Bijlage 2 Toekomstgerichte Landbouwsystemen
Tekst van het document
Onderbouwing Minder relevant, want niet-bodemgebonden systeem. Gesloten systeem. Waterbeschikbaarheid is aandachtspunt. Gesloten systeem. Waterbeschikbaarheid is aandachtspunt. Schaal, maat en type is niet in- aan te passen aan natuur- en landschapsondersteundend karakter van de overgangszone. Schaal, maat en type niet passend bij karakter en natuur-/ klimaatadaptatie doelen. Schaal, maat en type niet passend bij cultuurhistorische waarden. Niet relevant vanwege gesloten systeem. Belangrijk vanwege veel/ grootschalige aan- en afvoer van voer, producten, mest. In geval van gesloten systeem niet relevant. Goede energievoorziening is belangrijk, maar niet ruimtelijk te duiden. Legenda: Kansrijk Biedt extra kansen Ongeschikt Minder relevante dimensie
60
Beoordeling Bergen Ook hier geldt dat de ligging t.o.v. grotere infrastructuur en de beschikbaarheid van energie vooral van belang zijn. Na realisatie van de geplande zonnepark op het energielandgoed zou met name voor een plantaardige “agropark” concentratie rond Tuindorp wellicht ruimte zijn. Dit is niet heel anders dan een huidige glastuinbouwconcentratie, maar (nog) meer gericht op kringlopen en duurzaamheid. Deze thema’s hebben overigens ook in de gangbare tuinbouw veel aandacht. De acceptatie van glastuinbouwcomplexen is gemiddeld genomen groter dan van grote stallen. Landschappelijke inpassing en lichtvervuiling blijven belangrijke aandachtspunten. Martha Bakker, leerstoelhouder Land Use Planning Group aan de Wageningen Universiteit, stelt een toekomstvisie voor het landelijk gebied voor, gericht op ruimtelijke inrichting en bredere problemen dan alleen stikstof. Ze identificeert diverse problemen, waaronder biodiversiteitsverlies, stikstofdepositie, ontwateringsefficiëntie en conflicten rond intensieve veehouderij. Haar oplossing omvat een nieuwe landschapsindeling/zonering, waarin wat haar betreft agroparken een belangrijke rol spelen. Zoals gezegd hebben wij – zeker voor wat betreft de dierlijke variant daarvan –sterke twijfels bij de haalbaarheid en wenselijkheid daarvan. 4.3.10 Samenvatting van de bevindingen De analyse m.b.t.
de kansen van voor de verschillende landbouwtypen in Bergen is als volgt kort samen te vatten: • Langs de Maas is ruimte voor veehouderij: o Geschikt voor grasland (en het is wenselijk om veel van huidige grasland te behouden i.v.m. het lagere uitspoelingsrisico en betere CO 2-vastlegging). o Gemengde bedrijven met deels eigen extensieve akkerbouw of regionale samenwerking voor teelt van graan/voer/voedsel, bijv. met bedrijven in het noordoosten van de gemeente. o Extensieve veehouderij lukt alleen bij lage pachtprijzen. Om bedrijven rendabel te maken/houden is het gewenst dat natuurgronden tegen hele lage prijzen of om niet beschikbaar gesteld worden door TBO’s (soms zelfs bijbetalen), in ruil voor (beperkte) opbrengst en arbeid onderhoud. In die gevallen zijn bedrijven met ca. 100 koeien + jongvee op 100 ha (1,2 GVE/ha) een optie, waarop deels graan en voederbieten worden geteeld. o Zonder derogatie is een veebezetting van 1,7 à 2,3 GVE/ha realistisch. In uitspoelingsgevoelig gebied zal dit eerder onder de 2,0 zijn dan erboven. Voor huidige bedrijven met meer dan 2,5 GVE/ha is het zeer moeilijk om de veebezetting rendabel terug te schroeven. o Vaste samenwerkingen met akkerbouwers voor mestafzet en reststroomgebruik zijn een goede optie: dit geeft de mogelijkheid om meer vee te houden (bijv. op eigen bedrijf 3 GVE/ha met mestafzet buiten het bedrijf in de regio).
• In het noordoosten van de gemeente is ruimte voor meer gewasteelt: lagere uitspoelingsgevoeligheid en hogere opbrengsten, dus kan ook wat intensiever, met hergebruik van reststromen op eigen land en bijv. bokashi voor veehouders. • Rond de Maasduinen verdient het aanbeveling om aandacht te besteden aan de mogelijkheden voor biobased teelten die beperkt mest en gewasbescherming nodig hebben. • Precisielandbouw is sowieso breed in opkomst en goed te benutten in de intensievere landbouw.
61
•
• •
Hokdierbedrijven met gebruik van reststromen: in principe mogelijk, maar sterk afhankelijk van de invulling van het NPLG, LPGL en eventueel GPLG (piekbelasters, vergunningsruimte i.v.m. overgangszone N2000 Maasduinen). Algemeen: schaalvergroting zal nog steeds doorzetten, mede in het kader van rendabel maken verduurzamingsinspanningen (technische maatregelen). Toch hebben we agroparken voorlopig geparkeerd: o Energiebeschikbaarheid en grote infrastructuur (voorlopig) beperkt. o Ruimte voor dierlijke agroparken beperkt tot de Flammert, maar de ligging tegen Maasduinen en Nieuw-Bergen aan roept vraagtekens op v.w.b. ruimtelijke wenselijkheid en draagvlak.
62
5
Marktanalyse
Eerder hebben we in § 2.2 het internationale agrifoodcomplex beschreven. De invloed op de wereldmarkt vanuit een individuele gemeente is beperkt. We hebben ons daarom hieronder vooral gericht op de lokale/regionale marktkansen. 5.1
Algemeen
De Wageningen UR concludeert in haar rapport Korteketenproducten in Nederland dat supermarkten de belangrijkste afzetpartij zijn voor korteketenproducten, gevolgd door horeca en boerderijwinkels. Deze partijen hebben beperkt beleid specifiek voor korte ketens. Het beleid van korte ketens is vaak gebaseerd op duurzaamheidsinitiatieven. Korteketenproducten, ook bekend als lokale of regionale producten, leggen de nadruk op korte transportafstanden, de boer als gezicht van het product, en minimale schakels tussen boer en consument. In de traditionele horeca kiezen ondernemers vaak voor korteketenproducten om zich te onderscheiden van concurrenten en regionaal in te kopen. De regionale inkoop van cateringbedrijven gebeurt meer in opdracht van overheden 6. Supermarkten zien korteketenproducten als een middel om te verduurzamen, kosten te besparen (minder schakels), zich te profileren in de markt en om de versheid van de producten te benadrukken. Korteketenproducten zijn daarnaast beschikbaar via boerderijwinkels, speciaalzaken, markten en online directe verkoop. Volgens de Europese definitie, waarbij maximaal één schakel tussen boer en consument is toegestaan, vormen boerderijwinkels, online verkoop door boeren en marktkooplui minder dan 1% van de totale voedingsmiddelenmarkt in Nederland.
Bij een bredere definitie, waarbij maximaal twee ketenpartijen tussen boer en consument aanwezig zijn, wordt het marktaandeel ingeschat tussen de 3 en 4%. Om het marktaandeel van korteketenproducten te vergroten, identificeert de WUR de volgende handelingsperspectieven: • Professionalisering op het gebied van kwaliteit, toegevoegde waarde, data, transparantie, voedselveiligheid, marketing, story-telling, logistiek en bestelsystemen. • Stimuleren van de vraag bij consumenten. • Bewustwording bij verkoopkanalen over integratie van korte ketens in hun bestaande manier van werken. In het rapport Duurzaamheid lokaal en regionaal voedsel trekt de WUR de conclusie dat korte keten producten niet per definitie duurzamer zijn, ook niet als de afstand tussen producent en consument korter is. Ze typeert ook de voedselinitiatieven met lokale en regionale afzet van producten in één interessant overzicht (zie Figuur 5-1). In de figuur vertegenwoordigen de kleuren de volgende typen initiatieven: • • •
oranje: initiatieven van boeren/ondernemers; groen: initiatieven van boeren/ondernemers en burgers samen; blauw: initiatieven van burgers.
