, d.w.z. in

principe moet PR 10/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken.

Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsrisico (GR). Het groepsgebonden risico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron.

L bestemmingsplan Bosserheide

3 Well | tatus: voorontwerp |

Pagina |23

De realisatie van een bijbehorend bouwwerk bedoeld voor de stalling van voertuigen en opslag is geen kwetsbaar object. Volgens de Rísicokaart van de provincie Limburg liggen n de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen. De dichtstbijgelegen risicovolle

inrichting ( LPG-vulpunt Moleneind 19 Well, met een PR-contour 10/jr. van 45 m en een contour voor de verantwoording van groepsrisico van 150 m) ligt op een afstand van meer dan 900 m en behoeft derhalve niet verder beschouwd te worden.

Het project ligt niet binnen

het invloedsgebied voor GR dan wel een binnen een PR-contour

10%/jr. van enige risicovolle inrichting.

Het aspect externe veiligheid staat derhalve niet aan het project in de weg.

4.5.2

Vervoer gevaarlijke stoffen

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de

omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt

de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor.

In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. De dichtstbijzijnde weg waarover vervoer

van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is Bosserheide zelf

(provinciale weg N271). De PR-contour 10°/jr bedraagt hier 0 meter; het bijgebouw ligt op een afstand van ongeveer 19 meter van deze weg. Ditis circa 2 meter verder dan de situering waarop de omgevingsvergunning zag. Door een grotere afstand aan te houden, neemt het externe veiligheidsrisico af.

De dichtstbijzijnde waterweg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de

Maascorridor. De PR-contour 10%/jr bedraagt ook hier 0 meter; het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 1,5 km van de Maascorridor.

Echter, zoals in voorgaande subparagraaf is opgemerkt, is er geen sprake van een kwetsbaar object.

46

Milieuzonering

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende

ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering’.

| bestemmingsplan Bosserheide S3 Well | status: voorontwerp }

Pagina 461

|24

en en Milieuzonering; Staat van bedrijfsactiviteiten

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd een Staat van

bedrijfsactiviteiten die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering’, van maart 2009. In deze Staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Per bedrijfsactiviteit s voor elk ruimtelijk relevante

milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijfen milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden.

Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden

worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied’, dat gezien de aanwezige

functiemenging of ligging nabij drukke wegenal een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval i het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. 4.6.2

Invloed milieuhinderop het plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied, maar tegen de rand van de bebouwde kom van Well.

De op basis van het vigerende bestemmingsplan toegestane bedrijfsactiviteiten in de vorm van

handel in kozijnen (hout en andere bouwmaterialen) wijzigt als gevolg van onderhavige

'grenscorrectie’ in het geheel niet. Dit betekent dat de verschuiving van het bijgebouw geen enkel effect heeft op het aspect milieuzonering. Milieuzonering staat derhalve niet aan de ontwikkeling in de weg.

4.7

Archeologie

Ten aanzien van archeologie is het uitgangspunt dat het archeologisch erfgoed moet worden

beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Dit vloeit voort uit het Europese Verdrag van Valetta (1992) inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed en de Wet op de archeologische monumentenzorg.

Op 13 november 2012 heeft de gemeenteraad de "Nota Archeologiebeleid Bergen” vastgesteld. Hiermee is de Wetop de archeologische monumentenzorg geïmplementeerdin het

gemeentelijke beleid. Op basis van de inventarisaties is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.

Op de archeologische beleidskaart (zie onderstaand) is het plangebied aangeduid als categorie 6.

Lbestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

Pagina

|25

Archeologische beleidskaart Gemeente Bergen

aedweogeh ienate boereeten

[“o»rxg

m

e

e

vgens AK

Figuur 11: uitsnede archeologische beleidskaart

Categorie 6:

*

gebieden van |age archeologisch verwachting

*

geen onderzoeksplicht

4.8

Kabels, leidingen en straalpaden

481

Gas-, olie-, brandstof: of watertransportleidingen en hoogspanningskabels

In het Bes|uit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor buisleidingen; exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn en gemeenten moeten buisleidingen in hun

bestemmingsplannen opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen.

