CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

8 Eindrapport natuur Wells Meer

Gemeenteraad 9 februari 2021, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling bestemmingsplan en MER en vervolg Energielandgoed Wells Meer;14.712 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het aantal registraties en de relatieve verdeling (%) van de waargenomen soorten die tijdens het transectonderzoek in 2020 zijn vastgesteld, zie hoofdtekst voor methode.

Soort

Aantal

Gecorrigeerd

Relatieve

registraties

aantal

verdeling (%)

Gewone dwergvleermuis

540

1,74

82,9

Rosse vleermuis

12

0,05

2,4

Laatvlieger

12

0,04

1,9

Ruige dwergvleermuis

4

0,03

1,4

Bosvleermuis

2

0,02

1,0

Kleine dwergvleermuis

1

0,01

<1

Myotis spec.

1

0,00

<1

Nyctaloide

48

0,21

10

Plecotus spec.

9

0,00

<1

Effect op GSI Het opzettelijk doden vleermuizen is een overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 van de Wnb. Geadviseerd wordt om een ontheffing aan te vragen indien sprake is van een ‘niet-verwaarloosbare kans op sterfte’. Een praktische benadering is een jaarlijkse sterfte van één of meer slachtoffer(s) per soort per windpark te beschouwen als een ‘nietverwaarloosbare kans op sterfte’. Er kan in dat geval immers worden voorzien dat van een soort jaarlijks één of meer slachtoffers vallen. Bij het hanteren van deze maat kan in onderhavige studie sprake zijn van overtreding van artikel 3.5 van de Wnb ten aanzien van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger, waarvoor mogelijk een ontheffing nodig is. Bij het

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

31

aanvragen van een ontheffing zal moeten worden aangetoond dat de gunstige staat van instandhouding (GSI) van deze soorten niet in het geding is. Hieronder is onderbouwd dat een effect op de GSI van de vier betrokken soorten kan worden uitgesloten. Andere vleermuissoorten komen zo weinig voor dat geen sprake kan zijn van een meer dan verwaarloosbare kans op sterfte. Gewone dwergvleermuis Voor het Energielandgoed Wells Meer worden maximaal 17 aanvaringsslachtoffers onder gewone dwergvleermuizen geschat. Dit is ruim minder dan de 1%-mortaliteitsnorm van 51 exemplaren (tabel 4.4). Een effect van het windpark op de GSI van de lokale populatie van de gewone dwergvleermuis is uitgesloten. Effecten op regionale en landelijke populatie zijn daarmee ook uitgesloten. De VKMs zijn hierin niet onderscheidend. Tabel 4.4

Inschatting van de bijdrage van extra sterfte van Energielandgoed Wells Meer aan de totale sterfte van de gewone dwergvleermuis in een catchment area met een straal van 30 km en een gemiddelde dichtheid van 9 vleermuizen / km2.

Oppervlak (km2)

2.828

Aantal gewone dwergvleermuizen

25.452

1% grens

51

Max. sterfte in windpark ELWM

17

Ruige dwergvleermuis Voor het Energielandgoed Wells Meer wordt maximaal één aanvaringsslachtoffer onder ruige dwergvleermuizen geschat. Dit zit ruim onder de 1%-mortaliteitsnorm van 28 exemplaren (tabel 4.7). Een effect van het windpark op de GSI van de lokale populatie van de laatvlieger is uitgesloten. Effecten op regionale en landelijke populatie zijn daarmee ook uitgesloten. De VKMs zijn hierin niet onderscheidend. Tabel 4.7

Inschatting van de bijdrage van extra sterfte van Energielandgoed Wells Meer aan de totale sterfte van de ruige dwergvleermuis in een catchment area met een straal van 30 km en een gemiddelde dichtheid van 3 vleermuizen / km2.

Oppervlak (km2)

2.828

Aantal laatvliegers

8.484

1% grens

28

Max. sterfte windpark ELWM

1

Rosse vleermuis Voor de rosse vleermuis is gerekend met twee populaties, de lokale populatie in het gebied en de niet-lokale populatie uit NO-Europa. In Nederland worden jongen geboren en vindt paring en overwintering plaats. De meeste Nederlandse rosse vleermuizen lijken hier ook te overwinteren. Een beperkt deel trekt weg in ZZW richting (Bels 1952). Daarnaast is het waarschijnlijk dat dieren uit NO-Europa in Nederland overwinteren. De winters zijn daar te koud om veilig in boomholtes te kunnen overwinteren. Uit recent onderzoek aan rosse vleermuisslachtoffers in Duitse windparken is gebleken dat de herkomst niet alleen lokaal is. Bijna een derde (28%) van de dieren kwam uit het noordoostelijk deel van Europa

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

32

(Rusland, Baltische Staten, Wit-Rusland; Lehnert et al. 2014). Het is aannemelijk dat een vergelijkbare situatie zich ook in Nederland voordoet. Op het Energielandgoed wordt maximaal één aanvaringsslachtoffer onder rosse vleermuizen voorspeld (en iedere 3 jaar betreft dit dus waarschijnlijk een exemplaar op doortrek en dus niet een lokaal exemplaar). Dit is minder dan de 1%-mortaliteitsnorm van 2-3 exemplaren (tabel 4.5). Een effect van het windpark op de GSI van de lokale populatie van de rosse vleermuis is uitgesloten. Effecten op regionale, landelijke en internationale (trek)populatie zijn ook uitgesloten. De VKMs zijn hierin niet onderscheidend.