6 Bijv. het contract dat de Dienst Justitiële Inrichtingen heeft gesloten, o.a. gericht op “verduurzaming en het
inkopen van producten en diensten uit de regio van de locaties” 63
Figuur 5-1 Voedselinitiatieven met lokale en regionale afzet van producten met bijbehorende kenmerken
Het inkomen van de burger is een van de bepalende assen in het schema. Het gemiddelde inkomen in de gemeente Bergen ligt lager dan het Nederlands gemiddelde. Op de ranglijst van de 342 gemeenten nam Bergen in 2021 de 266e plaats in, in 2020 de 280e. Dit maakt de inwoners van de gemeente zelf een minder voor de hand liggende doelgroep voor specialiteiten in de supermarkt of een Herenboeren-locatie. In de omliggende gemeenten is een veelvoud aan potentiële klanten beschikbaar: Tabel 5.1 Aantal inwoners en plaats op de inkomensranglijst per gemeente in de regio
Gemeente Bergen Land van Cuijk (Boxmeer) Venray Gennep Goch Kevelaer Totaal
Aantal inwoners 13.000 91.500 43.500 17.000 34.500 28.000 227.500
Rang inkomen 2021 266 282 204 232 -
De drie omliggende Nederlandse gemeenten scoorden echter niet heel veel beter dan Bergen op de ranglijst van gemiddeld inkomen per inwoner, maar de spreiding binnen de populatie en het grote aantal inwoners maakt de kans dat er voldoende potentie is wat groter. Aan de linkerkant van het schema is sowieso de binding consument-producent minder sterk, dus die voldoet minder aan de wens van de gemeente om daar op te ontwikkelen. Rechts onderin het schema bevinden zich de burgerinitiatieven, waarbij de landbouw minder centraal staat. De typen die overblijven, waarbij landbouw wel een belangrijke rol speelt, zijn boerderijwinkels, CSA’s en Herenboeren. Hoewel Herenboeren zichzelf niet beschouwt als Community Supported Agriculture, maar als CBA (Community Based Agriculture), zullen we ze in de analyse gezamenlijk bekijken. 5.2
Boerderijwinkels
In en om Bergen zijn (zowel in Nederland als Duitsland) diverse bedrijven actief in de directe verkoop van agrarische producten aan consumenten. We zijn bij onderstaande opsomming uitgegaan
64
van de gegevens op de website https://lekkerder.nl/region/limburg. In een afstand van 25km rond Bergen liggen de volgende bedrijven 7:
Figuur 5-2 Overzicht Nederlandse boerderijwinkels in en om gemeente Bergen
Gezien de vuistregel van 15km focussen we ons op de eerste twee rijen uit de resultaten:
7 Geen uitputtende lijst: er zijn ook meer seizoensgebonden winkels met gemiddeld genomen een kleiner
assortiment, die niet op de lijst voorkomen. 65
•
•
• •
• • • •
Boerderijwinkel Cornelissen ligt in het centrum van de gemeente (en in het centrum van Nieuw-Bergen) en lijkt meteen de meest professionele en complete boerderijwinkel met breed assortiment, maar zonder professionele website. Boerderij Geitengeluk in Siebengewald heeft die website wel, inclusief webshop waar eigen geitenkaas, eigen eieren en eigen varkensvleesproducten kunnen worden gekocht. Maatschap Jeuken-de Swart in Oostrum, maar ze verkopen hun aardbeien en asperges alleen via hun eigen winkel en automaat. Bij Beckershof in Wellerlooi is veel kleiner en verkoopt via een verkoophokje naast eieren alleen de producten die ze zelf overhebben (o.a. kersen, courgettes, komkommers, tomaten, pompoenen, kruiden, rabarber, pruimen, appels etc.). De Meisjes van Wis in Broekhuizervorst heeft ook geen website en verkoopt alleen eigen zuivelproducten (melk, kaas en ijs) in hun eigen winkel. Oma’s Kip in Castenray verkoopt kipvlees aan huis, maar bezorgt ook soms aan huis en verzorgt complete barbecues. Ook in Castenray zit rundveebedrijf Vleis van Striebos. Ze hebben geen volwaardige webpagina, maar wel een Facebookpagina die ze heel regelmatig bijhouden. Op Landgoed de Gortmeule worden vooral zelf-geteelde en gemaakte biologische houdbare producten verkocht, en scharreleieren en honing uit de regio.
We verwachten niet dat er veel ruimte is voor veel extra locaties met huisverkoop, als die daar een substantieel deel van hun inkomen uit moeten kunnen halen. Aan de Duitse kant van de grens zijn ook diverse winkeltjes beschikbaar met zelf geteelde, grootgebrachte en/of verwerkte producten. Rond Goch zijn een aantal “Bauernladen” actief. Sommigen daarvan hebben een website, anderen niet (en zijn dus lastiger van afstand te beoordelen). Degenen die rond Goch zitten, aan de kant van Bergen en met website staan hieronder opgesomd: • Spargelhof Ketelaars in Goch-Hülm: verkoopt alleen asperges in het seizoen aan huis. • Baurencafé Mönichshof bedient klanten met een horecafunctie i.p.v. met een winkel. • Bij Bioland Bodden draait alles om hun kipproducten. Ze houden dubbeldoelkippen, dus verkopen zowel kipvlees als eieren en eiproducten. • Heiderhof Weeze (tussen Goch en en Weeze) heeft een breder assortiment, met groente, fruit, zuivel en vlees, te koop in hun boerderijwinkel. • Bauernmarkt Lindchen ligt op zo’n 27km rijden vanaf het centrum van Nieuw-Bergen (in Uedem-Keppeln, achter Goch). Het is een wat grotere boerderijwinkel, met een verzameling aan producten van meerdere producenten uit de regio, waar ook bestellingen online geplaatst kunnen worden. Rond Kevelaer zien we een vergelijkbaar beeld: • Johannes van Bracht in Kevelaer: asperges, aardappelen en eieren.
• Cafe zum Schafstall in Kevelaer bedient klanten weer meer met horeca en verkoopt los lamsvlees. Net als in Nederland zijn er rond Kevelaer wel meer aspergetelers die in het seizoen hun eigen asperges aan huis verkopen. De indruk is dat er in Duitsland meer boerderijcafés zijn, maar dat de verkoop van eigen producten minder professioneel georganiseerd is dan in Nederland. Zo hebben de Duitse boerderijwinkels in de regio op één na geen webshop.
66
5.3
Community Supported Agriculture
De afgelopen jaren is het aantal CSA’s sterk toegenomen. In een CSA gaan boeren en leden onderling een samenwerking aan, waarbij de consumentleden zich voor een langere tijd verbinden aan het afnemen van de producten van één of meerdere boeren of producenten. Ze delen samen de verantwoordelijkheden, risico’s en opbrengsten van het boerenbedrijf. Leden van een CSA weten dus precies waar hun eten vandaan komt. Behalve duurzaam geproduceerd voedsel levert een CSA vaak ook andere waarden zoals zorg voor biodiversiteit, een gezonde bodem of een lagere klimaatvoetafdruk. Ook sociale waarden spelen mee: het vormen van een duurzame lokale gemeenschap, zinvolle werkgelegenheid en toegankelijkheid van het boerenland. Er zijn meerdere vormen van CSA: • CSA tuinderij, boerderij of bijvoorbeeld bakkerij. Een productiebedrijf (tuinderij, boerderij of bakkerij) heeft burgerleden, die zich voor langere tijd committeren aan het afnemen van de producten. Vaak helpen ze mee met oogsten of ander werk, maar soms zijn ze ook mede-eigenaar of -investeerder. • De voedselcoöperatie of buurtmarkt. Bewuste consumenten kunnen ook lid zijn van een voedselcoöperatie of buurtmarkt. Via deze vereniging bouwen ze een vaste relatie op met boeren en producenten uit hun directe omgeving.
Met de gezamenlijke inkoopkracht van de buurtmarkt steunen ze boeren bij het verduurzamen van hun productiewijze en helpen ze startende lokale ondernemers op weg. Ze bouwen hun voedselsysteem weer op vanuit directe relaties. Dat kan eventueel ook met boeren of producenten van verder weg voor producten als rijst of koffie. Een van de eerste initiatieven in Nederland was van de Herenboeren. Inmiddels zijn er op 18 plaatsen Herenboerderijen. Elk van deze boerderijen is in gezamenlijk eigendom van ca. 250 regionale gezinnen, die ook praktische ondersteuning bieden aan de bedrijfsleider op locatie. Locaties Voor de CSA’s geldt dat er op korte afstand van de gemeente Bergen niets beschikbaar is. De dichtstbijzijnde locaties zijn (zie kaart hieronder links, via https://csanetwerk.nl/kaart/): • • •
Het Mooshöfke tussen Roermond en Asenray Zelfoogstuinderij Eet meer Bosch in Nijmegen-West Tuinderij ’t Wild in Rosmalen
Voor wat betreft de Herenboeren geldt dat de dichtstbijzijnde vestigingen momenteel in Venray (Ulingshof) en Boekel (Landmeerse Loop) actief zijn. Op de kaart rechts staan tevens veel bolletjes met cijfers (bron: www.herenboeren.nl). Deze vertegenwoordigen elk een initiatief/verkenning richting een nieuwe Herenboeren vestiging. Opvallend is dat geen van de initiatieven afkomstig is uit de gemeente Bergen.
