CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Toelichting VFL

Gemeenteraad 7 juni 2022, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van de verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022;13.231 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TOELICHTING VERORDENING FYSIEKE LEEFOMGEVING (VFL) Algemene toelichting Aanleiding Op 1 januari 2023 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt de wet- en regelgeving voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed, zo blijkt uit de Omgevingswet. De Omgevingswet heeft als doel het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet en om de implementatie van de Omgevingswet goed te laten verlopen, anticipeert de gemeente Bergen (L) binnen de kaders van de huidige wet- en regelgeving nu alvast op de instrumenten van de Omgevingswet. Eén van de kerninstrumenten van de Omgevingswet is het omgevingsplan. De Omgevingswet bevat voor de gemeenteraad de verplichting om voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast te stellen waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.

Naast regels die nu zijn opgenomen in ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen geldt deze verplichting ook voor bepaalde regels over de fysieke leefomgeving die nu nog in plaatselijke verordeningen zijn opgenomen. Daarmee wordt de regelgeving voor inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties overzichtelijker en zijn de regels makkelijker te vinden. De gemeente heeft tot eind 2029 de tijd om een omgevingsplan te maken. Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt er van rechtswege een tijdelijk omgevingsplan. Dit bestaat uit bruidsschatregels die vanuit het Rijk aan gemeenten worden overgedragen en uit ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen. De regels uit de plaatselijke verordeningen die gaan over de fysieke leefomgeving dienen in de overgangsfase (2023-2029) in het omgevingsplan te worden verwerkt. Onderstaande afbeelding illustreert dit.

Doel De regels uit de plaatselijke verordeningen die gaan over de fysieke leefomgeving staan nu nog verspreid over diverse verordeningen. Daarom is besloten om als tussenstap naar het omgevingsplan één integrale verordening, de Verordening Fysieke Leefomgeving (hierna: VFL), te maken waarin de regels over de fysieke leefomgeving uit de huidige verordeningen worden gebundeld. Dit heeft een tweeledig doel. Enerzijds is dit een verbetering vanuit dienstverlenend oogpunt. Deze tussenstap stelt inwoners en ondernemers maar ook medewerkers in staat om op

1

één plek en dus sneller op te zoeken welke regels voor de fysieke leefomgeving gelden. Anderzijds vormt deze verordening een belangrijke bouwsteen voor het toekomstige omgevingsplan. Met deze verordening zijn de volgende stappen al genomen: Inventariseren plaatselijke verordeningen; Analyseren welke regels in het omgevingsplan thuishoren; Deze regels samenvoegen en logisch ordenen. De regels uit deze verordening worden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet verwerkt in het omgevingsplan. Het verwerken van een integrale verordening in het omgevingsplan is naar verwachting minder ingrijpend dan het integreren van de huidige afzonderlijke verordeningen. Uitgangspunten De VFL bestaat grotendeels uit een samenvoeging van (delen van) bestaande verordeningen die gaan over de fysieke leefomgeving. Dit is ook het criterium dat de Omgevingswet hanteert voor het opnemen van regels uit verordeningen in het omgevingsplan. Verordeningen en regels die een ander motief hebben, zoals openbare orde en veiligheid, komen daarom niet voor integratie in deze verordening in aanmerking. Omdat de Omgevingswet aan de burgemeester als bestuursorgaan geen bevoegdheden toekent, zijn ook regels die de burgemeester bevoegdheden geven (bijvoorbeeld over evenementen) niet in de VFL opgenomen. Dit zijn vaak regels met het motief openbare orde en veiligheid.

Deze regels komen, zoals hiervoor al aangegeven, niet voor integratie in aanmerking. In de VFL zijn de volgende verordeningen of onderdelen daarvan opgenomen: -

Afvalstoffenverordening APV (deels) Beheersverordening gemeentelijke begraafplaats (deels) Bouwverordening Erfgoedverordening Marktverordening Reclameverordening Verordening Leukermeer e.o. Verordening naamgeving en nummering (adressen)

Naast deze samenvoeging van bestaande verordeningen, komen er in deze verordening 2 onderwerpen terug waarvoor nog niet eerder bij verordening regels waren gesteld. Dit betreffen de onderwerpen afvoer van hemelwater en grondwater en rioolaansluiting. Het beleid dat aan deze regels ten grondslag ligt staat in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). Er is behoefte om dit beleid in regels te vervatten. Omdat deze onderwerpen ook gaan over de fysieke leefomgeving en straks in het omgevingsplan opgenomen moeten worden, is het wenselijk dat deze direct een plek krijgen in de VFL in plaats van dat hier eerst afzonderlijke verordeningen voor worden opgesteld. In de hierna volgende toelichting per hoofdstuk wordt nader op deze onderwerpen ingegaan. Een aantal gemeentelijke verordeningen die ook (deels) betrekking hebben op de fysieke leefomgeving zijn niet opgenomen in de VFL. Dit zijn de volgende verordeningen: Algemene verordening ondergrondse infrastructuren; Deze verordening is gebaseerd op specifieke wetgeving (Telecommunicatiewet) die (vooralsnog) niet opgaat in de Omgevingswet. Verordening dode gezelschapsdieren; Deze verordening is gebaseerd op specifieke wetgeving (Wet Dieren) die niet opgaat in de Omgevingswet. Verordening geurhinder en veehouderij; Deze verordening hoort in principe wel thuis in de VFL.

De regels uit deze verordening behoren namelijk opgenomen te worden in het omgevingsplan. Echter is nog onduidelijk wat er met de huidige Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Bergen gaat gebeuren. Er is daarom voor gekozen om besluitvorming over dit onderwerp in een apart traject te laten plaatsvinden. Verordening winkeltijden; Deze verordening richt zich voornamelijk op het bewaken van de openbare orde. Dit motief is in dit geval sterker aanwezig dan het motief van de fysieke leefomgeving. Uitgangspunt bij de samenvoeging van de regels in één verordening is het beleidsneutraal overnemen van regels. Deze verordening bevat hoofdzakelijk regels die al eerder zijn vastgesteld door de gemeenteraad. Bij het samenvoegen zijn deze regels waar nodig geactualiseerd,