Tabel 4.5

Inschatting van de bijdrage van extra sterfte van Energielandgoed Wells Meer aan de totale sterfte van de rosse vleermuis (lokaal) in een catchment area met een straal van 30 km en een gemiddelde dichtheid van 0,2 vleermuizen / km2.

Oppervlak (km2)

2.828

Aantal rosse vleermuizen

566

1% grens

2,5

Max. sterfte windpark ELWM

1

Laatvlieger Voor het Energielandgoed Wells Meer wordt maximaal één aanvaringsslachtoffer onder laatvliegers geschat. Dit zit onder de 1%-mortaliteitsnorm van 3 exemplaren (tabel 4.6). Een effect van het windpark op de GSI van de lokale populatie van de laatvlieger is uitgesloten. Effecten op regionale en landelijke populatie zijn daarmee ook uitgesloten. De VKMs zijn hierin niet onderscheidend. Tabel 4.6

Inschatting van de bijdrage van extra sterfte van Energielandgoed Wells Meer aan de totale sterfte van de laatvlieger in een catchment area met een straal van 30 km en een gemiddelde dichtheid van 0,7 vleermuizen / km2.

Oppervlak (km2)

2.828

Aantal laatvliegers

1.980

1% grens

3

Max. sterfte windpark ELWM

1

Cumulatieve effecten Anders dan het beschermingsregime onder de Wnb gebiedenbescherming, kent het beschermingsregime onder de Wnb soortenbescherming geen verplichting om separaat cumulatie van een project met andere projecten inzichtelijk te maken. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft namelijk geoordeeld dat mogelijke cumulatieve effecten deel uitmaken van de staat van instandhouding van een soort. Dit volgt uit de begripsbepaling voor de staat van instandhouding in artikel 1.1 Wnb. Voor deze staat van instandhouding moet het effect van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort op het grondgebied, bedoeld in artikel 2 van de Habitatrichtlijn, worden vastgesteld. Gelet op deze begripsbepaling maken mogelijke cumulatieve effecten deel uit van de staat van instandhouding en worden in die zin bij het verlenen van een

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

33

ontheffing betrokken. Aan de hand van het effect van de aangevraagde activiteit op de staat van instandhouding moet worden bepaald of ontheffing kan worden verleend.2,3

2

ABRvS 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1160, ov. 16.2. Vergelijk hierbij ook ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:301, ov. 58, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat bij sterfte die ver onder de grens van de 1%-mortaliteitsnorm ligt uitgesloten kan worden geacht dat de sterfte in combinatie met andere windparken tot een verslechtering van de staat van instandhouding kan leiden. 3

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

34

5 Conclusies Gedurende het voorjaar, zomer en najaar zijn diverse veldonderzoeken naar natuurwaarden in het plangebied van Energielandgoed Wells Meer afgerond en hebben de volgende resultaten opgeleverd: • Op het terrein van Wellsmeer 1a is een paartje steenuilen vastgesteld. Mogelijk broedt hier ook een kerkuil in de open schuur; • In het plangebied zijn meerdere nesten van broedvogelsoorten aangetroffen waarvan het nest jaarrond bescherming geniet; • In het zuidwestelijke deel van het plangebied zijn meerdere actieve burchten van dassen vastgesteld; • Het plangebied wordt niet gebruikt als broedgebied voor de nachtzwaluw. Wel fungeert het plangebied als foerageergebied van de soort voor broedvogels vanuit het Natura 2000-gebied Maasduinen; • Het gehele plangebied wordt gebruikt door vleermuizen als foerageergebied en er zijn vliegroutes aanwezig. Daarnaast zijn in drie gebouwen langs de Wellsmeer verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Het voorkeursmodel (VKM) voor het Energielandgoed Wells Meer heeft in het MER nog drie varianten die vooral verschillen in de plaatsing van de vier geplande windturbines. De varianten zijn onderling niet of nauwelijks onderscheidend als het gaat over effecten op natuur.

De volgende conclusies zijn getrokken in deze beschouwing: • Indien werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van het Energielandgoed plaatsvinden in het broedseizoen van vogels, kan niet op voorhand worden uitgesloten dat verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1 lid 2 van de Wnb worden overtreden. Deze overtreding van verbodsbepalingen moeten worden voorkomen; • Binnen het bestaande territorium van steenuil en huismus op Wellsmeer 1a moet het beheer erop gericht zijn deze territoria duurzaam te behouden. Dit kan door geschikte habitats te behouden/creëren om voldoende voedsel aan te bieden en tijdig veilige nestplekken aan te bieden; • De nesten binnen het plangebied van broedvogelsoorten (buizerd, torenvalk, havik, steenuil, huismus en mogelijk kerkuil) waarvan het nest jaarrond beschermd is, bevinden zich op >75 meter afstand van de geplande windturbines. Hierdoor kan worden uitgesloten dat verstorende effecten zullen optreden op deze soorten; • Broedactiviteit van eekhoorns is niet vastgesteld in (de omgeving van) het plangebied. Hierdoor kunnen effecten op deze soort worden uitgesloten; • De huidige inrichtingsplannen leiden tot aantasting van foerageergebied van de vastgestelde actieve burchten van dassen, vanwege de plaatsing van zonnepanelen.

Hiervoor is een Wnb-ontheffing nodig en deze aantasting zal tijdig moeten worden gecompenseerd; • Het plangebied wordt niet gebruikt als broedgebied voor de nachtzwaluw, maar wel als foerageergebied voor broedvogels vanuit het Natura 2000-gebied Maasduinen. De kans dat nachtzwaluwen uit het Natura 2000-gebied in aanvaring komen met de windturbines van Energielandgoed Wells Meer is uitgesloten,

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

35

•

• • •

•

•

gezien de verspreiding van waargenomen exemplaren, de ecologie, het vlieggedrag en de informatie uit literatuur over de aanvaringskans; De sloop van enkele gebouwen langs de Wellsmeer zorgt voor een fysieke aantasting van verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Hiervoor is een Wnb-ontheffing nodig en de verblijfplaatsen dienen tijdig te worden gecompenseerd; De plaatsing en het gebruik van de geplande windturbines op Energielandgoed Wells Meer gaan niet ten koste van essentieel foerageergebied van vleermuizen; Effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen door de aanleg van en fysieke aanwezigheid van de geplande windturbines kunnen worden uitgesloten; Voor het Energielandgoed Wells Meer worden maximaal 5 aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen per windturbine per jaar voorspeld. Voor het gehele windpark betekent dit dat jaarlijks maximaal 20 aanvaringsslachtoffers worden voorspeld. Deze slachtoffers bestaan uit 17 gewone dwergvleermuis, één rosse vleermuis, één laatvlieger en één ruige dwergvleermuis. Voor grootoorvleermuizen, bosvleermuis, kleine dwergvleermuis en andere Myotis en Nyctaloide vleermuizen kan het optreden van aanvaringsslachtoffers in Energielandgoed Wells Meer worden uitgesloten; Voor de voorzienbare sterfte is een Wnb-ontheffing nodig waarbij wordt onderbouwd dat de gunstige staat van instandhouding van betrokken soorten niet in het geding komt.

Voor de vier soorten vleermuizen met jaarlijks voorzienbare sterfte, blijft het voorspelde aantal aanvaringsslachtoffers, ook indien rekening wordt gehouden met cumulatieve effecten, (ruim) onder de 1%-mortaliteitsnorm. Een effect van de windturbines op de gunstige staat van instandhouding van de lokale (en daarmee ook op regionale en landelijke) populatie van gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis is uitgesloten. De geplande windturbines kunnen ook leiden tot voorzienbare sterfte onder vogels, waarvoor een Wnb-ontheffing nodig is. De lijst van betrokken vogelsoorten en onderbouwing van effect op de gunstige staat van instandhouding zijn separaat uitgewerkt in bijlage 1.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

36

6 Literatuur Bels, L., 1952. Fifteen years of bat banding in the Netherlands. Publ. Natuurhist. Genootschap Limburg (Maastricht) 5, 1-99. Boonman, M. 2018. Stilstandvoorziening vleermuizen windpark Netterden. Slachtofferonderzoek en akoestische monitoring. Rapport 18-334. Bureau Waardenburg, Culemborg. BIJ12, 2017a. Kennisdocument Buizerd Buteo buteo. Versie 1.0. Publicatienummer BIJ12-2017-002. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017b. Kennisdocument Huismus, versie 1.0. Publicatienummer BIJ12-2017-009. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017c. Kennisdocument Das, versie 1.0. Publicatienummer BIJ12-2017-003. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017d. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, versie 1.0. Publicatienummer BIJ122017-004. BIJ12, Utrecht. Dürr, T., 2020. Fledermausverluste an Windenergieanlagen. Daten aus der zentralen Fundkartei der Staatlichen Vogelschutzwarte im Landesumweltamt Brandenburg. Stand 25.09.2020. http://www.lfu.brandenburg.de/cms/detail.php/bb1.c.312579.de. Engels, B.W.R., 2020. Natuurtoets Energielandgoed Wells Meer. Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming en Natuurnetwerk Nederland. Rapportnummer 20-026. Bureau Waardenburg, Culemborg. Evens, R., O. Honnay, E. Ulenaers & L. Lens, 2011. Radiotelemetrisch onderzoek in Bosland. Natuuroriolus 78: 1 – 11. Langgemach, T. & T. Dürr, 2020. Informationen über Einflüsse der Windenergienutzung auf Vögel, Stand 09. Januar 2019.

