251023 Toelichting en regels BP Wethouder Kortingstraat 19 vastgesteld (1)
Tekst van het document
Toelichting en regels
Vast te stellen (versie 23 oktober 2025)
Bestemmingsplan
Wethouder Kortingstraat 19
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Inhoudsopgave
Toelichting
6
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend plan 1.4 Leeswijzer
7 7 7 8 9
Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
10 10 11
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie
12 12 14 17 19
Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Verkeer & parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Milieuzonering 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Geur 4.7 Externe veiligheid 4.8 Waterhuishouding 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie & cultuurhistorie 4.11 Leidingen 4.12 Vormvrije MER-beoordeling
20 20 21 22 23 24 26 27 30 34 36 39 40
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Inleidende regels 5.3 Bestemmingsregels 5.4 Algemene regels 5.5 Overgangs- en slotregels
41 41 41 41 43 43
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Kostenverhaal 6.2 Overleg 6.3 Inspraak 6.4 Zienswijzen
44 44 44 44 44
2
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Bijlagen bij toelichting
46
Bijlage 1
Landschappelijke inpassing
47
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
48
Bijlage 3
Adviesrapport Veiligheidsregio
49
Bijlage 4
Stikstofdepositieonderzoek
50
Bijlage 5
Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek
51
Bijlage 6
Archeologisch proefsleuvenonderzoek
52
Bijlage 7
Verslag omgevingsgesprek
53
Bijlage 8
Zienswijzennota
54
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
3
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Regels
56
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
57 57 61
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
Bestemmingsregels Agrarisch Groen Tuin Verkeer Wonen Waarde - Archeologie Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed
62 62 63 64 65 66 69 71
Hoofdstuk 3 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Algemene gebruiksregels Overige regels
72 72 72 73 73 74
Hoofdstuk 4 Artikel 15 Artikel 16
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
75 75 75
Bijlagen bij regels
76
Bijlage 1
77
4
Landschappelijke inpassing
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
5
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Toelichting
6
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De gronden binnen het plangebied, ter hoogte van de Wethouder Kortingstraat 19 in Aijen, kenden in het verleden grotendeels een agrarisch gebruik. Tot en met 2019 waren op het perceel nog kassen aanwezig. Inmiddels is het kassencomplex gesloopt en zijn de gronden - op het bestaande bijgebouw in het westelijke deel van het plangebied - vrij van bebouwing en grotendeels van beplanting. Sinds 2010 heeft een groot deel van het plangebied een woonbestemming gekregen, alleen het oostelijke deel is nog agrarisch. Binnen de huidige woonbestemming zijn 5 vrijstaande woningen toegestaan. Met de sloop van het kassencomplex en de nieuwe woonbestemming zijn de voorwaarden gecreëerd om te komen tot een kwaliteitsverbetering op deze locatie. Er wordt op een inbreidingslocatie kleinschalig voorraad toegevoegd aan de kern Aijen. Met het aanbieden van verschillende typen woningen kan de doorstroming worden bevorderd en de leefbaarheid een impuls krijgen. Er wordt met deze ontwikkeling ingespeeld op de bewoners van Aijen. Er wordt niet alleen gebouwd voor starters en doorstromers, maar ook levensloopgeschikt voor senioren. Voor de mogelijke invulling met woningbouw zijn een aantal verkavelingsschetsen opgesteld welke uiteindelijk hebben geleid tot een ontwerp dat is voorgelegd aan de gemeente.
Op 8 maart 2023 heeft de gemeente aangegeven in principe bereid te zijn medewerking te verlenen aan de realisatie van 9 woningen. In de meest recente verkavelingsopzet zijn 3 vrijstaande woningen, 2 geschakelde (vrijstaande) woningen en 4 twee-onder-één-kap woningen opgenomen. De beoogde ontwikkeling in de vorm van 9 woningen past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is het daarom noodzakelijk om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet inwerking getreden. De Omgevingswet heeft de wet- en regelgeving die betrekking had op de fysieke leefomgeving gebundeld. Wetten en regels waar in voorliggende toelichting naar verwezen wordt zullen deels door inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn vervallen. De bepalingen uit de vervallen wetten en regels zijn deels terug te vinden in het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Omgevingsplan gemeente Bergen (L). De wet- en regelgeving van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is te raadplegen op www.wetten.nl door bij [regeling geldig op] '31 december 2023' in te voeren. Voor onderhavig plan is voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een ontwerpplan ter inzage gelegd.