2

geüniformeerd, verduidelijkt en in een structuur geplaatst. Er zijn dus redactionele en technische wijzigingen doorgevoerd die de leesbaarheid en toepasbaarheid ten goede komen. Een voorbeeld hiervan is dat voor ‘het college’ in de verschillende verordeningen verschillende benamingen werden gebruikt. Dit is zoveel mogelijk uniform gemaakt. Deze wijzigingen zijn wel allemaal beleidsneutraal. Uitzondering hierop zijn de afdelingen over afvoer van hemelwater en grondwater en rioolaansluiting. Hierover bestonden nog geen regels in onze verordeningen. Daarnaast zijn in de artikelen afkomstig uit de Erfgoedverordening enkele noodzakelijk wijzigingen doorgevoerd als gevolg van de nieuwe Erfgoedwet. Ook de regels uit de Afvalstoffenverordening zijn geactualiseerd conform het nieuwste model van de VNG. Tot slot zijn er aan de afdeling Houtopstanden enkele regels toegevoegd om dit onderwerp beter te laten aansluiten op de praktijk. De wijzigingen die niet beleidsneutraal zijn worden verderop in de toelichting expliciet besproken. De meeste verordeningen en afzonderlijke regels zijn nog goed te herkennen in de VFL. Noemenswaardige wijzigingen worden in de toelichting per hoofdstuk vermeld. Ook is er een transponeringstabel opgesteld waarin eventuele wijzigingen op een overzichtelijke wijze worden weergegeven.

Opzet Bij het opstellen van de VFL is ‘Het casco voor het omgevingsplan’ van de VNG als leidraad voor de opzet gebruikt. Daardoor kan deze verordening uiteindelijk naar verwachting eenvoudig worden verwerkt in het omgevingsplan. De VFL is ingedeeld in 9 hoofdstukken, met 5 daarbij behorende bijlagen. In de verordening wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen hoofdstukken met inhoudelijke regels en hoofdstukken met procedurele regels. Deze toelichting is verder zo opgebouwd dat er per hoofdstuk en afdeling wordt weergegeven wat de oorsprong is van de regels in dat betreffende hoofdstuk en/of afdeling. Ook worden eventuele wijzigingen duidelijk vermeld.

3

Toelichting per hoofdstuk Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Dit hoofdstuk bevat inleidende bepalingen en procesbepalingen, waaronder ook bepalingen over advisering. De inleidende bepalingen zijn nieuw en opgesteld met het oog op de toekomstige Omgevingswet. De procesbepalingen zijn gebaseerd op de algemene procesbepalingen uit de APV. De bepalingen over advisering komen uit de Bouwverordening.

Afdeling 1. Inleidende bepalingen Artikel 1:1 Begripsbepalingen De meeste verordeningen en ook bestemmingsplannen beginnen met een opsomming van begripsbepalingen. In de VFL is er echter voor gekozen om in het eerste artikel te verwijzen naar een bijlage, waarin de begrippen zijn opgenomen. Hiermee wordt aangesloten bij de structuur van de Omgevingswet, waarin begrippen ook in een bijlage zijn ondergebracht. Ook volgens het casco omgevingsplan van de VNG worden de begrippen als bijlage bij het omgevingsplan opgenomen. De gebruikte begrippen zijn over het algemeen niet gewijzigd ten opzichte van de verordeningen die geïntegreerd zijn. Alleen enkele begripsomschrijvingen die betrekking hebben op houtopstanden zijn wat anders geformuleerd zodat duidelijker is wat er wordt bedoeld. Hiermee zijn verder geen inhoudelijke wijzigingen bewerkstelligd. Artikel 1:2 Toepassingsbereik De regels over aanwijzingen in de fysieke leefomgeving en regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die gaan vallen onder de reikwijdte van de toekomstige Omgevingswet staan nu nog verspreid over verschillende verordeningen van de gemeente. Regels over de ruimtelijke ordening worden niet opgenomen in deze verordening, omdat deze nu nog verplicht worden opgenomen in bestemmingsplannen.

Uiteindelijk is het de bedoeling dat de regels uit deze verordening samen met de bestemmingsplannen worden opgenomen in het toekomstige omgevingsplan. Artikel 1:3 Doelen van de verordening Het eerst lid omschrijft het doel van deze verordening. Het verwerken van de regels in het omgevingsplan moet uiterlijk eind 2029 klaar zijn. Het tweede lid is gebaseerd op artikel 1.3 van de Omgevingswet en geeft het overkoepelende doel van de regels in deze verordening. Het derde lid is gebaseerd op artikel 2 van de model Afvalstoffenverordening van de VNG, die onderdeel uitmaakt van deze verordening. In dit lid is het met het onderdeel afvalstoffen te dienen doel vermeld. Deze volgt uit de wettelijke grondslag van de verordening. De toepassing van bevoegdheden op basis van het onderdeel afvalstoffen zullen derhalve telkens in dat kader moeten plaatsvinden. Doelmatig afvalstoffenbeheer is onderdeel van de bescherming van het milieu. Het begrip afvalstoffenbeheer is gedefinieerd in de Kaderrichtlijn afvalstoffen als: “inzameling, vervoer, nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van activiteiten van handelaars of makelaars”.

Afdeling 2. Proces De algemene procesbepalingen uit de APV volstaan als procesbepalingen voor al de in de VFL opgenomen verordeningen. Deze zijn dan ook vrijwel ongewijzigd in deze verordening opgenomen. Aan de op de APV gebaseerde artikelen 1:7 en 1:9 een extra lid toegevoegd dat erop neerkomt dat er naast de algemene intrekkings-, wijzigings- of weigeringsgronden voor specifieke vergunningen nog aanvullende gronden kunnen gelden. Dit is bijvoorbeeld bij de onderwerpen kappen of standplaatsen. Deze aanvullende gronden staan dan bij de inhoudelijke bepalingen over de desbetreffende onderwerpen.

4

Afdeling 3. Advisering Deze afdeling bevat de regels over de advisering door de welstandscommissie afkomstig uit de Bouwverordening. De regels in deze afdeling komen niet in aanmerking voor opname in een omgevingsplan. Maar om te voorkomen dat er een Bouwverordening overblijft waarin alleen nog regels staan over de welstandscommissie, is er voor gekozen om deze regels een plaats te geven in deze verordening. Dit is tijdelijk, namelijk ter overbrugging tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De welstandscommissie wordt onder de werking van de Omgevingswet namelijk vervangen door een verplicht gestelde gemeentelijke adviescommissie, waarvoor een separate verordening dient te worden opgesteld. Deze afdeling kan na de inwerkingtreding van de Omgevingswet en het vaststellen van een nieuwe verordening voor de gemeentelijke adviescommissie dan ook komen te vervallen. De verwijzingen naar het Gelders Genootschap zijn aangepast naar Dorp, Stad en Land. De regels zijn verder ongewijzigd overgenomen en behoeven dus geen nadere toelichting.

