CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Nota Omgevingskwaliteit Bergen.pdf

Algemene Raadscommissie 17 mei 2023, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 5: Voorstel betreft de nota beantwoording zienswijze en de nota Omgevingskwaliteit vast te stellen ter vervanging van de welstandsnota18.707 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Planmatige uitbreiding Tuindorp Oostbuurt (19161917).

53

1940-1975: seriematige uitbreidingen (functionalisme) De bouwopgave was na de oorlog enorm en er werd dan ook voor het eerst grootschalig buiten de strandwal en aan de oostzijde van de binnenduinrand gebouwd. De plan- en seriematigheid is groot door herhaling van vergelijkbare woonblokken met identieke woningen in een rij. Er is geprobeerd om vast te houden aan de kleinschalige manier van bouwen. De traditionalistische bouwstijl is gehandhaafd en er is niet of nauwelijks overgegaan tot de bouw van grote portiek- of galerijflats. De wijken worden gekenmerkt door een sterk rechtlijnige opzet met vrijstaande woonhuizen en bouwblokken van vier tot acht woningen. De openbare ruimte is ruim opgezet met een functionele en groene inrichting door de aanwezigheid van grasbermen, voortuinen, laanbeplanting en vele waterpartijen. De architectuur bestaat uit grondgebonden doorzonwoningen van twee bouwlagen en zadelkap in een dezelfde stijl vormgegeven. De vrijstaande woningen hebben een individuele uitstraling binnen de stijlkenmerken van deze periode. Voorbeelden van dit tijdsbeeld zijn te vinden in Schoorl Oost (’t Geestje), de Negen Nessen en Bergen Oost (De Rekere, Saenegheest), Bergen Zuid (Kruidenbuurt), Egmond aan den Hoef (Plan Slot) en Egmond aan Zee Zuid.

Herhaling van woonblokken met rijwoningen uit 1957 in Bergen (Kerkedijk).

54

1975-1990: bloemkoolwijken (structuralisme) Waar de planmatig opgezette woonwijken uit de jaren ’50 en ’60 vooral gekenmerkt worden door een rechtlijnige opzet. Wordt vanaf 1975 de opzet minder strak. De typerende bloemkoolstructuur doet zijn intrede met besloten wijken en aandacht voor een menselijke schaal waarin bewoners zich thuis voelen. Kleinschalige en grillige structuren en aandacht voor ontmoetingsplekken waren uitgangspunten. De woningen zijn overwegend geclusterd in kleinere ruimtelijke eenheden met hofjes, pleintjes en woonerven. Er is regelmatig sprake van een directe aansluiting tussen tuinen met schuttingen en de openbare weg, mede doordat veel achterzijden georiënteerd zijn op openbare weg. Per eenheid is er een duidelijke samenhang in architectuur, stratenpatroon en inrichting van de openbare ruimte. Herkenbare voorbeelden van deze periode zijn delen in Bergen Zuid (Conincx), De Schokker e.o. in Egmond aan Zee en Groetinke in Groet.

Een deel van de woonwijk Groetinke (Wielewaal e.o.) heeft duidelijke kenmerken van een bloemkolenwijk.

55

Thematische uitbreiding J.A. Rädeckerweg in Schoorl.

1990 - 2015: thematische uitbreidingen (gemengde stijlvormen) De afgelopen decennia zijn woonwijken gebouwd met meer variatie in architectuurvormen, woontypologieën en stedenbouwkundige vormen (gebogen vormen, ellipsvormen en cirkels). Er is veelal sprake van een integraal ontwerp waarbij de landschappelijke ondergrond, de stedenbouwkundige uitleg en de architectonische invulling op elkaar aansluiten en elkaar versterken. De bebouwing kenmerkt zich door een zorgvuldig afgewogen variatie met samenhang op buurtniveau of stedenbouwkundige eenheid. De woningen bestaan over het algemeen uit twee of drie lagen met kap of plat dak. Voorbeelden van uitbreidingen uit deze periode zijn Plan Mosselaan in Egmond aan den Hoef, J.A. Rädeckerweg in Schoorl en de buurt Beekhove in Bergen Zuid.

56

Ontwikkeling van Landgoed Merici met als uitgangspunt het respecteren en ondersteunen van de landschappelijke kwaliteiten en sfeer van het kloosterlandgoed.

2015-heden: back-to-basic (duurzaam, kleinschalig) De kredietcrisis van 2007-2011 heeft ook in de stedelijke ontwikkeling zijn sporen achter gelaten. Grote woningbouwprojecten namen af en tegelijkertijd is de bewustwording voor het klimaat en verduurzaming verder toegenomen. Het heeft geresulteerd in andere vormen van stedenbouw en architectuur. De schaal is kleiner en de diversiteit groter. Van minder planmatig en herhaling van hetzelfde naar kleinschalige ontwikkelingen met meer individuele invulling van woonwensen. Bij de dorpen zijn de laatste jaren (vanaf 2015 tot 2020) geen grote uitbreidingen geweest. Er hebben kleine ontwikkelingen plaatsgevonden in het buitengebied (‘Ruimte voor Ruimte regeling’) en in de dorpen, zoals aan de Koninginnestraat. Op enkele plekken heeft herstructurering plaatsgevonden met nieuwbouw. Een voorbeeld is de herontwikkeling van het voormalige kloosterterrein aan de zuidrand van Bergen. Dit terrein is getransformeerd tot een woongebied ‘Landgoed Merici’, waarbij het karakter van het landgoed en de parkachtige setting is behouden. In Egmond aan de Hoef is een substantiële woningbouwontwikkeling voorzien: het Delversduin. Dat is ook het geval in Bergen-Oost, in de Oudburgerpolder.

