1 B9 Toelichting Bijlage 9 archeologisch bureauonderzoek
Tekst van het document
Afb. 2.5 Ligging van het plangebied op een uitsnede van een kaart uit het einde van de 19e eeuw (Topotijdreis 2020).
In 1862 heeft de freule Marianne von Evers von Aldendriel van het kasteel van Well een verzoek gedaan tot de heroprichting van de eendenkooi in Well. In de archieven waren echter geen aanwijzingen te vinden over het voorkomen van eendenkooien in Limburg tussen 1814 en 1852, waardoor geen sprake was van 69
Topotijdreis 2020, kaart 1895.
Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek
30
heroprichting, maar van de oprichting van een nieuwe eendenkooi. De burgemeester van Bergen zou bij de aanvraag een brief hebben geschreven waarin hij vermelde dat de ‘eendenkooi al sinds onheugelijke tijden bestond en de kentekens nog goed zichtbaar waren’. Uiteindelijk werd op 23 oktober 1863 toestemming verleend voor de oprichting van een eendenkooi met het recht tot afpaling op een afstand van 25 tot ten hoogste 150 ellen vanaf het midden van de kooi. In het huurcontract stond dat de huurder zich verplichtte de waterplas en sloten uit te diepen en de vrijgekomen modder onder het hakhout te verspreiden. Dit zou betekenen dat er toch al een kooiplas aanwezig moet zijn e geweest, alhoewel ook op de kaarten uit de tweede helft van de 19 eeuw alleen een hakhoutbos (zonder aanduiding van een kooiplas) in een moerassig gebied is aangeduid. Mogelijk zijn de cartografen nooit ter plekke geweest en is het, in het vlakke moerasland duidelijk aanwezige hakhoutbosje, van een afstand ingetekend. Om de eendenkooi makkelijk te kunnen bereiken, is vanaf de Wezerweg een rechte toegangsweg aangelegd.70 Ontginning Welsch Meer In 1901 werd het Wellsch Meer (circa 300 ha), dat volgens een advertentie ‘op voordeelige wijze te ontginnen’ was, door de gemeente Bergen voor 40 jaar verpacht aan Ignaz van Ophoven uit Mill.
Hij heeft zijn pachtrecht echter al snel overgedaan aan zijn zus Philomena van Ophoven. Zij heeft de gronden uiteindelijk in 1912 gekocht. Aan de overzijde van de grens kocht zij aangrenzend 20 ha van het Wember Veen.
Afb. 2.6 Zicht op Elisenhof vanuit het zuidwesten. De schuur links op de foto ligt op Nederlands grondgebied (Archief Well 2020)
De Ontginningsmaatschappij van Ophoven verwijderde de hakhoutbossen. Vanaf de Molenbeek werden in noordoostelijke richting sloten graven om het overtollige water af te voeren (zie afb. 2.7). De beek had als gevolg hiervan weer een behoorlijke wateraanvoer.71 Plaatselijk, zoals in het noordelijke deel van het plangebied, waren de sloten voorzien van singels. Dwars op de sloten (en dus min of meer evenwijdig aan de Molenbeek) werden rechte wegen aangelegd, de huidige Veenweg en de Wellsmeer, waardoor brede stroken ontstonden. Deze 70 71
Pelzers 1988; Topotijdreis 2020, kaart 1895. Renes 1999, 157.
31
Energielandsgoed Wells Meer
wegen waren niet voorzien van flankerende beplanting. Nabij de Molenbeek is een houtwal met dezelfde oriëntatie als de wegen aangelegd. Centraal in het gebied werd dwars op deze wegen een weg, eveneens de Wellsmeer genaamd, aangelegd, die leidde naar de hoofdboerderij op de Nederlands-Duitse grens. Deze boerderij werd als eerbetoon aan haar moeder Haus Elisenwerth of Elisenhof genoemd (zie afb. 2.6). De woning stond op Duits grondgebied, direct ten noordoosten van het plangebied. Aan de overzijde van de grens stond, in het plangebied, een schuur. Boeren die aan weerszijden van de grens land hadden, mochten vee, mest en oogst ongehinderd de grens over brengen. Zij konden daardoor profiteren van de laagste kunstmestprijzen en de hoogste prijzen voor hun oogst. Later hadden deze zogenaamde tractaatbedrijven nog meer voordeel toen Duitsland protectionistische maatregelen invoerde. De tractaatbedrijven die hun hoofdzetel in Duitsland hadden, waren grotendeels vrijgesteld van invoerrechten. Eén van de voorwaarden was wel dat de paarden ’s nachts in Duitsland moesten worden gestald. De ontginning Wellsche Meer was één van de eerste grote ontginningen waarbij op grote schaal gebruik werd gemaakt van stoomploegen. Het terrein werd grotendeels in gebruik genomen als akker. Lokaal waren de lagere delen van het gebied als grasland ontgonnen.
Het uiterste noordelijke en zuidwestelijke deel van het plangebied bleef onontgonnen en in gebruik als heide en bos.72
Afb. 2.7 Ligging van het plangebied op een uitsnede van een kaart uit het begin van de 20e eeuw (Topotijdreis 2020). 72
Topotijdreis 2020, kaart 1908 en 1927; Renes 1999, 400.
Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek
32
Afb. 2.8 De Villa in het centrale deel van de ontginning met ten noorden daarvan twee schuren (Archief Well 2020).
Verspreid over de ontginningen werden langs de wegen diverse schuren gebouwd. Naast één van deze schuren, langs de weg in het centrale deel van de ontginning, is in 1908 een groot, wit woonhuis, genaamd De Villa, gebouwd (zie afb. 2.8, Wellsmeer 1A)). Langs de Wezerweg bevond zich (als het eerste gebouw op de ontginning) de boerderij d’n Alden bouw (zie afb. 2.9, Wezerweg 22-24)). Tegenover deze boerderij bevonden zich, aan de westzijde van de Wezerweg (net buiten het plangebied), de Polenhuizen (Wezerweg 5), waar de Poolse arbeiders waren gehuisvest die in de jaren na de Eerste Wereldoorlog hier in de landbouw kwamen werken. Ten zuidwesten van d’n Alden bouw is de boerderij de Kolonie gebouwd (ter hoogte van het perceel Wezerweg 20). Ook de bebouwing ten noorden van de oude Tol is in deze periode uitgebreid met een gebouw direct langs de Wezerweg.
Afb. 2.9 Bebouwingsconcentratie langs de Wezerweg op de westgrens van het plangebied. Links het Polenhuis, rechts d’n Alden Bouw en daarvoor de Kolonie(Archief Well 2020).
Als gevolg van de ontginning viel ook de Eendenkooi, die in eigendom was van de Kasteelheer van Well, droog. Het terrein werd omstreeks 1907 in openbare verkoop gekocht door de bedrijfsleider van Philomena, die er de boerderij “De Eendenkooi” liet bouwen (zie afb. 2.10, ter hoogte van de huidige Wezerweg
33
Energielandsgoed Wells Meer
16a). Gezien het huidige hoogteverloop (zie paragraaf 2.2.2) waarin zelfs geen gedempte laagte meer herkenbaar is, is (en dan voornamelijk de locatie van de boerderij) sterk opgehoogd. De gronden van de oude eendenkooi werden omgeven door een hakhoutwal.73 In 1906 is vrijwel direct ten noordwesten van het plangebied nabij de Wellsche Hut een grenskantoor met ‘ontvangerswoning’ gebouwd.74
Afb. 2.10 Boerderij Eendekooi in de eerste helft van de 20e eeuw (Archief Well 2020).
In 1918 verkocht Philomena de ontginning aan de N.V Landbouw-Maatschappij ‘Holland’. De Maatschappij werd uiteindelijk een mislukking doordat in het door de oorlog sterk verarmde Duitsland de groenten niet voor een behoorlijke prijs konden worden verkocht. Toen de Maatschappij de rente van de hypotheek niet meer kon betalen, liet Philomena beslag leggen op het bedrijf en de oogst, waarna zij het bedrijf in 1924 bij publieke verkoop weer heeft teruggekocht.75 In 1935 is direct ten noorden van het plangebied, nabij de Wellsche Hut, een nieuw pand gerealiseerd, waardoor hier bij de kruising van wegen een kleine concentratie van bebouwing was ontstaan. Ook langs de Wezerweg zijn, ten noorden van de oude Tol, in de jaren twintig en dertig diverse nieuwe woningen verrezen, waarvan vier in het plangebied. Rond deze bebouwing zijn naaldbossen aangeplant. Vanaf de bebouwing zijn tevens in oostelijke richting diverse wegen evenwijdig aan de Molenbeek aangelegd, waardoor een dicht wegenpatroon ontstond.76 Tweede Wereldoorlog Ten tijde van de mobilisatie werden langs de Duits-Nederlandse grens aan Nederlandse zijde veldversterkingen, versperringen en verhakkingen77 aangelegd. Ook langs de Wezerweg werden versperringen aangebracht. Zo werden circa tien bomen langs deze weg, ter hoogte van de Molenbeek langs de zuidwestgrens van het plangebied, voorzien van springladingen.
