Bijlage 1c bijlagen behorende bij regels bp buitengebied 2018 1e herziening 15411
Tekst van het document
SVI Landelijk
Instandhoudingsdoelstellingen
A004
Dodaars
+
=
=
A008
Geoorde fuut
+
=
=
7
A224
Nachtzwaluw
-
=
=
30
A236
Zwarte Specht
+
=
=
35
A246
Boomleeuwerik
+
=
=
100
A249
Oeverzwaluw
+
=
=
120
A276
Roodborsttapuit
+
=
=
85
A338
Grauwe Klauwier
--
>
>
3
Kernopgaven
50
9
6.08
6.09
Bureau Meervelt
Voortoets Parkeerplaats De Maasduinen
Legenda W
Kernopgave met wateropgave
%
Sense of urgency: beheeropgave
% SVI lande lijk =
Sense of urgency opgave m.b.t. watercondities
>
Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling
=(<)
Ontwerp-aanwijzingsbesluit heeft 'ten gunste van' formulering
Landelijke Staat van Instandhouding (-- zeer ongunstig; - matig ongunstig, + gunstig) Behoudsdoelstelling
10
Bureau Meervelt
Voortoets Parkeerplaats De Maasduinen
3.2 Gevoeligheid voor storingsfactoren In onderstaande tabel staat voor elk habitattype, elke habitatsoort en vogelsoort de gevoeligheid aangegeven voor verschillende storingsfactoren.` Tabel 2: Habitattypen, -soorten en vogelsoorten waarvoor Maasduinen is aangewezen en de gevoeligheid voor storingsfactoren volgens de Effectenindicator.
11
Bureau Meervelt
Voortoets Parkeerplaats De Maasduinen
3.3 Overlap storingsfactoren met habitattypen, -soorten en vogelsoorten Effectrelaties kunnen ontstaan doordat in of in de omgeving van het plangebied habitattypen en/of -soorten of vogelrichtlijnsoorten aanwezig zijn die door de voorgenomen ontwikkeling in het geding komen. Habitattypen In het plangebied en ruime omgeving komen geen habitattypen voor. Het dichtstbijzijnde habitattype (Stuifzandheide met struikheide) ligt op een afstand van ruim 1 kilometer.
Figuur 6: Detail kaart habitattypen met globale aanduiding van het plangebied blauw omlijnd (Provincie Limburg, 11-06-2009). Habitatrichtlijnsoorten Maasduinen is aangewezen voor twee habitatsoorten: Bever en Drijvende waterweegbree. Volgens het conceptbeheerplan komt in het gebied een kleine groep Bevers voor in de beekdalen. 'Langs het GeldernsNierskanaal is op 18 oktober 2002 een paar met drie jongen uitgezet. Deze familie in afkomstig uit het stroomdal van de Elbe (Oost-Duitsland). Langs de Eckeltse beek heeft zich in 1992 spontaan een Bever gevestigd. Dit dier zou afkomstig zijn van de Eifel waar eerder Poolse Bevers zijn uitgezet' (Provincie Limburg, 2009). Het plangebied en directe omgeving is ongeschikt als leefgebied voor Bever door het ontbreken van open water. Drijvende waterweegbree is bekend van de Eckeltse beek, het Driessenven, het Heerenven en het Vreewater. Buiten de begrenzing komt een belangrijke populatie voor in de Heukelomse beek (Provincie Limburg, 2009). In het plangebied komen beide habitatsoorten waarvoor Maasduinen is aangewezen niet voor. Het plangebied en directe omgeving is ongeschikt als leefgebied voor Drijvende waterweegbree door het ontbreken van open water.