Ingevolgde artikel 4.6, tweede lid, sub a, onder 1, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing tot het plan van kracht is. Het plan wordt, zodra het van kracht is, ingevolge artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet onderdeel van het gemeentelijk omgevingsplan.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de zuidoostzijde van de kern Aijen, aan de zuidzijde van de Wethouder Kortingstraat. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Bergen, sectie S, nummer 2242 (deels) en heeft een oppervlakte van circa 8.920 m² en wordt begrensd door: Noordzijde: de woonpercelen aan de Wethouder Kortingstraat 13 en 19; Oostzijde: agrarisch perceel 2531; Zuidzijde: het agrarische perceel 2520; Westzijde: de woonpercelen aan de Aijen 4b, 4c, 6, 8 en 10. Navolgende afbeelding toont globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
7
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Globale ligging en begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: street smart)
1.3
Geldend plan
Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Aijen', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 2 november 2010. In het geldende bestemmingsplan is de westzijde van het plangebied voorzien van de bestemming 'Wonen' met deels een bouwvlak en de bouwaanduiding 'vrijstaand'. Deze gronden zijn zodoende bestemd voor vrijstaande woningen. Er zijn binnen het bouwvlak 5 vrijstaande woningen toegestaan. De maximum goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk 5,5 m en 9,0 m. In het westen van het plangebied is tevens een verkeersbestemming opgenomen ten behoeve van wegen, straten en paden alsmede parkeervoorzieningen. Aan de oostzijde heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch'. Binnen deze bestemming ligt geen bouwvlak en is alleen bebouwing in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogelijk. Over het gehele plangebied ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De oostelijke en zuidelijke rand van het plangebied ligt binnen de dubbelbestemming 'Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed'.
8
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Aijen' met globale begrenzing plangebied (rode omkadering) Om de gewenste ontwikkeling naar een woonperceel met 9 woningen mogelijk te maken wordt de bestemming voor de gronden in het plangebied herzien.
1.4
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen. Inleiding en gebiedsvisie In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het planologisch kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet. Juridische planbeschrijving In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.
Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
9
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Hoofdstuk 2 2.1
Gebiedsvisie
Huidige situatie
In de huidige situatie zijn de gronden grotendeels vrij van bebouwing en beplanting. Het voormalige kassencomplex is reeds in 2019 gesloopt. Aan de westzijde van het plangebied ligt bestaande verharding en een vrijstaande schuur met daarnaast een strook beplanting. Het bestaande bijgebouw blijft bestaan en maakt onderdeel uit van de nieuwe ontwikkeling.
Impressie huidige situatie
Impressie bestaande situatie vanaf de Wethouder Kortingstraat
10
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
2.2
Toekomstige situatie
De reeds bestaande woonbestemming wordt aan de oostelijke zijde uitgebreid. De woonbestemming sluit hiermee aan op de naastgelegen tuin behorende bij de Wethouder Kortingstraat 13. Voor de rest van het perceel aan de oostzijde blijft de agrarische bestemming behouden. Binnen het plangebied worden 9 woningen mogelijk gemaakt in de vorm van 3 vrijstaande woningen, 2 geschakelde (vrijstaande) woningen en 4 twee-onder-één-kap woningen. De vrijstaande woningen zijn gesitueerd aan de buitenzijde van het plangebied hetgeen zorgt voor een meer open structuur richting het buitengebied. Tussen de vrijstaande woningen en de andere 6 woningen komt een weg te liggen met een keervoorziening aan de zuidzijde van het plangebied. Het bestaande bijgebouw (achter huisnr. 19. aan de noordwestzijde van het plangebied) blijft gehandhaafd. Met deze aangepaste verkavelingsopzet wordt ingespeeld op de bewoners van Aijen. De woonpercelen worden landschappelijk ingepast met opgaand groen rondom de nieuwe percelen met enkele doorzichten naar het open landschap en de dijk. Het plangebied biedt kansen voor het versterken van de natuurwaarden en biodiversiteit doordat de kassen in het verleden zijn gesloopt en het plan wordt ingepast in een stevig landschappelijk kader. Daarbij is er ook ruimte voor openbaar groen. In onderstaande inrichtingsschets is het een en ander landschappelijk ingepast.
Het volledige inrichtingsplan is bijgevoegd als bijlage 1.
Landschappelijke inpassing (Bron: Groen Ruimte, d.d. 17 oktober 2024)
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
11
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven. De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten: Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; Steden en regio's sterker en leefbaarder maken Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan. De ligging van het plangebied in het stroomvoerend rivierbed van de Maas wordt in subparagraaf 3.1.2 getoetst. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bkl wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het stroomvoerend rivierbed van de Maas en valt daarmee binnen het onderwerp 'Grote rivieren' waar een bijzonder rijksbelang van toepassing is.