57

Gebiedskwaliteiten woongebieden - Identiteit en uitstraling zijn herkenbaar aan de bouwperiode waarin ze gerealiseerd zijn. De stedenbouwkundige opzet, inrichting openbare ruimte en architectuur zijn bepalend voor de samenhang. - De structuur en verkaveling zijn veelal gerelateerd aan de oorspronkelijke landschappelijke structuur van strandwal, binnenduinrand en linten. - De woonwijken kenmerken zich door de ruime opzet, groen karakter en kleinschaligheid van bebouwing. - De architectuur wordt, net als de stedenbouwkundige opzet, gekenmerkt door een zekere mate van verfijning en openheid naar de openbare ruimte. - Grootschalige voorzieningen (scholen, verzorgingshuizen e.d.) zijn onderdeel van de structuur van de wijk, maar hebben vaak een eigen uitstraling in omvang of architectuur. Ambities woongebieden - Behouden van de samenhang op wijk-, buurt- of bouwblokniveau. Voorkomen van verrommeling straatbeeld door ‘on-eigen’ individuele ruimtelijke inpassingen van ingrepen in openbare ruimte, bouwplannen, reclametoepassingen, nieuwe functies, e.d. - Respecteren van aanwezige bebouwingsbeeld, verkavelingsstructuur, korrelgrootte en schaal. - Op stedenbouwkundig geëigende plekken (langs hoofdstructuren, hoeken etc.) kunnen verbijzonderingen in functie, vorm en omvang de stedenbouwkundige structuur versterken. - Aandacht voor (groene) overgang van de dorpsranden naar het landschap.

- Het woongebied Park Meerwijk is aangewezen tot beschermd dorpsgezicht. De meeste panden zijn aangewezen als beschermd rijksmonument. De bescherming van de ruime stedenbouwkundige opzet, de groenstructuur en de architectonische vormgeving van de woningen (kapvormen, massa, materiaalgebruik, situering) van de afzonderlijke gebouwen, vormen bij alle ingrepen het uitgangspunt. Verdichting van het gebruik zou afbreuk doen aan de stedenbouwkundige opzet van het gebied. Hetzelfde geldt voor de splitsing van woningen in meerdere wooneenheden. Dat geldt ook voor Tuindorp Oostbuurt. Dit buurtje is wel voorgedragen als rijksbeschermd dorpsgezicht, maar niet definitief aangewezen.

58

3.2.4. Bedrijventerreinen In de gemeente zijn geen grote bedrijventerreinen. De bedrijventerreinen in Egmond aan den Hoef (Mosselaan e.o.), Egmond aan Zee (Pieter Schoutsmanstraat met de brandweerkazerne) en Schoorl (Damweg) zijn kleinschalig en veelal voor lokale bedrijven die oorspronkelijk in de kern waren gevestigd. De stedenbouwkundige structuur is in beide gevallen ontleend aan de bestaande structuur en logisch aansluitend op de bestaande infrastructuur aan de randen van de dorpen. De terreinen hebben een sterk op de functie gerichte uitstraling. Dit betekent dat er in de inrichting en indeling veel aandacht is besteed aan het functioneel gebruik van de ruimte. De bebouwing heeft over het algemeen een utilitair karakter. De bebouwing is evenwijdig aan de weg en bestaat uit één hoge bouwlaag of twee bouwlagen. Er is over het algemeen sprake van een horizontale gevelopbouw. Hoekpanden hebben soms een hoogte of architectonisch accent. Daken zijn plat of met een flauwe helling vormgegeven. Op sommige terreinen is sprake van samenhang, maar bij meerdere terreinen is sprake van een verscheidenheid in inrichting en architectuur. Materiaal- en kleurgebruik is over het algemeen sober en functioneel, soms verouderd. Gebiedskwaliteiten bedrijventerreinen - De terreinen hebben een functioneel karakter en daarbij passende uitstraling.

- Schaal en inpassing zijn redelijk in harmonie met het dorpse karakter van de kernen. Ambities bedrijventerreinen - Behouden of verbeteren van de basiskwaliteit om verrommeling te voorkomen. - Benutten van zichtlocaties voor representatieve bebouwing. - Zachte ‘groene’ overgangen naar het buitengebied. - Voorkomen van verrommeling door bijvoorbeeld opslag, uitstallingen en reclame-uitingen. - Grote bedrijfspanden zijn bij uitstek geschikt voor zonnepanelen.

59

3.2.5. Sport- en recreatieterreinen Er zijn geen grote sportcomplexen en -terreinen. De sportvoorzieningen liggen verspreid en zijn over het algemeen kleinschalig, zoals tennisbanen, maneges etc. Grotere sportcomplexen zijn ' Duinrand S’ (Schoorl), ‘De Kiefthoek’ (Bergen) en de herbouwde multifunctionele accommodatie De Beeck met meerdere sportvoorzieningen. Drie Egmonder voetbalverenigingen zijn gefuseerd en zullen een onderkomen vinden in Egmond aan den Hoef. Over het algemeen is de bebouwing gericht op de functie en beperkt tot binnensportgebouwen, kleedkamers, clubgebouwen, tribunes en opslagruimtes of combinaties daarvan. Ze zijn veelal als vrijstaande objecten in de ruimte geplaatst. Zij zijn daardoor van meerdere kanten zichtbaar. De bebouwing bestaat over het algemeen uit één laag met een plat dak of een laag zadeldak. Sportcomplex De Beeck is een uitzondering met een grotere bouwmassa en omvat meerdere voorzieningen, zoals een zwembad, multifunctionele sportzalen etc. In de gemeente zijn meerdere kleine en grotere recreatieterreinen aanwezig, veelal gelegen in de binnenduinrandzone. Deze campings of parken met zijn veelal gelegen in een groene landschappelijke omgeving. De inrichting is gericht op de recreatiefunctie. De vakantieparken kennen grote samenhang door identieke vakantiehuisjes.

