CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

8 Eindrapport natuur Wells Meer

Gemeenteraad 9 februari 2021, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling bestemmingsplan en MER en vervolg Energielandgoed Wells Meer;14.712 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Vervolgonderzoeken natuur Energielandgoed Wells Meer Veldonderzoek 2020 en onderbouwing Wnbontheffingsaanvraag

B.W.R. Engels L. Verhoek

Vervolgonderzoeken natuur Energielandgoed Wells Meer Veldonderzoek 2020 en onderbouwing Wnb-ontheffingsaanvraag B.W.R. (Bas) Engels & L. (Levi) Verhoek Status uitgave: Eindrapport Rapportnummer:

20-293

Projectnummer:

19-0065

Datum uitgave:

26 november 2020

Projectleider:

drs. H.A.M. Prinsen

Tweede lezers:

drs. C. Heunks, drs. D. Wansink

Naam en adres opdrachtgever:

Pondera Amsterdamseweg 13 6814 CM Arnhem

Referentie opdrachtgever:

Email Maarten Jaspers Faijer d.d. 19 februari 2020

Akkoord voor uitgave:

drs. C. Heunks

Paraaf:

Graag citeren als: Engels, B.W.R. & L. Verhoek, 2020. Vervolgonderzoeken natuur Energielandgoed Wells Meer. Veldonderzoek 2020 en onderbouwing Wnb-ontheffingsaanvraag. Rapportnummer 20-293. Bureau Waardenburg, Culemborg. Trefwoorden: windenergie, zonne-energie, biomassa, Natura 2000, NNN, VKA, veldonderzoek Bureau Waardenburg bv is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Bureau Waardenburg bv. Opdrachtgever hierboven aangegeven vrijwaart Bureau Waardenburg bv voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. © Bureau Waardenburg bv / Pondera Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, digitale kopie of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Bureau Waardenburg bv, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg bv is gecertificeerd door EIK Certificering overeenkomstig ISO 9001:2015.

Bureau Waardenburg bv hanteert als algemene voorwaarden de DNR 2011, tenzij schriftelijk anders wordt overeengekomen.

Bureau Waardenburg, Varkensmarkt 9 4101 CK Culemborg, 0345 51 27 10, info@buwa.nl, www.buwa.nl

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

2

Voorwoord De gemeente Bergen in Limburg heeft de doelstelling om in 2030 energieneutraal te zijn. Voor het behalen van deze ambitie is het programma VerduurSAMEN2030 gestart. Pondera onderzoekt namens de gemeente de mogelijkheden voor het ontwikkelen van Energielandgoed Wells Meer waarin meerdere vormen van grootschalige energieopwekking plaats kunnen vinden, namelijk zonne- en windenergie. De bouw en het gebruik van dit energielandgoed kunnen effecten hebben op beschermde soorten planten en dieren, beschermde natuurgebieden en Natuurnetwerk Nederland. In de natuurtoets (Engels 2020) is aan de hand van bronnenonderzoek bepaald wat effecten op beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden), beschermde soorten planten en dieren en op het NNN van de bouw en het gebruik van het Energielandgoed zullen zijn. In het voorjaar, zomer en herfst van 2020 is aanvullend veldonderzoek verricht om informatie te verzamelen over gebiedsgebruik door eventueel vleermuizen, das, nachtzwaluw en steenuil. Dit ter onderbouwing van een eventuele Wnb-vergunning en/of ontheffingsaanvraag voor het definitieve voorkeursmodel (VKM). In onderhavige rapportage zijn de resultaten van deze veldonderzoeken gepresenteerd en is een nadere onderbouwing gegeven ten behoeve van een Wnb-ontheffingsaanvraag. Aan de totstandkoming van dit rapport werkten mee: B.W.R. (Bas) Engels veldwerk, rapportage L.

(Levi) Verhoek veldwerk, rapportage D. (Dennis) Wansink tweede lezer H.A.M. (Hein) Prinsen projectleiding, eindredactie C. (Camiel) Heunks kwaliteitsborging Genoemde personen zijn door opleiding, werkervaring en zelfstudie gekwalificeerd voor de door hen uitgevoerde werkzaamheden. Het project is uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van Bureau Waardenburg. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg is ISO gecertificeerd. Vanuit Pondera werd de opdracht begeleid door Maarten Jaspers Faijer. Wij danken hem voor de prettige samenwerking. Disclaimer De studie betreft een beoordeling van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren. Deze beoordeling is gebaseerd op bronnenonderzoek, veldonderzoek en deskundigenoordeel. Veldonderzoek is altijd een momentopname. Bureau Waardenburg waarborgt dat het onderzoek is uitgevoerd door deskundige onderzoekers volgens de gangbare standaardmethoden. Het bureau is niet aansprakelijk voor waarnemingen van soorten door derden en waarnemingen die na afronding van de studie bekend worden gemaakt.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

3

Inhoud 1

2

3

4

Voorwoord

3

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

Materiaal en methoden

6

2.1

Veldonderzoek steenuil

6

2.2

Veldonderzoek jaarrond beschermde nesten en eekhoorn

7

2.3

Veldonderzoek das

7

2.4

Veldonderzoek nachtzwaluw

8

2.5

Veldonderzoek vleermuizen

9

Resultaten

11

3.1

Steenuil (en kerkuil)

11

3.2

Jaarrond beschermde nesten en eekhoorn

12

3.3

Das

13

3.4

Nachtzwaluw

16

3.5

Vleermuizen

17

Beschouwing VKMs

20

4.1

Inrichting en eigenschappen VKMs

20

4.2

Effecten VKM op ecologische aspecten

20

5

Conclusies

35

6

Literatuur

37

Bijlage 1 Onderbouwing Wnb-ontheffing vogels

38

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

4

1 Inleiding 1.1

Aanleiding De gemeente Bergen in Limburg heeft de doelstelling om in 2030 energieneutraal te zijn. Voor het behalen van deze ambitie is het programma VerduurSAMEN2030 gestart. Pondera onderzoekt namens de gemeente de mogelijkheden voor het ontwikkelen van Energielandgoed Wells Meer waarin meerdere vormen van grootschalige energieopwekking plaats kunnen vinden, namelijk zonne- en windenergie. De bouw en het gebruik van dit energielandgoed kunnen effecten hebben op beschermde soorten planten en dieren, beschermde natuurgebieden en Natuurnetwerk Nederland. In de natuurtoets (Engels 2020) is aan de hand van bronnenonderzoek bepaald wat effecten op beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden), beschermde soorten planten en dieren en op het NNN van de bouw en het gebruik van het Energielandgoed zullen zijn. In het voorjaar, zomer en herfst van 2020 is aanvullend veldonderzoek verricht om informatie te verzamelen over gebiedsgebruik door eventueel vleermuizen, das, nachtzwaluw en steenuil en aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogels en eekhoorn. Dit ter onderbouwing van een eventuele Wnb-vergunning en/of -ontheffingsaanvraag voor het definitieve voorkeursmodel (VKM). In onderhavige rapportage zijn de resultaten van deze veldonderzoeken gepresenteerd.

Daarnaast is een beschouwing gegeven van de drie VKMs, zoals beschreven in het MER, op basis van de resultaten van de veldonderzoeken. Tenslotte bevat deze rapportage ook de onderbouwing voor een Wnb-ontheffingsaanvraag.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

5

2 Materiaal en methoden In voorjaar, zomer en herfst van 2020 zijn aanvullende veldonderzoeken verricht om informatie te verzamelen over gebiedsgebruik door vleermuizen, das, nachtzwaluw en steenuil en de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogels en eekhoorn. Hieronder worden de gebruikte methoden toegelicht.

2.1

Veldonderzoek steenuil Het plangebied is in het voorjaar van 2020 op steenuilen geïnventariseerd, waarbij de nadruk lag op het vaststellen van nestlocaties en zo mogelijk het leefgebied behorende tot het territorium. Van de te amoveren woning op Wellsmeer 1a was het voorkomen van de steenuil uit 2013 reeds bekend. De nestlocatie en het functionele leefgebied van de steenuil zijn jaarrond beschermd in het kader van de Wnb. Het functionele leefgebied van de steenuil is beperkt tot de directe omgeving rond de nestlocatie en beslaat, afhankelijk van de kwaliteit van het leefgebied, 12-30 ha. Dit betekent dat mogelijk een deel van het leefgebied van de steenuil verloren gaat door de aanleg van zonnevelden. De belangrijkste vraag is dan ook of voldoende functioneel leefgebied resteert, zodat de functionaliteit van de nestplek niet in het gedrang komt. Hiervoor is het noodzakelijk inzicht te hebben of ook andere steenuilen in het gebied aanwezig zijn, die mogelijk de uitwijkmogelijkheden voor een steenuil broedpaar binnen het Energielandgoed beperken, en of voldoende leefgebied beschikbaar blijft voor een dergelijk broedpaar na realisatie van het Energielandgoed. Alleen dan vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb plaats. Het te inventariseren gebied is drie keer ’s avonds bezocht: tweede helft maart 2020, begin 2020 en tweede helft april 2020 (zie tabel 2.1).

De drie avondbezoeken waren gericht op het vaststellen van territoria en zo mogelijk van de broedlocaties. De drie inventarisatieronden zijn gestart rond zonsondergang. De inventarisatie heeft vanaf de openbare weg plaatsgevonden. Bij de inventarisatie werd gebruik gemaakt van een geluidsdrager, waarmee de territoriumroep van de steenuil is afgedraaid. Hierbij is de procedure gehanteerd, zoals door Steenuilonderzoek Nederland (STONE) wordt voorgesteld. Dit komt erop neer dat 10 keer de roep van de steenuil wordt afgedraaid. Vervolgens wordt een minuut gewacht. Indien geen reactie van een steenuil is, wordt deze procedure nog twee keer herhaald. Hierna wordt op een volgende plek de procedure herhaald. Tabel 2.1

De drie bezoeken aan het plangebied van Energielandgoed Wells Meer voor het meten van aanwezigheid van steenuil.

Ronde

Datum

Tijd

1

19 maart 2020

18:50 – 20:50

2

1 april 2020

20:15 – 22:15

3

20 april 2020

20:45 – 22:45

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

6

Roepende vogels zijn op kaart ingetekend, waarbij ook is genoteerd of sprake is van uitsluitende waarnemingen (twee mannen die tegen elkaar roepen), omdat dit de zekerheid biedt dat het om meerdere territoria gaat. Na de drie inventarisatieronden zijn de waarnemingen geclusterd tot territoria, waarbij zo mogelijk een indicatie is gegeven van de broedlocatie. Op basis van het aantal broedparen, de ligging van de zonnevelden en de kenmerken van het gebied direct rond de erven kan worden beoordeeld of het Energielandgoed van invloed is op het functionele leefgebied van steenuilen en of dit van invloed is op het gebruik van jaarrond beschermde rust- en verblijfplaatsen van de steenuil. Indien het Energielandgoed negatieve effecten kan hebben op het functionele leefgebied en/of de jaarrond beschermde rust- en verblijfplaats van de steenuil aantast, wordt aangegeven welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn en of hiermee de negatieve effecten voorkomen kunnen worden.

2.2

Veldonderzoek jaarrond beschermde nesten en eekhoorn Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (met name roofvogels zoals buizerd, havik en boomvalk, maar ook huismus) is het plangebied driemaal onderzocht of en waar dergelijke nesten zich in het plangebied bevinden. In maart 2020 vond een eerste onderzoek plaats op het moment dat nog geen blad aan de bomen aanwezig was. Alle aanwezige nesten in bomen binnen het plangebied zijn in kaart gebracht, inclusief mogelijke nesten van eekhoorn. Alle gekarteerde nesten zijn in het broedseizoen daarna éénmaal in eerste helft mei en éénmaal begin juni (voor late vestiging door o.a. boomvalk) gecontroleerd of ze in gebruik zijn (zie tabel 2.2.). Voor eekhoorn gebeurde dit door middel van observatie rond zonsondergang. Tabel 2.2

2.3

De drie bezoeken aan het plangebied van Energielandgoed Wells Meer voor het meten van broedactiviteit van soorten met een jaarrond beschermd nest.

Ronde

Datum

1

17 maart 2020

2

13 mei 2020

3

4 juni 2020

Veldonderzoek das Aan de zuidrand van het plangebied en in het bos in de noordwesthoek van het plangebied, zijn in het recente verleden meerdere dassenburchten aangetroffen. Om het actuele gebruik van de burchten en gebiedsgebruik door de das in kaart te brengen is een terreininventarisatie uitgevoerd gericht op de aanwezigheid van burchten, wissels en latrines. De burchten die mogelijk een relatie hebben met de delen van het plangebied waar zonnevelden worden voorzien, zijn in het voortplantingsseizoen (mei t/m juli) met behulp van sporenonderzoek en wildcamera’s gemonitord. Op deze manier kan worden vastgesteld of de burchten gebruikt worden als kraamburcht en door hoeveel dieren de burchten gebruikt worden. In totaal zijn op 2 juni 2020 drie camera’s van het type Bushnell aan bomen gehangen gericht op wissels of holen. Na twee weken (16 juni 2020) zijn de

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

7

batterijen en geheugenkaartjes verwisseld. Bij dit bezoek zijn twee camera’s anders gepositioneerd om duidelijkere beelden te verzamelen. Op 23 juni 2020 zijn de camera’s opgehaald en de beelden geanalyseerd. Bij alle bezoeken is ook aandacht besteed aan sporen (zoals wissels, latrines en nestmateriaal) in de omgeving van de burcht(en).

2.4

Veldonderzoek nachtzwaluw Om aanwezigheid en het nachtelijk gebiedsgebruik van nachtzwaluw in het plangebied vast te stellen zijn op drie locaties in het plangebied eind mei 2020 automatische opnameapparatuur (AudioMoth) geplaatst (zie figuur 2.1 en 2.2). Deze kleine ‘luisterkastjes’ registreren volgens een vooraf ingesteld schema elke nacht de geluiden tot op circa 500 m afstand. Na twee weken (in verband met batterijduur) zijn de AudioMoths opgehaald en de opnamen geanalyseerd en is bepaald of en waar nachtzwaluwen ’s nachts actief waren. In de tweede helft juni is éénmalig nog een aanvullend veldbezoek uitgevoerd door een onderzoeker om eventuele nachtelijke activiteit van nachtzwaluwen in het plangebied in meer detail in kaart te brengen.

Figuur 2.1

De drie locaties van de AudioMoths in het plangebied van Energielandgoed Wells Meer.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

8

Figuur 2.2

2.5

AudioMoth (opnameapparatuur) bevestigd aan een boom in het noordwestelijke deel van het plangebied van Energielandgoed Wells Meer.

Veldonderzoek vleermuizen Het veldonderzoek vleermuizen is uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2017. In totaal zijn negen bezoeken uitgevoerd. Al deze bezoeken zijn uitgevoerd onder gunstige weersomstandigheden. Van de negen bezoeken zijn er vier uitgevoerd met een batlogger ter bepaling van het soortenspectrum (zie tabel 2.3 voor een overzicht van de datums en omstandigheden). De andere vijf bezoeken zijn uitgevoerd met een batdetector (Petterson D240x) en Edirol opnameapparatuur (zie tabel 2.4 voor een overzicht van de datums en omstandigheden). Van deze vijf bezoeken hebben er drie plaatsgevonden in het voorjaar voor het vaststellen van kraamverblijven en twee in het najaar voor het vaststellen van paarverblijven. Aangezien in het plangebied geen geschikte gebouwen aanwezig zijn voor massawinterverblijven, zijn geen middernachtzwerm rondes uitgevoerd. Tabel 2.3

Datum

Datums en omstandigheden van de uitgevoerde vleermuisrondes met behulp van een batlogger Start- & eindtijd

Tijd zon

Weersomstandigheden

op/onder

Dagen tussen eerdere (vergelijkbare) ronde

06-07-2020

22:10 – 0:10

22:00

13 °C, 3/8 bewolkt, 2 Bft

n.v.t.

05-08-2020

21:15 – 23:15

21:22

17 °C, 1/8 bewolkt, 1 Bft

30

27-08-2020

20:35 – 22:35

20:37

17 °C, 8/8 bewolkt, 1 Bft

22

17-09-2020

19:55 – 22:05

20:05

14 °C, 8/8 bewolkt, 2 Bft

21

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

9

Tabel 2.4

Datums en omstandigheden van de uitgevoerde vleermuisrondes met behulp van een batdetector

Datum

Start- & eindtijd

Tijd zon

Weersomstandigheden

23-06-2020

3:00 – 5:00

5:19

12 °C, onbewolkt, 1 Bft

n.v.t.

10-07-2020

21:55 – 0:00

21:58

14 °C, 4/8 bewolkt, 1 Bft

n.v.t.

16-07-2020

3:30 – 5:30

5:39

14 °C, 8/8 bewolkt, 1 Bft

23

10-09-2020

21:15 – 23:15

20:05

10 °C, onbewolkt, 1 Bft

n.v.t.

30-09-2020

21:00 – 23:00

19:18

16 °C, 5/8 bewolkt, 2 Bft

20

op/onder

Dagen tussen eerdere (vergelijkbare) ronde

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

10

3 Resultaten 3.1

Steenuil (en kerkuil) Het plangebied van Energielandgoed Wells Meer is in het voorjaar van 2020 driemaal bezocht om de aanwezigheid van steenuil vast te stellen. Hierbij zijn acht locaties in het plangebied voorafgaande aan het onderzoek geselecteerd om activiteit van steenuil vast te stellen (zie figuur 3.1). Tijdens de eerste ronde zijn geen steenuilen op deze locaties waargenomen. Echter, op de locatie bij Wellsmeer 1a kwam na het afspelen van het geluid wel meerdere reacties van alarmerende merels en winterkoning. Dit heeft mogelijk als oorzaak gehad dat een steenuil zich heeft bewogen bij het horen van het geluid, maar heeft geen reactie van de steenuil zelf gegeven. Tijdens de tweede en derde ronde is bij een uilenkast aan de noordrand van het perceel op Wellsmeer 1a een paartje steenuilen vastgesteld die fanatiek reageerden op het geluid. Daarnaast is tijdens meerdere vleermuisronden in de zomer en herfst hetzelfde paartje steenuilen vastgesteld rondom de open schuur en grotere panden van Wellsmeer 1a.

Figuur 3.1

De acht locaties waar activiteit van steenuil is geprobeerd vast te stellen. De groene stip geeft de locatie van het steenuilpaar bij de schuur op Wellsmeer 1a weer.

Naast steenuil is in de grote centrale schuur midden op het terrein van Wellsmeer 1a een kerkuil vastgesteld. De kerkuil werd tijdens het derde bezoek regelmatig roepend gehoord en bevond zich voornamelijk op de richels in de schuur. Er is geen kerkuilenkast in deze schuur aanwezig, maar het kon tijdens de bezoeken niet worden uitgesloten dat de kerkuil de schuur als nestplaats gebruikt.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

11

3.2

Jaarrond beschermde nesten en eekhoorn Tijdens het eerste bezoek in maart zijn in totaal 21 (oude) nesten gelokaliseerd die mogelijk behoorden tot vogelsoorten waarvan het nest jaarrond beschermd is. Van deze nesten waren 11 nesten waarschijnlijk van een buizerd, en drie mogelijk van een boomvalk. Tijdens het vervolgonderzoek is bij vijf nesten daadwerkelijk broedactiviteit vastgesteld: 3x buizerd, 1x havik en 1x torenvalk (figuur 3.2). De overige eerder aangetroffen nesten waren in 2020 dus niet in gebruik. Daarnaast bevinden zich in het woonhuis op Wellsmeer 1a vijf nesten van huismus (figuur 3.2). De meeste nesten bevonden zich aan de rand van het plangebied. In de bosschages en bomenlanen rondom de woning en schuren van Wellsmeer 1a bevonden zich een actief nest van buizerd en torenvalk en een niet bewoond roofvogelnest. Gedurende de drie bezoeken aan het plangebied zijn geen potentiele broedlocaties voor eekhoorn vastgesteld.

Figuur 3.2

Locaties met (mogelijk) jaarrond beschermde nesten in het plangebied van Energielandgoed Wells Meer. De groen gekleurde symbolen geven broedactiviteit in het voorjaar van 2020 weer. Bij nesten met grijze symbolen is in 2020 geen activiteit vastgesteld, soortnamen van deze nesten zijn indicatief (deskundigenoordeel) op basis van nestomvang en typologie.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

12

3.3

Das In het plangebied bevinden zich meerdere (dassen)burchten. In figuur 3.5 is schematisch weergegeven waar zich burchten bevinden en wat de huidige gebruiksstatus van deze burchten is. Alle dassenactiviteit concentreert zich in het zuidwesten van het plangebied (zie figuur 3.3), in het noordwesten van het plangebied is geen dassenactiviteit aangetroffen.

Figuur 3.3

Locatie van kraamburcht en bijburcht in het zuidwestelijke deel van het plangebied van Energielandgoed Wells Meer.

De gebruiksstatus van de burchten is gebaseerd op sporenonderzoek, zoals haren, nestmateriaal, mestputjes en pootafdrukken. Op basis hiervan is met camera’s onderzocht wat de populatiegrootte en functie van de burchten is. Het gebruik en de functie van een dassenburcht kan van jaar tot jaar en zelfs binnen een jaar wijzigen. Los van de huidige status kunnen alle aangetroffen burchten dus gezien worden als vaste rust- en verblijfsplaats. Deze zijn beschermd conform artikel 3.10 lid 1 van de Wnb. Aantasting of verstoring van de burcht is derhalve een overtreding van dit artikel en ontheffingsplichtig. Binnen de directe omgeving zijn voor zover bekend geen alternatieve verblijfplaatsen aanwezig. Ten tijde van het onderzoek waren twee burchten actief in gebruik (figuur 3.5). Het betrof hier een bijburcht, waar waarschijnlijk een mannetje verbleef, en een kraamburcht waar minimaal een vrouwtje en 2 jonge dieren verbleven. De akkers en weilanden in het plangebied vormen geschikt foerageergebied voor het bulkvoedsel (wormen en emelten) van de das. De meeste wissels vanuit de burchten lopen naar het noorden, noordwesten en oosten. Voor een groot deel van de voedselvoorziening zijn zij dus afhankelijk van het plangebied.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

13

Figuur 3.4

Een van de vele verzamelde cameraval beelden op de locatie van de kraam- en bijburcht. Op de afbeelding is een adult en twee jongen te zien.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

14

Figuur 3.5

Locaties van dassenburchten en de status hiervan in het plangebied van Energielandgoed Wells Meer.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

15

3.4

Nachtzwaluw Op drie locaties in het plangebied van Energielandgoed Wells Meer zijn kleine opnameapparaatjes (AudioMoth) geplaatst om activiteit van nachtzwaluw vast te stellen. Uit de analyse van de opnames blijkt dat geen balts- en vluchtroepen van nachtzwaluw zijn vastgesteld in het plangebied tussen 27 mei en 11 juni 2020. Ook tijdens het avondbezoek op 6 juli 2020 zijn geen balts- en/of vluchtroepen gehoord en zijn geen visuele waarnemingen van de soort gedaan. Hierdoor kan gesteld worden dat nachtzwaluwen geen gebruik maken van het plangebied als broedgebied en in het broedseizoen hooguit slechts sporadisch als foerageergebied. Tijdens twee vleermuisronden op 27 augustus en 17 september 2020 zijn wel 1-2 nachtzwaluwen foeragerend in het plangebied vastgesteld (figuur 3.6). De vogels zaten op het meest zuidelijke zandpad dat parallel aan de Veenweg loopt; ca. 150 meter ten noordwesten en 100 meter ten zuidoosten van de aanwezige houten schuur. De nachtzwaluwen vlogen op van het zandpad, scheerden laag over de akkers (voornamelijk) ten zuiden van het zandpad en richting de bosrand en landden uiteindelijk op dezelfde plek op het zandpad. Dit gedrag is meerdere malen vastgesteld gedurende de avond van 27 augustus en éénmalig op 17 september 2020. De vlieghoogte van deze foerageervluchten kwam niet hoger dan circa 20 m.

Figuur 3.6

De locaties waar visuele waarnemingen van nachtzwaluw zijn gedaan in het plangebied van Energielandgoed Wells Meer.

De aanwezigheid van deze nachtzwaluwen geeft aan dat de soort gebruik maakt van het plangebied als foerageergebied. Het gaat hoogstwaarschijnlijk om lokale broedvogels (adult en/of juveniel) van het Natura 2000-gebied Maasduinen die na het broedseizoen de bosranden en aangrenzende agrarische percelen benutten.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

16

3.5

Vleermuizen Zomerverblijfplaatsen In een oud schuurtje aan de zuidzijde van het plangebied (figuur 3.8) bevindt zich een zomerverblijfplaats van een enkele gewone dwergvleermuis. In de overige gebouwen zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. Deze gebouwen hebben hier echter wel potentie voor. Paarverblijven Bij alle drie de locaties met bebouwing langs de ‘Wellsmeer’ is baltsactiviteit van gewone dwergvleermuis waargenomen (zie figuur 3.8). Het is aannemelijk dat het hier gaat om afzonderlijke baltsterritoria, waarvan het paarverblijf zich in de bebouwing bevindt. In het noorden en zuiden gaat het om een schuur, in het midden is het een boerderij met meerdere schuren en bijgebouwen. Op deze laatste locatie is ruimte voor minimaal twee paarverblijven, op de eerdergenoemde locaties bevindt zich maximaal één paarverblijf. In totaal gaat het dus om minimaal vier paarverblijven. Foerageergebieden Het gehele plangebied wordt gebruikt door gewone dwergvleermuis om te foerageren. Verder wordt in het oosten van het plangebied gefoerageerd door ruige dwergvleermuis en is éénmalig en kleine dwergvleermuis waargenomen. Daarnaast zijn enkele exemplaren van grootoorvleermuis spec. foeragerend waargenomen op verschillende plekken in het plangebied, evenals een enkele Myotis spec (meer- of watervleermuis).

Het midden van het plangebied wordt veel gebruikt door rosse vleermuis, terwijl langs de randen de laatvlieger meer actief is. In de noordoosthoek van het plangebied en in het zuidwesten is een bosvleermuis waargenomen (figuur 3.9 t/m 3.11).

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

17

Figuur 3.8

Waarnemingen van gewone dwergvleermuis in het plangebied Energielandgoed Wells Meer, inclusief de afgelegde onderzoeksroute.

Figuur 3.9

Waarnemingen van grootoorvleermuis spec. en Myotis spec. in het plangebied van Energielandgoed Wells Meer, inclusief de afgelegde onderzoeksroute.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

van

18

Figuur 3.10

Waarnemingen van Nyctaloide vleermuizen in het plangebied Energielandgoed Wells Meer, inclusief de afgelegde onderzoeksroute.

van

Figuur 3.11

Waarnemingen van overige dwergvleermuizen in het plangebied Energielandgoed Wells Meer, inclusief de afgelegde onderzoeksroute.

van

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

19

4 Beschouwing VKMs Het voorkeursmodel (VKM) is vastgesteld, maar in het MER worden nog drie varianten binnen dit VKM beschreven. Dit heeft voornamelijk te maken met de positionering van de vier windturbines (zie hieronder). In de bepaling en beoordeling van de effecten van het VKM op natuur op basis van de verzamelde gegevens uit voorgaande hoofdstukken, is uitgegaan van een maximumeffect scenario (laagste ashoogte en grootste rotordiameter) van het VKM. Voor aanvullende achtergrondinformatie over de inhoud van de bepaling en beoordeling van effecten, alsook de toetsing van drie eerdere inrichtingsmodellen, wordt verwezen naar de natuurtoets (Engels 2020).

4.1

Inrichting en eigenschappen VKMs Het VKM betreft de aanleg en het gebruik van vier windturbines, opgesteld in een lijn of carré opstelling binnen het plangebied (zie het MER). De carré opstelling heeft tevens een grote en een kleine variant met minimale en maximale afmetingen. De windturbines zullen een ashoogte hebben van (minimaal en maximaal) 130 – 165 meter en een rotordiameter van (minimaal en maximaal) 130 – 170 meter (zie tabel 4.1). Tabel 4.1

Afmetingen voor drie VKMs voor Energielandgoed Wells Meer zoals beschreven in het MER. Rotordiameter

Tiphoogte

(m)

(m)

(m +NAP)

130 – 165

130 - 170

195 - 250

VKM 2a (klein carré)

130

130

195

VKM 2b (groot carré)

130 – 165

130 - 170

195 - 250

VKM 1 (lijn)

4.2

Ashoogte

Effecten VKM op ecologische aspecten De drie varianten van het VKM zijn onderling niet of nauwelijks onderscheidend als het gaat over effecten op natuur; dit is in de natuurtoets (Engels 2020) ook al geconcludeerd. De resultaten van de veldonderzoeken van het voorjaar, zomer en najaar 2020 zijn hieronder in beschouwing genomen t.o.v. deze VKMs. Als de varianten wel onderscheidend zijn op basis van de resultaten van de veldonderzoeken, dan staat is dit expliciet vermeld.

4.2.1

Steenuil Nabij de woning en schuren van Wellsmeer 1a is een paartje steenuilen vastgesteld. Het nest van de steenuil is jaarrond beschermd, inclusief het bijbehorende functionele leefgebied, middels het onderdeel soortenbescherming van de Wnb. Dit betekent dat bij iedere voorgenomen ontwikkeling bekeken moet worden of de nestplaats en het bijbehorende functionele leefgebied niet negatief beïnvloed worden en of de functionaliteit behouden blijft. Gezien de geplande ontwikkelingen (zonnevelden, energieboulevard,

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

20

bezoekerscentrum, windturbines) op of in de buurt van de nestlocatie is het wenselijk dat de cumulatie van effecten op het broedpaar steenuil in beeld wordt gebracht om enerzijds de steenuil op het toekomstige Energielandgoed duurzaam te kunnen behouden en anderzijds ruimte te bieden aan ontwikkelingen en andere activiteiten. Korte karakteristiek ecologie steenuil De steenuil is een kleine, 21 tot 23 cm grote uil. De steenuil heeft brede, afgeronde vleugels en vliegt meestal korte afstanden in een kenmerkende, lage, golvende vlucht. De steenuil is in Nederland een soort van het kleinschalig landschap, waarbij hij vaak in de directe nabijheid van mensen verblijft. Naar schatting zijn er 7.500-8.500 broedparen in Nederland. De steenuil staat op de Rode Lijst van kwetsbare en bedreigde vogelsoorten vanwege de sterke achteruitgang sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen de populatie nog op 25.000 paren werd geschat. Het zwaartepunt van de verspreiding van de steenuil ligt op de zandgronden in het oosten en midden van ons land, het rivierengebied en in Limburg. Het leefgebied van de steenuil beperkt zich tot ongeveer 300 m rond de broedplek. Dit betekent dat er voldoende afwisseling op korte afstand van elkaar moet zijn: een kleinschalig landschap. Steden, bossen, grote wateren maar ook grote percelen cultuurland worden door de steenuil gemeden.

In het verleden werd veel gebroed in oude fruitbomen, notenbomen of knotbomen, maar met het verdwijnen van de hoogstamboomgaarden en knotwilgen is de steenuil meer op boerenerven terug te vinden, waar onder de pannen van schuurtjes wordt gebroed. Ook wordt tegenwoordig veel in speciaal voor de steenuilen opgehangen nestkasten gebroed. Als de steenuilen eenmaal een territorium gevestigd hebben, blijven ze hier het gehele jaar, waarbij man en vrouw een vaste band hebben. Wisseling van partner vindt meestal plaats na verlies van een partner, soms verhuisd één van de partners naar een beter territorium. De jongen vestigen zich meestal op korte afstand van het ouderlijk territorium, meestal niet meer dan 10 km, maar er zijn uitzonderingen van 100 km of meer. Maatregelen ten gunste van de steenuil richten zich op het aanbieden van broedplekken, voedsel en veiligheid. Broedplekken zijn gemakkelijk beschikbaar te stellen in de vorm van nestkasten, die op een goede en veilige plek moeten worden opgehangen. Niet naast een drukke verkeersweg of op een plek met veel loslopende honden en katten. Voedsel moet zowel aanwezig zijn als goed vangbaar. Veel afwisseling en geschikte plekken om vanaf te jagen in de vorm van rasterpaaltjes en een vegetatie bestaande uit afwisselend korte en lange delen, waar muizen gevangen kunnen worden, zijn belangrijk.

Daarnaast worden regenwormen, meikevers, larven, rupsen, nachtvlinders, kevers genuttigd. In muizenarme jaren worden ook regelmatig jonge vogels gepakt en veel regenwormen. Vijanden van de steenuil zijn de bosuil en de steenmarter. De steenuil moet zich veilig kunnen terugtrekken. Indien één van beide predatoren op een erf aanwezig is, verdwijnt de steenuil vaak na enige tijd. Duurzame toekomst op het Energielandgoed Binnen het bestaande territorium op Wellsmeer 1a moet het beheer erop gericht zijn dit territorium duurzaam te behouden. Door gericht beheer en inrichting kan dit leefgebied

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

21

voldoende duurzaam beheerd worden, zodat het door de steenuil gewenste kleinschalige landschap met hagen en een afwisseling van kort en lang gras aanwezig is. Binnen de levenscyclus van de steenuil kunnen meerdere bottlenecks worden aangewezen. In de broedperiode is het belangrijk dat direct rond de broedlocatie voldoende voedsel beschikbaar en bereikbaar is: het gras moet voldoende open en kort zijn. In de broedtijd worden de meeste prooien binnen 100 m van de nestholte gevangen. Dit betekent dat binnen die 100 m van Wellsmeer 1a een grote afwisseling van habitats aanwezig moet zijn: graslandjes, ruige randjes, moestuinen, bermen, overhoekjes, slootkanten etc. Daarom zijn boerenerven, met kleine weilanden voor huisstaldieren zo belangrijk: veel afwisseling op korte afstand. Locaties zijn vaak aantrekkelijk voor steenuilen indien landbouwhuisdieren aanwezig zijn, omdat muizen op het voer voor deze huisdieren afkomen. Hierbij kan gedacht worden aan een manege op het Energielandgoed of aan een kinderboerderij. In de wintermaanden foerageert de steenuil veel op muizen, omdat andere prooien (insecten, larven, regenwormen) dan niet of weinig beschikbaar zijn. Muizen zijn in de wintermaanden beschikbaar indien habitat voor muizensoorten aanwezig is. Zorg daarom bij de inrichting van de omgeving van Wellsmeer 1a voor afwisseling en verschillen in vegetatiehoogte.

Tenslotte dienen voor de steenuilen veilige broedplekken aanwezig te zijn in de vorm van nestkasten of natuurlijke holten. Natuurlijke holten zijn rond Wellsmeer 1a niet of nauwelijks beschikbaar vanwege het zo goed als ontbreken en/of de nog jonge leeftijd van de aanwezige bomen. Veilige broedplekken rondom erven zijn marterveilige steenuilnestkasten, waarbij door een martersluis het voor marters onmogelijk wordt gemaakt om de kasten te betreden. De kasten moeten zo geplaats worden dat jongen via een tak de kast kunnen verlaten en weer terugkeren. Anders komen ze op de grond terecht, waar ze gemakkelijk ten prooi kunnen vallen aan natuurlijke predatoren of aan honden en katten. Rond augustus-september worden de jonge steenuilen uit het ouderlijk territorium verdreven. Voor deze jongen dient binnen het Energielandgoed en/of in de omgeving leefgebied beschikbaar te zijn, zodat ze niet veel gaan zwerven en slachtoffer van het verkeer kunnen worden.

4.2.2

Jaarrond beschermde nesten en eekhoorn Indien werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van het Energielandgoed plaatsvinden in het broedseizoen, kan niet op voorhand worden uitgesloten dat verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1 lid 2 van de Wnb worden overtreden. Deze overtreding van verbodsbepalingen kan voorkomen worden door: - Werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen (maart t/m half augustus); - Indien toch moet worden gewerkt binnen het broedseizoen: o Een deskundige ecoloog in te schakelen voorafgaand aan de werkzaamheden om te verzekeren dat geen in gebruik zijnde nesten worden vernietigd of beschadigd; o Voor aanvang van het broedseizoen het plangebied ongeschikt te maken voor broedvogels; o Voor aanvang van het broedseizoen het plangebied structureel te verstoren, om vestiging van broedende vogels te voorkomen.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

22

In het plangebied van Energielandgoed Wells Meer zijn in het broedseizoen van 2020 meerdere nesten aangetroffen van soorten waarvan het nest jaarrond bescherming geniet. Het gaat hierbij om de volgende soorten: buizerd, havik, torenvalk, huismus en steenuil. Kerkuil is wel aangetroffen in een schuur op Wellsmeer 1a, maar het is niet zeker dat zich hier ook een nest bevindt. Daarnaast zijn nog meerdere nesten aangetroffen die mogelijk in het verleden door boomvalk zijn gebruikt, maar deze waren in het broedseizoen van 2020 niet in gebruik. Steenuil is hiervoor al apart behandeld en zal in deze paragraaf buiten beschouwing worden gelaten. Aantasting functioneel leefgebied Het plangebied maakt deel uit van het leefgebied van in ieder geval buizerd, havik, torenvalk en huismus. Hoewel binnen het plangebied een aanzienlijk oppervlak (circa 264 ha) wordt ingenomen door zonnevelden, wordt ongeveer een 1/3e hiervan ontwikkeld als extensief zonnepark met natuurontwikkeling (zie figuur 17.2 in het MER), met name in de westelijke helft van het plangebied. Daarnaast vindt in het zuiden van het plangebied, rondom de Molenbeek, natte natuurontwikkeling plaats. Dit betekent voor voornoemde soorten dat per saldo de kwaliteit van het leefgebied niet wezenlijk afneemt of zelfs verbetert.

De huismus zal bijvoorbeeld profiteren van de landschappelijke herinrichting (kleinschalig habitat met veel kruiden en verschillende vegetaties) direct rondom de nestplaats op Welssmeer 1a, zoals hiervoor beschreven bij de steenuil. Het oppervlaktebeslag van de windturbines ten opzichte van de (grote) actieradius van de soorten is dusdanig klein dat van aantasting van het functionele leefgebied van deze soort geen sprake is. Verstoring door windturbines Naast aantasting van het functionele leefgebied kunnen de soorten op hun nest worden verstoord door de aanwezigheid van de windturbines. Om vast te stellen of sprake is van dergelijke verstoring, is de nabijheid van de windturbine en de verstoringsgevoeligheid van de soort van belang. De nesten van jaarrond beschermde soorten op het erf van Wellsmeer 1a bevinden zich binnen een straal van 200 meter van een geplande windturbine (in dit geval turbine 2 (van links) in VKM 1). Het gaat hierbij om een nest van een buizerd, torenvalk, meerdere huismussen, steenuil en mogelijk kerkuil. Ook enkele niet actieve nesten bevinden zich binnen de 200 meter zone nabij de meest oostelijke turbine in VKM 1. Om te voorkomen dat verstoring plaatsvindt van broedende vogels dient rekening te worden gehouden met een verstoringsafstand.

Het ongestoord laten van voldoende ruimte rondom nesten die in gebruik zijn gedurende het broedseizoen is hier van belang. De verstoringsafstand van een broedende buizerd bedraagt 75 meter bij de meeste activiteiten die onder ruimtelijke inrichting of ontwikkeling vallen (BIJ12, 2017a). De andere voornoemde broedvogelsoorten zijn meer aan bebouwing gebonden of, in het geval van torenvalk, worden in het buitengebied veelvuldig nabij bebouwing nestelend aangetroffen en zijn derhalve minder verstoringsgevoelig. Voor deze soorten is hier een verstoringsafstand van maximaal 50 meter gehanteerd, conform bekend uit onderzoeken in windparken elders in NW-Europa (zie overzicht in bijlage 2 van de natuurtoets, Engels 2020). De afstand van de geplande windturbines tot jaarrond beschermde nesten, die in

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

23

2020 in gebruik waren, is >75 meter. Hierdoor kan worden uitgesloten dat de geplande windturbines een verstorend effect hebben op deze nesten. Risico op aanvaringen met windturbines Verschillende soorten roofvogels (in ieder geval buizerd, torenvalk en havik) die in het plangebied broeden, hebben een relatief grote actieradius, maar zijn met name overdag actief en worden in NW-Europa relatief weinig gevonden als aanvaringsslachtoffer (Langgemach & Dürr 2020), de buizerd is daarbij nog het algemeenst als slachtoffer. Het plangebied zelf wordt dagelijks door lage aantallen roofvogels gebruikt als foerageergebied en er worden dan ook voor alle soorten hooguit incidenteel slachtoffers voorzien (<1 per jaar in het gehele windpark, en voor buizerd maximaal enkele gedurende de looptijd van het windpark). Voor soorten als huismus, steenuil en kerkuil worden geen slachtoffers voorzien, omdat deze soorten een kleinere actieradius hebben en/of zelden op rotorhoogte vliegen. Sloop woning Wellsmeer 1a Ten behoeve van de aanleg van het Energielandgoed wordt de bestaande woning op Wellsmeer 1a gesloopt. Het beschadigen of vernielen van een jaarrond beschermd nest van de huismus betreft een overtreding van verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1 van de Wnb en daarvoor is een ontheffing nodig.

In de aanvraag dient onderbouwd te worden dat de gunstige staat van instandhouding (GSI) niet wordt aangetast. Die onderbouwing volgt hieronder. De huismus is opgenomen op de Rode Lijst broedvogels in de categorie 'Gevoelig'. De huismus behoort tot de 'soorten die sterk tot zeer sterk zijn afgenomen en algemeen zijn' (Vogelbescherming.nl). De staat van instandhouding is matig ongunstig (Sovon.nl). Door tijdig tijdelijke nestplaatsen aan te bieden en bijvoorbeeld in de nieuwbouw van het bezoekerscentrum van het Energielandgoed ook te zorgen voor voldoende nieuwe nestplaatsen, conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017b), zullen de werkzaamheden geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van huismus. Voor elke nestplaats die wordt aangetast of verwijderd, worden in overleg met een deskundige op het gebied van huismussen minimaal twee nieuwe nestplaatsen aangeboden (totaal dus tien). Dit in de vorm van bijvoorbeeld vogeldakpannen, gierzwaluwpannen/stenen, nestkasten, neststenen, mussenpotten, of vergelijkbare voorzieningen of door het maken van toegangen in de aanwezige schuren tussen dakbedekking en isolatielaag. Het huidige aanbod aan verblijfplaatsen blijft dan behouden tijdens en na de werkzaamheden. Huismussen hebben de tijd nodig om aan nieuwe nestplaatsen te wennen.

Gedurende deze gewenningsperiode (het Kennisdocument Huismus noemt drie maanden) moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beiden aanwezig zijn. Hierdoor kunnen de huismussen de voorzieningen ontdekken en verkennen voor de ingreep wordt uitgevoerd. Een voldoende lange gewenningsperiode is nodig om een voldoende succes van de maatregelen te waarborgen. Hoe dichter de vervangende verblijfplaats bij de oorspronkelijke verblijfplaats wordt gerealiseerd, hoe groter de kans is op succes. In de laatste maand van de gewenningsperiode kan al aangevangen worden met het langzamerhand ongeschikt maken van de oorspronkelijke verblijfplaats. De sloop dient buiten het broedseizoen (dus in de periode september t/m

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

24

februari) te worden uitgevoerd. Voor meer details waar vervangende nestplaatsen aan moeten voldoen, wordt verwezen naar het Kennisdocument Huismus (Bij12, 2017b).

4.2.3

Das Uit de veldonderzoeken naar dassen in het plangebied van Energielandgoed Wells Meer is naar voren gekomen dat meerdere (dassen)burchten in gebruik zijn in het zuidwestelijke deel van het plangebied. Los van de huidige status kunnen alle aangetroffen burchten gezien worden als vaste rust- en verblijfsplaats. Deze zijn beschermd conform artikel 3.10 lid 1 van de Wnb. Aantasting of verstoring van de burcht vormt derhalve een overtreding van dit artikel en is ontheffingsplichtig. Binnen de directe omgeving zijn voor zover bekend geen alternatieve verblijfplaatsen aanwezig. Aanlegfase Energielandgoed Werkzaamheden binnen 200 meter van een burcht kunnen effect hebben op de functionaliteit van een burcht. Dit is onder andere afhankelijk van het tijdstip van uitvoeren, het soort werkzaamheden en de actuele status van de burcht. Daarnaast moet binnen 500 meter tot enkele kilometers van de burcht voldoende geschikt foerageergebied aanwezig zijn voor het goed functioneren van de burcht. Dit zijn bijvoorbeeld begraasde graslanden en structuurrijke oude eikenbossen, waar de das het hele jaar voedsel kan vinden. Ook zijn (mais)akkers en ruigten geschikte foerageergebieden voor delen van het jaar.

Het is aan te raden om een dassenexpert in te schakelen om randvoorwaarden voor uitvoering van de werkzaamheden te bespreken, wanneer werkzaamheden binnen een straal van 200 meter rond een burcht te verwachten zijn, om verstoring te voorkomen. Na plaatsing van de zonnepanelen in de omgeving van de burcht, moet het hier rustig blijven. Inrichting landgoed in de omgeving van de burcht Uitgangspunt voor de inrichtingsplannen (VKMs) is dat de burcht behouden blijft en er dus ook voldoende leefgebied voor de das intact blijft en/of wordt aangeboden om de burcht te kunnen laten functioneren zoals nu het geval is. Dat betekent ook dat de directe omgeving van de burcht weinig menselijke verstoring mag ondervinden. Er kan bijvoorbeeld geen wandelpad langs de burcht bestaan. Het is echter geen probleem als men een paar keer per jaar onderhoud aan de zonnepanelen moet plegen. Tenslotte wordt in de huidige situatie het bouwland direct naast de burcht ook regelmatig door de boer bewerkt en dat heeft de dassen er niet van weerhouden hier te blijven wonen en zelfs jongen groot te brengen. Volgens het Kennisdocument Das (BIJ12, 2017c) moet zich binnen een straal van 500 m rondom de burcht optimaal foerageergebied bevinden. De huidige inrichtingsplannen (VKMs) leiden tot aantasting van foerageergebied van de dassenfamilie, vanwege de plaatsing van intensieve zonnevelden.

Deze aantasting zal moeten worden gecompenseerd. Het is namelijk niet aannemelijk dat onder de zonnepanelen geschikt foerageergebied ontstaat. Onder de zonnepanelen komt weinig zonlicht en regenwater dat nodig is voor een voedselrijke bodem met onder andere regenwormen. Eventueel opkomende (gras)vegetatie onder de panelen moet bovendien kort blijven. Bij voorkeur gebeurt dit door begrazing, zodat de bodem tegelijk met uitwerpselen wordt bemest. Compensatie in de

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

25

vorm van begraasde kruiden- en faunarijke graslanden zou binnen een straal van 500 m ten zuiden van de burcht en/ in de open ruimte van het Energielandgoed kunnen worden gerealiseerd, eventueel aangevuld met een wildakker. Hoe groot het te compenseren oppervlak moet zijn is afhankelijk van het oppervlak van het huidige foerageergebied dat door de plaatsing van zonnepanelen verdwijnt. Deze randvoorwaarden kunnen in algemene zin van tevoren worden opgesteld voor een eventuele ontheffingsaanvraag. Daarnaast zijn er nog andere mogelijkheden. Dassen lopen wel verder van de burcht dan 500 m. Dus het is niet per se nodig om de blik tot die cirkel te beperken. Indien elders in het plangebied bijvoorbeeld natuur-inclusieve landbouw1 kan worden ontwikkeld, vormt dit ook voor de das gunstig foerageergebied. Dit kan misschien in de gebiedsdelen met extensieve zonneparken, zoals in de omgeving van de zogenoemde eendenkooi ten noorden van de burcht en/of meer naar het oosten ten noorden van de Energieboulevard. Ook de boomgaarden/tuinen die ten bate van de steenuil zijn gepland bij Welssmeer 1a (zie paragraaf steenuil hiervoor) zijn aantrekkelijk voor de das. Belangrijk is dan dat deze locaties voor dassen bereikbaar zijn. Dit betekent dat de afrasteringen rond de zonnevelden, om bezoek door mensen te weren, te passeren moeten zijn voor dassen.

Dit kan met zogenoemde wildpoortjes in de hekken, maar natuurvriendelijker is om heggen aan te leggen. Bij voorkeur met doornige struiken. Daarin zitten altijd wel gaten waar dassen doorheen kunnen en mensen niet. Bovendien leveren de heggen weer extra potentiële voedselbronnen voor de das op.

4.2.4

Nachtzwaluw De veldonderzoeken naar nachtzwaluwen in het plangebied van Energielandgoed Wells Meer hebben aangetoond dat de soort gebruik maakt van het plangebied als foerageergebied. Het gaat hoogstwaarschijnlijk om lokale broedvogels (adult en/of juveniel) uit het Natura 2000-gebied Maasduinen die na het broedseizoen de bosranden en aangrenzende agrarische percelen benutten. Hierdoor ontstaat een mogelijk risico op aanvaringen (sterfte) tijdens de gebruiksfase van de windturbines van Energielandgoed Wells Meer. De kans dat nachtzwaluwen vanuit het nabijgelegen Natura 2000-gebied Maasduinen in aanvaring zullen komen met de geplande turbines is bepaald op grond van de volgende aspecten: 1. Actieradius 2. Aantal broedparen 3. Verspreiding 4. Ecologie, habitat en vlieggedrag

1 De natuur-inclusieve landbouw is niet alleen interessant voor dassen, maar ook voor akkervogels,

zoals patrijs, veldleeuwerik en gele kwikstaart (Rode Lijstsoorten die nu nog in kleine aantallen in het plangebied broeden). Voordeel van natuur-inclusieve landbouw is bovendien dat de grond niet zo sterk hoeft te worden verschraald. Een dergelijke inrichting sluit ook beter aan op de historische setting in deze streek: kleinschalige landbouw langs de randen van de woeste gronden in de Maasduinen. Het oorspronkelijke landschap van het plangebied met vennen, moeras, vochtige heide etc. zal men, vanwege de toenemende droogte, niet snel terugkrijgen.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

26

5. Aanvaringskans Ad. 1 Actieradius De nachtzwaluw heeft in het broedseizoen een grote actieradius. Op grond van Van der Vliet (et al. 2011) is voor nachtzwaluw een actieradius van 6 km aangehouden voor het gebied waarbinnen de soort mogelijk kan foerageren. Op basis van deze actieradius kan de nachtzwaluw potentieel vanuit het Natura 2000-gebied Maasduinen in het plangebied van Energielandgoed Wells Meer foerageren. De gehanteerde actieradius betreft een maximum. Het ruimtegebruik van nachtzwaluwen is sterk afhankelijk van het voedselaanbod; in dit geval (voornamelijk) nachtvlinders en andere (grote) vliegende insecten. Als voldoende voedsel in de omgeving van het broedgebied aanwezig is, hebben nachtzwaluwen in het broedseizoen een actieradius van slechts enkele kilometers. In Belgisch Limburg is tijdens een vijfjarige telemetrische studie gebleken dat een territorium een gemiddelde grootte heeft van 691 hectare en dat (gemiddeld) maximale foerageerafstanden van 2,6 km worden afgelegd (Evens et al. 2017). Het plangebied ligt aan de noordgrens van een aaneengesloten bosrijk gebied dat zich uitstrekt over het gehele Natura 2000-gebied Maasduinen. Ten noorden van het plangebied liggen nog enkele kleine bossen net over de grens in Duitsland, maar broedende nachtzwaluwen zullen vooral in en direct rondom het Natura 2000-gebied foerageren.

Temeer omdat de gehanteerde actieradius voor nachtzwaluw (6 km) een maximum betreft. In praktijk zal deze eerder maximaal zo’n 3 km bedragen (zie hiervoor). Hierdoor is het relatieve belang van de foerageergebieden binnen het Natura 2000-gebied groot. Ad. 2 Aantal broedparen De huidige instandhoudingsdoelstelling voor nachtzwaluw voor het gehele Natura 2000gebied Maasduinen richt zich op het behoud van omvang en kwaliteit van leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 30 broedparen. In 2013 zijn in totaal 86 territoriale mannetjes vastgesteld (Provincie Limburg 2019) en werd de doelstelling ruimschoots gehaald. Er zijn geen recentere integrale tellingen beschikbaar, maar gezien de positieve landelijke trend en gelijkblijvende of verbeterde gebiedscondities voor nachtzwaluw in het Natura 2000-gebied zelf, is uit te sluiten dat het aantal veel lager zal liggen dan in 2013. Er bevinden zich minimaal vier broedparen in de nabijheid (<1 km) van de zuidelijke begrenzing van het plangebied binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen (Provincie Limburg 2020). Ad. 3 Verspreiding In de afgelopen 10 jaar is de nachtzwaluw slechts sporadisch waargenomen in het plangebied van Energielandgoed Wells Meer, maar dit kan een onderschat beeld zijn vanwege de nachtactieve levensstijl.

Het plangebied beschikt namelijk wel over potentieel geschikte foerageergebieden, zoals bosranden en bosschages. De enkele waarnemingen zijn voornamelijk aan de zuid- en westgrens van het plangebied gedaan. Gedurende twee vleermuisronden in het najaar van 2020 zijn 1-2 nachtzwaluwen in het plangebied

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

27

foeragerend vastgesteld. Echter, op de drie geplaatste AudioMoths (opnameapparatuur) zijn eind mei-begin juni geen balts- en/of vluchtroepen vastgesteld (figuur 3.7). Ad. 4 Ecologie, habitat en vlieggedrag De nachtzwaluw is nachtactief en foerageert voornamelijk in de schemering en ’s-nachts op heideterreinen, kapvlakten en nabij bosranden. Tijdens het foerageren vliegt de soort vooral laag bij de grond en soms net boven de bosrand, alhoewel dit laatste weinig voorkomt (Van Kleunen et al. 2007, Bright et al. 2009). Anekdotisch zijn foerageervluchten op 30 meter hoogte waargenomen. De 1-2 nachtzwaluwen die tijdens de veldonderzoeken zijn vastgesteld hadden tijdens de foerageervluchten tevens een lage vlieghoogte (<20 m hoogte) boven de agrarische percelen. Ad. 5 Aanvaringskans In Europa is de nachtzwaluw slechts éénmaal aangetroffen als slachtoffer door een aanvaring met een windturbine (Langgemach & Dürr 2020). Dit is te verklaren doordat de soort doorgaans laag boven de grond vliegt (zie Ad. 4). Doordat de soort in het donker jaagt, heeft het bovendien een goed nachtzicht ontwikkeld waardoor de kans op aanvaringen kleiner is. Conclusie Nachtzwaluwen die in het Natura 2000-gebied Maasduinen broeden kunnen het plangebied van Energielandgoed Wells Meer gebruiken als foerageergebied.

Aangezien het geschikte foerageergebied binnen het plangebied zich beperkt tot de zuid- en westgrens en de nachtzwaluwen vooral gebonden zullen zijn aan de foerageergebieden binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied heeft het plangebied zelf een beperkte betekenis voor de soort. De kans dat nachtzwaluwen uit het Natura 2000-gebied Maasduinen in aanvaring komen met de windturbines van Energielandgoed Wells Meer is zeer gering, gezien de verspreiding van waargenomen exemplaren, de ecologie, het vlieggedrag en de informatie uit literatuur over de aanvaringskans. Een negatief effect op het behalen van de instandhoudingsdoelstelling van de nachtzwaluw voor Natura 2000-gebied Maasduinen kan derhalve met zekerheid worden uitgesloten. De varianten (VKMs) zijn hierin niet onderscheidend.

4.2.5

Vleermuizen Uit het veldonderzoek naar vleermuizen is gebleken dat het plangebied van Energielandgoed Wells Meer gebruikt wordt door vleermuizen. De volgende effecten op vleermuizen kunnen in theorie optreden: - Aantasting van verblijfplaatsen in gebouwen of bomen in de aanlegfase (inclusief doorsnijding van vliegroutes en vernietiging essentieel foerageergebied) - Verstoring van verblijfplaatsen in de aanlegfase - Verstoring van verblijfplaatsen in de gebruiksfase - Sterfte in de gebruiksfase In hoeverre deze effecten in de praktijk op Energielandgoed Wells Meer aan de orde zijn wordt hieronder besproken.

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

28

Effecten in de aanlegfase Verblijfplaatsen Tijdens het veldonderzoek zijn op meerdere locaties verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis vastgesteld (zie hoofdstuk 3.5). Het gaat in totaal om (minimaal) vier paarverblijfplaatsen (één in de noordelijke schuur, één in de zuidelijke schuur en twee in de bebouwingen van Wellsmeer 1a) en één zomerverblijfplaats in de meest zuidelijke schuur. Ten behoeve van de aanleg van het Energielandgoed worden deze bebouwingen (deels) gesloopt. De voorgenomen ingreep leidt derhalve tot vernietiging van één zomer- en vier paarverblijven van gewone dwergvleermuis (waarbij zomer- en paarverblijf in de zuidelijke schuur als één verblijf kan worden beschouwd). Het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van vleermuizen een overtreding van verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.5 lid 4 van de Wnb en daarvoor is een ontheffing nodig. In de aanvraag dient onderbouwd te worden dat de gunstige staat van instandhouding (GSI) niet wordt aangetast. Die onderbouwing volgt hieronder. Geen aantasting GSI De staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis is gunstig. Het is de meest talrijke vleermuissoort van Nederland (Limpens et al. 1997). Vrijwel nergens ontbreekt de soort en er is geen sprake van een verandering in de verspreiding van de soort.

Het is niet bekend hoeveel gewone dwergvleermuizen precies gebruik maken van het plangebied, dit is voor deze effectbeoordeling ook niet relevant omdat het hier gaat over (mogelijke) aantasting van hooguit één zomer- en vier paarverblijven waarvoor bovendien compenserende maatregelen kunnen worden genomen (zie hierna). Maatregelen Bij planning van de sloop van de gebouwen dient rekening te worden gehouden met de kwetsbare perioden van de gewone dwergvleermuis, dit is grofweg mei t/m oktober. Om het verlies van de zomer- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis te compenseren, moet ruim voorafgaand aan de sloop kasten worden opgehangen. Per verblijfplaats die wordt aangetast gaat het om meerdere kasten ter compensatie (cf Kennisdocument BIJ12, 2017d), waarbij zomer- en paarverblijf in de zuidelijke schuur als één verblijf kan worden beschouwd. Deze ‘overcompensatie’ wordt aanbevolen, omdat hier sprake is van een open landschap met weinig al bestaande alternatieven. De kasten worden zoveel als mogelijk binnen het huidige territorium aan bebouwing opgehangen, maar met inachtneming van afstand tot de windturbines.

Afhankelijk van het uiteindelijke gekozen VKM en de posities van de vier windturbines, zullen kasten aan de (nieuwe) bebouwing bij Wellsmeer 1a en/of aan bebouwing elders in het plangebied worden opgehangen, buiten de invloedssfeer van de windturbines (zie hieronder bij effecten in gebruiksfase). Als voorbeeld van een kast voor gewone dwergvleermuis geldt de “Vivara VKWS01”. Foerageergebieden en vliegroutes Voor de aanleg van de intensieve zonnevelden is het nodig om enkele bomensingels te kappen. Vanwege de geringe ouderdom van de bomen zijn hierin geen verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig, maar de kap kan wel leiden tot aantasting van

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

29

foerageergebied en vliegroutes. Dit laatste wordt echter ruimschoots gecompenseerd doordat binnen het plangebied natuurontwikkeling plaatsvindt in de gebiedsdelen met extensieve zonneparken en in de omgeving van de Molenbeek. Tevens wordt bijvoorbeeld langs de Energieboulevard een nieuwe bomensingel aangeplant die een nieuwe foerageerroute kan vormen tussen de westelijke en oostelijke begrenzing van het plangebied. Geen van de windturbines van de VKMs van Energielandgoed Wells Meer hebben een wezenlijke invloed op essentieel foerageergebied van vleermuizen. Alleen de meest oostelijke windturbine van VKM 1 staat aan de rand van een jong bosschage, maar de bosrand zal niet worden aangetast. Daarom worden geen negatieve effecten verwacht van de VKMs van Energielandgoed Wells Meer op de foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen. Effecten in de gebruiksfase Verblijfplaatsen De verblijfsfunctie van verblijfplaatsen kan worden aangetast wanneer windturbines zodanig worden geplaatst dat de afstand tussen de verblijfplaatsen en de tip van de rotor minder dan 50 meter bedraagt. In dat geval kan het zwermgedrag dat vleermuizen bij de ingang van hun verblijfplaats vertonen bemoeilijkt worden. Dit geldt ook voor vrouwtjes die deze paarplaatsen bezoeken.

Van de geplande turbines is de afstand van de tip van de rotor tot de verblijfplaatsen bij geen van de windturbinelocaties kleiner dan 50 meter. Dit is gebaseerd op de verblijfplaatsen in de bestaande situatie. Effecten op verblijfplaatsen door de fysieke aanwezigheid van de geplande windturbines zijn daarom niet te verwachten. Sterfte door aanvaringen De aanwezigheid van windturbines op plaatsen waar vleermuizen voorkomen kan leiden tot het doden van vleermuizen als gevolg van (bijna) aanvaringen met de rotorbladen. Niet alle vleermuissoorten lopen hierbij evenveel risico. Soorten die vrijwel nooit als aanvaringsslachtoffer worden gevonden zijn: Myotis en Plecotus soorten (o.a. watervleermuis, meervleermuis en gewone grootoorvleermuis). Van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en in mindere mate de laatvlieger is het voorkomen van aanvaringsslachtoffers in windparken bekend (Dürr 2020, Limpens et al. 2013). Omdat enkele van deze soorten in relatief grote aantallen zijn waargenomen in het plangebied, is het optreden van aanvaringsslachtoffers onder deze soorten voor Energielandgoed Wells Meer niet op voorhand uit te sluiten. Voor windturbines die dichtbij bomen of hagen zijn geplaatst geldt een verhoogd risico op slachtoffers (Eurobats Advisory Committee 2005). Deze structuren in het landschap vormen vlieg- en foerageerroutes voor vleermuizen.

Het plangebied van Energielandgoed Wells Meer kan worden gekenschetst als een halfopen agrarisch gebied. Voor windturbines in dergelijke landschappen in Noordwest-Europa wordt het aantal slachtoffers per turbine per jaar op 2-5 geschat (Rydell et al. 2010). Voor de vier geplande windturbines is het aantal aanvaringsslachtoffers voorzichtigheidshalve bepaald op maximaal 5 slachtoffers per turbine per jaar. In totaal komt het te verwachten aantal aanvarings-

Vervolg natuuronderzoek Energielandgoed Wells Meer

30

slachtoffers in Energielandgoed Wells Meer neer op (maximaal) 20 aanvaringsslachtoffers per jaar, de drie VKMs zijn hierin niet onderscheidend. De soortensamenstelling van de slachtoffers is niet gelijk aan de vanaf de grond geregistreerde opnames. Vleermuissoorten verschillen namelijk in de geluidssterkte en de frequentie die ze gebruiken. Dit heeft gevolgen voor de maximale afstand waarop de soorten nog te detecteren zijn. Voor het verschil in trefkans wordt gecorrigeerd door gebruik te maken van de maximale detectieafstanden van Barataud (2015). Het aantal geluidsopnames wordt gedeeld door deze afstand. Voor de soortspecifieke correctie voor vlieghoogte wordt bovendien het (gecorrigeerd) aantal opnames vermenigvuldigd met het tijdsaandeel dat wordt gefoerageerd binnen rotorbereik (volgens Roemer et al. 2017). De gecorrigeerde soortensamenstelling staat in tabel 4.2. Rekening houdend met de soortsamenstelling bestaan de 20 voorspelde slachtoffers uit (afgerond) 17 gewone dwergvleermuizen, één rosse vleermuis, één laatvlieger en één ruige dwergvleermuis. Grootoorvleermuizen, bosvleermuis, kleine dwergvleermuis en andere Myotis en Nyctaloide vleermuizen worden niet of vrijwel nooit als aanvaringsslachtoffer geregistreerd in Europa (Dürr 2020). Voor deze soorten kan het optreden van aanvaringsslachtoffers in Energielandgoed Wells Meer worden uitgesloten. Tabel 4.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9609854/1