Bij ontwikkelingen binnen het rivierbed kan volgens het 'Besluit tegemoetkoming schade bij rampen' geen aanspraak worden gemaakt op enige compensatie bij schade, als het een bouwwerk betreft binnen het winterbed van de Maas en deze ná 19 april 1996 (inwerkingtreding van de Beleidslijn Ruimte voor de rivier, later opgevolgd door de Beleidslijn grote rivieren (Bgr)) is gerealiseerd. In titel 2.4 van het Barro is de ruimtelijke doorwerking geregeld. De artikelen 2.4.1. t/m 2.4.5 Barro stellen algemene eisen aan de inhoud van nieuwe bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden die niet behoren tot de zogenaamde 'artikel 6.16-gebieden' van het Waterbesluit, zoals het plangebied. Een bestemmingsplan wijst ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan alleen nieuwe bestemmingen in een rivierbed aan in het geval er sprake is van: a. een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; b. geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; c. een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en
12
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
d. een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. Uit de kaarten behorende bij de Bgr blijkt dat het plangebied grotendeels is gelegen binnen het gebied dat is vrijgesteld van de vergunningplicht voor het gebruik van waterstaatswerken. Op deze gebieden is paragraaf 6 'Gebruik van rijkswaterstaatswerken' van hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing. De te realiseren woningen vallen binnen een gebied dat is vrijgesteld van de vergunningplicht voor het gebruik van waterstaatswerken. Op een beperkt deel van het plangebied ter plaatse van de blauwe arcering binnen de groene omranding is echter het 'stroomvoerend regime' van toepassing:
Uitsnede kaart behorende bij de Waterregeling met globale begrenzing plangebied (groene omkadering) Kleine gedeelten van het plangebied aan de oost en zuidzijde van het plangebied zijn volgens de kaart gelegen binnen het stroomvoerend regime van de Maas. Gebieden waarbinnen het stroomvoerend regime van toepassing is, is tevens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) van toepassing. Dit betekent dat voor bouwwerken en andere werken niet kan worden volstaan met een bouwvergunning, maar dat ook een vergunning in het kader van de Wbr benodigd is. Om een Wbrvergunning te kunnen verkrijgen moeten onder andere rivierverruimende maatregelen worden overlegd, dat wil zeggen dat per saldo rivierwinst (lokaal waterstandsverlaging) wordt bereikt.
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
13
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Overleg Rijkswaterstaat Met Rijkswaterstaat is overleg gevoerd omtrent het voorgaande. Rijkswaterstaat heeft ingestemd met het grotendeels verwijderen van de bestaande dubbelbestemming ''Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed' aan de zuidzijde van het plangebied (binnen de bestemming 'Wonen'). Er blijft een kleine strook over aan de zuidzijde. Ter compensatie daarvoor wordt de aan de oostzijde van het plangebied bestaande dubbelbestemming 'Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed' uitgebreid ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch'. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk
gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek Op basis van jurisprudentie is bij een toevoeging van 11 woningen of minder geen sprake van een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921). Voorliggend initiatief voorziet in de bouw van 9 woningen waarvan er reeds 5 mogelijk waren. De toevoeging van 4 extra woningen maakt dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Zodoende is artikel 3.6.1, tweede lid Bro niet van toepassing. De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet doorlopen te worden. 3.1.4
Conclusie
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014
Provinciale Staten heeft op 12 december 2014 het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) vastgesteld. POL2014 is een strategisch plan voor de ruimtelijke ontwikkeling van Limburg op de middellange termijn en is het resultaat van een intensief samenwerkingsproces met de Limburgse gemeenten en partners. Op basis van een aantal Limburgse principes wordt voor de ontwikkeling van Limburg en nader onderscheiden in de regio’s Noord-, Midden- en Zuid-Limburg een toekomstvisie geschetst en wordt ten aanzien van overkoepelende thema’s als ‘duurzame economische structuur’, ‘aantrekkelijke woon- en leefomgeving’, ‘landelijk gebied met kwaliteit’ en ‘ondergrond’ een aantal ambities en opgaven benoemd. De kwaliteit van Limburg staat daarbij voorop. POL2014 heeft de wettelijke functie van ruimtelijke structuurvisie, provinciaal milieubeleidsplan, regionaal waterplan en provinciaal verkeers- en vervoersplan (PVVP). POL2014 is vervangen door de op 1 oktober 2021 vastgestelde Omgevingsvisie Limburg.
14
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
3.2.2
Provinciale Omgevingsvisie Limburg
Provinciale Staten hebben op 1 oktober 2021 de nieuwe Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. Op 25 oktober is deze visie in werking getreden. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030 – 2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen. In veel gevallen zal het mogelijk zijn om opgaven in samenhang op te pakken en zo win-winsituaties te creëren. Soms zullen opgaven echter met elkaar concurreren om de beperkt beschikbare ruimte. Dat vraagt om keuzes waarbij de belangen van economie, energievoorziening, veiligheid en gezondheid, natuur en ruimtelijke kwaliteit tegen elkaar moeten worden afgewogen. Die balans zal per gebied anders uitpakken. Dat past bij het principe om te werken vanuit de kenmerken en identiteit van gebieden. In gebieden als de Maasduinen is de landbouw minder grootschalig en vervult verblijfsrecreatie een belangrijke rol. De provincie wil die samenwerking stimuleren en waar nodig initiëren. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in de groenblauwe mantel (nu nog 'groenblauwe landschapszone'). Dit gebied omvat onder andere de landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle beekdalen.
De gebieden van de groenblauwe mantel hebben vaak een functie als buffer rond en verbindingszones tussen bestaande natuurgebieden, zoals het Natura 2000-gebied 'Maasduinen'. Dit betreft gebieden met overwegend (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinschalige landschapselementen en waterlopen. Het plangebied is grotendeels bestemd als woongebied en was voorheen grotendeels bebouwd met kassen. Zodoende zijn er geen kernkwaliteiten aanwezig. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling van het plangebied wordt wel voorzien in een landschappelijke kwaliteitsverbetering door middel van een robuuste landschappelijke inpassing. De beperkte wijziging van agrarisch naar wonen maakt dat er geen sprake is van het mogelijk maken van nieuwe activiteiten, danwel wijziging van bestaande activiteiten, die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. 3.2.3
Omgevingsverordening Limburg 2014
Naast het POL2014 (inmiddels vervangen door de nieuwe Provinciale Omgevingsvisie Limburg (zie subparagraaf hiervoor) is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 op 12 december 2014 vastgesteld. Deze verordening blijft nog geldig tot dat de nieuwe Omgevingswet in werking treedt. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid uit de omgevingsvisie juridische binding te geven. Planspecifiek De belangrijkste kaartlaag voor het plangebied betreft kaart 4 'beschermingszone natuur en landschap':
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
15
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Fragment kaart 4 'beschermingszones natuur en landschap' Zoals te zien op voorgaande afbeelding ligt het plangebied binnen de bronsgroene landschapszone. In de Omgevingsverordening is een motiveringsplicht opgenomen die gemeenten vraagt om in de toelichting op nieuwe bestemmingsplannen (voor onderdelen van de bronsgroene landschapszone) aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in het betreffende gebied wordt omgegaan (POL 7.5.4). Deze motiveringsplicht is juridisch vastgesteld in artikel 2.7.2. ‘Bronsgroene landschapszone’: "De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone, bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Als er sprake is van negatieve effecten op natuurwaarden zal er een compensatie plaats moeten vinden." Het plangebied is grotendeels bestemd als woongebied en was voorheen grotendeels bebouwd met kassen. Zodoende zijn er geen kernkwaliteiten aanwezig. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling van het plangebied is wordt wel voorzien in een landschappelijke kwaliteitsverbetering door middel van een robuuste landschappelijke inpassing.
De beperkte wijziging van agrarisch naar wonen maakt dat er geen sprake is van het mogelijk maken van nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten, die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. 3.2.4
Omgevingsverordening Limburg
Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de nieuwe Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 januari 2024. In deze verordening staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van de nieuwe Omgevingsvisie juridische binding te geven.
16
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Planspecifiek In de Omgevingsverordening maakt het plangebied onderdeel uit van het gebied dat op de kaart 7 'Landschap' is aangeduid als 'groenblauwe mantel'. Feitelijk betreft het de voormalige 'bronsgroene landschapszone'. De toelichting bij de Omgevingsverordening zegt hier over: "De beschermingsregimes van de huidige Zilvergroene natuurzone en de huidige Bronsgroene landschapszone komen in de omgevingsverordening sterk overeen. Ook in gebruik van deze gebieden (veelal agrarisch, grondgebonden landbouw) is weinig verschil (dit in tegenstelling tot de Goudgroene natuurzone waar het natuurbelang prevaleert). Het enige wat er verandert is dat ook voor de (voormalige) bronsgroene natuurzone inzichtelijk moet worden gemaakt wat de betekenis van een ontwikkeling in een ‘plangebied’ is voor de natuurwaarden in aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg. Dit wordt in de vigerende verordening ook gevraagd voor de Zilvergroene natuurzone. Belangrijk is ons te realiseren dat dit niet meer is dan een motiveringsplicht en geen gebodsbepaling. De verwachting is dat deze motiveringsplicht in veel situaties weinig extra inspanning (motivering) vergt omdat verbindings- of bufferfuncties niet geraakt worden.
De samenvoeging van de twee zones sluit aan bij de wens tot harmonisatie van de naamgeving van natuurzoneringen vanuit de Omgevingswet." Dit betekent dat er ook bij de toekomstige Omgevingsverordening op dezelfde wijze wordt omgegaan met de voormalige bronsgroene landschapszone. 3.2.5
Conclusie
In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Bergen 2030
In de afgelopen jaren is ook in de gemeente Bergen veel veranderd op het gebied van onder andere bevolkingsopbouw, duurzaamheid en economie. Daarom heeft de gemeenteraad op 23 april 2019 de Omgevingsvisie Bergen 2030 vastgesteld. Deze visie bepaalt in welke richting de gemeente zich wil ontwikkelen. De Omgevingsvisie heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Bergen, met uitzondering van het gebied Wells Meer. Concrete aanvragen van overheden, organisaties, ondernemers en burgers toetst Gemeente Bergen voortaan aan de tien navolgende uitgangspunten van deze visie: 1. Waterbeheer op maat; 2. Voorzieningen bereikbaar houden; 3. Verder bouwen aan een gezonde leefomgeving; 4. Energie onafhankelijk in 2030; 5. Woningvoorraad op maat; 6. Versterken natuurwaarden en biodiversiteit; 7. De meest toekomstbestendige gemeente; 8. Leefklimaat in de dorpen verbeteren; 9. Landschap en Landbouw in balans; 10. Kwaliteitsslag en zonering recreatievoorzieningen. Planspecifiek Uit de visiekaart blijkt dat de hele bestaande kern van Aijen is aangemerkt als 'overige dorpen'. Hier is geen specifiek beleid aan gekoppeld. In Aijen is nog maar een beperkt aantal bouwmogelijkheden aanwezig. Het huidige bestemmingsplan laat de bouw toe van 5 vrijstaande woningen.
Met de realisatie van dit initiatief kunnen er iets meer woningen gerealiseerd worden en kunnen er ook meer verschillende typen woningen gerealiseerd worden (o.a. twee-onder-één-kapwoningen en levensloopgeschikte geschakelde woningen). Dit geeft mogelijkheden voor doorstroming en is positief voor de leefbaarheid van Aijen. Daarnaast zijn er kansen voor het versterken van de natuurwaarden en biodiversiteit doordat de kassen zijn gesloopt en het plan wordt ingepast in een stevig landschappelijk kader. Daarbij is er ook ruimte voor openbaar
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
17
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
groen. De beoogde ontwikkeling draagt daarmee bij aan het realiseren van de gemeentelijke ambities uit de omgevingsvisie. 3.3.2
Volkshuisvestingsprogramma gemeente Bergen (2025 - 2030)
De gemeenteraad heeft op 17 december 2024 het Volkshuisvestingsprogramma gemeente Bergen (2025 - 2030) vastgesteld. De gemeente heeft de ambitie om gemeente Bergen uit te bouwen tot de meest toekomstbestendige gemeente van Nederland. Dit betekent dat ze een aantrekkelijke woongemeente wil zijn met een passend en toekomstbestendig aanbod. De gemeente wil dat al haar inwoners (zowel jong als oud) hun woonwensen zoveel mogelijk binnen de eigen gemeentegrenzen kunnen realiseren. Hiervoor stemt de gemeente het woningaanbod af op de vraag. De gemeente heeft nadrukkelijk aandacht voor de juiste woning op de juiste plek. Het is daarbij belangrijk dat mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen en mee kunnen (blijven) doen in de samenleving. De gemeente zet daarom in op een gezonde leefomgeving en een prettig leefklimaat in de dorpen. De gemeente wil een aantrekkelijke woongemeente zijn en blijven voor al haar inwoners. Hiervoor is vernieuwing nodig. Tot en met 2026 voegt de gemeente daarom minimaal 400 bouwtitels toe. Eén bouwtitel geeft het recht op de bouw van één woning. De gemeente zet daarbij de in 2022 ingezette lijn (realiseren van bouwtitels) door en maakt snelheid in de voor- en procedurefase van woningbouwplannen.
De gemeente voegt in alle dorpen bouwtitels toe en doet dit om haar dorpen vitaal en leefbaar te houden en om ervoor te zorgen dat inwoners hun wooncarrière (indien gewenst) zoveel mogelijk binnen hun eigen dorp kunnen maken. De afgelopen jaren is namelijk te zien dat maar weinig jongeren een woning kunnen vinden in hun eigen dorp. Door het gebrek aan opties verlaten ze hun dorp (en de gemeente). Hierdoor komt het voorzieningenniveau en de leefbaarheid onder druk te staan. Dit moet in de toekomst voorkomen worden. Op basis van de meest actuele huishoudensprognose (inclusief migratie) is er in de gemeente Bergen in de periode 2024 t/m 2030 behoefte aan zo’n 305 extra woningen. Het zwaartepunt van de behoefte ligt in de dorpen Nieuw Bergen en Well, maar ook in alle andere dorpen is behoefte aan extra woningen. Er is vooral behoefte aan extra nultredenwoningen. De behoefte is het grootste in het sociale huur-, middenhuur- en koopsegment. Daarom focust de gemeente eerst op deze segmenten. Ook na 2030 blijft de gemeente Bergen licht groeien. Tussen 2030 en 2040 stijgt het aantal huishoudens nog met zo’n 125. Met de gemeentelijke ambitie om tot en met 2026 400 bouwtitels toe te voegen, vult de gemeente haar woningbehoefte (circa 430 extra woningen tot 2040) dus deels versneld. In de prognose wordt echter nog geen rekening gehouden met het inlopen van het huidige woningtekort.
Deze bedraagt in de gemeente Bergen zo’n 80 woningen. Dit resulteert in een totale opgave van 510 woningen tot 2040. In onderstaande tabel is, aansluitend op bovenstaande woningbehoefte, de indicatieve woningbouwopgave per dorp uiteengezet in een bandbreedte. Deze moet als richtinggevend te worden gezien:
18
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Planspecifiek In Aijen is nog maar een beperkt aantal bouwmogelijkheden aanwezig. Het huidige bestemmingsplan laat de bouw toe van 5 vrijstaande woningen. Met de realisatie van dit initiatief kunnen er 4 extra woningen gerealiseerd worden en kunnen er ook meer verschillende typen woningen gerealiseerd worden (o.a. twee-onder-één-kapwoningen en levensloopgeschikte geschakelde woningen). Dit geeft mogelijkheden voor doorstroming en is positief voor de leefbaarheid van Aijen om zo bij te dragen aan een evenwichtige woningvoorraad. De nieuwe woningen zijn verder duurzaam (gasloos en BENG) en dragen bij aan een meer gevarieerde wijkopbouw in Aijen. Het is aan de toekomstige eigenaren zelf of zij hun nieuwe woning levensloopgeschikt maken. De beoogde ontwikkeling draagt daarmee bij aan het realiseren van de gemeentelijke ambities uit het volkshuisvestingsprogramma. 3.3.3
Conclusie
In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.
3.4
Conclusie
Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig aan het beleid van de verschillende overheden.