5

Hoofdstuk 2: Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Dit hoofdstuk is conform het casco omgevingsplan van de VNG gereserveerd voor regels die strekken tot het aanwijzen van onderdelen van de fysieke leefomgeving, voor zover deze van belang zijn voor het bepalen van het toepassingsbereik van andere onderdelen van deze verordening. In de afdelingen 1 tot en met 4 zijn de onderdelen van de Erfgoedverordening geïntegreerd voor zover dit het aanwijzen van erfgoed betreft. De huidige Erfgoedverordening komt uit 2010 en behoeft actualisering. Het gemeentelijk erfgoedbeleid verandert. Vooral de bundelingen van wetgeving in één Erfgoedwet en de invoering van de Omgevingswet stimuleren zowel een meer integraal gemeentelijk erfgoedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel is van (de kwaliteit van) de fysieke leefomgeving. Door de invoering van deze twee wetten is het bereik van de gemeentelijke Erfgoedverordening in vergelijking met de huidige Erfgoedverordening uit 2010 zowel breder – het betreft nu monumenten én cultuurgoederen – als smaller: belangrijke fysieke onderwerpen zoals de aanwijzing of bescherming van stads- of dorpsgezichten of archeologische waarden en verwachtingen worden steeds minder geregeld via een verordening en meer via het bestemmingsplan en straks, onder de Omgevingswet, het omgevingsplan.

Per saldo leidt een en ander tot een vereenvoudigde Erfgoedverordening. De huidige Erfgoedverordening uit 2010 dient dus te worden vernieuwd vanwege de inwerkingtreding van de Erfgoedwet in 2016. Deze wet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving op termijn geregeld via de Omgevingswet. De Erfgoedwet anticipeert op de invoering van de Omgevingswet door overgangsrecht als gevolg waarvan delen van de Monumentenwet 1988 van kracht blijven, tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De bepalingen in deze afdelingen zijn aan de hand van het model dat de VNG hiervoor beschikbaar heeft gesteld aangepast aan de Erfgoedwet. Verder zijn de bepalingen herschikt en logisch geordend. Afdeling 5 bevat enkele bepalingen over de aanwijzing van namen en nummers in de openbare ruimte. Hieronder volgt een artikelsgewijze toelichting. Begrippen (opgenomen in bijlage 1) De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in de afdelingen 1 t/m 4, nu deze berusten op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moeten worden gelezen.

De begrippenlijst behorend bij deze afdelingen bevat daarom uitsluitend de begrippen ‘gemeentelijk beschermd cultuurgoed’, ‘gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht’, ‘gemeentelijk beschermde verzameling’, ‘gemeentelijk monument’, ‘minister’ en ‘omgevingsvergunning’ waarvan de definitie moet worden omschreven of die kortheidshalve zijn gegeven en die niet reeds (in deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven.

Afdeling 1. Gemeentelijk erfgoedregister Artikel 2:1 Gemeentelijk erfgoedregister Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het gemeentelijk (beschermd) aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. Het gaat om door het gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, stads- of dorpsgezichten, cultuurgoederen of verzamelingen. Daarnaast is in het tweede lid geregeld dat ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangt het college deze informatie in afschrift van de minister bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister. Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken gaat, dat is aangewezen op grond van deze verordening. Het woord “onherroepelijk” in dit artikel betekent dat tegen de aanwijzing geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen.

Afdeling 2. Aanwijzing gemeentelijk monument

6

Artikel 2:2 Aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Het college heeft beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als gemeentelijk beschermd monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2 van de voormalige Erfgoedverordening (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in deze verordening.

Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Awb dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd. Op het moment van vaststelling van deze verordening zijn er binnen de gemeente ca. 92 gemeentelijke monumenten aangewezen. Artikel 2:3 Voornemen tot aanwijzing Eerste lid Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (een bouwwerk of (groen)aanleg). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument).

Voor alle zakelijk gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door het college van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Tweede lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.

Artikel 2:4 Advies gemeentelijke adviescommissie Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Op grond van dat artikel dient ten minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Hiertoe behoort ook de archeologische monumentenzorg.

7

De Monumentenwet 1988 laat de ruimte om voor de adviestaak voor monumenten de inschakeling te regelen van een commissie waaraan in de praktijk meer taken in de fysieke leefomgeving zijn toegedicht. In de praktijk wordt de monumentencommissie bijvoorbeeld wel gecombineerd met een commissie voor ruimtelijke kwaliteit. Dit artikel maakt daarvan gebruik om mogelijk te maken dat vooruitlopend op de Omgevingswet gewerkt kan worden met een bredere gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. Nu een voorwaarde van de Omgevingswet zal zijn dat geen leden van het gemeentebestuur deel uitmaken van deze commissie (onder de Monumentenwet 1988 geldt dat voor leden van het college), is deze voorwaarde daartoe overgenomen in deze verordening. Onder de Omgevingswet (artikel 17.9 van het wetsvoorstel zoals dat op 22 maart 2016 is aangenomen door de Eerste Kamer) zal een gemeentelijke adviescommissie ingesteld moeten worden die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische monumenten betreft. Ook daarbinnen dienen enkele leden deskundig te zijn op het gebied van de monumentenzorg.

Het gaat (onder de Omgevingswet) om een adviescommissie met een bredere taak voor de omgevingskwaliteit, waarin de erkenning ligt van het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij (onder de Omgevingswet) zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten. De Omgevingswet maakt uitdrukkelijk een bredere taakstelling van deze adviescommissie mogelijk. Artikel 2:5 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit Wat betreft de termijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid). Artikel 2:6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door het college is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.

Tweede lid De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel 2:7 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 2:4 pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. Artikel 2:8 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister.

Afdeling 3. Aanwijzing gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel 2:9 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen.

8

Op het moment van vaststelling van deze verordening zijn er binnen de gemeente geen gemeentelijke stads- of dorpsgezichten aangewezen. Dit artikel creëert slechts de bevoegdheid dat te doen. Artikel 2:10 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers.

