Bijlage 1a Toelichting met bijlagen BP Maaspark Well
Tekst van het document
blad 21 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Bergen 2030 Op 23 april 2019 is de Omgevingsvisie Bergen 2030 vastgesteld. Deze komt in de plaats van de Structuurvisie+ 2014. Het onderdeel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) uit de Structuurvisie+ 2014 blijft echter wel van toepassing. In de Omgevingsvisie wordt beschreven hoe de gemeente zich de komende jaren verder wil ontwikkelen en welke ruimtelijke keuzes daar bij horen. De Omgevingsvisie dient hierbij als toetsingskader voor concrete initiatieven en aanvragen van overheden, organisaties, ondernemers en burgers. De visie op de toekomst van de fysieke leefomgeving in Bergen is verwoord in 10 hoofdkeuzes: 1. De meest toekomstbestendige gemeente; 2. Bergen energie onafhankelijk in 2030; 3. Landschap en landbouw in balans; 4. Waterbeheer op maat; 5. Versterken natuurwaarden en biodiversiteit; 6. Kwaliteitsslag en zonering recreatievoorzieningen; 7. Afstemmen woningvoorraad op vraag; 8. Voorzieningen bereikbaar houden; 9. Verder bouwen aan een gezonde leefomgeving; 10. Leefklimaat in de dorpen verbeteren. Afweging Het voorliggende bestemmingsplan betreft een grotendeels conserverend plan, waarin geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, die niet op basis van de huidige bestemmingsplannen ook reeds mogelijk waren. Het bestemmingsplan maakt door middel van afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden wel enkele ontwikkelingen mogelijk.
Hieraan worden voorwaarden gesteld, onder andere dat de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van de gronden niet onevenredig mogen worden aangetast, de ontwikkeling milieuhygiënisch inpasbaar moet zijn en er geen sprake mag zijn van een grote verkeersaantrekkende werking. Op deze manier vindt een belangenafweging plaats, waarin belangrijke aspecten uit de Omgevingsvisie, zoals landschap, natuur en een gezonde woon- en leefomgeving, worden meegenomen. Het plan is hierdoor passend binnen de Omgevingsvisie Bergen 2030.
3.4.2
Structuurvisie Maaspark Well De gemeenteraad van Bergen heeft op 13 december 2011 de 'Structuurvisie Maaspark Well' vastgesteld. De Structuurvisie beschrijft de hoofdlijnen van de gewenste toekomstige ontwikkeling van het Maaspark Well voor de periode 2011-2030. Maaspark Well is een integrale gebiedsontwikkeling waarin wordt gestreefd naar het op gang brengen van een ontwikkeling waarbij diverse nieuwe en bestaande functies elkaar versterken, zodat een groter en nog aantrekkelijker recreatiegebied ontstaat met belangrijke natuurwaarden. Ook leidt deze ontwikkeling tot een betere hoogwaterafvoer en daarmee een hoger veiligheidsniveau voor Maaspark Well, maar ook voor andere gebieden langs de Maas. Delfstoffenwinning vormt een belangrijke motor om deze gewenste ontwikkeling op gang te brengen. Centraal in deze ontwikkeling staan de volgende doelen: 1. Het stimuleren van een economische en toeristisch-recreatieve ontwikkeling door een aantrekkelijk, functioneel en ruimtelijk kader te scheppen voor een toename van dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen, waarbij zorgvuldig wordt ingespeeld op de karakteristieke eigenschappen van de omgeving; 2. Realisatie van een veilige afvoer van hoogwater in de Maas door het vergroten van de afvoercapaciteit ter hoogte van Maaspark Well; 3. Realisatie van nieuwe natuurwaarden die zorgvuldig zijn opgenomen in een regionale structuur; 4.
Het behouden en tonen van eventuele archeologische vondsten in de omgeving van Maaspark Well; 5. Het waarborgen van een goed woon-, werk- en leefklimaat voor de inwoners, waarbij deze borging wordt doorvertaald in het gemeentelijke handhavingsbeleid; 6. Delfstoffenwinning.
blad 22 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
In de Structuurvisie Maaspark Well is de gebiedsvisie voor de deelgebieden die deel uitmaken van het voorliggende plangebied uiteengezet. Hieronder is deze gebiedsvisie samengevat. In de structuurvisie wordt een aantal deelgebieden onderscheiden. Maasdal: A. Hoogwatergeul; B. De Vergrote Voorhaven; C. Elsteren en omgeving. Flanken: D. Recreatiepark Leukermeer en parkbos de Vissert; E. Recreatielandschap ‘Vosseheuvel’; F. Landelijk bebouwingslint de Kamp en ’t Leuken. In de navolgende afbeelding is de ligging van de deelgebieden gevisualiseerd.
E D A
B
F C
Kaart Structuurvisie Maaspark Well met ligging deelgebieden
blad 23 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
Het plangebied van dit bestemmingsplan is grotendeels gelegen binnen het gebied 'Flanken' en de hierbinnen gelegen deelgebieden D, E en F. Daarnaast ligt het zuidoostelijk deel van het plangebied binnen het Maasdal in deelgebied C. De flanken worden gekarakteriseerd door een kleinschalige landschapsstructuur met een mozaïekachtige opzet van bebouwing, wei- en akkerlanden, lanen, houtsingels en bosschages. Functioneel gezien is er sprake van een verweving van wonen, agrarische activiteiten, recreatie en bedrijvigheid. De grootschalige zandwinning van destijds, het Leukermeer, vormt een bijzonder en aantrekkelijk gegeven binnen deze kleinschalige structuur. De belangrijkste doelstelling voor de flanken is het benutten en versterken van de grote recreatieve en ruimtelijke verscheidenheid. Het doel is gericht op het versterken en ontwikkelen van landschappelijke structuren en de daarbij kenmerkende elementen om een robuust en groen raamwerk te creëren. Binnen dit raamwerk kunnen verschillende recreatieve functies met onderscheidende intensiteiten en kwaliteiten tot ontwikkeling komen. Op basis van landschappelijke kenmerken en recreatieve ontwikkelingsmogelijkheden, worden op de flanken drie deelgebieden onderscheiden: recreatiepark het Leukermeer en parkbos de Vissert (D), het deelgebied recreatielandschap Vossenheuvel (E) en het deelgebied buurtschappen de Kamp en 't Leuken (F).
