CConstaterende datBergen (L)
Koppel je AI →
Document · PDF

251023 Toelichting en regels BP Wethouder Kortingstraat 19 vastgesteld (1)

Gemeenteraad 16 december 2025, gemeente Bergen (L)Bij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19 Aijen;20.832 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Doorvertaling bestemmingsplan

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:

Fragment risicokaart Uit een inventarisatie van de risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat de onderstaande risicobron voor het plangebied relevant kan zijn. Hierna wordt het risico bepaald en de consequenties hiervan voor het ruimtelijk besluit. In de nabijheid van het voorliggende plangebied is de volgende risicobron aangetroffen:  transport van gevaarlijke stoffen over de Maas. Inrichtingen c.q. bedrijven Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de Maas De Maas - ten westen van het plangebied - geldt als een transportroute voor gevaarlijke stoffen. De 28

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

vaarroute is op grond van de Regeling Basisnet aangewezen als een binnenvaartverbinding voor chemische clusters & achterlandverbindingen met toetsafstand (zwarte vaarroute). De PR 10 -6 contour ligt daarmee op het water en reikt niet verder dan de oever. De waterlijn is de lijn waar het water de oever raakt bij de waterstand die het meest regelmatig optreedt. Vanaf deze lijn treedt bij zwarte vaarwegen een plasbrandaandachtsgebied (PAG) op van 25 m. Binnen deze zone geldt een motiveringsplicht bij bouw van nieuwe objecten. Het PAG reikt niet tot het voorliggende plangebied. De bevaarbaarheidsklasse (CEMT) van de Maas is Va. Op basis van de Regeling basisnet (bijlage III) worden de volgende jaarintensiteiten vervoerd over de Maas. In de tabel wordt tevens het invloedsgebied van deze vaarwegen genoemd. Stofcategorie

Aantal schepen (per jaar)

1% letaliteitsafstand (in meters)

LF1

Brandbare vloeistof (diesel)

803

35

LF2

Brandbare vloeistof (benzine) 2.710

35

LT1

Toxische vloeistof (acrylnitril) 40

600

GF3

Brandbare gassen (LPG)

90

289

Tabel 4.3: jaarintensiteiten Maas Het groepsrisico wordt in Nederland bij transport over water voornamelijk bepaald door transporten van toxische stoffen (GT en LT). Over de Maas worden geen stoffen uit de categorieën LT3 en LT4 vervoerd. Bovenstaande intensiteiten geven aan dat er 40 transporten van gevaarlijke stoffen met toxische vloeistoffen (LT1) plaatsvinden. Het invloedsgebied van deze toxische stoffen ligt op 600 m en reikt tot het voorliggende plangebied. Het aantal wooneenheden in het plangebied neemt dusdanig beperkt toe, zodat er wat dat betreft geen verslechtering op zal treden. Voor de overige stoffen reikt het invloedsgebied niet tot het plangebied. In de verantwoording wordt daarom ingegaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid ten aanzien van het toxische scenario. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van aardgastransportleidingen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen op het water (de Maas) is de beschikbaarheid van voldoende blus-/koelwater geen beperkende factor. Een calamiteit op het water zal over het algemeen echter niet of slecht bereikbaar zijn. Hiervoor is de inzet van een blusboot noodzakelijk. Afhankelijk van de exacte locatie van de calamiteit kan de inzet van de blusboot langere tijd op zich laten wachten.

Net als bij het spoor- en wegvervoer zullen calamiteiten maar zelden kunnen worden voorkomen en zal de inzet zich richten op het beperken en bestrijden van de effecten. Het grote aantal slachtoffers dat bij incidenten met gevaarlijke stoffen kan vallen kan de capaciteit van de geneeskundige hulpverlening in veel gevallen te boven gaan. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij het scenario van een koude BLEVE zal er geen tijd beschikbaar zijn voor zelfredding. Bij een warme BLEVE is er mogelijk beperkte vluchttijd. Gezien deze korte tijd zijn er geen mogelijkheden tot evacuatie. Daarom zullen de personen op eigen kracht het gebied moeten ontvluchten in geval van een incident. De maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid zullen daarom in de planologische, organisatorische en bouwkundige sfeer moeten worden gezocht. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Op een afstand groter dan 150 m is bij een BLEVE het schuilen in een gebouw vaak de beste manier om de calamiteit te overleven. Met name de ruimten die buiten het bereik van rondvliegend glas liggen zijn als veilige plekken aan te merken. Na afloop van een 'BLEVE' kan het beste worden gevlucht, om secundaire branden te vermijden. Vluchtroutes moeten personen direct van de calamiteit wegleiden.

Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich buiten bevinden (Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

29

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

(PGS) 3). Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de Maas is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safehaven-principe). Indien dit niet mogelijk is kan ervoor gekozen worden te vluchten. Bij een toxische wolk moet gevlucht worden haaks op de wolk, in de afgekeerde richting van de Maas. Door vanuit het multifunctioneel centrum te vluchten via de nieuwe toegang aan de straatzijde is dit het geval. Voor de hulpverleningsdiensten is het van belang dat aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Dit kan met behulp van het zogenaamde waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Het WASnetwerk is dekkend voor het plangebied. Het gebruik van WAS, eventueel aangevuld met het gebruik van SMS-alert kan eraan bijdragen dat het aantal slachtoffers wordt beperkt. Conclusie Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Regelgeving

De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen moet steeds meer aandacht besteed worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. Beleid waterschap en hogere overheden Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 van Waterschap Limburg, de Omgevingsverordening Limburg (2021), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:  vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering relevant.

Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Gemeentelijk beleid Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020 - 2025 vastgesteld waarin staat dat de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem wil creëren. Regenwater vasthouden en klimaatbestendig inrichten zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke 'Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022'. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen. 4.8.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Huidige situatie Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak Bij onderhavig plangebied is er sprake van volgende bestaande verhardingen:  Dakoppervlak (bestaand bijgebouw ten zuiden van huisnr. 19): 85 m²;  Terreinverharding ter plaatse van uitbreiding: 290 m².

30

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Het totale bestaande verhard oppervlak bedraagt daarmee 375 m².

Impressie bestaande bebouwing en verharding met globale aanduiding plangebied in rood Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden Het plangebied ligt niet in het intrekgebied van een grondwaterwinning of een grondwaterbeschermingsgebied. Het plangebied is niet gelegen in de (buiten)beschermingszone van een waterkering. Het intensiveren van de woonbestemming op de beoogde locatie heeft geen invloed op de stabiliteit en bereikbaarheid van de waterkering. Wel zijn de oostzijde en de uiterste zuidzijde van het plangebied gelegen binnen het 'stroomvoerend rivierbed'. In of op de gronden mag ten behoeve van alle activiteiten worden gebouwd, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:  de andere krachtens dit plan aan deze gronden gegeven bestemmingen moeten deze activiteiten toelaten;  er moet sprake zijn van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft; en  er moet sprake zijn van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is;  de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen moeten duurzaam gecompenseerd worden, waarbij de financiering en tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn.

In alle gevallen moet voorafgaand aan de afgifte van de omgevingsvergunning voor bouwen advies worden ingewonnen bij de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat. Huidige verwerking hemelwater In de huidige situatie valt het hemelwater op het onverharde deel van het plangebied waar woningbouw wordt gerealiseerd en kan het water direct in de bodem infiltreren. Huidige verwerking afvalwater en waterkwaliteit Ter plaatse van de te realiseren woningen is op dit moment geen sprake van afvalwater.

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

31

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Aanwezig oppervlaktewater In het plangebied en de directe omgeving is geen primair oppervlaktewater aanwezig. In de toekomst zal hier ook niet in voorzien worden. Grondwaterstand en maaiveldhoogte De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt +/- 11,5 m + NAP, waardoor het grondwater zich op +/- 3,0 m -mv zou bevinden. Toekomstige situatie en waterbergingsopgave Planbeschrijving De grootte van het totale plangebied bedraagt circa 8.920 m², waarvan circa 6.500 m² als woongebied in gebruik genomen wordt. Er wordt een uitbreiding van de woonbestemming mogelijk gemaakt, waardoor uiteindelijk 9 woningen kunnen worden opgericht op de gewenste locatie. Onder de vigerende bestemming waren dat 5 woningen. Hemelwater Wat betreft hemelwater streeft de gemeente Bergen ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het besluitgebied te verwerken conform de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 en het gemeentelijk rioleringsplan 2020 – 2025. Het plangebied zal zelfvoorzienend moeten zijn qua waterberging. Dit betekent dat op eigen terrein in extra ruimte voor waterberging zal moeten worden voorzien. De exacte grootte van de voorziening hangt af van de oppervlakte die verhard gaat worden. Gezien de forse grootte van het bestaande perceel is hier ruimte genoeg voor op eigen terrein.

