1.2 Toelichting
Tekst van het document
Er wordt hierbij uitgegaan van de situatie waar alleen traditioneel materieel wordt gebruikt voorzover dit géén overschrijding van de stikstofdepositie op de Maasduinen tot gevolg heeft. In dat geval zal al het overige materieel en voertuigen elektrisch aangedreven dienen te worden. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van dat | bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 3 1
onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof. Om dit te waarborgen is in de regels van het bestemmingsplan een regel opgenomen dat het gebruik van mobiele werktuigen in de aanlegfase alleen is toegestaan voor zover de maximale eenmalige stikstofdepositie als gevolg van de bouwwerkzaamheden niet groter is 0,1 mol/ha. In de volgende paragraaf zal ingegaan worden op mogelijke aantasting van flora en fauna.
4.4.2
Soortenbescherming
Met de Wet natuurbescherming (Wn) wordt een eind gemaakt aan de discussies over de implementatie van de Europese richtlijnen. In artikel 3.1 Wn wordt direct een link gelegd met de Vogelrichtliijn. Alle vogels die beschermd zijn op grond van artikel 1 Vogelrichtlijn vallen onder het beschermingsregime van de artikel 3.1 Wn, voor zover deze vogels van nature in Nederland voorkomen. Artikel 3.1 eerste lid Wn ziet op het verbod om vogels te doden of vangen. De verboden in de Wn zijn vrijwel letterlijk overgenomen uit de artikelen 5 en 6 Vogelrichtlijn. Net als de in de Vogelrichtlijn zijn de verboden beperkt tot opzettelijke handelingen. Het beschermingsregime voor vogels is iets versoepeld ten opzichte van het systeem onder de Flora en faunawet. Het verbod op het opzettelijk verstoren van vogels is beperkt tot verstoringen die van “wezenlijke invloed” zijn op de staat van instandhouding van de soort. Onder wezenlijke invloed wordt verstaan: “een wezenlijke negatieve invloed op een beschermde soort”. Of daar sprake van is hangt af van de populatie van de diersoort. Hoe zeldzamer de soort hoe groter de kans dat naar bijvoorbeeld een lokale populatie moet worden gekeken. Daarnaast is van belang of de populatie een negatief effect zelf teniet kan doen, bijvoorbeeld of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders.
Als een populatie het effect niet zelf teniet kan doen is de kans groter dat het effect als wezenlijke invloed kan worden aangemerkt. Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is. De wet voorziet in ruime mogelijkheden voor het verlenen van vrijstellingen, ook voor vogels en strikt beschermde soorten. Bij het verlenen van de vrijstelling moet aan dezelfde voorwaarden worden voldaan als bij het verlenen van de vroegere ontheffing. Een ontheffing van een verbod ex artikel 3.1 Wn kan slechts worden verleend indien: er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is; er geen sprake is van verslechtering van de staat van instandhouding van de soort; en er een limitatief opgesomde ontheffingsgrond aan de ontheffing ten grondslag kan worden gelegd. Quickscan flora en fauna Het plangebied is in gebruik als bouwbedrijf. De bedrijfswoning is in gebruik als burgerwoning, waarvoor voor het afwijkende gebruik een omgevingsvergunning is verleend. Voor deze woning wijzigt er feitelijk niets; de woning zal nu een passende woonbestemming krijgen met de mogelijkheid voor realisatie van bijbehorende bouwwerken. Water is binnen het plangebied niet aanwezig. Op een afstand van ruim 400 m ten westen van het plangebied stroomt de Heukelomsche beek en op 1,5 km de Maas.
Het bestaande gebruik van het plangebied bestaat uit bedrijfsmatige activiteiten (bouwbedrijf), wonen, erfverhardingen en de gebruikelijke hieraan te relateren activiteiten. Voor wat betreft
| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 3 2
de woning en het bijbehorende perceel zullen geen relevante wijzigingen plaatsvinden welke een inbreuk zouden kunnen opleveren met betrekking tot flora en fauna. Omdat de bedrijfsbebouwing geheel zal worden gesloopt, is het noodzakelijk dat ecologisch veldwerk zal worden verricht om te beoordelen of er broedplaatsen van vogels, vleermuisverblijfplaatsen of andere fauna of flora is. Hiertoe is op 10 augustus 2020 een ecologisch rapport opgemaakt door Faunaconsult. Er is het volgende geconstateerd: "Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën: In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
Vleermuizen: De laanbomen aan de Lindenlaan (buiten het plangebied) en/of de zomereiken in het plangebied fungeren mogelijk als vaste vliegroute van vleermuizen. Vleermuizen, hun vaste vliegroutes en foerageergebieden zijn onder de Wet natuurbescherming beschermd (internationaal beschermde soorten). Doordat de bomen (lindes en eiken) blijven gehandhaafd, is er geen aantasting van eventueel aanwezige vliegroutes of foerageergebieden. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 m van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017).