De visie voor deze deelgebieden op de flanken wordt hiernavolgend toegelicht. Voor het Maasdal is de belangrijkste doelstelling het vergroten van de veiligheid bij hoogwater. Daarnaast is het vormgeven aan de ecologische hoofdstructuur een belangrijke doelstelling bij de toekomstige ontwikkeling van het Maasdal. De omgeving bij Elsteren en de agrarische gronden ten zuiden van Well behoren eveneens tot het Maasdal. Het contrast tussen het besloten en groene bewoningslint van Elsteren en de aangrenzende open agrarische gronden kan worden versterkt door het versterken van erfbeplantingen bij Elsteren. De visie voor het deelgebied Elsteren en omgeving (C) wordt hiernavolgend toegelicht. De overige deelgebieden in het Maasdal (A en B) maken geen deel uit van het plangebied van dit bestemmingsplan. Hier wordt dan ook niet nader op ingegaan. Deelgebied D. Recreatiepark het Leukermeer en parkbos de Vissert Het recreatieve concentratiegebied ligt rondom het huidige Leukermeer en strekt zich aan de oostelijke zijde uit in het parkachtige landschap van de Vissert. Het water vormt een dominant en markant landschappelijk gegeven, waarbij wordt ingezet op het versterken en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van de oevers en de beleefbaarheid van het water vanaf die oevers.
De verschillende recreatieve activiteiten zijn sterk watergericht en dat komt ook in de ruimtelijke kwaliteit en beleefbaarheid tot uitdrukking. De relatie tussen land en water wordt verbeterd. De zwemplas wordt uit zijn isolement gehaald, door meer openheid te creëren richting het Leukermeer en de bosrand van het parklandschap de Vissert. Een beoogd markant element in dit gebied wordt de waterboulevard. Deze langzaam verkeersverbinding verbindt het bezoekerscentrum Maasduinen van het Limburgse landschap met het waterpaviljoen aan het Leukermeer en de waterpoort aan de Voorhaven. De boulevard is een hoogwaardige en attractieve openbare ruimte. De boulevard is uitnodigend en aantrekkelijk voor wandelaars en fietsers. Langs de waterboulevard bevinden zich diverse zitplekken en wordt het water optimaal beleefd. Naast deze belangrijke oost-westverbinding is het de bedoeling om een zogenaamd 'rondje plas' te ontwikkelen, waardoor een wandeling mogelijk wordt rondom de plas, die de verschillende recreatieve voorzieningen en landschappen met elkaar verbindt. Het Leukermeer De openheid van het water vormt een belangrijke kwaliteit en blijft uiteraard gewaarborgd. Voorgesteld wordt om het wateroppervlak langs de N271 te vergroten. Hierdoor verbetert de zichtbaarheid van het recreatiegebied vanaf de N271.
De bebouwing op markante plekken langs het water draagt bij aan de herkenbaarheid van het gebied als recreatiegebied. Tevens wordt ingezet op het creëren van een visuele relatie tussen de zwemplas aan de zuidzijde van 't Leuken. Door de oevers opener en meer toegankelijk te maken wordt het water beter beleefbaar voor zowel de recreanten als bewoners. Elke oever krijgt een eigen unieke profilering en sfeer voortkomend vanuit de aangrenzende gebieden en specifieke functies. Zo wordt voorgesteld de noordelijke oever in te richten als een natuurlijke oever. Gunstig gelegen ten opzichte van de zon en grenzend aan het landschap rondom de Vossenheuvel, kan hier een brede plas-dras oever worden gerealiseerd. Het beeld van de noordwestelijke en zuidwestelijke oever wordt bepaald door vakantiepark Het Leukermeer en de jachthaven.
blad 24 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
Hierbij dient te worden opgemerkt dat het vakantiepark zelf niet binnen het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan is gelegen. Voor de zuidelijke oever vormt de waterboulevard een strakkere inrichting van de oever. Parkbos de Vissert en zwemplas De zwemplas vormt de schakel tussen het Leukermeer en het parkbos. Door het visueel 'open' maken van de verbinding tussen beide ontstaat meer samenhang tussen de verschillende gebieden. Bestaande beplantingen worden uitgedund of verwijderd en de oevers worden aan allebei de kanten versmald, waardoor er een groter wateroppervlak ontstaat en de beleving en het contact met het water vergroot worden. Er blijft een fysieke afscheiding tussen beide waterpartijen in verband met o.a. de waterkwaliteit die wenselijk is in de zwemplas en de bescherming tegen hoogwater. De noordoostelijke oever van de zwemplas wordt beter toegankelijk en uitnodigend gemaakt. Voorgesteld wordt om het nu vrij steile talud, om te vormen in brede groene terrassen. Direct aan het water ligt een zandstrand. De nu nog dichte bosrand wordt sterk uitgedund en wordt meer betrokken bij de totale zwemplas. Door het noordelijke deel van de weg langs de zwemplas af te sluiten als doorgaande weg voor het autoverkeer, wordt er meer ruimte gecreëerd om de ruimte rondom de zwemplas te benutten voor recreatief gebruik.