12
Bureau Meervelt
Voortoets Parkeerplaats De Maasduinen
Vogelrichtlijnsoorten Maasduinen is aangewezen voor acht vogelrichtlijnsoorten (broedvogels): Dodaars, Geoorde fuut, Nachtzwaluw, Zwarte specht, Boomleeuwerik, Oeverzwaluw, Roodborsttapuit en Grauwe klauwier. In 2013 heeft de provincie Limburg een broedvogelkartering uitgevoerd in Maasduinen. In het kilometerhok waarin het plangebied ligt (zie figuur hieronder) komt een territorium van de Zwarte specht voor. Het plangebied kan deel uitmaken van het leefgebied van deze soort. Overige broedvogelsoorten waarvoor Maasduinen is aangewezen, komen niet voor in het kilometerhok.
Afbeelding 7: Verspreiding bijzondere en schaarse broedvogels. Het territorium van de Zwarte specht wordt met het pijltje aangegeven (Provincie Limburg, 2013). Het plangebied kan deel uitmaken van leefgebied van broedvogels die in de nabije omgeving broeden. Om een indruk te geven van soorten in de directe omgeving, zijn eveneens de gegevens van de hieronder aangegeven drie aangrenzende kilometerhokken weergegeven in tabel 3. De aangrenzende kilometerhokken liggen in het Natura 2000 gebied.
13
Bureau Meervelt
Voortoets Parkeerplaats De Maasduinen
2
3
1
4
Afbeelding 8: Kilometerhok met plangebied en drie aangrenzende kilometerhokken. Tabel 3: Aantallen territoria in het kilometerhok waarin het plangebied ligt en drie aangrenzende kilometerhokken. Km-hok 1
Km-hok 2
Km-hok 3
Km-hok 4
Totaal
(met plangebied) Boomleeuwerik
0
4
5
1
10
Dodaars
0
0
0
0
0
Geoorde fuut
0
0
0
2
2
Grauwe klauwier
0
0
0
0
0
Nachtzwaluw
0
0
4
0
4
Oeverzwaluw
0
0
0
0
0
Roodborsttapuit
0
1
4
1
6
Zwarte specht
1
0
1
1
3
Dodaars, Grauwe klauwier en Oeverzwaluw komen niet voor in het kilometerhok waarin het plangebied ligt en deze soorten ontbreken ook als broedvogel in de aangrenzende kilometerhokken. De omgeving van het plangebied is van betekenis voor Boomleeuwerik. 10% van het aantal genoemd in het instandhoudingsdoel broedt in de omgeving van het plangebied. Sovon omschrijft het voedsel- en broedbiotoop als volgt: 'De voorkeur gaat uit naar voedselarme en leemarme zandgronden, zoals langs stuifzanden, deels dichtgegroeide stuifzanden met vliegdennen, heideterreinen, schrale dennenbossen met kapvlakten, brede brandgangen of zandwegen, in zandige militaire oefenterreinen en in droge zandige duinheidegebieden' (www.sovon.nl). Het plangebied en directe omgeving is in de huidige situatie te bebost en daarom minder/niet geschikt als broedbiotoop. Ook voor Geoorde fuut is de omgeving van het plangebied van belang. Deze soort is gebonden aan water; het plangebied maakt geen deel uit van het leefgebied. Nachtzwaluw komt met vier territoria voor in het gebied aan de overzijde van het Reindersmeer. Deze soort vraagt een gevarieerde omgeving bestaande uit structuurrijke (oude) heide met een geleidelijke overgang naar bos, kapvlakten en droge bossen (www.sovon.nl). De Roodborsttapuit gedijt goed in structuurrijke open gebieden.
Vaak zijn dit overgangszones van open gebied (heide) naar bos (www.sovon.nl). In de huidige situatie is het plangebied en directe omgeving te dicht bebost om deel uit te maken van het leefgebied. Zwarte specht komt voor in oude bossen met een flink aandeel loofbomen en dode bomen. Zwarte spechten eten vooral houtmieren en die leven onder de bast van dode bomen (www.sovon.nl). Het plangebied kan deel uitmaken van het leefgebied van deze soort; de kwaliteit van dit bos voor Zwarte specht neemt toe naarmate het bos ouder wordt.
3.4 Mogelijke effectrelaties Ten gevolge van de aanleg van de parkeerplaats is het optreden van de volgende storingsfactoren mogelijk: - oppervlakteverlies (permanent) - versnippering - vermesting (uitlaatgassen) - verontreiniging (uitlaatgassen) 14
Bureau Meervelt
Voortoets Parkeerplaats De Maasduinen
- verandering dynamiek substraat - verstoring door geluid (tijdens werkzaamheden en in gebruiksfase) - verstoring door licht (tijdens werkzaamheden en in gebruiksfase) - optische verstoring (tijdens werkzaamheden en ingebruiksfase) - mechanische effecten ((tijdens werkzaamheden) De overige storingsfactoren (verzuring, verzoeting, verzilting, verdroging, vernatting, verandering stroomsnelheid en overtromingsfrequentie, verstoring door trilling, verandering in populatiedynamiek en bewuste verandering soortensamenstelling) komen niet voor als gevolg van de werkzaamheden of als gevolg van het gebruik van de parkeerplaats. In onderstaande subparagrafen worden alle mogelijk optredende storingsfactoren besproken. Bepaald wordt of en zo ja, waar overlap tussen habitattypen en/of -soorten en verstoord gebied kan optreden en in hoeverre hierdoor negatieve effecten verwacht kunnen worden.
3.4.1 Oppervlakteverlies Door de aanleg van de parkeerplaats treedt in geringe mate oppervlakteverlies op van het (potentieel) leefgebied van de Zwarte specht. Oppervlakteverlies van habitattypen of leefgebied van habitatsoorten en overige vogelrichtlijnsoorten treedt niet op. Het plangebied heeft potenties om omgevormd te worden naar meer open gebied met droge heide en zandverstuivingen. Deze typen zijn habitattypen met uitbreidingsdoelstellingen en vormen tevens leefgebied voor soorten als Boomleeuwerik en Nachtzwaluw. Door de aanleg van de parkeerplaats neemt de oppervlakte aan potentieel uitbreidingsgebied in geringe mate af.
3.4.2 Versnippering Deze storingsfactor treft niet de habitattypen en het leef- en vestigingsgebied van Bever en Drijvende waterweegbree. Gezien de geringe oppervlakte, het indirecte belang van het plangebied voor de meeste vogelsoorten en de mobiliteit van de vogelsoorten, kan niet gesteld worden dat door het oppervlakteverlies ter grootte van de parkeerplaats versnippering optreedt van leefgebied van vogels.
3.4.3 Vermesting en verontreiniging Een effect op de verder weg gelegen habitattypen is mogelijk door uitlaatgassen van motorvoertuigen. De aanleg van de parkeerplaats reguleert het aanwezige recreatieve verkeer. Zonder parkeerplaats is dit verkeer ook aanwezig. Toename van vermestende stoffen vindt niet plaats door de aanleg van de parkeerplaats. Het is niet bekend of de aanleg van een parkeerplaats een extra aantrekkende werking gaat hebben waardoor het verkeer toeneemt.
3.4.4 Verandering dynamiek substraat en mechanische effecten De abiotische omstandigheden veranderen door het egaliseren van de bodem en de aanleg van de parkeerplaats en het aanbrengen van leem. In de gebruiksfase zorgt verkeer voor permanente mechanische effecten. Door het ontbreken van habitattypen en -soorten in het plangebied hebben deze storingsfactoren geen effect. Het effect van deze storingsfactoren op het (potentieel) leefgebied van Zwarte specht is afwezig of verwaarloosbaar klein.