De hemelwaterafvoer van de daken van de nieuwe bebouwing moet worden afgekoppeld op eigen terrein met een voorziening van 60 liter per vierkante meter verhard oppervlak. Dit is via een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd (zie sublid 7.2.5 van de regels).  Voor de toename aan verhard oppervlak wordt uitgegaan van in totaal circa 1.350 m² aan nieuwe bebouwing waarvan de dakoppervlakken niet aangesloten worden op de riolering (afgekoppeld). Het bestaande, te handhaven bijgebouw van circa 85 m² (gelegen aan de noordwestzijde van het plangebied) is hierbij buiten beschouwing gelaten.  Daarnaast wordt uitgegaan van circa 1.980 m² aan terreinverharding op de woonpercelen, waarvan circa 290 m² in de huidige situatie al aanwezig is.  Voor de openbare ruimte wordt uitgegaan van circa 560 m² aan extra verharding. In tabelvorm ziet dit er als volgt uit:

32

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Per saldo een toename van circa 3.605 m² aan verhard oppervlak, waarvan ruim 3.000 m² ter plaatse van de woonpercelen en circa 560 m² ter plaatse van de openbare weg met langsparkeerplaatsen. Gezien de hoeveelheid extra verhard oppervlak zullen alle woningeigenaren op eigen terrein een infiltratievoorziening moeten realiseren met een gezamenlijke capaciteit van 182,6 m³ (3.044 m² x 60 mm). De bergingsvoorziening moet binnen 24 uur na de neerslaggebeurtenis opnieuw beschikbaar zijn voor waterberging. Alle woningen zullen een nader te bepalen infiltratievoorziening op het eigen perceel realiseren, bijvoorbeeld door infiltratiekratten of vergelijkbaar. De verharding voor de te realiseren openbare weg en parkeerplaatsen bedraagt circa 560 m² en zal via een wadi aan de noordwestzijde van het plangebied geïnfiltreerd worden. Hiervoor geldt een capaciteit van 33,6 m³ (560 m² x 60 mm). Afvalwater Afvalwater zal via een nieuw aan te leggen riolering onder de weg in het plangebied worden geloosd op de aanwezige riolering in de Wethouder Kortingstraat. Het bestaande rioleringsstelsel is voldoende van omvang om deze minimale toename te kunnen verwerken.

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Er wordt uitgegaan van gemiddeld 129 l afvalwater per dag per persoon (bron: Vewin). Indien wordt uitgegaan 2,12 personen per woning (= gemiddelde huishoudgrootte in Nederland in 2023) zal er bij 9 woningen per dag circa 9 x 2,12 x 0,129 = 2,46 m³ afvalwater worden geloosd op het rioleringsstelsel. Met het aansluiten van de woning moet voldaan worden aan de uitgangspunten uit het GRP Bergen (L) 2020 - 2025 uit 2019 en conform Afdeling 3 van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022. Na aanleg van de riolering onder de weg in het plangebied wordt deze overgedragen aan de gemeente. Grondwater Zoals het geldende bestemmingsplan en de Omgevingsverordening Limburg aantonen, ligt het plangebied niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. De beoogde ontwikkeling is niet van wezenlijke invloed op de grondwaterstand in het plangebied. Vanuit de grondwaterkwaliteit zijn er dan ook geen belemmeringen. Waterkwaliteit en beheer Het hemelwater dat terecht komt op de bebouwing en verharding wordt beschouwd als schoon wanneer geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt worden. Daarom mogen er uitsluitend nietuitlogende bouwmaterialen gebruikt voor de te realiseren woningen. 4.8.3

Conclusie

Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.9

Ecologie

4.9.1

Regelgeving

De Wet natuurbescherming (Wnb) kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen.

De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet.

34

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich: 1. Allereerst is onder de Wnb niet langer de minister van Economische Zaken, maar zijn Gedeputeerde Staten van de provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen. 2. Ten tweede kunnen de in de praktijk gehanteerde “tabelsoorten” niet langer gebruikt worden. In plaats daarvan wordt met de nieuwe indeling van de Wnb gewerkt. 3. Tot derde is de inhoud van de verboden en de ontheffingsgrondslagen gewijzigd. In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. 4.9.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Soortenbescherming In de huidige situatie betreft het plangebied grotendeels woongebied en deels agrarisch gebied. De landbouwgronden zijn in gebruik voor onder meer het telen van mais en aardappelen. Ter plaatse van het plangebied is zeer beperkt beplanting aanwezig. Ten behoeve van het planvoornemen is geen sprake van het slopen van gebouwen of het verwijderen van groenstructuren. De activiteit geeft geen reden aan te nemen dat ecologische belangen worden geschaad. Het bestaande groen blijft gehandhaafd en er worden geen bomen gekapt om de woningen te realiseren. Er vinden ook geen sloopwerkzaamheden plaats. Om voorgaande redenen is een ecologisch onderzoek niet noodzakelijk.

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Gebiedsbescherming Het plangebied is gelegen in de groenblauwe mantel (nu nog 'groenblauwe landschapszone'). Het plangebied is grotendeels bestemd als woongebied. De kernkwaliteiten uit de provinciale beleidskaders zijn niet van toepassing op dit gebied. Daarnaast ligt het plangebied buiten het Natura 2000-gebied 'Maasduinen'. Vanwege de kleinschalige aard van de ontwikkeling, worden geen significante nadelige effecten, als gevolg van verstoring door geluid, licht, trillingen en dergelijke, op de aangewezen habitattypen en doelsoorten van dit Natura 2000-gebied verwacht. Om externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voorhand uit te sluiten is ten aanzien van de stikstofdepositie naar stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. De resultaten zijn opgenomen in bijlage 4 bij de toelichting. Uit dit rapport en de bijbehorende bijlagen kan worden geconcludeerd dat de geplande activiteiten ten behoeve van de realisatie en het gebruik van de 9 woningen in het plangebied geen belemmering vormen als gevolg van de stikstofuitstoot voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.10

Archeologie & cultuurhistorie

4.10.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stadsen dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet.

Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente. 4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan Archeologie In de 'Nota archeologiebeleid Bergen' zijn de beleidsuitgangspunten en de achtergronden van het gemeentelijk archeologiebeleid beschreven. In hoofdlijnen komt het beleid erop neer dat bij ruimtelijke initiatieven die leiden tot bodemverstoring archeologisch onderzoek noodzakelijk is, in gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde en in gebieden met bekende archeologische resten, de zogenaamde archeologische terreinen. Conform de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is er binnen het plangebied sprake van een hoge archeologische verwachtingswaarde.

36

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Fragment beleidskaart, plangebied geel omlijnd Het plangebied is gelegen in categorie 4 van de beleidsadvieskaart. Binnen deze categorie is er een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m². In het tot op heden geldende bestemmingsplan was het plangebied reeds voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Op basis van de bestemming 'Waarde - Archeologie' is archeologisch onderzoek verplicht indien er sprake is van een verstoringsdiepte van meer dan 50 cm en het gebied groter is dan 250 m². Er is een archeologisch onderzoek uitgevoerd dat is toegevoegd aan de toelichting als bijlage 5. Volgens het bureauonderzoek ligt de locatie op een Maasterras uit het Allerod. Op basis van deze landschappelijke ligging blijkt dat het plangebied vanaf het Laat-Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor Landbouwers. De kans op het voorkomen van de resten is hoog. De archeologische resten worden bij dit landschapstype verwacht onder het esdek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onderin het esdek; hier wordt ook wel van 'cultuurlaag' gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het dek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool.

Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden zijn geconserveerd. het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. De aanleg van de voormalige en huidige kassen en de huidige bestrating en de daarmee samenhangende diepploegwerkzaamheden kunnen het bodemprofiel in het plangebied hebben verstoord. Als er, zoals wordt beweerd door de opdrachtgever en de huidige bewoner, gediepploegd is 'tot in de grove zanden', dan is het bodemprofiel vermoedelijk tot in de beddingafzettingen van de Maas verstoord. Het verkennend inventariserend booronderzoek heeft aangetoond dat de locatie inderdaad op een hoge enkeerdgrond is gelegen. De bodem is bij graaf- of diepploegwerkzaamheden verstoord tot in de C-horizont, tot een diepte van 50 à 80 cm -mv. De kans dat er op de onderzoekslocatie nog een vondstlaag aanwezig is, is hierdoor erg klein. Het is echter wel mogelijk dat er nog diepe grondsporen aanwezig zijn van nederzettingen vanaf de Bronstijd. Omdat er meer dan 250 m² zal worden vergraven en omdat er ook dieper wordt gegraven dan 50 cm onder het maaiveld vereist de gemeente een proefsleuvenonderzoek. Ook dekt het voorgaande onderzoek niet het hele plangebied, maar alleen de westzijde.

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Begin september 2025 is de rapportage van het archeologisch proefsleuvenonderzoek afgerond. Deze rapportage is als bijlage 6 bij de toelichting gevoegd Het doel van het proefsleuvenonderzoek was vast te stellen of binnen het plangebied behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Verspreid over het terrein zijn 7 proefsleuven aangelegd met een totaaloppervlak van circa 893 m² (dekkingsgraad circa 13,85 %). Het plangebied ligt op een Maasterras uit het Allerød, omgeven door lager gelegen terrasgeulen uit het Dryas. De hoger gelegen ligging maakte het terrein aantrekkelijk voor bewoning. Door plaggenbemesting in de periode late middeleeuwen -nieuwe tijd is een dik, humeus dek ontstaan. Uit de veldwaarnemingen blijkt echter dat deze enkeergrond grotendeels diep is omgespit tot in de Chorizont, waardoor het natuurlijke bodemprofiel slechts plaatselijk intact is. Het vondstmateriaal, voornamelijk uit de prehistorie.Romeinse tijd en late middeleeuwen, bestaat hoofdzakelijk uit huishoudelijk afval, deels ingebracht via plaggenbemesting en deels afkomstig van oude bewoningsactiviteiten. De dichtheid aan archeologische sporen is laag. Twee vindplaatsen zijn gedefinieerd:  In het noordwesten een cluster kuilen uit de nieuwe tijd, mogelijk gerelateerd aan agrarische activiteiten of een zone waar gelijkaardige handelingen plaats vonden.

Het betreft hier een duidelijk offsite fenomeen.  In het zuidwesten een waterput en een cluster ingravingen. De waterput is vermoedelijk Romeins, maar kan ook een middeleeuwse oorsprong hebben. Waterputten staan over het algemeen in verband met bewoning. Ten westen van de waterput bleek de bodem iets minder diep verspit en zijn ook ingravingen waargenomen. De meeste van deze ingravingen zijn ondiep en lijken grotendeels gegraven vanuit het ophoogdek. Dit zou beteken dat ze een jongere datering (nieuwe tijd) hebben waardoor een relatie met agrarische activiteiten bij vele sporen mogelijk is. Op basis van de gemiddelde fysieke kwaliteit en lage tot gemiddelde inhoudelijke waarde worden de vindplaatsen met uitzondering van de waterput als niet behoudenswaardig beoordeeld. Het onderzoeksburo adviseert daarom met uitzondering van het niet onderzochte deel van de waterput geen archeologische beperkingen voor de verdere planvorming. Dit betekent dat, op een klein deel van het plangebied aan de zuidwestzijde na, de archeologische dubbelbestemming komt te vervallen. Cultuurhistorie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart zijn er geen elementen met cultuurhistorische waarden in het plangebied aanwezig.

38

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Fragment kaart cultuurhistorische waarden, plangebied in geel 4.10.3 Conclusie De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.11

Leidingen

4.11.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”;  defensiebrandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan In (de directe omgeving) van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding moeten worden opgenomen.

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

4.12

Vormvrije MER-beoordeling

4.12.1 Regelgeving Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. 4.12.2 Doorvertaling bestemmingsplan In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen activiteiten in dit bestemmingsplan voorzien niet in een stedelijk ontwikkelingsproject of andere in het Besluit m.e.r. aangewezen activiteiten. Een (vormvrije) m.e.r.beoordeling of m.e.r. ingevolge dit besluit is dan ook niet nodig. Desondanks zijn, in het kader van de voorgenomen ontwikkeling in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen.

Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora en fauna, water, archeologie en cultuurhistorie. Uit de afweging is gebleken dat er geen negatieve milieueffecten zijn te verwachten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.beoordeling of MER niet nodig wordt geacht.

40

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en het geldende bestemmingsplan 'Aijen'. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen. Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

5.2

Inleidende regels

Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.3

Bestemmingsregels

5.3.1

Opbouw bestemmingen

In de bestemmingsregels zijn de verschillende bestemmingen opgenomen. Deze zijn als volgt opgebouwd: Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals wonen. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijk strijdige gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels. 5.3.2

Bestemmingen

Het bestemmingsplan kent een (enkel)bestemming en twee dubbelbestemmingen: Agrarisch Binnen deze bestemming is de bestaande agrarische grond binnen het plangebied geregeld. Er zijn geen bouwvlakken aanwezig en bebouwing met bedrijfsgebouwen is derhalve niet toegestaan. Groen Binnen deze bestemming zijn groenvoorzieningen en voorzieningen van algemeen nut toegestaan. Tuin Binnen deze bestemming zijn de gronden bedoeld voor onder meer beplanting, paden en verhardingen. Het gebied moet worden ingericht in overeenstemming met de landschappelijke inpassing. Verkeer De wegen en de verblijfsruimten in het plangebied hebben de bestemming verkeer gekregen. Wonen Het plangebied is voorzien van de bestemming 'Wonen'. Deze bestemming is op hoofdlijnen gelijk aan de bestemming 'Wonen' uit het geldende bestemmingsplan 'Aijen' en sluit inhoudelijk aan bij actuele regelingen voor vergelijkbare ontwikkelingen c.q. bestemmingsplannen in de gemeente Bergen. De woningen (hoofdgebouwen) moeten gerealiseerd worden binnen het aangeduide bouwvlak. De maximum goot- en bouwhoogten zijn op de verbeelding weergegeven. De regeling is verder flexibel gehouden, met als gevolg dat er bij het bouwen, verbouwen of veranderen van een woning slechts aan een beperkt aantal voorwaarden voldaan hoeft te worden.

Bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen en bijgebouwen) mogen uitsluitend in het achtererfgebied worden gebouwd. Waarde - Archeologie Deze dubbelbestemming geldt voor het hele plangebied. Indien een ontwikkeling plaatsvindt moet getoetst worden of archeologische waarden verstoord kunnen worden. Indien een ontwikkeling de gronden dieper dan 0,5 m verstoord en het te verstoren gebied groter is dan 250 m² moet een archeologisch bureauonderzoek plaatsvinden. Dit sluit aan bij de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed De voor 'Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een stroomvoerende functie.

42

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

5.4

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels Deze regels bevatten een regeling om de landschappelijke inpassing te waarborgen. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling zijn regels opgenomen ten aanzien van afwijkingsmogelijkheden die voor het hele plangebied gelden en die Burgemeester en wethouders de benodigde flexibiliteit bieden ten aanzien van het bestemmingsplan Overige regels Deze bepaling bevat regels omtrent parkeren.

5.5

Overgangs- en slotregels

Overgangsregels Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

De ontwikkeling die door dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt is een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De Wro verplicht gemeenten voor bouwplannen een exploitatieplan vast te stellen of het kostenverhaal anderszins te verzekeren. Alle kosten die gemaakt moet worden het opstellen van een bestemmingplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om dit initiatief mogelijk te maken. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd en is aangetoond dat het bestemmingsplan voor de gemeente economisch uitvoerbaar is.

6.2

Overleg

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het bestemmingsplan is in het kader van vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), toegezonden aan diverse overleginstanties. Advies veiligheidsregio De veiligheidsregio heeft in het kader van het vooroverleg op 20 november 2023 een eerste advies uitgebracht. Dit advies is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd. Op basis van het laatste ontwerp heeft de gemeente hierover op 29 juli 2024 een nieuw advies gevraagd. Daarbij heeft de gemeente richting de Veiligheidsregio aangegeven dat het niet haalbaar is om een tweede ontsluiting voor het plangebied te realiseren. De Veiligheidsregio heeft vervolgens aangegeven dat dit akkoord is, mits de keervoorziening aan de zuidzijde voldoet aan de voorwaarden die zij hieraan stellen. De keervoorziening is aangepast in het ontwerp en voldoet nu aan de gestelde eisen:  een binnenbochtstraal van tenminste 5,5 m;  een buitenbochtstraal van tenminste 10,0 m  een vrije breedte van 3,5 m.

Provincie Limburg Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg hebben op 26 januari 2024 aangegeven "Geen aanleiding voor een zienswijze" te zien.

6.3

Inspraak

Er is op 28 juni 2023 een omgevingsgesprek geweest over de plannen voor het plangebied voor het veranderen van de planologisch al toegestane 5 naar 9 woningen. In bijlage 7 is het verslag van dit omgevingsgesprek opgenomen.

6.4

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 ter inzage gelegen op het gemeentehuis en via ruimtelijkeplannen.nl. Er is tijdens deze periode 1 zienswijze binnengekomen van Rijkswaterstaat. Deze is in de nota zienswijzen (zie bijlage 8) van een gemeentelijke reactie voorzien.

44

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Bijlagen bij toelichting

46

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Bijlage 1

Landschappelijke inpassing

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

47

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Bijlage 2

48

Verkennend bodemonderzoek

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Bijlage 3

Adviesrapport Veiligheidsregio

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

49

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Bijlage 4

50

Stikstofdepositieonderzoek

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Bijlage 5

Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

51

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Bijlage 6

52

Archeologisch proefsleuvenonderzoek

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Bijlage 7

Verslag omgevingsgesprek

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

53

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Bijlage 8

54

Zienswijzennota

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

55

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Regels

56

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19 met identificatienummer NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01 van de gemeente Bergen (L.); 1.2

achtererfgebied

erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen. 1.3 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.4 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde deze regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6 aan-huis-verbonden-bedrijf het door de bewoner van de woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q.

het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel, behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten; 1.7 aan-huis-verbonden-beroep een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend; 1.8 afhankelijke woonruimte een tijdelijke zelfstandige woonruimte in een deel van een hoofdgebouw, een aanbouw dan wel een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij dat hoofdgebouw, waarin een tweede huishouden kan worden gehuisvest uit een oogpunt van mantelzorg, welke tijdelijke woonruimte qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met een hoofdgebouw en gelegen is binnen een bestemming die wonen mogelijk maakt.

Bedrijfsgebouwen of andere gebouwen die niet ten dienste staan van een woonfunctie vallen hier nadrukkelijk niet onder; 1.9 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.10 bebouwingspercentage een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwperceel c.q. bouwvlak of bestemmingsvlak aangeeft dat minimaal dan wel maximaal mag worden bebouwd; hierbij worden ondergrondse bouwwerken die zichtbaar zijn boven peil meegerekend, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen; 1.11 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen; 1.12 bedrijfsgebouw een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

57

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

1.13 bedrijfsvloeroppervlak de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten; 1.14 bestaand bouwwerk een bouwwerk dat:  op het moment van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan bestaat of in uitvoering is;  na dat tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.15 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.16 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.17 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.18 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.19 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.20 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.21 bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel; 1.22 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.23

bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.24 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.25

erf

al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. 1.26 functionele verbinding bij elkaar behorende bouwpercelen, aangegeven op de verbeelding via de figuur 'relatie', die voor de toepassing van het bestemmingsplan een functionele relatie met elkaar hebben. 1.27 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

58

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

1.28 hoofdgebouw een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken; 1.29 huishouden een persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen. 1.30 kamerbewoning het gebruik van een hoofdgebouw of met het hoofdgebouw verbonden bijbehorende bouwwerken door meer dan twee onzelfstandige huishoudens; 1.31 ondergeschikt bouwdeel een buiten de gevel of dakvlakken uitstekend ondergeschikt deel van een bouwwerk met uitzondering van een uitgebouwd gedeelte van een gebouw dat dient ter uitbreiding van het oppervlak; 1.32 ondergeschikte functie een activiteit waarbij maximaal 30 % van de opstallen als zodanig mag worden gebruikt; 1.33 ondergronds bouwwerk een (gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 m beneden peil; 1.34 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport; 1.35 peil a. voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b.

voor gebouwen in het talud van de dijk: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de van de dijk afgekeerde zijde van het gebouw; c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld; 1.36 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.37 seksinrichting de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.38 terras een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van een bedrijf waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie worden bereid en/of verstrekt; 1.39 voorgevel de op de weg georiënteerde gevel van een hoofdgebouw dat maximaal één voorgevel heeft;

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

59

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

1.40 voorzieningen van algemeen nut voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer; 1.41 wonen een permanente verblijfplaats ten behoeve van de huisvesting van een huishouden in een woning. 1.42 woning een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden; 1.43 zijgevel een van de weg afgekeerde gevel van een hoofdgebouw, niet zijnde achtergevel of voorgevel; 1.44 zolder een ruimte onder een kap voor zover de hoogte van de borstwering ter plaatse van de omtrekmuren minder dan 0,8 m boven de vloer is gelegen.

60

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.2 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 de afstand tot de bouwperceelsgrens tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.7 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

61

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Agrarisch

Bestemmingsomschrijving

De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf met een agrarische bedrijfsvoering; b. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen. 3.2

Bouwregels

3.2.1

Algemeen

Binnen de bestemming Agrarisch mogen geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht.

62

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Artikel 4 4.1

Groen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. nutsvoorzieningen; c. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; d. bermen en beplanting; e. paden; f. speelvoorzieningen; g. kunstwerken; h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 4.2

Bouwregels

4.2.1

Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. op of in deze gronden mag uitsluitend ten behoeve van nutsvoorzieningen worden gebouwd; b. de maximum bouwhoogte bedraagt 3,0 m; c. de maximum oppervlakte van nutsvoorzieningen bedraagt 15 m². 4.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2,0 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,0 m mag bedragen; b. overkappingen zijn niet toegestaan; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2,5 m bedragen. d. in afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van lichtmasten en verlichtingsarmaturen maximaal 6,0 m bedragen. 4.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van de verkeersveiligheid; d. ter waarborging van de sociale veiligheid; e. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

63

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Artikel 5 5.1

Tuin

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuin ten behoeve van wonen; b. beplanting zoals gras, bloemen, struiken en bomen; c. paden en verhardingen; d. parkeervoorzieningen; e. vijvers en sloten. 5.2

Bouwregels

Ten aanzien van de in lid 5.1 bedoelde gronden geldt dat: gebouwen en overige bouwwerken niet zijn toegestaan. 5.3

Specifieke gebruiksregels

Binnen de voor Tuin aangewezen gronden moet de landschappelijke inpassing zoals deze in bijlage 1 van de regels is opgenomen conform de voorwaardelijke verplichting opgenomen van artikel 13.1 in acht worden genomen en in stand worden gehouden.

64

bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)

bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19

Artikel 6 6.1

Verkeer

Bestemmingsomschrijving

De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie; b. voet- en rijwielpaden; c. parkeervoorzieningen; d. groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplanting; e. voorzieningen van algemeen nut; f. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; met daarbij behorende: g. straatmeubilair; h. kunstwerken. 6.2

Bouwregels

6.2.1

Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd; b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 3,2 m; c. de maximale oppervlakte van een gebouw bedraagt 15 m². 6.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de maximale bouwhoogte van lichtmasten, bewegwijzering en verkeersregulering bedraagt 12 m; b. overkappingen zijn niet toegestaan; c. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 5 m. 6.3

Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; c. het gebruik van de grond als standplaats voor kampeermiddelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16224184/1