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
19
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Hoofdstuk 4
Milieu- & omgevingsaspecten
4.1
Verkeer & parkeren
4.1.1
Verkeer
Om de verkeersgeneratie te bepalen is gekeken naar de ligging van het plangebied. Het plangebied is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een 'niet stedelijk' gebied en het plangebied maakt onderdeel uit van de 'rest bebouwde kom', waardoor de verkeersgeneratie (uitgaande van het gemiddelde van de aangegeven bandbreedtes) uitkomt op: 8,2 voertuigbewegingen per woning (koop, vrijstaand); 7,8 voertuigbewegingen per woning (koop, twee-onder-een-kap). Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 9 woningen in de vorm van 3 vrijstaande woningen, 2 geschakelde (vrijstaande) woningen en 4 twee-onder-één-kap woningen. Dit leidt tot de volgende voertuiggeneratie:
In de bestaande planologische situatie met maximaal 5 vrijstaande woningen betreft de verkeersgeneratie (8,2 x 5) = 41 voertuigbewegingen. Als gevolg hiervan neemt in de toekomstige planologische situatie het aantal woningen in het plangebied met 4 wooneenheden toe. Dit betekent dat het aantal voertuigbewegingen slechts beperkt toeneemt met: 72,2 - 41,0 = 31,2 extra voertuigbewegingen per weekdag. Worst-case zal er echter, omdat de 5 planologisch toegestane vrijstaande woningen nooit zijn gerealiseerd, rekening worden gehouden met 72,2 extra voertuigbewegingen per etmaal. Het plangebied wordt ontsloten via de Wethouder Kortingstraat. Aangezien het om een relatief beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen gaat en de Wethouder Kortingstraat voldoende capaciteit heeft om deze toename op te vangen, leidt de beoogde ontwikkeling niet tot een onacceptabele verkeerstoename. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.1.2
Parkeren
Op 25 april 2023 heeft de gemeenteraad de Nota parkeernormen (gemeente Bergen L.) vastgesteld. Daarom is op basis van deze nota het aantal benodigde parkeerplaatsen bepaald. Het plangebied is gelegen in de zone 'rest bebouwde kom' en er wordt uitgegaan van de categorie 'koop, huis, vrijstaand' en 'koop, huis, twee-onder-een-kap'. Dit leidt tot de navolgende parkeerbehoefte:
20
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
De parkeernorm geeft aan wat de parkeerbehoefte van een functie is. Wanneer binnen een gebied meerdere functies aanwezig zijn of worden gebouwd, vallen de pieken in parkeerbehoefte van die functies niet altijd op hetzelfde moment. Bij woningen is de parkeerbehoefte bijvoorbeeld op werkdagen in de avond en nacht maximaal. Het moment waarop alle gecombineerde functies tezamen een maximale parkeerbehoefte genereren wordt de maatgevende parkeerbehoefte genoemd. De maatgevende parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van de aanwezigheidspercentages. Hierbij wordt bij woningen het bewonersdeel en het bezoekersdeel van de toekomstige parkeerbehoefte van elkaar gescheiden. Uitgaande van dubbelgebruik van het bewoners- en bezoekersdeel van de 9 beoogde woningen bedraagt de maatgevende parkeerbehoefte afgerond 18 parkeerplaatsen. In het meest recente ontwerp zijn 5 woningen met een 'dubbele oprit naast elkaar'. Deze opritten tellen voor 2,0 parkeerplaatsen: 5 x 2,0 = 10,0 parkeerplaatsen. Daarnaast zijn er nog 4 woningen met 'oprit/parkeerplaats'. Deze opritten tellen voor 1,0 parkeerplaatsen: 4 x 1,0 = 4,0 parkeerplaatsen. Daarnaast is er nog voorzien in 4 langsparkeerplaatsen in de openbare ruimte. Per saldo zijn er daarmee 10 + 4 + 4 = 18 parkeerplaatsen en wordt aan de gemeentelijke parkeernorm voldaan.
Er is voldoende ruimte in het plangebied aanwezig om in deze parkeerbehoefte te voorzien. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.2
Bodem
4.2.1
Regelgeving
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). 4.2.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. Bodemopbouw De bodem bestaat voornamelijk uit matig tot sterk siltig, matig fijn zand. De bodem is bovendien zwak tot matig humeus en plaatselijk zwak grindig. In de ondergrond is zeer plaatselijk een leemlaag en leemhoudende zandlaag aangetroffen. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Ook is ter plaatse van boring B02 géén olie/waterreactie waargenomen. Op de onderzoekslocaties zijn twee deellocaties onderzocht.
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
21
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Deellocatie A: Gehele locatie In de bovengrond is een zeer licht verhoogd gehalte aan hexachloorbenzeen gemeten. Dit licht verhoogde gehalte is te relateren aan het voormalige glastuinbouw die op de locatie plaatsgevonden heeft. In de ondergrond zijn analytisch geen verontreiniging vastgesteld. Het grondwater is analytisch licht verontreinigd met zink, cadmium en nikkel. Deze licht verhoogde gehalten zijn hoogstwaarschijnlijk gerelateerd aan regionaal verhoogde achtergrondwaarden. Deellocatie B: Vml. olie- en bestrijdingsmiddelenopslag Ter plaatse van de voormalige olieopslag zijn in de bovengrond geen verhoogde gehalten aan minerale olie gemeten. In het grondwater zijn tevens geen verontreinigingen met olie(gerelateerde) producten geconstateerd. Er zijn in mengmonster MMB01 en MMB03 geen EOX waarden boven de detectielimiet gemeten. Aanvullend stofspecifiek onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Advies Op basis van de (zeer) licht verhoogde gehalten in de grond- en het grondwater bestaat er geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie bestaan er op milieuhygiënisch vlak dan ook géén belemmeringen. De eindsituatie ter plaatse van de voormalige olie- en bestrijdingsmiddelenopslag is middels het onderhavig onderzoek vastgelegd. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.3
Geluid
4.3.1
Regelgeving
Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen. De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen.
Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie: waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering; waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woonen leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.
22
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Regelgeving In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt. Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel 76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel:
Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg) De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB. 4.3.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Wegverkeerslawaai De Wethouder Kortingstraat te Aijen kent ter plaatse van het plangebied een snelheidsregime van 30 km/u. De 60 km/u zone begint ten zuiden van het plangebied pas na het verlaten van de bebouwde kom voorbij Kampweg 8A en ten noordoosten van het plangebied bij de dijkovergang richting Well. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is daarom niet noodzakelijk. Dit wordt nog ondersteund door de geringe breedte van deze wegen en de naar verwachting lage verkeersintensiteit ter plaatse. Railverkeerslawaai De woningen in het plangebied zijn niet gelegen binnen de zone van een spoorlijn. Akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai is derhalve niet benodigd. Industrielawaai De woningen in het plangebied zijn niet gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai is derhalve niet benodigd. 4.3.3
Conclusie
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.4
Milieuzonering
4.4.1
Regelgeving
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
23
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied. Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Tabel 4.1: richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. 4.4.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In de directe omgeving van het plangebied komen geen niet-woonfuncties voor met een richtafstand die overlapt met het plangebied. Bovendien zijn er bestaande woningen gelegen tussen het plangebied en het horecabedrijf aan de westzijde van de Kampweg (= meest nabij gelegen nietwoonfunctie) en heeft het plangebied ook in de bestaande situatie al een woonfunctie. Het horecabedrijf aan de Kampweg 1 ligt op circa 75 m ten westen van het plangebied en is daarmee niet relevant. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Regelgeving
De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:
24
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 % ten opzichte van de grenswaarde). Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen. een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend. Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd.
In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. 4.5.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 9 woningen mogelijk. Dit betekent dat er sprake is van een NIBM-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In paragraaf 4.1.1 is de toename van het aantal voertuigbewegingen bepaald. Uit de NIBM-tool (versie 24 april 2024) blijkt dat inderdaad sprake is van een NIBM-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit:
Om na te gaan wat de (verwachte) situatie van de luchtkwaliteit in het plangebied is bij monitoringsronde 2024 in de monitoringsjaren 2023 en 2030 is, is gebruik gemaakt van de monitoring van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Zowel voor de NO2-concentratie, de PM10-concentratie alsmede de PM2.5-concentratie blijkt de luchtkwaliteit voor zowel nu als in de toekomst acceptabel te zijn, zie navolgende tabel. In deze tabel is de luchtkwaliteit op het meest nabij gelegen rekenpunt (receptor wegverkeer 50052969_15986770) weergeven:
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
25
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
2023 (µg/m3)
2030 (µg/m3)
NO2
10,6
9,7
PM10
14,2
12,6
PM2,5
7,9
6,6
Daarmee worden de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet overschreden. Het plan voegt daar ook geen in betekenende mate verslechtering aan toe. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 µg/m³ mag maximaal 35 keer per jaar overschreden worden. Uit het CIMLK blijkt dat in zowel 2023 als 2030 het totaal aantal overschrijdingsdagen 6 bedraagt, waarmee ruimschoots aan de daggemiddelde grenswaarde wordt voldaan. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.6
Geur
4.6.1
Regelgeving
Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel:
Binnen bebouwde kom
Buiten bebouwde kom
Concentratiegebied
Niet-concentratiegebied
diercategorieën Rgv
maximaal 3 ouE/m³
maximaal 2 ouE/m³
andere diercategorieën
minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object
minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object
diercategorieën Rgv
maximaal 14 ouE/m³
maximaal 8 ouE/m³
andere diercategorieën
minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object
minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object
Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. De gemeente Bergen beschikt over een dergelijke verordening in de vorm van de Verordening geurhinder en veehouderij 2007. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: de geurbelasting wordt bepaald; de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit Milieubeheer zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij
26
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). 4.6.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving met een geurcontour die (deels) over het plangebied gelegen is. Bovendien zijn tussen het omliggende agrarische bedrijf en het plangebied al andere gevoelige (woon)bestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van het betreffende agrarische bedrijf. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen.
bestemmingsplan "Wethouder Kortingstraat 19" (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Wethouder Kortingstraat 19
De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording). 4.7.2