Soms zijn wat grotere voorzieningen aanwezig, zoals horeca, een parkeerterrein, een speeltuin of een zwemvijver. Voorbeelden zijn recreatiepark De Woudhoeve, bungalowpark Duyncroft, résidence Koningshof en Landal Berger Duin. Gebiedskwaliteiten sport- en recreatieterreinen - Groene omlijsting en landschappelijke inpassing. Ambities sport- en recreatieterreinen - Duidelijke relatie met de landschappelijke omgeving behouden en waar nodig versterken. - Vrijstaande gebouwen vragen om een alzijdige vormgeving met hoge beeldkwaliteit. - Door nieuwe gebouwen mogen de terreinen niet dichtslibben. - Grote sportgebouwen en voorzieningen zijn bij uitstek geschikt voor zonnepanelen.

60

3.2.6. Buitengebieden Het Landschapsontwikkelingsplan Bergen van september 2011 omvat een uitgebreide analyse en visie op het buitengebied van Bergen.

Het buitengebied in de regio Kennemerland bestaat uit een noord-zuid georiënteerd landschap met een continu karakter door de parallelle ligging van de kustlijn, de duinen en de verschillende strandwallen. Het landschap zit vol grote contrasten, bijvoorbeeld tussen de jonge duinen (begroeide duinzoom), de strandwallen (gesloten) en de strandvlakten (open) in de oost-west richting, maar ook tussen de droogmakerijen (rationele verkaveling) en de strandvlakten (onregelmatige verkaveling). De identiteit van de gemeente Bergen wordt voor een belangrijk deel bepaald door het landschap. Het hele buitengebied functioneert als een tegenhanger van het bewoonde gebied met kwaliteiten als rust en ruimte. Strand Het strand is voor de gemeente een belangrijke recreatieve trekpleister. Kenmerkend is de weidsheid van het strand en de ervaring van het water. De sfeer wordt daarnaast bepaald door de inrichting en bebouwing langs de strandopgangen en natuurlijk ook op het strand zelf. Zij bepalen in belangrijke mate het typische strandgevoel. Er is weinig bebouwing aanwezig in het gebied. Het gaat met name om bebouwing met een recreatieve functie of bebouwing ten dienste van de recreatie. Veel van deze bouwwerken hebben een seizoensgebonden karakter.

Het gaat dan bijvoorbeeld om seizoensgebonden en jaarrond-strandpaviljoens, gebouwen van verschillende verenigingen, gebouwen van de reddingsbrigade, strandcabines en strandhuisjes. De Hondsbossche Zeewering vormt een gebied met bijzondere betekenis. Het is een civieltechnisch monument, waarvan de waarde wordt bepaald door de soberheid van het dijklichaam en de cultuurhistorie van het gebied. De opgespoten Hondsbossche Duinen hebben de primaire functie van zeewering inmiddels overgenomen. Jonge duinen De Jonge duinen zijn reliëfrijk, deels open en deels bebost en vormen een relatief gesloten landschap waar weinig bebouwing is. Met uitzondering van de woonbebouwing aan de randen van de badplaatsen (woongebieden) is in het gebied zelf nagenoeg geen bebouwing aanwezig. Het gebied bestaat voor een groot deel uit aaneengesloten natuurgebieden (Natura 2000 gebied). Het uitzicht op het silhouet van de duinenrij en de beboste binnenduinrand geeft de aanliggende gebieden, de strandwallen en -vlakten, een extra dimensie.

61

62

Kustlijn met open karakter en uitzicht over zee.

Het gebruik van de duinen is beperkt. Naast de functies zeewering en natuur, die het gebied van oorsprong heeft, krijgt het gebied steeds nadrukkelijker een recreatieve functie met fiets- en wandelroutes. Ten noorden van Egmond aan Zee is het van oudsher gebruik van de vochtige duinvalleien voor de aardappelteelt (duinlandjes) nog zichtbaar. De eerste duinlandjes stammen uit de late achttiende eeuw. De duinen met de bijzondere duinlandjes rondom Egmond aan Zee waaromheen als gevolg van intensieve menselijke invloed een bijzondere flora is ontstaan, werden aangeduid met de term ‘zeedorpenlandschap’. De duinkavels die de vorm van de duinpan volgen worden tegenwoordig als volkstuin gebruikt en zijn voorzien van zomerhuisjes. Bij Bergen vormt het landgoed Het Oude Hof (1660) en het aansluitende Bergerbos een bijzonder cultuurhistorisch waardevol gebied aan de duinrand. Het landgoed en bijbehorende bebouwing zijn aangewezen als beschermd landgoed en rijksmonument. Strandwallen en -vlakten Naast het duinlandschap bestaat het buitengebied voornamelijk uit strandvlakten en -wallen. De strandwallen zijn veel lager dan de jonge duinen en liggen nu aan de voet daarvan. Ze hellen flauw af richting de open strandvlakten. Op deze oude strandwallen is de eerste bewoning ontstaan (ontginning binnenduinrand).