3.4.5 Verandering door geluid, licht en optische verstoring Door de aanleg van de parkeerplaats worden storingsfactoren gepaard gaande met (aankomend en vertrekkend) verkeer en recreatie het Natura 2000 gebied in geplaatst. Boomleeuwerik, Grauwe klauwier, Nachtzwaluw, Roodborsttapuit en Zwarte specht zijn gevoelig voor verstoring door geluid en licht, Nachtzwaluw ook voor optische verstoring. Boomleeuwerik komt in de omringende kilometerhokken voor ten noorden en noordoosten van het Reindersmeer op geruime afstand, Nachtzwaluw alleen ten noordoosten van het Reindersmeer, eveneens op ruime afstand. Ook Roodborsttapuit komt op ruime afstand voor in de omringende kilometerhokken. Er is geen kans op verstoring van deze soorten bij de huidige verspreiding. Zwarte specht komt op kortere 15
Bureau Meervelt
Voortoets Parkeerplaats De Maasduinen
afstand voor en het plangebied maakt mogelijk onderdeel uit van het leefgebied. Aanleg van een parkeerplaats kan een gering effect hebben op de kwaliteit van het leefgebied door de storingsfactor geluid; de parkeerplaats wordt niet verlicht en in de regel zal recreatief verkeer het gebied verlaten hebben voordat het donker wordt.
16
Bureau Meervelt
4.
Voortoets Parkeerplaats De Maasduinen
CONCLUSIES
Het plangebied en directe omgeving is in de huidige situatie van geen of van beperkte betekenis voor de habitattypen- en soorten en de meeste vogelsoorten waarvoor het Natura 2000 gebied Maasduinen is aangewezen. Het plangebied en directe omgeving hebben potenties voor uitbreidingsdoelen als Stuifzandheiden met struikhei, zandverstuivingen en Droge heiden. Met uitbreiding van deze habitattypen neemt tevens het leefgebied voor soorten als Boomleeuwerik en Nachtzwaluw toe. Het ligt echter meer voor de hand zoekgebieden voor uitbreiding van deze doelen aan te laten sluiten bij de al aanwezige oppervlakten en noorden en oosten van het Reindersmeer. Het plangebied maakt in de huidige situatie mogelijk deel uit van het leefgebied van Zwarte specht. De mechanische effecten door berijding van auto's en betreding van recreanten en de storingsfactor geluid kan de kwaliteit van het leefgebied van deze soort in geringe mate verslechteren. De kans op een effect gezien in het licht van het instandhoudingsdoel voor deze soort en voor de andere soorten en habitattypen is verwaarloosbaar gezien de oppervlakte van het plangebied en het feit dat het verkeer in de huidige situatie ook al naar wegen zoekt om te parkeren. De natuurlijke kenmerken van het plangebied worden door de aanleg van een parkeerplaats wel aangetast; er gaat een kleine oppervlakte bos verloren.
De voortoets is in juni 2014 ter beoordeling voorgelegd aan de provincie Limburg. De provincie Limburg onderschrijft de conclusies in de voortoets (schriftelijke mededeling W. Hazenberg, ecoloog provincie Limburg aan de gemeente Bergen, 26 juni 2014).
17
Bureau Meervelt
5.
Voortoets Parkeerplaats De Maasduinen
LITERATUURLIJST EN WEBSITES
Algemene Handreiking Natuurbeschermingswet 1998, LNV 2005. Broekmeyer, M.E.A. (redactie), 2006. Effectenindicator Natura 2000-gebieden; achtergronden en verantwoording ecologische randvoorwaarden en storende factoren. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 1375. Europese Gemeenschappen, Richtlijn no. 79-409 inzake het behoud van de Vogelstand. Brussel, 1979. Europese Gemeenschappen, Richtlijn no. 92-43 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Brussel, 1992. Provincie Limburg, 2009. Concept-Beheerplan Maasduinen, 9 augustus 2009. Natura 2000.
www.sovon.nl www.natuurgegevensprovincielimburg.nl www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k&groep=12&id=n2k145 www.natura2000.nl
18
Bijlage 4 Ontwerpprincipes en ruimtelijke kwaliteit
1
Inhoud 1.