Aan de zuid- en westzijde van de plas blijft de huidige bosrand gehandhaafd. Deze zijde is, in verband met ongunstigere situering ten opzichte van de zon, minder aantrekkelijk om te zwemmen. De oevers zijn toegankelijk voor wandelaars. Het gebied tussen Well en de zwemplas wordt ontwikkeld als een recreatief parkbos. Voor dit kleinschalige landschap met een coulisseachtige opbouw, wordt ingezet op het ontwikkelen van een helder en sterk ruimtelijk raamwerk waarbinnen vervolgens verschillende recreatieve functies zich kunnen ontwikkelen. Voorgesteld wordt een park-, landgoedachtig landschap te creëren bestaand uit lanen, houtwallen, bosschages, open weiden en bijzondere bebouwing. De bestaande beplantings- en bebouwingselementen worden als vanzelfsprekend in deze structuur opgenomen. De lanen zorgen voor structuur en oriëntatie in dit gebied en geven het gebied een statige en eigen uitstraling. Binnen de door de lanen ontstane kamers is ruimte voor nieuwe recreatieve attracties. Alle voorzieningen dienen, eventueel in onderlinge samenwerking, voldoende parkeergelegenheid te bieden afgestemd op het eigen bezoekersprofiel. Parkeren is mogelijk langs de lanen. Vanaf de lanen zijn de entrees te vinden naar de verschillende functies zoals de zwemplas, waterpaviljoen, manege en de nog te ontwikkelen nieuwe recreatieve attracties. De bestaande woonbebouwing blijft gehandhaafd.
Deelgebied E. Recreatielandschap Vossenheuvel Het gebied ten noorden van het Leukermeer wordt gekarakteriseerd door een kleinschalig en afwisselend landschap. Het behouden en versterken van deze karakteristiek door onder andere herstel en aanleg van kleinschalige landschapselementen staat hier voorop. Hier heerst meer rust, ruimte en groen. De zandwegen blijven zo veel mogelijk intact en markeren de landelijkheid van deze omgeving die een eigen recreatieve sfeer oproept. Aan de noordzijde van ingezet worden op het herstellen en doorzetten van het kleinschalige natte landschap van het Heulerbroek. Karakteristieke steilranden worden beschermd. Toevoegen van nieuwe bebouwing, anders dan eventuele compensatie bij het beëindigen van de agrarische bedrijfsactiviteit, is niet mogelijk. Reeds in gang gezette nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden zorgvuldig ingepast in het kleinschalige landschap, waarbij gebruikgemaakt wordt van landschappelijke gegevenheden. Overgangen dienen zorgvuldig te worden vormgegeven en op een groene wijze te worden ingevuld. Deelgebied F. Landelijk bebouwingslint de Kamp en 't Leuken Het huidige karakter van de Kampweg, als verbindende weg met verspreid daaraan gelegen diverse ruime erven en weilanden, wordt ook in de toekomst het gewenste beeld.
In plaats van een open weidegebied aan de achterzijde van de erven, zal in de toekomst de natuurlijke brede oever en de weidsheid van het water het beeld tussen de erven door gaan bepalen. Tussen de erven wordt gestreefd naar het behouden en aanleggen van weilanden en boomgaarden die daarmee bijdragen aan het landelijke karakter. In tegenstelling tot hetgeen in de structuurvisie is opgenomen, heeft de gemeente het plan verlaten om langs de Kampweg nieuwe woningbouw toe te staan.
blad 25 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
Het buurtschap 't Leuken blijft een kleinschalig geschakeerd gebied van wonen, erven en weilanden. Ingezet wordt op het versterken en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van de erven en bebouwing met name door het stimuleren van de aanplant van passende erfbeplantingen. Deelgebied C. Elsteren en omgeving Elsteren vormt een 'uitloper' van de oude kern van het dorp Well op het terras dat direct aan de Maas grenst. De karakteristieke verwevenheid van de lintbebouwing en aangrenzende agrarische en natuurlijke gronden blijven gehandhaafd en wordt, waar mogelijk, versterkt. De gebiedsvisie voor Elsteren en omgeving is voornamelijk conserverend. Landbouw is en blijft volgens de gebiedsvisie de primaire functie en de bestaande woningen en verkeersstructuur blijven gehandhaafd. Recreatieve ontwikkelingen hebben in de omgeving van Elsteren een kleinschalig karakter en dienen verband te houden met plattelandstoerisme. Afweging Het voorliggende bestemmingsplan is grotendeels conserverend van aard. Binnen de opgenomen bestemmingen is ruimte om de gebiedsvisie omtrent landschapsontwikkeling en het benutten van recreatieve mogelijkheden zoals beschreven in de structuurvisie mogelijk te maken. Door middel van afwijking- en wijzigingsbevoegdheden binnen de bestemmingen is hierin voorzien.
Deze mogelijkheden werden reeds geboden in de geldende bestemmingsplannen voor het plangebied en zijn in dit bestemmingsplan op vergelijkbare wijze overgenomen. Aan de doelstelling van het stimuleren van een economische en toeristisch-recreatieve ontwikkeling (punt 1) wordt in het voorligende bestemmingsplan invulling gegeven in combinatie met punt 5 (waarborgen van een goed woon-, werk- en leefklimaat). Middels afwijkingsbevoegdheden binnen de diverse bestemmingen wordt de ontwikkeling van dag- en verblijfsrecreatieve activiteiten mogelijk gemaakt. In de voorwaarden waaronder van de afwijkingsbevoegdheden gebruik mag worden gemaakt, is geborgd dat een zorgvuldige afweging plaatsvindt, rekening houdend met het woon- en leefklimaat in de omgeving. Aan de punten 2, 3 en 4 (veilige afvoer van hoogwater, vergroten afvoercapaciteit en realisatie van nieuwe natuurwaarden, behouden en tonen van archeologische vondsten) is invulling gegeven in het bestemmingsplan 'Maaspark Well, deel rivierverruiming'. Wat betreft delfstoffenwinning (punt 6) is ervoor gekozen om dit niet mogelijk te maken middels het voorliggende bestemmingsplan. Indien delfstoffenwinning gewenst is, dient hiervoor een aparte procedure gevolgd te worden. Het plan is hiermee passend binnen de Structuurvisie Maaspark Well.