De binnenduinrand is gelegen op de oude strandwallen en bestaat uit een smalle strook die de overgang vormt tussen de westelijke jonge duinen en de oostelijke open polders van de strandvlaktes. De Herenweg vormt een belangrijke ruimtelijke drager. Deze weg loopt veelal langs de bosrand van de duinvoet en groeide uit tot een belangrijke doorgaande regionale structuur met bebouwing, erven, landgoederen, stolpen en andere cultuurhistorische objecten. Kenmerkend voor de weg zijn de wisselende perspectieven vanuit de bosrand naar de polder, doorzichten in het bos en doorzichten naar de open (bollen)velden. Vanaf de weg is weids zicht op de polders en bollenvelden en vanuit de strandvlakten/polders is er zicht op de duinzoom met de Herenweg op de voorgrond. De binnenduinrand herbergt een groot aantal functies en daarmee samenhangende bebouwing, zoals wonen, verblijfsrecreatie, recreatieve voorzieningen en in het zuidelijk deel ook agrarische functies, met een belangrijke plek voor de bollenteelt. Er worden steeds meer paarden gehouden. Dit gaat gepaard met voorzieningen, zoals hekwerken, tredmolens, paardenbakken en schuren, e.d.

63

De lintbebouwing aan de Herenweg en andere linten op de strandwallen zorgen samen met opgaande begroeiing voor verdichting (besloten ruimte) waardoor het contrast tussen strandwallen en strandvlakten wordt vergroot. Beplanting vormt een wezenlijk onderdeel van de binnenduinrand en dus ook van de dorpsranden, boerenerven en recreatieterreinen. De laaggelegen strandvlakten kenmerken zich door het open karakter. Het open weidelandschap geldt als een van de mooiste polderlandschappen van Noord-Holland, waar op de achtergrond de duinen de horizon vormen. De gebieden zijn grotendeels ontstaan onder invloed van het Oer-IJ en de Rekere of ingepolderd ter bescherming van het Oer-IJ (Sammerpolder). De strandvlakten hebben een grote cultuurhistorische betekenis door de kronkelende duinrellen, de kaden en dijken, de onregelmatige en kleinschalige blok- en verkaveling. Het oorspronkelijke laatmiddeleeuwse verkavelingspatroon van de strandvlakten is nog vrijwel geheel intact. De strandvlakte is altijd weinig bebouwd waardoor openheid een belangrijk kenmerk is. De aanwezige bebouwing is voornamelijk gerelateerd aan de agrarische functie van het gebied, met meerdere traditionele (stolp)boerderijen. Naast stolpen zijn er ook boerderijen waarbij het woonhuis aan de weg is gelegen met daarachter de stal en het hooihuis.

Bij de (stolp)boerderijen treffen we ook grootschalige schuren en bollenschuren aan, bestaand uit groene damwanden en grijze daken. Droogmakerijen De Bergermeer en Egmondermeer behoorden tot de eerste droogmakerijen van Nederland (1565). Aan het verkavelingspatroon kunnen we zien dat de Berger- en Egmondermeer ooit een plassengebied is geweest. De onregelmatige verkaveling wijst op de hogere en drogere delen en in de lagere delen treffen we een meer regelmatige blok- en slagenverkaveling aan. Rond het voormalige vliegveld is de geschiedenis verloren gegaan, omdat dit deel opnieuw is verkaveld. Het landschap van de droogmakerijen wordt gekenmerkt door relatieve openheid. Deze openheid wordt binnen dit landschap opgedeeld door de aanwezigheid van bebouwing langs de wegen en diverse functies die omzoomd zijn door een forse beplantingsingel, waaronder het voormalige landhuis Karperton / zwembad Pesie. Daarnaast vallen de bunkercomplexen uit WO II en de verschillende molens langs de Bergerringvaart in het gebied op. Het merendeel wordt gebruikt als weidegrond, maar ook de bollenteelt en natuur hebben een aandeel in het open landschap.

64

Traditionele stolpboerderij veelal op een kleinschalig boerenerf met rijke beplanting aan meerdere zijden op het erf.

Binnenduinrandzone vormt overgang van de jonge duinen naar het polderlandschap.

Open landschap met bollenvelden en het duingebied aan de horizon.

65

Gebiedskwaliteiten buitengebieden - Algemeen o Aanwezigheid van relatief grote contrasten (hoogteligging, verkaveling, reliëf en beslotenheid) tussen verschillende landschapstypen. o De doorgaande historische Herenweg vormt een belangrijke ruimtelijke drager. o Markante gebouwen (molens en stolpen), als herkenbare landmarks in het open landschap. o Zichtlijnen zijn belangrijk voor de leesbaarheid van het landschap. -

Strand o Eenvoudige structuur: duinen, strand, zee. o Ruimte (openheid) en uitzicht.

-

Jonge duinen o Natuurlijk duinlandschap, reliëfrijk en bebost (gesloten landschap). o Het silhouet van de duinen. o Rust en relatieve ontoegankelijkheid. o Landgoed ’t Oude Hof en Bergerbos.

-

Strandwallen en vlakten o Noord-zuid richting van doorgaande wegen op de strandwallen. o De onregelmatige verkavelingspatronen van de strandvlakten. o Openheid met vergezichten over de strandvlakten.

-

Droogmakerijen o Beleving van begrensde openheid (door dijken en ringsloten), met “groene eilanden”. o Kenmerkende en cultuurhistorische elementen (bijv. duinrellen, onen regelmatige blokverkaveling reagerend op de ondergrond blokverkaveling, ringvaart en dijken, molens en afwateringsysteem).

66

Cultuurhistorisch waardevolle landgoed Het Oude Hof (Sparrenlaan).

67

Ambities buitengebieden - Ruimtelijke ontwikkelingen dragen bij aan: o het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek van de verschillende landschapstypen; o het versterken van (de beleving van) openheid van de strandvlakten. - Behouden van het contrast tussen de open strandvlakten en het meer besloten karakter van de strandwal. Behouden van zichtlijnen op het duingebied. - Behouden en versterken van het duinlandschap met grote natuur- en recreatieve waarden. - Behouden variëteit en versterken samenhang van de binnenduinrand. - De herkenbaarheid en doorlopend karakter van de Herenweg als ruimtelijke drager versterken. - Behouden open strandvlakten en droogmakerijen met hoge en gave cultuurhistorische waarden en het agrarisch gebruik als belangrijkste identiteitsdrager. - Zorgvuldige inpassing van agrarische bedrijven in het omliggende landschap. - Behouden en waar nodig ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit van de agrarische erven, de verblijfsrecreatieterreinen, minicampings en de diverse voorzieningen voor het houden van paarden. - Respecteren cultuurhistorische betekenis van stolpenboerderijen en erven en beschermen bebouwing en karakter landgoed Het Oude Hof.

68

Het buitengebied is als onderdeel van Noord-Kennemerland aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) gekoppeld aan de Omgevingsverordening NH2020 van de provincie. Voor deze gebieden is een regime voor bescherming en waar mogelijk versterking en ontwikkeling van het landschap van toepassing.

4. BASISPRINCIPES Het streven naar een goede omgevingskwaliteit hangt samen met een aantal basisprincipes. Door toepassing van deze principes worden bestaande gebiedskwaliteiten gerespecteerd en is er ruimte voor toevoegen van nieuwe kwaliteiten. Wij houden bij de beoordeling van elke ingreep in de fysieke leefomgeving proportioneel rekening met deze principes en we verwachten dat u dat ook doet.

4.1. Inpassing op basis van aanwezige gebiedskwaliteiten Inpassing heeft betrekking op de ontwerpkwaliteit (schaal, vormgeving etc.), maar ook op het gebruik en de gebruikers. Samen bepalen ze de acceptatie van nieuwe invullingen. Hoe groter de impact op de omgeving, hoe belangrijker een zorgvuldige afweging en motivering nodig is. •

Uitgangspunt is dat ingrepen passen in de omgeving en anticiperen op de aanwezige gebiedskwaliteiten. Dat betekent niet dat afwijken van de omgeving of toevoegen van nieuwe kwaliteiten niet mogelijk zijn. Daarbij geldt wel de volgende stelregel: het is redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de kwaliteit en de participatie naarmate een ingreep zich sterker van zijn omgeving onderscheidt.

4.2. Samenhangende benadering Samenhangende benadering gaat over de afweging van verschillende belangen (ruimtelijk, economisch, sociaal, cultureel en ecologisch). De benodigde samenhang wordt bepaald door de plek, de opgave en de betrokken partijen. Een brede scope vooraf werkt bevorderlijk, dus met alle gebiedskennis en belangen aan de voorkant in beeld. •

Uitgangspunt is dat omgevingskwaliteit bij ontwikkelingen in samenhang wordt meegenomen in het ontwerpproces en als zodanig wordt beoordeeld. Dat vraagt kennis van een gebied, maatschappelijke betrokkenheid, maar ook goed opdrachtgeverschap en ontwerpend onderzoek.

4.3. Dynamiek van kwaliteit Er is niks vreemds aan veranderende steden en landschappen en daarmee de kenmerken en waarden die we daar aan toekennen. Sommige veranderingen hebben een lange geleidelijke geschiedenis en andere ingrepen zijn vluchtiger en veranderen binnen enkele decennia.

69

Deze veranderingen in kwaliteit en tijd zijn terug te brengen tot enkele lagen met elk een eigen dynamiek: de ontwikkel- of hersteltijd van de betreffende functies in een laag. De toenemende ruimtevraag door de grote transities (mobiliteit, energietransitie, woningbouw, waterveiligheid, etc.) kan leiden tot versnippering en aantasting van eeuwenoude kwaliteiten. •

Uitgangspunt is dat de beoogde levensduur van ruimtelijke ingrepen en functies worden gekoppeld aan de juiste laag en dynamiek. Hoe langzamer de (beoogde) veranderingssnelheid, hoe zorgvuldiger je ermee omgaat. De lagenbenadering kan helpen in het keuze- en afwegingsproces.

Natuurlijke onderlaag; de levende (biotische) en niet levende (abiotische) factoren, de natuurlijke waterlopen en de geomorfologische verschillen in de bodem zijn bepalend voor de diversiteit in landschappen. Er is sprake van een lange ontstaansgeschiedenis. Belangrijke veranderingen duren soms eeuwen, maar de klimaatveranderingen en grootschalige korte termijn ingrepen kunnen snel schade toebrengen.

Ontginningslaag; gedurende een eeuwenlang proces heeft de mens de natuurlijke basis omgevormd tot het huidige cultuurlandschap. Veranderingen zijn geleidelijk en duren al gauw meer dan een eeuw, maar de landschapsgeschiedenis kenmerkt zich ook door grote planmatige ingrepen zoals de droogmakerijen. Nieuwe ingrepen kunnen deze ontginningslaag versterken of aanvullen.

Netwerklaag; infrastructuren zijn essentieel voor het verbinden van de kust, de dorpen en de bereikbaarheid in de regio. Het zijn functionele lijnen door het landschap en vormen daarmee ook ruimtelijke barrières. Veranderingen duren circa 20 tot 80 jaar, waarbij oude structuren de basis kunnen zijn voor nieuwe. Bijvoorbeeld oude paden die uitgegroeid zijn tot recreatieve wandel- of fietsroutes.

Occupatielaag; activiteiten zoals bedrijvigheid, wonen, recreëren en verblijven zijn onlosmakelijk verbonden met hiervoor genoemde lagen. Maar de benodigde voorzieningen zijn vaak van relatief korte duur, monumentale uitzonderingen daargelaten. Er is een hoge dynamiek; veranderingen voltrekken zich veelal binnen één of twee generaties (10 tot 60 jaar).