Afdeling 4. Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Artikel 2:11 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Dit artikel maakt het mogelijk dat topstukken van het gemeentelijk cultuurbezit worden aangewezen als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of gemeentelijk beschermde verzamelingen, voor zover deze niet al voor het Nederlandse cultuurbezit als beschermde cultuurgoederen zijn aangewezen door de minister op grond van artikel 3.7 van de Erfgoedwet of door gedeputeerde staten op grond van de provinciale erfgoedverordening krachtens artikel 3.17 van de Erfgoedwet. De formele gevolgen van een aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling zijn beperkt: ingevolge artikel 2:1 van deze verordening zullen ze ingeschreven dienen te worden in het gemeentelijk erfgoedregister en er geldt op grond van het derde lid, in aanvulling op artikel 4.18 van de Erfgoedwet, een adviesverplichting bij een eventuele vervreemding daarvan door de gemeente of wanneer de gemeente afstand wil doen van het eigendom of de zorg voor het cultuurgoed dat of de verzameling die aan haar was toevertrouwd.

De aanwijzing heeft daarnaast vooral een symbolische betekenis en geeft uitdrukking aan het belang dat de gemeente stelt in het betreffende cultuurgoed of de betreffende verzameling. De aanwijzing van gemeentelijk beschermde cultuurgoederen en verzamelingen kan uitsluitend betrekking hebben op cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn van de gemeenten of cultuurgoederen en verzamelingen waarvan de zorg aan de gemeente is toevertrouwd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij cultuurgoederen die door de gemeente in bruikleen zijn verkregen uit collecties van derden. Voor aanwijzing van dergelijke cultuurgoederen is overeenstemming met de eigenaar een vereiste. Het college moet voorts in het geval van een schenking, erfstelling, legaat of aankoop eventuele beperkende of andere juridische voorwaarden in acht nemen. Er kan op grond van deze verordening geen sprake zijn van de aanwijzing van cultuurgoederen van derden als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of verzamelingen, zonder toestemming van de eigenaar. Er bestaat onvoldoende wettelijke grondslag om bij verordening een juridisch beschermingsregime eenzijdig aan een andere eigenaar op te leggen, zoals dat geldt voor de op rijksniveau beschermde cultuurgoederen (zie Hoofdstuk 4 van de Erfgoedwet). Van een eventuele aanwijzing zou daardoor geen enkele beschermde werking uitgaan.

Daarom is ervan afgezien een aanwijzingsbevoegdheid voor het college te creëren. Op het moment van vaststelling van deze verordening zijn er binnen de gemeente geen gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of verzamelingen aangewezen. Dit artikel creëert slechts de bevoegdheid dat te doen. Artikel 2:12 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling dezelfde adviesprocedure geldt als bij onder meer de aanwijzing daarvan; over het voornemen daartoe vraagt het college advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan de plaatsaanduiding in verband met verhuizing van een cultuurgoed naar een andere locatie ter

9

plekke of omdat het in tijdelijke bruikleen wordt gegeven aan een museum. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling.

Afdeling 5. Aanwijzing van namen en nummers in de openbare ruimte Deze afdeling bevat bepalingen uit de Verordening naamgeving en nummering over het aanwijzen van namen en nummers in de openbare ruimte. De bepalingen zijn ongewijzigd overgenomen en behoeven geen verdere toelichting.

10

Hoofdstuk 3: Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten In dit hoofdstuk worden regels voor bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten en sloopactiviteiten opgenomen. Dit hoofdstuk bestaat uit bestaande regels afkomstig uit de Bouwverordening en de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaats en uit nieuwe regels voor afvoer van hemelwater en grondwater, rioolaansluiting en een (vangnet)regeling voor archeologie.

Afdeling 1. Bodem Als gevolg van wetswijzigingen de afgelopen jaren bevatte de Bouwverordening alleen nog regels over bodemonderzoek, het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem en regels over de welstandscommissie.1 De bepalingen uit de Bouwverordening die gaan over bodemonderzoek en het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem zijn opgenomen in deze afdeling. Aan de hand van het meest actuele model Bouwverordening van de VNG zijn de bepalingen geactualiseerd. Hierbij gaat het om verwijzing naar landelijke regelgeving en actualisering van de in deze bepalingen genoemde NEN-normen. Daarnaast is artikel 3:1 in overeenstemming gebracht met de Nota Bodembeheer Limburg Noord 2020-2029, dat beleid bevat voor de bodemtoets bij bouwen. Verder zijn deze bepalingen inhoudelijk niet gewijzigd. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting. Daarnaast bevat deze afdeling een vangnetbepaling voor archeologie. Dit is een nieuw artikel dat gebaseerd is op het meest actuele model Erfgoedverordening van de VNG. Op grond van artikel 38a van de Monumentenwet 1988 jo. artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Met de invoering van deze verplichting is de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Alle bestemmingsplannen die na 2007 zijn geactualiseerd, moeten in principe voldoen aan deze eis. Er zijn in onze gemeente echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van deze eisen. Om ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen. Bij eventuele nadere regels van het college over het verrichten van archeologisch onderzoek zoals genoemd in het tweede lid van dit artikel kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regels m.b.t. een programma van eisen of een plan van aanpak.

Afdeling 2. Afvoer hemelwater en grondwater Deze afdeling bevat nieuwe regels. Het beleid dat aan deze regels ten grondslag ligt, staat in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). Het GRP is een intern beleidsstuk en is alleen bindend voor de gemeente. Er is behoefte om dit beleid in regels in deze verordening te vervatten, zodat het voor eenieder bindend wordt en er een grondslag bestaat voor handhaving op de naleving het beleid. Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen toe. Dat levert risico’s op voor onze gezondheid, veiligheid en economie. Het is van groot belang dat Nederland zich aanpast aan deze veranderingen en maatregelen neemt om onder andere schade aan huizen en vitale infrastructuur te voorkomen. Om dit te bereiken moet zowel bij bestaande bouw als bij nieuwbouw rekening worden gehouden met extreme neerslag. Daarbij is onder meer van belang dat er zowel op particulier terrein als op openbaar terrein voldoende waterberging wordt gerealiseerd. Een van de juridische instrumenten dat dit kan bewerkstelligen, is het bij 1

Paragraaf 2.5 van de Bouwverordening is op 1 juli 2018 van rechtswege vervallen naar aanleiding van een wijziging van de Woningwet in 2014. De welstandscommissie wordt onder de werking van de Omgevingswet vervangen door een verplicht gestelde gemeentelijke adviescommissie, waarvoor een separate verordening dient te worden opgesteld. Daarmee kunnen ook hoofdstuk 9 en bijlage 9 van de Bouwverordening komen te vervallen.

11

verordening stellen van regels voor afvoer van hemelwater en grondwater. Op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer kan de gemeente bij verordening regels stellen over het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in de riolering. In beginsel zijn particulieren zelf verantwoordelijk voor het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf hun perceel. Dit is slechts anders als het niet redelijk is om van particulieren te verlangen het hemelwater zelf af te voeren. Om de belasting op de openbare riolering terug te brengen, is het belangrijk dat particulieren het hemelwater langer op eigen terrein vasthouden en vertraagd afvoeren. In deze afdeling is daarom geregeld in welke gevallen een waterberging moet worden aangelegd en waar deze aan moet voldoen. Artikel 3:6 Lozingsverbod grondwater Het GRP bevat een lozingsverbod voor grondwater. Om toe te kunnen zien op de naleving van dit verbod, is het verbod vastgelegd in deze verordening. Onder lozing van grondwater wordt uitdrukkelijk ook verstaan grondwater afkomstig uit drainage of grondwater afkomstig van bronnering- of bemalingsactiviteiten (het onttrekken en lozen van grondwater). Dit is dus van toepassing op alle structurele of tijdelijke vormen van lozing van grondwater. Zonder ontheffing zijn dit soort lozingen dus niet toegestaan.

Artikel 3:7 Gebiedsaanwijzing lozingsverbod hemelwater Om bestaande lozingen van hemelwater op het openbaar riool terug te dringen, kan het college een gebied aanwijzen waar deze lozingen binnen een bepaalde periode moeten worden beëindigd. Dit is bij voorbeeld van toepassing in een gebied waar een hemelwaterinfiltratieriool of een wadi wordt aangelegd waarmee er voorzieningen komen in de openbare ruimte waar particuliere gebouwen en percelen hun hemelwater op kunnen aansluiten. Dit is met name van toepassing voor de aansluitingen die op dat moment nog lozen op het openbaar riool dat transporteert naar de rioolwaterzuivering. Artikel 3:8 Lozingsverbod hemelwater op het openbaar riool – nieuwbouw en aanwijzingsgebieden In lid 1 is geregeld dat lozen van hemelwater vanaf nieuw verhard oppervlak, nieuwe bouwwerken en in daartoe aangewezen gebieden alleen is toegestaan als er een hemelwaterberging wordt aangebracht. Met nieuw verhard oppervlak wordt ook gedoeld op vervangend verhard oppervlak. Via de regel om te voorzien in een minimale waterbergingscapaciteit per m2 verhard oppervlak, wordt hemelwater langer vastgehouden op eigen terrein. Op die manier wordt de belasting op de openbare riolering geleidelijk aan teruggebracht. Lid 3 legt de minimale capaciteit van de hemelwaterberging vast op 60 liter per m 2 verhard oppervlak.

Een capaciteit van 60 liter per m2 betekent dat bijvoorbeeld voor een perceel met een totaal bebouwd oppervlak van 100 m2 moet worden voorzien in een vorm van waterberging met een totale capaciteit van 6.000 liter (60 liter maal 100 m 2 = 6.000 liter = 6 m3). De benodigde waterbergingscapaciteit kan op verschillende manieren worden gerealiseerd. Voorbeelden zijn het ingraven van infiltratiekratten of een grindbed, het aanleggen van een verdiept gedeelte in de tuin, het aanleggen van een groen dak. Een combinatie van waterbergende voorzieningen is ook mogelijk. Bij het berekenen van het bergende volume van een grindbed moet rekening worden gehouden met het volume dat het grind zelf inneemt. Uitgangspunt is dat als er een bui valt van 60 mm (is 60 liter per m2) dit geen afstroming veroorzaakt naar belendende percelen (inclusief de openbare ruimte). Al het hemelwater wordt vastgehouden op het eigen perceel. Lid 4: Voor het beperken van wateroverlast is het essentieel dat de hemelwaterberging binnen afzienbare tijd na een bui weer beschikbaar is voor het opvangen van de volgende bui. Daarom is in het vierde lid bepaald dat de hemelwaterberging binnen een termijn van twee dagen weer voor 90% beschikbaar moet zijn. Dit kan bijvoorbeeld door de hemelwaterberging als infiltratievoorziening in te richten, zodat het opgevangen water langzaam in de bodem zakt.

Lid 5 maakt duidelijk dat water uit de hemelwaterberging niet alsnog op het openbaar riool geloosd mag worden maar anders verwerkt moet worden. Lid 6: Het is niet zo dat deze afdeling situaties die niet voldoen aan de waterbergingseis uit dit artikel zonder meer verbiedt. Er zijn situaties denkbaar waarin het realiseren van de voorgeschreven hoeveelheid waterberging erg lastig is, of zelfs onmogelijk. Bijvoorbeeld als de grondwaterstand erg hoog is op de (enige) plaats waar een initiatiefnemer waterberging kan realiseren. Een initiatiefnemer kan, in dit soort gevallen, een ontheffing aanvragen om geen waterberging te hoeven aanleggen. Dit is in lijn met de opdracht in artikel 10.32a lid 2 Wet

12

milieubeheer om geen lozingsverbod in te stellen als van de perceeleigenaar redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer kan worden gevergd.

Afdeling 3. Rioolaansluiting Deze afdeling bevat nieuwe regels. Het beleid dat aan deze regels ten grondslag ligt, staat in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). Om dezelfde redenen als bij de afvoer van hemelwater en grondwater in voorgaande afdeling is er behoefte om dit beleid in bindende regels te vervatten. Gemeenten hebben op grond van artikel 10.33 Wet milieubeheer een zorgplicht voor de inzameling van afvalwater. Onder afvalwater wordt afvalwater verstaan dat bestaat uit huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. De gemeente draagt zorg voor transport van afvalwater naar de rioolwaterzuivering. Bedrijfsafvalwater, dat niet op dezelfde manier kan worden behandeld als huishoudelijk afvalwater, is op zichzelf geen afvalwater. Om die reden geldt voor bedrijfsafvalwater geen zorgplicht voor inzameling en transport door de gemeente. Voor de inzameling en afvoer van hemel- en grondwater geldt een afzonderlijke zorgplicht voor gemeenten. Dit is geregeld in de Waterwet (zie artikel 3.5 voor hemelwater en artikel 3.6 voor grondwater). De zorgplicht ziet toe op het gehele gemeentelijke grondgebied. Aanvullend op de gemeentelijke zorgplichten hebben waterschappen de zorgplicht om het ingezamelde afvalwater te zuiveren. Dit is vastgelegd in artikel 3.4 van de Waterwet.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen de zorgplichten overgenomen worden in artikel 2.16 en 2.17 van die wet. De zorgplicht voor afvalwater vult de gemeente in door de aanleg en beheer van openbaar riool. Het rioleringsbeleid en het strategisch operationeel en maatregelen plan van de gemeente is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan en het Basisrioleringsplan. In deze afdeling legt de gemeente de regels ten aanzien van rioolaansluitingen op de openbare riolering vast. Hierbij gaat het om eisen met betrekking tot de totstandbrenging, wijziging en beëindiging van de rioolaansluiting op de openbare riolering en regels over het eigendom en het beheer van rioolaansluitleidingen. Artikel 3:9 Specifieke zorgplicht Met dit artikel wordt duidelijk gemaakt dat niet alleen de perceeleigenaar, maar ook de aannemer verplicht is zich te houden aan de regels van deze afdeling. Daarnaast kunnen ook beperkt zakelijk gerechtigden verantwoordelijk zijn voor de naleving van de regels uit deze afdeling. Hiermee wordt de kring van personen voor wie deze afdeling geldt vergroot. Artikel 3:10 Verbod op de totstandbrenging, wijziging of beëindiging van een rioolaansluiting In dit artikel is bepaald dat het niet is toegestaan een aansluiting op het openbare riool tot stand te brengen, te wijzigen of te beëindigen.

Dit betekent dus dat er geen handelingen mogen worden verricht aan het riool. Het artikel geeft vervolgens aan op welke wijze en onder welke voorwaarden medewerking kan worden verleend aan de gewenste activiteit. De vereisten zijn terug te vinden in de artikelen 3:11, 3:12 en 3:13 van deze afdeling. Omdat het belangrijk is dat de melder weet waar hij/zij aan toe is, is in dit artikel tevens aangegeven dat na ontvangst van de melding, de melder uiterlijk binnen 4 weken na ontvangst van de melding een bericht ontvangt of er wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden. Artikel 3:12 Eisen totstandbrenging, wijziging en beëindiging rioolaansluitleiding Dit artikel bevat de algemene regels waaraan een rioolaansluitleiding moet voldoen. Deze regels zien op de bouwkundige uitvoering van de rioolaansluitleiding. Deze regels zijn aanvullend op de eisen die afdeling 6.4 van het Bouwbesluit (onder de Omgevingswet paragraaf 3.7.4 en 4.7.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving) aan de aansluitleiding stelt. In aanvulling daarop zijn regels opgenomen over leidingen en het kleurgebruik van leidingen. Door leidingen met verschillende kleuren te gebruiken, is altijd duidelijk voor wat voor soort afvalwater een aansluitleiding is bedoeld en worden foute aansluitingen voorkomen. De gemeente Bergen hanteert twee kleuren, dit is geregeld in lid 6.

Om de sterkteklasse voor PVC te bepalen kunnen de volgende vuistregels worden gebruikt: - SN2 voor waterafvoer in situaties zonder verkeersbelasting; - SN4 voor binnenriolering en riolering rondom een gebouw; - SN8 voor riolering met verkeersbelasting en onder beton. Dit zijn vuistregels, waarmee een goede inschatting kan worden gemaakt.

13

Artikel 3:13 Situaties waarin rioolaansluiting of wijziging van rioolaansluiting bezwaarlijk is Er zijn situaties denkbaar waarin aansluiting op het openbaar riool of de wijziging van de aansluiting bezwaarlijk is. In lid 1 wordt benoemd dat deze bezwaren van technische, juridische of milieuhygiënische aard kunnen zijn. In lid 2 wordt genoemd in welke situaties de aansluiting in ieder geval bezwaarlijk is. Artikel 3:14 Kosten en uitvoeren van rioolaansluiting Als er werkzaamheden in de openbare ruimte zijn verbonden aan het aansluiten, wijzigen of opheffen van een aansluiting op het openbaar riool zijn de kosten daarvan altijd voor rekening van de melder. De melder ontvangt hiertoe een kostenraming van de gemeente. Deze werkzaamheden worden altijd door of namens de gemeente uitgevoerd. Opdracht hiervoor wordt gegeven na ontvangst van betaling. Werkzaamheden die worden uitgevoerd zonder toestemming en/of tussenkomst van de gemeente dienen in beginsel ongedaan te worden gemaakt. Artikel 3:15 Eigendom, beheer en onderhoud rioolaansluitleiding Indien er problemen zijn met de werking van het riool is het ontstoppingsstuk het overdrachtspunt van beheer en onderhoud tussen perceeleigenaar en de gemeente. Bij controle van het ontstoppingsstuk blijkt waar eventuele problemen zich bevinden, in het particuliere deel of in het openbare riool.

Met het vastleggen van de eigendomssituatie is duidelijk wie er verantwoordelijk is voor het onderhoud, beheer en renovatie van de rioolaansluitleiding. De perceeleigenaar is verantwoordelijk voor het particuliere deel van de aansluitleiding en de gemeente is verantwoordelijk voor het deel dat behoort tot de gemeentelijke riolering.

Afdeling 4. Grafkelders en grafbedekkingen Deze afdeling bevat enkele bepalingen uit de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaats. Deze bepalingen gaan over grafbedekkingen en grafkelders. Deze activiteiten hebben betrekking op of wijzigen de fysieke leefomgeving en kunnen dan wel moeten straks in het omgevingsplan worden opgenomen. Om die reden maken deze bepalingen deel uit van deze verordening. De overige bepalingen kunnen achterblijven in de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaats omdat deze de fysieke leefomgeving niet zozeer wijzigen, maar voornamelijk zijn gesteld met het oog op het behouden van de orde en rust op de begraafplaats. De bepalingen in deze afdeling zijn ongewijzigd overgenomen uit de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaats en behoeven daarom geen verdere toelichting.

14

Hoofdstuk 4: Milieubelastende activiteiten Dit hoofdstuk bundelt de regels over milieubelastende activiteiten die verspreid stonden over verschillende verordeningen, namelijk de Afvalstoffenverordening en de APV.

Afdeling 1 t/m 3. Huishoudelijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen, zwerfafval en overige In deze afdelingen zijn de Afvalstoffenverordening en een bepaling over afvalstoffen uit de APV geïntegreerd. Dit is een goed voorbeeld van integratie tussen de verordeningen. Bepalingen uit verschillende verordeningen die eenzelfde onderwerp betreffen, zijn hier samengevoegd. De huidige Afvalstoffenverordening komt uit 2014. Bij het overzetten van de Afvalstoffenverordening naar deze verordening is een actualiseringsslag gemaakt. Sinds 1 juli 2020 is het Besluit gescheiden inzameling huishoudelijke afvalstoffen (hierna: Besluit GIHA) van kracht. Gemeenten zijn nu wettelijk verplicht om groente-, fruit- en tuinafval, papier, metaal, kunststof, glas en elektronische apparatuur gescheiden in te zamelen. Voor textiel en gevaarlijke afvalstoffen gaat deze verplichting in per 1 januari 2025. Het Besluit GIHA bevat de mogelijkheid om in bepaalde gevallen af te wijken van het gescheiden inzamelen. Als hiervan wordt afgeweken moet dit in de Afvalstoffenverordening zijn opgenomen. O.a. deze ontwikkeling vormt aanleiding om de Afvalstoffenverordening te actualiseren. Dit is gebeurd aan de hand van het nieuwste model Afvalstoffenverordening van de VNG (2021).

De bepalingen over afvalstoffen opgenomen in deze afdelingen dienen het belang van de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig afvalstoffenbeheer. Het belang daarvan neemt toe omdat tegenwoordig anders naar afval wordt gekeken dan in het verleden. Afval wordt steeds meer benaderd als grondstof. In een meer circulaire economie is afval van waarde. Dat betekent duurzaam omgaan met natuurlijke hulpbronnen, zuiniger zijn op grondstoffen, voorwerpen langer en opnieuw gebruiken en optimalere reststromen. Afvalscheiding en inzameling is daarbij van wezenlijk belang. Welke bestanddelen van het afval gescheiden dienen te worden veranderd. Nieuwe technieken maken bijvoorbeeld de scheiding van kunststof mogelijk. Gemeenten werken mee in het Uitvoeringsprogramma VANG – Huishoudelijk Afval om te komen tot minder huishoudelijk afval en tot het beschikbaar krijgen van meer waardevolle grondstoffen van de juiste kwaliteit. Deze verordening moderniseert de regels van de gemeente op dit terrein. Door het opnemen van de bepalingen over afvalstoffen in deze verordening wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel 10.23 van de Wet milieubeheer, waarin de raad wordt opgedragen om in het belang van de bescherming van het milieu een Afvalstoffenverordening vast te stellen.

Onder de Omgevingswet wordt het mogelijk om de regels uit de Afvalstoffenverordening in het Omgevingsplan op te nemen. Artikel 10.23 van de Wet milieubeheer wordt hierop aangepast. Naast deze regels in de verordening is er ook een Uitvoeringsbesluit van het college waarin onderwerpen terugkomen waarover het college op grond van de regels uit deze verordening bevoegd is nadere regels te stellen. Hieronder volgt een artikelsgewijze toelichting. Begrippen (opgenomen in bijlage 1) Er zijn geen definities van begrippen gegeven die al op grond van artikel 1.1. van de Wet milieubeheer zijn gedefinieerd. De begrippen inzamelmiddel, inzamelplaats en inzamelvoorziening zijn opgenomen om deze van elkaar te onderscheiden. Een inzamelmiddel is bestemd voor een enkel huishouden en is bijvoorbeeld een huisvuilzak, minicontainer, afvalemmer, kca-box of big bag. Een inzamelplaats is aangewezen op grond van artikel 4:3. In deze gemeente wordt een inzamelplaats ‘milieupark’ genoemd. Een inzamelvoorziening is bestemd voor meerdere huishoudens. Een inzamelvoorziening is bijvoorbeeld een (ondergrondse) verzamelcontainer, wijkcontainer of brengdepot. Uit artikel 4:8 wordt duidelijk dat inzamelmiddelen gebruikt worden voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel en inzamelvoorzieningen voor het aanbieden nabij een perceel.

Het begrip perceel is omwille van de leesbaarheid opgenomen met een vaste toevoeging die bij het gebruik van dit begrip in deze afdelingen telkens moet worden meegelezen. Het gaat immers telkens om percelen waar huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Deze toevoeging is opgenomen in verband met de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer, waarin sprake is van de zorg van de gemeente voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen “bij elk binnen

15

haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan”. Wat onder perceel moet worden verstaan kan niet goed op het niveau van deze afdelingen worden vastgesteld. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 18 september 1991, nr. 27597, BNB 1991/333, is een perceel een plaats waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld binnen een particuliere huishouding kunnen ontstaan. Slechts dan is geen sprake van een perceel, indien het gaat om een gedeelte van een onroerende (of roerende) zaak dat blijkens indeling en inrichting niet is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Dit zal telkens naar de feiten en het spraakgebruik bepaald moeten worden. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1773) kon ook een woonruimte in een zorgcentrum een particuliere huishouding zijn waar geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan (zie voor de feiten Gerechtshof Den Haag 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2862). Onderscheid wordt gemaakt tussen ongeadresseerd reclamedrukwerk voor commerciële doeleinden en huis-aan-huisbladen of drukwerk van niet commerciële organisaties, waaronder ook politieke partijen. Met ongeadresseerd reclamedrukwerk wordt in deze afdelingen bedoeld al het reclamedrukwerk dat zonder adres wordt aangeboden.

Onder deze definitie vallen alle aanduidingen zonder toevoeging van een feitelijk adres, zoals bijvoorbeeld “aan de bewoners van dit pand of gebouw”. De gemeente kiest voor dit onderscheid omdat huis-aan-huisbladen en pamfletten een belangrijke functie vervullen voor onder meer de nieuwsverspreiding op lokaal niveau en de sociale cohesie in de buurt. Daarbij hebben deze bladen een lage frequentie. In de definitie van huis-aan-huisblad is aangesloten bij de landelijke norm van de Stichting Reclamecode van 10% aan buurtgerichte redactionele inhoud. Artikel 4:1 Aanwijzing van de inzameldienst In het eerste lid geeft de raad aan het college de opdracht om een onderneming aan te wijzen, die met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen is belast. De zorg voor deze inzameling berust ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer op de raad en het college. De aangewezen inzameldienst zal aan die zorg praktische uitvoering geven. In het derde lid wordt een grondslag gegeven om nadere regels te stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt. Redenen van algemeen belang van milieu en gezondheid die met de aanwijzing van inzameldiensten zijn gemoeid, dwingen ertoe geen regeling op te nemen voor het van rechtswege nemen van aanwijzingsbesluiten in gevallen waarin niet tijdig op een daartoe strekkende aanvraag zou worden beslist.

De regeling van paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is daarom niet van toepassing. Zo nodig kunnen bij het aanwijzingsbesluit beperkingen of voorschriften worden verbonden aan de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Het ligt in de rede dat dit alleen aan de orde is wanneer er ten aanzien van de aan te wijzen instantie bijzondere voorschriften of beperkingen moeten gelden. Artikel 4:2 Regulering van andere inzamelaars Dit artikel regelt de mate waarin het voor anderen dan de inzameldienst mogelijk is huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. In beginsel is dit verboden. Er zijn echter drie categorieën van andere inzamelaars dan de inzameldienst, die bepaalde bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen mogen inzamelen. Ten eerste als een inzamelaar is aangewezen. Het gaat dan om een beschikking, waaraan op grond van het tweede lid voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden. Een aanwijzing wordt niet van rechtswege verleend als sprake zou zijn van niet tijdig beslissen. Ten tweede kan het college bepaalde personen of organisaties vrijstellen bij nadere regels. In het eerste lid, onder b, is mogelijk gemaakt dat er met generieke vrijstellingen kan worden gewerkt voor bijvoorbeeld scholen die papier inzamelen of voor andere organisaties of personen die bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen inzamelen als inzamelaar.

Ten derde zijn er producenten van bijvoorbeeld witgoed voor wie op grond van de Wet milieubeheer in algemene maatregelen van bestuur verplichtingen bestaan tot inname van afgedankte producten. Het gaat dan om de producentenverantwoordelijkheid. Vanzelfsprekend kan daarvoor geen verbod gelden. De aanwijzing van inzamelaars verschilt qua karakter van de aanwijzing van de inzameldienst. Het gaat bij de inzamelaars om personen of organisaties die om verschillende redenen behulpzaam willen zijn bij de taak om huishoudelijk afval in te zamelen. Deze aanwijzing heeft - anders dan de aanwijzing van de inzameldienst - het karakter van een vergunning en gaat niet gepaard met een uitvoeringsplicht. Artikel 4:3 Aanwijzing van inzamelplaats Op deze plaats wordt afzonderlijk geregeld dat op ten minste één plaats ook buiten kantooruren of in het weekend (in voldoende mate dus) gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen achter te laten. Hiertoe is het gemeentebestuur verplicht in verband met de in artikel 4:5 geboden

16

mogelijkheid om niet telkens per week en bij elk perceel in te zamelen. Ingevolge artikel 10.26, tweede lid, van de Wet milieubeheer is dit verplicht. Het gaat hier om een daartoe ter beschikking gestelde plaats, waar alle bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden achtergelaten. Artikel 4:4 Algemene verboden Dit artikel regelt dat het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen alleen mag geschieden via de kanalen die daarvoor in de artikelen 4:2 en 4:3 zijn aangewezen. Dit verbod is de keerzijde van de bij of krachtens die artikelen tot de inzameldienst en andere inzamelaars gerichte gebod om het afval in te zamelen en het in artikel 4:2, eerste lid, opgenomen verbod voor anderen om afval in te zamelen. Artikel 4:5 Gescheiden afvalinzameling Dit artikel biedt een grondslag om in het Uitvoeringsbesluit te regelen welke bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk moeten worden ingezameld, met welke frequentie en op welke locatie. Deze locatie kan zijn bij elk perceel, nabij elk perceel of een van deze met uitzondering van bepaalde gebieden van de gemeente. Het Besluit GIHA bevat ook voorschriften over de gescheiden inzameling van afvalstoffen.

Deze verordening biedt de mogelijkheid om in het Uitvoeringsbesluit een fijnmaziger onderscheid te maken dan artikel 1 van het Besluit GIHA, dat voorschrijft dat ‘ten minste’ bepaalde bestanddelen gescheiden worden ingezameld. In het Uitvoeringsbesluit kan op grond van artikel 10.21, vierde lid, van de Wet milieubeheer worden besloten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen. Daarbij kan tevens een onderscheid gemaakt worden binnen de in het Besluit GIHA genoemde bestanddelen (bijvoorbeeld door glas op te delen in vlakglas en verpakkingsglas). Artikel 10.21 van de Wet milieubeheer schrijft voor dat het gemeentebestuur, al dan niet samen met het gemeentebestuur van andere gemeenten, ervoor zorgt dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan. Grove huishoudelijke afvalstoffen zijn daarvan uitgezonderd. De raad kan volgens artikel 10.21, vierde lid, van de Wet milieubeheer besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen. Op grond van artikel 10.26 van de Wet milieubeheer kan de raad in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bij de Afvalstoffenverordening afwijken: a.

van de inzameling bij elk perceel (bepaald mag worden nabij elk perceel); b. van de frequentie van eenmaal per week (bepaald mag worden met welke regelmaat bij de verordening); c. van de inzameling in het gehele grondgebied (bepaald mag worden dat in een gedeelte van het grondgebied geen huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld); Artikel 2, eerste lid, van het Besluit GIHA bepaalt verder dat onder voorwaarden voor de volgende bestanddelen afgezien kan worden van de gescheiden inzameling voor: d. bioafval (wanneer gescheiden inzameling technisch niet mogelijk is of buitensporig duur); e. metaal, kunststof of glas (als de kwaliteit voor hergebruik of recycling gelijk blijft). Indien de frequentie lager is dan eenmaal per week, is de Inspraakverordening van toepassing en is artikel 4:3 verplicht. Dit vloeit voort uit artikel 10.26, tweede lid, en artikel 10.27 van de Wet milieubeheer. Een Afvalstoffenverordening die één van deze mogelijkheden benut, dient te worden voorbereid met toepassing van de Inspraakverordening die op grond van artikel 150 van de Gemeentewet is vastgesteld (artikel 10.26 van de Wet milieubeheer). Indien toepassing wordt gegeven aan de onderdelen b of c, dan moet de gemeente zorgen voor een daartoe ter beschikking gestelde plaats voor het achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen. Dat laatste is geregeld in artikel 4:3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11459911/2