3.4.3
Gebiedsvisie Seurenheide Voor het deelgebied Seurenheide zet de gemeente Bergen in op het ontwikkelen van een helder, robuust landschappelijk raamwerk, waarbinnen verschillende recreatieve functies zich kunnen ontwikkelen. Aanwezige sferen in het landschap worden verrijkt en de natuurwaarden versterkt. De verscheidenheid aan landschappelijke kwaliteiten wordt beleefbaar; het water vanaf de waterboulevard, de bosbadzijde & strandzijde van de plas en het bos vanuit de groene boskamers met een flexibele invulling. Maaspark Well is een belangrijke schakel in het grote landelijke project 'Ruimte voor de Rivier’ en wordt ontwikkeld tot een groot natuur-en waterrecreatiegebied. Maaspark Well heeft een centrale ligging en grenst aan het Nationaal park de Maasduinen en de gemeente Bergen, een prachtige plek waar landschap en recreatie samensmelten. Unieke, waardevolle landschappen komen hier samen en verleiden zowel toeristen als de mensen die in de gemeente Bergen wonen om naar buiten te gaan en actief bezig te zijn. Mensen die er recreëren zijn echte buitenmensen, levensgenieters, natuur-en waterliefhebbers. De unieke variatie aan landschappelijke kwaliteiten en het water worden ingezet om in Maaspark Well een gevarieerd aanbod aan recreatieve mogelijkheden te bieden.
blad 26 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
Seurenheide bestaat uit 3 deelgebieden en poorten: Het Maritiem Maasdal als waterpoort, hier ligt het accent op intensieve waterrecreatie op het Leukermeer met het vakantiepark Leukermeer en de Jachthavens als belangrijke recreatieve voorzieningen. De Maasduinplas (Reindersmeer) met het bezoekerscentrum als natuurpoort waar het accent ligt op natuureducatie en passieve recreatie zoals wandelen, fietsen en paardrijden. Het Maasduinbad(zwemplas) in Seurenheide, dit is de recreatiepoort met het accent op actieve recreatie en natuurbeleving, zoals zwemmen, klimmen, kanoën. Afweging Het voorliggende bestemmingsplan betreft een grotendeels conserverend plan, waarin geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, die niet op basis van de huidige bestemmingsplannen ook reeds mogelijk waren. Het bestemmingsplan maakt door middel van een aantal afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden wel ontwikkelingen mogelijk. Hieraan worden voorwaarden gesteld, onder andere dat de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van de gronden niet onevenredig mogen worden aangetast, de ontwikkeling milieuhygiënisch inpasbaar moet zijn en er geen sprake mag zijn van een grote verkeersaantrekkende werking. Op deze manier vindt een belangenafweging plaats, waarin belangrijke aspecten uit de gebiedsvisie worden meegenomen. Het plan is hierdoor passend binnen de gebiedsvisie.
blad 27 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
4.
Onderzoeksaspecten
4.1
Algemeen Bij de realisatie van de ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, dient rekening te worden gehouden met (milieu)invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkelingen in het plangebied en met invloeden vanuit ontwikkelingen in het plangebied op de omgeving. De effecten van het voorliggende plan op de milieuaspecten geluid, bodem, lucht, milieuzonering, externe veiligheid en geurhinder worden in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van dit bestemmingsplan voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, ecologie, waterhuishouding, verkeerskundige aspecten en leidingen en infrastructuur. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Hierbij dient opgemerkt te worden dat grotendeels sprake is van een conserverend plan, waarbinnen geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, behoudens locatie ’t Leuken 9. Daarnaast is op grond van de Structuurvisie Maaspark Well de mogelijkheid voor een nieuw waterpaviljoen bij Seurenheide opgenomen. Zoals in paragraaf 2.9 is beschreven, zijn twee nieuwe initiatieven meegenomen in dit bestemmingsplan. De in paragraaf 2.9 beschreven omgevingsvergunningen zijn evenmin nieuwe ontwikkelingen, omdat hierbij sprake is van geldende (vergunde) rechten die in dit bestemmingsplan worden verwerkt.
De correcties op locatieniveau en aanpassingen naar aanleiding van ingekomen zienswijzen op het eerdere ontwerp-bestemmingsplan 'Maaspark Well' omvatten hoofdzakelijk ondergeschikte aanpassingen, die ertoe dienen het bestemmingsplan beter te laten aansluiten op de werkelijke c.q. vergunde situatie. Hierbij is daarom ook geen sprake van nieuwe ontwikkelingen.
4.2
Milieuaspecten
4.2.1
Geluid Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) is het noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie wanneer er nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk worden gemaakt. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Daarnaast kan in het kader van het aantonen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en daarmee van een goede ruimtelijke ordening in de zin van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een akoestische onderbouwing of onderzoek noodzakelijk zijn. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB mag aan de gevel van geluidgevoelige objecten niet overschreden worden. Akoestisch onderzoek is in het kader van dit nieuwe bestemmingsplan in principe alleen noodzakelijk indien nieuwe directe geluidgevoelige ontwikkelingen worden toegestaan binnen de onderzoekszone van de wegen waarvoor een maximumsnelheid van 50 km/uur of meer geldt.
