Bergse Heide Nieuw Bergen VBP29mei2024 Toelichting
Tekst van het document
Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 3 4 Uit bijlage onderdeel D, Besluit milieueffectrapportage.
De voorgenomen activiteiten in dit bestemmingsplan liggen met het toevoegen van maximaal 35 woningen ruim onder de plandrempel waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Ook met de verwachte toevoeging van nog eens 17 woningen aan Bergse Heide 7 wordt met het totaal in de directe omgeving nieuw te realiseren aantal woningen ruimschoots onder de drempelwaarde gebleven. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen desondanks niet alleen aan de onderzoeksverplichting uit het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.
4.2
Geluidhinder
Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). Het plangebied is georiënteerd op de Bergse Heide, waar een maximumsnelheid van 30 km/uur is toegestaan, maar is ook in de directe omgeving van de N271 (met een geluidszone van 250 m) gelegen. Het plangebied ligt geheel binnen die geluidszone.
Indien de afstand van een project tot de Rijksweg groter dan 50 meter is, dan blijkt uit gemeentelijke ervaring (geluidsonderzoeken van de afgelopen jaren) dat het verkeersgeluid van die weg geen invloed heeft op het bouwplan.
Spoorweglawaai In de nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn gesitueerd. De spoorlijn, Venlo-Nijmegen bevindt zich op een afstand van ruim 4 km ten westen van het plangebied. Het aspect 'geluid' vormt, na afronding van het onderzoek naar de te treffen gevelmaatregelen, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 3 5
4.3
Bodem- en grondwaterkwaliteit
In het kader van het onderhavige plan wordt binnen het plangebied een nieuwe bodemgevoelige functie toegelaten. Voordat door middel van een bestemmingsplan de nieuwe functie mogelijk wordt gemaakt zal er inzicht moeten zijn of de bodem- en grondwaterkwaliteit een dergelijke bebouwing en gebruik ook mogelijk maken. Op 11 november 2023 (laatstelijk aangevuld/aangepast op 1 april 2024) heeft M&A Bodem en Asbest BV het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierin is het volgende geconstateerd: "Gezien de analyseresultaten en de interpretatie hiervan kan de hypothese "onverdachte, niet lijnvormige locatie" worden aanvaard, gezien het feit dat geen locatiespecifieke verontreinigingen zijn aangetroffen. De verhoging met kwik in een gedeelte van het grondwater is niet verklaarbaar. Mogelijk gaat het hier om een piek in de analyses. Gezien het gehalte is geen nader onderzoek noodzakelijk. De hergebruiksmogelijkheden voor de grond, die eventueel vrijkomt bij toekomstige bouwactiviteiten, kunnen, indicatief gezien, als multifunctioneel worden beschouwd. Hergebruik dient te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het beleid van de gemeente Bergen. Ook voor PFAS / PFOA / PFOS gelden geen belemmeringen voor hergebruik. Op de locatie is sprake geweest van potentiële bronnen van verontreiniging. De ondergrondse hbo-tank is reeds in de 80'er jaren verwijderd in eigen beheer.
De bestrijdingsmiddelenakst en 2 olievaten stonden binnen en op een betonvloer, zodat de kans op een bodemverontreiniging hiervan uiterst gering is. Geconcludeerd wordt dat er geen directe belemmeringen zijn tegen de voorgenomen bouw van woningen op de onderzoekslocatie uit oogpunt van de chemische bodemgesteldheid."
De rapportage is als bijlage bij de planstukken gevoegd. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Kleine en grote projecten
De regels inzake luchtkwaliteit kennen het onderscheid tussen 'kleine' en grote' projecten. Kleine projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in het Besluit “Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten - die jaarlijks meer dan 3 procent van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 bijdragen- een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent | bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 3 6
bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.
4.4.2
Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)
Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)). Het gaat hierbij om de volgende categorieën: a. inrichtingen b. infrastructuur c. kantoorlocaties d. woningbouwlocaties Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM). Het onderhavige project valt met de realisatie van 35 woningen onder de Regeling NIBM, ook als dit project samen wordt beschouwd met de 17 te verwachte woningen aan Bergse Heide 7.
De woningen zijn echter ook objecten die moeten voldoen aan het blootstellingscriterium. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het RIVM is de actuele concentratie PM10 in Bergen tussen 10 en 15 µg/m3, evenals de concentratie NO2. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m3. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m3. De daggemiddelde norm van 50 µg/m³ voor PM10 mag maximaal 35 dagen per jaar overschreden worden en is voor PM10 belangrijker dan de jaargemiddelde norm van 40 µg/m3. De daggemiddelde norm komt overeen met ongeveer 32 µg/m3 jaargemiddeld (Bron: www.rivm.nl). Met een actuele waarde (d.d. 8 maart 2023) onder de 15 µg/m³ wordt bij nieuwe gevoelige ontwikkelingen, ook voor deze daggemiddelde norm voor PM10, ruimschoots aan deze lagere norm voldaan. Dit wordt bevestigd door de resultaten uit de NSL-monitoringstool (Bron: www.nsl-monitoring.nl) waarbij ter hoogte van de toetspunten langs de N271 ter hoogte van het plangebied voor 2021 wat betreft het aantal overschrijdingsdagen voor PM10 ook sprake is van minder dan 35 overschrijdingsdagen; het aantal overschrijdingsdagen bedraagt 6. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit in Bergen goed te noemen.