70

4.4. Betrokkenheid omgeving Omgevingskwaliteit heeft een ruimtelijke, culturele en sociale component. Deze componenten komen alleen naar voren door het voeren van dialoog en betrekken van de omgeving. Hierdoor komen verhalen bovendrijven en behoudt - of krijgt de plek zijn waardevolle betekenis. •

Uitgangspunt is dat eigenaren, initiatiefnemers en ontwerpers in ieder geval de directe omwonenden betrekken bij ontwikkelingen en planvorming. Deze betrokkenheid is proportioneel verbonden aan de schaal, de uitstraling en publieke betekenis van een ingreep.

4.5. Duurzaamheid als vanzelfsprekendheid Klimaatadaptie en energietransitie zijn noodzakelijke veranderingen die van grote invloed zijn op de fysieke leefomgeving. Elke ingreep zou in de basis bij moeten dragen aan deze transities en in ieder geval een geïntegreerd onderdeel moeten zijn in het ontwikkel- en ontwerpproces. Daarbij speelt ook zorgvuldig ruimtegebruik en vergroening van de bebouwde omgeving een belangrijke rol. Niet alleen om een betere verblijfskwaliteit te creëren, maar ook ten behoeve van de biodiversiteit en het beperken van hittestress en wateroverlast. •

Uitgangspunt is dat de thema’s klimaatadaptie en duurzaamheid als ontwerpuitdaging worden gezien, zowel stedenbouwkundig als landschappelijk, en zowel op gebiedsniveau als op gebouwniveau. Daarbij kan op verschillende niveaus nagedacht worden over duurzaamheid, waaronder toekomstbestendigheid, klimaatadaptie, energie- en klimaatbeheer, materiaalgebruik, afvalstromen, mobiliteit, vergroening, ecologie en natuur etc.

De basisprincipes kunnen ook gebruikt worden als uitgangspunten bij het opstellen van beeldkwaliteitplannen of vergelijkbare beoordelingskaders.

71

DEEL B UITERLIJK VAN BOUWWERKEN Dit deel is een uitwerking met criteria voor het uiterlijk van bouwwerken en vervangt de ‘Welstandsnota 2004’. Er is onderscheid gemaakt in kleine en grote bouwplannen. Daarnaast zijn criteria opgenomen voor specifieke bouwwerken.

SCHEMA beoordeling uiterlijk van bouwwerken ............................ 73 1. ALGEMEEN 1.1. Inleiding ......................................................................................... 74 1.2. Wet- en regelgeving ...................................................................... 74 1.3. Afwijken, handhaving en excessen................................................ 75 1.4. Monumenten en beschermde dorpsgezichten ............................. 78 2. KLEINE (VER)BOUWPLANNEN 2.1. Algemeen ....................................................................................... 79 2.2. Sneltoetscriteria ............................................................................ 82 2.2.1. Bijbehorende bouwwerken (erfbebouwing) ................. 82 2.2.2. Dakkapellen ................................................................... 84 2.2.3. Dakopbouwen................................................................ 85 2.2.4. Gevelwijzigingen ............................................................ 87 2.2.5. Erfafscheidingen en toegangspoorten........................... 88 2.2.6. Reclame ......................................................................... 89 3. SPECIFIEKE BOUWPLANNEN 3.1. Algemeen ...................................................................................... 92 3.2.

Stolpboerderijen ............................................................................ 92 4. GROTE BOUWPLANNEN 4.1. Algemeen ....................................................................................... 96 4.2. Gebiedsgericht beleid .................................................................... 96 4.3. Beoordelingscriteria ...................................................................... 97 5. (HER)ONTWIKKELINGEN 5.1. Algemeen ..................................................................................... 102 5.2. Procedure .................................................................................... 102 Terug naar vorige weergave Klik op een hoofdstuk of paragraaf om verder te lezen.

72

SCHEMA beoordeling Betreft uw bouwplan een vergunningvrije bouwactiviteit?

ja

Er vindt vooraf geen beoordeling plaats bij vergunningvrije bouwwerken. Wel kan er sprake zijn van een exces (zie paragraaf 1.3). Informatie over vergunningvrij bouwen kunt u onder meer verkrijgen bij de gemeente en de rijksoverheid.

nee Is er sprake van een monument of beschermd dorpsgezicht?

ja

(zie www.bergen-nh.nl voor overzicht)

Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de monumentale en/of karakteristieke kwaliteiten. Bouwplannen worden altijd voor advies voorgelegd aan de gemeentelijke adviescommissie.

nee Is er sprake van een klein bouwwerk?

ja

- Bijbehorende bouwwerk (erfbebouwing) - Dakkapel of -opbouw - Gevelwijziging - Erfafscheiding of toegangspoort - Reclame

Hoofdstuk 2 KLEINE (VER)BOUWPLANNEN Voor veel voorkomende kleine bouwwerken en verbouwingen zijn criteria opgenomen waarmee snel duidelijk wordt wanneer het plan in ieder geval aan redelijke eisen van welstand voldoet. Indien nodig kunnen in specifieke situaties ook de criteria voor specifieke gebouwen (H3) en gebieden (H4) worden gebruikt.

nee Is er sprake van een specifiek bouwplan?

ja

- (Ver)bouw van een stolpboerderij

Hoofdstuk 3 SPECIFIEKE BOUWPLANNEN Voor deze situaties zijn specifieke criteria van toepassing. Bouwplannen worden altijd voor advies voorgelegd aan de gemeentelijke adviescommissie.

nee Is er sprake van een groter bouwplan, niet zijnde een groter (her)ontwikkelingsproject? Bijvoorbeeld een woning, woonblok of bedrijfspand?

ja

Hoofdstuk 4 GROTE BOUWPLANNEN Een groter (ver)bouwplan wordt beoordeeld aan de hand van de criteria voor grote bouwplannen in relatie tot de kwaliteiten en ambities van het gebied. Bouwplannen worden altijd voor advies voorgelegd aan de gemeentelijke adviescommissie.

nee Is er sprake van een afwijkend bouwplan, een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en/of een ontwikkeling dat de bestaande ruimtelijke structuur en/of karakteristiek doorbreekt?

Terug naar het hoofdmenu.

ja

Hoofdstuk 5 (HER)ONTWIKKELINGEN Voor plannen die de bestaande structuur doorbreken of in hun architectuur afwijken van de omgeving kan worden afgeweken van de criteria of kan een aanvullend beoordelingskader nodig zijn.

Klik op een hoofdstuk om verder te lezen.

73

1. ALGEMEEN Het bebouwingsbeeld - en daarmee de architectonische verschijning van onze gemeente - is voortdurend aan het veranderen. Met deze beleidsregel zijn wij ervan overtuigd dat het inpassen van nieuwe bouwwerken goed kan worden besproken en beoordeeld. Deze ‘Beleidsregel voor het uiterlijk van bouwwerken’ vervangt de ‘Welstandsnota Bergen 2004’.

1.1. Inleiding Deze beleidsregel maakt onderdeel uit van de Nota Omgevingskwaliteit. Het doel van de Nota Omgevingskwaliteit is het behouden en stimuleren van een goede omgevingskwaliteit ten behoeve van de identiteit van een plek of gebied. Als uitwerking voor alle bouwactiviteiten zijn criteria opgenomen over het uiterlijk van de bebouwing, de architectonische verschijning. Wanneer een aanvraag voor een vergunning niet voldoet aan de gestelde criteria kan de vergunning geweigerd worden.

1.2. Wet- en regelgeving Wie in Nederland iets wil (ver)bouwen heeft in veel gevallen een omgevingsvergunning nodig. Bij een aanvraag voor een vergunning wordt onder andere bekeken of het plan voldoet aan ‘redelijke eisen van welstand’. De welstandsbeoordeling is volgens artikel 12a van de Woningwet (Ww) gericht op het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, en moet zijn gebaseerd op door de gemeenteraad vastgestelde criteria zoals opgenomen in een welstandsnota. Dit verandert nadat de Omgevingswet in werking treedt. Omgevingswet De Omgevingswet vervangt meerdere wetten zoals de Wet ruimtelijke ordening en deels de Woningwet. De term ‘welstand’ verdwijnt min of meer met de Omgevingswet, daarvoor in de plaats wordt de term ‘uiterlijk van bouwwerken’ geïntroduceerd. In artikel 4.19 van de Omgevingswet is bepaald dat de gemeenteraad als uitwerking van het omgevingsplan - beleidsregels vaststelt over het uiterlijk van bouwwerken. Als de Omgevingswet in werking treedt wordt de vastgestelde welstandsnota automatisch een beleidsregel voor het uiterlijk van bouwwerken (overgangsrecht, zie artikel 4.114 Invoeringswet). De gemeenteraad hoeft dan geen nieuwe nota vast te stellen. Om hierop vooruit te lopen is deze uitwerking alvast betiteld als ‘Beleidsregel voor het uiterlijk van bouwwerken’ in plaats van ‘Welstandsnota’.

74

1.3. Afwijken, handhaving en excessen De criteria kunnen ontoereikend zijn bij situaties die we nu niet voorzien. In deze gevallen kan er behoefte ontstaan om af te wijken van de criteria of van het advies van de commissie. Afwijken van criteria Er kan van een bijzondere situatie sprake zijn als de gestelde criteria ontoereikend zijn voor situaties die we nu niet kunnen voorzien. Bijvoorbeeld als er sprake is van een uitzonderlijke architectonische kwaliteit. Ook wanneer een ingreep voldoet aan de criteria, maar de kwaliteit zo onder de maat blijft dat het op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden, kan afgeweken worden. In deze gevallen kan het college van burgemeester en wethouders, na schriftelijk en gemotiveerd advies van de commissie, afwijken van de criteria. Afwijken van het advies Het college van burgemeester en wethouders volgt in zijn oordeel in principe het advies van de commissie. Het college kan afwijken van het advies op inhoudelijke gronden of om andere redenen, bijvoorbeeld van economisch of maatschappelijk belang. Indien het college afwijkt van het advies wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de vergunning gemotiveerd. De commissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Het college is uiterst terughoudend met het gebruik van deze mogelijkheid.

75

76

Het oude monumentale raadhuis van Schoorl, gebouwd in 1601.

Handhaving De gemeente geeft met deze beleidsregel een beoordelingskader voor het toezicht op het uiterlijk van bouwwerken en zal zich ook inspannen voor de naleving daarvan. Als voor een vergunningplichtig bouwwerk geen omgevingsvergunning is aangevraagd, danwel het bouwwerk na realisering afwijkt van de tekeningen waarop de omgevingsvergunning is afgegeven, krijgt de eigenaar de gelegenheid om (alsnog of opnieuw) een vergunning aan te vragen voor het bouwwerk. Ook als er sprake is van een exces kan de gemeente besluiten te handhaven en de eigenaar aan te schrijven.

Als de Omgevingswet in werking treedt, vervalt de wettelijke bepaling van artikel 12 van de Woningwet die regelt dat bestaande bouwwerken niet in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand mogen zijn. Deze bepaling wordt met de zogenaamde bruidsschat overgeheveld naar het tijdelijke omgevingsplan (artikel 22.7 van de bruidsschat voor het omgevingsplan). Om de excessenregeling te behouden, kan in het nieuwe omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het uiterlijk van bouwwerken worden opgenomen.