Wanneer hieruit blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden, dan dient er een hogere grenswaarde procedure doorlopen te worden zodat het college van B&W een hogere grenswaarde kan verlenen. Het college mag maximaal een hogere waarde verlenen van 63 dB bij gemeentelijke en provinciale wegen en 53 dB bij autowegen en autosnelwegen. Het voorliggende bestemmingsplan is grotendeels conserverend van aard en maakt geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk. Hierdoor is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk.
blad 28 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
Spoorweglawaai In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen. Het aspect spoorweglawaai is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet aan de orde. Industrielawaai In de directe omgeving van het plangebied zijn geen gezoneerde industrieterreinen gelegen. Het aspect industrielawaai is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet aan de orde.
4.2.2
Bodem In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, in geval van een ruimtelijk plan waarin een nieuwe functie wordt toegekend aan gronden, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor deze functie. Het voorliggende bestemmingsplan is grotendeels conserverend van aard en maakt rechtstreeks geen bestemmingswijzigingen naar gevoeligere functies mogelijk. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Binnen diverse bestemmingen zijn wel afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen op basis waarvan nieuwe (milieugevoeligere) functies mogelijk gemaakt kunnen worden. In de afwijkings- c.q. wijzigingsvoorwaarden is als voorwaarde opgenomen dat de afwijking/wijziging vanuit milieuhygiënisch oogpunt aanvaardbaar dient te zijn. Middels deze voorwaarde is onder andere geborgd dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voldoende dient te zijn voor de nieuwe functie.
4.2.3
Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof als NO2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a.
Door aan te tonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM); b. Door op een andere manier aannemelijk te maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Het voorliggende bestemmingsplan betreft een grotendeels conserverend plan, waarbinnen geen nieuwe ontwikkelingen rechtstreeks mogelijk worden gemaakt. Hierdoor is er dan ook geen sprake van een significant effect op de luchtkwaliteit ter plaatse.
blad 29 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10) fijn stof (PM2,5) Grenswaarden Wlk
toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie
grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ 25 µg/m³
Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM voldoen de huidige concentraties PM2,5, PM10 en NO2 ter plaatse ruimschoots aan de jaargemiddelde grenswaarden. Volgens de kaarten van het RIVM lag de concentratie PM2,5 in 2017 ter plaatse tussen 10 en 12 µg/m³, de concentratie PM10 lager dan 18 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 15 en 20 µg/m³. De luchtkwaliteit in het plangebied is in de huidige situatie daarom voldoende en er worden geen normen overschreden. Naar verwachting zal door voortschrijdende technologie de luchtkwaliteit in Nederland nog verder verbeteren. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan is grotendeels conserverend van aard en maakt geen ontwikkelingen mogelijk, die een significant effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Daarnaast is de luchtkwaliteit in het plangebied voldoende. Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen.
4.2.4
Bedrijven en milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009 en de in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen 'Staat van bedrijfsactiviteiten'. De Staat van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan, vormt een selectie uit de in de VNG-publicatie opgenomen lijsten, die is afgestemd op de specifieke mogelijkheden binnen het plangebied en het gewenste doel en de beoogde kwaliteit van de woon- en leefomgeving binnen het plangebied. Het voorliggende bestemmingsplan maakt rechtstreeks geen nieuwe milieubelastende of milieugevoelige functies mogelijk. Een onderzoek naar het aspect milieuzonering is dan ook niet vereist.
Binnen diverse bestemmingen zijn wel afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen op basis waarvan nieuwe (milieubelastende of milieugevoeligere) functies mogelijk gemaakt kunnen worden. In de afwijkings- c.q. wijzigingsvoorwaarden is als voorwaarde opgenomen dat de afwijking/wijziging vanuit milieuhygiënisch oogpunt aanvaardbaar dient te zijn. Daarnaast is als voorwaarde opgenomen dat er geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van in het geding zijnde belangen ten aanzien van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven. Middels deze voorwaarden is voldoende geborgd dat nieuwe ontwikkelingen vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering inpasbaar moeten zijn in hun omgeving. Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn er hiermee geen belemmeringen.
blad 30 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
4.2.5
Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het voorliggende bestemmingsplan betreft een overwegend conserverend bestemmingsplan, waarbinnen geen nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. Verdere toetsing aan externe veiligheid is formeel dan ook niet vereist. Volledigheidshalve zijn hieronder wel de risicovolle inrichtingen en transportassen in het plangebied en de directe omgeving in beeld gebracht. Toetsing Het Interprovinciale Overleg (IPO) heeft een risicokaart opgesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven en objecten zijn aangegeven.
Het gaat hierbij onder andere om risico's van stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations, gevaarlijke buisleidingen en (spoor/vaar)wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Uitsnede risicokaart
In het plangebied is blijkens de risicokaart een nutsvoorziening van Gasunie gelegen aan 't Leuken 14, die bestemd is voor de productie en distributie van elektriciteit, aardgas, stoom en warm water. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 (veiligheidsafstand) van deze inrichting bedraagt 15 meter. Hierbinnen zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten gelegen. Middels het voorliggende bestemmingsplan worden ook geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt binnen deze contour. Vanuit deze inrichting zijn er hiermee geen belemmeringen.
blad 31 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
Voor het overige zijn er binnen het plangebied en omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen waarvan het invloedsgebied tot het plangebied reikt. Binnen het plangebied zelf vindt geen risicovol transport in het plangebied plaats over de weg, het spoor en het water. Wel ligt er een buisleiding in het plangebied, waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dit betreft een aardgastransportleiding van Gasunie, die is gelegen ter hoogte van de weg 't Leuken, nabij de nutsvoorziening op nummer 14. Deze leiding heeft een diameter van 219 mm en een maximale werkdruk van 40 bar. Het invloedsgebied van deze leiding is 95 meter. Enkele woningen en agrarische bedrijven zijn binnen dit invloedsgebied gelegen. Dit betreft echter een bestaande (legale) situatie, waardoor er geen belemmeringen zijn vanwege de ligging ten opzichte van de leiding en een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is. De leiding is in het voorliggende bestemmingsplan bestemd middels de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'. In de omgeving van het plangebied vindt wel risicovol transport plaats over de Maas, die ten zuiden en westen van het plangebied stroomt. Het gehele plangebied ligt hierdoor binnen het invloedsgebied van de Maas voor toxische vloeistoffen en gassen.
Omdat dit een bestaande (legale) situatie betreft en het voorliggende bestemmingsplan rechtstreeks geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk maakt, zijn er geen belemmeringen vanwege de ligging ten opzichte van de Maas en is een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. Daarnaast vindt ten noordoosten van het plangebied risicovol transport plaats over de N271. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg is 0 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Gezien de aard van de vervoerde stoffen over de N271 ligt slechts een klein deel van het plangebied binnen het invloedsgebied van deze weg. Over de N271 vindt namelijk uitsluitend transport van brandbare vloeistoffen en gassen plaats en niet van toxische stoffen. Omdat dit een bestaande (legale) situatie betreft en het voorliggende bestemmingsplan rechtstreeks geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk maakt, zijn er geen belemmeringen vanwege de ligging ten opzichte van de N271 en is een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. Binnen diverse bestemmingen zijn wel afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen op basis waarvan nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden mogelijk gemaakt mogelijk gemaakt kunnen worden. In de afwijkings- c.q.
wijzigingsvoorwaarden is als voorwaarde opgenomen dat de afwijking/wijziging vanuit milieuhygiënisch oogpunt aanvaardbaar dient te zijn. Middels deze voorwaarde is onder andere geborgd dat het aspect externe veiligheid voldoende onderbouwd dient te zijn voor de nieuwe functie en er geen sprake mag zijn van onaanvaardbare risico's. Conclusie Gezien het bovenstaande zijn er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
4.2.6
Geur veehouderijen Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Er dient binnen geurgevoelige objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen overmatige geurhinder. Enerzijds om geurgevoelige functies geen of zo min mogelijk hinder te laten ondervinden van agrarische bedrijven en anderzijds om de vergunde rechten van deze agrarische bedrijven niet (verder) te beperken door ruimtelijke ontwikkelingen. Onderzocht dient te worden wat de achtergrondbelasting (veroorzaakt door alle veehouderijen) en de voorgrondbelasting (veroorzaakt door individuele veehouderijen in de directe omgeving) op het plangebied is. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in de nieuwvestiging, uitbreiding of wijziging van intensieve veehouderijen. Daarnaast maakt het plan rechtstreeks geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. Een onderzoek naar het aspect geurhinder en veehouderij is dan ook niet vereist. Binnen diverse bestemmingen zijn wel afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen op basis waarvan nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt kunnen worden. In de afwijkings- c.q. wijzigingsvoorwaarden is als voorwaarde opgenomen dat
blad 32 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
de afwijking/wijziging vanuit milieuhygiënisch oogpunt aanvaardbaar dient te zijn. Daarnaast is als voorwaarde opgenomen dat er geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van in het geding zijnde belangen ten aanzien van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven. Middels deze voorwaarden is voldoende geborgd dat nieuwe geurgevoelige objecten op basis van de Wet geurhinder en veehouderij inpasbaar moeten zijn in hun omgeving. Vanuit het aspect geurhinder van veehouderijen zijn er hiermee geen belemmeringen.
4.3
Archeologie en cultuurhistorie Archeologie In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect 'archeologie' in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt: De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect 'archeologie'. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten. Volgens de 'archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart' van de gemeente Bergen is aan delen van het plangebied een hoge, middelhoge of lage verwachting toegekend. Voor gebieden met een hoge verwachting geldt een onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 250 m2 en een diepte van meer dan 40 cm. Voor gebieden met een middelhoge verwachting geldt een onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een omvang van meer dan 2.500 m2 en een diepte van meer dan 40 cm. Voor gebieden met een lage verwachting geldt geen onderzoeksplicht.
Deze archeologische verwachting wordt door middel van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5' vastgelegd in het voorliggende bestemmingsplan. De dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4' correspondeert hierbij met het gebied met een hoge verwachtingswaarde en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' ligt op het gebied waarvoor een middelhoge verwachtingswaarde geldt. Voor het gebied met een lage verwachtingswaarde is geen dubbelbestemming opgenomen. Aangezien het voorliggende bestemmingsplan een conserverend plan betreft, waarbinnen rechtstreeks geen nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt, geldt geen archeologische onderzoeksplicht in het kader van dit plan. Vanuit het aspect archeologie zijn er hiermee geen belemmeringen. Cultuurhistorie Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verplicht gemeenten om het aspect cultuurhistorie uitdrukkelijk mee te wegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Cultuurhistorische waarden worden vaak in één adem genoemd met archeologische waarden. Deze waarden verschillen echter van archeologische waarden. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die zichtbaar zijn in het landschap en aanwezige (bebouwings-) structuur en 'iets vertellen' over het (cultuurhistorische) verleden van het gebied.
Volgens de cultuurhistorische waardenkaarten van de provincie Limburg en de gemeente Bergen ligt in het plangebied een aantal cultuurhistorisch waardevolle elementen. In de regels van het voorliggende bestemmingsplan is het behoud en herstel van deze cultuurhistorische waarden geborgd binnen de afzonderlijke bestemmingen. Hiertoe is de Cultuurhistorische waarden kaart en tabel opgenomen als bijlage bij de regels. Doordat het voorliggende bestemmingplan overwegend conserverend is, is er geen sprake van nieuwe ontwikkelingen met een negatief effect op de aanwezige cultuurhistorische waarden. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit cultuurhistorie.
blad 33 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
4.4
Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000gebied zijn vergunningplichtig. Het bestemmingsplan is grotendeels conserverend van aard. Voor de ontwikkeling van het paviljoen bij Seurenheide is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld en een definitieve stikstofberekening uitgevoerd. Verwacht wordt dat in de gebruiksfase significant negatieve effecten bij voorbaat kunnen worden uitgesloten.
In de bouwfase wordt, mede afhankelijk van gebruikt materieel, een eenmalige depositietoename van circa 0,05 mol N/ha verwacht. Op basis van de BIJ12-vuistregel is dit te beschouwen als een niet significant effect omdat het minder is als 0,1 mol/ha. Gebiedsbescherming vanuit Provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de Goudgroene en Zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het POL welke is vastgesteld op 12 december 2014. Daarnaast is in de Omgevingsverordening Limburg 2021 het Natuurnetwerk Limburg (groenblauwe mantel) opgenomen. De Goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de Zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.
Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Wat betreft soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten.
Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
blad 34 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er passende maatregelen getroffen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantingsen/of vaste rust en verblijfplaats te garanderen. Toetsing Het voorliggende bestemmingsplan betreft een overwegend conserverend bestemmingsplan, waarbinnen rechtstreeks geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Door middel van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden kunnen wel ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Hierbij is onder andere als voorwaarde gesteld dat de aanwezige natuurlijke waarden niet onevenredig aangetast mogen worden. Hierdoor is er geen sprake van gewijzigde effecten op nabij gelegen Natura 2000-gebieden of provinciaal beschermde natuur binnen en in de omgeving van het plangebied, of effecten op beschermde soorten. Er zullen in het kader van dit bestemmingsplan ook geen beschermde houtopstanden worden gekapt. Conclusie Vanuit het aspect ecologie bestaan er gezien het bovenstaande geen belemmeringen voor het voorliggende bestemmingsplan.
4.5
Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014)/ Omgevingsverordening Limburg 2021, het Provinciaal Waterplan van de provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën.
Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van het watersysteem, zoals die voorkomen in het plangebied, kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, waterkeringen, ecosystemen, hemelwater en afvalwater. Grondwater en bodem Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Direct ten noorden van het plangebied ligt wel een grondwaterbeschermingsgebied. Het voorliggend bestemmingsplan maakt echter geen ontwikkelingen mogelijk die een effect zouden kunnen hebben op dit gebied. Het plangebied ligt verder binnen het grondwaterlichaam 'Zand Maas'. Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die invloed kunnen uitoefenen op deze strategische grondwatervoorraad.
blad 35 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
Oppervlaktewater In het plangebied is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van het Leukermeer en de zwemplas Seurenheide. Dit betreft voormalige zandwinningsplassen, die momenteel overwegend een recreatieve functie hebben. Het Leukermeer staat in verbinding met de Voorhaven en Maas aan de zuidzijde en het Reindersmeer aan de noordoostzijde. De zwemplas Seurenheide en het Leukermeer worden in dit bestemmingsplan bestemd tot 'Water'. Voor de zwemplas Seurenheide is de nadere functieaanduiding 'dagrecreatie' opgenomen. Op het Leukermeer ligt de functieaanduiding 'specifieke vorm van recreatie - watersport'. Daarnaast doorkruist een aantal primaire en secundaire waterlopen het plangebied. De (deels primaire en deels secundaire) waterlopen de 'Heulderbroeklossing' en de '3e Zijtak Heulderbroeklossing' vormen aan de noordwestzijde de grens van het plangebied. Daarnaast liggen de secundaire waterlopen '1e en 2e Zijtak Heulderbroeklossing' in het noordelijk deel van het plangebied. In het zuidelijk deel van het plangebied ligt de primaire waterloop de 'Papenbeekse Broeklossing'. De secundaire waterloop de '1e Zijtak Papenbeekse Broeklossing' sluit hierop aan. Verder ten zuiden, in het natuurgebied langs de Maas, liggen enkele plassen en een naamloze waterloop. De plassen liggen binnen de bestemming 'Natuur'. Aan de waterlopen is de bestemming 'Water' toegekend.
Op het meest zuidelijke deel van het plangebied stroomt de Maas. Deze is in het voorliggende bestemmingsplan bestemd tot 'Water'. Het hele plangebied maakt deel uit van de Maasvallei. Volgens het POL2014 moet bij ontwikkelingen in de Maasvallei rekening gehouden worden met de hoofdfuncties van de rivier (afvoer van water en ijs, scheepvaart, drinkwatervoorziening, waterrecreatie en aquatisch ecologie) en ook de hoofdfuncties van het gebied (agrarisch, natuur, wonen, werken, oeverrecreatie e.d.). Het voorliggend bestemmingsplan betreft een hoofdzakelijk conserverend plan, waarin rechtstreeks geen nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. Grote delen van het plangebied liggen volgens de kaarten bij de Beleidsregels Grote Rivieren binnen het 'stroomvoerend regime' of het 'bergend regime'. In paragraaf 3.1.3 is hier reeds op ingegaan. In het voorliggende bestemmingsplan zijn de dubbelbestemmingen 'Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed' en 'Waterstaat Waterbergend rivierbed' opgenomen voor de betreffende delen van het plangebied. Waterkeringen Delen van het plangebied zijn gelegen binnen de dijkring Well. Om deze delen te beschermen tegen hoogwater is daarom een aantal waterkeringen aanwezig in het plangebied, die in beheer zijn bij het Waterschap Limburg. Deze waterkeringen zijn opgenomen in de Legger Waterkeringen van het waterschap en in de Keur beschermd.
De beschermingszone en de buitenbeschermingszone van deze keringen liggen tevens over delen van het plangebied. Deze zijn in het voorliggend plan voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone waterkering'. De waterkeringen in het plangebied zijn bestemd tot 'Waterstaat - Waterkering' Ecosystemen Delen van het plangebied zijn gelegen binnen een grondwaterafhankelijk natuurgebied. Daarnaast zijn de waterlopen in het plangebied aangeduid als beken met een algemene ecologische functie (AEF-beken). Het voorliggend bestemmingsplan betreft een hoofdzakelijk conserverend plan, waarbinnen geen ontwikkelingen rechtstreeks mogelijk worden gemaakt die een effect kunnen hebben op de grondwaterafhankelijke natuur of het functioneren van de AEF-beken. De grond-waterafhankelijke natuurgebieden zijn in dit plan bestemd tot 'Natuur'. De beken worden bestemd tot 'Water'. Hemelwater Binnen het plangebied vinden geen ontwikkelingen plaats die een toename van de hoeveelheid verhard oppervlak tot gevolg hebben. Hierdoor is er geen sprake van een gewijzigde afvoer van hemelwater en zijn hier geen aanvullende maatregelen voor benodigd. Binnen diverse bestemmingen zijn wel afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen op basis waarvan nieuwe functies mogelijk gemaakt kunnen worden die gepaard kunnen gaan met een toename van bebouwing en/of verhardingen. In de afwijkings- c.q.
wijzigingsvoorwaarden is als voorwaarde opgenomen dat sprake dient te zijn van een hydrologisch neutrale
blad 36 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
ontwikkeling. Middels deze voorwaarde is geborgd dat voorzieningen getroffen moeten worden om hemelwater te bergen of infiltreren.
Uitsnede POL2014-kaart ‘Regionaal watersysteem’
Afvalwater De bestaande functies maken voor het lozen van afvalwater gebruik van het aanwezige rioleringsstelsel. Hierin treden geen wijzigingen op als gevolg van het voorliggende plan. Conclusie Binnen het plangebied zijn geen waterhuishoudkundige belangen in het geding. Het voorliggend bestemmingsplan betreft een overwegend conserverend plan, waarmee geen wijzigingen in de waterhuishouding zijn voorzien.
4.6
Verkeerskundige aspecten De functies binnen het plangebied zijn over het algemeen goed ontsloten. De belangrijkste doorgaande weg in het plangebied is de weg De Kamp / 't Leuken, die van noordwest naar zuidoost ligt tussen Aijen en Papenbeek. De meeste functies in het zuidelijk deel van het plangebied worden ontsloten via de weg Elsteren. In het noordelijk
blad 37 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
deel van het plangebied vormen de Halve Maanseweg en de Vossenheuvel de belangrijkste ontsluitingswegen. Deze wegen zijn in het voorliggende bestemmingsplan bestemd tot 'Verkeer'. Doordat het voorliggend bestemmingsplan hoofdzakelijk conserverend is, is er geen sprake van ontwikkelingen die een gewijzigde verkeersgeneratie tot gevolg hebben. Het paviljoen bij Seurenheide is voor gasten enkel bereikbaar met de fiets of te voet. Parkeren zal plaatsvinden bij de parkeervoorziening bij het dagstrand of de manege. Er zijn dan ook geen problemen te verwachten met betrekking tot de verkeersafwikkeling of parkeermogelijkheden.
4.7
Leidingen en infrastructuur In het plangebied, nabij 't Leuken 14, ligt een planologisch beschermde gasleiding. In paragraaf 4.2.5 is reeds ingegaan op het aspect externe veiligheid inzake deze leiding. Hieruit zijn geen belemmeringen naar voren gekomen. In het voorliggende bestemmingsplan wordt de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' opgenomen voor een strook van 4 meter aan beide zijden van de leiding. Voor het overige zijn er geen kabels of leidingen met een juridisch-planologische beschermingszone in het plangebied gelegen.
blad 38 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
5.
Juridische aspecten
5.1
Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en planregels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De regels en verbeelding zijn opgesteld op basis van de landelijk geldende standaarden (SVBP2012), alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de geldende bestemmingsplannen. Daarnaast is aansluiting gezocht bij de regelingen in het aangrenzende bestemmingsplan 'Buitengebied 2018' en de bijbehorende 1e herziening en zijn de regels uniform gemaakt. Inwerkingtreding Omgevingswet Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet inwerking getreden. De Omgevingswet heeft de wet- en regelgeving die betrekking had op de fysieke leefomgeving gebundeld. Wetten en regels waar in voorliggende toelichting naar verwezen wordt zullen deels door inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn vervallen. De bepalingen uit de vervallen wetten en regels zijn deels terug te vinden in het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Omgevingsplan gemeente Bergen (L).
De wet- en regelgeving van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is te raadplegen op www.wetten.nl door bij [regeling geldig op] ‘31 december 2023’ in te voeren. Voor onderhavig plan is voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een ontwerpplan ter inzage is gelegd. Ingevolgde artikel 4.6, tweede lid, sub a, onder 1, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing tot het plan van kracht is. Het plan wordt, zodra het van kracht is, ingevolge artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet onderdeel van het gemeentelijk omgevingsplan.
5.2
Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven, waaraan in de regels voorwaarden zijn verbonden. De opgenomen verklaring is niet juridisch bindend en is op de verbeelding opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding. De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond. Voor de benaming van de verschillende bestemmingen en de kleuren van de bestemmingen zijn de huidige richtlijnen voor digitalisering en standaardisering van bestemmingsplannen overgenomen (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP2012).
5.3
Toelichting op de regels De regels leggen de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld; Hoofdstuk 3: Algemene regels, waarin zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel en algemene bouw-, gebruiks, aanduidings-, afwijkings-, wijzigings- en procedureregels en de overige regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de regels is om de bouw- en gebruiksregels van de bestemmingen aan te geven.
blad 39 van 48
projectnummer 0481021.100 betreft Bestemmingsplan Maaspark Well
5.3.1
Inleidende regels De inleidende regels omvatten de begrippen en de wijze van meten. Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Een aantal begrippen is standaard voorgeschreven in de SVBP 2012. Artikel 2 Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.