Het doel hiervan was om middels deze bomen een versperring te creëren voor het tegenhouden van aanvallende voertuigen. Over de weg direct aan de grens, ten noorden van het plangebied, werd een versperring aangebracht bestaande uit betonnen putringen. In deze ringen werden vervolgens stalen railfragmenten geplaatst, waarna de ringen
73
Pelzers 1988. Archief Well 2020, Bewoners van de Wezerweg, Wolfsven en Wellsmeer. 75 Archief Well 2020, Philomena en haar arbeiders van het Wellsmeer. 76 Topotijdreis 2020, kaart 1936; RAF Aerial Photographs. Sortie 178, run 1, foto 4413, 15-101944; BAGviewer 2020. 77 Wegversperringen, meestal in de vorm van omgehakte of opgeblazen bomen. 74
Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek
34
volgestort werden met beton.78 Binnen het plangebied worden geen structuren verwacht die met deze versperringen in verband kunnen worden gebracht. In De Villa langs de weg Wellsmeer, die op de kaart in afb. 2.11 wordt aangeduid als Elisenhof, bevond zich wel een Nederlandse grenspost.79 Op basis van de locatie (binnen een bestaand pand) en het tijdelijke karakter wordt verwacht dat op deze locatie geen relevante structuren aanwezig zullen zijn.
Afb. 2.11 De locaties van Nederlandse grensposten en versperringen (verhakkingen) in (de directe omgeving van) het plangebied (Haumann 2008).
In de vroege ochtend van 10 mei 1940 vielen Duitse eenheden het neutrale Nederland binnen. Op diverse plekken in het Limburgse grensgebied werd fel gevochten, waaronder bij Mill en Roermond. De omgeving van Well werd e e e verdedigd door eenheden van de 3 compagnie van het 1 bataljon van het 41 e e Regiment der Infanterie (3-I-41 R.I.) en het 1 bataljon van de 1 compagnie van e e het 1 bataljon van het 41 Regiment der Infanterie (1-I-41 R.I.). In de meidagen van 1940 vonden te Well geen grootschalige gevechtshandelingen plaats. Het 3-I41 R.I. kreeg reeds rond 14.20 op 10 mei 1940 het bevel terug te trekken richting Deurne.80 Wel vonden bij de grensposten korte schermutselingen plaats, waarbij Hendrik Steenbekkers van 1-I-41 R.I. sneuvelde.81 Op basis van het beschikbare bronnenmateriaal is echter niet eenduidig vast te stellen waar deze schermutselingen hebben plaatsgevonden. Het plangebied lag precies tussen de opmarsroutes van twee Duitse legerkorpsen in, één ten noorden van Afferden en één ten zuiden van Arcen.82 Vanwege het gebrek aan gevechtsacties en
78
Haumann 2008, 19, Nederlands Instituut voor Militaire Historie, Den Haag, Gevechtsverslagen en -rapporten mei 1940, Toegang 409, inventarisnummer 525001 en 525026. 79 NIMH, Gevechtsverslagen mei 1940, 409, inv.nr. 525001 en 525026, verschillende bronnen spreken elkaar tegen betreffende de locatie van de grenspost, maar zeer waarschijnlijk betreft het hier ‘De Villa’. 80 NIMH, Gevechtsverslagen mei 1940, 409, inv.nr. 525026. 81 Maaslinie-mei1940.nl (geraadpleegd 17 april 2020). 82 Het gaat hierbij om het IX. Armee-Korps en XXVI. Armee-Korps.
35
Energielandsgoed Wells Meer
defensieve of offensieve handelingen worden binnen het plangebied geen relevante structuren verwacht.
Afb. 2.12 Luchtfoto van het ‘Wehrmachtshuisje’, genomen op 5 oktober 1944 (RAF Aerial Photographs. Sortie 316, run 3, foto 4250).
In het noorden van het plangebied bevond zich aan de Veenweg een zogenaamd ‘Wehrmachtshuisje’ (zie afb. 2.12, Veenweg 2). Dit huisje vormde onderdeel van de Kammhuberlinie (Duitse codenaam Himmelbett), die dwars door Nederland liep en bestond uit een netwerk van zoeklichten, luchtafweerstellingen, communicatievoorzieningen en radarposten ter ondersteuning van de Helle Nachtjagd.83 De linie was in operatie van juli 1940 tot oktober 1944. De linie was opgedeeld in verschillende sectoren, waarbinnen de bovenstaande elementen samenwerkten om een toegewezen nachtjager84 naar een doel te begeleiden. De omgeving van Well was onderdeel van Nachtjagdraum 5 en Sektor 5A dat was gepositioneerd tussen Heijen (bij Gennep) en Neer. Omdat de vroege versies van Duitse nachtjagers (zoals de Junkers Ju 88C) nog niet beschikten over adequate radar- en geleidingsapparatuur, werden de toestellen vanaf de grond geassisteerd door zoeklichten, die de toestellen naar het doel begeleidden. De radar binnen een sector stuurde een geautomatiseerd hoofdzoeklicht aan, geassisteerd door een serie los binnen de sector geplaatste handmatig bediende zoeklichten.
De vroege zoeklichtopstellingen waren voorzien van communicatievoorzieningen, de ‘Wehrmachtshuisjes’, als onderkomen voor de bemanning en opstellingen voor de zoeklichten zelf.85 Ook het ‘Wehrmachtshuisje’ in het plangebied was onderdeel van een dergelijke zoeklichtopstelling. Ter plekke van het ‘Wehrmachthuisje’ zijn op luchtfotomateriaal van 5 oktober 1944 vrijwel geen relevante structuren 83
Helle Nachtjagd (HENEJA) is het principe waarbij nachtjachttoestellen (be)geleid worden door zoeklichten. Overigens liep de Kammhuberlinie niet alleen door Nederland, maar van Zwitserland, via Luik naar de Deense grens met Duitsland. 84 Jachtvliegtuig dat uitgerust was om ’s nachts ingezet te worden tegen vijandelijke bommenwerpers. 85 Derix 1990, 107-112; Haumann 2008, 82; Overy 2013, 275-278; Grimm 2017, 47-49.
Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek
36
waarneembaar. Dit houdt mogelijk verband met de datering van het beschikbare luchtfotomateriaal, aangezien deze enkele jaren na het opheffen van het zoeklichtsysteem gemaakt zijn. Ten zuidwesten van de nog aanwezige structuur is een lichtere vlek zichtbaar dat mogelijk kan duiden op een dichtgeworpen ontgraving. Mogelijk betreft het hier een structuur die gerelateerd kan worden aan de zoeklichtopstelling.86 Het is derhalve te verwachten dat rond het huisje diverse bijbehorende structuren aangetroffen kunnen worden. Dit wordt bevestigd door de huidige bewoner van het ‘Wehrmachtshuisje’. Hij geeft aan dat er direct rond het huisje diverse structuren aanwezig moeten zijn geweest die verband houden met de zoeklichtopstellingen. Tevens geeft hij aan dat er ten noordwesten van het bospad tegenover het huisje diverse structuren aanwezig moeten zijn geweest, evenals direct ten zuidoosten van dit pad.87 Mogelijk gaat het hierbij om facilitaire structuren, zoals stelplaatsen ten behoeve van de plaatsing van generatoren. De door de bewoner gemelde structuren zouden nog zichtbaar moeten zijn aan het maaiveld. Middels AHN3 zijn er binnen dit bosperceel structuren gekarteerd die mogelijk relevant kunnen zijn.