Structuurvisie+ en ruimtelijke kwaliteit .......................................................................... 3
2.
Ruimtelijke kwaliteit.......................................................................................................... 4
3.
Visie op ruimtelijke kwaliteit ............................................................................................ 4
4.
Landschappelijke karakteristieken ................................................................................. 5
5.
Wat is het Keuzemenu? ................................................................................................... 6 5.1
Keuzemenu voor ontwerpprincipes bouwinitiatieven en gebruikswijziging ................. 6
5.2 Keuzemenu voor ontwerpprincipes cultuurhistorische waardes en landschapselementen ...................................................................................................................... 7
6.
5.3
Proces..................................................................................................................................... 9
5.4
Beschikbare informatie ter ondersteuning van een goed ontwerp ................................ 9
TIPS! ............................................................................................................................................. 10
Bijlage 1 Landschapsindeling ........................................................................................................... 11 Bijlage 2 Uitbreiding woningen ......................................................................................................... 12 Bijlage 3 Beeldkwaliteit ...................................................................................................................... 14
2
1. Structuurvisie+ en ruimtelijke kwaliteit In de Structuurvisie+ (op 1 juli 2014 vastgesteld door de gemeenteraad) is aangegeven dat wij streven naar behoud én naar ontwikkeling van de ruimtelijk-, economische- en sociale kwaliteit van onze gemeente. Hiermee willen wij de leefbaarheid een impuls geven en natuur, landschap, cultuurhistorie en veiligheid verder ontwikkelen zodat een duurzaam gebied voor wonen, werken en recreëren het resultaat is. Bij de beoordeling van een goede ruimtelijke, functionele en landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij het Landschapsplan gemeente Bergen en wordt op 3 schaalniveaus gekeken naar de beoogde ontwikkeling. Hoofdstructuren en essentiële waarden Als eerste wordt op hoofdstructuurniveau gekeken naar een goede ruimtelijke, functionele en landschappelijke inpassing. De ontwikkeling mag géén negatieve invloed uitoefenen op bijvoorbeeld bestaande zichtlijnen, aanwezige functionele, natuur-, cultuur- en landschapsstructuren en waarden. Waar deze structuren en waarden direct, dan wel indirect in gevaar komen door de beoogde ontwikkeling dient het plan zodanig vormgegeven te worden dat aantasting van de structuren en essentiële waarden wordt voorkomen. Substructuren en belangrijke waarden Ten tweede dienen de nieuwe ontwikkelingen goed te worden ingepast in de structuur van de bebouwingsconcentratie / landelijk gebied.
Het plaatsen van de nieuwe functie moet een toevoeging zijn voor de (kwaliteit van de) verschillende groene, blauwe, rode en grijze structuren. Ook het (gedeeltelijk) slopen, verbeteren en afschermen van ongewenste bebouwing kan de structuur versterken. Aansluiting bij eventuele rooilijnen versterkt de stedenbouwkundige structuur. Inpassing op perceelsniveau Het laatste schaalniveau waarop wordt gekeken naar de nieuwe ontwikkeling is de inpassing. Hierbij kan gedacht worden aan een specifiek type beplanting, veel voorkomend in de nabije omgeving. Ook de plaats van de nieuwe functie op het perceel is een onderdeel dat op dit schaalniveau wordt meegenomen in het kader van een goede landschappelijke en ruimtelijke inpassing. Indien de benodigde kwaliteitsinvesteringen buiten het plangebied liggen is sprake van buitenplanse kosten die volledig aan de inpassing van de nieuwe functie kan worden toegerekend. De gemeente is verplicht de gebiedseigen binnen- en buitenplanse kosten te verhalen op de initiatiefnemer. De Structuurvisie+ biedt ruimte voor een nadere uitwerking van het beleid. Er is behoefte om dit te doen voor het onderdeel ruimtelijke kwaliteit in het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is het principe van tegenprestatie voor een ontwikkeling doorvertaald in een ruimtelijke kwaliteitsverbetering.