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 3 7
4.5
Natuur
4.5.1
Gebiedsbescherming
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied te zien ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Het lichtgroene vlak betreft het Natura 2000-gebied Maasduinen (op een afstand van ruim 300 m van het plangebied).
Figuur 19: Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden
Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de aanvoer van materialen en personen en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie ten behoeve van de realisatie van het plan. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. Ter plaatse van het huidige agrarische bedrijf zal een vermindering van de milieudruk plaatsvinden, waardoor de planwijziging ook positieve effecten heeft op het milieu en dus op Natura 2000-gebieden. De berekening van het effect van de beoogde situatie is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator door Reland Advies uitgevoerd voor wat betreft de aanleg- en gebruiksfase (zie bijlage 3). Het projecteffect voor de realisatie en gebruik van 35 woningen op Natura 2000-gebieden is 0,00
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 3 8
mol/ha(/jaar). Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen ontheffing benodigd is voor het aspect stikstof.
In de volgende paragraaf zal ingegaan worden op mogelijke aantasting van flora en fauna.
4.5.2
Soortenbescherming
Met de Wet natuurbescherming (Wn) wordt een eind gemaakt aan de discussies over de implementatie van de Europese richtlijnen. In artikel 3.1 Wn wordt direct een link gelegd met de Vogelrichtliijn. Alle vogels die beschermd zijn op grond van artikel 1 Vogelrichtlijn vallen onder het beschermingsregime van de artikel 3.1 Wn, voor zover deze vogels van nature in Nederland voorkomen. Artikel 3.1 eerste lid Wn ziet op het verbod om vogels te doden of vangen. De verboden in de Wn zijn vrijwel letterlijk overgenomen uit de artikelen 5 en 6 Vogelrichtlijn. Net als de in de Vogelrichtlijn zijn de verboden beperkt tot opzettelijke handelingen. Het beschermingsregime voor vogels is iets versoepeld ten opzichte van het systeem onder de Flora en faunawet. Het verbod op het opzettelijk verstoren van vogels is beperkt tot verstoringen die van “wezenlijke invloed” zijn op de staat van instandhouding van de soort. Onder wezenlijke invloed wordt verstaan: “een wezenlijke negatieve invloed op een beschermde soort”. Of daar sprake van is hangt af van de populatie van de diersoort. Hoe zeldzamer de soort hoe groter de kans dat naar bijvoorbeeld een lokale populatie moet worden gekeken. Daarnaast is van belang of de populatie een negatief effect zelf teniet kan doen, bijvoorbeeld of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders.
Als een populatie het effect niet zelf teniet kan doen is de kans groter dat het effect als wezenlijke invloed kan worden aangemerkt. Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is. De wet voorziet in ruime mogelijkheden voor het verlenen van vrijstellingen, ook voor vogels en strikt beschermde soorten. Bij het verlenen van de vrijstelling moet aan dezelfde voorwaarden worden voldaan als bij het verlenen van de vroegere ontheffing. Een ontheffing van een verbod ex artikel 3.1 Wn kan slechts worden verleend indien: er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is; er geen sprake is van verslechtering van de staat van instandhouding van de soort; en er een limitatief opgesomde ontheffingsgrond aan de ontheffing ten grondslag kan worden gelegd. Quickscan flora en fauna Het plangebied is in gebruik als agrarisch bedrijf annex boerderijwinkel met bedrijfswoning en bijbehorende bedrijfsgebouwen. De gehele bebouwing zal worden gesloopt om plaats te maken voor de nieuwbouw. Water is binnen het plangebied niet aanwezig. Wel bevinden zich aan de randen van het plangebied bomen en struiken, welke deels behouden blijven en deels gerooid zullen worden.
Omdat de bedrijfsbebouwing geheel zal worden gesloopt en er ook beplanting zal moeten wijken, is het noodzakelijk dat ecologisch veldwerk zal worden verricht om te beoordelen of er broedplaatsen van vogels, vleermuisverblijfplaatsen of andere fauna of flora is.
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 3 9
Hiertoe is op 21 mei 2024 een ecologisch rapport opgemaakt door M&A Omgeving BV. Er is het volgende geconstateerd: "Door het literatuuronderzoek van de inventarisatie is aangetoond dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora of fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen (zie inventarisatie Natuurloket). In de nabijheid van het perceel zijn tijdens de veldbezoeken in maart 2023 echter geen waarnemingen gedaan van schaarse soorten. Ook rondom het perceel zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten (waaronder jaarrond beschermde soorten, zoals bijvoorbeeld Huismussen, (nesten van) Gierzwaluwen, uilen en vleermuissoorten. De veldonderzoeken, uitgevoerd in de dag- en avondperiode op 20 maart 2023, zijn binnen het broedvogelseizoen uitgevoerd. Desondanks is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten. Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten, achtergebleven nestmaterialen en vraatsporen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet. De veldonderzoeken kunnen daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd. Bij de inventarisaties is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en -mogelijkheden in het gebied. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen.
De kieren en openingen in de te slopen bebouwing zijn onderzocht met een camera (Novascope) en hierbij zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor verblijfplaatsen van fauna. De afstanden tot de ecologische verbindingszones en waardevolle natuurgebieden zijn voldoende groot om te kunnen stellen dat de ontwikkelingen in het plangebied geen negatieve invloed zullen hebben op deze gebieden. Door de sloop van de bebouwing en de realisatie van de woonbestemming en de bouw van woningen op de locatie, wordt het karakter van het gebied enigszins beïnvloed. Er verdwijnen echter geen verblijfs- of broedmogelijkheden, gezien de resultaten van de veldonderzoeken. Er wordt in het plangebied één boom gekapt, maar in de plaats hiervoor is een groenplan opgesteld. Er worden op de locatie diverse bomen, struiken en hagen aangeplant. Dit is een positief effect voor de natuurwaarden. Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. De zorgmaatregelen bestaan in elk geval uit de volgende aspecten: 1.
