2. Toelichting VFL
Tekst van het document
Het regelen van de frequentie en locatie van de inzameling wordt in beginsel overgelaten aan het college. De raad bepaalt wel welke bestanddelen in ieder geval afzonderlijk ingezameld dienen te worden. Dit is onder meer van belang omdat artikel 4:6 aan burgers het verbod oplegt om die bestanddelen ongescheiden ter inzameling aan te bieden.
17
Artikel 4:6 Gescheiden aanbieding Dit artikel regelt de keerzijde van artikel 4:5. Wat gescheiden moet worden ingezameld, moet ook gescheiden worden aangeboden. Voor de bestanddelen die niet gescheiden worden ingezameld, geldt dat het tweede lid een grondslag biedt voor het toestaan van niet-afzonderlijke aanbieding. Concrete omschrijvingen van de bestanddelen kunnen door het college in de nadere regels op grond van het tweede lid worden gegeven om discussies te slechten en om in het kader van de handhaving houvast te bieden (‘welles/nietes-lijst’). Ook kan van de vrijstellingsmogelijkheid gebruik worden gemaakt om te regelen dat bepaalde hoeveelheden (fracties) van de bestanddelen mogen voorkomen bij de inzameling van andere bestanddelen. Zo zal het niet verboden hoeven te zijn als er eens een papiertje tussen het GFT-afval voorkomt. Het is niet mogelijk om bij nadere regels af te wijken van de verplichting om gescheiden in te zamelen en aan te bieden, voor zover die verplichting voortvloeit uit artikel 1 van het Besluit GIHA. Artikel 4:7 Tijdstip van aanbieding De tijdstippen voor de inzameling van huishoudelijk afval worden door het college bepaald. Het gaat hier om een besluit van algemene strekking, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Het besluit is daarom vatbaar voor bezwaar en beroep.
Artikel 4:8 Wijze en plaats van aanbieding Er is een onderscheid tussen inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen. Inzamelmiddelen dienen het ter inzameling aanbieden door een huishouden, zoals een minicontainer, afvalemmer, plastic afvalzak. Inzamelvoorzieningen dienen het collectief ter inzameling aanbieden door meerdere huishoudens, zoals een verzamelcontainer of een wijkcontainer, voor het inzamelen daarvan. Op grond van dit artikel kunnen inzamelmiddelen worden voorgeschreven. Ook kunnen hier regels worden gesteld over het gebruik van inzamelvoorzieningen. De regels over het gebruik van de inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen zijn in beginsel algemeen verbindende voorschriften. Het college kan in deze regels ook concreet locaties aanwijzen voor de inzamelvoorzieningen. Een dergelijk onderdeel van de regels is geen algemeen verbindend voorschrift dus daartegen staat bezwaar en beroep open. Het tweede lid bevat een verbod om de inzamelmiddelen buiten het perceel te laten staan na afloop de bepaalde dag en tijden. Gebruikers van een perceel zijn gehouden de inzamelmiddelen binnen het perceel te bewaren. Het verbod geldt ook voor afval dat op de ophaaldag is buitengezet, maar om wat voor reden dan ook, niet is opgehaald, tenzij de gemeente hier actief anders over communiceert.
Het derde lid bevat een grondslag voor nadere regels over de wijze van gebruik van inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen voor categorieën van percelen. Te denken valt aan een onderscheid dat gemaakt kan worden tussen hoogbouw en laagbouw. De regels kunnen een vrijstelling van het verbod in het eerste lid of het verbod in het tweede lid inhouden. Deze vrijstelling blijkt dan uit de nadere regels van het college. Artikel 4:9 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst De inzameldienst kan ook bepaalde bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen inzamelen. Anders dan bij huishoudelijke afvalstoffen geldt voor bedrijfsafvalstoffen echter geen zorgplicht voor de gemeente. Inzameling van bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst is daarom een daarvan te onderscheiden activiteit waarbij de inzameldienst tegen vergoeding afval inzamelt bij bedrijven. In de praktijk gaat het daarbij veelal om afval uit de KWD-sector of bouw- en sloopafval (voor zover dit niet wordt gerekend tot het huishoudelijk afval). Artikel 4:10 Aanbieding ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Alleen die bedrijven die betalen voor de gemeentelijke inzamelvoorzieningen mogen hun bedrijfsafvalstoffen aanbieden aan de inzameldienst.
Artikel 4:11 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het college kan, net als bij huishoudelijke afvalstoffen, regels stellen over de wijze waarop de bedrijfsafvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden. De basis voor het stellen van regels over de inzameling van bedrijfsafvalstoffen kan worden gevonden in artikel 10.23, derde lid, van de Wet milieubeheer. De memorie van toelichting zegt hierover: “Ten aanzien van de inzameling van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen mogen ook in het belang van de bescherming van het milieuregels worden gesteld. Blijkens het derde lid mogen deze regels geen vergunningstelsel inhouden. Dit is krachtens artikel 10.48 van de Wet milieubeheer voorbehouden aan de minister. Vanzelfsprekend mogen de gemeenten hun bevoegdheid evenmin benutten ter bevoordeling van de eigen inzameldienst en ten nadele van andere aanbieders op de markt."
18
(Kamerstukken 26 638, nr. 3, blz. 48). Het is dus mogelijk om in het belang van het milieu bepaalde dagen te kunnen aanwijzen waarop bedrijfsafvalstoffen mogen worden ingezameld. Bijvoorbeeld ter beperking of voorkoming van geluidhinder of aanzuigende werking of om ritten zoveel mogelijk te combineren. Dit artikel kan met name van belang zijn voor de inzameling van bedrijfsafvalstoffen in een (historisch) centrum. Uiteraard kunnen deze regels gelden voor alle betrokken inzamelaars die bedrijfsafvalstoffen ophalen. Artikel 4:12 Dumpingsverbod Dit artikel heeft primair een milieubeschermende functie en beoogt de gemeenten een instrument te geven om illegale dumpingen, voor zover geen hogere wet- of regelgeving van toepassing is, of het ontstaan van zwerfafval tegen te gaan. Uiteraard zal in een aantal gevallen het brengen van stoffen op of in de bodem zodanig kunnen gebeuren dat een hogere wet, zoals de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is. In het eerste lid worden bewust de termen stof en voorwerp gebruikt en niet alleen de term afvalstof, omdat niet altijd duidelijk is of de desbetreffende stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn. Artikel 10.25, onder a, van de Wet milieubeheer is de grondslag voor het opnemen van een dergelijk artikel in de Afvalstoffenverordening.
Artikel 4:13 Zwerfafval in de openbare ruimte Op grond van artikel 10.25, onder a en b, van de Wet milieubeheer kunnen gemeenten in de Afvalstoffenverordening de zwerfafvalproblematiek regelen. Er is sprake van facultatief medebewind. Gemeenten hebben hiertoe de bevoegdheid, maar geen wettelijke plicht. Het eerste lid gaat over straatafval. Dat is afval dat onderweg ontstaat, buiten een perceel, dat niet als zwerfafval op straat of in het plantsoen terecht dient te komen en waarvoor afvalbakken of voorzieningen zijn om zich daarvan ter plekke te ontdoen (voor zover van beperkte omvang en gewicht). Klein chemisch afval is uitdrukkelijk uitgesloten van de omschrijving. Dit afval dient in alle gevallen via de daartoe opgezette inzamelstructuur te worden verwijderd. Het gaat hier per definitie om afvalstoffen die "buiten een perceel ontstaan". Een huishoudelijke afvalstof, ontstaan op of binnen het perceel, moet worden aangeboden volgens de bepalingen uit afdeling 1. Het zich ontdoen van regulier huishoudelijk restafval door deze in openbare afvalbakken te plaatsen is op grond van artikel 4:6 verboden. In het derde lid behoeft het begrip zwerfafval zelf geen verdere definitie. Uit redactie blijkt dat van zwerfafval sprake is wanneer ter inzameling gereedstaand afval wordt verspreid, omgestoten of omgeschopt, etc.
De redactie brengt ook mee dat doorzoeken op een manier die geen zwerfafval veroorzaakt, bijvoorbeeld door morgensterren of stadsjutters, niet onder het verbod valt. Artikel 4:14 Ongeadresseerd drukwerk Dit artikel heeft als doel om de verspreiding van ongewenst drukwerk, en daarmee uiteindelijk afval, te voorkomen. De grondslag voor dit artikel is artikel 10.23 van de Wet milieubeheer. Hierin is bepaald dat huis-aan-huisbladen of ongeadresseerd reclamedrukwerk bezorgd mogen worden bij een perceel (een woning, bedrijf of woonschip), tenzij de ontvanger onmiskenbaar duidelijk heeft gemaakt deze bladen niet te willen ontvangen. Met de komst van nee-nee-, ja-ja- en nee-ja-brievenbusstickers kunnen bewoners hun voorkeur ten aanzien van de ontvangst van commercieel reclamedrukwerk en/of de huis-aan-huisbladen kenbaar maken (zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1528).
Tabel 1: Overzicht wanneer bezorging gewenst is en dus mag geschieden Overzicht Ongeadresseerd reclame Ongeadresseerde huis-aan-huis stickers drukwerk gewenst bladen gewenst Ja-ja sticker ja ja Geen sticker ja ja Nee-ja sticker nee ja Nee-nee sticker nee nee Artikel 4:15 Zwerfafval rondom inrichtingen Dit sluit aan bij artikel 2.13 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, maar heeft het meer toegespitst op de problematiek van zwerfafval en wijkt daarom op een aantal punten van dat artikel af. Dit is een toegestane aanvulling van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt het Activiteitenbesluit Milieubeheer. De in het tweede lid van dit artikel geregelde materie is dan opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan.
19
Artikel 4:16 Afval en verontreiniging op de weg Het gaat in dit artikel met name over laden, lossen en vervoeren. Het artikel bevat een gebod om de veroorzaakte verontreiniging op te ruimen. Mocht aan dit gebod geen gehoor gegeven worden, dan is sprake van een overtreding die strafbaar is gesteld. Daarnaast is er de mogelijkheid om door middel van bestuursdwang tot opruiming te dwingen. Dit kan inhouden dat de gemeente de verontreiniging zelf opruimt en de kosten daarvoor op de overtreder verhaalt. Artikel 4:17 Geen opslag van afval in de open lucht Kern van dit artikel is opslag van huishoudelijke afvalstoffen, het gaat niet om het bewaren van afvalstoffen voor aanbieding tijdens de eerstvolgende inzameling daarvan. Waarneembaar gaat in de eerste plaats om zicht. Daarnaast kan sprake zijn van reukoverlast. Het tweede lid bevat de mogelijkheid een ontheffing te verlenen. Artikel 4:18 Ontdoen van autowrakken Hierin is de afgifte van autowrakken door huishoudens geregeld. Op grond van artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken (hierna: BBA) moeten gemeenten in hun Afvalstoffenverordening bepalen dat een autowrak, zijnde een huishoudelijk afvalstof, slechts mag worden afgegeven aan autodemontagebedrijven, garages en autoschadeherstelbedrijven of aan een persoon die in een ander land dan Nederland is gevestigd (onder strikte voorwaarden).
Op grond van artikel 7 van het BBA worden autowrakken, afkomstig van huishoudens uitdrukkelijk uitgezonderd van de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk afval.
Afdeling 4. Geluid en verlichting In deze afdeling zijn de bepalingen uit de APV opgenomen over het voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting. In artikel 4:24 is Koninginnedag is aangepast naar Koningsdag. Verder zijn deze bepalingen inhoudelijk niet gewijzigd ten opzichte van de APV. Een nadere toelichting is niet nodig.
Afdeling 5. Crossterreinen en beperking verkeer in natuurgebieden Deze afdeling bevat bepalingen uit de APV over crossterreinen en beperking van verkeer in natuurgebieden. De bepalingen zijn ongewijzigd overgenomen. Een nadere toelichting hierop is niet nodig.
Afdeling 6. Asverstrooiing Deze afdeling bevat bepalingen uit de APV over asverstrooiing. De bepalingen zijn ongewijzigd overgenomen. Een nadere toelichting hierop is niet nodig.
20
Hoofdstuk 5: Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente Dit hoofdstuk bevat een samenvoeging van de regels over activiteiten in de openbare ruimte, namelijk op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente. De regels zijn afkomstig uit de APV, de Marktverordening, de Reclameverordening, de Verordening Leukermeer e.o. en de Verordening naamgeving en nummering.
Afdeling 1. Aanleggen wegen en uitwegen In deze afdeling zijn de bepalingen uit de APV over het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg en het maken of veranderen van een uitweg opgenomen. In artikel 5:2 is de termijn om te beslissen op de melding voor een uitweg veranderd van 4 naar 6 weken omdat in het Beleidskader uitwegen waarnaar verwezen wordt een termijn van 6 weken is opgenomen. Het artikel in de verordening is daarmee in overeenstemming gebracht met het bepaalde in het Beleidskader. Verder is de bepaling waarin verwezen wordt naar het Beleidskader verduidelijkt. De overige bepalingen zijn niet gewijzigd. Deze bepalingen behoeven dan ook geen nadere toelichting.
Afdeling 2. Parkeerexcessen In deze afdeling zijn de bepalingen over parkeerexcessen uit de APV ongewijzigd overgenomen. Dit behoeft geen nadere toelichting.
Afdeling 3 en 4. Standplaatsen en Markt In deze afdelingen zijn de bepalingen over standplaatsen uit de APV opgenomen (afdeling 3) en is de Marktverordening geheel geïntegreerd (afdeling 4). Ook dit is een goed voorbeeld van integratie tussen verschillende verordeningen. De gemeentelijke bepalingen over ambulante handel staan nu op overzichtelijke wijze bij elkaar. De bepalingen zijn niet gewijzigd en behoeven dan ook geen nadere toelichting.
Afdeling 5. Reclame Deze afdeling is een integratie van de Reclameverordening en een bepaling uit de APV over reclame. Dit geeft ook weer een goed voorbeeld van een integratie van regels over eenzelfde onderwerp die voorheen verspreid stonden over verschillende verordeningen. Deze afdeling bevat ook de aanwijzing van een gebied, maar omdat dit uitsluitend de werkingssfeer van één bepaling over reclame betreft, is ervoor gekozen de aanwijzing in deze afdeling te regelen in plaats van in hoofdstuk 2 van de verordening. De kaart waarop het gebied wordt aangewezen waar het verbod van artikel 5:30 geldt, is vernieuwd. Deze kaart is verouderd en behoeft actualisering, o.a. vanwege aanpassingen in de komgrenzen. De bepalingen zijn verder ongewijzigd overgenomen. Ze behoeven dan ook geen nadere toelichting.
Afdeling 6. Kamperen In deze afdeling zijn de regels uit de APV over kamperen ongewijzigd overgenomen. Deze regels behoeven daarom geen nadere toelichting.
Afdeling 7 en 8. Openbaar water en Leukermeer en omgeving In deze afdelingen zijn de bepalingen uit de APV over openbaar water opgenomen (afdeling 7) en is de verordening Leukermeer e.o. geheel geïntegreerd (afdeling 8). Ook hier is beoogd om regels over eenzelfde onderwerp op een overzichtelijke wijze bij elkaar te voegen. De bepaling over het toepassingsgebied van de verordening Leukermeer e.o. is verouderd en behoeft verduidelijking. Daarom is deze bepaling bij het overzetten van de regels gewijzigd. Er wordt verwezen naar een kaart die het toepassingsgebied weergeeft. Hierin is ook de uitbreiding van het Leukermeer ten
21
behoeve van het Marinapark meegenomen. Het toepassingsbereik van het verbod op watersportvoorzieningen zoals voorheen in de verordening Leukermeer e.o. was opgenomen, is aangepast omdat het wenselijk is dit verbod in de gehele gemeente te laten gelden, in plaats van alleen rondom het Leukermeer. Daarnaast zijn een aantal bepalingen zonder titel voorzien van een titel. Verder is de verordening Leukermeer e.o., die recentelijk nog op onderdelen gewijzigd is, ongewijzigd overgenomen. Een nadere toelichting hierop is dan ook niet nodig. Hetzelfde geldt voor de regels over openbaar water uit de APV.
Afdeling 9. Voorzieningen voor verkeer, verlichting, naamgeving en nummering Deze afdeling bevat bepalingen uit de APV over het aanbrengen van voorzieningen voor verkeer en verlichting en bepalingen uit de Verordening naamgeving en nummering over het aanbrengen van de aan de openbare ruimte toegekende naam- en nummeraanduidingen. De bepalingen zijn ongewijzigd overgenomen en behoeven geen verdere toelichting.
22
Hoofdstuk 6: Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en wereldgoed In hoofdstuk 2 is al een deel van de Erfgoedverordening geïntegreerd voor zover het gaat over het aanwijzen van erfgoed. In dit hoofdstuk is het overige deel van de Erfgoedverordening geïntegreerd. Hierbij zijn de bepalingen aan de hand van het model dat de VNG hiervoor beschikbaar heeft gesteld aangepast aan de Erfgoedwet. Ook zijn de bepalingen herschikt en logisch geordend. Hieronder volgt een artikelsgewijze toelichting.
Afdeling 1. Bescherming gemeentelijk monument Artikel 6:1 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd. Artikel 6:2 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en inhoudelijk grotendeels gelijk aan de oude Erfgoedverordening. Artikel 6:3 Intrekken van de omgevingsvergunning
Inhoudelijk grotendeels gelijk aan de oude Erfgoedverordening. Artikel 6:4 Weigeringsgronden In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo. Artikel 6:5 Voorbescherming bij voornemen tot aanwijzing De Erfgoedwet regelt dat door de start van de officiële aanwijzingsprocedure het onderdeel al beschermd is alsof het een rijksmonument is. Dit wordt voorbescherming genoemd. Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijke monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra het college het voornemen tot aanwijzing heeft bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. De voorbescherming voor gemeentelijk monumenten is gebaseerd op artikel 1 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken en is vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeit uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft gelden voor rijksmonumenten).
Artikel 6:6 Voorbescherming bij voorlopig gemeentelijk monument De bescherming zoals opgenomen in deze afdeling geldt vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming.
Afdeling 2. Rijksmonumenten Artikel 6:7 Advies omgevingsvergunning rijksmonument Zie de toelichting bij artikel 2:4. De term “rijksmonument” is gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wabo (op grond van artikel 10.9 van de Erfgoedwet). De procedure inzake deze omgevingsvergunning is geregeld in die wet. De gemeenteraad is verplicht om de inschakeling van een commissie die adviseert over omgevingsvergunningen bij rijksmonumenten te regelen bij verordening (artikel 15 van de Monumentenwet 1988).
23
Afdeling 3. Bescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel 6:8 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geeft de gemeente de mogelijkheid om op basis van hun verordening het slopen in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht aan een omgevingsvergunningplicht te onderwerpen. Daaraan is hier uitvoering gegeven.
24
Hoofdstuk 7: Activiteiten met betrekking tot planten en dieren In dit hoofdstuk zijn bepalingen uit de APV opgenomen die gaan over activiteiten met betrekking tot planten en dieren.
Afdeling 1. Houtopstanden In deze afdeling zijn de bepalingen uit de APV over het bewaren van houtopstanden opgenomen. Deze bepalingen zijn echter verouderd en de praktijk leert dat deze bepalingen actualisering behoeven. Op basis van ervaringen uit de praktijk, nieuwe ontwikkelingen en inzichten, nieuwe wet- en regelgeving en de behoefte aan duidelijkere formuleringen zijn deze regels op onderdelen gewijzigd. Het gaat grotendeels om beleidsneutrale wijzingen, maar er zijn ook enkele nieuwe artikelen toegevoegd. Voor de volledigheid worden de wijzigingen die zijn doorgevoerd hieronder artikelsgewijs toegelicht. Enkele begripsomschrijvingen zijn anders geformuleerd zodat duidelijker is wat er mee wordt bedoeld. Overbodige begripsomschrijvingen (van begrippen die niet terugkomen in de regels) zijn verwijderd. Artikel 7:1 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden In de uitzonderingen op het verbod om zonder omgevingsvergunning een houtopstand te vellen is ‘vruchtbomen’ gewijzigd in ‘laagstamfruitbomen’. Er bestaat onderscheid in soorten fruitbomen (variërend van laagstam tot hoogstam). Het is niet bezwaarlijk dat laagstamfruitbomen worden gekapt, deze zijn er met name voor de productie. Hoogstamfruitbomen zijn wel waardevolle bomen. Daarom zijn deze wel vergunningsplichtig, zodat er maatwerk kan worden verleend.
Daarnaast is hakhout toegevoegd als één van de uitzonderingen op het verbod. Hakhout is een vorm van beheer van houtopstanden en heeft niet tot doel het vernietigen van de houtopstanden. Daarom is een vergunning niet noodzakelijk. De verwijzing naar de inmiddels vervallen Plantenziektewet in dit artikel is vervangen in de daarvoor in de plaats getreden Plantgezondheidswet. Artikel 7:2 Weigeringsgronden Aan dit artikel is een nieuw lid toegevoegd waarin verwezen wordt naar een nieuw beleidskader. Dit beleidskader is opgesteld omdat er in de praktijk grote behoefte bestond aan een nadere uitwerking van deze weigeringsgronden. Dit ter verbetering van de motivering bij vergunningverlening. Artikel 7:3 Herplant- / instandhoudingsplicht Dit artikel bevat geen inhoudelijke wijzigingen, er is alleen een nieuw lid toegevoegd waarin verwezen wordt naar het hiervoor benoemde nieuwe beleidskader, dat ook richtlijnen bevat voor het opleggen van een herplantplicht. Ook hier was vanuit de praktijk grote behoefte aan. Het ontbrak aan objectieve richtlijnen voor het bepalen van de op te leggen herplantplicht. Artikel 7:4 Bescherming van bij de houtopstand voorkomende flora en fauna Dit artikel is nieuw en biedt de mogelijkheid om aan de vergunning voorschriften te verbinden ter bescherming van overige flora en fauna.
Artikel 7:5 Bestrijding en beteugeling van boomziekten Er is voor gekozen dit artikel te veralgemeniseren omdat er diverse boomziektes en ziekteverspreiders zijn. Artikel 7:6 Bescherming houtopstanden Dit artikel is onder andere bedoeld om te voorkomen dat gemeentelijke houtopstanden beschadigd raken door voorwerpen zoals verlichtingsdraden, die lange tijd blijven hangen. Ook het aanbrengen van voorzieningen aan, onder of bij houtopstanden is daarmee verboden. Houtopstanden kunnen namelijk gemakkelijk beschadigd raken.
25
Artikel 7:7 Vervaltermijn vergunning Dit artikel is nieuw en legt vast wat er momenteel als standaardvoorschrift in de vergunning wordt opgenomen.
Afdeling 2. Bescherming van flora en fauna De afdeling over de bescherming van flora en fauna uit de APV is vrijwel ongewijzigd opgenomen in deze afdeling. Alleen de verwijzing naar de inmiddels vervallen Natuurbeschermingswet is gewijzigd in een verwijzing naar de daarvoor in de plaats getreden Wet Natuurbescherming. Deze afdeling behoeft geen verdere toelichting.
26
Hoofdstuk 8: Handhaving Dit hoofdstuk bevat bepalingen over toezicht en handhaving. Artikel 8:1 Strafbepaling In artikel 154 van de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad op overtreding van zijn verordeningen en van die van organen waaraan ingevolge artikel 156 verordenende bevoegdheid is gedelegeerd, straf kan stellen maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Het merendeel van de te integreren verordeningen kent een strafbepaling, echter varieert de hoogte van de strafmaat in de verschillende verordeningen die geïntegreerd zijn. Voor de integraliteit is het wenselijk dat de verschillende strafbepalingen uit de op te nemen verordeningen samengevoegd worden tot één strafbepaling. In dit artikel, dat gebaseerd is op artikel 6:1 van de APV, heeft deze samenvoeging beleidsneutraal plaatsgevonden. Dat wil zeggen dat er geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de hoogte van de maximaal op te leggen strafmaat. Er is één hoofdregel geformuleerd waarop een aantal uitzonderingen zijn gemaakt om beleidsneutraal te blijven. Voor het merendeel van de bepalingen die in deze verordening zijn opgenomen (dat zijn de bepalingen uit de APV, de Marktverordening, de Verordening Leukermeer e.o.
en enkele artikelen uit de Erfgoedverordening) geldt de hoogst mogelijk strafmaat van een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. De Bouwverordening (opgenomen in hoofdstuk 3, afdeling 1 van deze verordening) kent geen strafbepaling. Ook is op het merendeel van de artikelen uit de Erfgoedverordening (hoofdstuk 6) geen strafbepaling van toepassing. Voor de bepalingen over erfgoed is uitsluitend een strafbepaling voor overtreding van de instandhoudingsplicht van artikel 6:1 en de nadere regels krachtens artikel 6:2, derde lid, noodzakelijk. De strafbaarstelling van handelen zonder of in strijd met de voorschriften van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is via de Wabo en de Wet op de economische delicten (artikel 1a) geregeld. Langs deze weg is ook overtreding van artikel 6:2, eerste lid, en 6:8, eerste lid, van deze verordening strafbaar. Om bovengenoemde redenen zijn deze onderdelen van de verordening uitgezonderd van de algemene strafbepaling in lid 1. In de Reclameverordening (artikel 5:30 VFL) is een minder hoge strafmaat opgenomen, daarom is deze uitgezonderd van lid 1 en wordt deze apart benoemd in lid 2. In de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaats en de Verordening naamgeving en nummering is een nog lichtere strafmaat opgenomen.
Daarom zijn ook deze uitgezonderd van de hoofdregel in lid 1 en worden deze apart benoemd in lid 3. Op overtreding van de Afvalstoffenverordening en enkele artikelen uit de APV is de Wet op de economische delicten van toepassing. Dit betreft de vierde uitzondering (lid 4). Artikel 8:2 Toezichthouders Dit artikel is gebaseerd op artikel 6:2 van de APV. Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoriaal worden aangewezen. In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders toegekend. In het eerste lid is geregeld dat de BOA’s en de toezichthouders die in opdracht van de gemeente Bergen werken, belast zijn met het toezicht op de naleving van de VFL. Op dit moment staan er in de Bouwverordening, de Verordening Leukermeer e.o. en de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaats geen bepalingen over toezicht. Het is echter wenselijk en praktisch om voor de gehele VFL één algemene bepaling over toezicht op te nemen, zodat er toezicht kan worden gehouden op de gehele VFL. Daarom zijn er op dit lid geen uitzonderingen gemaakt en is er één lijn
27
getrokken. In het tweede lid is bepaald dat er ook andere personen met dit toezicht kunnen worden belast. In aanvulling op het eerste en tweede lid worden in het derde lid politieambtenaren aangewezen als toezichthouder. Dit beperkt zich tot het toezicht op de bepalingen die uit de APV afkomstig zijn en waarvoor zij eerder ook toezichthouder waren. Het vierde lid bepaalt dat de marktmeester toezichthouder is voor de uitvoering van hoofdstuk 5, afdeling 4 (Markt). Dit was ook al zo onder de Marktverordening. In feite betreft dit een voorzetting van een al bestaande situatie. Artikel 8:3 Binnentreden woningen Dit artikel is ongewijzigd overgenomen uit de APV en behoeft geen nadere toelichting.
28
Hoofdstuk 9: Overgangs- en slotbepalingen Dit hoofdstuk bevat de overgangs- en slotregels. De artikelen 9:1 en 9:2 regelen de intrekking en het wijzigen van de verschillende verordeningen en bepalingen die opgaan in de VFL. De meeste verordeningen kunnen geheel worden ingetrokken, alleen de APV en de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaats worden gewijzigd, met dien verstande dat de artikelen die uit die verordeningen in deze verordening zijn opgenomen, komen te vervallen. Artikel 9:3 bevat de algemene overgangsbepalingen. Dit artikel regelt dat besluiten op basis van de in de artikelen 9.1 en 9.2 ingetrokken verordeningen en bepalingen ook gelden als besluiten krachtens de VFL. Omdat het overgangsrecht uit de Erfgoedverordening wat afwijkt van het overgangsrecht van de overige verordeningen, is daarvoor nog een specifieke bepaling opgenomen. De overige artikelen in dit hoofdstuk behoeven geen nadere toelichting.
29