CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

251022 BOPA Westflank Well

Gemeenteraad 16 december 2025, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel een bindend advies te geven op de aanvraag omgevingsvergunning voor het realiseren van 37 woningen in het woningbouwplan 'Westflank Well';15.199 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

"BOPA Westflank Well"

31

BOPA Westflank Well

bestaande bouw) van zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen. Er geldt een plicht (artikel 5.14 Bkl) tot het aanwijzen van een voorschriftengebied als in een aandachtsgebied een zeer kwetsbaar gebouw wordt toegelaten. 4.7.2

Doorvertaling BOPA

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen:

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding besluitgebied (blauwe omkadering, bron: www.risicokaart.nl) Risicovolle activiteiten Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het besluitgebied niet is gelegen binnen het aandachtsgebied van een bedrijf waar risicovolle activiteiten plaatsvinden. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het besluitgebied niet is gelegen binnen het aandachtsgebied van een aardgastransportleiding. De meest nabijgelegen aardgastransportleiding (9 inch) ligt op meer dan 1 km ten westen van het besluitgebied en is daarmee niet relevant in het kader van externe veiligheid. Vervoer van gevaarlijke stoffen Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het besluitgebied niet is gelegen binnen het aandachtsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het besluitgebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

32

"BOPA Westflank Well"

BOPA Westflank Well

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het besluitgebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het besluitgebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. De toekomstige bewoners zullen zelf redzaam zijn. Er is in het besluitgebied geen sprake van het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA.

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Regelgeving

De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen dient steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. Beleid Waterschap Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022, het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) 2020 – 2025, het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 van Waterschap Limburg, de Omgevingsverordening Limburg (2021), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:  vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Gemeentelijk beleid Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020 - 2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke 'Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022'. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen. 4.8.2

Doorvertaling BOPA

Huidige situatie Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak In de bestaande situatie is het hele besluitgebied onverhard. De voorheen aanwezige kassen zijn al jaren geleden (2011/2012) gesloopt.

"BOPA Westflank Well"

33

BOPA Westflank Well

Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden Zoals het geldende bestemmingsplan ''Leuken-Seurenheide' en de Omgevingsverordening Limburg aantonen, ligt het besluitgebied niet in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de grondwaterstand in het besluitgebied zich bevindt op circa 4,0 - 4,8 m onder het maaiveld. Vanuit grondwaterkwaliteit zijn er dan ook geen belemmeringen. Huidige verwerking hemelwater In de huidige situatie valt het hemelwater op het onverharde besluitgebied en kan het water direct in de bodem infiltreren. Huidige verwerking afvalwater en waterkwaliteit Er vindt geen verwerken van afvalwater plaats in de huidige situatie. Aanwezig oppervlaktewater In (of in de directe nabijheid van) het besluitgebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Grondwaterstanden en maaiveldhoogte Op basis van de kaarten behorende bij het Basisregistratie Ondergrond (BRO) is het besluitgebied aangewezen als 'hoge bruine enkeerdgronden, grof zand' en 'duinvaaggronden, grof zand'. De gemiddelde diepte van de grondwaterspiegel is gelegen op meer dan 5 m onder het maaiveld (Bron: broloket.nl, grondwatermonitoringsput GMW000000060229 Buis 1). De bestaande maaiveldhoogte ligt volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) op circa 17,2 - 17,5 m +NAP.

Toekomstige situatie en waterbergingsopgave Planbeschrijving In paragraaf 2.2 is het beoogde woningbouwplan weergegeven. Ontwerp nieuw watersysteem Hemelwater Wat betreft hemelwater streeft de gemeente Bergen ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het besluitgebied te verwerken conform de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 en het gemeentelijk rioleringsplan 2020 – 2025. Volgens de indicatieve kaarten van het Waterschap Limburg is de doorlatendheid voor hemelwater ter plaatse zeer goed, met 1,5 tot 10,0 m per dag. Dit wordt ook bevestigd door het verkennend bodemonderzoek waaruit blijkt dat de bodem tot een diepte van 6,2 m -mv overwegend bestaat uit matig fijn tot matig grof zand met in de ondergrond een grindige bijmenging. Het hemelwater zal ter plaatse goed kunnen infiltreren. Worst-case wordt ervan uitgegaan dat alle verharding in het besluitgebied nieuw is. De hemelwaterafvoer van de daken van de nieuwe twee-aaneengebouwde en vrijstaande woningen inclusief bijbehorende bouwwerken worden afgekoppeld en dit water kan, samen met de hemelwaterafvoer van de terreinverharding op eigen terrein, infiltreren in de bodem op eigen perceel. De toekomstige eigenaren van deze woonpercelen zijn verplicht om op eigen terrein te voorzien in voldoende waterberging voor hun eigendom.

Dit wordt als voorwaarde in de omgevingsvergunning opgenomen. Het water uit de openbare ruimte en ter plaatse van de aaneengebouwde woningen (rijwoningen) kan afstromen in wadi's op verschillende plekken in het besluitgebied (centraal in het besluitgebied en aan de oostzijde). Deels wordt de wateropvang buitenplans gerealiseerd, passend binnen de daar geldende functie. Zie navolgende afbeelding voor de visualisatie en duiding van voldoende berging.

34

"BOPA Westflank Well"

BOPA Westflank Well

Afvalwater Het afvalwater van de woningen zal worden aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioolstelsel onder de Elsterendijk. Er wordt uitgegaan van gemiddeld 129 l afvalwater per dag per persoon (bron: Vewin). Indien wordt uitgegaan 2,12 personen per woning (= gemiddelde huishoudgrootte in Nederland in 2023) zal er per dag circa 2,12 x 0,129 x 37 = 10,1 m³ afvalwater worden geloosd op het rioleringsstelsel. Met het aansluiten van de woningen moet voldaan worden aan de uitgangspunten uit het GRP Bergen (L) 2020 - 2025 uit 2019 en conform Afdeling 3 van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022. Grondwater De beoogde ontwikkeling is niet van wezenlijke invloed op de grondwaterstand in het besluitgebied. Waterkwaliteit en beheer Het hemelwater dat terecht komt op de bebouwing en verharding wordt beschouwd als schoon wanneer geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt worden. Daarom mogen er uitsluitend nietuitlogende bouwmaterialen gebruikt voor de nieuwe woningen met bijgebouwen. Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA.

"BOPA Westflank Well"

35

BOPA Westflank Well

4.9

Ecologie

4.9.1

Regelgeving

Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow). Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht, waarbij de specifieke zorgplicht kan worden opgedeeld in de Specifieke zorgplicht natura2000 (art.11.6 Bal), Specifieke zorgplicht soorten (artikel 11.27 Bal) en de Specifieke zorgplicht houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Uit de toelichting bij het Bal volgt dat deze specifieke zorgplichten voortborduren op de algemene zorgplicht in de Omgevingswet, maar concreter zijn.

Omdat zij concreter zijn, kunnen zij volgens de toelichting niet uitsluitend bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. De zorgplicht geldt daarbij ook voor vergunningsplichtige activiteiten. Soortenbescherming Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uit bijlage 1 Omgevingswet volgt dat een flora-en-fauna-activiteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (artikel 11.37 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal) en Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen voor flora- en fauna-activiteiten, staan in afdeling 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Gebiedsbescherming Artikel 11.6, lid 1 van het Bal bepaalt dat degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming, verplicht is om:

36

"BOPA Westflank Well"

BOPA Westflank Well

  

alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Stikstofdepositie Artikel 2.15a Ow geven de (resultaatsverplichtende) omgevingswaarden voor stikstofdepositie gehandhaafd. Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningsplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow). 4.9.2

Doorvertaling BOPA

Gebiedsbescherming Het besluitgebied heeft geen beschermde status in het kader van de natuurwetgeving (Natura 2000gebied (Vogel- of Habitatrichtlijngebieden). Het dichtstbijzijnde gebied dat onder de bescherming van de Wet natuurbescherming valt is het Natura 2000-gebied 'Maasduinen', circa 330 m ten oosten van het besluitgebied. De voorliggende ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden en heeft ook geen significant verstorend effect op de soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. Daarnaast is het besluitgebied ook niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN), in Limburg Natuurnetwerk Limburg genoemd, gelegen. Omdat er, als gevolg van de voorgenomen plannen, geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren gaat, is er geen verdere toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN nodig. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie als gevolg van het toevoegen van woningen zijn op voorhand niet uit te sluiten. Vandaar dat ten aanzien van de stikstofdepositie naar stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden een stikstofdepositieonderzoek is uitgevoerd vanwege de aanleg- en de gebruiksfase. Om ook beroepen aan huis mogelijk te maken, is worst-case uitgegaan van 3 extra voertuigbewegingen per woning per etmaal.

De rapportage van het onderzoek is als bijlage 8 bij de motivering opgenomen. Met toepassing van deze procedure bestaat de mogelijkheid om de beoordeling van de Natuurvergunning een stap naar achter te verplaatsen. De vergunning aangaande stikstof maakt nu geen onderdeel meer uit van het plan zelf (de omgevingsvergunning voor een BOPA regelt puur de ruimtelijke kant in de vorm van een gebruiksaanwijzing), maar wordt nu slechts de verantwoordelijkheid van de verlenende instantie, de Provincie. Op de gemeente rust alleen de plicht om een beoordeling te maken of de Natuurvergunning naar alle waarschijnlijkheid kan worden verleend. Op deze manier kan een omgevingsvergunning worden verleend voor de activiteit afwijken van regels in het omgevingsplan. De uiteindelijke verlening van de natuurvergunning voor stikstof is verzekerd door de reservering in het SSRS-fonds. Daarmee is gegarandeerd dat het woningbouwplan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat er geen stikstofdepositie kan worden toegerekend aan dit initiatief, door de stikstofrechten uit de SSRS-reservering. Op deze manier kan een ruimtelijke BOPA-vergunning verleend worden. Soortenbescherming Er is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd in het besluitgebied. De resultaten van deze quickscan zijn als bijlage 5 bij de motivering gevoegd.

Het besluitgebied heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Het besluitgebied is wel mogelijk geschikt leefgebied voor soorten die niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). In navolgende tabel is dit samengevat:

"BOPA Westflank Well"

37

BOPA Westflank Well

Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Gezien de uitkomsten van de quickscan moet voorafgaand aan de werkzaamheden met aanvullend onderzoek worden vastgesteld of het besluitgebied een relevante functie heeft voor de das en steenmarter (soortenbescherming). De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 6 bij de motivering gevoegd:  In de periode maart-oktober 2024 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van das in het besluitgebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in de Kennisdocumenten (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek zijn individuen en sporen van dassen aangetroffen binnen het besluitgebied. Er is in het besluitgebied sprake van 1,27 ha primair essentieel leefgebied van de das dat wordt weggenomen.  In de periode maart-oktober 2024 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van steenmarter in het besluitgebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument kleine marterachtigen (BIJ12, 2024). Tijdens het onderzoek zijn individuen en sporen van de steenmarter aangetroffen binnen het besluitgebied.

Voor de steenmarter geldt dat er geen protocollair onderzoek voor bestaat om deze dierensoorten met zekerheid te kunnen vaststellen en dus lastig te onderzoeken zijn. Voor de steenmarter en kleine marterachtigen wordt daarom een losse notitie gemaakt waarin mitigerende maatregelen voor deze diersoorten worden opgesteld.  In de periode september-oktober 2024 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) in het besluitgebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument kleine marterachtigen (BIJ12, 2024). Tijdens het onderzoek zijn geen individuen of duidelijke sporen van kleine marterachtigen aangetroffen binnen het besluitgebied. Kleine marterachtigen zijn echter lastig te onderzoeken. De aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen is niet uit te sluiten. Voor de kleine marterachtigen geldt dat er geen protocollair onderzoek voor bestaat om deze dierensoorten met zekerheid te kunnen vaststellen en dus lastig te onderzoeken zijn. Voor de steenmarter en kleine marterachtigen wordt daarom een losse notitie gemaakt waarin mitigerende maatregelen voor deze diersoorten worden opgesteld.  Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot das, kleine marterachtigen en steenmarter.

Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in het besluitgebied. Er is een konijnenhol aangetroffen in het besluitgebied. In de provincie Limburg geldt een vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen voor het konijn, waardoor konijnen niet zijn beschermd. Er dient echter wel rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht, waarbij het konijn de kans krijgt om zijn hol te verlaten. Hoewel het konijn niet meegenomen hoeft te worden in de te nemen maatregelen voor de das, kleine marterachtigen en steenmarter, zal het konijn wel profiteren van deze maatregelen. Met betrekking tot de overige waargenomen soorten is geen sprake van overtreding, mits de Algemene zorgplicht in acht wordt genomen. Vanwege de resultaten uit het aanvullend onderzoek is in de periode januari 2025 een 38

"BOPA Westflank Well"

BOPA Westflank Well

foerageergebiedsanalyse ten aanzien van de das uitgevoerd. De rapportage van deze analyse is als bijlage 7 bij de motivering gevoegd. Tijdens de analyse zijn (a) binnen een straal van 2 km van het besluitgebied alle burchten in kaart gebracht, (b) gekeken welke burchten hiervan actief waren en (c) alle gebieden binnen een straal van 2 km vanaf elke burcht beoordeeld op de essentiële functie ervan. Naar aanleiding van de verkregen resultaten is Blom Ecologie van mening dat er voor alle 4 actieve burchten voldoende alternatief foerageergebied voorhanden is. Slechts 1-3% van het primair foerageergebied wordt aangetast. Met name gebieden binnen een straal van 500 m van de burchten zijn veelal van essentieel belang voor de das en dienen de burcht jaarrond van voedsel te kunnen voorzien. De vastgestelde burchten liggen op een afstand tussen 0,5 – 1,3 km vanaf het besluitgebied. Als daarnaast wordt ingezoomd op de burchten die aannemelijk gebruik maken van het besluitgebied, blijft er na afname van het primair leefgebied nog respectievelijk 141,7 ha en 40,7 ha voor de burchten 1 (Het Leuken) en 2 (Bosserheide).

Alhoewel de eerder verkregen resultaten uit het aanvullend onderzoek erop duiden dat er binnen het besluitgebied aanwezige territoriale grenzen gelden, heeft het besluitgebied door nader onderzoek naar de aanwezigheid van burchten binnen een straal van 2 km, geen essentieel belang voor de dassenpopulatie. In de omgeving zijn namelijk voldoende alternatieven voorhanden. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling c.q. realisatie van de woonwijk bestaande uit 37 woningen leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling zoals geformuleerd in de Bal artikel 11.54. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is derhalve niet benodigd. Voor de uitvoering van de beoogde ruimtelijke ingreep is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. Er gelden in het kader van natuurwetgeving geen verdere vervolgstappen ten aanzien van de das. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden moet wel rekening worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen:  Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).

 Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, moet direct contact opgenomen worden met een ter zake deskundige.  Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig het besluitgebied te verlaten.  Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.  Het besluitgebied, de omliggende bomenrijen en bosgebieden tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Indien verlichting noodzakelijk is hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze gebruiken (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).  Voor rugstreeppad moet het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden.

Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 cm hoog en minimaal 10 cm ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.  De kapwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen moet voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd worden of er broedvogels aanwezig zijn.  In het kader van de Wet natuurbescherming zijn er, met inachtneming van de zorgplicht en broeden nestperiode, geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA.

"BOPA Westflank Well"

39

BOPA Westflank Well

4.10

Archeologie & cultuurhistorie

4.10.1 Regelgeving Uit artikel 1.2 lid 2 van de Ow volgt dat cultureel erfgoed en werelderfgoed onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van erfgoederen (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). De essentie van het beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het doel van deze wetgeving is om archeologische resten in de bodem zoveel mogelijk te behouden en cultureel erfgoed en landschap zoveel mogelijk te beschermen. Daarnaast zijn er ten aanzien van de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd: archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Voor onderhavige procedure (BOPA-activiteit) is artikel 5.130 uit het Bkl van toepassing door de lusbepaling in artikel 8.0b van het Bkl.

4.10.2 Doorvertaling BOPA Archeologie Op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart en de vertaling daarvan in een juridische regeling elders in bestemmingsplannen in de gemeente is te zien dat het besluitgebied aan de uiterste zuidzijde valt binnen categorie 5 'gebieden van middelhoge archeologische verwachting'. Er is op basis van de regels behorende bij deze categorie geen omgevingsvergunning nodig voor bodemverstoringen tot een bruto oppervlakte van ten hoogste 2.500 m2.

40

"BOPA Westflank Well"

BOPA Westflank Well

Deze categorie zal gezien de hoge oppervlaktegrens in de praktijk geen belemmering vormen voor de realisatie van woningen binnen deze zone. Het overige deel van het besluitgebied valt in categorie 6. Dit zijn gebieden met een lage archeologische verwachting. Hier geldt geen onderzoeksplicht. Cultuurhistorie Uit raadpleging van de gemeentelijke kaarten met landschappelijke en cultuurhistorische elementen, blijkt dat er geen cultuurhistorische waarden in het besluitgebied voorkomen:

"BOPA Westflank Well"

41

BOPA Westflank Well

Uitsnede kaart landschappelijke en cultuurhistorische elementen met globale aanduiding besluitgebied (rode omkadering) De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA.

4.11

Leidingen

4.11.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”;  defensiebrandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.

42

"BOPA Westflank Well"

BOPA Westflank Well

4.11.2 Doorvertaling BOPA In (de directe omgeving) van het besluitgebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, waarmee bij de uitvoering van de beoogde plannen rekening moet worden gehouden.

4.12

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.12.1 Regelgeving De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) bepaalt dat voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Het doel van deze regel is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering van stedelijke ontwikkelingen en het voorkomen van overprogrammering hiervan. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, moet worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel-voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van 12 woningen of meer binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 bruto vloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 4.12.2 Doorvertaling BOPA De voorliggende ontwikkeling maakt in planologische zin maximaal 37 extra woningen mogelijk. Gelet hierop is sprake van een stedelijke ontwikkeling en moet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Omdat er wel behoefte is aan nieuwe woningen in de kern Well, maar er binnenstedelijk geen ruimte meer is, kiest de gemeente ervoor om de kern in westelijke richting, ten westen van de Elsterendijk, uit te breiden. Dat er binnenstedelijk geen ruimte meer is, wordt ondersteund door kaartlaag 'Landelijke kernen' uit de Omgevingsverordening Limburg (geconsolideerde versie, d.d. 3 februari 2025).

"BOPA Westflank Well"

43

BOPA Westflank Well

Begrenzing besluitgebied (rode omkadering) in relatie tot bestaand bebouwd gebied (= landelijke kernen) en omliggend Natuurnetwerk Limburg en Groenblauwe mantel Tevens valt uit deze provinciale kaarten op te maken, dat alleen aan de west- en de noordzijde gronden zijn gelegen die geen landschaps- en/of natuurwaarden hebben. De voorkeur van de gemeente gaat hierbij sterk uit naar uitbreiding in westelijke richting, omdat zij aan de noordzijde graag een groenere begrenzing richting de provinciale weg N271 wil handhaven. Daarmee heeft uitbreiding van de kern in westelijke richting de voorkeur. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de regionale woningbouwprogrammering, zie verder subparagraaf 3.4.1). Het aspect 'ladder voor duurzame verstedelijking' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA.

4.13

M.e.r.-beoordeling

4.13.1 Regelgeving De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Voor het bepalen of een plan eventueel m.e.r.-plichtig is, zijn artikel 16.36, lid 3 en 4 en artikel 16.43 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde m.e.r.-beoordeling 2 mogelijke resultaten: 1. Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-m.e.r. en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. 2. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-m.e.r. nodig en er wordt geen MER gemaakt. Project m.e.r.-beoordeling Uit artikel 16.43, vierde lid aanhef en onder b blijkt bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een onderdeel van een omgevingsplan als een te nemen besluit voor een project wordt aangemerkt.

44

"BOPA Westflank Well"

BOPA Westflank Well

In het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen: a. die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt, en b. waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Plan m.e.r.-beoordeling Er zijn 3 situaties waarin een plan-m.e.r.-beoordeling aan de orde kan komen: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het betreft geen project dat in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-m.e.r.plichtig. In dit geval moet een plan-m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit, maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een plan-m.e.r.-beoordeling is aan orde indien: a. Het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft. b. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. 3. Als bij de voorbereiding van het plan op grond van artikel 16.53c van de Omgevingswet een passende beoordeling moet worden gemaakt.

4.13.2 Doorvertaling BOPA Project m.e.r.-beoordeling In bijlage V van het omgevingsbesluit zijn projecten aangewezen waarvoor een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt. De gewenste ruimtelijke ontwikkeling in de vorm van woningbouw is te categoriseren als een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen', zoals opgenomen onder J11 in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Uit de aanwijzing blijkt dat de directe m.e.r.-plicht ingevolge artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet, niet van toepassing is, maar wel een m.e.r.-beoordelingsplicht ingevolge het gestelde in de aanhef en onder b van dat lid. Het omgevingsplan is hierbij, in samenhang met artikel 11.6, derde lid aanhef en onder c van het Omgevingsbesluit aangewezen als het benodigde besluit bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Ingevolge artikel 16.43, tweede lid van de Omgevingswet is beoordeeld of sprake is van aanzienlijke milieueffecten hierbij wordt overeenkomstig het derde lid aanhef en onder a rekening gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. In bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn zijn de volgende selectiecriteria vermeld: 1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. de omvang van het project; b.

de cumulatie met andere projecten; c. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; d. de productie van afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. 2. Plaats van de projecten Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bestaande grondgebruik; b. de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: 1. wetlands; 2. kustgebieden; 3. berg- en bosgebieden;

"BOPA Westflank Well"

45

BOPA Westflank Well

4. reservaten en natuurparken; 5. gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, 6. gebieden waarin de bij wetgeving van de Unie vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, 7. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, 8. landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3. Kenmerken van het potentiële effect De potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in beschouwing worden genomen en in het bijzonder betrekking hebben op: a. het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); b. het grensoverschrijdende karakter van het effect; c. de orde van grootte en de complexiteit van het effect; d. de waarschijnlijkheid van het effect; e. de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

Onderhavig woningbouwproject en omgevingsplan zijn in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit onder J11, in samenhang met artikel 11.6, derde lid aanhef en onder c van het Omgevingsbesluit en artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b van de Omgevingswet aangewezen als project en het daarvoor benodigde besluit waarvoor moet worden beoordeeld of dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben, en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent deze BOPA te kunnen nemen. Er zijn geen aanzienlijke milieueffecten. Het aspect 'm.e.r.-beoordeling' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA.

46

"BOPA Westflank Well"

BOPA Westflank Well

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

Overheden zijn bij medewerking aan een ontwikkeling verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de (bouw)activiteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in het omgevingsplan, een BOPA of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn:  aangewezen bouwactiviteiten;  aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De gemeente heeft de gronden van deze locatie in eigendom. De gemeente geeft de gronden uit, waarvoor een overeenkomst wordt gesloten met een ontwikkelaar. Het kostenverhaal is daarmee verzekerd middels de voorwaarden die de gemeente stelt bij de gronduitgifte. Voor de ontwikkeling van deze locatie voert de gemeente een grondexploitatie. Hierin zijn opgenomen de aankoop van de in eigendom zijnde gronden, de kosten voor het bouwrijp maken van de grond, de gemeentelijke plankosten en de overige kosten. Deze kosten zijn gedekt door de opbrengst van de gronduitgifte. De financieel-economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1

Participatie

Met participatie wordt in de Omgevingswet bedoeld 'het in vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van besluitvorming of een project of activiteit om tijdig belangen, meningen en creativiteit op tafel te krijgen'. Het gaat nadrukkelijk om het betrekken van partijen bij het besluitvormingsproces voordat formele besluitvorming van start gaat. Vroegtijdige participatie moet mensen in staat stellen mee te denken aan een nog te maken keuze voor de toekomst van een gebied of locatie. Participatie hoeft niet te leiden tot overeenstemming. Participatie is maatwerk en de vorm is afhankelijk van het initiatief. Op 18 december 2023 heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Het verslag van deze omgevingsdialoog, vindt u in bijlage 9 bij deze motivering. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is een zienswijzennota opgesteld. Deze vindt u in bijlage 10 bij deze motivering. 5.2.2

Overleg ketenpartners

Op 13 november 2023 is dit plan afgestemd in het regionaal afstemmingsoverleg. Er werd positief ingestemd met deze ontwikkeling.

"BOPA Westflank Well"

47

BOPA Westflank Well

48

"BOPA Westflank Well"

BOPA Westflank Well

Bijlagen bij motivering

"BOPA Westflank Well"

49

BOPA Westflank Well

Bijlage 1

50

Beeldkwaliteitplan

"BOPA Westflank Well"

BOPA Westflank Well

Bijlage 2

Diverse bodemonderzoeken

"BOPA Westflank Well"

51

BOPA Westflank Well

Bijlage 3

52

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

"BOPA Westflank Well"

BOPA Westflank Well

Bijlage 4

Akoestisch onderzoek industrielawaai

"BOPA Westflank Well"

53

BOPA Westflank Well

Bijlage 5

54

Quickscan Wet natuurbescherming

"BOPA Westflank Well"

BOPA Westflank Well

Bijlage 6

Aanvullend ecologisch onderzoek

"BOPA Westflank Well"

55

BOPA Westflank Well

Bijlage 7

56

Foerageergebiedsanalyse das

"BOPA Westflank Well"

BOPA Westflank Well

Bijlage 8

Stikstofdepositieonderzoek

"BOPA Westflank Well"

57

BOPA Westflank Well

Bijlage 9

58

Omgevingsdialoog

"BOPA Westflank Well"

BOPA Westflank Well

Bijlage 10 Zienswijzennota

"BOPA Westflank Well"

59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16226977/1