Wat verstaat de gemeente echter onder ruimtelijke kwaliteitsverbetering? In deze notitie wordt hier een nadere invulling aan gegeven.
3
2. Ruimtelijke kwaliteit In de Structuurvisie+ wordt duidelijk dat er gekozen is voor ruimtelijke kwaliteit. Met behulp van het beleidsinstrument ruimtelijke kwaliteit (ook wel omgevingskwaliteit) wordt de kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde omgeving geborgd. Het geeft uitvoering aan de ambitie van de gemeente, dient als inspiratie en is een toetsingskader voor zowel particuliere plannenmakers als voor de gemeentelijke organisatie zelf. Ruimtelijke kwaliteit is meer dan welstand, het gaat niet alleen over gebouwen maar over de relatie tussen cultuurhistorie, landschap en ruimtelijke ordening. Door een nadere uitwerking te geven aan ruimtelijke kwaliteit kan uitvoering worden gegeven aan de doelstellingen zoals geformuleerd in de Structuurvisie+ en het Landschapsplan Bergen. Uiteindelijk gaat het over het beschikken over prettige en gevarieerde woonmilieus waarbij karakteristieke landschaps- en cultuurhistorische elementen die de gemeente mede haar identiteit geven, behouden blijven. Er is behoefte aan ruimere mogelijkheden, waarbij de gemeente streeft naar ruimte voor nieuwe initiatieven en transformatie, maar binnen een sterk en hoogwaardig ruimtelijk raamwerk, waarbij ruimte is voor innovatieve ideeën met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit. De initiatiefnemer aan zet De gemeente vraagt om tegenprestaties voor ontwikkelingen die in strijd zijn met het bestemmingsplan.
Het is belangrijk dat de ontwikkeling leidt tot verbetering en niet achteruitgang. Onderstaand keuzemenu geeft daar invulling aan. Als tegenprestatie wordt van de initiatiefnemer verwacht, en daar valt de gemeente zelf ook geregeld onder, inzichtelijk te maken waarom zijn plan voldoende kwaliteit heeft en hoe het initiatief past binnen de kwaliteit van de omgeving. Dit kan via een inrichtingsplan. Het kader wordt vormgegeven in onderstaande Keuzemenu’s. Er is hierbij onderscheid gemaakt in bouwinitiatieven en initiatieven die betrekking hebben op cultuurhistorische waardes en landschapselementen. Met behulp van de keuzemenu’s wordt door initiatiefnemer uitwerking gegeven aan de wijze waarop de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd. Elke situatie is uniek. Daarom wordt ook in overleg bepaald welke elementen in elk geval terug moeten komen in het inrichtingsplan.
3. Visie op ruimtelijke kwaliteit Een hoogwaardig landschap c.q. leefomgeving bestaat uit: Authenticiteit: er dienen zo weinig mogelijk vreemde en onnatuurlijke elementen in het landschap aanwezig te zijn; Ouderdom: hoe sterker het historische karakter en de gelaagdheid naar voren komen, des te beter. Dit zijn vaak onvervangbare elementen; Natuurlijkheid: wordt sterk bepaald door de aanwezigheid van groen, dit kan zowel een cultuurhistorische als natuurlijke oorsprong hebben; Kleinschaligheid: coulissenlandschappen doen het in dit opzicht goed en weidse open en besloten landschappen scoren minder hoog. Rekening houdend met bovenstaande in combinatie met de behoefte aan heldere principes heeft geleid tot onderstaande 5 punten die invulling geven aan de gemeentelijke visie op ruimtelijke kwaliteit. 1) Het landschap als basis. De gemeente beschikt over kenmerkende landschapselementen. Het Maasterrassenlandschap loopt over in de rivierduinengordel “de Maasduinen” met daartussen een lint van diverse dorpen. Vanuit de Maasduinen is een abrupte overgang naar een agrarisch gebied dat
4