Algemene vogels: In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de varkensstal te slopen buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels). Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.
Boerenzwaluw: In loods 2 bevindt zich één boerenzwaluwnest. Boerenzwaluwnesten zijn in de provincie Limburg jaarrond beschermd. Voor de sloop van loods 2 dient dus een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Om deze ontheffing te kunnen krijgen is er een activiteitenplan nodig, waarin o.a. wordt aangegeven hoe mitigatie, compensatie en
| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 3 3
aangepaste werkwijze voor de boerenzwaluw zal worden ingevuld."
Het ecologisch onderzoek is als bijlage 2 aan de planstukken toegevoegd. Het opstellen van het activiteitenplan is medio januari 2021 ter hand genomen en is inmiddels afgerond. De actuele stand van zaken is, dat er geen overtredingen van de Wnb begaan kunnen en zullen worden. Ten overvloede wordt gewezen op de algemene zorgplicht welke in artikel 3.5 van de Wn is opgenomen. Door sloop-, graaf- en/of verbouwingswerkzaamheden buiten de periode van maart tot augustus te starten, is de kans op verstoring van broedende vogels het kleinst. Ook buiten deze periode mogen broedende vogels niet worden verstoord en moet gewacht worden tot het broeden voorbij is en de jongen zijn uitgevlogen.
4.5
Externe veiligheid
4.5.1
Risicovolle inrichtingen (Bevi)
De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6/jr. Bij het nemen van een planologische besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 10-6/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet PR 10-6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsrisico (GR).
Het groepsgebonden risico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm (zoals de PR-contour 10-6/jr. wel is) maar een zogenaamde oriënterende waarde. Het berekende groepsrisico wordt weergegeven in een curve, waarbij de kans op een ongeval wordt uitgezet tegen het aantal mensen dat daarbij omkomt. In dezelfde grafiek wordt de oriënterende waarde uitgezet. Als die wordt overschreden door een ruimtelijke ontwikkeling moet dat worden verantwoord. Hiermee wordt in beeld gebracht of en in welke mate het bevoegd gezag het GR wel of niet aanvaardbaar vindt, al dan niet na het nemen van maatregelen. Het woonzorgcentrum is te kwalificeren als een kwetsbaar object. Volgens de risicokaart van de | bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 3 4
provincie Limburg ligt in de directe omgeving (in een straal van 1 km) van het plangebied slechts één risicovolle inrichting. Dit betreft een brandstofverkooppunt met lpg aan de Rijksweg 27 te Bergen (Groothandel in brandstoffen en andere minerale olieproducten). De vergunde jaardoorzet voor LPG bedraagt 500-1000 m3. De bijbehorende plaatsgebonden risicocontour bedraagt 35 m en de contour waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden bedraagt 150 m. De feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt ruim 800 m, waardoor er wat betreft risicovolle inrichtingen geen verantwoording hoeft plaats te vinden.
4.5.2
Vervoer gevaarlijke stoffen
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. De dichtstbijzijnde weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de provinciale weg N271. De PR-contour 10-6/jr bedraagt hier 0 m; het plangebied voor zover het de nieuwe maatschappelijke functie betreft, ligt op een afstand van ongeveer 25 m van deze weg. Nu het bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat binnen 200 m van een transportroute is gelegen, dient in het kader van de verantwoording van het groepsrisico te worden ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid), en b. voor zover dat plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet (zelfredzaamheid).
De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om de taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten, gelet op de ligging op een steenworp afstand van de provinciale weg. Tevens zijn er binnen en nabij het plangebied voldoende opstel mogelijkheden en is de bereikbaarheid voor voertuigen van de hulpverleningsdiensten goed te noemen. In de verdere uitwerking van het bouwplan zal hier ook nadrukkelijk aandacht voor zijn. Als bluswatervoorziening zal gebruik moeten worden gemaakt van de bestaande voorzieningen/brandkranen. Op 30 juli 2020 is een 'verantwoording groepsrisico' opgesteld door Kragten. Hierin wordt met betrekking tot zelfredzaamheid het volgende geconstateerd: "Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied wordt een woonvoorziening gerealiseerd, specifiek voor psychogeriatrische personen. Deze personen zijn verminderd zelfredzaam en kunnen zich bij een calamiteit niet zelfstandig in veiligheid brengen, maar zullen met hulp van het aanwezige zorgpersoneel en de BHV-organisatie in veiligheid gebracht moeten worden.
| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 3 5
Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. Feit blijft dat in geval van een calamiteit een vroegtijdige alarmering van levensbelang is om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om te kunnen vluchten nemen toe door (nood)luitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de risicobron af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door het gebouw zelf. Vluchtroutes dienen duidelijk te worden aangeduid. Ook kan een optimalisatie van de ontvluchting plaatsvinden door de (nood)uitgangen op zo groot mogelijke afstand van de risicobronnen te projecteren. Dit dient in de verdere planuitwerking meegenomen te worden. Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op her eerder genoemde scenario). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid.
Voor het onderhavige plan dient een ontruimingsplan opgesteld te worden. In dit ontruimingsplan dient onder andere te worden beschreven: wie de organisatie van het evacueren begeleidt; de verantwoordelijkheden; waar de verzamelplaats is; de organisatie op de verzamelplaats; wie zorg draagt voor alarmering. Daarnaast dient in het bedrijfsnoodplan te zijn opgenomen dat wordt geoefend in geval van een calamiteit volgens het scenario voor een calamiteit met gevaarlijke stoffen op het spoor. Het ontruimingsplan/bedrijfsnoodplan dient opgesteld te worden in samenspraak met de brandweer. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio's door het bestuur van de Veiligheidsregio's uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. De gemeente Bergen dient in het kader van de ruimtelijke procedure advies in te winnen bij de Veiligheidsregio en een standpunt in te nemen aangaande de verantwoording van het groepsrisico." Het rapport 'Verantwoording groepsrisico' is als bijlage 5 aan de planstukken toegevoegd. Het bedrijfsnoodplan/ontruimingsplan zullen worden opgesteld als de bouwplannen concreet zijn; in ieder geval dient dit parallel te lopen met de aanvraag om een omgevingsvergunning.
Omtrent aanvullende veiligheidsmaatregelen heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord advies uitgebracht, dat eveneens als bijlage aan de planstukken is toegevoegd. Deze maatregelen worden eveneens meegenomen bij het uitwerken van de bouwplannen. De dichtstbijzijnde waterweg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de Maascorridor. De PR-contour 10-6/jr bedraagt ook hier 0 m; het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 1,5 km van de Maascorridor. Transport van gevaarlijke stoffen over de Maas vormt geen belemmering voor dit project. Het aspect 'externe veiligheid' vormt, mits de adviezen van de veiligheidsregio bij de verdere
| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 3 6
uitwerking ter harte worden genomen, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.6
Milieuzonering
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering'.
4.6.1
Bedrijven en Milieuzonering; Staat van bedrijfsactiviteiten
De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd een Staat van bedrijfsactiviteiten die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009. In deze Staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.
4.6.2
Invloed milieuhinder op het plangebied
Het plangebied ligt in de kern Bergen, op korte afstand van de N271. In de kern Bergen zijn diverse functies met elkaar verweven, zodat er sprake is van een gebied met functiemenging. Als gevolg van onderhavig plan zal de bedrijfsbestemming gewijzigd worden in een maatschappelijke bestemming en een reguliere woonbestemming. Binnen de bedrijfsbestemming zijn nu, behoudens een bouwbedrijf, (milieucategorie 3) ook andere bedrijven in de milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Hoewel voor een verpleeghuis ook een milieucategorie 2 geldt, is er sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat voor omliggende woningen, ten opzichte van de huidige situatie met een actief bouwbedrijf. Bij een milieucategorie 2 hoort een richtafstand van 30 m. Binnen deze 30 m rondom de bestemming Maatschappelijk bevinden zich 5 woningen van derden. Voor al deze woningen geldt dus dat er weliswaar een milieuzone tot over deze woningen reikt, doch dat was evenzo in de vigerende planologische situatie. Om te beoordelen of de maatschappelijke bestemming belemmeringen oplevert in relatie tot omliggende woningen, is het akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgebreid met een hoofdstuk inzake de geluidsuitstraling naar de omgeving toe. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de piekniveaus in de dagperiode voldoen aan de geluideisen van het Activiteitenbesluit. In
| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 3 7
de nachtperiode kan voldaan worden aan de piekniveaus door de medewerkers te instrueren dat men stapvoets over het terrein moet rijden. Andere vormen van hinder naar de omgeving, als gevolg van bijvoorbeeld geur, stof en gevaar, zijn niet te verwachten. Andersom vormen omliggende functies geen belemmering voor het woonzorgcentrum; er valt géén milieuzone over dat deel van het plangebied. Voor de voormalige bedrijfswoning is er geen sprake van een gewijzigde situatie. Het aspect 'milieuzonering' vormt, mits de medewerkers in de nacht stapvoets rijden, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.7
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Ten aanzien van archeologie is het uitgangspunt dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Dit vloeit voort uit het Europese Verdrag van Valetta (1992) inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed en de Wet op de archeologische monumentenzorg. Gezien dit uitgangspunt mogen bekende archeologische monumenten niet aangetast worden en moet in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde, in principe een inventariserend en waarderend vooronderzoek plaatsvinden. Eventueel aangetroffen waarden dienen primair ter plekke (in situ) beschermd te worden dan wel - indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is- door een opgraving (ex situ) te worden veilig gesteld. In gebieden met een lage indicatieve archeologische waarde is er een geringe kans op het aantreffen van archeologische waarden. Op 13 november 2012 heeft de gemeenteraad de “Nota Archeologie beleid Bergen” vastgesteld. Hiermee is de Wet op de archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in het gemeentelijke beleid. Op basis van de inventarisaties is een archeologisch en cultuurhistorisch verwachtingsmodel opgesteld. Op de archeologische beleidskaart (zie onderstaand) is het grootste deel van het plangebied aangeduid als categorie 5.
Figuur 17: uitsnede archeologische beleidskaart
| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 3 8
Het merendeel van het plangebied heeft een aanduiding categorie 5 gekregen en een klein deel categorie 4. Categorie 4 betreft gebieden van hoge archeologisch verwachting; er geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m 2. Categorie 5-gebieden hebben een middelhoge archeologisch verwachting of betreffen naoorlogse woonwijken en industrieterreinen met hoge verwachting. Er geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m2. De bebouwing zal worden gerealiseerd binnen 'categorie 5'; het te verstoren oppervlak zal niet meer bedragen dan 2.500 m2. In het vigerende bestemmingsplan zijn dubbelbestemmingen opgenomen voor beide beschermingscategorieën; deze zullen in onderhavig plan ongewijzigd worden overgenomen. Indien de te verstoren oppervlakte c.q. diepte groter zal zijn dan de vrijstelde maatvoering, dan is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk ter verkrijging van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Vooralsnog staat het aspect archeologie niet aan onderhavige bestemmingswijziging in de weg.
Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve opgenomen dat het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen moet worden nagestreefd. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de nota Belvedère, met als uitgangspunt 'behoud door ontwikkeling'. Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan (en andere ruimtelijke besluiten) opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. In de rapportage 'Actualisatie Archeologisch Bureauonderzoek Integrale Gebiedsuitbreiding Heukelomsebeek' (2013) zijn de cultuurhistorische waarden van de gronden in beeld gebracht; Zoals op onderstaande afbeelding is te zien, is het plangebied gelegen op het Maasterras (hoge enkeerdgronden).
Zowel de N271 als de Daem van Kekenstraat zijn gekenmerkt als historisch waardevolle wegen.
| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 3 9
Figuur 18: Cultuurhistorischewaardenkaart gemeente Bergen (2013)
In het Landschapsplan van de gemeente Bergen (L.) zijn diverse landschapselementen beschreven. Als kenmerkende en in principe te behouden cultuurhistorische landschapselementen kunnen in Bergen de volgende componenten worden genoemd: elementen uit de archeologie, zoals Celtic fields en oude nederzettingen; de begrenzingen van velden en kampen; oude ontginnings- en perceelsgrenzen; oude wegtracé’s, veldwegen en dergelijke; bomen die al relatief oud zijn; bijvoorbeeld meer dan 100 jaar; veldkruisen en kleine kapellen. Op onderstaande uitsnede van deze cultuurhistorische waardenkaart is te zien dat op de rand van het plangebied een boomgroep van 100 jaar of ouder staat.
Figuur 19: Landschappelijke elementen uit cultuurhistorischewaardenkaart gemeente Bergen (2017)
Deze boomgroep zal behouden blijven en onderdeel gaan uitmaken van het nog op te stellen landschappelijk inpassingsplan. De voorgenomen ontwikkeling heeft voor het overige gezien de aard van de ontwikkeling en de
| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 4 0
afstand tot op grotere afstand gelegen gemeentelijke- en Rijksmonumenten geen negatieve invloed op cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.8
Kabels, leidingen en straalpaden
4.8.1
Gas-, olie-, brandstof- of watertransportleidingen en hoogspanningskabels
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor buisleidingen; exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn en gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplannen opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. In de omgeving van het plangebied liggen geen leidingen die impact kunnen hebben op het plangebied.
4.8.2
Obstakelbeheer- en radarverstoringsgebied
Het plangebied bevindt zich niet binnen een straalpad van telecomvoorzieningen. Wel ligt het plangebied in het radarverstoringsgebied dat hoort bij de radar die staat op vliegbasis Volkel. Objecten hoger dan 65 m boven NAP binnen een straal van 28 km van het radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en zijn derhalve in beginsel niet toegestaan. Gelet op de via de planregels toegestane bouwhoogte en de hoogteligging van het plangebied, zullen de "objecten" niet boven 65 m boven NAP uitkomen en vormt het plan geen belemmering voor de radarverbinding. Gelet op het bovenstaande mag worden gesteld dat met het onderhavige bestemmingsplan de belangen van defensie niet worden geschaad.
| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 4 1
Hoofdstuk 5 Waterparagraaf 5.1
Waterhuishouding
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Bergen als van het Waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit het waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. 2. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. 3. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen. 4. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Schoonhouden, scheiden, zuiveren. 5. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. 6. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen.
Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen. 7. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. 8. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid.
5.2
Toepassing wateruitgangspunten op het plangebied
Hergebruik Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater). De ervaringen met bestaande proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1000 of meer te bouwen woningen. Ook de recent aangescherpte regelgeving op dit vlak maakt het hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar. Het onderhavige project is dan ook te kleinschalig om deze voorziening toe te passen.
Afvoerend verhard oppervlak Binnen het plangebied vindt sloop van bedrijfsbebouwing plaats. Voor de bestaande woning zal de hemelwateropvang niet wijzigen, afgezien van een mogelijk in de toekomst te realiseren | bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 4 2
bijgebouw. Binnen het te ontwikkelen deel van het plangebied vindt een toename van het afvoerend verhard oppervlak plaats van circa 1500 m2 aan nieuwe bebouwing; tevens zal een deel van dat perceel verhard worden (circa 1000 m2).
Grondwater De bodem bestaat voornamelijk uit matig tot sterk siltig, matig fijn tot zeer grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak tot matig gleyhoudend. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater (gemeten bij het uitvoeren van het bodemonderzoek) bedraagt ± 12,0 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 2,0 m -mv zou bevinden. Het maaiveld ligt op een hoogte van ruim 14 m boven NAP.
Oppervlaktewater In de omgeving van het plangebied bevindt zich een primaire waterloop in de vorm van de Heukelomsebeek, die aan de zuidwestzijde van het plangebied stroomt, zoals ook uit onderstaande uitsnede van de legger van het waterschap blijkt.
Figuur 20: uitsnede legger waterschap
Over een deel van het plangebied ligt het 'profiel van vrije ruimte' in verband met de waterkering. Het betreft het gebied dat nodig is om toekomstige verbeteringen aan de waterkering te kunnen realiseren. Met het opnemen van een profiel van vrije ruimte wordt beoogd ontwikkelingen te voorkomen die het realiseren van de voorgenomen verbetering onmogelijk maken of slechts mogelijk te maken via verwijdering of aanpassing van werken met grote financiële consequenties. In vergelijking met het vigerende bouwvlak zal binnen onderhavig bestemmingsplan een kleiner deel van het nieuwe bouwvlak binnen het 'profiel van vrije ruimte' worden gesitueerd. Het door het waterschap aangeduide 'profiel van vrije ruimte' wordt in bestemmingsplannen opgenomen met de gebiedsaanduiding ; vrijwaringszone - dijk'.
| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 4 3
Figuur 21: inrichtingsplandijkversterking (oktober 2019)
Op de verbeelding bij onderhavig bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Waterstaat Stroomvoerend rivierbed', alsmede de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk', overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan, waaraan regels worden verbonden. Deze gronden zijn, behalve voor de aan de andere aan de grond gegeven bestemmingen, primair bestemd voor riviergebonden activiteiten, voor het waarborgen van een veilige afvoer van en berging van rivierwater onder normale en maatgevende hoogwaterstanden en het beheer en onderhoud van de waterkering. Hierdoor heeft het project geen substantieel nadelige effecten op deze waterafvoer en waterkering en zal bij de inrichting van het plangebied te allen tijde rekening worden gehouden met deze waterstaatsbelangen.
Infiltratie van hemelwater De K-waarde (geeft de mate van infiltratiegeschiktheid aan) van het plangebied bedraagt volgens de kaart inzake de bodemdoorlatendheid (K-waarde) van de gemeente Bergen van het waterschap 1,5 - 10 m/dag. Deze gronden zijn zeer geschikt voor hemelwaterinfiltratie. Voor de bestaande woning zal de hemelwateropvang niet wijzigen; op het moment dat er nieuwe bebouwing of verharding wordt toegevoegd, zal voor elke 1 m2 verhard oppervlak 0,1 m3 nieuwe hemelwaterinfiltratievoorziening moeten worden aangebracht. Binnen het te ontwikkelen deel van het plangebied vindt een toename van het afvoerend verhard oppervlak plaats van circa 1500 m2 aan nieuwe bebouwing. Gelet op het feit dat het gaat om nieuwbouw zal deze geheel afgekoppeld dienen te worden. Tevens zal een substantieel deel van de nieuw bebouwde gronden worden verhard ten behoeve van parkeergelegenheid en ontsluiting; bij voorkeur wordt hier een waterdoorlatende verhardingslaag voor aangebracht, waaronder zal worden voorzien in een hemelwaterabsorberende laag (bijvoorbeeld Rockflow). De Rockflow-steenwol elementen hebben een vrij volume van 95%. Dat betekent dat vrijwel het gehele volume van de elementen beschikbaar is voor de opvang van water. Het aanbrengen van infiltratiekratten onder de bestrating is ook een mogelijkheid welke door initiatiefnemer onderzocht wordt.
Bij de bepaling van de capaciteit/kwantiteit van de infiltratievoorziening ten behoeve van de nieuwbouw dient zonder meer te worden uitgegaan van een neerslaggebeurtenis van 100 mm neerslag/m2 verhard oppervlak. | bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 4 4
Bij een bebouwd oppervlak van 1500 m2 en een niet-doorlatende erfverharding van 1000 m2 betekent dit een volume van (2500 x 0,1 m = ) 250 m3 aan hemelwateropvang. Voor de hoeveelheid hemelwater, gerelateerd aan het feitelijk te realiseren afvoerend oppervlak, zal binnen het plangebied een infiltratievijver of wadi worden gerealiseerd, welke op nader te bepalen wijze onderdeel zal gaan uitmaken van de landschappelijke inrichting (tuin). Indien deze voorziening een té groot oppervlak beslaat, danwel als er om veiligheidsredenen niet voor wordt gekozen om een open voorziening aan te brengen, dan zal een Rockflow-infiltratiesysteem (of vergelijkbaar ander systeem) aangebracht worden om te voorzien in de benodigde capaciteit. De verplichting om op eigen perceel te voorzien in voldoende capaciteit voor de infiltratie van hemelwater is opgenomen in artikel 10.1 van de planregels.
Afvalwater Voor de afvoer van huishoudelijk- en bedrijfsafvalwater zal aangesloten worden op de gemeentelijke riolering.
Bouwmaterialen De gemeente Bergen streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van de initiatiefnemer wordt, voor zover relevant, daarom gevraagd geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning zal initiatiefnemer deze aanbevelingen in acht nemen. Concluderend kan gesteld worden dat door onderhavig project geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.
5.3
Overleg Waterschap
Vooroverleg met en advies van het waterschap Limburg maakt onderdeel uit van de watertoets. Het waterschap Limburg heeft evenwel aangegeven dat bij plannen met een toename van het nieuw afvoerend verhard oppervlak van minder dan 2000 m2 en waarbij het plangebied niet is gelegen in specifieke aandachtsgebieden, geen vooroverleg plaats hoeft te vinden met het watertoetsloket. Het plan leidt niet tot een toename van het afvoerend verhard oppervlak van meer dan 2000 m2, maar is wel gelegen in een aandachtsgebied. Specifiek wateradvies door het waterschap is noodzakelijk. Er dient voor de werkzaamheden in de beschermingszone van de waterkering een watervergunning aangevraagd te worden.
| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 4 5
Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving 6.1
Algemeen
Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: plantoelichting planregels; verbeelding. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Waar dat noodzakelijk was , is afgeweken van de standaard en is het plan specifiek toegesneden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012.
6.2
Planmethodiek
Er is, volgens de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik.
6.3
Verbeelding
In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi.
6.4
Planregels
De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld; Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de antidubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene ontheffingsregels; | bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 4 6
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven.
6.4.1
Inleidende regels
Begrippen (artikel 1) In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening overgenomen. Verder zijn enkele begrippen afkomstig van de SVBP 2008. Wijze van meten (artikel 2) Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. Bij de wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2008.
6.4.2
Bestemmingsregels
De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Wijzigingsbevoegdheid Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Indien nodig worden vervolgens de andere aan de grond toegekende functies genoemd. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voorzover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen, bijgebouwen en aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een bouwvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is. Op de verbeelding worden bebouwingsgrenzen opgenomen die samen een bouwvlak vormen. Op een aantal plaatsen valt de bebouwingsgrens samen met de bestemmingsgrens. In dat geval dient de bestemmingsgrens tevens als bebouwingsgrens te worden gezien. In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Artikel 3 Maatschappelijk
| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 4 7
Binnen deze bestemming zijn onderwijsdoeleinden, sociaal-medische doeleinden, sociaal-culturele doeleinden, nutsvoorzieningen en religieuze doeleinden toegestaan. Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Op de verbeelding is de maximale goot- en nokhoogte aangegeven. Artikel 4 Tuin Dit artikel is opgenomen ter bescherming van de groene woonomgeving in het plangebied. Hiermee wordt verstening in de richting van de dijk beperkt. Middels een omgevingsvergunningvereiste voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en voor werkzaamheden wordt de omgeving beschermd. Artikel 5 Wonen Deze bestemming is opgenomen voor de bestaande grondgebonden woning binnen het plangebied. Deze regeling is flexibel gehouden, met als gevolg dat er bij het bouwen, verbouwen of veranderen van een woning aan maar weinig voorwaarden voldaan hoeft te worden.
Artikel 6 en 7 Waarde- Archeologie 4 en 5 (dubbelbestemming) Indien een ontwikkeling binnen deze dubbelbestemming plaatsvindt, dient getoetst te worden of archeologische waarden verstoord kunnen worden. Artikel 8 Waterstaat - Stroomvoerend (dubbelbestemming) Deze dubbelbestemming geldt voor de gronden in het westelijke deel van het plangebied, die in het stroomvoerend rivierbed van de Maas liggen. Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde in deze zone wordt onder andere getoetst of het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft.
6.4.3
Algemene regels
In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een bouwvergunning waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de Algemene bouwregels zijn bepalingen over ondergrondse werken, en ondergrondse bouwwerken opgenomen. Deze regelen de uitvoering van alle werken en bouwwerken onder peil. Daarnaast is aangegeven dat ondergeschikte bouwdelen binnen de aangegeven grenzen buiten beschouwing worden gelaten. Ook is een bepaling opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten. In de Algemene gebruiksregels is een verbodsbepaling opgenomen ten aanzien van gebruik in strijd met het bestemmingsplan. In de Algemene aanduidingsregels zijn regels opgenomen ten behoeve van de vrijwaringszone voor de dijk aan de westzijde van het plangebied.
| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 4 8
In de Algemene afwijkingsregels en de Algemene wijzigingsregels zijn regels opgenomen ten aanzien van afwijkings- en wijzigingsmogelijkheden die voor het gehele plangebied gelden en die burgemeester en wethouders de benodigde flexibiliteit bieden ten aanzien van het bestemmingsplan. In de Overige regels zijn regels opgenomen ten aanzien van de voorrang tussen dubbelbestemmingen onderling en over andere wettelijke regelingen.
6.4.4
Overgangs- en slotregels
Tot slot zijn het Overgangsrecht en de Slotregel opgenomen, met daarin de citeertitel van het bestemmingsplan, 'Lindenlaan 4-4a'.
| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 4 9
Hoofdstuk 7 Procedure en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 7.1
Economische uitvoerbaarheid
De realisatie van het project geschiedt voor rekening van initiatiefnemer. De gronden zijn grotendeels al in eigendom van initiatiefnemer. Kostenverhaal zal geregeld worden in een tussen de gemeente Bergen en de initiatiefnemer af te sluiten anterieure overeenkomst. Door de vaststelling van deze anterieure overeenkomst is het verhaal van de gemeentelijke kosten van de grondexploitatie over de in dit plan begrepen gronden afdoende verzekerd. Tenslotte wordt in deze overeenkomst ook een planschadeverhaalsbeding zoals bedoeld in art. 6.4a Wro opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Bergen komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.
7.2
Maatschappelijk uitvoerbaarheid
7.2.1
Procedure
Elk nieuw bestemmingsplan ontstaat uit een initiatief. De totstandkoming begint met de beslissing dat een bestemmingsplan zal worden opgesteld. Artikel 3.8 Wro regelt de procedure van het bestemmingsplan. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij zijn een aantal aanvullingen: 1. kennisgeving, zoals bedoeld in artikel 3:12 Awb, dient tevens te worden gepubliceerd in de Staatscourant en langs elektronische weg te worden verzonden; 2. het ontwerpbestemmingsplan dient te worden verstuurd aan het Rijk, provincie, waterschappen en aan de besturen van bij het plan een belang hebbende gemeenten; 3. kennisgeving aan de eigenaren van percelen welke de bestemming in de naaste toekomst zal worden verwezenlijkt; 4. door een ieder kunnen zienswijzen naar voren worden gebracht; 5. de gemeenteraad dient binnen 12 weken, na de ter inzage termijn beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Binnen twee weken wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Indien door Gedeputeerde Staten (GS) een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen, dan vindt bekendmaking plaats binnen zes weken na vaststelling. Dit geldt tevens indien de gemeenteraad wijzigingen aanbrengt in het ontwerp. In deze gevallen zend het college na vaststelling onverwijld een afschrift van het raadsbesluit aan GS.
Indien het Rijk of de provincie gebruik wil maken van haar aanwijzingsbevoegdheid gaat deze termijn niet op. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt dan, met uitsluiting van het onderdeel waarop het aanwijzingsbesluit ziet, samen met het aanwijzingsbesluit bekend gemaakt. Het besluit treedt in werking 1 dag na afloop van de beroepstermijn.
| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |
Pagina | 5 0
7.2.2
Omgevingsdialoog
Initiatiefnemer heeft omwonenden van het projectgebied in kennis gesteld van zijn plannen. Het verslag van de omgevingsdialoog is ter hand gesteld aan het bevoegd gezag.
7.2.3
Overleg
In het kader van het project heeft onder meer overleg plaatsgevonden met Rijkswaterstaat, het Waterschap Limburg en de provincie Limburg. Rijkswaterstaat heeft de volgende kanttekeningen respectievelijk adviezen bij het ontwerpbestemmingsplan gezet: Het overgrote deel van het plangebied maakt deel uit van het gedeelte van het rivierbed waar paragraaf 6.6 van het Waterbesluit niet van toepassing is (artikel 6.16 van het Waterbesluit). Dit betekent dat het gebied is vrijgesteld van vergunningsplicht voor het gebruik van de waterstaatswerken. Als gevolg van de ligging in het rivierbed kan er wel hoogwater optreden. Bij schade als gevolg hiervan kan geen schadevergoeding verhaald worden op het Rijk. De initiatiefnemer bouwt op eigen risico en voor eigen verantwoordelijkheid. Daarnaast wordt opgemerkt dat een klein deel van het plangebied is gelegen in het stroomvoerend rivierbed (in het plan bestemd tot Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed). Niet alleen bouwactiviteiten zijn meldings- dan wel vergunningsplichtig in het kader van de Waterwet, maar ook aanlegactiviteiten. In de figuur 8a (landschappelijke inpassing) van de plantoelichting is een zoekgebied voor een wandelroute opgenomen. Verzocht wordt om vroegtijdig de uitwerking van het inrichtingsplan voor te leggen aan Rijkswaterstaat.
Van het Waterschap Limburg is een korte reactie ontvangen ten behoeve van een ondergeschikte tekstuele aanpassing in de waterparagraaf, welke in deze fase is verwerkt. De provincie Limburg heeft te kennen gegeven geen bezwaren te hebben tegen het plan.
7.2.4
Zienswijzen
Het ontwerp-besluit tot herziening van het bestemmingsplan heeft 15 april tot en met 26 mei 2021 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |