CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

1.2 Toelichting

Gemeenteraad 13 juli 2021, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Lindenlaan 4-4A te Bergen;15.932 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Lindenlaan 4-4a

Pagina | 2

Inhoudsopgave Toelichting

4

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 1.2 1.3 1.4

4

Aanleiding Ligging van het plangebied Voorgaand bestemmingsplan Leeswijzer

4 5 6 7

Hoofdstuk 2 Ruimtelijke ontwikkeling

8

2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3

Huidige bebouwingssituatie en functie Nieuwe plannen Bebouwing en gebruik Verkeer en parkeren Landschappelijke inpassing

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.2 3.2.1 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.3.4

Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Ladder duurzame verstedelijking Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Provinciaal beleid Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Bergen 2030 Woningbehoefteonderzoek Bergen Toetsingskader woonzorginitiatieven Landschapsvisie Maasdal Bergen

Hoofdstuk 4 Milieu-planologische aspecten 4.1 4.2 4.3 4.3.1 4.3.2 4.4 4.4.1 4.4.2 4.5 4.5.1 4.5.2 4.6 4.6.1 4.6.2 4.7 4.8

Geluidhinder Bodem- en grondwaterkwaliteit Luchtkwaliteit Kleine en grote projecten Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Natuur Gebiedsbescherming Soortenbescherming Externe veiligheid Risicovolle inrichtingen (Bevi) Vervoer gevaarlijke stoffen Milieuzonering Bedrijven en Milieuzonering; Staat van bedrijfsactiviteiten Invloed milieuhinder op het plangebied Archeologie en cultuurhistorie Kabels, leidingen en straalpaden

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

8 10 10 10 13

15 15 15 15 16 19 19 20 20 21 21 22

25 25 26 28 28 28 30 30 31 33 33 34 36 36 36 37 40

Pagina | 3

4.8.1 4.8.2

Gas-, olie-, brandstof- of watertransportleidingen en hoogspanningskabels Obstakelbeheer- en radarverstoringsgebied

Hoofdstuk 5 Waterparagraaf 5.1 5.2 5.3

Waterhuishouding Toepassing wateruitgangspunten op het plangebied Overleg Waterschap

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving 6.1 6.2 6.3 6.4 6.4.1 6.4.2 6.4.3 6.4.4

Algemeen Planmethodiek Verbeelding Planregels Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 7 Procedure en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 7.1 7.2 7.2.1 7.2.2 7.2.3 7.2.4

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijk uitvoerbaarheid Procedure Omgevingsdialoog Overleg Zienswijzen

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

40 40

41 41 41 44

45 45 45 45 45 46 46 47 48

49 49 49 49 50 50 50

Pagina | 4

Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

De initiatiefnemer is voornemens om, in samenwerking met De Zorggroep en de huidige eigenaar van de locatie, te komen tot een nieuwe invulling van de percelen aan de Lindenlaan 4 en 4a te Bergen. De Zorggroep heeft in een overleg op 3 oktober 2019 het idee aan de gemeente Bergen kenbaar gemaakt om een nieuwe locatie te ontwikkelen voor de psycho-geriatrische-woonvoorziening (24-uurszorg) met maximaal 40 cliënten, waarvan 30 zorgplaatsen nu in woonzorgcentrum Maasduinen Staete aan de Vlammertsehof 1 in Bergen zijn gevestigd. Deze voorziening voldoet niet meer aan de huidige normen die aan zo'n voorziening worden gesteld en uit onderzoek is gebleken dat renovatie van woonzorgcentrum Maasduinen Staete geen optie is. De Lindenlaan 4-4a te Bergen is, na een aantal alternatieven beschouwd te hebben, als voorkeurslocatie naar voren gekomen. Deze locatie (Lindenlaan 4a) zal een maatschappelijke bestemming krijgen. Aan de voormalige bedrijfswoning aan de Lindenlaan 4 zal een reguliere woonbestemming toegekend worden. Op 31 oktober 2017 is een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.12 lid 1, onder a, onder 2 van de Wabo juncto artikel 4 lid van bijlage II van het Bor voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het gebruik van deze voormalige bedrijfswoning als burgerwoning. Deze vergunde situatie zal nu dus ook planologisch worden vastgelegd.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen heeft op 14 april 2020 besloten om in principe mee te werken aan deze ruimtelijke ontwikkeling. Hierbij zijn de volgende voorwaarden gesteld: De gehele locatie dient de bestemming 'Maatschappelijk' te krijgen afgestemd op het toekomstig gebruik als uitsluitend een woonvoorziening waar 24-uurszorg door De Zorggroep wordt verleend. Voordat door u de planuitwerking ter hand wordt genomen is het van belang dat er stedenbouwkundige randvoorwaarden worden bepaald. Daarnaast dient in het kader van de uitwerking aandacht te worden besteed aan onder meer de invulling van een goede landschappelijke inpassing, de stikstofproblematiek (o.a. op basis van een Aeriusberekening), een aantal andere milieuaspecten (bodem en geluid), aan de exacte parkeer- en inritsituatie en dient het plan te worden afgestemd met het waterschap i.v.m. de hoogwaterbeschermingsmaatregelen. Het voorliggende bestemmingsplan 'Lindenlaan 4-4a' voorziet in een adequate planologisch-juridische regeling voor het project, waarin bovenstaande voorwaarden worden beschouwd.

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 5

1.2

Ligging van het plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Lindenlaan 4 en 4a te Nieuw-Bergen, kadastraal bekend als gemeente Bergen, sectie T nummers 395, 823, 824, 3033 en 3034, ten westen van de provinciale weg (N271), die in noord-zuidrichting door Nieuw-Bergen loopt. De omvang van het plangebied bedraagt ongeveer 6500 m2. Op onderstaande luchtfoto en uitsnede uit de kadastrale kaart is de ligging van de locatie weergegeven:

Afbeelding 1: Ligging plangebied

De topografische perceelsgrenzen zijn op onderstaande afbeelding weergegeven, waarbij de globale omvang van het plangebied is aangeduid.

Afbeelding 2: perceelsgrens plangebied in omgeving

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 6

1.3

Voorgaand bestemmingsplan

Voor het plangebied vigeert het volgende bestemmingsplan: Naam bestemmingsplan

Bestemming en aanduidingen

Vaststelling Raad

bestemmingsplan Nieuw Bergen

- bestemming Bedrijf 19 februari - bouwvlak 2013 - functieaanduiding specifieke vorm van bedrijf – bouwbedrijf - functieaanduiding 'bedrijfswoning' - dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 5 en Waarde Archeologie 4 - dubbelbestemming Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed - gebiedsaanduiding vrijwaringszone – dijk

Afbeelding 3: Uitsnede verbeelding

Op 31 oktober 2017 is een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.12 lid 1, onder a, onder 2 van de Wabo juncto artikel 4 lid van bijlage II van het Bor voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning. Binnen de vigerende bedrijfsbestemming is de herinrichting van de locatie aan de Lindenlaan 4a niet toegestaan. Het bestemmingsplan kent ook geen binnenplanse wijzigingsmogelijkheden.

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 7

Om de gewenste functiewijziging mogelijk te maken zal het bestemmingsplan herzien dienen te worden, waarbij niet alleen voorzien zal worden in een passende bestemming voor het woonzorgcomplex, maar ook de burgerbewoning van de bedrijfswoning middels een reguliere woonbestemming passend zal worden herbestemd.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit de volgende delen. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2 met een beschrijving van de huidige fysieke omgeving en de ruimtelijke ontwikkeling zelf. In hoofdstuk 3 wordt het plan getoetst aan het geldende ruimtelijke beleid. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in de milieu-planologische aspecten. Hoofdstuk 5 bevat de waterparagraaf. De juridische vormgeving van het bestemmingsplan is neergelegd in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 gaat ten slotte in op de gevolgde procedure inclusief de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 8

Hoofdstuk 2 Ruimtelijke ontwikkeling 2.1

Huidige bebouwingssituatie en functie

Het plangebied is bebouwd met een voormalige bedrijfswoning daterend van 1925, een bedrijfsgebouw met een oppervlakte van 1125 m2 dat dateert van 1960 en twee vrijstaande bijgebouwen met een totale oppervlakte van bijna 80 m2. Verder staat er nog bebouwing waarvan de footprint kadastraal niet is verwerkt. De voormalige bedrijfswoning is in gebruik als burgerwoning; hiertoe is in 2017 een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik in afwijking van het bestemmingsplan. De bedrijfsmatige activiteiten door Bouwbedrijf Milbouw zijn nog actueel, maar zullen na instemming met onderhavig initiatief worden afgebouwd en beëindigd. De huidige bebouwingssituatie laat zich als volgt visualiseren:

Figuur 4: Voor- en zijaanzicht bedrijfswoning

Figuur 5: Zijaanzicht erf en bedrijfspand

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 9

Figuur 6: Vooraanzicht bedrijfsgebouw

Figuur 7: Luchtfoto

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 1 0

2.2

Nieuwe plannen

2.2.1

Bebouwing en gebruik

Voor de nieuwe invulling van het woonzorgcentrum zal de bedrijfsbebouwing geheel worden gesloopt. Aanvullend krijgt de voormalige bedrijfswoning een reguliere bestemming Wonen. Middels een omgevingsvergunning is het gebruik van de voormalige bedrijfswoning als burgerwoning al vastgelegd, maar hiertoe is het bestemmingsplan nog niet herzien. De eigenaar van deze woning wil op zijn perceel één bijgebouw realiseren. Voor de achterste 25 m van het woonperceel zal de bestemming 'Tuin' worden opgenomen. Hierdoor wordt een clustering van bebouwing met een aan wonen gerelateerde functie bewerkstelligd en wordt voorkomen dat op het achterste deel van het perceel verstening plaatsvindt. Het overige deel van de locatie is geschikt om, op korte afstand van de centrumvoorzieningen van Nieuw-Bergen, een woonzorgcentrum te realiseren. Het beoogde zorgcentrum zal geschikt zijn voor circa 40 cliënten. Het gebouw zal maximaal 2 bouwlagen met de mogelijkheid voor een kap bevatten. Vanuit een eigen toegangsweg langs het zorgcentrum naar de achterzijde van het beoogde gebouw kan de te realiseren parkeergelegenheid worden bereikt. De nieuwbouw heeft deels te maken met verplaatsing van zorgplaatsen vanuit Maasduinen Staete. Circa 30 zorgplaatsen zullen hier worden ingeleverd als gevolg van veroudering van de locatie en zullen worden overgebracht naar de nieuwe locatie aan de Lindenlaan.

Door efficiënter om te kunnen gaan met de inzet van personeel in het nieuwe en efficiënter ingerichte gebouw, kan dit, samen met de ondersteunende inzet van technologie resulteren in een capaciteit voor 40 zorgplaatsen. De vrijgekomen ruimte in Maasduinen Staete zal binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan voor een andere zorggerelateerde functie worden aangewend. De voormalige bedrijfswoning binnen het plangebied heeft in 2017 al een reguliere woonfunctie gekregen. In onderhavig bestemmingsplan zal deze dan ook positief bestemd worden door de bestemming 'Wonen' aan dit perceel toe te kennen. Met de goot- en bouwhoogte van het woonzorgcentrum wordt rekening gehouden met de woningen in de directe omgeving. In bijlage 1 bij deze plantoelichting is de stedenbouwkundige verantwoording opgenomen, waarin is weergegeven hoe tot de perceelindeling en de voorlopige bouwmassa is gekomen. Het woonzorgcentrum zal met (rustgevend) groen en (voor zover realistisch) in het verlengde van de (concept-) landschapsvisie worden ingekleed; dit is echter een nader te bepalen aspect, waarbij ook de dialoog met omwonenden zal worden gezocht.

2.2.2

Verkeer en parkeren

Verkeer De binnen het vigerende bestemmingsplan toegelaten functies hebben een verkeersaantrekkende werking welke te relateren is aan het bouwbedrijf en de bijbehorende voormalige bedrijfswoning. Binnen onderhavig bestemmingsplan zal de maatschappelijke functie eveneens leiden tot - met name - autoverkeer door het personeel en bezoekers van het woonzorgcentrum (en van de bewoners van de woning (als bestaand).

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 1 1

In een schematisch overzicht ziet de bestaande en toekomstige verkeersgeneratie op basis van de vigerende en toekomstige bestemming, uitgaande van de typering van de omgeving 'rest bebouwde kom; weinig stedelijk', er als volgt uit: vigerende bestemming

verkeersgeneratie (CROW rest bebouwde kom; weinig stedelijk)

Bedrijf cat. 1 en 2 (bedrijf 10,9/100 m2 BVO x 11,25 = 123 verkeersbewegingen arbeidsintensief; bezoekers extensief) Voormalige bedrijfswoning

8,6 verkeersbewegingen

Totaal

circa 132

toekomstige bestemming Maatschappelijk (verpleeg- en verzorgingstehuis)

3 verkeersbewegingen/wooneenheid x 40 = 120 verkeersbewegingen*

Burgerwoning

8,6 verkeersbewegingen

Totaal

circa 129

* De CROW-publicatie kent wel expliciete verkeersgeneratienormen voor aanleunwoningen, maar niet voor zorginstellingen en verpleeghuizen. In het kader van dit plan is er voor gekozen om voor het woonzorgcentrum aan te sluiten bij de normering voor aanleunwoningen. Gezien de concrete wijze waarop binnen de beoogde zorginstelling woonruimte en verzorging aan de patiënten wordt geboden, benadert de verkeersgeneratienorm voor aanleunwoningen – gelet op de ruimtelijke en planologische aard en invloed deze functie - het dichtst het feitelijk functioneren van de beoogde zorginstelling.

Uit dit overzicht blijkt dat het aantal verkeersbewegingen nauwelijks zal wijzigen. De ontsluiting van het nieuwe woonzorgcentrum zal plaatsvinden op de Lindenlaan en de Daem van Kekenstraat van waaruit het verkeer ter plaatse van de ovonde opgenomen zal worden in het grotere geheel. De nabij het plangebied aanwezige bushalte ter hoogte van het gemeentehuis zorgt voor het vervoer van personen via lijn 83 (Nijmegen-Mook-Milsbeek-Gennep-Bergen-Arcen-Venlo). De bereikbaarheid van het plangebied via het openbaar vervoer is dan ook goed. Parkeren De nieuwe functie leidt eveneens tot parkeerbehoefte. Parkeren geschiedt geheel op eigen terrein. Bij de woning is al voldoende parkeergelegenheid aanwezig (CROW-norm van 2,7 parkeerplaatsen bij een vrijstaande woning). Ter plaatse van het woonzorgcentrum zal voldaan moeten worden aan de parkeernorm welke gerelateerd wordt aan verpleeghuizen (basis: Toekomstbestendig parkeren, CROW-publicatie 381). Hierbij geldt, uitgaande van de typering van de omgeving 'rest bebouwde kom; weinig stedelijk', een norm van 0,7 parkeerplaatsen per wooneenheid. Uitgaande van 40 wooneenheden, betekent dit dat er 40 x 0,7 = 28 parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd. Er zullen 28 parkeerplekken in het project worden opgenomen; voldoende dus.

In een schematisch overzicht ziet de bestaande en toekomstige parkeerdruk op basis van de vigerende en toekomstige bestemming er als volgt uit:

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 1 2

vigerende bestemming

parkeren (CROW rest bebouwde kom; weinig stedelijk)

Bedrijf cat. 1 en 2 (bedrijf arbeidsintensief; bezoekers extensief)

2,6 pp/100 m2 BVO x 11,25 = 30 pp

Voormalige bedrijfswoning

2,7 pp

Totaal

circa 33

toekomstige bestemming Maatschappelijk (verpleeg- en verzorgingstehuis)

0,7 pp/wooneenheid x 40 = 28 pp

Burgerwoning

2,7 pp

Totaal

circa 31

Uit dit overzicht blijkt dat de parkeerdruk nauwelijks zal wijzigen. Op onderstaande afbeelding is te zien waar deze parkeergelegenheden gerealiseerd zullen gaan worden. De exacte situering is uiteraard afhankelijk van de projectie en vormgeving van het woonzorgcentrum op het perceel. De footprint zoals op deze afbeelding staat, is daarom vooralsnog indicatief.

Figuur 8: parkeren

Tevens zal er een fietsenstalling worden gerealiseerd.

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 1 3

2.2.3

Landschappelijke inpassing

Omdat op dit moment nog geen definitieve keuzes zijn gemaakt omtrent de bebouwingsmassa en situering, is het ook nog niet mogelijk om de landschappelijke inpassing geheel uitgewerkt te hebben. De landelijke omgeving met het zicht richting Heukelomsche beek en de Maas is echter mede leidend geweest om te kiezen voor deze locatie om het woonzorgcentrum te laten landen. Het is daarom van groot belang dat de groene inrichting van het plangebied aansluit op die omgeving. Zoals in paragraaf 3.3.4 zal worden belicht, heeft het Waterschap Limburg een ruimtelijke analyse van de dijktrajecten opgesteld. In het planproces van de alternatiefontwikkeling voor de nieuwe waterkeringen hebben de landschapsarchitecten richting gegeven aan een inrichtingsplan gemaakt voor de Lindenlaan en omgeving, waarin de waardevolle elementen worden benadrukt en een visie voor de herinrichting wordt gegeven. Dit inrichtingsplan is de leidraad om, op het moment dat de invulling van het plangebied aan de orde is, de landschappelijke inpassing van het plangebied verder ter hand te nemen en daar waar mogelijk en wenselijk te laten aansluiten op het inrichtingsplan, boven op onderstaande inrichtingsschets.

Hierin zijn de drie waardevolle bomen opgenomen welke bijzondere bescherming verdienen, welke bescherming ook in de planregels is neergelegd; tevens zijn de aan de bestaande situatie toe te voegen hagen (erfafscheidingen) opgenomen. De bomen langs de Lindenlaan welke geen bijzondere bescherming genieten, zullen ook gehandhaafd worden, vanwege het te behouden karakter van deze laanbeplanting. Om te waarborgen dat dit op kwalitatief goede wijze zijn beslag gaat krijgen, is een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen. Hierin is vermeld dat het gebruik van de gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' en daarbij behorende gebouw(en) uitsluitend is toegestaan onder de voorwaarde dat de gronden rondom de bebouwing binnen 18 maanden na verlening van de hiervoor noodzakelijke omgevingsvergunning, landschappelijk ingepast zijn, conform de door het bevoegd gezag geaccordeerde inrichtingsschets, en deze inpassing duurzaam in stand wordt gehouden.

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 1 4

Figuur 8a: landschappelijke inpassing

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 1 5

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die ruimte geef aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo ontstaat er ruimte voor maatwerk en ontwikkelingen van burgers en bedrijven. In deze structuurvisie schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040: een visie hoe Nederland er in 2040 voor moet staan. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028 en is aangegeven welke nationale belangen daarbij aan de orde zijn. Deze tijdshorizon is gesteld omdat in de loop van de tijd nieuwe ontwikkelingen en opgaven kunnen vragen om bijstelling van de rijksdoelen. Voor de ambities zijn rijksinvesteringen slechts een van de instrumenten die worden ingezet. Ook kennis, bestuurlijke afspraken en kaders worden ingezet. De huidige financiële rijkskaders (begroting) zijn randvoorwaardelijk voor de concrete invulling van die rijksambities.

Een actualisatie van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid is nodig om de nieuwe aanpak vorm te geven. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende (wereldwijde) omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen die onder andere ontstaan omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. Deze structuurvisie geeft een integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vormt de 'kapstok' voor rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van. Het gaat dan zowel om belangen die conflicteren als belangen die elkaar versterken. Bij nieuwe ontwikkelingen, aanleg en herstructurering moet in elk geval aandacht zijn voor de gevolgen voor de waterhuishouding, het milieu en het cultureel erfgoed. Deze aspecten zullen in hoofdstuk 5, respectievelijk paragraaf 4.6 en paragraaf 4.7 aan de orde komen.

3.1.2

Ladder duurzame verstedelijking

De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd. Vanaf 1 juli 2017 moeten ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken worden getoetst aan de nieuwe Ladder Duurzame Verstedelijking. De grondslag voor de nieuwe Ladder-toets is het nieuwe artikel 3.1.6 lid 2 Bro. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 1 6

binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor een maatschappelijke voorziening in de vorm van een woonzorgcentrum geldt dat in beginsel sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Deze woonzorgcentrum zal worden gesitueerd in het bestaande stedelijke gebied (tot op heden bedrijfsbestemming ten behoeve van huidige bouwbedrijf). De behoefte van onderhavige ontwikkeling zit in het realiseren van een nieuwe locatie voor de psycho-geriatrische-woonvoorziening die nu in woonzorgcentrum Maasduinen Staete is gevestigd. Deze voorziening voldoet niet meer aan de huidige normen die aan zo'n voorziening worden gesteld en uit onderzoek is gebleken dat renovatie geen optie is.

De Lindenlaan 4 te Bergen is, na samen met de gemeente Bergen een aantal alternatieven beschouwd te hebben, als voorkeurslocatie naar voren gekomen. Binnen de gemeente Bergen is geen locatie gevonden welke beschikbaar is, gelegen is binnen het bestaand bebouwd gebied, goed ontsloten wordt, al dan niet middels openbaar vervoer, en uitziet over een deel van het buitengebied, waarvan een rustgevende werking uitgaat voor de bewoners. Het beoogde zorgcentrum zal geschikt zijn voor circa 40 cliënten. Het gebouw zal maximaal 2 bouwlagen met de mogelijkheid voor een kap bevatten. Vanuit een eigen toegangsweg langs het zorgcentrum naar de achterzijde van het beoogde gebouw kan de te realiseren parkeergelegenheid worden bereikt. De nieuwbouw heeft deels te maken met verplaatsing van zorgplaatsen vanuit voornoemd woonzorgcentrum Maasduinen Staete. Circa 30 zorgplaatsen zullen hier worden ingeleverd als gevolg van veroudering van de locatie en zullen worden overgebracht naar de nieuwe locatie aan de Lindenlaan. Door efficiënter om te kunnen gaan met de inzet van personeel in het nieuwe en efficiënter ingerichte gebouw, kan dit, samen met de ondersteunende inzet van technologie resulteren in een capaciteit voor 40 zorgplaatsen. De vrijgekomen ruimte in Maasduinen Staete zal binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan voor een andere zorggerelateerde functie worden aangewend.

In casu wordt dus voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) zijn een aantal onderwerpen opgenomen waarvoor het rijk uit het oogpunt van de nationale belangen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ruimtelijke regels stelt. Het plangebied is gelegen in een gebied waar onderwerpen van nationaal belang van toepassing zijn en van waaruit het Barro rechtstreeks regels worden gesteld. Voor onderhavig planvoornemen is het onderwerp 'Grote rivieren' (bijlage 3 bij het Barro) van toepassing. De doorwerking van de Beleidsregels grote rivieren (Bgr) vindt in het spoor van de ruimtelijke

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 1 7

ordening plaats middels het Barro.

Figuur 11: Uitsnede bijlage 3 'Grote rivieren' uit het Barro

Een klein deel van het plangebied is op grond van deze kaart gelegen in het stroomvoerend deel van het rivierbed; het plangebied als geheel ligt binnen het rivierbed. Op grond van artikel 2.4.3. (rivierbed) en artikel 2.4.4 (stroomvoerend deel rivierbed) van het Besluit dient een toets te worden verricht aan de daarin gestelde regels: Artikel 2.4.3. bepaalt: 1. Een bestemmingsplan wijst ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan alleen nieuwe bestemmingen in een rivierbed aan in het geval er sprake is van: a. een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; b. geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; c. een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en d. een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. 2. Bij toepassing van het eerste lid worden resterende waterstandeffecten of afname van het bergend vermogen gecompenseerd. 3. In een bestemmingsplan wordt vastgelegd hoe de effecten op de waterstand en de afname van het bergend vermogen worden gecompenseerd.

Toets aan artikel 2.4.3: Bij het opstellen van onderhavig bestemmingsplan is rekening gehouden met de volgende zaken: Ad 1 sub a: door de gekozen situering van het bouwvlak binnen de nieuwe bestemmingen wordt het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd. De maximale bebouwingsmogelijkheden zullen niet toenemen en het bouwvlak is buiten het stroomvoerend

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 1 8

deel van het rivierbed geprojecteerd. Ad 1 sub b: hierdoor is er geen sprake van een feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier. Ad 1 sub c: hierdoor is het niet aannemelijk dat dit waterstandverhoging of afname van het bergend vermogen tot gevolg heeft. Ad 1 sub d: hierdoor is het niet aannemelijk dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam verslechtert.

Artikel 2.4.4. bepaalt: Onverminderd artikel 2.4.3 kan een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het stroomvoerend deel van het rivierbed ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan uitsluitend een wijziging mogelijk maken, voor zover daarbij een of meer van de volgende activiteiten worden mogelijk gemaakt: a. de aanleg of wijziging van waterstaatkundige kunstwerken; b. de verwezenlijking van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- of recreatievaart; c. de bouw of wijziging van waterkrachtcentrales; d. de vestiging of uitbreiding van overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten, uitsluitend voor zover de activiteit gekoppeld is aan het vervoer over de rivier; e. de aanleg of wijziging van scheepswerven voor beroeps- of pleziervaartuigen; f. de verwezenlijking en het beheer van natuurterreinen; g. de uitbreiding of wijziging van bestaande steenfabrieken; h. de verwezenlijking van voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie zijn verbonden; i. de winning van oppervlaktedelfstoffen; j. de verwezenlijking van voorzieningen van groot openbaar belang die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd; k. activiteiten van een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd; l.

een functieverandering binnen de bestaande bebouwing; m. activiteiten die onderdeel uitmaken van de lijst van maatregelen opgenomen in de Bijlage bij de planologische kernbeslissing Ruimte voor de Rivier en waarvan de uitvoering wordt gefinancierd door Onze Minister. Toets aan artikel 2.4.4: Van activiteiten zoals genoemd onder a tot en met k en m is in casu geen sprake. Feitelijk is de situatie het beste te vergelijken met de activiteit genoemd onder artikel 2.4.4 sub l (functieverandering binnen bestaande bebouwing), zij het dat niet alleen de bebouwing, maar het gehele perceel een functieverandering ondergaat, welke echter, evenals de functieverandering binnen de bestaande bebouwing, geen negatieve effecten heeft op het stroomgebied van de Maas. De maximale bebouwingsmogelijkheden zullen niet toenemen en het bouwvlak is buiten het stroomvoerend deel van het rivierbed geprojecteerd.

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 1 9

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Op 12 december 2014 is het nieuwe provinciaal omgevingsplan Limburg vastgesteld. Belangrijke principes in dit nieuwe omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto ‘meer stad, meer land’, het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. 2. Algemene principes voor duurzame verstedelijking. De ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. 3. Uitnodigen. De manier waarop de provincie samen met de partners het voortreffelijke leefen vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De Provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. Voor wat betreft de projectlocatie geeft het POL 2014 aan dat de omgeving getypeerd kan worden als 'overig bebouwd gebied'.

Figuur 12: Uitsnede POL-kaart zonering Limburg

De gronden in het overig bebouwd gebied betreffen gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. Belangrijke accenten zijn: Transformatie van de regionale woningvoorraad; Bereikbaarheid; Balans voorzieningen en detailhandel; Stedelijk groen en water. De ontwikkeling van een woonzorgcentrum past binnen de beleidsuitgangspunten voor de zone ‘overig bebouwd gebied’. Hetzelfde geldt voor de burgerwoning die als zodanig bestemd wordt. Er bestaan vanuit het POL2014 dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingsplanherziening. | bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 2 0

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Bergen 2030

Op 23 april 2019 heeft de gemeenteraad van Bergen de Omgevingsvisie Bergen 2030 vastgesteld. Door nadrukkelijk de koppeling te leggen tussen de aanwezige groene kwaliteiten en de kansen op het gebied van duurzaamheid wil Bergen zich nog meer dan voorheen profileren als ‘toekomstbestendige gemeente’. De ‘meest toekomstbestendige gemeente van Nederland’ vormt het hart van Nationaal Park De Maasduinen, biedt een aantrekkelijke omgevingskwaliteit voor wonen, werken en recreëren en voorziet in de eigen energiebehoefte. Daar horen dorpen bij die alle ruimte krijgen om hun eigen identiteit te behouden en te versterken. (Nieuwe) ontwikkelingen dienen bij te dragen aan het realiseren van een aantrekkelijke omgevingskwaliteit via ruimtelijke kwaliteitsverbetering en landschappelijke inpassing. Binnen deze visie is het projectgebied getypeerd als ‘centraal voorzieningencentrum Nieuw Bergen’. De omgevingsvisie raakt weliswaar in meerdere hoofdkeuzes de aspecten zorg, gezondheid en ouderen, maar blijft steken in het faciliteren van een leefomgeving waarin ouderen en mensen met een beperktere mobiliteit zorg goed kunnen verblijven. Over huisvesting van deze groeiende groep zorgbehoevende ouderen wordt niets vermeld. Wel is dit een punt van aandacht; niet alleen in de gemeente Bergen. Dit komt naar voren in hoofdkeuze 7 'Afstemmen woningvoorraad op vraag'.

Bergen staat voor de opgave om het woningaanbod af te stemmen op de vraag, door te zoeken naar nieuwe en inventieve oplossingen. Hierbij wordt benoemd dat ook zorgverleners betrokken moeten worden bij de herontwikkelingsopgave en dat op een slimme manier omgegaan zou kunnen worden met het combineren van budgetten. Maar ook hoofdkeuze 8 'Voorzieningen bereikbaar houden' is in dit kader relevant. Voorzieningen op het gebied van tijdelijke zorg (bijvoorbeeld een hospice) zouden goed passen bij het groene karakter van Bergen, aldus hoofdkeuze 8. De groep zorgbehoevende ouderen blijft groeien; mantelzorg lost íets op, maar gezien het feit dat de partner hiervoor meestal fysiek niet meer toe in staat is, familieleden ook de zorg voor hun eigen gezin hebben, niet meer in de buurt wonen en hun eigen werk hebben, ondervindt een groeiende groep zorgbehoevenden hiervan de negatieve effecten. De aanwezige zorgcentra hebben een te lange wachtlijst en de zorgbehoevende ziet zich voor een probleem gesteld. Met het plan van De Zorggroep om een zorgcentrum met 40 (grotendeels vervangende) woonplekken te realiseren voor de doelgroep ouderen met een zorgindicatie en jongeren met een beperking welke noodzaakt tot wonen in een zorgcentrum, waar dagelijkse verzorging is geconcentreerd, wordt in deze, in de omgevingsvisie beschreven, behoefte voorzien.

De gekozen locatie is geschikt vanwege de centrale ligging tegen het centrum van Nieuw Bergen en anderzijds tegen de natuurlijke leefomgeving van de Heukelomsche Beek aan de oostoever van de Maas. Voor veel ouderen dé locatie om, ook al kan het niet meer zelfstandig, maar dan toch nog te kunnen genieten van de laatste jaren.

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 2 1

3.3.2

Woningbehoefteonderzoek Bergen

In het ‘Woningbehoefteonderzoek Bergen’, daterend van 6 november 2018 is een paragraaf gewijd aan ‘Zorg met verblijf (Verzorging & Verpleging)’. Hierin wordt, hetgeen in de praktijk ook blijkt, geconstateerd dat er, ondanks het langer zelfstandig wonen, een behoefte blijft aan een intramurale woonvorm (verpleeghuiszorg), gericht op (met name) ouderen met een zware zorgvraag. Het gaat om mensen met ernstige somatische en/of psychogeriatrische klachten die behoefte hebben aan 24-uurs toezicht. In het basisscenario is de vraag aan de hand van indicatiestelling uit het recente verleden en de verwachte demografische ontwikkelingen bepaald. In 2018 lag het aantal indicaties op ongeveer 75. De komende jaren neemt het aantal ouderen met een zware zorgvraag toe, als gevolg van de vergrijzing. Daardoor zal de vraag naar zorg met verblijf toenemen met ongeveer 20 plaatsen in de komende tien jaar (van 75 plaatsen in 2018 naar 95 plaatsen in 2028). Tevens is in het behoefteonderzoek een hypothetisch scenario doorgerekend waaruit blijkt dat er een kans is dat er minder aanspraak zal worden gedaan op intramurale zorg dan het basisscenario laat zien; in dat geval wordt ervan uitgegaan dat technologie op afstand afdoende hulp kan bieden. De praktijk leert echter dat dit vaak onvoldoende is en dat, als de nood aan de man is, de fysieke aanwezigheid van een zorgverlener te lang duurt.

Het basisscenario lijkt daarom representatiever. Ook Branchevereniging ActiZ heeft onderzocht hoe de intramurale zorgvraag zich ontwikkelt, nu en in de toekomst. De zorg voor ouderen gaat de komende jaren ingrijpend veranderen: het aantal 65-plussers stijgt in twintig jaar met 55% tot bijna 5 miljoen. Het aantal 90-plussers stijgt tegelijk met bijna 200% tot 340 duizend. Voor het tegengaan van het tekort aan verpleeghuisplekken moet er volgens ActiZ niet alleen ingezet worden op meer plekken. ActiZ denkt dat er ook meer passende woonruimte nodig is voor mensen met een intensieve zorgvraag. Vormen van wonen die een natuurlijke aanvulling zijn tussen zorg thuis en intensieve verpleeghuiszorg.

3.3.3

Toetsingskader woonzorginitiatieven

Op 16 juli 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen het 'Toetsingskader voor woonzorginitiatieven' vastgesteld. Dit kader dient als uitgangspunt bij het beoordelen van bouwplannen waarbij sprake is van wonen met zorg. De gemeenteraad heeft op 12 december 2017 de gemeentelijke woonvisie vastgesteld, waarin is gekozen voor het uitgangspunt bouwen voor de eigen behoefte. In de woonvisie is een paragraaf Wonen-welzijn-zorg' opgenomen. De doelstellingen zijn: We stellen mensen in staat zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen in eigen woning en woonomgeving. In ieder dorp blijft er een fysieke mogelijkheid van ontmoeting. We sturen op voldoende geschikte woningen en woonvormen voor mensen met lichamelijke, psychische of psychosociale beperking, inclusief de nodige zorg- en welzijnsvoorzieningen. Een woonzorginitiatief moet passen binnen de lokale woning- en zorgbehoefte. In het woonbehoeftenonderzoek van november 2018 is de behoefte aan woon-zorgvoorzieningen voor de komende jaren in beeld gebracht, met als uitgangspunt de autonome behoefteontwikkeling. De onderzoeksresultaten zijn getoetst bij zorgpartijen die de huidige huisvestingsopgave invullen en geven de behoefte aan tot 2028. De behoefte aan uitbreiding van het bestaande | bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 2 2

woonzorgvoorzieningenvastgoed is maar heel beperkt, zo blijkt uit de resultaten van het woonbehoefteonderzoek. In het toetsingskader wordt onderscheid gemaakt in doelgroepen, al naar belang de zwaarte van de zorgvraag. Onderhavig project richt zich op inwoners die een behoefte hebben aan 24 uur toezicht en niet te plannen zorg. Deze inwoners ontvangen zorg met verblijf en doen een beroep op de Wet langdurige zorg (Wlz), waarvoor een indicatie noodzakelijk is. Zij wonen niet zelfstandig maar in een intramurale setting. De Zorggroep richt zich op verpleging en verzorging van ouderen met een zwaardere zorgvraag). Conform het beleid zoals neergelegd in de gemeentelijke woonvisie en overeenkomstig de uitkomsten van het woonbehoeftenonderzoek voorziet de gemeente enkel in de autonome behoefte aan woonzorgvoorzieningen. De Zorggroep en Dichterbij zijn voor deze huisvestingsvorm de preferente partijen. Het is van belang dat beschutte woonvormen in de nabijheid van andere vormen van zorg en voorzieningen zijn gesitueerd. De Zorggroep heeft in een overleg op 3 oktober 2019 het idee aan de gemeente Bergen kenbaar gemaakt om een nieuwe locatie te ontwikkelen voor de psycho-geriatrisch-woonvoorziening die nu in woonzorgcentrum Maasduinen Staete is gevestigd.

Deze voorziening voldoet niet meer aan de huidige normen die aan zo'n voorziening worden gesteld en uit onderzoek is gebleken dat renovatie geen optie is. De Lindenlaan 4 te Bergen is, na een aantal alternatieven beschouwd te hebben, als voorkeurslocatie naar voren gekomen. Deze locatie ligt gunstig ten opzichte van de centrumvoorzieningen. Het beoogde zorgcentrum zal geschikt zijn voor 40 cliënten. Verder wil De Zorggroep de exploitatie van de aanleunwoningen in Maasduinen Staete overdragen aan Destion en het hoofdgebouw bedoeld voor bewoners met somatische beperkingen aanpassen aan de huidige huisvestingsnormen. De nieuwbouw heeft dus deels te maken met verplaatsing van zorgplaatsen vanuit Maasduinen Staete. Circa 30 zorgplaatsen zullen hier worden ingeleverd als gevolg van veroudering van de locatie en zullen worden overgebracht naar de nieuwe locatie aan de Lindenlaan. Door efficiënter om te kunnen gaan met de inzet van personeel in het nieuwe en efficiënter ingerichte gebouw, kan dit, samen met de ondersteunende inzet van technologie, bv zorgrobot Tessa, resulteren in een capaciteit voor 40 zorgplaatsen. De vrijgekomen ruimte in Maasduinen Staete zal binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan voor een andere zorggerelateerde functie worden aangewend.

3.3.4

Landschapsvisie Maasdal Bergen

Eind 2019 heeft het concept van de 'Landschapsvisie Maasdal Bergen - Unieke twee-eenheid van Maas en Duinen' ter inzage gelegen. Doel van de landschapsvisie is het behouden en versterken van de landschappelijke kwaliteiten in het Maasdal door richting te geven aan ontwikkelingen en deze op elkaar af te stemmen. De gemeente Bergen wil het Maasdal ontwikkelen tot een aantrekkelijk en vitaal landschap. De Landschapsvisie begint met de constatering dat het Maasdal niet los gezien kan worden van de Maasduinen. Ruimtelijk en functioneel vullen beide gebieden elkaar aan en samen vormen ze een twee-eenheid. Voor de toeristische profilering van de gemeente is dit een sterke troef. Door landschappelijke contrasten te versterken en recreatieve verbindingen te leggen, kan de

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 2 3

twee-eenheid beter beleefbaar worden. De Landschapsvisie formuleert vijf centrale ambities die verbonden zijn aan vijf landschappelijke lagen: 1. Behoud en versterk de landschappelijk basisstructuur van terrassen en geulen, die kenmerkend is voor dit deel van het Maasdal en de ruimtelijke ontwikkeling heeft bepaald. Diepe ontgrondingen zijn in principe ongewenst, maar ondiepe, reliëfvolgende afgravingen ten behoeve van rivierverruiming kunnen deze structuur juist versterken. Dit kan gecombineerd worden met natuurontwikkeling en kleiwinning voor de dijken. De laaggelegen geulen lenen zich bij uitstek voor groene rivieren en bijzondere kwelnatuur en zouden een open karakter moeten houden. 2. Bouw voort op de rijke cultuurhistorie van het gebied en geef vorm aan een gevarieerd, kleinschalig cultuurlandschap, met bijzondere aandacht voor herstel van het Maasheggenlandschap, dat beschermd is als Unesco Biosfeergebied. Mede op basis van onderzoek door de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap wordt voorgesteld om aaneengesloten heggenlandschappen te realiseren bij Afferden en rond Bergen en Aijen, met passende beheervergoedingen. 3. Maak een aantrekkelijk en samenhangend netwerk van recreatieve routes en poorten, tussen Maasdal en Maasduinen: Maasdalroute, Maasduinroute en dwarsverbindingen voor fietsers, steilrandroute en kleine dorpsommetjes voor wandelaars. 4.

Stimuleer de ontwikkeling van natuurinclusieve landbouw. Voorwaarden hiervoor zijn dat de boer gemotiveerd is en dat er een goed verdienmodel is. 5. Zorg voor vitale dorpen en maak hier parels in het landschap van, met passende toeristisch-recreatieve voorzieningen, fraaie dorpsranden, een goede toegankelijkheid en voldoende privacy voor de bewoners. De dorpen Bergen en Nieuw-Bergen staan voor de twee-eenheid van Maas en Duinen en zijn iconisch voor het hele gebied. Het versterken van contrasten én het leggen van verbindingen staat centraal in de gebiedsuitwerking. De verbindende weg (Kerkstraat) heeft nu 1 bomenrij, maar zou op termijn een statige laan kunnen worden. Bij de kruising van de ringdijk om Bergen en van de geplande dijk bij Nieuw-Bergen ontstaan logische dorpsentrees die een extra landschappelijk accent krijgen. De dijkzone bij Nieuw-Bergen wordt vormgegeven als een ‘dorpsbalkon’: een parkstrook met bomen en zitjes, die een fraai uitzicht biedt op het Maasdal. Op of onderlangs de dijk komt een wandelpad dat aansluit op het doorgaande Keltenpad. De taluds worden ecologisch beheerd. Verder van de dorpen af worden de kavels groter en is ruimte voor natuurinclusieve landbouw. Gestreefd wordt naar een samenhangend beheer van de lage en de hoge gronden.

Op onderstaande uitsnedes uit de landschapsvisie is aangegeven hoe het gebied, zijnde de directe omgeving van onderhavig plangebied aan de Lindenlaan, ingericht zal gaan worden:

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 2 4

Figuur 13: uitsnede uit landschapsvisie

Ook het Waterschap Limburg heeft een ruimtelijke analyse van de dijktrajecten opgesteld, welke duidelijk laat zien dat de waterkeringen niet samen met het landschap zijn ‘opgegroeid’, maar latere toevoegingen zijn en vaak een zeer wisselende en gefragmenteerde verschijningsvorm hebben. Vanuit de snelle en functionele aard van de aanleg als noodkade in de jaren ’90 is dit allemaal goed verklaarbaar, maar de keringen zijn daardoor vaak niet goed verankerd in het landschap. In het planproces van de alternatiefontwikkeling geven de landschapsarchitecten richting en inspiratie. Door het waterschap is een inrichtingsplan gemaakt voor de Lindenlaan en omgeving, zoals onderstaand is opgenomen.

Figuur 14: inrichtingsplanWaterschap voor omgeving Lindenlaan

Dit inrichtingsplan is de leidraad om, op het moment dat de invulling van het plangebied aan de orde is, de landschappelijke inpassing van het plangebied verder ter hand te nemen en daar waar mogelijk en wenselijk te laten aansluiten op bovenstaand inrichtingsplan, boven op de inrichtingsschets welke als bijlage bij de planstukken is gevoegd.

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 2 5

Hoofdstuk 4 Milieu-planologische aspecten 4.1

Geluidhinder

Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). Het plangebied is georiënteerd op de Lindenlaan, waar een maximumsnelheid van 30 km/uur is toegestaan, maar is ook in de directe omgeving van de N271 en de Siebengewaldseweg (met een geluidszone van 200 m) gelegen. Het plangebied ligt binnen die geluidszone. In het kader van de Wgh is op 29 juli 2020 door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van de Wet geluidhinder.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat: "vanwege wegverkeerslawaai van de Rijksweg en de Siebengewaldseweg de gevelbelasting plaatselijk hoger zal zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Het treffen van maatregelen om de gevelbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde stuit op bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige en civiele aard. Bij de gemeente Bergen (L.) dient een verzoek voor het vaststellen van een hogere toelaatbare waarde te worden ingediend. Gezien de bepaalde optredende gevelbelastingen dient ermee rekening te worden gehouden dat plaatselijk zwaardere eisen worden gesteld aan de karakteristieke geluidwering van de gevel(s). In een aanvullend onderzoek dienen de te treffen gevelmaatregelen te worden bepaald. In bijlage IIb is een overzicht opgenomen van de te hanteren gevelbelasting en de vereiste geluidwering. " Dit akoestisch onderzoek is als bijlage aan de planstukken toegevoegd. Hoewel dit onderzoek is gebaseerd op een eerdere schets (vlekkenplan) van het zorgcentrum, is dit onderzoek nog steeds actueel, omdat in de laatste schets de gevels op gelijke afstand van de geluidsbronnen voorzien zijn, danwel verder van de geluidsbronnen af zijn gesitueerd.

Het aanvullend onderzoek ter bepaling van de gevelmaatregelen zal uitgevoerd worden op het moment dat nog meer duidelijkheid is met betrekking tot de uiterlijke verschijningsvorm van het zorgcentrum. Spoorweglawaai In de nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn gesitueerd. De spoorlijn, Venlo-Nijmegen bevindt zich op een afstand van ruim 3,5 km ten westen van het plangebied.

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 2 6

Het aspect 'geluid' vormt, na afronding van het onderzoek naar de te treffen gevelmaatregelen, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.2

Bodem- en grondwaterkwaliteit

In het kader van het onderhavige plan wordt binnen het plangebied een nieuwe bodemgevoelige functie toegelaten. Voordat door middel van een bestemmingsplan de nieuwe functie mogelijk wordt gemaakt zal er inzicht moeten zijn of de bodem- en grondwaterkwaliteit een dergelijke bebouwing en gebruik ook mogelijk maken. Op 12 maart 2020 heeft Econsultancy aan de hand van het veldwerk het bodemrapport opgesteld. Hierin is het volgende geconstateerd: "Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie ‘’verdacht’’ (VED-HE). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is. De bodem bestaat voornamelijk uit matig tot sterk siltig, matig fijn tot zeer grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak tot matig gleyhoudend. Over de gehele locatie zijn in de bovengrond bijmengingen met puin en incidenteel andere sloopresten aangetroffen.

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Deellocatie A: gehele onderzoekslocatie De bovengrond is licht verontreinigd met zink, lood, PAK en PCB. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met PCB. In het grondwater zijn geen verontreinigingen geconstateerd. De lichte verontreinigingen zijn hoogstwaarschijnlijk te relateren aan de puinbijmengingen. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek.

Verkennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707 Deellocatie A: gehele onderzoekslocatie Op het maaiveld (ter hoogte van deellocatie B) en in boring A09 zijn twee asbesthoudende stukjes golfplaat aangetroffen. Het stukje asbesthoudende golfplaat dat gevonden is ter hoogte van deellocatie B, is hoogstwaarschijnlijk afkomstig van de asbesthoudende dakbedekking van deellocatie B. Het totaal gewogen asbestgehalte in mengmonster ASB-MMA1 (gat A09) is 65,6 mg/kg d.s. In de overige mengmonsters is analytisch in de fractie < 20 mm geen asbest aangetoond. Econsultancy adviseert, op basis van de onderzoeksresultaten, om ter plaatse van de puinverharding ten zuiden van de bebouwing (± 500 m2), een nader onderzoek asbest in bodem/puin uit te voeren.

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 2 7

Deellocatie B: asbest inspoelzone Analytisch is in mengmonster ASB-MMB1 in de fractie < 20 mm een asbestpercentage aangetroffen van 33 mg/kg d.s. Tevens is ter hoogte van deze deellocatie aan asbesthoudend stukje golfplaat aangetroffen. Hoogstwaarschijnlijk is dit plaatje afkomstig van de asbesthoudende dakbedekking van deze deellocatie. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem ter plaatse van deellocatie B. Econsultancy adviseert, indien er in de toekomst tijdens de werkzaamheden asbestverdacht plaatmateriaal wordt aangetroffen, deze, conform de geldende wet- en regelgeving, te laten verwijderen doormiddel van handpicking. Het asbestverdacht plaatmateriaal dient afgevoerd en verwerkt te worden door een erkend verwerker.

Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 29 november 2019) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing."

Het nader onderzoek naar asbest is door Econsultancy uitgevoerd op 22 juli 2020. De conclusie van de rapportage luidt als volgt: "Uit de huidige informatie blijkt dat er sprake is van voormalige en/of huidige bodembelasting op de locatie, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is. Dit in verband met de aanwezigheid van asbestverdachte plaatmaterialen in de puinverharding. De onderzoekslocatie wordt op basis van de zintuiglijke waarnemingen gedaan tijdens voorgaand onderzoek vooralsnog aangemerkt als 1 ruimtelijke eenheid (RE). De ruimtelijke eenheid heeft een oppervlakte van < 1.000 m². De verharding bestaat voor de bovenste 5 cm uit grind. Hieronder is een laag sterk zandig, volledig puin aanwezig. De ondergrond bestaat uit matig siltig, matig fijn zand. Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Ter plaatse van sleuven 02 en 04 is zintuiglijk in de fractie > 20 mm asbestplaatmateriaal aangetroffen. Analytisch is enkel in de fractie < 20 mm ter plaatse van de zintuiglijk niet asbesthoudende bovengrond een asbestgehalte van 2,6 mg/kg d.s. aangetoond. In de overige mengmonsters is in de fractie < 20 mm geen asbest aangetoond. Het hoogst totaal berekende asbestgehalte afkomstig van sleuf 04 (traject 0,05-0,35 m -mv) betreft een berekend asbestgehalte van 4,4 mg/kg d.s.

Het maximale berekende asbestgehalte ter plaatse van sleuven 01 t/m 05 bevindt zich beneden de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.) Aangezien de interventiewaarde niet wordt overschreden is er geen sprake van een bodem en puin verontreiniging met asbest. De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het toekomstige

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 2 8

gebruik en vormen naar mening van Econsultancy geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit Bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing."

Beide rapportages zijn als bijlage bij de planstukken gevoegd. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Kleine en grote projecten

De regels inzake luchtkwaliteit kennen het onderscheid tussen 'kleine' en grote' projecten. Kleine projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in het Besluit “Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten - die jaarlijks meer dan 3 procent van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 bijdragen- een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.

4.3.2

Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)

Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)). Het gaat hierbij om de volgende categorieën: a. inrichtingen b. infrastructuur c. kantoorlocaties d. woningbouwlocaties Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM). Het onderhavige project valt met de functiewijziging van bouwbedrijf naar een woonzorgentrum niet onder de Regeling NIBM. Via de NIBM-rekentool is een worst-case berekening gemaakt waaruit blijkt dat bij een dagelijkse aantal verkeersbewegingen van 129 voertuigen (gebaseerd op de verkeersgeneratie | bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 2 9

zoals benaderd in paragraaf 2.2.2 en waarvan verondersteld wordt dat maximaal 10% vrachtwagenbewegingen zijn) nog altijd sprake is van 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Figuur 15: NIBM-tool

De burgerwoning en het woonzorgcentrum zijn echter ook objecten die moeten voldoen aan het blootstellingscriterium. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het RIVM is de actuele concentratie PM10 in Bergen tussen 10 en 15 µg/m3, evenals de concentratie NO2. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m3. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m3. De daggemiddelde norm van 50 µg/m³ voor PM10 mag maximaal 35 dagen per jaar overschreden worden en is voor PM10 belangrijker dan de jaargemiddelde norm van 40 µg/m3. De daggemiddelde norm komt overeen met ongeveer 32 µg/m3 jaargemiddeld (Bron: www.rivm.nl). Met een actuele waarde (d.d. 19 januari 2021) onder de 5 µg/m³ wordt bij nieuwe gevoelige ontwikkelingen, ook voor deze daggemiddelde norm voor PM10, ruimschoots aan deze lagere norm voldaan. Dit wordt bevestigd door de resultaten uit de NSL-monitoringstool (Bron: www.nsl-monitoring.nl) waarbij ter hoogte van de toetspunten langs de N271 ter hoogte van het plangebied voor 2020 wat betreft het aantal overschrijdingsdagen voor PM10 ook sprake is van minder dan 35 overschrijdingsdagen; het aantal overschrijdingsdagen bedraagt ruim 6.

Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit in Bergen goed te noemen. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

| bestemmingsplan Lindenlaan 4-4a | status: vastgesteld |

Pagina | 3 0

4.4

Natuur

4.4.1

Gebiedsbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wn) in werking getreden. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied te zien ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Het lichtgroene vlak betreft het Natura 2000-gebied de Maasduinen (op een afstand van circa 875 m van het plangebied).

Figuur 16: Ligging ten opzichte van Natura 2000 gebieden

Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de aanvoer van materialen en personen en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie ten behoeve van de realisatie van het plan. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. Ter plaatse van het huidige bouwbedrijf zal een vermindering van de milieudruk plaatsvinden, waardoor de planwijziging feitelijk uitsluitend positieve effecten heeft op het milieu en dus op Natura 2000-gebieden. Doordat voor de huidige activiteiten echter geen vergunning op basis van de Wn is verleend, zal uitgegaan moeten worden van een 0-situatie, als ware er nu geen enkele activiteit. De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase met peiljaar 2020 is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator (zie bijlagen).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10287971/1