http://www.lugv.brandenburg.de/cms/media.php/lbm1.a.3310.de/vsw_dokwind_voegel.pdf Lehnert, L.S., S. Kramer-Schadt, S. Schönborn, O. Lindecke, I. Niermann & C.C. Voigt, 2014. Wind farm facilities in Germany kill noctule bats from near and far. PLoS One 9(8): e103106. Limpens, H.J.G.A., M. Boonman, F. Korner-Nievergelt, E.A. Jansen, M. van der Valk, M.J.J. La Haye, S. Dirksen & S.J. Vreugdenhil, 2013. Wind turbines and bats in the Netherlands - Measuring and predicting. Report 2013.12, Zoogdiervereniging & Bureau Waardenburg Provincie Limburg, 2019. N2000-plan Maasduinen (145) 2019-2025. Maastricht, juni 2019. Rydell, J., L. Bach, M.J. Dubourg-Savage, M. Green, L. Rodrigues & A. Hedenström, 2010. Bat mortality at wind turbines in northwestern Europe. Acta Chiropterologica 12(2):261-274. Van Kleunen A., H. Sierdsema, M. Nijssen, V. Lipman & D. Groenendijk, 2007. Het Jaar van de Nachtzwaluw 2007. SOVON-onderzoeksrapport 2007/10. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Van der Vliet, R., W. Heijligers & J. Tilborghs, 2011. Maximale foerageerafstanden: op een rij gezet voor 97 beschermde vogelsoorten. Toets 2011/4.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

37

Bijlage 1 Onderbouwing Wnb-ontheffing vogels Inleiding De jaarlijks voorspelde sterfte onder vogels bij de vier windturbines op Energielandgoed Wells Meer (verder: Windpark ELWM) bedraagt circa 40 slachtoffers (zie hoofdstuk 16 natuurtoets, Engels 2020). Het merendeel hiervan zijn vogels op seizoenstrek. Een kleiner deel betreft lokale vogels, en dan met name ganzen- en meeuwensoorten. In deze bijlage zijn lijsten opgenomen van lokale en niet-lokale soorten waarvan jaarlijks aanvaringsslachtoffers in het windpark zijn voorzien, het aantal slachtoffers dat wordt voorzien (ordegrootte) en een onderbouwing of deze sterfte een effect heeft op de gunstige staat van instandhouding (GSI) van de betrokken populaties.

Methode soortselectie Bij een windturbine sterven ieder jaar gemiddeld enkele tot tientallen vogels als gevolg van een aanvaring met de draaiende rotor. Deze slachtoffers behoren meestal tot verschillende vogelsoorten. Het opzettelijk doden van vogels is bij wet verboden (artikel 3.1 lid 1 Wet natuurbescherming). Voor ieder nieuw te bouwen windpark dient daarom voor de vogelsoorten waarvan sterfte in het geplande windpark voorzienbaar is, ontheffing aangevraagd te worden vanwege overtreding van deze verbodsbepaling. Sterfte is voorzienbaar als het aannemelijk is dat er jaarlijks een aanmerkelijke kans bestaat dat een of meer slachtoffers van de desbetreffende soort vallen. Bij de afweging of de sterfte van een soort in het geplande windpark voorzienbaar is spelen vier factoren een belangrijke rol: - de aanwezigheid van de soort in (de omgeving van) het plangebied; - de functie die het plangebied voor de soort vervult; - de omvang van het geplande windpark, en; - de gevoeligheid van de soort voor aanvaringen met windturbines. Met dit laatste wordt de combinatie van de morfologie (uiterlijke kenmerken) en het (vlieg)gedrag van een soort bedoeld, die van invloed is op de kans dat een vogel bij passage van een windpark of windturbine slachtoffer wordt van een aanvaring.

Vogelslachtoffers in een windpark kunnen betrekking hebben op ‘lokale vogels’ of op ‘trekvogels’, waarbij sommige soorten tot beide groepen kunnen behoren. Lokale vogels betreffen die vogels die in het plangebied broeden, overwinteren of anderszins gedurende langere tijd van het gebied gebruik maken. De trekvogels hebben geen specifieke relatie met het plangebied, maar vliegen één- of tweemaal per jaar over het plangebied wanneer zij onderweg zijn van hun broedgebieden in het noorden naar hun overwinteringsgebieden in het zuiden. Hiervoor hanteert Bureau Waardenburg de term seizoenstrek om onderscheid te maken met bijvoorbeeld dagelijkse slaaptrek.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

38

Opstellen soortenlijst voorzienbare sterfte Voor de samenstelling van de lijst met vogelsoorten waarvoor de sterfte in een gepland windpark voorzienbaar is, maakt Bureau Waardenburg gebruik van een gestandaardiseerde selectiemethodiek. Deze methodiek houdt rekening met de hiervoor besproken vier (hoofd)factoren die van invloed zijn op het aanvaringsrisico van vogelsoorten in het windpark en houdt tevens rekening met de twee groepen: lokale vogels en vogels op seizoenstrek. Dit onderscheid is van belang, omdat dit bepalend is voor de populatieomvang waaraan de voorziene sterfte wordt getoetst. Stap 1: Onderscheid in vogelsoorten die redelijkerwijs als aanvaringsslachtoffer in Nederland verwacht mogen worden en soorten waarvan in geen enkel windpark in Nederland slachtoffers voorzienbaar zijn. Deze eerste selectiestap heeft betrekking op zowel lokale vogels als vogels op seizoenstrek. 1.a – Input Nederlandse avifauna (521 soorten, per 1 januari 2019). 1.b Wegstrepen van 218 soorten die afgelopen 5 jaar gemiddeld 10x / jaar in Nederland zijn waargenomen4, zonder dat Nederland een onderdeel vormt van de functionele jaarcyclus fase. 1.c Wegstrepen van 32 zeldzame soorten die afgelopen 5 jaar gemiddeld <100x / jaar in Nederland zijn waargenomen1, waarvan het voorkomen zeer verspreid is over Nederland en zonder dat Nederland een onderdeel vormt van een functionele jaarcyclus fase.

Het resultaat van stap 1 is een lijst van 271 soorten (soorten 1a (521) minus soorten 1b (218) minus soorten 1c (32)) die talrijk genoeg zijn om redelijkerwijs ergens in Nederland aanvaringsslachtoffer te kunnen worden. Dit resultaat wordt ook genoemd de landelijke groslijst. Uit deze lijst met 271 vogelsoorten wordt vervolgens de soortenlijst voor het geplande windpark samengesteld. Voor ieder windpark betekent dit dat er nog een (groot) aantal soorten af zal vallen, afhankelijk van de locatie en omvang van het geplande windpark. De tweede en tevens laatste selectiestap bestaat uit twee delen (A en B) die samen resulteren in een lijst met soorten waarvoor geadviseerd wordt om ontheffing aan te vragen. Stap 2A heeft betrekking op de lokale vogels en stap 2B op de vogels op seizoenstrek. Sommige soorten zullen zowel na stap 2A als na stap 2B overblijven. Dat betekent dat bij deze soorten zowel onder lokale vogels als onder vogels op seizoenstrek sprake is van voorzienbare sterfte in het windpark. De sterfte van deze soorten wordt daarom zowel aan de omvang van de relevante lokale populatie(s) getoetst als aan de flyway-populatie, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar slachtofferaantallen onder lokale vogels (broedvogels of niet-broedvogels) en onder vogels op seizoenstrek.

4

Het aantal waarnemingen van een soort in Nederland is beschouwd als een goede afspiegeling van het daadwerkelijk voorkomen. Dus soorten met weinig waarnemingen zijn daadwerkelijk zeldzaam.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

39

Stap 2A: Selectie van vogelsoorten waarvan aanvaringsslachtoffers onder lokale vogels in de gebruiksfase van het windpark in het plangebied, voorzienbaar zijn. 2A.a – Input 2A.b

2A.c

Landelijke groslijst met 271 soorten (als resultaat van stap 1). Wegstrepen van soorten die de afgelopen 5 jaar niet of nauwelijks (gemiddeld 10 ex/jaar) in het plangebied aanwezig waren, omdat: - het soorten betreft die geen binding hebben met het habitattype(n) dat in het plangebied voorkomt (bijvoorbeeld zeevogels die niet of zelden boven land aanwezig zijn), of; - het soorten zijn die landelijk (zeer) schaars en verspreid voorkomen en hooguit incidenteel in het plangebied verblijven. Soorten die in deze stap worden weggestreept, komen in zulke lage aantallen in het plangebied voor dat slachtoffers in het geplande windpark niet voorzienbaar zijn. Wegstrepen van soorten die in het plangebied voorkomen, maar waarvan de kans op aanvaring zeer klein is, omdat: - het soorten zijn die (in de broedtijd) sterk aan een specifiek habitat gebonden zijn en niet op risicovolle hoogte rondvliegen, of: - het soorten zijn die buiten de broedtijd weinig risicovolle vliegbewegingen in relatie tot windparken kennen (bijvoorbeeld soorten die vrijwel uitsluitend op lage hoogte, onder het bereik van de rotoren, vliegen). Voor soorten die in deze stap worden weggestreept, is de aanvaringskans dermate klein dat sterfte in het geplande windpark niet voorzienbaar is.

Resultaat van stap 2A is een lijst met 5 soorten waarvan jaarlijkse sterfte onder lokale vogels (bijvoorbeeld broedvogels of wintervogels) gedurende de gebruiksfase van het geplande windpark voorzienbaar is. Stap 2B: Selectie van vogelsoorten waarvan aanvaringsslachtoffers onder vogels op seizoenstrek in de gebruiksfase van het windpark in het plangebied voorzienbaar zijn. Van de vogels die in het voorjaar en najaar over Nederland trekken, is in grote lijnen bekend welke routes ze volgen. Sommige vogels trekken in een breed front over ons land, andere soorten volgen vooral de kust of vliegen juist vooral over het oosten van ons land. Ook bestaat voor de meeste soorten een grof idee van de aantallen vogels die jaarlijks over ons land trekken. Voor sommige soorten gaat het om maximaal enkele honderden exemplaren, maar voor andere soorten kan het om miljoenen vogels gaan. Om de aanpak binnen deze selectiestap verder te standaardiseren is Nederland opgedeeld in vier regio’s (figuur B1). Voor ieder van deze regio’s is volgens onderstaand selectiecriterium (2B.b) bepaald van welke soorten bij exploitatie van een windpark in deze regio in de gebruiksfase van het windpark sterfte onder trekvogels voorzienbaar is. Om te bepalen hoeveel exemplaren van Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

40

een soort gemiddeld per jaar over de verschillende regio’s vliegen is gebruik gemaakt van het boek ‘Vogeltrek over Nederland’ (LWVT/SOVON 2002), aangevuld met informatie van trektellen.nl (telposten voor de dagtrek en ringstations voor de nachttrek). 2B.a – Input 2B.b

Landelijke groslijst (zie resultaat stap 1). Wegstrepen van soorten die de afgelopen 5 jaar niet of slechts in kleine aantallen (gemiddeld 1000 ex/jaar) op seizoenstrek over de desbetreffende regio gevlogen zijn, omdat: - het soorten zijn die überhaupt niet of nauwelijks (over Nederland) trekken, of; - het soorten zijn die hoofdzakelijk over andere delen van Nederland trekken (zie figuur 1). Soorten die in deze stap worden weggestreept trekken in zulke lage aantallen over de regio waarin het plangebied ligt of hebben een laag aanvaringsrisico (bijvoorbeeld vooral dagtrekkers, niet in grote groepen en/of zelden aangetroffen als slachtoffer in windparken) dat jaarlijkse slachtoffers in het geplande windpark niet voorzienbaar zijn.

Het resultaat van stap 2B is een lijst met 32 soorten waarvan jaarlijkse sterfte onder vogels op seizoenstrek in Windpark ELWM voorzienbaar is. Inschatten van de sterfte Voor iedere soort op de lijst wordt voor alle populaties waarvan sterfte van de desbetreffende soort wordt voorzien, een inschatting gemaakt van de omvang van de jaarlijkse sterfte in het windpark. In sommige gevallen zal voor één soort dus meerdere malen een inschatting gemaakt worden van de sterfte in het windpark om de effectbepaling op de relevante populatie te kunnen verrichten. Voor een windpark in agrarisch gebied zou voor bijvoorbeeld de kievit sterfte voorzienbaar kunnen zijn voor lokale broedvogels, voor lokaal overwinterende vogels en voor vogels op seizoenstrek. In dat geval wordt voor de kievit voor alle drie de populaties waarvan slachtoffers voorzien worden een inschatting van de jaarlijkse sterfte gemaakt; waarbij het totaal aantal slachtoffers op jaarbasis over deze drie groepen wordt verdeeld. Om eenduidigheid in de ontheffingsaanvragen te waarborgen, wordt de voorziene sterfte ingeschat in de volgende klassen: <1, 1-2, 3-6, 7-15, 16-50, 51-100, 101-300, >300 ex/jaar. Deze getallen betreffen de sterfte in het gehele windpark per hiervoor genoemde relevante populatie van die soort per jaar.

Voor het inschatten van de omvang van de sterfte is de talrijkheid en verspreiding van de soort in het plangebied van belang, evenals de functie die het plangebied voor de soort vervult. Daarnaast spelen ook de omvang, configuratie en locatie van het windpark een rol.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

41

Figuur B1

Indeling van Nederland in vier regio’s: Kust, West, Midden en Oost. Voor iedere regio is aan de hand van selectiestap 2B een standaardlijst samengesteld met vogelsoorten waarvan sterfte in een windpark in de desbetreffende regio’s onder trekkende exemplaren van die soort voorzienbaar is, omdat de soort in voldoende hoge aantallen over de regio trekt.

Soortenlijst voor de ontheffingsaanvraag De provincie Limburg spreekt van voorzienbare sterfte als jaarlijks één of meer slachtoffers van de betrokken soort in het windpark worden voorzien. Daarom wordt geadviseerd om alleen ontheffing aan te vragen voor de 37 soorten waarvoor één of meer slachtoffers per jaar worden voorzien.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

42

Vaststellen van de betrokken populatie(s) Voor de soorten op de lijst resulterend uit stap 2B (vogels op seizoenstrek) wordt de voorziene sterfte getoetst aan de omvang van de zogenoemde flyway-populatie. Dit betreft de populatie waartoe de vogels behoren die over Nederland trekken. Voor veel soorten is de precieze omvang van deze flyway-populatie niet bekend. In dat geval wordt een inschatting gemaakt van de minimale omvang van deze populatie, zodat met zekerheid een worst-case-scenario wordt getoetst (omdat een bepaalde sterfte voor een kleine populatie een groter effect heeft dan voor een grote populatie). Voor de soortenlijst als resultaat van stap 2A (lokale vogels) wordt nader bepaald aan welke populatie de voorzienbare sterfte getoetst dient te worden. Dit kan bijvoorbeeld de broedpopulatie zijn, maar ook de populatie overwinterende vogels of vogels die zich in de nazomer voorbereiden op de trek (beide laatstgenoemden vallen in de categorie nietbroedvogels). Voor sommige soorten kan in de loop van een jaar ook sprake zijn van sterfte onder vogels uit twee populaties (bijvoorbeeld de broedpopulatie en de winterpopulatie). Per soort wordt beoordeeld of er sprake is van een geïsoleerde, duidelijk te begrenzen lokale (broed)populatie. Wanneer dat niet het geval is wordt de sterfte getoetst aan de landelijke populatie.

Toetsen van het effect op de GSI 1%-mortaliteitsnorm Voor alle soorten (en alle betrokken populaties per soort) dient vervolgens het effect van de voorzienbare sterfte op de gunstige staat van instandhouding (GSI) van de betrokken populatie getoetst te worden. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de 1%-mortaliteitsnorm, wat gelijk staat aan 1% van de jaarlijkse sterfte van de betrokken populatie. Deze 1%mortaliteitsnorm wordt toegepast als een eerste ‘grove zeef’ (Steunpunt Natura 2000, 2010). Wanneer de voorziene sterfte onder deze 1%-mortaliteitsnorm blijft kan een effect op de GSI van de betrokken populatie met zekerheid uitgesloten worden. De ABRS acht dit een acceptabele werkwijze 5 . Wanneer de voorziene sterfte de 1%-mortaliteitsnorm overschrijdt is er niet per definitie sprake van een effect op de GSI van de betrokken populatie, maar dient het effect wel nader beschouwd te worden. De 1%-mortaliteitsnorm wordt als volgt berekend: 1%-mortaliteitsnorm (# vogels) = (jaarlijkse sterfte * omvang van de te toetsen populatie) * 0,01 Voor informatie over de jaarlijkse sterfte per soort wordt gebruik gemaakt van de website van de BTO (http://www.bto.org/about-birds/birdfacts), of van resultaten uit soort-specifiek onderzoek vastgelegd in (wetenschappelijke) artikelen of rapporten.

In de berekeningen wordt de sterfte van adulte vogels gebruikt, omdat hier meer over bekend is en omdat deze sterfte lager is dan die van juveniele vogels. Hierdoor valt de 1%-mortaliteitsnorm lager uit waardoor met zekerheid een worst-case-scenario wordt getoetst. Voor soorten waarvoor geen gegevens met betrekking tot de jaarlijkse sterfte beschikbaar zijn, wordt gebruik gemaakt van de gegevens van een (sterk) gelijkende soort.

5

Zie o.a. uitspraken ABRS van 1 april 2009 in zaaknr. 200801465/1/R2, van 29 december 2010 in zaaknr. 200908100/1, van 8 februari 2012 in zaaknr. 201100875/1/R2 en van 11 juli 2018 in zaaknr. 201608248/1/R6.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

43

Informatie over de omvang van de flyway-populaties is voor de watervogels afgeleid van de Waterbird Population Estimates uit 2012 (WPE5 zoals gepresenteerd op wpe.wetlands.org) en voor de overige soorten (voornamelijk roofvogels en zangvogels) uit het boek Birds in Europe: population estimates, trends and conservation status (Birdlife International 2004). De omvang van de landelijke (broed)vogelpopulaties is afgeleid uit de Vogelatlas (Sovon 2018) of van recentere tellingen uitgevoerd in het kader van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM; afgeleid van www.sovon.nl). Voor de omvang van een broedpopulatie wordt het aantal broedparen met twee vermenigvuldigd. Ook dit is weer een worst-case-scenario omdat op die manier geen rekening wordt gehouden met de jonge en/of niet-broedende vogels in een populatie.

Aanvaringsslachtoffers Windpark ELWM en effect op GSI Lokale vogels Op basis van verspreidingsgegevens, gebiedskenmerken en deskundigenoordeel is een inschatting gemaakt van de additionele sterfte onder lokale vogels. Onder 5 lokale vogelsoorten (stap 2A) worden jaarlijks één of meer slachtoffers voorzien in de gebruiksfase van de vier geplande windturbines op Energielandgoed Wells Meer. Voor deze vijf soorten blijft de sterfte onder de 1%-mortaliteitsnorm (getoetst aan de landelijke populatie). Dit betekent dat voor alle lokale soorten met binding met het plangebied geldt dat de sterfte veroorzaakt door Windpark ELWM gezien kan worden als een kleine hoeveelheid die niet zal leiden tot een negatief effect op de GSI van de desbetreffende populatie. Tabel B1

Voorziene jaarlijkse sterfte (schatting) onder lokale vogelsoorten volgens stap 2A (aantal exemplaren per jaar) in de gebruiksfase van Windpark ELWM met de bijbehorende 1%-mortaliteitsnorm van de totale landelijke populatie (Sovon.nl). Br = broedvogel, NBr = niet-broedvogel.

Soort

Br / NBr?

Populatiegrootte

1%-

Sterfte in VKA /

mortaliteitsnorm

jaar

Kolgans

NBr

925.000

2.553

1-2

Toendrarietgans

NBr

265.000

453

1-2

Kokmeeuw

NBr

400.000

400

3-6

Stormmeeuw

NBr

390.000

546

1-2

Houtduif

NBr

1.500.000

5.895

1-2

Seizoenstrek Onder 32 soorten op seizoenstrek (stap 2B) worden jaarlijks één of meer slachtoffers voorzien in de gebruiksfase van Windpark ELWM (tabel B2). Deze vogels passeren het plangebied tijdens seizoenstrek en hebben geen binding met (de omgeving van) het plangebied. Voor het merendeel van de soorten worden slechts enkele slachtoffers op jaarbasis voorzien in het gehele windpark. Na toetsing van de sterfte van deze soorten aan de relevante flyway-populaties blijkt dat voor geen van de soorten sprake is van voorzienbare sterfte die de 1%-mortaliteitsnorm overschrijdt (tabel B2). Dit betekent dat voor alle soorten op seizoenstrek geldt dat de sterfte veroorzaakt door Windpark ELWM gezien kan worden als een kleine hoeveelheid die niet zal leiden tot een negatief effect op de GSI van de desbetreffende populatie. Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

44

Tabel B2

Voorzienbare sterfte onder 32 soorten op seizoenstrek (stap 2B) voor Windpark ELWM, getoetst aan de 1%-mortaliteitsnorm voor alle relevante soorten (minimale populatiegrootte: 1 Wetlands International 2012, 2 Birdlife International 2004, 3 Sovon.nl, geschat maximale doortrek). Soort

Populatie-grootte

1%-mortaliteits-

Voorzien aantal

(in ex.)

norm

slachtoffers Jaarlijks

Grauwe Gans

610.0001

1.037

1-2

3

160.000

274

1-2

1.200.0001

3.312

1-2

Wilde Eend

1

4.500.000

16.785

1-2

Buizerd

1.000.0002

1.000

1-2

Holenduif

2

500.000

2.250

1-2

Houtduif

1.000.0002

3.930

3-6

Gierzwaluw

2

1.000.000

1.920

1-2

Waterhoen

2.700.0001

10.179

1-2

Meerkoet

1

1.750.000

5.233

1-2

Kievit

5.500.0001

16.225

1-2

Houtsnip

1

10.000.000

39.000

1-2

Watersnip

2.500.0001

9.750

1-2

Kokmeeuw

1

3.700.000

3.700

3-6

Goudhaan

1.000.0002

8.510

1-2

Veldleeuwerik

2

1.000.000

4.870

1-2

Boerenzwaluw

1.000.0002

6.260

1-2

Huiszwaluw

2

1.000.000

5.900

1-2

Tjiftjaf

1.000.0002

6.940

1-2

Spreeuw

2

1.000.000

3.130

3-6

Merel

1.000.0002

3.500

1-2

Kramsvogel

2

1.000.000

5.900

3-6

Zanglijster

1.000.0002

4.370

1-2

Koperwiek

2

1.000.000

5.700

3-6

Roodborst

1.000.0002

5.810

3-6

Heggenmus

2

1.000.000

5.270

1-2

Witte Kwikstaart

1.000.0002

5.150

1-2

Graspieper

2

1.000.000

4.570

1-2

Vink

1.000.0002

4.110

1-2

Keep

2

1.000.000

4.110

1-2

Kneu

1.000.0002

6.290

1-2

2

4.580

1-2

Toendrarietgans Kolgans

Rietgors

1.000.000

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

45

Cumulatie Anders dan het beschermingsregime onder de Wnb gebiedenbescherming, kent het beschermingsregime onder de Wnb soortenbescherming geen verplichting om seperaat cumulatie van een project met andere projecten inzichtelijk te maken. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft namelijk geoordeeld dat mogelijke cumulatieve effecten deel uitmaken van de staat van instandhouding van een soort. Dit volgt uit de begripsbepaling voor de staat van instandhouding in artikel 1.1 Wnb. Voor deze staat van instandhouding moet het effect van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort op het grondgebied, bedoeld in artikel 2 van de Habitatrichtlijn, worden vastgesteld. Gelet op deze begripsbepaling maken mogelijke cumulatieve effecten deel uit van de staat van instandhouding en worden in die zin bij het verlenen van een ontheffing betrokken. Aan de hand van het effect van de aangevraagde activiteit op de staat van instandhouding moet worden bepaald of ontheffing kan worden verleend.6,7

Conclusie Voor Windpark ELWM geldt dat voor de soorten op seizoenstrek sprake is van een voorzienbare sterfte die ruim beneden de 1%-mortaliteitsnorm ligt. Dit betekent dat voor alle 32 soorten geldt dat de additionele sterfte veroorzaakt door Windpark ELWM gezien kan worden als een kleine hoeveelheid die niet zal leiden tot een negatief effect op de GSI van de betrokken flyway-populaties. Voor de lokale soorten geldt ook dat de voorziene sterfte in Windpark ELWM onder de 1%mortaliteitsnorm blijft van de betrokken populaties. Dit betekent dat voor alle 5 lokale soorten, waarvoor sterfte in het windpark voorzienbaar is, geldt dat de additionele sterfte veroorzaakt door Windpark ELWM gezien kan worden als een kleine hoeveelheid die niet zal leiden tot een negatief effect op de GSI van de betrokken populaties.

6

ABRvS 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1160, ov. 16.2. Vergelijk hierbij ook ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:301, ov. 58, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat bij sterfte die ver onder de grens van de 1%-mortaliteitsnorm ligt uitgesloten kan worden geacht dat de sterfte in combinatie met andere windparken tot een verslechtering van de staat van instandhouding kan leiden. 7

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9609854/1