Voor algemeen voorkomende broedvogels (waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is) dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden: • Voer eventuele snoeiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. • Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden te worden totdat de werkzaamheden zijn afgerond. | bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 0
• Indien werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dienen de aanbevelingen in deze rapportage in acht te worden genomen. 2. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: • Indien verstoring plaatsvindt, dient een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels), maar ook voor vogels, om verkeersslachtoffers te voorkomen. Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. • Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst. • Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken en groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen). 3. Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten.
• Ook voor mogelijke aanwezigheid van egel en vestiging van de rugstreeppad dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Voorkom opslag van materialen waaronder dieren kunnen gaan verblijven. Het ontstaan van poeltjes en plassen op het terrein dient gedurende het zomerhalfjaar (vanaf april) te worden voorkomen. Als deze soorten worden waargenomen, dienen zij zichzelf in veiligheid te kunnen brengen. 4. Indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden. "
Het ecologisch onderzoek is als bijlage aan de planstukken toegevoegd. Ten overvloede wordt gewezen op de algemene zorgplicht welke in artikel 3.5 van de Wn is opgenomen. Door sloop-, graaf- en/of verbouwingswerkzaamheden buiten de periode van maart tot augustus te starten, is de kans op verstoring van broedende vogels het kleinst. Ook buiten deze periode mogen broedende vogels niet worden verstoord en moet gewacht worden tot het broeden voorbij is en de jongen zijn uitgevlogen.
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 1
4.6
Externe veiligheid
4.6.1
Risicovolle inrichtingen (Bevi)
De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6/jr. Bij het nemen van een planologische besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 10-6/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet PR 10-6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsrisico (GR).
Het groepsgebonden risico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm (zoals de PR-contour 10-6/jr. wel is) maar een zogenaamde oriënterende waarde. Het berekende groepsrisico wordt weergegeven in een curve, waarbij de kans op een ongeval wordt uitgezet tegen het aantal mensen dat daarbij omkomt. In dezelfde grafiek wordt de oriënterende waarde uitgezet. Als die wordt overschreden door een ruimtelijke ontwikkeling moet dat worden verantwoord. Hiermee wordt in beeld gebracht of en in welke mate het bevoegd gezag het GR wel of niet aanvaardbaar vindt, al dan niet na het nemen van maatregelen. De nieuwe woningen zijn te kwalificeren als een kwetsbaar object. Volgens de risicokaart van de provincie Limburg ligt in de directe omgeving (in een straal van 1 km) van het plangebied slechts één risicovolle inrichting.
Dit betreft een brandstofverkooppunt met lpg aan de Rijksweg 27 te Bergen (Groothandel in brandstoffen en andere minerale olieproducten). De vergunde jaardoorzet voor LPG bedraagt 500-1000 m3. De bijbehorende plaatsgebonden risicocontour bedraagt 35 m en de contour waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden bedraagt 150 m. De feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt ruim 180 m, waardoor er wat betreft risicovolle inrichtingen geen verantwoording hoeft plaats te vinden.
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 2
Figuur 20: uitsnede Signaleringskaart externe veiligheid
4.6.2
Vervoer gevaarlijke stoffen
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. De dichtstbijzijnde weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de provinciale weg N271. De PR-contour 10-6/jr bedraagt hier 0 m; het plangebied voor zover het de nieuwe maatschappelijke functie betreft, ligt op een afstand van ongeveer 25 m van deze weg. Nu het bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat binnen 200 m van een transportroute is gelegen, dient in het kader van de verantwoording van het groepsrisico te worden ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid), en b. voor zover dat plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet (zelfredzaamheid).
De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om de taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied is goed
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 3
bereikbaar voor hulpdiensten, gelet op de ligging op een steenworp afstand van de provinciale weg. Tevens zijn er binnen en nabij het plangebied voldoende opstelmogelijkheden en is de bereikbaarheid voor voertuigen van de hulpverleningsdiensten goed te noemen. In de verdere uitwerking van het bouwplan zal hier ook nadrukkelijk aandacht voor zijn. Als bluswatervoorziening zal gebruik moeten worden gemaakt van de bestaande voorzieningen/brandkranen. Mobiliteit van de aanwezigen: Binnen het plangebied worden woningen gerealiseerd. Er mag vanuit worden gegaan dat de bewoners zelfredzaam zijn en zich bij een calamiteit zelfstandig in veiligheid kunnen brengen. Mogelijkheden voor ontvluchten/schuilen: Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. Feit blijft dat in geval van een calamiteit een vroegtijdige alarmering van levensbelang is om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om te kunnen vluchten nemen toe door uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de risicobron af te richten.
Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door het gebouw zelf en overige bebouwing die tussen de N271 en de woningen zijn gelegen. Risicocommunicatie: In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem. Nu er sprake is van reguliere woningen is het algemene systeem van NL-Alert voldoende als waarschuwingssysteem. De raad van de gemeente Bergen dient in het kader van de ruimtelijke procedure advies in te winnen bij het bestuur van de Veiligheidsregio en een standpunt in te nemen aangaande de verantwoording van het groepsrisico. De dichtstbijzijnde waterweg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de Maascorridor. De PR-contour 10-6/jr bedraagt ook hier 0 m; het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 1,7 km van de Maascorridor. Transport van gevaarlijke stoffen over de Maas vormt geen belemmering voor dit project. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.7
Milieuzonering
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering'.
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 4
4.7.1
Bedrijven en Milieuzonering; Staat van bedrijfsactiviteiten
De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd een Staat van bedrijfsactiviteiten die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009. In deze Staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.
4.7.2
Invloed milieuhinder op het plangebied
Het plangebied ligt in cq tegen de kern van Nieuw Bergen, op relatief korte afstand van de N271. In de zuidelijke rand van de kern van Nieuw Bergen overheerst de woonfunctie duidelijk. Als gevolg van onderhavig plan zal de agrarische bedrijfsbestemming gewijzigd worden in een bestemming Wonen. Als gevolg van deze bestemmingsherziening komt de agrarische bedrijfsbestemming te vervallen, hetgeen een positief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving; immers, met het vervallen van de agrarische bedrijfsbestemming wordt een einde gemaakt aan mogelijke hinder als gevolg van geur, stof, geluid en gevaar welke samenhangt met een agrarisch bedrijf. Andersom vormen omliggende functies geen belemmering voor de nieuwe woningen; er valt géén milieuzone over het plangebied; alle functies die niet regulier wonen betreffen zijn gelegen op een afstand van meer dan 100 m uit de grens van het plangebied. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 5
4.8
Spuitzone
Akkerbouwgewassen en ook containerteelten worden beschermd door middel van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het toebrengen van deze middelen kan de spuitvloeistof ten gevolge van luchtstroming verplaatst worden naar omliggende percelen. Dit wordt 'drift' genoemd. Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6). Dit brengt echter niet reeds met zich dat een kortere afstand in dit geval niet redelijk zou kunnen zijn.
Dit hangt mede samen met de hoogte van de gewassen (hoe hoger, des te meer sprake er kan zijn van drift), windrichting, soort bestrijdingsmiddelen en frequentie van spuiten. De heersende windrichting in de regio is zuid-west, zoals uit onderstaande gegevens van het KNMI blijkt:
Afbeelding: bron Klimaatviewer KNMI
Binnen een afstand van 50 m rondom de huisvestingslocatie bevindt zich een akkers waar met gewasbeschermingsmiddelen wordt gespoten. Gelet op de heersende windrichting zal het merendeel van de vanuit de akker komende wind langs het plangebied waaien.
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 6
Met de wettelijke verplichting om op de totale spuittechniek 75% driftreductie toe te passen in combinatie met een afstand van 10 m van de akker tot de woningen en de filterende werking van een gemengde haag op de rand van de akker en het nieuwe woongebied kunnen negatieve gezondheidseffecten tot een minimum worden beperkt. Deze gemengde haag heeft een driftwerende functie, is dichtbegroeid en heeft een minimale hoogte van 2,00 meter. Daarmee vormt het een stevige groene rand op de grens met de open akker. De gemengde haag (op 50 cm van de grens planten) wordt met 4 stuks per meter en aanplantmaat van 100-150 cm aangelegd en snel opgroeien tot een hoogte van 2,00 meter. Het beheer van de haag ligt, net als bij het andere openbare groen, bij de gemeente Bergen; deze zal jaarlijks na 1 juli snoeien. Deze windsingel in de vorm van een gemengde haag wordt gezien als een optimale manier om drift te beperken. De hoogte van de windhaag dient minimaal 1 meter hoger te zijn dan de hoogte van de gewassen op het aangrenzende perceel, hetgeen met 2 m ook het geval is. Om te waarborgen dat deze driftreducerende maatregel ook daarwerkelijk wordt gerealiseerd, is een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen.
Hierin is vermeld dat het gebruik van de gronden met de bestemming 'Wonen' en daarbij behorende gebouw(en) uitsluitend is toegestaan onder de voorwaarde dat de gronden met de bestemming 'Groen' binnen 24 maanden na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, landschappelijk ingepast zijn, conform de door het bevoegd gezag geaccordeerde landschappelijke inrichtingsschets, en deze inpassing duurzaam in stand wordt gehouden, met dien verstande dat de van de landschappelijke inpassing deel uitmakende de windsingel binnen 12 maanden na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden.
4.9
Geurhinder
Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om een gebied bestemd voor wonen en verblijf. De woningen betreffen geurgevoelige objecten. In een straal van 800 m rondom het plangebied liggen geen intensieve veehouderijen. De afstand van het plangebied tot aan het bouwvlak van de meest nabijgelegen niet intensieve veehouderij bedraagt ruim 450 meter (Rijksweg 40); dit betreft een paardenhouderij waarvoor vaste afstanden gelden; deze vaste afstanden (100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom) worden ruimschoots gehaald. Gesteld kan worden dat intensieve veehouderijen op deze grote afstand geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft geur. Daarnaast leveren de nieuwe woningen geen extra belemmeringen voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden voor de veehouderijen op omdat bestaande woningen al dichterbij de betreffende veehouderijen zijn gelegen en daarmee maatgevend zijn voor de huidige ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderijen.
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 7
4.10 Geiten Het aantal geiten is in Limburg is toegenomen van ca. 46.000 in 2016 naar 61.000 dieren in 2018. In 2018 gaat het daarbij om 44.000 melkgeiten (72%). Het aantal gespecialiseerde melkgeitenhouderijen nam toe van 22 in 2016 naar 25 in 2018. Ook Bergen e.o. herbergt enkele gespecialiseerde geitenhouderijen. Uit de studies Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. De provincie Limburg heeft gelet op die gezondheidseffecten in mei 2019 een voorbereidingsbesluit genomen op basis waarvan het verboden is om het direct aan de inwerkingtreding van dat voorbereidingsbesluit voorafgaande bestaande gebruik van bouwwerken of gronden binnen het gehele grondgebied van de provincie Limburg te wijzigen in gebruik ten behoeve van het houden van geiten. Onder wijzigen wordt ook verstaan een uitbreiding van het direct aan de inwerkingtreding van dit voorbereidingsbesluit voorafgaande aanwezige aantal geiten binnen een inrichting. Dit verbod is niet van toepassing op inrichtingen waar minder dan tien geiten zullen worden gehouden. In een straal van circa 5 km rondom het plangebied bevinden zich geen geitenhouderijen.
4.11 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Ten aanzien van archeologie is het uitgangspunt dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Dit vloeit voort uit het Europese Verdrag van Valetta (1992) inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed en de Wet op de archeologische monumentenzorg. Gezien dit uitgangspunt mogen bekende archeologische monumenten niet aangetast worden en moet in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde, in principe een inventariserend en waarderend vooronderzoek plaatsvinden. Eventueel aangetroffen waarden dienen primair ter plekke (in situ) beschermd te worden dan wel - indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is- door een opgraving (ex situ) te worden veilig gesteld. In gebieden met een lage indicatieve archeologische waarde is er een geringe kans op het aantreffen van archeologische waarden. Op 13 november 2012 heeft de gemeenteraad de “Nota Archeologie beleid Bergen” vastgesteld. Hiermee is de Wet op de archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in het gemeentelijke beleid. Op basis van de inventarisaties is een archeologisch en cultuurhistorisch verwachtingsmodel opgesteld. Op de archeologische beleidskaart (zie onderstaand) is het plangebied aangeduid als categorie 3 en 5.
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 8
Figuur 21: uitsnede archeologische beleidskaart
Categorie 3 betreft gebieden van hoge archeologisch waarde, waarbij een onderzoeksplicht geldt bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m2. Categorie 5-gebieden hebben een middelhoge archeologisch verwachting of betreffen naoorlogse woonwijken en industrieterreinen met hoge verwachting. Er geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m2. Als gevolg van deze archeologische verwachtingswaarde is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Op 4 april 2023 is het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd door RAAP. Hierin is het volgende geconstateerd en geadviseerd: 'Het plangebied ligt langs het stroomdal van de Maas uit het laat weichselien op een rivierterras uit het Bølling/Allerød interstadiaal. Vooral in het vroeg holoceen is hier door de wind een strook rivierduinen over afgezet. Het booronderzoek heeft uitgewezen dat er onder een laag dekzand Maasafzettingen aanwezig zijn. In het dekzand is aanvankelijk een humuspodzolgrond ontstaan. Door landbouwkundig gebruik is de bovengrond omgezet in een bewerkte A-horizont. Plaatselijk is deze dikker dan 50 cm, zodat sprake is van een hoge enkeerdgrond. Twee delen van het plangebied zijn afgegraven (zandwinning) waardoor de bodem diep verstoord is.
Het plangebied maakt deel uit van een archeologische monument: de oude bewoningskern van Langstraat, uit de periode late middeleeuwen-nieuwe tijd. Er bevinden zich geen archeologische vindplaatsen in of nabij het plangebied. De meest nabije vindplaatsen betreffen de vondst van mesolithische stenen werktuigen (op een afstand van 870 m ten zuiden van het plangebied), en vondsten van aardewerk die mogelijk op een grafveld uit de late bronstijd-ijzertijd wijzen (720 m naar het noordoosten). Er geldt een middelhoge verwachting voor kampementen van jager-verzamelaars uit het
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 9
laat paleolithicum-mesolithicum en voor landbouwers uit de periode neolithicum-nieuwe tijd (bewoning, begraving, economische en rituele activiteiten). Meer specifiek, kunnen er nog resten van de historische bebouwing (vanaf minstens 1802) worden verwacht. Advies Geadviseerd wordt bodemingrepen dieper dan het intacte niveau te voorkomen, bijvoorbeeld door ingrepen af te stemmen op de roerdiepte. Indien dit niet mogelijk is, dan wordt verder archeologisch onderzoek nodig geacht, in de vorm van een proefsleuvenonderzoek, met uitzondering van de zones die reeds zijn vergraven. Gravend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).'
In onderhavig bestemmingsplan is de huidige dubbelbestemming ter bescherming van de archeologische waarden vooralsnog overgenomen. Indien hangende de bestemmingsplanprocedure het plangebied of delen hiervan worden vrijgegeven, kan deze dubbelbestemming alsnog worden verwijderd.
Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve opgenomen dat het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen moet worden nagestreefd. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de nota Belvedère, met als uitgangspunt 'behoud door ontwikkeling'. Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan (en andere ruimtelijke besluiten) opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op onderstaande provinciale kaart zijn de cultuurhistorische waarden van de gronden rondom het plangebied in beeld gebracht. Zowel de N271 als de Bergse Heide zijn gekenmerkt als historisch waardevolle wegen.
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 5 0
Figuur 22: Cultuurhistorischewaardenkaart
In het Landschapsplan van de gemeente Bergen (L.) zijn diverse landschapselementen beschreven. Als kenmerkende en in principe te behouden cultuurhistorische landschapselementen kunnen in Bergen de volgende componenten worden genoemd: elementen uit de archeologie, zoals Celtic fields en oude nederzettingen; de begrenzingen van velden en kampen; oude ontginnings- en perceelsgrenzen; oude wegtracé’s, veldwegen en dergelijke; bomen die al relatief oud zijn; bijvoorbeeld meer dan 100 jaar; veldkruisen en kleine kapellen. Op onderstaande uitsnede van deze cultuurhistorische waardenkaart is te zien dat het plangebied deels is gelegen op een oude akker.
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 5 1
Figuur 23: Landschappelijke elementen uit cultuurhistorischewaardenkaart gemeente Bergen (2017)
Op deze oude akker rust op basis van het vigerende bestemmingsplan het agrarisch bouwvlak. De voorgenomen ontwikkeling heeft gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot op grotere afstand gelegen gemeentelijke- en Rijksmonumenten geen negatieve invloed op cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.12 Kabels, leidingen en straalpaden 4.12.1 Gas-, olie-, brandstof- of watertransportleidingen en hoogspanningskabels In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor buisleidingen; exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn en gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplannen opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. In de omgeving van het plangebied liggen geen leidingen die impact kunnen hebben op het plangebied.
4.12.2 Obstakelbeheer- en radarverstoringsgebied Het plangebied bevindt zich niet binnen een straalpad van telecomvoorzieningen of een radarverstoringsgebied, zodat de bouw- en gebruiksmogelijkheden die dit plan biedt, geen belemmering vormen en vice versa.
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 5 2
Hoofdstuk 5 Waterparagraaf 5.1
Beleidsaspecten
Deze paragraaf vormt de toelichting hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting in de bestemming. Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige en meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: 'ruimte maken voor water'. Naast de kans op meer wateroverlast neemt ook de kans op langdurige periodes van droogte toe.
5.1.1
Waterschap beleid: Waterschap Limburg
In het waterbeheerplan (WBP) en Keur van het Waterschap Limburg staan de regels van het Waterschap Limburg.
Waterbeheerprogramma (WBP) Met het waterbeheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022 - 2027: Programma Waterveiligheid: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas. Het afgekoppelde regenwater zorgt voor minder vervuilende riooloverstorten. Het verbetert de doorstroming en daarmee de kwaliteit van stadswateren. Doordat een groot deel van het water lokaal infiltreert in groenstroken en tuinen, wordt voorkomen dat oppervlakkig afstromend regenwater onderweg vervuild raakt en zo het ontvangende oppervlaktewater belast. Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden. Zo zorgt bijvoorbeeld verdamping in de stad voor minder hittestress. Daarmee zijn de sponswerking van de gebouwde omgeving en de kwaliteit van het oppervlaktewater vergroot. Ook op dit gebied moet samengewerkt worden om werk met werk te kunnen maken (efficiency), om instrumenten van derden te benutten teneinde onze eigen opgave te realiseren (zoals omgevingsplannen) en voor de inpassing in de omgeving. Waterkwaliteit en ecologie: het water binnen de gemeente moet schoon zijn en wateren zijn natuurlijk ingericht. We maken een stevig begin met de (bron)aanpak van de problemen met medicijnresten en opkomende stoffen (zoals PFAS en microplastics) in het oppervlaktewater.
Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Voor het plangebied is vooral klimaatadaptatie van belang. Om de klimaatverandering een stap voor te blijven, is nu het moment om de plannen gereed te hebben en te starten met de uitvoering. Daarom is klimaat adaptief denken en handelen de basis van al het werk van het Waterschap en dat verwacht zij ook van haar partners. De speerpunten zijn: Samen klimaat adaptief inrichten van stad en land; Aanpakken grootste wateroverlastknelpunten; Risico gestuurd peilbeheer en onderhoud;
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 5 3
Elke druppel vasthouden en pas afvoeren als het moet. Bij nieuwbouw is het afkoppelen van regenwater inmiddels vanzelfsprekend. De voorkeursvolgorde bij afkoppelen is vasthouden - bergen - afvoeren, waarbij infiltreren in de bodem voorgaat op lozen op oppervlaktewater. Ook opvangen en gebruiken voor huis en tuin is een duurzame oplossing. In klei- en lössgronden en in sterk hellend gebied vraagt infiltreren een grotere inspanning. In kleine tuinen is dan vaak te weinig ruimte. Gezamenlijke centrale infiltratievoorzieningen in de wijk kunnen dan een oplossing bieden. Vanzelfsprekend geldt bij afkoppelen en infiltreren dat dit geen overlast elders mag veroorzaken. Ook belangrijk is de kwaliteit van het afgekoppelde regenwater. Alleen met het doorlopen van de trits schoon houden - scheiden - zuiveren is lozen op de bodem of op watergangen acceptabel.
Keur 2019 Per 1 april 2019 is er een nieuwe keur in werking getreden. In de keur staan regels over wat er wel en niet mag in en rondom het water in Limburg. Voor de meest voorkomende vergunningplichtige activiteiten zijn er beleidsregels. In deze beleidsregels staat met welke criteria een vergunningsaanvraag wordt beoordeeld.
Volgens artikel 1.12 Uitvoeringsregels van het Keur van het Waterschap blijkt dat het waterschap het bevoegd gezag is vanaf 10 hectare. Het totale oppervlak van het plangebied is 14.092 m2. Daarom is niet het Waterschap, maar de gemeente bevoegd gezag.
5.1.2
Gemeentelijk beleid: gemeente Bergen
Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020-2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke verordening 'Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022'. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen.
Daarnaast heeft de gemeente Bergen het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L). De wettelijke basis van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) is vastgelegd in drie wetten. De taken en verplichtingen die de gemeente op het gebied van riolering heeft, zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm artikel 10.33). Een van de verplichtingen uit de Wet milieubeheer betreft het opstellen van een gemeentelijk rioleringsplan (GRP). In het GRP moet inzichtelijk zijn gemaakt welke voorzieningen op het gebied van riolering in beheer zijn, welke effecten deze voorzieningen op het milieu hebben en welke kosten met het beheer en onderhoud hiervan gemoeid zijn, rekening houdend met toekomstige vervanging en/of verbetering. In de Wet milieubeheer is ook de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van afvalwater vastgelegd. De Waterwet is sinds 2009 in werking getreden en beschrijft het brede pakket aan zorgtaken van | bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 5 4
de gemeente. Vanuit de Waterwet heeft de gemeente een zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater.
Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022: In artikel 3.8 van de verordening wordt bepaald dat in nieuwbouw geen aansluiting op het openbaar riool gerealiseerd mag worden, tenzij er een hemelwatervoorziening is. Deze hemelwatervoorziening moet 60 liter per m2 kunnen bergen. Uitgangspunt is dat als er een bui valt van 60 mm (is 60 liter per m2) dit geen afstroming veroorzaakt naar belendende percelen (inclusief de openbare ruimte). Al het hemelwater wordt vastgehouden op het eigen perceel.
Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) Ambitie en doelen In het nieuwe GRP wordt het beleid van de afgelopen jaren gecontinueerd. De doelstellingen voor de komende planperiode zijn: 6. Zorgen voor inzameling van het binnen gemeentelijk gebied geproduceerd afvalwater. 7. Zorgen voor doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (voor zover niet verzorgd door particulieren). 8. Beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming in het openbaar gemeentelijk gebied. 9. Zorgen voor het transport van het ingezamelde water naar een geschikt lozingspunt; hierbij: Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem, grondwater voorkomen Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken (in de breedste zin van het woord). 1. Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering. 2. Zorgen voor het klimaat adaptief maken van de riolering in samenhang met de inrichting van de openbare ruimte. Afvoercapaciteit: Om gezondheidsrisico's van rioolwater te beperken en wateroverlast te voorkomen, dient de gemengde riolering over voldoende afvoercapaciteit te beschikken om een regenbui te kunnen verwerken.
Het rioolstelsel moet dan ook hydraulisch op orde te zijn, wat betekent dat: De riolering als systeem (theoretisch) voldoet aan de hydraulische norm (bui 09 Leidraad Riolering, een bui die eens per 5 jaar voorkomt) De gemeente Bergen blijft inzetten op het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering, daarnaast blijft zij ook particulieren stimuleren om af te koppelen. Met afkoppelen wordt het hemelwater van de gemengde riolering afgehaald en het systeem gescheiden in en schoon- en vuilwatersysteem. Het totaal aangesloten hemelwater op de gemengde riolering wordt hiermee verkleind en daarmee de kans op het intreden van vuilwater in gebouwen en het overstorten van vuilwater op het oppervlaktewater. Door afkoppelen neemt dan ook de kans op gezondheidsrisico's voor mens en natuur af. Daarnaast biedt (grootschalig) afkoppelen een economisch voordeel voor de waterschappen door een kleiner aanbod van afvalwater (minder investering) en aanvoer van een constanter debiet en kwaliteit van afvalwater (zuiveringsrendement gaat omhoog). Tevens wordt de betrokkenheid van inwoners en het gevoel van verantwoordelijkheid ten aanzien van klimaatadaptatie hiermee vergroot. Bijkomend economisch voordeel voor de gemeente zijn minder transport kosten (lager | bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 5 5
energieverbruik gemalen). Het intensief afkoppelen zorgt voor meer berging in het stelsel en dit creëert meer ruimte voor de zwaardere buien in de toekomst.
Hemelwater (artikel 3.5 Waterwet): De verantwoordelijkheid voor de afvoer van hemelwater ligt in beginsel bij de burger. De burger draagt in eerste instantie zelf zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem, bergen in bijvoorbeeld een vijver of afvoeren naar oppervlaktewater. Waar dit redelijkerwijs niet mogelijk is, moet de gemeente de zorgplicht op een doelmatige manier overnemen. Nieuwbouw (zowel uitbreiding als inbreiding) Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld. Hemelwater dient voor zover mogelijk op het eigen terrein verwerkt te worden. De gemeente hanteert de volgende beleidsregels voor zowel particulieren / bedrijven als voor het openbaar gebied. Deze ontwerpnormen zijn conform afspraken uit het samenwerkingsverband Noord en Midden Limburg: Bij nieuwbouw dient het regen- en afvalwater altijd gescheiden aangeboden te worden, conform bouwbesluit 2012; Bij ruimtelijke ontwikkelingen van meer dan 2.000 m2 verhard oppervlak, dient altijd overleg te worden gepleegd met gemeente, waterbeheerders en initiatiefnemer via de watertoets; In nieuwbouwwijken is afkoppelen verplicht.
Bij bouwplannen met een verhard oppervlak van meer dan 2.000 m2 worden door de gemeente een programma van eisen, randvoorwaarden en ontwerpgrondslagen voor de waterhuishouding vastgesteld; Bij inbreidingslocaties dient in eerste instantie het hemelwater op eigen terrein geïnfiltreerd te worden. De voorziening dient over voldoende berging te beschikken, waarbij een overloop op maaiveld richting straat of naar oppervlaktewater is toegestaan, mits geen verslechtering ten opzichte van de huidige situatie ontstaat; Bij alle nieuwbouw of uitbreidingsplannen moet een risicoanalyse opgesteld worden waarbij wordt aangegeven wat de risico's zijn bij een extreme bui gelijk aan 84 mm; Bij alle bouwplannen dienen de bouwpeilen op 0,3 m boven wegniveau te zijn zodat water niet vanuit d e straat de woning kan bereiken. In gebieden waar een druk- of persriool aanwezig is (vooral buiten de bebouwde kom) bedoeld voor de inzameling van alleen afvalwater, is het niet toegestaan om hemelwater op de riolering aan te sluiten. De pompcapaciteit en de afmetingen van de druk- en persleidingen zijn niet berekend op de afvoer van hemelwater. Perceeleigenaren moeten het hemelwater op eigen terrein verwerken. Klimaat: De gemeente Bergen richt zich op: Het bovenstrooms treffen van maatregelen om benedenstrooms overlast en/of hinder te voorkomen van afstromend water.
Afstromend water kan hierbij zowel hemelwater als vuilwater zijn. Het afkoppelen en vasthouden van hemelwater op locaties waar het niet tot overlast of schade leidt.
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 5 6
Groenvoorzieningen inzetten als bergingsvoorziening voor afstromend hemelwater, door de groenvoorziening lager te plaatsen dan de weg en banden eventueel de verlagen. Een aandachtspunt hierbij is de relatie met strooiroutes en de hogere beheer en onderhoudsfrequentie. Toepassen van waterpasseerbare verharding bij parkeervoorzieningen. Het zo veel mogelijk vervangen van niet-functionele verharding door groen (waar doelmatig) Waar doelmatig speeltuinen inzetten voor waterberging, aandachtspunt hierbij is de kwaliteit van het water (geen afvalwater af laten stromen naar speeltuinen) en het water mag slechts gedurende een korte periode aanwezig zijn. De opgave van het waterschap is om te voldoen aan een beschermingsnorm van 1x per 100 jaar voor bebouwde kernen voor wat betreft inundaties uit het regionale oppervlaktewatersysteem (Nationaal Bestuursakkoord Water). Afhankelijk van een maatschappelijke kosten-baten afweging kan een lagere bescherming worden geboden. De provincie stelt het beschermingsniveau vast.
Bestemmingsplanfase Als een bestemmingsplan wordt gewijzigd, dient er een Watertoets uitgevoerd te worden. Bij elk nieuw bestemmingsplan wordt de grondwatersituatie meegenomen in de waterparagraaf. De benodigde maatregelen om grondwaterproblemen te voorkomen worden daarbij vastgelegd in regels voor diverse bestemmingen. De gemeente staat geen bebouwing toe op locaties waar dit vanuit het watersysteem tot schade leidt of beperkingen geeft aan het natuurlijke watersysteem. Het gaat daarbij niet alleen om regels ten aanzien van zetting en drooglegging, maar ook ten aanzien van drainagesystemen en ontwateringsdiepte. Het streven van de gemeente is om bij nieuwbouw 'grondwaterneutraal' te bouwen. Dit houdt in dat het grondwaterpeil niet beïnvloed mag worden.
Beheer rioleringsgegevens bij nieuw aanleg De revisiegegevens van nieuw aangelegde riolering zullen uiterlijk twee weken na de oplevering van een nieuwbouwproject worden verwerkt. Hiermee voldoet de gemeente aan de regels van WION. De beheergegevens zijn actueel.
5.2
Huidige situatie
5.2.1
Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak
Bij onderhavig plangebied zijn er erfverhardingen, bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning met tuin. De oppervlakte van de bestaande erfverharding bedraagt circa 300 m2. De te slopen bebouwing heeft een omvang van circa 600 m2.
| bestemmingsplan Bergse Heide Nieuw Bergen | status: vastgesteld |
Pagina | 5 7
Uitsnede verbeelding actuele situatie met globale begrenzing plangebied (rode omkadering)
5.2.2
Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden.
Er liggen geen beschermingszones of reserveringsgebieden in het plangebied, omdat er geen oppervlaktewater in het plangebied is.
5.2.3
Huidige verwerking hemelwater
Het hemelwater wordt dat neerslaat op de bestaande bebouwing en erfverharding wordt op eigen terrein geïnfiltreerd. De K-waarde (geeft de mate van infiltratiegeschiktheid aan) van het plangebied bedraagt volgens de kaart inzake de bodemdoorlatendheid (K-waarde) van de gemeente Bergen van het waterschap 1,5 - 10 m/dag. Uit het ter plaatse uitgevoerde onderzoek naar de waterdoorlatendheid (zie bijlage 6) is een iets lagere doorlatendheid geconstateerd (0,7 - 1,1).
5.2.4
Huidige verwerking afvalwater en waterkwaliteit
Op dit moment wordt afvalwater verwerkt door de bedrijfsgebouwen afvoer via de gemeentelijke riolering. Voor een afbeelding van de huidige situatie, zie onder paragraaf 5.2.1.
5.2.5
Aanwezig oppervlaktewater
In de omgeving van het plangebied bevindt zich een primaire waterloop in de vorm van de Bergerheidelossing en de Heukelomsebeek, die aan de westzijde van het plangebied stromen; de Bergerheidelossing kruist de N271 en buigt naar het noorden af, zoals ook uit onderstaande uitsnede van de legger van het waterschap blijkt: