Bijlage 2 Toekomstgerichte Landbouwsystemen
Tekst van het document
TOEKOMSTGERICHTE LANDBOUWSYSTEMEN GEMEENTE BERGEN > UITGEBREIDE VERSIE < Gemeente Bergen (L) Postbus 140 5854 ZJ BERGEN (LB)
P.J.C.M. van Balkom en J.A. de Haan Projectmanagers 06 51 42 43 27 / 06 11 04 15 91
Datum 16-04-2024
Connecting Agri & Food BV - KvK 09123937
Inhoudsopgave 1
ACHTERGROND EN WERKWIJZE ............................................................................ 4 1.1 1.2
2
LANDBOUW IN BERGEN ...................................................................................... 6 2.1 2.2 2.3
3
Context ontwikkelingen in de landbouw in Nederland ............................................ 6 Het internationale agrofoodsysteem ................................................................ 9 Ontwikkeling landbouw in Bergen .................................................................. 11
METHODIEK KANSEN VOOR TOEKOMSTIGE LANDBOUWSYSTEMEN ................................. 15 3.1 3.2 3.3 3.4
3.5 4
Vraag gemeente Bergen in context .................................................................. 4 Werkwijze ............................................................................................... 5
Introductie ............................................................................................. 15 SPLENDID-typen landbouw ........................................................................... 16 Leidende principes voor de toekomstige landbouwsystemen in gemeente Bergen .......... 18 Lagenbenadering ...................................................................................... 19 3.4.1
Fysieke ondergrond ............................................................................19
3.4.2
Infrastructuur ..................................................................................20
3.4.3
Occupatielaag ..................................................................................21
3.4.4
Stuurlaag en immateriële laag ...............................................................21
De SPLENDID systematiek toegelicht ............................................................... 22
METHODIEK KANSEN TOEGEPAST OP GEMEENTE BERGEN ........................................... 23 4.1
4.2
4.3
Gebiedsverkenning gemeente Bergen .............................................................. 23 4.1.1
Fysieke ondergrond ............................................................................23
4.1.2
Infrastructuur ..................................................................................26
4.1.3
Occupatielaag ..................................................................................29
4.1.4
Stuurlaag ........................................................................................30
Vertaling naar dimensies ............................................................................. 35 4.2.1
Bodemvruchtbaarheid .........................................................................36
4.2.2
Waterbeschikbaarheid ........................................................................38
4.2.3
Uitspoelingsgevoeligheid .....................................................................42
4.2.4
Beekdalen en veengebieden .................................................................43
4.2.5
Drinkwaterwingebieden .......................................................................44
4.2.6
Overgangszones ................................................................................45
4.2.7
Archeologische en cultuurhistorische waarde van het landschap .......................46
4.2.8
Nabijheid van bevolkingsconcentraties .....................................................48
4.2.9
Ligging aan grotere infrastructuur ..........................................................48
4.2.10
Conclusies o.b.v. de analyse op de dimensies ..........................................49
Kansen per toekomstig bedrijfstype in Bergen .................................................... 50 4.3.1
Extensieve akkerbouw ........................................................................50
4.3.2
Extensieve veeteelt ...........................................................................51
4.3.3
Extensieve gemengde bedrijven .............................................................52
2
5
Intensieve gewasteelt met reststromen ....................................................55
4.3.6
Intensieve melkveehouderij ..................................................................56
4.3.7
Intensieve hokdierbedrijven met veevoerproductie ......................................58
4.3.8
Agropark met nadruk op dierlijke productie ...............................................59
4.3.9
Agropark met nadruk op tuinbouw ..........................................................60
4.3.10
Samenvatting van de bevindingen .......................................................61
Algemeen ............................................................................................... 63 Boerderijwinkels ...................................................................................... 64 Verdienmodellen voor extensieve landbouwbedrijven .......................................... 69 6.1.1
Extensiveren ....................................................................................69
6.1.2
Bekende verdienmodellen ....................................................................69
6.1.3
Knoppen om aan te draaien voor Gemeente Bergen .....................................73
METHODIEK KANSEN TOEGEPAST OP ELSTEREN ...................................................... 79 7.1
7.2
7.3 8
4.3.5
MOGELIJKE VERDIENMODELLEN EN KANSEN VOOR BERGEN ........................................ 69 6.1
7
Precisielandbouw ..............................................................................54
MARKTANALYSE ............................................................................................. 63 5.1 5.2
6
4.3.4
Gebiedsverkenning projectlocatie Elsteren ....................................................... 79 7.1.1
Fysieke ondergrond ............................................................................79
7.1.2
Infrastructuur ..................................................................................81
7.1.3
Occupatielaag ..................................................................................81
7.1.4
Stuurlaag ........................................................................................83
Vertaling naar dimensies ............................................................................. 85 7.2.1
Bodemvruchtbaarheid .........................................................................85
7.2.2
Waterbeschikbaarheid ........................................................................87
7.2.3
Uitspoelingsgevoeligheid .....................................................................89
Kansen voor toekomstige bedrijfstypen in Elsteren .............................................. 90
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ........................................................................ 91 8.1
Aanbevelingen Elsteren .............................................................................. 92
BIJLAGE 1: LIJST MET GEÏNTERVIEWDE PERSONEN (ALFABETISCH OP ORGANISATIE) .............. 93
3
1 1.1
Achtergrond en werkwijze Vraag gemeente Bergen in context
Gemeente Bergen geeft in de Omgevingsvisie Bergen 2030 aan zich te willen “ontwikkelen tot nationaal voorloper op het gebied van duurzaamheid en te profileren als een energieonafhankelijke gemeente, waar met respect voor de aanwezige natuur, het bestaande landschap en het rijke erfgoed ruimte geboden wordt aan vernieuwende initiatieven op het gebied van duurzaam wonen en werken waar een aantrekkingskracht vanuit gaat voor jonge (hoger opgeleide) mensen”. Mede door de afname van de biodiversiteit vindt de gemeente het belangrijk dat er ook buiten de natuurgebieden om wordt gezocht naar een goede balans tussen landbouw, recreatie en natuur. Voorbeelden zijn andere vormen van bodemgebruik en natuurinclusief boeren. In de visie voor 2030 zijn 10 hoofdkeuzes gemaakt. De volgende zijn het meest relevant als onderlegger voor het huidige onderzoek: 1. De meest toekomstbestendige gemeente; 2. Landschap en landbouw in balans; 3. Versterken natuurwaarden en biodiversiteit. Gedurende de aanloop in het onderzoek heeft de gemeente gekozen om niet uitsluitend de focus te willen leggen op “natuurinclusieve landbouw”, maar een wat bredere begrip “toekomstgerichte landbouw” te willen hanteren. In dit onderzoek wordt geanalyseerd welke vorm(en) van landbouw het best aansluit(en) bij de gemeente en haar ambities.
De vraag aan Connecting Agri & Food is dan ook om aan te geven hoe toekomstgerichte landbouw in de gemeente Bergen er uit kan zien: Hoe kunnen we in de gemeente Bergen landbouwproductie met respect voor landschappelijke omgeving met haar biodiversiteit en rendement laten plaatsvinden, en een duurzaam financieel, sociaal, cultureel en natuurlijk rendement genereren? M.a.w.: wat is toekomstgerichte landbouw in Bergen en welke locatiespecifieke factoren spelen hierbij een rol? Geschetste randvoorwaarden: • Het moet realistisch haalbaar en financierbaar zijn. • Het moet financieel rendement opleveren met borging van de landschappelijke kwaliteit. • Wanneer sprake is van eventuele knelpunten, doe voorstellen voor oplossingen. • Het plan moet aansluiten bij de bestaande lokale markt en samenleving. • In dit proces is sprake van een integraal aangevlogen onderzoek. Dit betekent dat andere partijen ook een rol hebben (bijvoorbeeld via interviews, inloopavond etc.). Opmerkingen: • Maak waar mogelijk zaken niet alleen kwalitatief, maar ook kwantitatief inzichtelijk. • Ook de consument is belangrijk. o Neem ook de lokale en regionale consumptie (en productie) mee, inclusief de grensoverschrijdende activiteiten met Duitsland. o Betrek ook de demografische situatie in Bergen in de analyse (leeftijden/inkomens).
• Maak waar mogelijk een connectie met gezondheid: zorg, bewegen en gezonde voeding. • Er komen jaarlijks ongeveer 1 miljoen toeristen op bezoek in Bergen. Dat betekent dat er altijd een balans gezocht wordt tussen het enerzijds optimaal benutten van de recreatieve aantrekkingskracht en anderzijds het voorkomen van overbelasting van de natuur. • Bekijk eventuele kansen voor aansluiting bij het gebiedsfonds voor de Maasduinen i.o. • Gemeente Bergen speelt een actieve rol op de grondmarkt. • Beschouw Elsteren als blanco locatie, waar we in praktijk kunnen laten zien wat we verstaan onder toekomstgerichte landbouw.
4
1.2
Werkwijze
Om bovengenoemde vragen zo gestructureerd en volledig mogelijk te kunnen beantwoorden hebben we de volgende werkwijze gehanteerd: In hoofdstuk 2 wordt een beeld geschetst van de context: • Hoe heeft de Nederlandse landbouw zich de afgelopen decennia ontwikkeld en hoe verhoudt zich dit tot het internationale agrofoodsysteem? • Wat waren de ontwikkelingen in de landbouw in de gemeente Bergen sinds het begin van het millennium? Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de systematiek toegelicht die we hebben toegepast om te komen tot de definitie van “toekomstgerichte landbouw in Bergen” en om de keuzes op te baseren voor de typen landbouw die geschikt en kansrijk zijn in de gemeente. Daarna wordt in hoofdstuk 4 deze systematiek toegepast op de gemeente: na een gebiedsverkenning wordt de vertaling gemaakt naar de diverse deelthema’s (in de gebruikte methode “dimensies” genoemd) en worden per type landbouwsysteem de kansen voor de gemeente Bergen toegelicht. Voordat er naar mogelijke verdienmodellen wordt gekeken, analyseren we in hoofdstuk 5 eerst de markt in en om de gemeente. In hoofdstuk 6 ligt de nadruk op de verschillende verdienmodellen, die beschikbaar/geschikt zijn voor de benoemde meest kansrijke landbouwsystemen.
Er wordt eerst een algemeen beeld geschetst van verdienmodellen voor duurzamere vormen van landbouw, waarna de vertaling wordt gemaakt naar de kansrijke vormen voor Bergen. Tenslotte wordt verder ingezoomd op locatie Elsteren. Op basis van dezelfde systematiek wordt in hoofdstuk 7 een gebiedsverkenning gemaakt voor de projectlocatie. In hoofdstuk 8 worden conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan voor de gemeente. Ook worden een aantal aanbevelingen gedaan voor een succesvolle exploitatie van de locatie Elsteren. Deze gelden als advies voor de vervolgopdracht die bij Stichting De Marke ligt.
Figuur 1-1 Schematische opbouw rapportage
5
2 2.1
Landbouw in Bergen Context ontwikkelingen in de landbouw in Nederland
In gesprekken over de impact van landbouw op het milieu en klimaat gaat het tegenwoordig vaak over intensieve landbouw en extensieve landbouw. Wat betekenen die termen nu precies en hoe is de huidige situatie in Nederland ontstaan? Wat is intensieve landbouw? Intensieve landbouw is te definiëren als een landbouwproductiesysteem dat is ingericht op efficiency en een maximale opbrengst. Door schaalvergroting en met behulp van machines, robuustere rassen, kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen kunnen boeren in de intensieve landbouw per productie-eenheid (hectare, dier of m2) de meeste output produceren. Wat is extensieve landbouw? Extensieve landbouw daarentegen is meer gericht op het produceren van voedsel met minder input van buiten, zoals kunstmest, veevoer en gewasbeschermingsmiddelen. Zo wordt per hectare landbouwgrond vaak minder gewas of melk geproduceerd dan in de intensieve landbouw. Natuurinclusieve landbouw en biologische landbouw zijn voorbeelden van extensievere vormen van landbouw. Intensieve veehouderij: vaak pluimvee en varkens Of een landbouwproductiesysteem beschouwd wordt als intensief hangt dus vooral samen met de opbrengst per hectare landbouwgrond. Dit geldt ook voor de term intensieve veehouderij. Hoe minder grondgebonden de bedrijfsvoering, hoe intensiever.
Hoewel binnen de melkveehouderij sprake is van grote verschillen in intensiteit, kan in z’n algemeenheid gesteld worden dat pluimveehouderijen en varkenshouderijen vallen in de categorie intensieve veehouderij. Verschillende provincies hanteren overigens verschillende definities. Voor Limburg geldt intensieve veehouderij als: Het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen, of parelhoenders, met uitzondering van kleinschalige veehouderij en varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop; In die definitie is melkvee automatisch uitgesloten. In Noord-Brabant is dit bijvoorbeeld niet het geval. Daar luidt de omschrijving: Een agrarisch bedrijf waarvan de productie niet in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Door de relatief grote hoeveelheid dieren die op deze bedrijven gehouden worden in relatie tot hun landbouwareaal zijn ze niet – of maar in heel beperkte mate – in staat om zelf het voer te produceren voor hun eigen dieren. Extensieve veehouderij: meestal graasdieren In de extensieve veehouderij eten de dieren voor een groot deel juist wel het voer dat op de eigen grond bij het bedrijf wordt verbouwd.
Dit gaat dan vaak om gras voor grazende dieren zoals bijvoorbeeld koeien, schapen of geiten. Extensieve veehouderijen zijn in tegenstelling tot intensieve veehouderijen dus meer grondgebonden. Dit betekent ook dat de mest van de dieren
6
grotendeels of geheel wordt gebruikt voor de eigen landbouwgrond. Volledige grondgebondenheid wordt in de praktijk vaak uitgedrukt in termen van het aantal grootvee-eenheden (GVE) per hectare op het bedrijf. Dit hangt dus meer samen met de mestplaatsingsruimte dan met het per sé volledig zelf al het eigen voer produceren. Een gemiddelde melkveehouder zal zichzelf als grondgebonden beschouwen als hij geen mest hoeft af te zetten buiten zijn eigen bedrijf, ook al koopt hij wel extern (kracht)voer bij om zijn dieren een completer rantsoen te kunnen verschaffen. Intensivering na tweede wereldoorlog De intensivering van de landbouw kwam na de tweede wereldoorlog in een stroomversnelling om voedseltekorten voor eens en voor altijd uit te bannen. Het devies was: “nooit meer honger”. Het zorgde ervoor dat het landbouwbeleid decennia lang was gericht op het maximaliseren van de opbrengst, zodat er genoeg eten was voor iedereen. Voedselzekerheid is sinds die tijd vanzelfsprekend in Europa. Ook zijn mede door dit beleid de voedselprijzen in dezelfde periode veel minder hard gestegen dan veel andere kosten. Intensieve veehouderij in opkomst na 1958 De groei van de intensieve veehouderij in Nederland komt vooral voort uit afspraken die Europese landen met elkaar maakten in 1958.
In deze afspraken werd de vrije handel en onderlinge samenwerking geregeld, waardoor elk land zich kon specialiseren in het produceren van het voedsel waar dat land het meest geschikt voor was. Nederland specialiseerde zich verder in melkveehouderijen, omdat de bodemsoorten en klimaat hier geschikt zijn voor grasland en de (veelal coöperatieve) infrastructuur bestond als basis om op te kunnen schalen. De varkens- en pluimveehouderij groeiden vooral vanwege de gunstige ligging binnen Europa vanwege de haven van Rotterdam. Hierdoor was het aantrekkelijk om in Nederland een levensmiddelenindustrie op te bouwen, die deels afhankelijk is van importstromen. Veel van het voer van varkens en pluimvee komt voort uit reststromen uit de levensmiddelenindustrie, dus die sectoren groeiden mee. Diezelfde gunstige ligging t.o.v. de haven van Rotterdam zorgde er daarnaast voor dat ook veevoer efficiënt rechtstreeks geïmporteerd kon worden. Systeem liep tegen grenzen op Het besef is de afgelopen decennia gegroeid dat het maximaliseren van de opbrengst van landbouwgrond (intensieve teelten) ook nadelen heeft. Het is lang gebruikelijk geweest om telkens hetzelfde gewas intensief te telen met behulp van kunstmest en er werd in vergelijking met nu veel meer chemische gewasbescherming gebruikt om plagen te bestrijden. Op die manier raakte de bodem uitgeput.
De afgelopen jaren is er daarom steeds meer aandacht voor gewasrotatie en optimaal gebruik van meststoffen en minimaal gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Ook is er een groeiende groep burgers en consumenten die waarde hecht aan dierwelzijn. Het kunnen vertonen van natuurlijk gedrag door de dieren is daarbij een belangrijke factor. In de intensievere houderijsystemen is dat gemiddeld genomen lastiger dan in de extensievere. Intensief en extensief ten opzichte van elkaar In de discussie over de toekomst van de landbouw worden intensieve landbouw en extensieve landbouw vaak tegenover elkaar gezet. Dat is zeker niet altijd terecht. Het zijn twee verschillende systemen die vaak goed naast elkaar kunnen bestaan. Biologische akkerbouwers werken extensiever en krijgen daar op de markt een andere prijs voor. Maar niet elke consument kiest die producten. Veel consumenten kiezen nog steeds (uit overtuiging of noodgedwongen) voor de laagste prijs. Door de lagere opbrengst per eenheid (ha, dier of m2) met dezelfde kosten voor de productiemiddelen, zijn extensief geproduceerde producten meestal duurder. Doordat de systemen naast elkaar bestaan is er enerzijds het onderscheidend vermogen, waardoor een deel van de consumenten
7
bereid is om de meerprijs te betalen en fungeert anderzijds de vooruitstrevende extensieve landbouw als een “fieldlab” voor innovatieve ontwikkelingen die ook door de intensieve landbouw geadopteerd worden. Overigens zijn ook intensief en extensief geen statische definities. De intensieve varkenshouderij van 25 jaar geleden zag er totaal anders uit dan heden ten dage, door ontwikkelingen in zowel de markt als in regelgeving. Zo is bijvoorbeeld in die periode de ammoniakuitstoot in de sector met meer dan 70% gereduceerd en is er als gevolg van bijv. de introductie van het Beter Leven keurmerk veel veranderd in de aandacht voor dierwelzijn. Precisielandbouw Het verschil in impact op het klimaat en het milieu tussen beide vormen van landbouw wordt dus steeds kleiner. In de moderne intensieve landbouw in Nederland wordt tegenwoordig veel slimme techniek toegepast om enerzijds de opbrengst te optimaliseren en anderzijds de impact op de omgeving te minimaliseren, vaak aangeduid met de term “precisielandbouw”. Deze speelt een belangrijke rol in het verlagen van het gebruik van kunstmest en gewasbescherming en het optimaliseren van een gezond bodemleven. Moderne veehouderij: gezondheid van dieren eerste prioriteit De intensieve veehouderij wordt de laatste jaren vooral gekenmerkt door schaalvergroting en het verbeteren van de diergezondheid.
Boeren bouwen moderne, grote stallen, waarbij de leefomstandigheden van de dieren kunnen worden geoptimaliseerd. Dat heeft voordelen voor dieren. Schone stalvloeren, goede verlichting, de juiste luchtkwaliteit en temperatuur en een optimaal voerschema dragen bij aan de diergezondheid. Dit is o.a. terug te zien in de grote daling van het antibioticagebruik in de intensieve veehouderijsectoren de afgelopen jaren. Buiten vs. binnen Het buiten houden van dieren heeft voordelen, vooral in het kader van het kunnen vertonen van natuurlijk gedrag. Het idee dat deze manier van veehouderij op alle onderdelen beter scoort, is echter niet correct. Juist stallen waarin dieren met de hoogste gezondheidsstatus leven (SPF – specific pathogen free) zijn sterker afgesloten van buiten (o.a. doordat er altijd sprake is van “overdruk”, waardoor er alleen schone lucht gecontroleerd binnenkomt). Maar ook in niet-SPF stallen is het risico lager dan bij vrije uitloop. In tijden van verhoogd risico op insleep van bijv. vogelgriep via wilde vogels is er niet voor niets sprake van een ophokplicht. Daarnaast is de uitstoot van bijv. ammoniak, geur en stof uit een moderne stal meestal lager, omdat er wordt gewerkt met luchtwassers en moderne mestopvangsystemen. Afweging voor- en nadelen Er bestaat niet één systeem met alleen maar duurzaamheidsvoordelen, dus er is altijd sprake van een afweging van thema’s.
Om eieren te produceren met minimale stikstofuitstoot zouden we in theorie bijvoorbeeld zo snel mogelijk de legbatterij moeten herintroduceren, maar de samenleving heeft een andere afweging gemaakt. Deze keuzes zijn dus deels afhankelijk van maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Maatschappelijk en politiek is er nog steeds sprake van weerstand tegen grotere hoeveelheden dieren bij elkaar (“megastallen”), soms vanwege het – lang niet altijd terecht - vermeende gebrek aan dierwelzijn, maar ook vanwege de grotere impact in geval van een stalbrand of dierziekte. In het Nationaal Programma Landelijk Gebied noemt de overheid extensivering als een van de ontwikkelingsrichtingen voor landbouwbedrijven. Extensieve landbouw heeft een lage input van grondstoffen zoals kunstmest, en/of minder vee per hectare. Dit draagt bij aan de reductie van
8
stikstof- en broeikasgasemissie, creëert meer habitat voor soorten en verbetert de waterkwaliteit. Het tegengaan van bodemdaling en verdroging gaat ook samen met extensivering. Maar er zijn ook zorgen over het verdienmodel. Hoe kan een boer met extensieve landbouw toch voldoende inkomsten genereren? Hierover meer in hoofdstuk 6. 2.2
Het internationale agrofoodsysteem
Ontwikkelingen wereldwijd In het rapport “Naar een voedselbeleid” uit 2014 heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) een grondige analyse gepresenteerd op basis van een zeer uitgebreid literatuuronderzoek en een lange lijst expertinterviews. De inhoud van dit rapport is nog zeer actueel. Een deel van onderstaande analyse is dan ook gebaseerd op dit rapport. Ons voedselsysteem heeft een ander karakter dan een aantal decennia geleden. De WRR onderscheidt vier belangrijke ontwikkelingen: 1. Landbouw en visserij zijn geïndustrialiseerd en grootschaliger geworden. 2. De voedselvoorziening is geïnternationaliseerd. Buitenlandse investeringen en handel zijn toegenomen, productieketens zijn langer en internationaler geworden. 3. Het belang van niet-agrarische spelers is sterk toegenomen. Toeleverende, verwerkende en levensmiddelenindustrie en de supermarkten hebben aan belang gewonnen ten opzichte van de primaire landbouw. In deze bedrijfstakken heeft bovendien een sterke concentratie plaatsgevonden, waardoor een groot deel van de markt in handen is gekomen van een klein aantal bedrijven. 4. De consumptie is veranderd. We eten mondiaal meer vlees en andere dierlijke producten, evenals samengestelde producten. Er is een complex netwerk ontstaan van stromen grondstoffen en halfproducten die worden verwerkt en gecombineerd tot voedingsmiddelen voor de consument.
Er is niet één speler in het voedselnet die overzicht heeft over het geheel of het functioneren daarvan kan bepalen. Het netwerk kent wel knooppunten die een grote invloed hebben op wat zich elders in het netwerk afspeelt, zoals geneticabedrijven en inkooporganisaties. Er zijn vele wederzijdse nationale en (vooral ook) internationale afhankelijkheden opgebouwd, tussen grondstoffenleveranciers, verwerkers, boeren, overheden, ngo’s, consumenten, brancheorganisaties, koepels en samenwerkingsverbanden. Deze houden elkaar in een evenwicht en vormen samen een wereldwijd “voedsel-ecosysteem”. Nederland in de internationale context Partijen in Nederland nemen in die internationale agrifoodwereld een prominente positie in. Tot dusverre heeft ons land in veel mondiale ontwikkelingen voorop gelopen. Nederland is daarnaast een belangrijk voedselknooppunt. Hoewel wereldwijd het grootste deel van de voedselproductie lokaal en regionaal verhandeld wordt en niet op de wereldmarkt verschijnt, kent juist Nederland een sterke internationale oriëntatie. Export en import zijn voor ongeveer 80% op Europa en met name op Duitsland gericht, sommige producten worden juist mondiaal verhandeld. Daarnaast draagt ook de export van ontwikkelde kennis en technologie belangrijk bij aan de internationale uitstraling van Nederland.
De positie van het Nederlandse agrofoodcluster vindt zijn oorsprong in een combinatie van de gunstige ligging voor voedselproductie (rivierdelta), de handelsmentaliteit van Nederland, de bereidheid om samen te werken (de polder) en een overheidsbeleid dat decennia lang gericht geweest is op kennisontwikkeling en -verspreiding.
9
Volgens de Agro Nutri Monitor van de WUR over 2021 is 77% van de export naar landen binnen de EU + het Verenigd Koninkrijk. Voor eieren geldt dat 80% alleen al naar Duitsland gaat. Het merendeel van de Nederlandse afzet zou in de VS en Canada onder “streekproduct” vallen, of in elk geval als “binnenlandse consumptie” gelden. Export vanuit Nederland wordt in discussies vaak bestempeld als probleem of “onnodig”. Ook wordt de export in kg uitgedrukt, meestal zonder rekening te houden met de vierkantsverwaarding. Rekenvoorbeeld: Als 70% van de geproduceerde kg de grens over gaat en 30% in Nederland wordt geconsumeerd, betekent dit niet dat Nederland met 30% van de productie zelfvoorzienend is. Het consumptiepatroon tussen landen verschilt. Nederland is vooral een “filet-land”. Als de helft van elke kip wordt geëxporteerd vanwege het andere consumptiepatroon, is voor de Nederlandse behoefte (30% van alle geproduceerde kg) dus 60% van de Nederlandse productie nodig. Daar komt nog eens bij dat verduurzaming in dierlijke sectoren meestal ook gepaard gaat met lagere bezettingsgraden en minder productierondes.
Zowel LTO als Nepluvi (Vereniging van de Nederlandse Pluimveeverwerkende Industrie) geven aan dat, als we alle Nederlandse consumptie met Nederlandse Beter Leven kip willen invullen, we het merendeel van de huidige beschikbare vierkante meters in Nederlandse stallen nodig hebben, zo niet alle. Het sentiment over export brengt het risico met zich mee dat het beeld ontstaat dat boeren “gerust weg kunnen” zonder te hoeven importeren. Deze redenering houdt geen rekening met de kracht en het belang voor Nederland van het Nederlandse agricluster dat er aan verbonden is en het feit dat ook nu al ruim de helft van de Nederlandse consumptie bestaat uit geïmporteerde producten. De prominente positie als importerend, doorvoerend en exporterend land brengt volgens de WRR kwetsbaarheden, verantwoordelijkheden en kansen met zich mee: Nederland draagt bij aan het ontstaan van problemen op het gebied van ecologische houdbaarheid, volksgezondheid en robuustheid, is afhankelijk van de wereldwijde ontwikkelingen op elk van deze gebieden en wordt daarnaast met samenhangende specifieke lokale problemen geconfronteerd. Het hoge kennisniveau van de agrifoodsector biedt Nederland tegelijkertijd kansen om zijn verantwoordelijkheden te nemen voor deze toekomstige uitdagingen.
Het kan duurzamer en gezonder voedsel produceren en uitvoeren, en zijn kennis van innovatieve productiesystemen mondiaal te gelde te maken. Vanuit haar rol in het internationale foodnetwerk heeft de voedingsmiddelenindustrie sowieso een groot belang bij de internationale ontwikkelingen en verhoudingen. Footprinting, fair pricing en IMVO (internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen) staan hoog op de agenda en vragen om een internationale benadering van spelregels en randvoorwaarden. Ketenorganisatie Ook voor Nederland geldt dat het belang van toeleveranciers, verwerkers en retailers veel groter is geworden ten opzichte van de primaire productie en ook in Nederland zijn deze bedrijfstakken de afgelopen decennia gekenmerkt door consolidatie en concentratie. De organisatie van de productie in ketens van bedrijven die zich elk in een beperkt aantal taken specialiseren, betekent dat steeds vaker niet individuele bedrijven, maar ketens van bedrijven met elkaar concurreren. Dit maakt bedrijven onderling meer afhankelijk. Het resultaat van een bedrijf wordt in grotere mate bepaald door het presteren van ketenpartners en van het functioneren van de keten als geheel.
10
Deze onderlinge afhankelijkheden zijn goede redenen om de ketens expliciet te organiseren. Hierbij zijn onderlinge afspraken van groot belang over productievoorwaarden en productstandaarden, informatievoorziening en de controle daarop. Hierdoor veranderen de marktverhoudingen. Ketenmanagement impliceert dat bedrijven die deel uitmaken van dezelfde keten elkaar minder beschouwen als tegenstander en gaan samenwerken. Verwevenheid Door de toenemende verwevenheid en grotere verspreiding van activiteiten zijn de onderlinge afhankelijkheden van spelers in het voedselnet toegenomen. Dit betekent ook dat ingrijpende maatregelen op één plek in dit “ecosysteem” gevolgen heeft voor een hele reeks andere onderdelen van het systeem. Het voedselnet is een complex netwerk dat niet vanuit één plaats te besturen valt – niet vanuit de gemeente, niet vanuit Den Haag, noch vanuit Brussel of de WTO of vanuit grote supermarkten of levensmiddelenfabrikanten. Het bevorderen van een robuust voedselnet dat gezondere en duurzamer geproduceerde producten zal leveren vormt een opgave waar burgers, bedrijven en overheden gezamenlijk voor staan. Ook bedrijven in de gemeente Bergen ontkomen niet aan deze context en hun rentabiliteit zal er – ook in de toekomst - nog steeds in belangrijke mate mede door bepaald worden. 2.3
Ontwikkeling landbouw in Bergen
In deze paragraaf schetsen we in het kort de kwantitatieve ontwikkelingen in de gemeente Bergen sinds het begin van het millennium, in relatie tot de ontwikkelingen in Nederland. Aantal landbouwbedrijven Tabel 2.1. Aantal landbouwbedrijven in Nederland (bron: CBS)
2000
2005
2010
2015
2020
2021
2022
Aantal landbouwbedrijven, totaal
97389
81750
72324
63913
52695
52107
50975
Akkerbouw|Aantal bedrijven|Akkerbouwgroenten
6617
5328
4961
5211
5282
5587
5195
Akkerbouw|Aantal bedrijven|Granen
22665
18682
14992
12377
11987
11726
12726
Tuinbouw open grond|Aantal bedrijven|Bloembollen en -knollen
2709
2176
1687
1551
1509
1583
1618
Tuinbouw open grond|Aantal bedrijven|Tuinbouwgroenten
5211
3648
2859
2879
2867
2878
2866
Tuinbouw onder glas|Aantal bedrijven|Fruit onder glas
142
115
108
105
115
115
111
Tuinbouw onder glas|Aantal bedrijven|Glasgroenten
3433
2547
1766
1385
1251
1239
1160
Tuinbouw overig|Aantal bedrijven|Paddenstoelenteelt|Champignons
517
299
174
127
102
100
95
60788
47731
46211
42481
36441
36023
35176
Grasland en groenvoedergewassen|Aantal bedrijven|Grasland|Blijvend grasland Grasland en groenvoedergewassen|Aantal bedrijven|Grasland|Natuurlijk grasland
1631
1590
2991
3538
5408
5554
5576
Grasland en groenvoedergewassen|Aantal bedrijven|Grasland|Tijdelijk grasland
11041
16279
14713
22908
21622
21650
21086
Grasland en groenvoedergewassen|Aantal bedrijven|Groenvoedergewassen
32368
28624
27174
26913
22931
22146
21375
Graasdieren|Aantal bedrijven|Rundvee|Rundvee, totaal
45804
37303
32828
28841
24018
23529
22906
Graasdieren|Aantal bedrijven|Rundvee|Melk- en kalfkoeien (>= 2 jaar)
29466
23527
19805
18265
15731
15251
14729
Graasdieren|Aantal bedrijven|Geiten|Geiten, totaal
3795
4552
3719
3185
3052
3187
3198
Hokdieren|Aantal bedrijven|Varkens|Varkens, totaal
14523
9686
7030
4928
3557
3405
3273
Hokdieren|Aantal bedrijven|Kippen|Kippen, totaal
3860
2841
2431
2049
1766
1719
1710
11
Tabel 2.2 Aantal landbouwbedrijven in Bergen (bron: CBS)
2000
2005
2010
2015
2020
2021
2022
Aantal landbouwbedrijven, totaal
244
180
161
148
134
136
127
Akkerbouw|Aantal bedrijven|Akkerbouwgroenten
27
22
10
20
22
20
19
Akkerbouw|Aantal bedrijven|Granen
96
67
49
50
34
34
34
Tuinbouw open grond|Aantal bedrijven|Bloembollen en -knollen
14
6
2
1
6
7
4
Tuinbouw open grond|Aantal bedrijven|Tuinbouwgroenten
72
36
24
17
15
15
13
Tuinbouw onder glas|Aantal bedrijven|Fruit onder glas
2
2
1
0
0
1
0
Tuinbouw onder glas|Aantal bedrijven|Glasgroenten
21
14
11
6
9
8
6
Tuinbouw overig|Aantal bedrijven|Paddenstoelenteelt|Champignons
2
0
0
0
0
0
0
Grasland en groenvoedergewassen|Aantal bedrijven|Grasland|Blijvend grasland
117
73
70
79
76
75
70
Grasland en groenvoedergewassen|Aantal bedrijven|Grasland|Natuurlijk grasland
7
2
10
11
11
11
11
Grasland en groenvoedergewassen|Aantal bedrijven|Grasland|Tijdelijk grasland
38
53
55
65
60
63
59
Grasland en groenvoedergewassen|Aantal bedrijven|Groenvoedergewassen
75
60
61
73
58
55
45
Graasdieren|Aantal bedrijven|Rundvee|Rundvee, totaal
70
57
47
38
31
31
29
Graasdieren|Aantal bedrijven|Rundvee|Melk- en kalfkoeien (>= 2 jaar)
46
36
32
22
20
21
19
Graasdieren|Aantal bedrijven|Geiten|Geiten, totaal
4
5
4
5
8
9
9
Hokdieren|Aantal bedrijven|Varkens|Varkens, totaal
28
19
18
14
14
14
13
Hokdieren|Aantal bedrijven|Kippen|Kippen, totaal
6
4
4
2
1
1
0
De overall trend in Nederland zien we in ongeveer dezelfde vorm in de gemeente Bergen terug: het totaal aantal bedrijven neemt bij beiden met 48% af. Onderliggend zijn wel een aantal verschillen waar te nemen: • Het aantal akkerbouwbedrijven is landelijk met 39% gedaald, in Bergen met 58%. • Ook het aantal bedrijven in de vollegrondstuinbouw kende in Bergen een (veel) sterkere daling dan landelijk (resp. 80% vs. 43%). • Voor het aantal rundveebedrijven geldt dat zowel landelijk als in de gemeente sprake is van ongeveer een halvering van het aantal bedrijven in deze periode. • Het aantal geitenbedrijven staat landelijk relatief gezien veel minder onder druk dan de andere diersoorten. In de gemeente is juist sprake van een verdubbeling van het aantal geitenhouderijen, maar de absolute aantallen zijn nog steeds zeer laag. • Het aantal varkenshouderijbedrijven in de gemeente is gehalveerd, terwijl landelijk het aantal met meer dan 75% gekrompen is. • Pluimveebedrijven zijn landelijk in aantal ruim gehalveerd en in de gemeente volgens het CBS zelfs niet meer aanwezig. Het is hierbij overigens belangrijk om op te merken dat de gegevens uit deze tabel uit de jaarlijkse landbouwtelling komen. Deze landbouwtelling maakt deel uit van de gecombineerde opgave, die onder meer gebruikt wordt voor de uitvoering van het landbouwbeleid en handhaving van de Meststoffenwet.
De regionale indeling van de Landbouwtelling is gebaseerd op het hoofdvestigingsadres. Hierdoor kan de regio, waaraan de landbouwactiviteiten (houden van dieren, teelt van gewassen) worden toegerekend, afwijken van de plaats waar deze activiteiten daadwerkelijk plaatsvinden. Mocht een bedrijf de hoofdvestiging dus in de gemeente Bergen hebben, maar een of meerdere locaties in een andere gemeente, dan staan alle dieren van dit bedrijf bij het CBS geregistreerd in Bergen. Als er grotere aantallen bedrijven per sector gevestigd zijn, dan zullen de hoofd- en nevenvestigingen van 12
bedrijven ongeveer tegen elkaar wegvallen en zal het genoemde aantal dieren gemiddeld genomen redelijk kloppen. Bij kleinere aantallen is het effect van één bedrijf met meer locaties buiten de gemeente groter. Dit veroorzaakt bijvoorbeeld de afwijking van het aantal genoemde geiten en pluimvee in de tabel met de werkelijke aantallen. In de gemeente worden momenteel op twee locaties geiten gehouden en op twee locaties pluimvee. Tabel 2.3 Landgebruik in gemeente Bergen (bron: CBS)
2000
2005
2010
2015
2020
2021
2022
Grondgebruik | Oppervlakte | Cultuurgrond
are
395140
379489
354652
360252
362544
366652
389049
Akkerbouw|Oppervlakte|Akkerbouwgroenten
are
18605
15830
19808
19309
27041
32847
29858
Akkerbouw|Oppervlakte|Granen
are
60402
52282
53391
36566
26447
20922
25753
Tuinbouw open grond|Oppervlakte|Bloembollen en -knollen
are
5775
7424
905
1233
4502
6397
5945
Tuinbouw open grond|Oppervlakte|Tuinbouwgroenten
are
12030
7613
5419
4983
4048
3667
3636
Tuinbouw onder glas|Oppervlakte|Fruit onder glas
m2
8181
26932
6000
0
0
4000
0
Tuinbouw onder glas|Oppervlakte|Glasgroenten
m2
161662
125186
216070
164700
340310
339160
239160
Tuinbouw overig|Oppervlakte, hoeveelheid|Paddenstoelenteelt|Champignons
m2
2200
0
0
0
0
0
0
Grasland en groenvoedergewassen|Oppervlakte|Grasland|Blijvend grasland
are
100793
96423
57716
66076
58651
58614
57132
Grasland en groenvoedergewassen|Oppervlakte|Grasland|Natuurlijk grasland
are
8298
4040
15446
15149
26893
26946
55387
Grasland en groenvoedergewassen|Oppervlakte|Grasland|Tijdelijk grasland
are
23258
42542
65602
48030
51139
61297
61178
Grasland en groenvoedergewassen|Oppervlakte|Groenvoedergewassen
are
71623
64279
60090
82344
62452
54293
51509
Opvallende waarnemingen in het grondgebruik in de gemeente Bergen: • Het totale oppervlak cultuurgrond is slechts met 1,5% gedaald over een periode van 22 jaar. • Het oppervlak akkerbouw is met bijna 30% afgenomen van 790 naar nog geen 560 ha. Bovendien heeft daarbinnen een duidelijke verschuiving plaatsgevonden van graan naar akkerbouwgroente: binnen het akkerbouwareaal vertegenwoordigden de groenten in 2000 nog geen 25% van het areaal, in 2022 ruim boven de 50%. • De teelt van tuinbouwgroenten in de open grond is met 70% gedaald naar 36 ha. • Het areaal glasgroente is juist met 50% gestegen van 16 naar 24 ha. • De grootste verschuiving heeft echter plaatsgevonden in het areaal grasland. Deze is in totaal gestegen met ruim 30% tot 1737 ha, waarbij het aandeel blijvend grasland daalde van 76% in 2000 tot 33% in 2022. De arealen natuurlijk en tijdelijk grasland stegen juist sterk. Het gerapporteerde totaal van 3890 hectaren is meer dan de hectaren gewassen die eronder in de tabel opgesomd staan. Dit komt omdat de oppervlakte cultuurgrond alle grond is die, blijvend dan wel tijdelijk, deel uitmaakt van het bedrijf, en in hoofdzaak bestemd is voor het voortbrengen van landbouwproducten (akkerbouw, tuinbouw, veehouderij), met inbegrip van braakland en (tijdelijk) grasland.
Aantal landbouwhuisdieren Het aantal dieren in de gemeente is in de melkveehouderij gedaald, maar minder dan het aantal bedrijven. De rundveebedrijven zijn dus gemiddeld meer dieren gaan houden. Voor de geitenhouderij geldt dat deze zich blijkbaar pas tussen 2010 en 2015 professioneel heeft doorgezet in de gemeente. Hoewel het aantal varkensbedrijven halveerde in de periode, is het totaal aantal varkens toch met ruim 20% gestegen. Het gemiddeld aantal dieren op varkensbedrijven in Bergen is daarmee gestegen van ca. 1230 naar 3250. Dit is in lijn met de landelijke trend, waarbij varkenshouders de benodigde investeringen in milieu- en welzijnsmaatregelen rendabel proberen te maken door schaalvergroting toe te passen.
13
Tabel 2.4 Aantal landbouwhuisdieren in Bergen1
2000
2005
2010
2015
2020
2021
2022
Rundvee totaal
7.200
6.372
6.499
5.984
4.907
4.861
4.649
Melk- en kalfkoeien (>= 2jr)
2.742
2.529
2.576
2.267
2.108
2.125
2.022
Geiten
13
2.213
217
6.034
13.867
12.534
14.180
Varkens
34.503
34.081
33.197
50.298
47.471
48.076
42.241
Pluimvee
96.007
149.900
188.763
47.600
13.439
13.919
0
Bron: CBS
1 Aanwezig op het moment van invullen landbouwtelling.
14
3 3.1
Methodiek kansen voor toekomstige landbouwsystemen Introductie
De gemeente Bergen wil vanuit een realistisch perspectief de toekomst tegemoet treden. De gemeente streeft naar een helder handelingsperspectief voor de betrokken overheden, agrarische ondernemers en andere direct betrokkenen, zodat zij gezamenlijk de transitie naar nieuwe landbouwsystemen kunnen inzetten. Daarbij zijn bodem en water de leidende onderleggers. Het type bodem geeft aan wat er wel of niet mogelijk is in het betreffende gebied. Bijvoorbeeld op zandgronden is een andere vorm van landbouw mogelijk dan op kleigronden. Bij aanvang van het onderzoek zijn een aantal onderzoeksmethoden overwogen, namelijk: 1. Maatschappelijke Kosten Baten Analyse; 2. Kritische Succesfactoren voor een geslaagde Transitie; 3. Spatial Planning for Environmentally Diverse Circular Development Ad 1: Maatschappelijke Kosten Baten Analyse Maatschappelijke Kosten Baten Analyses (MKBA’s) worden met name daar toegepast waar er is dan sprake van kleine voordelen voor heel veel mensen tegenover significante nadelen voor een kleine groep (Kaagbaan Schiphol, Gaswinning Groningen, Zuiderzeelijn). Effecten op de leefomgeving kunnen in MKBA’s beter worden meegenomen en gepresenteerd. Dat betreft in de eerste plaats het beter toepassen van bestaande richtlijnen over het omgaan met PM-posten en het transparant presenteren en duiden van de uitkomsten van een MKBA.
Beperking van de methode is gelijktijdig dat veel PM-posten moeilijk tot niet te kwantificeren zijn. Daarnaast worden veel PM-posten bepaald door verschillen in subjectieve beleving, en zijn daardoor moeilijk tot niet te kwantificeren. Ad 2: Kritische Succesfactoren voor een Geslaagde Transitie Het concretiseren van de Kritische Succesfactoren voor een geslaagde transitie (KSF) gaat er vanuit dat de noodzaak van integratie van de productie van voedsel met de ontwikkeling en het beheer van de groene ruimte een omslag betekent in het denken voor beleidsmakers én ondernemers en belangenbehartigers. Ondernemers in het landelijk gebied vervullen niet alleen een productiefunctie, maar steeds meer zijn zij en hun omgeving zich bewust van de andere functies zoals beheerder van het landschap, water, recreatieruimte en dergelijke. Door het beleid te positioneren als een deelproces binnen het grotere veranderingsproces dat zich voltrekt binnen de landbouw zijn de krachten en voorwaarden voor een succesvolle verandering beter te duiden. De evaluatiecriteria voor het beoordelen van de ideevorming rondom omgevingskwaliteit zijn: gevoelde urgentie, heldere doelstellingen, eenduidige relatie tot doel en instrumenten, benodigde middelen en adequate fasering. Deze KSF-benadering helpt bij het realiseren van acceptatie van beleid.
Onder meer Potman (1989) heeft het toegepast bij onderzoek naar de Wet geluidhinder. Ad 3 Spatial Planning for Environmentally Diverse Circular Development (SPLENDID) Beide voornoemde methoden hebben zich in de praktijk bewezen als nuttig. In relatie tot de opdracht is toch voor de derde methode gekozen. Belangrijkste reden hiervoor is dat de opdracht een belangrijk lokaal geografische component bevat: welke economische activiteiten willen we wel en welke niet, en dan met name waar? Voorkomen moet worden dat over vijftien jaar met spijt wordt terug gekeken op het nu toestaan dan wel stimuleren van economische activiteiten op de verkeerde plaats.
15
Voor dit onderzoek is gekozen voor de zgn. “SPLENDID methode”, die ontwikkeld is door Bureau Wing, i.s.m. Wageningen UR. SPLENDID is de afkorting van “Spatial Planning for Environmentally Diverse Circular Development”. Deze methodiek kan een hulpmiddel zijn om antwoord te geven op de vragen: “wat zou een toekomstgericht landbouwsysteem in de gemeente Bergen kunnen zijn?” en “wat kan waar?”. 3.2
SPLENDID-typen landbouw
SPLENDID gaat uit van diverse soorten "kringlooplandbouw". Meestal wordt daarmee circulariteit bedoeld op bedrijfsniveau. In de SPLENDID systematiek is het begrip echter veel breder gedefinieerd (nature-based, technology-based en transport-based). Toekomstgerichtheid zonder een van deze vormen van circulariteit is wat ons betreft niet logisch, zeker gezien de uitgangspunten van de gemeente Bergen. We zouden kringlooplandbouw daarmee als basis van de analyse kunnen bestempelen, waarbij de term in dit geval dermate breed is aangevlogen dat het ruimte geeft voor alle vormen van toekomstgerichte landbouw. Kringlooplandbouw wordt door het Ministerie van LNV gekarakteriseerd aan de hand van vier principes: 1. Gezondheid van de bodem staat voorop; 2. Mest wordt geïntegreerd in het eigen systeem; 3. De reststromen uit de gewassenteelt en uit onze eigen voeding worden hergebruikt om vee te voeren of te composteren, en 4. Verspilling (van o.a. voedsel) wordt zoveel mogelijk teruggebracht. Ondanks deze principes, lopen de beelden die mensen bij kringlooplandbouw hebben nogal uiteen. Het contrast tussen deze beelden kan groot zijn: van natuurinclusieve permacultuur tot hoogproductieve precisielandbouw en industriële agro-complexen. In de SPLENDID uitwerking wordt niet voor één bepaalde interpretatie gekozen.
Binnen het onderzoek wordt de veelheid aan mogelijke vormen van kringlooplandbouw als een sterk punt gezien, omdat voor deze alle vormen plek is en doordat ze elkaar juist kunnen aanvullen. SPLENDID onderscheidt drie hoofdcategorieën kringlooplandbouw: • Natuurinclusief; • intensief grondgebonden; • hoogtechnologisch, niet grondgebonden. Hierna lichten we de verschillende typen kort toe, met hun subtypes. In het rapport “Typeringen voor kringlooplandbouw” van Wageningen UR staan ze uitgebreide toegelicht. Categorie 1: Natuurinclusief Bij deze variant van kringlooplandbouw wordt de inzet van externe input (kunstmest, extern veevoer, bestrijdingsmiddelen) vermeden. Het idee is dat natuurlijke hulpbronnen worden versterkt in plaats van uitgeput. Herstel van de bodemkwaliteit heeft een hoge prioriteit. In de gewasteelt wordt de bodembewerking verminderd en in de veehouderij wordt het areaal minder intensief begraasd. Er wordt vaak gebruik gemaakt van minder productieve rassen, die wel beter zijn voor bodem, biodiversiteit en landschap. Waterschappen kunnen het grondwaterpeil minder intensief gaan beheren. Het systeem is geschikt voor zowel biologische als gangbare (niet-intensieve) productie. De opbrengsten per productie-eenheid zullen lager zijn. Deze vorm van 16
kringlooplandbouw draagt bij aan verschillende maatschappelijke opgaven, zoals meer wateropslag in bodem en oppervlaktewater, minder uitstoot door minder dieren, meer biodiversiteit en aantrekkelijke landschappen voor inwoners en recreanten. Voor dit type kringlooplandbouw is het bedrijf en de directe omgeving (± 15 km) een passende schaal om de kringlopen te sluiten. De typen kringlooplandbouw die in deze categorie vallen zijn: 1a: Extensieve akkerbouw; 1b: Extensieve veeteelt; 1c: Gemengde bedrijven. Categorie 2: Intensief grondgebonden Deze vormen van kringlooplandbouw gaan samen met behoud van de huidige productieniveaus. Ze maken gebruik van technieken om verlies van water en nutriënten tegen te gaan, zoals bijv.: • Drones en/of satellietbeelden om precisietoediening van mest, water of gewasbescherming toe te passen; • luchtwassers; • composteerinstallaties; • biologische plaagbestrijding. Een passende schaal om dit type kringlooplandbouw te sluiten is de regio (± 100 km). De typen kringlooplandbouw in deze categorie zijn: 2a: Precisielandbouw; 2b: Intensieve gewasteelt met reststromen; 2c: Intensieve melkveehouderij; 2d: Intensieve hokdierbedrijven met veevoerproductie. Categorie 3: Hoogtechnologisch, niet-grondgebonden Dit is mogelijk de radicaalste vorm van kringlooplandbouw: het produceren van voedsel in volledig gesloten complexen.
Veel vormen van landbouw zijn namelijk ‘niet grondgebonden’. Dit geldt voor de meeste varkens- en pluimveehouderijen, maar ook voor glastuinbouw en paddenstoelenteelt. Voor deze vormen van landbouw kan het interessant zijn om dierlijke en plantaardige productiesystemen fysiek aan elkaar te koppelen in grootschalige productielocaties, zodat ze optimaal gebruikt kunnen maken van elkaars reststromen. Landschappelijk gezien zullen dit soort productielocaties niet erg aantrekkelijk zijn, maar door ze uit het landschap te halen, kan deze vorm wel gunstig zijn voor de omgevingskwaliteit. Voor veel mensen zal het een onaangename gedachte zijn dat in dit systeem dierlijke productie nog grootschaliger wordt. Er moet mede daarom bij het ontwerp extra aandacht besteed worden aan de leefomstandigheden van de dieren. Een passende schaal om dit type kringlooplandbouw te sluiten is Noordwest Europa (± 800 km). De typen kringlooplandbouw in deze categorie zijn: 3a: Agropark met nadruk op dierlijke productie; 3b: Agropark met nadruk op tuinbouw.
17
Bij eerdere toepassing van de methodiek zijn een aantal aandachtspunten gesignaleerd, die we bij onze analyse voor Bergen meenemen: • Er worden in totaal 9 typen van landbouw geduid, maar deze zijn in de praktijk niet altijd scherp afgebakend. Er zijn ook mengvormen en variaties op deze 9 typen mogelijk. Het is bijvoorbeeld goed mogelijk om op een grondgebonden rundveebedrijf met grasland en akkerbouw een extensieve bedrijfsvoering toe te passen in combinatie met het gebruik van precisielandbouwmethoden. • Vergoedingen voor landschapsbeheer met bijbehorende diensten en het ontwikkelen van neventakken als agrotoerisme, verkoop aan huis en verwerking van producten op de boerderij zijn alleen bij categorie 1 (Natuurinclusief) genoemd. Met name de inkomsten uit neventakken kunnen echter ook prima bij de vormen onder categorie 2 (Intensief grondgebonden) ontwikkeld worden. Door de zeer nauwkeurige toediening van meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen en water in type 2a (precisielandbouw) zijn omgevingsfactoren daar minder of niet onderscheidend en is dit type in principe overal mogelijk. 3.3
Leidende principes voor de toekomstige landbouwsystemen in gemeente Bergen
Er is voor gekozen om een set gezamenlijke leidende principes op te stellen, die de basis zijn voor een (of meer) toekomstig(e) vorm(en) van landbouw in de gemeente Bergen. Ongeacht het gekozen type, zullen deze principes overeind moeten blijven. Deze principes zijn opgesteld op basis van de gesprekken die we met diverse partijen in de gemeente gevoerd hebben en de beschikbare documenten, zoals bijv. de Omgevingsvisie Bergen 2030, Gebiedsprogramma Top van Limburg, de Visie Beekdalontwikkeling in Limburg en de Landschapsvisie Maasdal Bergen. Basisuitgangspunt is dat de ruimtelijke omgeving bepaalt wat er mogelijk is, maar dat toekomstbestendigheid in veel verschillende vormen tot uiting mag komen. Het begrip ruimtelijke omgeving wordt nader geduid bij de lagenbenadering in de volgende paragraaf. 1. Bodem en water zijn leidend a) Het type bodem geeft aan wat er wel of niet mogelijk is in het betreffende gebied. In veel gevallen zal de wens bestaan om verbeteringen aan te brengen in bodem en waterhuishouding. Ook deze verbetermogelijkheden zijn mede afhankelijk van het type bodem en de bestaande waterhuishouding. b) Waterbeschikbaarheid (incl. het risico op wateroverlast) bepalen mogelijkheden van gronden voor teelt van gewassen. c) Klimaatbestendigheid2 heeft extra prioriteit. Enerzijds i.v.m. de nabijheid van de Maas, dus de gevoeligheid voor hoog water. Anderzijds i.v.m.
de droogtegevoelige lichtere gronden rondom de Maasduinen. 2. Verspilling (van o.a. voedsel) wordt tegengegaan a) Door gebruik van reststromen (reststromen uit de gewassenteelt en uit onze eigen voeding worden hergebruikt om vee te voeren of te composteren). b) Door inzet van meststromen (geïntegreerd in het eigen bedrijf of bij collega-akkerbouwers in de regio). 2
Onder klimaatbestendigheid verstaan we de mate waarin adaptatie en mitigatie georganiseerd zijn, dus hoe passen we ons aan (bijv. vergroten uiterwaarden) en wat doen we om verdere klimaatverandering tegen te gaan (bijv. behoud bestaand en aanplant nieuw groen). 18
3. Toekomstbestendige landbouw moet bijdragen aan een gezonder leefmilieu in de hele regio a) Gezonde leefomgeving (en producten) voor mens, plant en dier. b) Een verbinding met de omgeving/regio is zeer wenselijk. Daarbij wordt niet alleen naar de gemeente Bergen gekeken, maar ook naar de omliggende gemeenten, inclusief de Duitse buurgemeenten. 4. Sociaal-economisch perspectief a) Een helder handelingsperspectief voor de agrarische ondernemer is noodzakelijk, met realistisch zicht op een structureel verdienmodel. b) De aanwezigheid van agrarische bedrijven draagt bij aan de leefbaarheid van de gemeente: boeren dragen belangrijk bij aan het onderhoud van het landschap en doen dit vaak efficiënter/goedkoper dan anderen. c) Doordat voedselproductie in de buurt plaatsvindt houden burgers voeling met waar hun eten vandaan komt. Kringlopen kunnen op verschillende schaalniveaus gesloten worden, zoals hierboven toegelicht bij de verschillende typen kringlooplandbouw. 3.4
Lagenbenadering
De SPLENDID methode hanteert een lagenbenadering. Om een goede gebiedsverkenning te maken wordt de ruimte verdeeld in vier lagen. Als je de huidige staat van de lagen hebt vastgesteld kun je zien wat er kan. De leidende principes uit de vorige paragraaf geven aan wat je wilt. De SPLENDID methode combineert beiden om zodoende richting te bepalen. 3.4.1
Fysieke ondergrond
De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond: de bodem (abiotisch systeem), het watersysteem en het biotisch systeem.
Figuur 3-1
Fysieke ondergrond (bron: ruimtexmilieu.nl)
Voor de laag rond de bodem (abiotisch) richt de informatieverzameling zich op gegevens die bijdragen aan het inzicht in de karakteristieken rond bijv. hoogte, grondsoorten en (historisch en huidig) grondgebruik. Een gezond biotisch systeem draagt bij aan het waterbergend vermogen en water filterende kwaliteit, het zelfreinigend vermogen van de bodem en bepaalt mede de kwaliteit van de drinkwatervoorraad. De levende bodem bevordert de bodemvruchtbaarheid, ziekte- en
19
plaagbestrijding en CO2-vastlegging. Kortom: het bodemleven levert ecosysteemdiensten. Belangrijke informatie hierbij is bijv. de vegetatie. Informatie over het watersysteem heeft vooral betrekking op de grondwaterstand en de stromingsrichting van het (oppervlakte en – grond)water. Grondwaterstand en kwel bepalen bijvoorbeeld sterk wat de mogelijkheden voor natuurontwikkeling zijn. Waterafvoer is bepalend voor mogelijke wateroverlast. 3.4.2
Infrastructuur
De volgende laag bevat de infrastructuur, zowel de bovengrondse met onder meer wegen, groen, spoorlijnen en waterwegen, als de ondergrondse leidingnetwerken en ICT-verbindingen.
Figuur 3-2
Infrastructuur (bron: ruimtexmilieu.nl)
Ook deze laag is onder te verdelen in drie categorieën: 1. De groennetwerken bieden kansen voor natuur al dan niet in combinatie met recreatie of met wonen en werken. Een analyse van groennetwerken biedt mogelijkheden om de leefbaarheid te vergroten: biodiversiteit, beeldbepalend landschap, combineren van groene en rode functies en het creëren van groene netwerken. Er zijn verschillende benaderingen van het groen. Bijvoorbeeld een benadering waarin de ecologische waarde centraal staat of een benadering die de mens meer centraal stelt. Dit sluit aan bij de balans die gemeente Bergen wil aanbrengen tussen bijv. de recreatieve aantrekkingskracht van de Maasduinen enerzijds en de belasting van de natuur anderzijds. 2. Verkeersnetwerken zijn van belang vanwege bereikbaarheid en milieuhygiëne. Bij de bereikbaarheid gaat het om vragen als: hoeveel tijd en geld kost het om van A naar B te komen en welk vervoermiddel neem ik? Milieuhygiënisch gezien zijn met name luchtkwaliteit, geluidsoverlast, externe veiligheid en reststoffen aan de orde. 3. De energienetwerken worden meegenomen omdat er in internationaal verband afspraken liggen om de emissie van broeikasgassen te reduceren. Een analyse van de energienetwerken biedt inzicht in de haalbaarheid van de ambities. Hierbij kan relevant zijn dat gemeente Bergen aangeeft voorop te lopen in de energietransitie onder burgers.
20
3.4.3
Occupatielaag
Daar bovenop ligt de derde laag, de “occupatielaag” waarin het menselijk handelen tot uiting komt: hoe wordt de ruimte gebruikt voor wonen, werken, voedselproductie en recreatie? Dit geldt voor zowel verstedelijking als voor het landelijk gebied.
Figuur 3-3 Occupatie (bron: ruimtexmilieu.nl)
De informatie in deze laag is onder te verdelen in een onderdeel “verstedelijking” en een onderdeel “milieuhygiënische situatie”. De drie bovengenoemde lagen vormen samen de basis voor de analyse. 3.4.4
Stuurlaag en immateriële laag
Daarna zijn nog een stuurlaag en een immateriële laag toegevoegd. De stuurlaag bestaat uit de plannen, wetten en regels die bepalen wat er in de ruimte wel of niet mogelijk is en de manier waarop instrumenten voor bijvoorbeeld grond en financiële arrangementen zijn georganiseerd. De immateriële laag (de wolk), is de laag waarin verschillende betrokkenen betekenis geven aan de ruimte, aangeven wat van waarde is. Hierin zijn begrippen als tradities, trots, herkomstwaarde, toekomstperspectief, beleving, gezondheid en verbondenheid opgenomen. In deze laag worden de gebiedsdialogen gevoerd.
Figuur 3-4
Samenhang en stuurlaag (bron: ruimtexmilieu.nl)
21
We hebben in onze analyse niet uitputtend elk mogelijk onderdeel van de SPLENDID systematiek uitgediept, maar de meest relevante onderdelen voor gemeente Bergen verzameld, rekening houdend met de beschikbaarheid van informatie en tijd. 3.5
De SPLENDID systematiek toegelicht
De methode bestaat uit 4 stappen: 1. Gebiedsverkenning aan de hand van de lagenbenadering: in deze stap wordt de huidige situatie in een gebied in beeld gebracht. Hiervoor wordt de lagenbenadering toegepast, zoals beschreven in § 3.4.; 2. Vertaling naar dimensies: hierin wordt aan de hand van een aantal dimensies die van belang zijn voor de ontwikkelingskansen van de landbouw de huidige of de toekomstige situatie geschetst. Hier gaat het bijvoorbeeld over bodemvruchtbaarheid of de beschikbaarheid van water.; 3. Duiden van kansen voor de verschillende landbouwtypes: voor de meest relevante landbouwtypes wordt een inschatting gemaakt hoe belangrijk die dimensie is voor de ontwikkelingskansen.; 4. Vertaling naar scenario’s/gebiedsdialoog: de resultaten zijn mogelijke input voor het houden van een gebiedsdialoog, maar deze is geen onderdeel van het huidige onderzoek. Wel hebben we de bevindingen vertaald naar mogelijke verdienmodellen voor bedrijven in Bergen en randvoorwaarden voor locatie Elsteren). De methode biedt handvatten om via een brede benadering naar de kansen voor diverse typen van toekomstgerichte landbouw te kijken.
Figuur 3-5
Overzicht SPLENDID systematiek (bron: Wing/ROM3D)
22
4
Methodiek kansen toegepast op gemeente Bergen
4.1
Gebiedsverkenning gemeente Bergen
In de gebiedsverkenning wordt een analyse gemaakt van het gebied: Voor een beter begrip van de ondergrond wordt gekeken naar: • Hoe is het gebied ontstaan (geomorfologie)? Hoe is het gevormd, hoe ziet het reliëf eruit? • Hoe ziet het watersysteem eruit? Kwel- en infiltratiegebieden, beeksystemen, oppervlaktewater. • Welke bodemsoorten zijn er te onderscheiden? • Hoe functioneert het gebied nu? Dit wordt in beeld gebracht via de lagen van occupatie en netwerken. Voor de gebiedsverkenning wordt de lagenbenadering gebruikt en worden relevante zaken uit de Omgevingsvisie Bergen 2030 als vertrekpunt genomen. Deze visie komt verder aan bod als onderdeel van de “stuurlaag” in § 4.1.4. 4.1.1
Fysieke ondergrond
Hieronder zoomen we in op de fysieke ondergrond, zoals omschreven in § 3.4.1. Rivierterrassen en de geomorfologie In de gemeente Bergen is langs de Maas sprake van rivierterrassen. Rivierterrassen van Rijn en Maas komen voor langs de oostgrens van de Achterhoek en de Liemers tot weerszijden de Maas in Noord- en Midden-Limburg en oostelijk NoordBrabant. Het landschap kenmerkt zich door diverse terrasniveaus met een verschillende hoogteligging. Dit gebied kent een zwak golvend reliëf met veel restgeulen van de Rijn en de Maas. Het rivierterrassen-landschap ligt globaal tussen 10 en 30 m +NAP. In dit landschapstype wordt onderscheid gemaakt tussen zandigeen kleiige terrassen, rivierduinen, restgeulen en riviervlakten. Rivierduinen kunnen tot meer dan 15 m boven terrassen uitsteken. Ook komen landschapseenheden uit de andere landschapstypen voor, zoals dekzandruggen, stuifzanden, Figuur 4-1 Rivierterrassen structuur Bergen beekdalbodems, veenvlakten en droogdalen. De bodem bestaat uit oude rivierkleigronden op een 10 tot 50 m dik pakket zand en