67
Figuur 5-3 Links: vestigingen CSA's; rechts: vestigingen Herenboeren (en initiatieven)
De afstand waarop nu de dichtstbijzijnde CSA’s/Herenboeren gevestigd zijn t.o.v. de gemeente Bergen maakt de gemeente in theorie interessant om een locatie te verkennen. Tegelijkertijd zal de Maas altijd een belangrijke belemmerende factor zijn om burgers van “de overkant” te interesseren om te participeren en zal richting de Duitse potentiële klant waarschijnlijk nog veel uitleg nodig zijn voordat ze massaal in Nederland in een CSA stappen.
68
6
Mogelijke verdienmodellen en kansen voor Bergen
In dit hoofdstuk ligt de nadruk op de verschillende beschikbare/geschikte verdienmodellen voor de meest kansrijke landbouwsystemen in de gemeente Bergen. Er wordt eerst een algemeen beeld geschetst van verdienmodellen voor duurzamere vormen van landbouw, waarna de vertaling wordt gemaakt naar de kansrijke vormen voor Bergen. 6.1
Verdienmodellen voor extensieve landbouwbedrijven
Veel van de voorbeelden hieronder hebben betrekking op de grondgebonden sectoren, en daarbinnen vooral op de melkveehouderij. Dit komt omdat met name in de melkveehouderij de data (bijv. via de Kringloopwijzer) beter centraal beschikbaar is dan in andere sectoren, waardoor er beter kan worden gestuurd op (en dus beloond voor) verduurzaming. De Biodiversiteitsmonitor voor de melkveehouderij is vrij ver doorontwikkeld. Deze kan worden gebruikt door verschillende “beloners”, zodat de inspanningen van de melkveehouder gestapeld beloond kan worden (zie § 6.1.2). Voor akkerbouw is een vergelijkbaar instrument in een vergevorderd stadium. Voor de intensieve sectoren (varkens/pluimvee) liggen de mogelijkheden voor een verdienmodel op verduurzamingscriteria vooral op het gebied van deelname aan ketenconcepten (bijv. Beter Leven of biologisch). De mogelijkheden om hier aan mee te doen hangen niet alleen af van de omstandigheden van het bedrijf (is er bijv. ruimte voor een uitloop, ook in relatie tot de N-uitstoot op omliggende natuur), maar ook van de ruimte die er in de markt is voor de producten met het betreffende label. Als vraag en aanbod niet in balans blijven komt het verdienmodel voor een boer namelijk direct in het geding.
Een voorbeeld hiervan is de recente inflatiegolf, die er toe leidde dat de verkoop van biologisch in de Europese supermarkten daalde en biologische boeren zelfs een tijdje minder voor hun product ontvingen dan gangbare. 6.1.1
Extensiveren
Om meer inzicht te krijgen in de haalbaarheid van het omschakelen naar een natuurinclusief (melkvee)bedrijf met een veebezetting van < 2,0 GVE/ha heeft Connecting Agri & Food in het kader van een ander onderzoek al eens een doorrekening gemaakt voor twee typen bedrijven: 1. Vrij extensieve veebezetting, tussen 2,0 en 2,5 GVE/ha 2. Intensieve veebezetting > 2,5 GVE/ha. De conclusie uit dit onderzoek was dat met name voor bedrijven waarvan de huidige veebezetting > 2,5 GVE/ha is, extensivering tot ≤ 2,0 GVE/ha financieel zeer moeilijk is. Er zullen structureel andere inkomstenbronnen aan de bedrijfsvoering moeten worden toegevoegd om de extensivering rendabel te maken. 6.1.2
Bekende verdienmodellen
In de grondgebonden sectoren hangt extensivering vaak samen met natuurinclusiviteit. Voor natuurinclusieve landbouw is geen standaard verdienmodel beschikbaar. Er worden wel veel initiatieven ontwikkeld om ervaring op te doen met verschillende opties om de inspanningen voor een natuurinclusieve(re) bedrijfsvoering te belonen. De totale inkomsten van een boer kunnen bestaan uit: • Verkoop van product; • Levering van maatschappelijke diensten (bijv. onderhoud van landschap);
69
• •
Subsidie (in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) steeds meer gekoppeld aan het leveren van groene diensten; Inkomsten uit nevenwerkzaamheden (horeca, kinderopvang, camping, etc.).
Het opzetten van andere activiteiten als horeca, kinderopvang, camping, etc. hebben we buiten beschouwing gelaten. Uitgangspunt is geweest om het verdienmodel voor natuurinclusieve landbouw te beoordelen. We hebben dus alleen landbouw-gerelateerde bedrijfsactiviteiten meegenomen. Bedrijfseconomisch gezien is het immers niet gezond om een bedrijfsonderdeel verlieslatend te laten zijn en dit verlies te moeten compenseren met inkomsten uit een andere bedrijfsactiviteit. Een deel van de vergoedingen voor die inspanningen is dus afkomstig van overheden. Die hebben diverse regelingen beschikbaar om natuur en biodiversiteit op landbouwbedrijven te bevorderen, maar de gemiddelde natuursubsidies8 die een bedrijf ontvangt zijn relatief klein. Veel melkveebedrijven ontvangen nog geen € 2.000 of 0,5% van de totale omzet uit natuursubsidies. Het gemiddelde inkomen in zowel de gangbare als de biologische melkveehouderij bedroeg van 2011 t/m 2021 €37.500 (bron: Agrimatie). Dit komt overeen met ongeveer een modaal inkomen. Grofweg zijn de huidige overheidsbijdragen op het boerenerf onder te verdelen in: • GLB (generiek) • ANLb (via de Collectieven, in dit geval Natuurrijk Limburg) • Specifieke regionale initiatieven (zoals bijv.
in Brabant de Brabantse Biodiversiteitsmonitor) Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) De GLB regeling is vanaf 2023 hervormd, waarbij Nederland extra middelen overhevelt van de eerste pijler (basispremie/inkomenssteun) naar de tweede pijler om duurzaamheid te bevorderen. De basispremie in 2023 bedraagt ca € 220/ha. Voor de nieuwe ecoregeling is gemiddeld € 109/ha beschikbaar, wat iets lager is dan het vergroeningsbedrag t/m 2022. Omdat boeren hogere tegenprestaties voor deze vergoedingen moeten leveren, zullen de betalingen minder aan het inkomen bijdragen dan de oude vergroeningsbetalingen (Silvis et al, 2022). In die zin zal GLB weliswaar onderdeel blijven van de inkomensstroom, maar draagt het beperkt(er) bij aan het verdienvermogen. Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) ANLb was tot voor kort een regeling, die uitsluitend gericht was op het beschermen van specifieke doelsoorten in een bepaalde regio. Sinds 2023 is de regeling uitgebreid met water- en klimaatdoelen, met meer beheermogelijkheden en meer budget. Een deel van het extra budget wordt geabsorbeerd door een indexering van de beheerpakketten. ANLb is gericht op het compenseren van gemaakte kosten en gederfde inkomsten. Ook na de indexering zal de subsidie in de meeste gevallen niet structureel bijdragen aan het verdienmodel van een agrariër.
Beloningen stapelen Beschikbare subsidies dragen dus maar beperkt bij aan het verdienvermogen van de melkveehouder. Daarom zijn er diverse initiatieven genomen om beloningen voor natuurinclusieve landbouw te stapelen, zoals LandvanWaarde (Salland), het MarkeModel (Achterhoek), Duurzame melkveehouderij Drenthe en het Praktijkproject biodiversiteitsmonitor van Brabants Bodem. In deze – vaak nog
8 Overigens is hierbij de term subsidie steeds minder aan de orde in de zin van: een boer ontvangt standaard
€x/ha subsidie. Er is steeds meer sprake van een koppeling aan de groene inspanningen van de boer zelf, en dus van een beloning voor maatschappelijke diensten. 70
projectmatige en experimenteel opgezette - initiatieven werken publieke en private partijen samen aan de ontwikkeling van de melkveehouderij in een bepaald gebied. Landschap, natuur en biodiversiteit staan de laatste jaren steeds prominenter op de agenda’s. Niet alleen op de agenda’s van natuurorganisaties en overheden, maar ook op die van bedrijven en financiële instellingen. Ieder hebben ze, vanuit hun eigen achtergrond en organisatiedoelen, een belang bij een positieve ontwikkeling op het thema. Steeds vaker is het onderdeel van de visie van organisaties en zijn er concrete doelen geformuleerd voor de korte en langere termijn, die betrekking hebben op bijvoorbeeld: • • • • • • • •
Zorg voor natuur en landschap. Bijdragen aan een betere woonomgeving. Aantrekkelijker worden voor huidige en voor potentiële nieuwe inwoners. Bevorderen recreatieve aantrekkingskracht. Versterking van de eigen natuurterreinen. Verbeteren waterkwaliteit. Ruimte maken voor combinaties met waterberging. Het imago van een organisatie die maatschappelijk verantwoord handelt.