Deze structuren kunnen bestaan uit ingravingen ten behoeve van het plaatsen van zoeklichten of communicatieapparatuur, kabelstroken voor communicatiekabels of stroomvoorziening, opstellingen voor voertuigen, afvalkuilen, dekkingsgaten, versperringen en opstelplaatsen voor radioapparatuur.88 Vanaf september 1944 werd in het kader van een groot Duits defensief programma langs de westgrens van Duitsland en in Nederland begonnen met de aanleg van een aantal successieve verdedigingslinies. Eén van deze verdedigingslinies was de Maas-Stellung, die parallel aan en direct ten noorden en oosten van de Maas aangelegd werd. Deze linie, hoofdzakelijk bestaande uit twee parallelle loopgraafsystemen en een centrale tankgracht, moest vijandelijke uitbraken over de Maas voorkomen of vertragen en een geallieerde opmars richting het Ruhrgebied voorkomen. Ook in de directe omgeving van Well werden verdedigingslinies in de vorm van loopgraven en tankgrachten gepland en aangebracht.
Op basis van het beschikbare bronnenmateriaal kan echter vastgesteld worden dat deze defensieve structuren zich ten zuidwesten van het plangebied bevonden, direct langs de Maas.89 Ten noorden van het plangebied bevond zich een zogenaamde Riegelstellung (secundaire defensieve linie die meestal haaks op de hoofdverdediging geplaatst is), de Riegel bei Bergen.90 In en rond Well waren ten behoeve van het graafwerk grote groepen Oost-Europese dwangarbeiders ondergebracht. Onder andere in Elisenhof was een groep arbeiders ondergebracht.91 Er zijn geen indicaties aangetroffen voor de aanwezigheid van verdere gerelateerde structuren binnen het plangebied.
86
WUR, RAF Aerial Photographs. Sortie 316, run 3, foto 4250. Afgezien van de verstoringen rondom het pand zijn er aan de Duitse zijde van de grens enkele verstoringen aangetroffen die tevens kunnen wijzen op een verband met de zoeklichtopstelling. Deze vallen echter buiten het plangebied en zijn derhalve niet meegenomen in de analyse. In een telefonisch gesprek met dhr. P. Arends (d.d. 19 mei 2020) werd bevestigd dat zich op deze locatie opstellingen of structuren bevonden hebben. 87 Mondelinge mededeling dhr. G. Eikmans, Well (d.d. 22 mei 2020). 88 Zie o.a. Derix 1990, C15. 89 Op het beschikbare luchtfotomateriaal zijn enkele opvallende structuren die mogelijk in verband kunnen worden gebracht met de Maas-Stellung waargenomen. Deze structuren bevinden zich direct ten zuidwesten van het plangebied en zijn derhalve niet meegenomen in de verwachting voor het plangebied. 90 Bundesarchiv-Militärarchiv Freiburg, RH11-III General der Pioniere und Festungen im OKH, inventarisnummer 197K; Haumann 2008, 78-79. 91 Deze boerderij werd aan het einde van 1944 gebombardeerd.
37
Energielandsgoed Wells Meer
Het gebied tussen de Maas en de Duitse grens heeft een periode van enkele maanden in de frontzone gelegen. Vanaf de start van Operation Nutcracker (operatie om het gebied rond de Peel en ten westen van de Maas te zuiveren) op 14 november 1944 kwam het plangebied in de invloedssfeer van gevechtshandelingen te liggen. Op 26 november restten er nog drie kleine Duitse bruggenhoofden aan de westkant van de Maas, waaronder bij Geijsteren. Deze bruggenhoofden werden op 3 december definitief ingenomen, waarna het front langs de Maas kwam te liggen. Op 3 maart 1945 werd de omgeving van het plangebied tijdens Operation Veritable door No. 45, 46 en 3 Commando, ondersteund door tanks van de 52e Lowland Division, bevrijd. Tijdens de bevrijding vonden geen grootschalige gevechtshandelingen plaats en er zijn, afgezien van grote schade als gevolg van artilleriebeschietingen, dan ook geen indicaties aangetroffen voor het plaatsvinden van (aanzienlijke) gevechtsacties binnen het plangebied. Na de bevrijding vormden Well en omgeving het toneel voor oefeningen ten behoeve van de oversteek van de Rijn enkele weken later.92
Afb. 2.13 Indicaties voor de uitwerking van munitie binnen het plangebied (indicatief). 92
Korthals Altes en In ‘t Veld 1981, 158-205; Haumann 2008, 83-157, 266; Levels en Munnicks 2018, 137-317.
Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek
38
Tijdens de inventarisatie van oorlogshandelingen binnen het plangebied zijn een aantal indicaties naar voren gekomen voor de mogelijke aanwezigheid van munitie of munitiegerelateerde objecten binnen het plangebied. Deze zijn indicatief weergegeven op afbeelding 2.13.93 Het gaat hierbij om meldingen van aangetroffen munitie bij de EODD (Explosieven Opruimingsdienst Defensie)94, op luchtfotomateriaal waargenomen bom- en granaattrechters en bombardementen. e
De tweede helft van de 20 eeuw In 1942 is Philomena in Wenen overleden. Het bedrijf werd door de erfgenamen in beheer gegeven aan de Grontmij. In 1953 is boerderij de Eendenkooi verkocht en vervangen door een nieuwe woning. In de jaren vijftig is één van de woningen aan de Wezerweg gesloopt. Elders zijn langs deze weg in de jaren vijftig en zestig nieuwe woningen gerealiseerd.95 In 1966 zijn de twee schuren ten noorden van De Villa afgebrand. In 1968 werd op dezelfde plek een nieuwe loods met stalling voor tractoren en machines, een smidse, een timmerwerkplaats en een kantoor gebouwd. In de jaren zestig kwam de Villa leeg te staan, doordat de bedrijfsleider verhuisde. Doordat het pand geheel was onderkelderd en geen spouwmuren had, was het vochtig en verkrotte het geheel. De villa is vervolgens in 1970 gesloopt en vervangen door een moderne bungalow.96 In 1954 is in de gemeente Bergen de ruilverkaveling gestart en uiteindelijk in 1968 goedgekeurd. Het belangrijkste doel was de ontwatering van de terreinen op het pleniglaciale terras, die in de winter vaak onder water stonden, te verbeteren. Tevens werden percelen geruild en vergroot. Door het uitgraven van grind- en zandputten werd de grondwaterstand ook lager en verminderde de afvoer van de Molenbeek.97 In deze periode is het bosgebied in het noordelijke deel van het plangebied uitgebreid in zuidoostelijke richting.
Hierdoor zijn een deel van de hogere gronden, die voorheen bouwland waren, met naaldbos beplant. Op basis van de hoogtelijnen is te zien dat het hoogteverloop op de overgang tussen het bos en de akker doorliep en dat er dus geen sprake was van abrupte hoogteverschillen. Het gebied in de hoek van de huidige Veenweg en de weg Wellsmeer is gezien het veranderende verloop van de hoogtelijnen geëgaliseerd. De houtwal rond de eendenkooi is in deze periode of gekapt en/of door verval steeds lager geworden, waardoor deze niet meer als een wal op de kaart is weergegeven en er steeds minder bomen zijn weergeven. Ook de bomen langs de Wezerweg zijn in deze periode gekapt.98 In het begin van de jaren zeventig is één van de oude ontginningswegen, de huidige Veenweg, verbreed en deels verplaatst als onderdeel van de Toeristenweg langs de Nederlands-Duitse grens.99 In de jaren tachtig is in het 93
Het dient opgemerkt te worden dat de hier vermelde indicaties het resultaat zijn van een beperkte (niet gerichte) inventarisatie. Op basis van deze indicaties is het niet mogelijk om een geldige risicoafweging te maken. Het dient derhalve aanbeveling om een vooronderzoek CE uit te laten voeren voor het plangebied door een hiertoe gecertificeerd opsporingsbedrijf. 94 BeoBOM 2020. 95 Topotijdreis 2020, kaart 1953, 1958 en 1967. 96 Archief Well 2020, Philomena en haar arbeiders van het Wellsmeer. 97 Renes 1999, 157. 98 Topotijdreis 2020, kaart 1953, 1958 en 1967. 99 Topotijdreis 2020, kaart 1979; Archief Well, Bewoners van de Wezerweg, Wolfsven en Wellsmeer.
39
Energielandsgoed Wells Meer
zuidwestelijke deel van het plangebied, ter hoogte van het duingebied, een crossbaan aangelegd.100 In 1979 is het bedrijf verkocht aan het Sociaal Fonds Bouwnijverheid.101 In de jaren negentig is aan de westzijde van de Wezerweg weer een bomenrij aangeplant.102 In 2009 is het gebied vervolgens doorverkocht aan de Dienst Landelijk Gebied.103 Het gebied vormt tegenwoordig nog steeds een overwegend open agrarisch landschap omgeven door de bossen van de Maasduinen in het westen en zuiden, de laanbeplanting van de Kevelaarsedijk in het oosten en de singel langs de Veener Ley in het noordoosten (zie afb. 2.14).104
Afb. 2.14 Plangebied op een recente luchtfoto (ArcGISonline 2020).
100
Topotijdreis 2020, kaart 1987. Archief Well 2020, Philomena en haar arbeiders van het Wellsmeer. 102 Topotijdreis 2020, kaart 1999. 103 Archief Well 2020, Philomena en haar arbeiders van het Wellsmeer. 104 Topotijdreis 2020, kaart 2003-2019; Recente luchtfoto, ArcGISonline 2020. 101
Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek
40
Eendenkooi Een eendenkooi is een vanginrichting gebouwd om waterwild te vangen. De e methode is in de 14 eeuw ontwikkeld, waarbij de kooien door de grootgrondbezitters werden gebouwd. Zij hadden het jachtrecht en beschikten e over de financiën voor de bouw. In de 16 eeuw ontstond een wildgroei in de bouw van eendenkooien en werd een plakkaat uitgevaardigd, waarin werd vastgelegd dat een octrooi moest worden aangevraagd voor de oprichting van een kooi. Pas in 1807 is sprake van een centrale registratie van de eendenkooien per provincie. Rond de eendenkooi geldt het afpalingsrecht, waardoor binnen een straal rond de kooi geen verstorende activiteiten mogen plaatsvinden. De afpalingskring verschilt per regio. Hoewel de vorm kan wijzingen al naar gelang het eigen inzicht van de kooiker, de streek waarin de kooi ligt en het beschikbare materiaal, was de opbouw in essentie gelijk (zie onderstaande plattegrond). Eendenkooien bestaan uit een (al dan niet) gegraven waterplas omgeven met (meestal) vier, gebogen vangpijpen. De vangpijpen bestonden uit een doodlopende sloot met een overkapping waarover een net was gespannen. In de kooi verblijft het hele jaar door een groep eenden (de ‘makkestal’), die door de kooiker wordt gevoerd.
De taak van deze tamme eenden is om de wilde eenden te verleiden mee te gaan naar de vangpijp, waar het kooikerhondje en voer ervoor zorgt dat de eenden steeds verder de vangpijp inzwemmen. Als de eenden de bocht in de vangpijp voorbij zijn, komt de kooiker tevoorschijn. De wilde eenden worden hierdoor opgejaagd naar een vanghokje aan het einde van de vangpijp, waar ze in worden opgesloten. De gevangen eenden waren vroeger voor de consumptie bedoeld. Tegenwoordig worden eendenkooien gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld voor het ringen van eenden. Het geheel werd omgeven door een kooibos, die zorgt voor rust, broedgelegenheid en het bouwmateriaal 105 voor de eendenkooi.
1. vangpijp 2. kooiplas 3. sating of rand van de plas 4. borst 5. kooibos 6. vanghokje 7. makhok 105
41
8. kooihuisje 9. boothuis 10. brodkorven 11. observatiehut 12. pomphuisje om het waterpeil op hoogte te houden 13. hondenkennel
Eendenkooien 2020.
Energielandsgoed Wells Meer
Samengevat blijkt uit bestudering van de oude kaarten dat het plangebied lange tijd bestond uit onontgonnen gronden. Het centrale deel van het plangebied was een relatief vlak, veengebied, dat aan de west- en zuidzijde werd omringd door sterk geaccidenteerd heidegebied. Het veen werd ontwaterd door de Molenbeek die in zuidwestelijke richting uitmondde in de Maas. Het noordoostelijke deel werd doorsneden door een rug met een iets minder geaccidenteerd reliëf, terwijl het uiterste noordoostelijke deel van het plangebied behoorde tot een veengebied dat zich uitstrekte tot in Duitsland. Dit veengebied werd al sinds de e 14 eeuw doorsneden door een grenssloot, de Veener of Spaanse Ley. Centraal in het plangebied bevond zich een eendenkooi, dat als een bebost (hakhout), verhoogd (natuurlijk of door houtwallen) gelegen gebied in een verder vlak, overwegend met gras(achtigen) begroeid veengebied een opvallend landschapselement zal zijn geweest. e
Vanaf de 19 eeuw is men geleidelijk begonnen het gebied te ontginnen. Het natuurlijke landschap vormde hierbij het uitgangspunt. Hierbij zijn dwars op de Molenbeek sloten gegraven en zijn ontginningswegen aangelegd. Hoewel plaatselijk in het plangebied houtwallen en –singels werden aangelegd, bleef het voormalige veengebied grotendeels een open landschap. Op de NederlandsDuitse grens werd de Elisenhof gebouwd als hoofdboerderij van de ontginning met verspreid over het gebied schuren en woningen (o.a. de Villa, de Kolonie, d’n Alden bouw en het Polenhuis buiten het plangebied). Ook in de oude eendenkooi is een boerderij gerealiseerd. De oudere Wellsche Hut en de Tol langs de Wezerweg vormden de andere bebouwde locaties in en langs het plangebied. In de Tweede Wereldoorlog is langs de Veenweg het Wehrmachtshuisje gebouwd en langs de Wezerweg zijn enkele nieuwe woningen gerealiseerd, waardoor een ijl bebouwingslint is ontstaan. De Veenweg heeft door opname in de Toeristenweg in het begin van de jaren zeventig een iets ander verloop en aanzicht gekregen. Ondanks deze en andere (kleine) veranderingen aan het gebied, heeft het plangebied haar oorspronkelijke karakter en inrichting grotendeels behouden.
2.3.3 Archeologie Over het algemeen zijn in Nederland op verschillende niveaus (landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk) archeologische (verwachtings-)kaarten opgesteld. Het huidige beleid, dat van toepassing is op het plangebied, is gebaseerd op de gemeentelijke verwachtings- en beleidskaart. In 2007 heeft RAAP voor de gemeenten Gennep, Mook en Middelaar en Bergen een archeologische verwachtingskaart opgesteld (Archis-zaakidentificatienr. 2179113100). Op deze kaart is aan de oevers van de restgeul uit het Allerødinterstadiaal een hoge verwachting toegekend. Aan de dekzandrug- en welvingen is een middelhoge verwachting toegekend en aan de rivierduinen en terrasvlakte een lage verwachting. Aan de restgeul zelf is een algemene hoge verwachting voor natte landschappen (afvaldumps en rituele deposities) toegekend.106 Op basis van deze kaart is in 2012 een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd (zie afb. 2.15). Voor de geul en de aangrenzende zone (hoge verwachting) is beleidscategorie 4 van toepassing, waarvoor een onderzoeksplicht geldt bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte
106
Verhoeven & Ellenkamp 2007.
Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek
42
2
van meer dan 250 m .107 Dit beleid geldt ook voor de bekende vondstlocaties en is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan als een dubbelbestemming Waarde-Archeologie 4. In de gebieden met een middelhoge verwachting is beleidscategorie 5 van toepassing en geldt een onderzoeksplicht bij 2 bodemverstoringen dieper dan 40 cm –mv en groter dan 2500 m (dubbelbestemming Waarde-Archeologie 5). Het grootste deel van het plangebied valt in beleidscategorie 6 (lage verwachting), waarvoor geen onderzoeksplicht van toepassing is.108 De gemeente Bergen hanteert de oppervlakte van de effectieve bodemverstorende ingreep als uitgangspunt voor het bepalen van de archeologische onderzoeksverplichting binnen een plangebied.109
Afb. 2.15 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de gemeentelijke beleidskaart (Van de Water & Kortlang 2012).
De verantwoordelijkheid voor het archeologisch erfgoed ligt grotendeels bij de gemeenten. De provincie Limburg is alleen betrokken bij archeologische waarden van provinciaal belang. Hiervoor zijn de zogenaamde archeologische aandachtsgebieden aangewezen, die representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een grote kans op archeologische vondsten vormen.110 Het plangebied maakt geen deel uit van een provinciaal archeologisch aandachtsgebied.111
107
Indien binnen een plangebied verschillende archeologische waarden voorkomen, dan geldt in principe de hoogste aanwezige waarde met bijbehorende vrijstellingsdrempel ter bepaling van de onderzoeksverplichting (Van de Water & Kortlang 2012, 31). 108 Van de Water & Kortlang 2012; Gemeente Bergen 2018. 109 Van de Water & Kortlang 2012, 9. 110 Provincie Limburg 2020. 111 Atlas Limburg 2020.
43
Energielandsgoed Wells Meer
Naast deze verwachte archeologische waarden zijn rond het plangebied in het verleden ook daadwerkelijk archeologische waarden aangetroffen. In de database van de RCE, Archis 3, zijn rond het plangebied binnen een straal van circa 500 meter diverse archeologische vondsten bekend (zie afb. 2.16).112 Bepaalde gebieden zijn vanwege hun archeologische waarde vermeld op de Archeologische Monumentenkaart of aangewezen als archeologisch rijksmonument. Binnen een straal van 500 meter zijn echter geen archeologische monumenten aangewezen.
Afb. 2.16 Ligging van het plangebied met vondstlocaties, onderzoeksmeldingen en (eventueel) aanwezige archeologische monumenten (Archis3 2020).
In het zuidwestelijke deel van het plangebied zijn diverse losse vondstlocaties bekend van een hoge rug in een laag gelegen akkergebied. In het gebied zijn diverse vuursteenartefacten uit voornamelijk het mesolithicum (Archiszaakidentificatienr. 2855561100, 3114541100, 2855675100, 2979581100, 2855667100), maar ook (mogelijk) het vroeg-neolithicum gevonden (Archis112
Een aanvraag voor informatie bij lokale amateurarcheologen heeft geen aanvullende informatie opgeleverd (schriftelijke mededeling dhr. X. van Dijk, Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG), 3 mei 2020).
Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek
44
zaakidentificatienr. 2855675100). Handgevormd aardewerk is ook aangetroffen, dat niet nader gedateerd is als neolithicum-ijzertijd (Archis-zaakidentificatienr. 3114541100). In het gebied is op een dekzandvlakte (vermoedelijk wordt hiermee een vlak deel van de dekzandwelvingen mee bedoeld) een grafheuvel uit de midden- bronstijd aangetroffen (Archis-zaakidentificatienr. 2979573100). Oorspronkelijk lag in het gebied nog een tweede grafheuvel, maar die was in de jaren negentig van de vorige eeuw al lange tijd niet meer zichtbaar door egalisatie. Van de andere resteert nog slechts een verhoging van circa 20 cm. In de boringen die zijn gezet ter hoogte van de grafheuvels, waren geen bijzonderheden te zien. Naar aanleiding van de aanwezigheid van een vuursteenvindplaats uit het mesolithicum in het gebied heeft in het kader van de Archeologische Monumentenkaart Limburg een veldverkenning plaatsgevonden (Archiszaakidentificatienr. 2979581100). Hierbij bleek dat het betreffende terrein in gebruik was als motorcrossterrein, waardoor de vindplaats als verloren moet worden beschouwd.113 In het plangebied bevindt zich een vondstmelding van twee vuursteenartefacten uit het midden-/laat-neolithicum (zie afb. 2.16, Archis-zaakidentificatienr. 3054594100). De vondsten zijn echter gedaan bij een onderzoek door RAAP uit 2005 in de gemeente Venlo en zijn derhalve foutief geplaatst.
114 Deze vindplaats heeft op de gemeentelijke verwachtings- en beleidskaart van Bergen een hoge verwachting gekregen. In het zuidwestelijke deel van het plangebied waren op een luchtfoto in 1984 duidelijke gebouwsporen zichtbaar (Archis-zaakidentificatienr. 2783422100). Bij de veldverkenning in het kader van de vervaardiging van de Archeologische Monumentenkaart Limburg bleek dat het gebied geëgaliseerd was en in gebruik als sportveld/renbaan. Bij de verkenning, die bestond uit een visuele inspectie al dan niet met boringen, werden geen aanwijzingen voor een gebouw aangetroffen.115 Momenteel wordt in de provincie Limburg door RAAP Expeditie Vuistbijl uitgevoerd (Archis-zaakidentificatienr. 4776858100). Dit project richt zich op de ontsluiting van resten van de vroegste bewoning oftewel de Neanderthalers in Limburg. Deze onderzoeksmelding geeft derhalve geen specifieke informatie over het plangebied. Op ruim een kilometer ten zuidoosten van het plangebied zijn, in vergelijkbare landschappelijke context (dekzandwelvingen) als het noordoostelijke deel van het plangebied, twee vondstlocaties bekend. In dit gebied zijn op de rand van een laagte, die als aspergeakker was gediepploegd, een groot aantal vuursteenartefacten uit het mesolithicum gevonden (Archis-zaakidentificatienr. 2855812100 en 2855204100).
Samengevat zijn in het plangebied al op enkele locaties archeologische waarden aangetroffen. Het betreffen voornamelijk vuursteenvindplaatsen uit het mesolithicum en mogelijk neolithicum en grafheuvels uit de bronstijd. De resten zijn uitsluitend aangetroffen op de hoger gelegen dekzandwelvingen in het zuidwestelijke deel van het plangebied. Op basis van vondsten in de omgeving 113
Van der Gaauw 1994. Van Dijk 2005. 115 Van der Gaauw 1994. 114
45
Energielandsgoed Wells Meer
kunnen archeologische resten echter op de hogere rug in het noordoostelijke deel van het plangebied voorkomen.
2.3.4 Cultuurhistorie Net als bij archeologische verwachtingskaarten zijn vaak ook op verschillende niveaus (landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk) cultuurhistorische waardenkaarten opgesteld. Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Limburg116 maakt het plangebied grotendeels deel uit van nieuw cultuurland 1890-1990 met plaatselijk resterend onontgonnen gebied. De Kevelaarsedijk langs de oostgrens is aangeduid als een weg ouder dan 1806, terwijl de Wezerweg is gekarteerd als weg uit de periode 1806-1890. De waterloop langs de noordoostgrens is aangeduid als andere gegraven waterloop en oude grens, herkenbaar in het terrein.117 In het gebied bevinden zich geen bouwkundige monumenten, zoals rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten.118 In het kader van de archeologische verwachtingskaart is in 2007 ook een cultuurhistorische waardenkaart opgesteld voor de gemeente Bergen. Volgens deze kaart bevinden zich in het plangebied geen bijzondere bouwhistorische en historisch-geografische elementen.119 In het kader van het Landschapsplan gemeente Bergen (2013) zijn de landschappelijke elementen van de gemeente Bergen (al dan niet met cultuurhistorische waarde) gekarteerd.
In het plangebied bevinden zich op diverse locaties bosjes, houtwallen, houtsingels (al dan niet 100 jaar of ouder), bomenrijen (al dan niet 100 jaar of ouder), boomgroepen (al dan niet 100 jaar of ouder), lanen (al dan niet 100 jaar of ouder) en dergelijke.120 De landschappelijke elementen met een cultuurhistorische waarde zijn via het bestemmingsplan beschermd (zie afb. 2.17). In het vigerende bestemmingsplan is opgenomen dat er alleen werkzaamheden mogen worden uitgevoerd als deze geen onevenredige schade (kunnen) aanbrengen aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van het gebied. Er wordt gestreefd naar behoud en herstel van elementen met cultuurhistorische waarden zoals opgenomen in de kaart Cultuurhistorische waarden (zie afb. 2.17).121
116
Deze kaart is gebaseerd op Renes 1999. Atlas Limburg 2020, Cultuurhistorie. 118 Atlas Limburg 2020, Bouwkunde; Gemeentelijke monumentenlijst van locaties in het Bestemmingsplan Buitengebied 2018, via Gemeente Bergen 2018. 119 Verhoeven & Ellenkamp 2007. 120 Gemeente Bergen 2013. 121 Gemeente Bergen 2018. 117
Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek
46
Afb. 2.17 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de kaart ‘Landschappelijke elementen met cultuurhistorische waarde’ (Gemeente Bergen 2018).
In het kader van de MER-procedure is voor het plangebied een cultuurhistorisch inventarisatie verricht van de bekende waarden. Voor de invulling van het energielandgoed Wells Meer zijn in het Milieueffectrapport randvoorwaarden en spelregels opgesteld. Voor cultuurhistorie geldt de randvoorwaarde “ Aantasting van cultuurhistorische lijnen en structuren dient voorkomen te worden” en de
47
Energielandsgoed Wells Meer
spelregel “Bij het opstellen van windturbines in een lijnopstelling moet de mogelijkheid om aan te sluiten bij bestaande lijnen onderzocht worden. ” Bij de bepaling van de effecten op de cultuurhistorie zijn alleen de hierboven reeds behandelde archeologische en cultuurhistorische kaarten geraadpleegd, zoals de Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg. Hieruit is afgeleid dat er in het plangebied geen cultuurhistorische objecten of monumenten aanwezig zijn. Hierdoor is voor wat betreft cultuurhistorie de volgende conclusie getrokken: “Er
treedt bij realisatie van de onderzoeksmodellen geen aantasting van cultuurhistorische waarden op, omdat deze niet in het plangebied aanwezig zijn. De onderzoeksmodellen worden daarom beoordeeld als geen effect hebbende op het aspect Cultuurhistorie.”122 Samengevat zijn er volgens de bestaande cultuurhistorische inventarisaties binnen het plangebied slechts enkele (vastgestelde) cultuurhistorische waarden aanwezig. Dit zijn de Wezerweg langs de noordwestgrens, de Kevelaarsedijk langs de zuidoostgrens en de Veener of Spaanse Ley langs de noordoostgrens. Verspreid over het plangebied zijn enkele groenstructuren, zoals houtwallen, singels, bomenrijen en boomgroepen aangeduid als waardevolle cultuurhistorische elementen.
122
Jaspers Faijen 2020, p. 153-154.
Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek
48
3
Waarden en verwachting
3.1 Archeologische verwachting Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het plangebied Energielandgoed Wells Meer de volgende archeologische verwachting, uitgesplitst naar periode (zie bijlage 2 voor de verwachtingskaart en tabel 1 voor een overzicht van de archeologische verwachting): Laat-paleolithicum Op grond van de locatiekeuze-overwegingen van laat-paleolithische jagersverzamelaars, mogen kampementen uit het laat-paleolithicum (Federmesser- en Ahrensburgcultuur) worden verwacht in een strook op de terrasvlakte van circa 100 m breed aan de buitenbochtzijde langs de gehele Allerød-restgeul. Waar de restgeul onder de rivierduinen verdwijnt kunnen ze zijn afgedekt door rivierduinzand en/of stuifzand. Deze kampementen kunnen bestaan uit concentraties bewerkt vuursteen en natuursteen, oker en haardplaatsen met houtskool en wellicht verbrand dierenbot. Verkoolde hazelnoot wordt niet verwacht, omdat hazelaarstruiken nog niet voorkwamen in de ijstijd. Gezien het bodemtype (een veldpodzol) kunnen eventuele archeologische resten al vanaf het maaiveld aanwezig kunnen zijn (A-, E- en B-horizont van de podzol). Ter hoogte van de rivierduinen hangt de diepte van het afdekkende rivierduinzand- of stuifzanddek af (nu onbekend). Indien in de restgeul nog veen aanwezig is, dan kunnen ook houten en soms benen voorwerpen (geweiresten) goed geconserveerd zijn.
De conservering van het anorganische natuursteen, vuursteen en oker zal goed zijn, maar eventueel dierlijk bot zal sterk vergaan zijn. Mesolithicum Op grond van de locatiekeuze-overwegingen van mesolithische jagersverzamelaars mogen kampementen uit het vroeg- tot laat-mesolithicum in eerste instantie vooral worden verwacht buiten het plangebied, op de kronkelwaardruggen direct langs de Maas. Echter, vanwege het voorkomen van mesolithische artefacten in het zuidwestelijke deel van het plangebied lijkt het er op dat mesolithische jagers- verzamelaars ook gebivakkeerd hebben op de grens met het Maasduinengebied langs open water van de Allerød-restgeul in het plangebied en op de dekzandruggen en welvingen in het noordoostelijke deel van het plangebied. Deze kampementen worden gekenmerkt door concentraties bewerkt vuursteen en natuursteen, oker, verkoolde hazelnoot en haardplaatsen met houtskool en wellicht verbrand dierenbot. Gezien het bodemtype (een veldpodzol) kunnen eventuele archeologische resten al vanaf het maaiveld aanwezig zijn (A-, E- en Bs-horizonten van de podzol). Op de rivierduinen zullen eventuele vondsten voorkomen in de top van een podzol, maar ook afgedekt kunnen zijn door latere overstuiving met stuifzand (herverstoven rivierduinzand).
Eén bekende mesolithische vindplaats onder het motorcrossterrein (een voormalig monumententerrein) moet mogelijk al als verloren worden beschouwd, hoewel de diepte van verstoring ter plaatse van het motorcrossterrein nog niet bekend of getoetst is. Overige nog niet ontdekte
49
Energielandsgoed Wells Meer
mesolithische vindplaatsen zullen naar verwachting overwegend binnen een afstand van circa 200 m van de restgeul liggen, op korte afstand van water, hoewel de aanwezigheid van vindplaatsen elders op de dekzandruggen en – welvingen niet uit te sluiten is. Neolithicum Op grond van de locatiekeuze-overwegingen van neolithische boeren, mogen huisplattegronden en erven in eerste instantie vooral worden verwacht buiten het plangebied, op de vruchtbare kronkelwaardruggen direct langs de Maas. Gezien de sterk grindige, grofzandige en daardoor ook droogtegevoelige ondergrond zal het plangebied tijdens het neolithicum niet de beste locatie voor landbouw zijn geweest en daarom ook niet voor bewoning (te ver weg van de akkers). Uit het grafveld bij de Hamert in het Maasduinengebied en van het Late Dryas-terras te Well-Aijen zijn twee geïsoleerde laat-neolithische potbekers bekend, die duiden op ofwel een rituele depositie, ofwel een begraving met crematieresten. Vanwege het geïsoleerd aantreffen van deze potbekers is de trefkans op dergelijke resten laag. Een kleine verzameling (mogelijk) neolithische vuursteen artefacten laat echter zien dat er wel activiteiten zijn ontplooid in het zuidwestelijke deel van het plangebied, waarvan het karakter echter niet specifieker is aan te geven.
Vooralsnog gaan we uit van geïsoleerde offsiteactiviteiten ter hoogte van de restgeul (jacht?) en niet van lokale bewoning of beakkering ter plaatse. Artefacten kunnen bestaan uit bewerkt vuursteen en natuursteen, mogelijk rond een haardplaats met houtskool en wat verbrand bot. Daarnaast kan wat aardewerk verwacht worden. Ook deze resten kunnen al van af het maaiveld aanwezig zijn in de top van de podzol of afgedekt onder een stuifzandlaag van nog onbekende diepte. Bronstijd Op grond van de locatiekeuze-overwegingen van de bronstijdboeren, mogen huisplattegronden en erven in eerste instantie vooral worden verwacht buiten het plangebied, op de vruchtbare kronkelwaardruggen direct langs de Maas. Gezien de sterk grindige, grofzandige en daardoor ook droogtegevoelige ondergrond zal het plangebied tijdens de bronstijd niet de beste locatie voor landbouw zijn geweest en daarom ook niet voor bewoning (te ver weg van de akkers). Mede vanwege het ontbreken van bronstijdaardewerk wordt geen nederzetting uit de bronstijd verwacht. Opmerkelijk is echter wel dat in het zuidwestelijke deel van het plangebied twee grafheuvels uit de bronstijd bekend zijn. Dat deel heeft daarom een hoge verwachting op graven/grafheuvels uit de bronstijd (en mogelijk ook doorlopend tot in de vroege ijzertijd).
Rekening moet worden gehouden met een centrale begraving (urn, crematieresten, bijgiften) onder een grafheuvel, mogelijk opgebouwd uit plaggen, die al dan niet omgeven kan zijn geweest met een palenkrans en één of meerdere kringgreppels. Bij de grafheuvel kunnen in latere tijden ook jongere graven (ijzertijd, Romeinse tijd, vroege middeleeuwen) nog zijn bijgezet in de grafheuvel of de periferie daarvan, omdat daarvan al meerdere voorbeelden bekend zijn. Als de twee grafheuvels deel hebben uitgemaakt van een groter grafveld, dan moet zelfs rekening worden gehouden met meer grafheuvels, individuele bijzettingen van crematiegraven of een ander type graven (bv. langbedgraven) die in het huidige reliëfbeeld niet meer te herkennen zullen zijn. Vanwege veranderend terreingebruik is één grafheuvel mogelijk al deels verdwenen, maar onbekend is tot hoe diep. Bijgevolg is ook onbekend hoe het zit met de voormalig ingegraven delen, zoals kringgreppels, palenkransen en zelfs de centrale begraving. De tweede al bekende grafheuvel is in elk geval al
Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek
50
geëgaliseerd tot 20 cm boven omliggend maaiveld, maar ook daar geldt dat alle sporen van oudtijdse ingravingen nog aanwezig kunnen zijn. Eventuele sporen zullen pas zichtbaar worden onder de bouwvoor, dus dieper dan 30 cm onder maaiveld. De centrale begraving (mogelijk een urn met crematieresten en/of bijgiften) zal vermoedelijk onder de plaggenophoging van de grafheuvel liggen. IJzertijd-Romeinse tijd Op grond van de locatiekeuze-overwegingen van de ijzertijdboeren en de boeren uit de Romeinse tijd, mogen huisplattegronden en erven in eerste instantie vooral worden verwacht buiten het plangebied, op de lage landduinen op het Late Dryas terras direct langs de Maas. Gezien de sterk grindige, grofzandige en daardoor ook droogtegevoelige ondergrond zal het plangebied tijdens de ijzertijd en Romeinse tijd niet de beste locatie voor landbouw zijn geweest en daarom ook niet voor bewoning (te ver weg van de akkers). Mede vanwege het ontbreken van ijzertijdaardewerk en aardewerk uit de Romeinse tijd wordt geen nederzetting uit die perioden verwacht. Er is weliswaar één scherf uit de periode neolithicum-ijzertijd gevonden, maar dat lijkt te weinig om daar een verwachting op een vindplaats aan te verbinden.
Ter hoogte van de twee grafheuvels uit de bronstijd in het zuidwestelijke deel van het plangebied dient wel rekening te worden gehouden met latere bijzettingen uit de vroege ijzertijd, die vergelijkbaar kunnen zijn met het grafveld in het sterk vergelijkbare Maasduinenlandschap bij natuurgebied De Hamert. In dat geval moet rekening worden gehouden met urnen en bijgiften van aardewerk, crematieresten van menselijk en dierlijk bot en met houtskoolconcentraties of beenderpakketten. Incidenteel kunnen bronzen of ijzeren bijgiften voorkomen en kralen of armbandfragmenten van vroeg glas, barnsteen of git. Late middeleeuwen-nieuwe tijd Gedurende de middeleeuwen slaagde de mens erin om het landschap meer naar zijn hand te zetten. Het plangebied bleef echter door de slechte landschappelijke omstandigheden (moeras en duingebied) lange tijd een onontgonnen gebied dat voornamelijk extensief werd gebruikt voor visserij, het weiden van vee en de jacht e waar de (vermoedelijke) eendenkooi het restant is. Pas in de 19 eeuw en het e begin van de 20 eeuw is het plangebied grotendeels ontwaterd en ontgonnen als landbouwgebied. De rivierduinen zijn bebost. In en langs de Molenbeek kunnen resten aanwezig zijn, die gerelateerd zijn aan de beek, zoals oeverbeschoeiing, een duiker of een inlaat voor een molen die het water wegmaalde en mogelijk funderingen van de watermolen.
In de eendenkooi kunnen ook hieraan gerelateerde resten voorkomen zoals beschoeiingen, gebouwen e.d. De sporen uit deze periode worden verwacht in de top van de natuurlijke bodem op een diepte vanaf 30 cm –mv (onder de bouwvoor). In de bouwvoor kan tevens vondstmateriaal aanwezig zijn. Tweede Wereldoorlog Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag het plangebied in de invloedssfeer van diverse oorlogshandelingen. Zo lagen er tijdens de meidagen defensieve structuren, zoals versperringen en grensposten, in en rond het plangebied en werd er tijdens de bezetting een zoeklichtopstelling aangelegd. In de laatste fase van de oorlog vonden er diverse beschietingen en bombardementen plaats. Voor de Tweede Wereldoorlog kan gesteld worden dat een hoge verwachting geldt op het aantreffen van aan de Tweede Wereldoorlog gerelateerde sporen in
51
Energielandsgoed Wells Meer
het gebied direct aangrenzend aan een bemanningsonderkomen (‘Wehrmachtshuisje’) behorende tot de Kammhuberlinie en het bosgebied ten noorden hiervan, in het centrale noorden van het plangebied. Hier kunnen sporen verwacht worden van uitgravingen (waaronder schuilloopgraven, zoeklichtopstellingen), (kabel)sleuven, greppels en as- en afvalkuilen. Binnen deze sporen kan materiaal verwacht worden van Duitse origine of door de Duitse bezetter gebruikt materiaal. Dit vondstmateriaal zal gezien de langere verblijfsduur van Luftwaffe-personeel mogelijk bestaan uit materiaal met een uitgesproken militair karakter, verzorgingsproducten, eet- en drinkverpakkingen, civiele gebruiksvoorwerpen en overig materiaal dat gelieerd kan worden aan langdurig verblijf. Het kan hier gaan om zowel organisch als anorganisch materiaal (zoals leer, bouwmaterialen, uitrusting, persoonlijke eigendommen), waarvan de conservering afhankelijk is van diverse externe factoren. Gezien de aard van de te verwachten sporen kan aangenomen worden dat eventuele resten direct vanaf het maaiveld waargenomen zouden kunnen worden tot een diepte van respectievelijk 200 cm –mv (maximale diepte van schuilloopgraven en opstelgelegenheden). Afgezien van de hierboven beschreven zone geldt voor de rest van het plangebied een lage archeologische verwachting voor het aantreffen van sporen uit de Tweede Wereldoorlog.
Uit het bureauonderzoek zijn geen indicaties bekend voor het plaatsvinden van grootschalige gevechtshandelingen, waardoor het onwaarschijnlijk kan worden geacht dat krijgsgerelateerde sporen (anders dan uitwerking van munitie) binnen het plangebied aanwezig zijn. Voorts zijn geen aanwijzingen aanwezig voor de aanwezigheid van structuren of sporen die niet in het geschreven primaire of secundaire bronnenmateriaal zijn opgenomen. Na de bevrijding op 3 maart 1945 is het gebied rond Well gebruikt voor geallieerde oefeningen voorafgaand aan de Rijnoversteek. Het is onbekend of deze oefeningen ook binnen het plangebied uitgevoerd zijn. Derhalve kan vooralsnog geen adequate verwachting gegeven worden van de archeologische neerslag van deze handelingen. Binnen het plangebied hebben beschietingen en bombardementen plaatsgevonden. Het is derhalve belangrijk om te vermelden dat binnen het gehele plangebied rekening gehouden dient te worden met de aanwezigheid van al dan niet verschoten munitieartikelen. Verstoringen Als gevolg van graafwerkzaamheden langs de Molenbeek, verploeging, egalisatie en andere (lokale) bodemverstoringen (motorcrossterrein) kan de bodem en daarmee eventuele vindplaatsen verstoord zijn. De verwachting is over het algemeen dat deze verstoringen lokaal zijn en niet diep.
Vindplaatsen die voornamelijk bestaan uit een strooiing van vondstmateriaal, zoals jachtkampen uit de steentijd, zullen hierdoor vrijwel geheel verstoord zijn geraakt. Vindplaatsen van landbouwers die ook bestaan uit sporen, zullen over het algemeen in veel mindere mate verstoord raken. In bijlage 2 zijn de locaties met mogelijke (diepe) bodemverstoringen (die begrensbaar zijn) aangeduid. De aanwezigheid van stuifzand kan het effect van eventuele bodemverstoringen hebben verminderd of tenietgedaan (door overstuiving van de archeologische laag), maar tegelijkertijd ook voor verstoring hebben gezorgd (door verstuiving van de archeologische laag). Deze zones zijn derhalve ook aangegeven op de kaart.
Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek
52
periode
verwachting
complextype/kenmerken
Diepteligging/gaafheid
laatpaleolithicumneolithicum
hoog (randzone geul)
tijdelijke kampementen, voornamelijk vondstmateriaal vuursteen, houtskool, verbrand bot, mogelijk sporen, zoals haardkuilen
onder bouwvoor of onder stuifzand in top podzol
hoog (randzone geul)
begraving, rituele deposities
middelhoog (dekzandhoogtes)
combinatie vondstmateriaal (voornamelijk keramiek) en sporen
onder bouwvoor of onder stuifzand in top natuurlijke ondergrond
middelhoog (dekzandhoogtes) laag (terrasvlakte) hoog natte context (restgeul)
bronstijdijzertijd
laag (terrasvlakte)
mogelijk verploegd/geëgaliseerd
mogelijk verploegd/geëgaliseerd
hoog natte context (restgeul) Romeinse tijdvolle middeleeuwen
laag
-
onder bouwvoor of onder stuifzand in top natuurlijke ondergrond mogelijk verploegd/geëgaliseerd
late middeleeuwennieuwe tijd B
hoog (eendenkooi, watermolen, Molenbeek) laag (rest plangebied)
bebouwing, natte context gerelateerde archeologie (beschoeiing, duiker e.d.)
v.a. maaiveld mogelijk verploegd/geëgaliseerd
combinatie vondstmateriaal (divers) en sporen WO II
hoog (zone
Wehrmachts-huisje) laag (rest plangebied)
vondstmateriaal (gebruiksvoorwerpen met een militair karakter) en sporen
v.a. maaiveld mogelijk verploegd/geëgaliseerd
Tabel 1: Gespecificeerde archeologische verwachting
3.2 Historisch-geografische waarden Het plangebied maakt deel uit van een gebied dat lange tijd bestond uit onontgonnen gronden. Het centrale deel van het plangebied was een relatief vlak, veengebied, dat aan de west- en zuidzijde werd omringd door sterk geaccidenteerd heidegebied. Het veen werd ontwaterd door de Molenbeek die in zuidwestelijke richting uitmondde in de Maas. Het noordoostelijke deel werd doorsneden door een rug met een iets minder geaccidenteerd reliëf, terwijl het uiterste noordoostelijke deel van het plangebied behoorde tot een veengebied e dat zich uitstrekte tot in Duitsland. Dit veengebied werd al sinds de 14 eeuw doorsneden door een grenssloot, de Veener of Spaanse Ley. Hoewel dit landschap van oudsher gebruikt is voor onder andere het beweiden van het vee, de visserij, het steken van turf en dergelijke, lieten deze activiteiten overwegend geen (permanente) sporen achter in het landschap. Een uitzondering hierop vormt de eendenkooi. Hoewel er vragen zijn in hoeverre het van oudsher een klassieke eendenkooi betrof met kooiplas of een begroeide, natuurlijke
53
Energielandsgoed Wells Meer
welving die als broedplaats werd gebruikt, zal het een opvallend landschapselement zijn geweest: een bebost (hakhout), verhoogd (natuurlijk of door houtwallen) gelegen gebied in een verder vlak, overwegend met gras(achtigen) begroeid veengebied. e
Vanaf de 19 eeuw is men geleidelijk begonnen het gebied te ontginnen. Het natuurlijke landschap vormde hierbij het uitgangspunt. De veengebieden werden ontwaterd, waarbij dwars op de Molenbeek sloten werden gegraven. Langs de westgrens van het plangebied werd de rechte Wezerweg aangelegd, die een doorgaande weg naar Duitsland vormde. Evenwijdig aan de Molenbeek werden ontginningswegen aangelegd. Door de ontwatering (en daardoor de inklinking en oxidatie van het veen) en de bebossing van de geaccidenteerde heidegebieden werd het contrast in het landschap versterkt. Hoewel plaatselijk in het plangebied houtwallen en –singels werden aangelegd, bleef het voormalige veengebied grotendeels een open landschap. Op de Nederlands-Duitse grens werd de Elisenhof gebouwd als hoofdboerderij van de ontginning met verspreid over het gebied schuren en woningen (o.a. de Villa, de Kolonie, d’n Alden bouw en het Polenhuis buiten het plangebied). Ook in de oude eendenkooi is een boerderij gerealiseerd. De oudere Wellsche Hut en de Tol langs de Wezerweg vormden de andere bebouwde locaties in en langs het plangebied. e
e
In de loop van de 20 en 21 eeuw is dit beeld nauwelijks gewijzigd. Langs de Veenweg is in de Tweede Wereldoorlog het Wehrmachtshuisje gebouwd en langs de Wezerweg zijn enkele nieuwe woningen gerealiseerd, waardoor een ijl bebouwingslint is ontstaan. De oude bebouwing is in de loop van de tijd vaak gesloopt en vervangen door nieuwbouw, waarbij de locatie op het perceel vaak ook is gewijzigd. De Veenweg heeft door opname in de Toeristenweg in het begin van de jaren zeventig een iets ander verloop en aanzicht gekregen. De oude houtwal rond de Eendenkooi is vervallen tot een bomenrij. Voor het grootste deel heeft het gebied echter haar cultuurhistorische karakteristiek behouden.
De belangrijkste historisch-geografische waarden zijn (zie ook bijlage 3): Contrast tussen het overwegend open voormalige veengebied (ontginning) en de beboste duinen; Veener of Spaanse Ley met singel en grenspalen als grensaanduiding; Voormalige eendenkooi als gesloten eenheid (houtwal) in een open landschap; Rechte ontginningspatroon van wegen (al dan niet met flankerende lanen) en waterlopen (waaronder de Molenbeek) met een noordwest-zuidoostelijke en noordoost-zuidwestelijke oriëntatie; verspreide bebouwing (woningen en schuren) met de hoofdboerderij in Duitsland (voor circa de Tweede wereldoorlog); Wehrmachtshuisje als bijzonder relict uit de Tweede Wereldoorlog; Groenelementen, zoals houtwallen, singels, bosjes, solitaire bomen en boomgroepen. Er zijn binnen het plangebied geen gebieden met een bijzondere cultuurhistorische waarde aan te wijzen. Het geheel, oftewel de relatief jonge ontginning (tractaatbedrijf) met een oudere eendenkooi (relict) omringd door beboste duinen, heeft zeker een cultuurhistorische waarde. Aangezien geen bouwhistorisch onderzoek is gedaan, kunnen geen uitspraken gedaan worden over de waarde van de bebouwing zelf.
Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek
54
4
Conclusie en aanbevelingen
Hieronder volgt de beantwoording van de onderzoeksvragen zoals gesteld in het 123 Plan van Aanpak :
Zijn binnen het plangebied bekende archeologische of cultuurhistorische waarden aanwezig? Zo ja, zijn er gegevens bekend over de omvang, ligging, aard en datering hiervan? In het plangebied zijn vuursteenvindplaatsen bekend uit het mesolithicum en grafheuvels uit de bronstijd. De exacte omvang en ligging hiervan is echter niet bekend. Tevens is bekend dat in het plangebied een eendenkooi heeft gelegen, waarvan het exacte karakter niet helemaal duidelijk is, alsmede een Wehrmachtshuisje uit de Tweede Wereldoorlog. Verspreid over het plangebied zijn diverse cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig, zoals wegen, waterlopen, houtwallen/-singels, restant van een eendenkooi, bebouwingslocaties e.d. Een deel van deze elementen (de ‘groene’ elementen) is vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan.
Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en welke gegevens zijn te achterhalen met betrekking tot bodemverstorende ingrepen in het verleden binnen het plangebied (locaties, diepte)? Het plangebied maakt deel uit van een terrasvlakte die is bedekt met dekzand. In het noordoostelijke en zuidwestelijke deel van het plangebied is het dekzand opgestoven tot ruggen en welvingen. Langs de zuidwest- en noordwestgrens van het plangebied zijn rivierduinen aanwezig, die vermoedelijk vanaf de late middeleeuwen plaatselijk zijn gereactiveerd (stuifzanden). Het zuidelijke deel van het plangebied wordt doorsneden door een restgeul uit vermoedelijk het Allerødinterstadiaal. In de restgeul en in de lagere delen van het landschap heeft zich veen gevormd, dat inmiddels door de ontwatering en ontginning grotendeels is verdwenen. In het dekzand heeft zich een veldpodzol gevormd, terwijl in het stuifzand sprake is van duinvaaggronden. Mogelijk kan onder het stuifzand nog een veldpodzol aanwezig zijn. In de restgeul is sprake van een gooreerdgrond. Naar verwachting is derhalve in het grootste deel van het plangebied sprake van een circa 30 cm dikke bouwvoor. Plaatselijk is door egalisatie en verploeging een heterogene laag ontstaan, waardoor onder de bouwvoor een maximaal 30 cm dikke menglaag aanwezig is. Deze zones zijn op basis van een bureauonderzoek niet te begrenzen.