In de omgeving van het plangebied liggen geen Ieidingen welke impact kunnen hebben op het plangebied.

48.2

Obstakelbeheer- en radarverstoringsgebied

Het plangebied bevindt zich niet binnen een straalpad van telecomvoorzieningen. Wel ligt het

plangebied in het radarverstoringsgebied dat hoort bij de radar die staat op vliegbasis Volkel. Objecten hoger dan 65 meter boven NAP binnen een straal van 28 km van het radarstation

kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en zijn derhalve in beginsel niet toegestaan. Gelet op de via de planregels toegestane bouwhoogte en de hoogteligging van het

plangebied, zullen de "objecten" niet boven 65 meter boven NAP uitkomen en vormt het plan geen belemmering voorde radarverbinding.

Gelet op het bovenstaande is het evident dat met de ondergeschikte wijzigingen (grenscorrecties) in het onderhavige bestemmingsplan de belangen van defensie niet worden geschaad.

l bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

Pagina

Hoofdstuk5 5.1

|26

Waterparagraaf

Uitgangspunten en randvoorwaarden waterhuishoudkundig

systeem Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Bergen als van het Waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden.

Concreet betekent dit dater

sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt.

Vanuit het waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten:

1.

Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van

omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. 2.

Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlasten erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebieden andersom

3.

Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen.

4. 5.

6.

Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Schoonhouden, scheiden, zuiveren. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform

voorkeurstabel; maatwerk per situatie, Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen. 7.

Voldoende opvangcapaciteiten een duurzame leegloop realiseren. Infiltratie- en

bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uurten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur.

8.

Beheeren onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid.

5.2

Toepassing wateruitgangspunten op het plangebied

5.21

Hemelwater

Binnen het plangebied moet een duurzaam waterhuishoudkundig systeem aanwezig zijn om de

hoeveelheidregenwaterte verwerken dat geletop het ter plaatse aan de orde zijnd (nieuw) afvoerend verhard oppervlak binnen het plangebied valt.

De K-waarde (geeft de mate van infiltratiegeschiktheid aan) van het plangebied bedraagt volgens de kaart inzake de bodemdoorlatendheid (K-waarde) van de gemeente Bergen van het waterschap 1,5-10 m/dag. De onderhavige gronden zijn derhalve zeer geschikt voor hemelwaterinfitratie.

De wijze van infiltreren van het hemelwater is door het bevoegd gezag reeds getoetst bij de

l bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

Pagina

127

verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van het bijgebouw. De verschuiving van het bijgebouw tot 2 meter over de bestemmingsgrens doet niet af aan het feit dat het op het verhard oppervlak neerslaande hemelwater onverkort op eigen perceel wordt geïnfiltreerd. Bouwmaterialen

De gemeente Bergen streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Ook dit is een aspect dat niet wijzigt als gevolg van een iets andere situering van het vergunde bijgebouw.

5.2.2

Afvalwater

Het huishoudelijk afvalwater zal eveneens op de bestaande riolering geloosd worden.

5.3

Overleg Waterschap

Vooroverleg met en advies van het waterschap Limburg is als gevolg van het zeer marginale omvang en impact van het project niet noodzakelijk.

l bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

Pagina 128

Hoofdstuk6 6.1

Juridische vormgeving

Algemeen

Het bestemmingsplan heeft als doe! het planologisch-juridisch kaderte geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invullingis gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: °

plantoelichting

°

planregels;

°

verbeelding.

Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Waar

dat noodzakelijk was , is afgeweken van de standaard en is het plan specifiek toegesneden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012:

* _ Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; * _ PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012;

* _ Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012.

6.2

Planmethodiek

Eris, volgens de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeeldingen regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik.

Om de uniformiteitin de wijze van bestemmen te bewaren, zijn de regels en verbeelding opgesteld op basis van het vigerend planologisch regime (bestemmingsplan Buitengebied 2018).

6.3

Verbeelding

n de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een

bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de

leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi.

Opgemerkt wordt nog dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen, immers de wijze van raadplegen is ook verschillend. Inhoudelijk zijn geen verschillen te vinden.

l bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | status: voorontwerp |

Pagina |29

6.4

Planregels

De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, in bestemmingsregels, in algemene regels en in overgangs- en slotregels.

De Inleidende regels (hoofdstuk 1} bestaan uit begrippen en de wijze van meten, teneinde te

voorkomen dat discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In de Begrippen (artikel ) wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als gebruikte begrippen niet in deze lijst voorkomen, dan geldtde uitleg/interpretatie conform het dagelijks taalgebruik.

In het artikel over de "Wijze van meten" (artikel 2) worden de te gebruiken meetmethodes vastgelegd.

Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de doeleindenomschrijving weergegeven voor welke

doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Indien er sprake zou kunnen zijn van conflicterende belangen, is er een nadere detaillering van de doeleinden opgenomen waarin

wordt vermeld welke doeleinden prevaleren. Vervolgens wordt in de bebouwingsregeling aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en ‘maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader

ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen

waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht.

In de Algemene regels (hoofdstuk 3) zijn opgenomen de Anti-dubbeltelbepaling, de algemene bouwregels, de algemene ontheffingsregels, de algemene wijzigingsregels, de algemene procedureregels voor wijzigingen, ontheffingen en nadere eisen en de overige regels. In de Overgangs-en slotregels (hoofdstuk 4) zijn het overgangsrechten de slotregel opgenomen.

l bestemmingsplan Bosserheide 53 Well | tatus: voorontwerp |

Pagina |30

Hoofdstuk7

Procedure en maatschappelijke en

economische uitvoerbaarheid 7.1

Economische

uitvoerbaarheid

De realisatie van het project geschiedt door en voor rekening van initiatiefnemer. De gronden zijn in eigendom van initiatiefnemer.

Kostenverhaal zal geregeld worden in een tussen de gemeente Bergen en de initiatiefnemeraf te sluiten anterieure overeenkomst. Door de vaststelling van deze anterieure overeenkomst is

het verhaal van de gemeentelijke kosten van de grondexploitatie over de in dit plan begrepen gronden afdoende verzekerd

Tenslotte wordt in deze overeenkomst ook een planschadeverhaalsbeding zoals bedoeld in art.

6.4a Wro opgenomen. Hoewel de kans op een vergoedbare planschadeclaim niet aannemelijk is, wordt hierdoor gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Bergen komt maar voor

rekening van de initiatiefnemer.

7.2

Maatschappelijk uitvoerbaarheid

7.21

Procedure

Elk nieuw bestemmingsplan ontstaat uit een initiatief. De totstandkoming begint met de beslissing dat een bestemmingsplan zal worden opgesteld.

Artikel 3.8 Wro regelt de procedure van het bestemmingsplan. Op de voorbereiding van een

bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij zijn een aantal aanvullingen: *

kennisgeving, zoals bedoeld in artikel 3:12 Awb, dient tevens te worden gepubliceerd in de Staatscourant en langs elektronische weg te worden verzonden;

* _ hetontwerpbestemmingsplan dientte worden verstuurd aan het Rijk, provincie, waterschappen en aan de besturen van bij het plan een belang hebbende gemeenten; * kennisgeving aan de eigenaren van percelen welke de bestemming in de naaste toekomst zal worden verwezenlijkt;

*

dooreen ieder kunnen zienswijzen naar voren worden gebracht;

* _ de gemeenteraad dient binnen 12 weken, na de ter inzage termijn beslissen omtrentde vaststelling van het bestemmingsplan.

Binnen twee weken wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Indien door

Gedeputeerde Staten (GS) een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen, dan vindt bekendmaking plaats binnen zes weken na vaststelling. Dit geldt tevens indien de gemeenteraad wijzigingen aanbrengt in het ontwerp. In deze gevallen zend het college na vaststelling onverwijld een afschrift van het raadsbesluit aan GS.

Indien het Rijk of de provincie gebruik wil maken van haar aanwijzingsbevoegdheid gaat deze termijn niet op. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt dan, met uitsluiting van het onderdeel waarop het aanwijzingsbesluit ziet, samen met het aanwijzingsbesluit bekend gemaakt.

Het besluit treedt in werking 1 dag na afloop van de beroepstermijn.

| bestemmingsplan Bosserheide S3 Well | status: voorontwerp |

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12033398/1