Dat betekent dat deze organisaties er belang bij hebben – en er dus ook iets voor over hebben – om die doelen te helpen behalen. Individueel zijn de meeste organisaties niet bij machte om voldoende prikkel in te brengen voor een boer om de bedrijfsvoering aan te passen, maar als de beloningen bij elkaar opgeteld kunnen worden, dan ontstaat er mogelijk een stapeltje dat wel interessant genoeg is voor een ondernemer. Voor wat betreft de overheidsbijdragen in de betreffende stapeling van beloningen wordt meestal gebruik gemaakt van de de-minimisregeling, om geen problemen te krijgen in het kader van staatssteun. De maximale de-minimis die een melkveehouder mag ontvangen is € 20.000 in drie jaar. Hiermee is de overheidsbijdrage in het verdienmodel relatief beperkt t.o.v. de gemiddelde omzet van melkveebedrijven. Ook waterschappen zijn zich in toenemende mate aan het oriënteren op hun mogelijke rol in het stimuleren van natuurinclusief beheer. Tot dusverre zijn “waterschapslasten” (dus belasting) juridisch gezien lastig om in te zetten als instrument. Toch lopen er nog steeds gesprekken om dit in de toekomst wel te kunnen. Vooralsnog zit de bijdrage van waterschappen bijv. in het beschikbaar stellen van stroken grond langs watergangen, waarvan het beheer uitbesteed wordt en na een bepaalde datum gemaaid mag worden door de melkveehouder.
Kanttekening: bedrijven zijn zeer divers en er is geen model voor alle situaties. De aanname die soms wordt gemaakt dat de huidige overheidsbijdrage een aanloop is, totdat de markt de meerkosten opneemt in de prijs, is echter voor veel van de gemaakte kosten in onze ogen niet realistisch. In veel gevallen wordt van de boer een soort publieke dienst gevraagd. In die zin is een structurele bijdrage uit publieke middelen – ook in de toekomst - voor de hand liggend. De subsidie is weliswaar niet één-op-één een verdienmodel, maar we beschouwen een serieus verdienmodel zonder structurele overheidsbijdrage voor de meerderheid van de bedrijven als problematisch. Het feit dat de gemeente Bergen in z’n algemeenheid – en specifiek in het geval van locatie Elsteren zeker - relatief veel grondposities heeft, maakt het gemakkelijker om te sturen (zie hieronder voorbeeld pachtgrond).
71
De bijdragen van private partijen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit: • Rentekorting van de bank, bijv. de Rabo Impactlening. Deze biedt onder voorwaarden tot 0,55% rentekorting op nieuwe leningen. Rekenvoorbeeld: Lening van € 500.000, aflossing op annuïteitenbasis, looptijd 15 jaar: o In jaar 1 bedraagt de korting € 500.000 * 0,55% = € 2.750 o In jaar 15 is de korting (vanwege de annuïteiten) teruggelopen tot € 190 o Over de gehele looptijd is het voordeel € 22.281, dus gemiddeld zo’n €1.485 per jaar. Rabobank heeft in het kader van de gesprekken over het Landbouwakkoord aangegeven € 3 mrd extra uit te willen lenen t.b.v. verdere verduurzaming. De exacte leningsvoorwaarden hiervoor worden nog uitgewerkt, maar uit persoonlijke gesprekken met mensen binnen Rabobank Nederland maken wij op dat deze gunstiger gaan zijn dan de voorwaarden die gelden voor de Impactlening. •
Meerprijs voor de melk. Dit kan bijv. via deelname aan On the Way to Planet Proof (OtWtPP), maar dit is niet voor alle melkveehouders mogelijk. In de kpi’s van OtWtPP en de regionale duurzaamheidsprogramma’s vanuit overheden zit veel overlap. Hoog scoren in OtWtPP zal dus meestal ook resulteren in een hoge score in de regio, maar daarmee is niet automatisch sprake van een extensieve bedrijfsvoering met minder dan 2,0 GVE per ha. Diverse zuivelverwerkers hebben daarnaast hun eigen duurzaamheidsprogramma, met variërende randvoorwaarden (o.a. gebaseerd op de prestaties in de Kringloopwijzer), met bijbehorende vergoedingen. Vaak is sprake van interne “herverdeling van melkgeld”: aan de afzetkant levert het meestal voor de zuivelverwerker geen extra opbrengst op, dus de leveranciers met minder punten worden gekort op hun melkprijs ten gunste van de leveranciers met meer punten. Macro gezien is de opbrengst hiervan dus nul, op individueel niveau maakt het verschil. Om echter de interne verhoudingen binnen de groep leveranciers niet te zeer te verstoren zijn de beloningen relatief laag.
•
Korting op de canon van pachtgrond. Er wordt door meerdere organisaties geëxperimenteerd met lagere pachttarieven voor boeren die hun pachtgrond natuurinclusiever beheren. Dit geldt bijv. voor particuliere landgoederen. Een van de bekendere en grotere voorbeelden is het Duurzame Pacht contract van ASR. Deelnemende boeren ontvangen de eerste drie jaar van de (erf)pachtperiode 10% korting op de canon en de resterende jaren 5%. Rekenvoorbeeld: o Gemiddelde prijs grasland in NL in Q1-2023 (bron: Kadaster): € 68.800 o Geschatte jaarlijkse prijsindexatie 2%, canon 2,6%, looptijd 26 jaar o Korting jaar 1: € 68.800 * (2,6% * 0,1) = € 179 per ha o Korting jaar 4: € 68.800 * (1,02) 3 * (2,6% * 0,05) = € 95 per ha o Korting jaar 26: € 68.800 * (1.02) 25 * (2,6% * 0,05) = € 147 per ha
Gemiddeld over de looptijd is het voordeel ongeveer € 126 per ha per jaar. De gemiddelde korting komt daarmee uit op 5,7%. Na aftrek van deze korting is de gemiddelde canon in dit rekenvoorbeeld nog steeds € 2190 per ha per jaar. In een aantal gevallen wordt gewerkt aan het opzetten van gebiedsfondsen, waarin ook partijen uit hele andere branches (bouw, recreatie, industrie) in de regio een bijdrage kunnen doen.
72
6.1.3
Knoppen om aan te draaien voor Gemeente Bergen
Er zijn een aantal terugkerende thema’s bij het organiseren van gestapelde beloningen: • Hoe structureel is de overheidsbijdrage? • Hoe wordt gecoördineerd? • Wat motiveert welke boer? • Hoe verhouden zich de individuele doelen tot de gebiedsdoelen? Deze thema’s zijn vaak bepalend voor het succes van een initiatief. Dat betekent ook meteen dat ze richting kunnen geven voor toekomstig beleid. Hieronder een aantal overwegingen per thema: Overheidsbijdrage • Extra vergoedingen uitbetalen voor wettelijk verplichte maatregelen is ingewikkeld. Zowel in termen van subsidies als in de markt, zal de neiging bestaan om alleen bovenwettelijke maatregelen extra te vergoeden. Voor overheden betekent dit dat het belangrijk is om de balans te bewaken tussen enerzijds afdwingen van maatregelen via regelgeving en anderzijds de beweging op gang houden door aanvullende beloningen mogelijk te maken/houden. • Tijdens het eindevent na het lectoraat en afstudeeropdrachten “Innovatief ondernemen met Natuur” onder (bege)leiding van lector Daan Groot (HAS Green Academy) werd de conclusie getrokken: Marktwerking (zonder overheidsbijdrage) gaat niet zorgen voor een serieuze opschaling van natuurinclusieve landbouw. Mede-lector Erwin van Woudenberg trekt na 10 jaar onderzoek de conclusie dat natuurinclusieve landbouw kansloos is als het uitsluitend aan de vrije markt wordt overgelaten.
• Voor een deel kunnen de inspanningen door boeren – bijvoorbeeld op het gebied van agrarisch natuurbeheer – worden beschouwd als maatschappelijke dienst, “in opdracht van de overheid”. Dit rechtvaardigt een structurele overheidsbijdrage. • De looptijden van verschillende beloningen (inclusief overheidsbijdragen) wordt vaak ervaren als (te) kort (om op te investeren). Een geregeld gehoorde (nood)kreet: ‘Ik wil graag investeren, maar ik durf niet, want het risico is te groot dat morgen blijkt dat mijn keuze van vandaag niet meer gewenst is en dan kan ik wel opdoeken’. Boeren zullen zich meer inspannen als een overheid vergoedingen in het vooruitzicht kan stellen voor een periode van 20 jaar i.p.v. bijvoorbeeld de huidige 1 tot 6 jaar voor beheersovereenkomsten ANLb. • Er wordt vaak gezocht naar perspectief voor de bedrijven die vooruit willen. De gelden uit de opkoopregeling komen echter per definitie buiten de sector terecht, namelijk bij stoppers. Het verwachte gemiddelde opkoopbedrag voor melkveebedrijven bedraagt rond de € 1,25M (bron: mondelinge informatie DLV). Je zou als overheid kunnen overwegen om in een gebied niet 20 boeren uit te kopen voor €25M, maar voor hetzelfde budget 40 boeren 30 jaar lang te vergoeden om hun N-emissie met 50% te reduceren en bestaande (blijvende) bedrijven te extensiveren.
Dat geeft in die periode dezelfde reductie en biedt de ruimte aan de blijvers om 30 jaar lang jaarlijks meer dan € 20.000 te investeren in maatregelen voor emissiereductie en extensivering (of veel grotere investeringen te doen die een jaarlast van ruim €20.000 met zich mee brengen). Dit is een andere orde van grootte dan de huidige bijdragen die een blijvende boer kan verwachten. Eenzelfde systematiek zou kunnen worden geadviseerd aan grote partijen (bijv. luchthavens of industriële bedrijven) die N-ruimte willen kopen. Uit eerdere berekeningen die Connecting Agri & Food gedaan heeft bleek dat investeringen in emissiereductie in een straal van 5km rond stikstofgevoelige gebieden ruim 2,5x kostenefficiënter waren om stikstof te reduceren dan het opkopen van piekbelasters. • De melkveehouderij is voor de natuurinclusieve prestaties bijzonder kwetsbaar voor weersomstandigheden en afhankelijk van lokale omstandigheden. In droge periodes is het bijvoorbeeld veel moeilijker om N-uitspoelingsdoelen te halen. Organiseer als overheid de
73
mogelijkheid om het gemiddeld goed te doen, vergelijkbaar met het fiscale “compensabele verlies” uit voorgaande jaren. Een deel van deze bevoegdheden (zoals bijv. de ANLb regelgeving of opkoopregeling) ligt op provinciaal en/of landelijk niveau, dus niet elk punt is voor de gemeente Bergen direct in eigen actie om te zetten. Coördinatie Er zijn veel verschillende organisaties met ieder, vanuit hun eigen achtergrond en organisatiedoelen, een belang bij ontwikkeling op het thema verduurzaming van de landbouw. Sommigen focussen op water, anderen op dierwelzijn en weer anderen bijv. op natuur. Deze organisaties kunnen in principe allemaal bijdragen aan een deelbeloning op “de stapel”. De grote verschillen tussen de doelen van deze “beloners” kunnen echter voor onduidelijkheid zorgen m.b.t. de gewenste richting. Voor een deel wordt aan een oplossing hiervoor gewerkt via aan het harmoniseren van kritische prestatie-indicatoren (kpi’s) met (soms per regio verschillende) drempelen streefwaarden, o.a. via het project KPI-Kringlooplandbouw (KPI-K) en de landelijke stichting Biodiversiteitsmonitor. Er kunnen daar bovenop echter nog steeds “beloners” zijn met specifieke wensen. Aan de andere kant zijn er grote verschillen in melkveebedrijven en hun mogelijkheden.
Er is dus grote behoefte aan “matchmaking”, het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van beloningen en natuurinclusieve inspanningen. De gemeente zou een rol kunnen vervullen bij het opzetten en coördineren en/of financieren hiervan. Dit kan worden gekoppeld aan het opzetten van gebiedsfondsen, waarin allerlei soorten beloners hun bijdrage kunnen doen met eventuele specifieke wensen/eisen voor aanwending. Bovendien heeft de matchmaker ook het overzicht van de gemaakte afspraken tussen de boer en zijn beloners. Dit biedt de ruimte om veel kosten te besparen op de borging van afspraken, door slechts één auditor langs te sturen om deze afspraken te toetsen, in plaats dat elke beloner individueel de borging moet organiseren. Motivatie Volgens de theorie zijn – als voorzien is in een basisniveau van levensonderhoud – beloningen in waardering, toegang en invloed altijd sterkere prikkels dan beloningen in materiële vorm. Dat betekent niet dat er geen financiële vergoedingen gegeven hoeven te worden. Als je wilt dat landschap en natuur een serieuze pijler onder de bedrijfsvoering worden moet de boer ook een serieuze afweging kunnen maken of hij investeert in extra productie of in extra natuur en landschap. Daar hoort ook een financieel verdienmodel bij.
Zonder de euro’s gaat het doel niet bereikt worden, maar als het alleen over euro’s gaat, dan missen we de kern van de motivatie van de boer en is het model gedoemd te mislukken. Vanuit die achtergrond kan een brede range aan beloningen worden georganiseerd, bijv: • Rentekorting bij de bank; • Gunstiger pachtvoorwaarden; • ANLb-vergoedingen; • Vergoedingen voor het vastleggen van CO2; • Bijdragen uit regiofondsen; • Bijdragen van landelijke organisaties als bijv. Staatsbosbeheer (beschikbaarheid pachtgronden) en Trees for All; • Bijdragen van regionale partijen met een belang bij duurzaamheidsdoelen*; • Voorrang bij de toegang tot grond; • Toegang tot het duurzaamheidsprogramma van de zuivelverwerker; • Inspraak in de processen;
74
• • •
Ruime publiciteit in vakbladen, uitingen van beloners, landelijke kranten en social media; Kennisuitwisseling met vrijwilligers; Aanleg houtwallen, bomenrijen en bosjes met vergoeding voor beheer, aanleg en afwaardering grondwaarde.
* Uitgelicht:
In de gemeente Bergen is vrij grootschalig sprake van zand- en grindwinning. De betrokken bedrijven zijn voor zover wij kunnen overzien aangesloten bij de brancheorganisatie voor zand- en grindwinning, Cascade. De leden van deze vereniging hebben zichzelf doelen gesteld rond duurzaamheid, biodiversiteit, landschap en natuur. In onze ogen ligt hier een uiterst interessante koppelkans, waar wederzijdse belangen gediend kunnen worden. Deze kan rechtstreeks worden ingevuld ofwel d.m.v. een gebiedsfonds, dat bijdragen van verschillende regionale partijen bundelt en verdeelt.
Ook de Coöperatie Particuliere Grondeigenaren Maasduinen U.A. is in dit kader een potentiële partner om mee te schakelen. Van het Nationaal Landschap is 20% in eigendom van ca. 800 particulieren, die verenigd zijn in de coöperatie. De kans is groot dat dezelfde particulieren ook grondposities direct aansluitend aan de Maasduinen hebben, waardoor een koppeling in de overgangszones gemaakt kan worden.
Figuur 6-1 Eigendomsverhoudingen Maasduinen (bron: Coöperatie Particuliere Grondeigenaren Maasduinen U.A.)
Uit onderzoek door de Duurzame Zuivelketen naar de motivatie onder melkveehouders voor verduurzaming bleek dat de meeste geïnterviewde melkveehouders er zeker niet afwijzend tegenover staan. Een deel is intrinsiek gemotiveerd en een ander deel juist defensief. Belangrijke inzichten die betrekking hebben op deze motivatie zijn volgens het onderzoek:
75
•
•
•
•
•
Belemmerende externe obstakels die verduurzaming moeilijk maken zijn: ontbreken van een goed verdienmodel, wisselend beleid, een gebrek aan visie bij de overheid en de zuivelondernemingen, het ontbreken van een stip op de horizon, een negatief imago en een gebrek aan kennis bij burgers, beleidsmakers en politieke partijen. Kennis: melkveehouders blijken heel verschillend te denken over wat duurzaamheid precies is en niet iedereen lijkt zich bewust van de duurzaamheidsopgave waar zij voor staan. Met name bij ‘ongrijpbare’ thema’s zoals terugdringen van ammoniaken broeikasgasemissies en biodiversiteit blijkt nog veel onduidelijk te zijn. Er blijkt een kloof te bestaan tussen wat melkveehouders belangrijk vinden en wat overheden en zuivelorganisaties belangrijk vinden. Kennisoverdracht en communicatie ‘op maat’ om bewustwording bij melkveehouders te stimuleren en het ‘waarom’ uit te leggen, zijn dus belangrijk, naast het wegnemen van obstakels en het bieden van handelingsperspectief. De geïnterviewde melkveehouders hebben ook behoefte aan meer integraal beleid, waarin duidelijk wordt wat de samenhang is tussen duurzaamheidsmaatregelen en de richting waar overheden en de zuivelsector naartoe willen. Dit maakt duidelijk dat melkveehouders het niet alleen kunnen.
Overheid, zuivelondernemingen en andere ketenpartijen moeten ook hun rol pakken, onder andere door te komen met helder en consistent beleid. Last but not least ervaren veel melkveehouders een gevoel van onrechtvaardigheid: hoe verhouden de inspanningen die melkveehouders moeten leveren zich tot de inspanningen die van andere sectoren – zoals de industrie en de luchtvaart – worden verwacht om biodiversiteit te behouden en klimaatverandering tegen te gaan? De eerder genoemde essentiële externe prikkel “waardering” ontbreekt dus (voor hun gevoel) vaak.
Resultaten van het onderzoek laten zien dat interventies en incentives die melkveehouders kunnen ondersteunen bij het verduurzamen van hun bedrijf gericht moeten zijn op het vergroten van de intrinsieke motivatie (het ‘willen’), het wegnemen van obstakels (het ‘kunnen’) en het vergroten van kennis (het ‘weten’). Een deel van de conclusies die voor de gemeente Bergen een mogelijk handvat bieden om haar inzet op te kiezen: •
• • •
•
Alle melkveehouders vinden een goed verdienmodel en bedrijfscontinuïteit belangrijk maar hebben nog veel vragen over hoe dit te realiseren in relatie tot verduurzaming. Bij verminderen broeikasgas- en ammoniakemissies en behoud van biodiversiteit worden de meeste belemmeringen ervaren. Grondgebondenheid en eiwit van eigen land zijn ook thema’s waar veel twijfels over bestaan (niet weten hoe, of niet kunnen vanwege bedrijf of externe factoren). Dierenwelzijn, verlengen van de levensduur van de koeien en verminderen van antibioticumgebruik zijn bekende thema’s voor de melkveehouders, maar ze ervaren hierin wel tegenstrijdigheden. Energiebesparing en produceren en gebruiken van duurzame energie roepen de minste vragen bij melkveehouders.
76
Gebiedsdoelen vs. individuele doelen Een deel van de motivatie heeft zoals gezegd betrekking op autonomie. In de praktijk betekent dit ook dat ondernemers het eerst in beweging zullen komen als ze worden aangesproken op zaken die bij hun persoonlijkheid, bedrijfstype en/of omgeving past. Als het mogelijk is om doelen te stellen op gebiedsniveau en binnen het gebied de “rollen te verdelen” naar de individuele capaciteiten, zal de ondernemer gemotiveerder zijn en daarmee zijn doelen sneller behalen. Bovendien is de stabiliteit van een ecosysteem gebaat bij (bio)diversiteit. Op een vergelijkbare manier zal een diversere agrosector robuuster zijn en beter in staat om eventuele onverwachte invloeden van buitenaf te verdragen. Ook dat pleit voor de instandhouding van diversiteit in de sector. Conclusies in het kort • Er is geen kant en klaar verdienmodel voor extensivering / natuurinclusieve landbouw. De verdienmodellen van huidige succesvolle extensieve bedrijven bevinden zich in een niche. Het is een vraag in hoeverre deze verdienmodellen standhouden bij opschaling. • De behoefte om extra kennis op te doen is nog steeds groot. • Subsidies zijn geen verdienmodel, maar zonder structurele langjarige overheidsbijdrage wordt voor een groot deel van de bedrijven een verdienmodel zeer moeilijk.
De analyse van rekenvoorbeelden door de WUR levert diverse aanknopingspunten op voor de overheid om verdienmodellen van extensieve bedrijven mogelijk te maken, maar geen van de uitgewerkte extensieve landbouwtypen is volledig onafhankelijk van de overheid toekomstbestendig (zie ook tekstkader hieronder). • Als langjarige afspraken gemaakt kunnen worden, zullen boeren sneller stappen zetten. • Er zijn diverse beloningen te bedenken, afkomstig van veel partijen met belangen in de diverse gebieden. Coördinatie van vraag en aanbod van diensten vs. deze beloningen biedt goede kansen. • Inzet van gebiedsgerichte maatregelen is kostenefficiënter dan uitkoop van bedrijven. • Sluit aan bij de individuele verschillen tussen bedrijven om gebiedsdoelen te realiseren. Uit een WUR-analyse van mogelijke verdienmodellen voor extensieve landbouwbedrijven blijkt dat geen van de onderzochte bedrijfsmodellen in de melkveehouderij op korte termijn voldoende inkomsten genereert uit melkvee, natuurbeheer en/of neventak om het verlies aan omzet door extensivering goed te maken. Schaalvergroting en lage grondkosten zijn belangrijke principes, en agrarisch natuurbeheer lijkt bij de huidige grondprijzen geen duurzaam verdienmodel op te leveren. Voor de akkerbouw blijkt schaal ook van belang voor toekomstbestendige verdienmodellen van extensieve bedrijven.
Enkele voorbeelden worden gegeven, waarbij nichemarkten een cruciale rol spelen. Bedrijven kunnen hun verdienmodel versterken door opbrengsten te verhogen via nichemarkten, kosten te verlagen door kostprijsbeheersing en lage pacht, en door bedrijfsontwikkeling (bijv. extensivering door schaalvergroting). Het rapport concludeert dat verdienmodellen voor grootschalige extensivering nog niet voorhanden zijn en zich momenteel in een niche bevinden. Overheidsinterventies, zoals lagere pacht voor natuurterreinen en GLB-vergoedingen zijn essentieel om extensivering mogelijk te maken. De WUR onderzoekers moedigen de overheid aan om een visie te vormen op gewenste mate van extensivering, beleidsinstrumenten te diversifiëren, rekening te houden met natuurlijke bedrijfsontwikkeling en macro-economische effecten, substantiële middelen vrij te maken, en het proces zorgvuldig te begeleiden. In het WUR-rapport “Overzicht handelingsperspectieven voor beleid gericht op extensivering van de landbouw” worden tot slot een aantal aanbevelingen gedaan aan overheden: 77
•
• •
• • •
Vorm een visie op de mate van extensivering die gewenst is. In de Omgevingsvisie Bergen 2030 en de Landschapsvisie Maasdal Bergen liggen de ambities van de gemeente inmiddels vast. Stel een mix van beleidsinstrumenten samen om aan te sluiten bij de verschillende gedragsfactoren om aan te sluiten bij diversiteit tussen bedrijven en ondernemers. Sluit aan bij het ritme van (natuurlijke) bedrijfsontwikkeling. Vaak zijn er grote stappen nodig in de bedrijfsvoering, waar grote investeringen mee gemoeid zijn. Beslissingen hierover worden slechts een paar maal in de carrière van een ondernemer genomen. Maak substantieel en langjarig middelen vrij om verdienmodellen voor extensivering mogelijk te maken. Houd rekening met de macro-economische effecten van veranderingen in beleid op bijvoorbeeld grondprijzen en overheidsbudgetten. Begin direct, zet snel stappen waar mogelijk, en neem waar nodig de tijd voor een zorgvuldig proces.
Deze aanbevelingen ondersteunen we. Het WUR-rapport vat de handelingsperspectieven voor de overheid om verdienmodellen van extensieve bedrijven mogelijk te maken als volgt samen:
78
7
Methodiek kansen toegepast op Elsteren
In dit hoofdstuk concentreren we ons op locatie Elsteren. Inmiddels is met de opdrachtgever afgesproken dat er voor de locatie niet een businessplan wordt opgeleverd, maar dat er input wordt geleverd aan degenen die dit in de loop van 2024 gaan doen. De opdracht daarvoor is verstrekt aan Stichting de Marke. Deze kan voor haar activiteiten gebruik maken van dit hoofdstuk als uitgangspunt. 7.1
Gebiedsverkenning projectlocatie Elsteren
Voor de gebiedsverkenning wordt de lagenbenadering gebruikt zoals die ook in § 3.4 Fout! V erwijzingsbron niet gevonden.is toegepast voor de hele gemeente Bergen. Voor een belangrijk deel betekent dit dat er (letterlijk) wordt ingezoomd op de kaarten die eerder gebruikt zijn. Inhoudelijk heeft het gebied vanzelfsprekend de kenmerken van wat in § 3.4 is omschreven bij het Maasdal. We hebben er voor gekozen om niet de hele tekst uit die paragraaf m.b.t. het Maasdal hier opnieuw op te schrijven, maar alleen aan te vullen indien relevant. Verder wordt in de beschrijving van de stuurlaag (§ 7.1.4) wat meer beeldmateriaal gebruikt van het Groene Rivier project, omdat deze zo’n dominante rol gaat spelen in het gebied. 7.1.1
Fysieke ondergrond
Figuur 7-1 Bodemkaart Elsteren en omgeving (Bron: WUR https://bodemdata.nl/basiskaarten)
79
Figuur 7-2 Hoogtekaart gebied Elsteren (bron: Waterschap Limburg)
Figuur 7-3 Watersysteem -kwel en infiltratie huidig- (bron: https://www.klimaateffectatlas.nl/ )
Uit deze kaart blijkt dat ook het projectgebied Elsteren deels droogtegevoelig is, zoals ook geconstateerd in § 4.1.1.
80
7.1.2
Infrastructuur
Figuur 7-4 Elsteren en omgeving
Het gebied Elsteren kan alleen worden ontsloten naar de noordkant via Elsteren/Elsterendijk en naar het oosten via Elsteren/Nicolaasstraat. De dichtstbijzijnde oversteekmogelijkheid van de Maas is de N270-brug bij Well. 7.1.3
Occupatielaag
Figuur 7-5 Bodemgebruik Elsteren en omgeving (Bron: https://www.atlasnatuurlijkkapitaal.nl/kaarten)
81
Het gebied bestaat dus vooral uit agrarisch terrein en een klein stukje bos. Het agrarisch gebruik (situatie 2019) is weergegeven in Figuur 7-6.
Figuur 7-6 Agrarisch gebruik gronden Elsteren
Figuur 7-7 Projectgebied en grondposities gemeente
Hierboven de afbeelding van het hele grondgebied van de gemeente met rechts in grijs de grondposities van de gemeente. Op de kaart links is een uitsnede gemaakt van het projectgebied. Hieronder een uitvergroting van het projectgebied Elsteren met daarin in grijs de grondposities van de gemeente. Beide kaartjes schetsen de situatie per juli 2023. 82
Figuur 7-8 Grondposities gemeente Bergen in projectgebied
7.1.4
Stuurlaag
Groene Rivier Specifiek voor de wateropgaven is onder leiding van Waterschap Limburg het project Gebiedsontwikkeling Groene Rivier Well opgestart. In het project vindt een combinatie plaats van dijkversterking en dijkverlegging, beekherstel en natuur- en landschapsontwikkeling. Deze heeft veel impact op het gebied rond Elsteren. In onderstaande afbeelding staat het voorkeursalternatief 2023 weergegeven. De definitieve inrichting kan nog wijzigen.
Figuur 7-9 Gebiedsontwikkeling Groene Rivier Well (april 2023)
Het project is onderdeel van Deltaprogramma Rivieren. Waterschap Limburg en andere betrokkenen hebben de plannen uitgewerkt, die zijn verwerkt in de Landschapsvisie Maasdal. Bij Well en Elsteren worden i.v.m. de grote overstromingsgevoeligheid maatregelen genomen voor de waterveiligheid.
83
Volgens de Landschapsvisie is het de bedoeling om deze maatregelen tegelijkertijd als motor in te zetten voor ecologische en recreatieve versterking van het kleinschalige cultuurlandschap, inclusief het historisch waardevolle ‘kasteeldomein’. Voor de waterveiligheid zijn een ‘groene rivier’ en nieuwe dijkringen rond Well en Elsteren voorzien. Door lokaal klei af te graven ontstaan extra kansen voor kwelnatuur en de vrijkomende klei kan worden gebruikt voor de dijken. Uit de Landschapsvisie Maasdal Bergen: De kasteellaan wordt overstroombaar gemaakt, maar de bomen blijven staan. Onder de N270 naar Well komt een doorstroomopening, zodat hoog water kan instromen via de kwelgeul de Grote Waay. Het midden van de groene rivier blijft open, langs de randen kunnen eventueel extra heggen aangelegd. Ook rond de dorpen zijn heggen gewenst. De dijken rond de nieuwe eilanden worden vormgegeven als landschapsdijken: het tracé afgestemd op de ondergrond, wisselende dwarsprofielen, begeleidende hagen, een wandelpad op of langs de dijk, zo dat de privacy van de bewoners niet wordt verstoord.
Figuur 7-10 impressies van de voorgestelde groene rivier bij Well, onder normale omstandigheden en in extreem natte omstandigheden.
Figuur 7-11 links een indruk van de “flessenhals” in de Maas bij Elsteren, waardoor het overstromingsrisico groter is en rechts de extra ruimte die de rivier moet gaan krijgen (bron: presentatie Waterschap Limburg)
84
Figuur 7-12 Inspanningsverplichting 85 ha nieuw buitendijks gebied
De planning is om een definitief ontwerp te hebben in 2024, een uitvoeringsontwerp in 2025 en de werkzaamheden te starten in 2026 en af te ronden in 2029. Inpassing Maaspark Well De zandwinning voor Maaspark Well loopt ook nog door tot 2029. Dit park grenst aan de N-W kant aan het projectgebied Elsteren. In een samenwerkingsovereenkomst tussen gemeente en zandwinner zijn afspraken vastgelegd over de uitvoering van het eind-inrichtingsplan. 7.2
Vertaling naar dimensies
In onderstaande paragrafen staat de vertaling van bovenstaande lagen weergegeven in de vorm van kaarten. Hierbij is vooral gekeken naar bodemvruchtbaarheid, waterbeschikbaarheid en uitspoelingsgevoeligheid, omdat de overige dimensies minder relevant zijn voor het projectgebied. 7.2.1
Bodemvruchtbaarheid
Figuur 7-13 Bodemvruchtbaarheid in het projectgebied (bron: https://www.nationaalgeoregister.nl/ Bodem/RIVM)
De bodemvruchtbaarheid in het projectgebied varieert tussen gemiddeld lager dan gemiddeld.
85
Figuur 7-14 Geschiktheid van de bodem voor diverse teelten, van boven naar beneden: akkerbouw, grasland en groenteteelt (bron: https://www.nationaalgeoregister.nl/).
Deze kaarten geven de bodemgeschiktheid weer voor een specifiek gewas, uitgedrukt aan de hand van een score tussen 0 en 1. Deze score geeft het relatief productieniveau weer vergeleken met een optimale bodem. Ze geven een beeld van de ruimtelijke spreiding van de geschiktheid van percelen voor landbouwproductie. 86
7.2.2
Waterbeschikbaarheid
In deze paragraaf worden de diverse aspecten van waterbeschikbaarheid geografisch weergegeven (gebruikte data https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/)
Figuur 7-15 Risico op droogtestress, huidige situatie (risico onder 10% wordt acceptabel geacht)
Figuur 7-16 Risico op zuurstofstress, huidige situatie (risico onder 15% wordt acceptabel geacht)
87
Figuur 7-17 Gemiddeld hoogste grondwaterstand (bron: https://bodemdata.nl/basiskaarten)
Figuur 7-18 Gemiddeld laagste grondwaterstand (bron: https://bodemdata.nl/basiskaarten)
88
Figuur 7-19 Vochtleverend vermogen door de bodem (bron: Atlas Natuurlijk Kapitaal)
7.2.3
Uitspoelingsgevoeligheid
Figuur 7-20 Uitspoelingsgevoeligheid (bron: https://bodemdata.nl/basiskaarten)
Opvallend is hierbij dat met name het N-W deel van het projectgebied nog steeds relatief uitspoelingsgevoelige gronden heeft (dus de uitspoelingsgevoeligheid is niet beperkt tot de Maasduinen en de gronden daar direct omheen).
89
7.3
Kansen voor toekomstige bedrijfstypen in Elsteren
Op basis van bovenstaande constateringen kan worden vastgesteld dat de meest geschikte typen landbouw in het projectgebied extensieve veehouderij of extensieve gemengde bedrijven zijn. Voor de volledigheid nog een keer het overzicht van de dimensies voor beiden. 2. Extensieve veeteelt Dimensie Bodemvruchtbaarheid
Onderbouwing Een hoge bodemvruchtbaarheid is belangrijk voor een goede productie zonder kunstmest en bestrijdingsmiddelen.
Waterbeschikbaarheid Uitspoelingsgevoeligheid Overgangszone N2000
Is minder relevant vanwege extensiever karakter Is minder relevant omdat gestreefd wordt naar evenwichtsbemesting. Dit kan extra verdienvermogen opleveren via bijvoorbeeld natuur- en landschapsbeheer, aanbieden van op natuurgerichte nevenactiviteiten
Beekdalen
Extensieve beweiding met bijv. jongvee is in een deel van het jaar mogelijk, en kan als vorm van natuurbeheer worden ingezet.
Cultuurhistorische waarde landschap
Ligging in een landschap met hoge cultuurhistorische waarden kan extra verdienvermogen opleveren uit bijvoorbeeld landschapsbeheer.
Drinkwaterwinning/beschermingsgebied
Extensieve veeteelt kan hier mogelijk profiteren van beheervergoedingen, mits geen gebruik gemaakt wordt van gewas- en bestrijdingsmiddelen
Ligging t.o.v. grotere infrastructuur Nabijheid bewoningsconcentratie Beschikbaarheid energie
Minder relevant Indien < 15 km: biedt kansen voor extra inkomen uit bijv. verkoop aan huis Minder relevant
3. Extensieve gemengde bedrijven Dimensie Bodemvruchtbaarheid
Onderbouwing Een hoge bodemvruchtbaarheid is belangrijk voor een goede productie zonder kunstmest en bestrijdingsmiddelen.
Waterbeschikbaarheid
Hoe natuurgerichter de productie, hoe belangrijker de beschikbaarheid van voldoende water .
Uitspoelingsgevoeligheid Overgangszone N2000
Is minder relevant omdat gestreefd wordt naar evenwichtsbemesting. Dit kan extra verdienvermogen opleveren via bijvoorbeeld natuur- en landschapsbeheer, aanbieden van op natuurgerichte nevenactiviteiten
Beekdalen
Hoge grondwaterstanden zijn ongunstig voor gangbare grondgebonden teelten en deze teelten zijn lastig te combineren met natte natuurdoelstellingen. Wel kansen voor innovatieve gewassen. Extensieve begrazing kan goed inpasbaar zijn in gemengd bedrijfstype.
Cultuurhistorische waarde landschap
Ligging in een landschap met hoge cultuurhistorische waarden kan extra verdienvermogen opleveren uit bijvoorbeeld landschapsbeheer.
Drinkwaterwinning/beschermingsgebied
Extensieve landbouw kan hier mogelijk profiteren van beheervergoedingen, mits geen gebruik gemaakt wordt van gewas- en bestrijdingsmiddelen
Ligging t.o.v. grotere infrastructuur Nabijheid bewoningsconcentratie Beschikbaarheid energie
Minder relevant Indien < 15 km: biedt kansen voor extra inkomen uit bijv. verkoop aan huis Minder relevant Legenda: Kansrijk Biedt extra kansen Ongeschikt Minder relevante dimensie
90
8
Conclusies en aanbevelingen
Op basis van de analyse van de verschillende lagen, de vertaling naar dimensies en de verkenning naar de kansen voor de verschillende landbouwtypen trekken we de een aantal conclusies. Ten aanzien van de mogelijkheden van verschillende bedrijfstypen binnen de gemeente: • Langs de Maas (inclusief Elsteren) is ruimte voor veehouderij: o Het gebied is geschikt voor grasland, waarbij het wenselijk is om het huidige grasland zoveel mogelijk te behouden in verband met het lagere uitspoelingsrisico en betere CO2-vastlegging ten opzichte van andere gewassen; o Het gebied leent zich goed ook voor gemengde bedrijven met deels eigen extensieve akkerbouw of regionale samenwerking voor teelt van graan/voer/ voedsel, bijvoorbeeld met bedrijven in het noordoosten van de gemeente; o Zonder derogatie is een veebezetting van 1,7 à 2,3 GVE/ha realistisch; o Voor bedrijven met een huidige bezetting van meer dan 2,5 GVE/ha is het zeer moeilijk om de veebezetting rendabel te verlagen tot een bezetting van minder dan 2,0 GVE/ha; o Vaste samenwerkingen met akkerbouwers voor mestafzet en reststroomgebruik zijn een goede optie voor melkveehouders om het aantal GVE/ha te verlagen, zonder het aantal dieren te moeten verminderen (bijv.
op eigen bedrijf 3 GVE/ha met mestafzet buiten het bedrijf in de regio); o Een meer extensieve of natuurinclusieve bedrijfsvoering is alleen mogelijk in combinatie met lage(re) pachtprijzen. Om extensieve bedrijfsvoering rendabel te maken en houden is het gewenst dat natuurgronden tegen hele lage prijzen of om niet beschikbaar gesteld worden in ruil voor (beperkte) opbrengst en arbeid onderhoud. • In het noordoosten van de gemeente is ruimte voor intensievere gewasteelt door lagere uitspoelingsgevoeligheid en hogere gewasopbrengsten, eventueel met hergebruik van reststromen op eigen land en bijv. bokashi voor veehouders; • Rond de Maasduinen verdient het aanbeveling om aandacht te besteden aan de mogelijkheden voor teelten van biobased materialen, voorwaarde is dat deze beperkt mest en gewasbescherming nodig hebben; • Hokdierbedrijven met gebruik van reststromen: in principe in de hele gemeente mogelijk, maar sterk afhankelijk van de invulling van het GPLG (piekbelasters, vergunningsruimte i.v.m. overgangszone N2000 Maasduinen); • Agroparken achten we niet kansrijk in de gemeente Bergen vanwege: o Voorlopig beperkte beschikbaarheid van energie en grote infrastructuur; o Ruimte beperkt tot de Flammert, maar de ligging tegen Maasduinen en Nieuw-Bergen roept vraagtekens op voor wat betreft de ruimtelijke wenselijkheid en draagvlak.
• Precisielandbouw is in opkomst en goed te benutten in de intensievere landbouw binnen de gemeente; • De schaalvergroting op een aantal landbouwbedrijven in de gemeente door zal zetten, mede in het kader van het rendabel maken van verduurzamingen; • Gebruik zoveel mogelijk de knoppen om aan te draaien zoals omschreven in § 6.1.3. Benut hierbij maximaal de kansen om voor de eigen grondposities voorwaarden te stellen aan gebruik en verken de mogelijkheden om met dit instrument ook de trend van omzetten van grasland naar vollegrondsgroente-, bollen- en/of boomteelt af te remmen in de uitspoelingsgevoelige gebieden in de gemeente. 91
8.1
Aanbevelingen Elsteren
De gemeente heeft aan Stichting de Marke een opdracht verstrekt om een plan op te stellen voor het optuigen van een coöperatieve en streekeigen organisatie of bedrijf, dat vanuit een gemeenschappelijke samenwerking een veerkrachtig toekomstperspectief schept voor cultuurlandschap, natuur, landbouw en voedselproductie in Nederland. Om dit succesvol te kunnen realiseren hebben wij de volgende aanbevelingen: • • •
• •
•
• •
Zet pachtgronden in tegen gunstige voorwaarden; Maak langjarige afspraken met ondernemer(s); Zet de ondernemers actief in voor landschapsbeheer en organiseer de bijbehorende vergoeding gemeentelijk en via subsidies als ANLb, GLB en de subsidie voor het aanleggen en onderhouden van Maasheggen; Verken de mogelijkheden voor een CSA; Indien producten geproduceerd gaan worden voor de lokale markt, overweeg een samenwerking voor de verkoop met direct naastgelegen toeristische attracties als bijv. het recreatiepark Leukermeer; Bekijk de mogelijkheden voor innovatieve teelten, ook bijv. biobased (langjarige gewassen zijn minder interessant i.v.m. de te verwachten periodieke overstromingen van het gebied); Organiseer een samenwerking met de gronden van andere partners (SBB, Waterschap en/of Theunissen); Verken de mogelijkheden om (een) radicaal andere manier(en) van bedrijfsvoering door te voeren en daarvoor iemand inschakelen die ervaring heeft met het begeleiden van bedrijven in de opstart of omschakeling (bijv. Wim Schippers van Aardewerk Advies).