Excessen Onder de huidige Woningwet artikel 12, lid 1 mag een bestaand bouwwerk niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria zoals opgenomen in deze nota. In dat geval spreken we van een exces. Dat betekent dat het uiterlijk van een bouwwerk sterk afwijkt van en afbreuk doet aan de omgeving. Ook vergunningvrije bouwplannen die niet vooraf worden getoetst moeten passen in het beeld van de gemeente. Bij het toepassen van deze excessenregeling wordt het criterium gehanteerd dat bij een bouwwerk of deel daarvan sprake moet zijn van onmiskenbare strijdigheid met de in deze nota opgenomen criteria, en/of een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen duidelijk is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Zaken dus, waaraan een groot deel van de mensen zich ergert. Vaak heeft dit betrekking op: -

het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving; het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk; armoedig materiaalgebruik; toepassing van felle of contrasterende kleuren; te opdringerige reclames, of een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor ook de gebiedskwaliteiten in hoofdstuk 3 in Deel A van deze nota).

77

1.4. Monumenten en beschermde dorpsgezichten De gemeente heeft in 2009 de Beleidsnota Cultuurhistorie vastgesteld met een visie ten aanzien van de cultuurhistorische waarden in de gemeente Bergen. Uitgangspunten van het gemeentelijk cultuurhistorisch beleid zijn onder andere behoud en bescherming van cultuurhistorische waarden, het beleefbaar maken ervan en aandacht voor zowel de cultuurhistorische waardevolle objecten als de omgeving. In de gemeente Bergen is een deel van de cultuurhistorische waardevolle gebouwen en gebieden beschermd als monument of beschermd dorpsgezicht. De drie formeel aangewezen beschermde dorpsgezichten zijn: Bergen (rond de Ruïnekerk), Egmond aan den Hoef (rond de Slotruïne) en Bergen Park Meerwijk (Amsterdamse Schoolwijk). De gemeente telde in 2020 133 Rijksmonumenten, 29 provinciale en 82 gemeentelijke monumenten. Naast monumenten heeft de gemeente veel beeldbepalend erfgoed binnen haar grenzen zonder formele monumentenstatus. Veel stolpen zijn bijvoorbeeld geen monument, maar zijn wel beeldbepalend. Hiervoor gelden specifieke toetsingscriteria (zie paragraaf 3.2). De lijsten met alle monumenten en beeldbepalende panden zijn te vinden op de gemeentelijke website. De Erfgoedverordening Gemeente Bergen 2012 regelen de bescherming en aanwijzing van monumenten en de archeologie. Er is een financiële regeling ten bate van gemeentelijke monumenten.

Na inwerking treden van de Omgevingswet wordt de erfgoedverordening deels overgezet naar het omgevingsplan voor zover het de artikelen over gemeentelijke monumenten betreft, dus aanwijzing en bescherming.

78

2. KLEINE (VER)BOUWPLANNEN In dit hoofdstuk zijn de criteria opgenomen voor kleinere (ver)bouwplannen bij bestaande gebouwen. Voor deze (ver)bouwplannen zijn criteria van toepassing die aangeven of het bouwplan redelijkerwijs past bij de architectonische kenmerken van het bestaande gebouw.

2.1. Algemeen Na het in werking treden van de Omgevingswet worden alle bestemmingsplannen vervangen door één omgevingsplan.

De criteria komen aan de orde als het bouwplan vergunningplichtig is. Als een bouwplan volledig vergunningvrij is, dan zijn de criteria niet aan de orde. Als een bouwactiviteit een onderdeel heeft waardoor deze alsnog vergunningsplichtig wordt, wordt het hele bouwplan vergunningsplichtig en kan het bouwplan onderhevig zijn aan de gestelde criteria. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft gebruik, situering en maximale afmetingen. Als het bestemmingsplan geen belemmering oplevert wordt een klein (ver)bouwplan beoordeeld aan de hand van de sneltoetscriteria in dit hoofdstuk. Voor nieuwbouw of grootschalige renovatieplannen gelden de criteria voor grote bouwplannen in hoofdstuk 4. Belangrijkste criterium is dat elke kleine ingreep of toevoeging aan, bij of op een hoofdgebouw in beginsel moet passen bij de architectuur van het bestaande gebouw en de directe omgeving. Dit uitgangspunt geldt voor een beoordeling met de sneltoetscriteria en in beginsel ook voor de beoordeling door de commissie. De commissie beoordeeld daarnaast ook op basis van de criteria voor grote bouwplannen in relatie tot de gebiedskwaliteiten.

79

Sneltoetscriteria Veel aanvragen betreffen gelijksoortige bouwplannen. Deze kunnen snel en direct worden afgehandeld. In de volgende gevallen vindt in beginsel een snelle procedure plaats aan de hand van de sneltoetscriteria zoals opgenomen in de hierna volgende paragrafen. § 2.2.1. Bijbehorende bouwwerken (erfbebouwing) § 2.2.2. Dakkapellen § 2.2.3. Dakopbouwen § 2.2.4. Gevelwijzigingen § 2.2.5. Erfafscheidingen en toegangspoorten § 2.2.6. Reclame De sneltoetscriteria gelden voor alle regieniveaus. Als er sprake is van één van de volgende situaties zal de commissie om advies worden gevraagd: -

als het bouwplan niet voldoet aan de sneltoetscriteria, of; bij twijfel over de toepasbaarheid van de criteria, of; als er sprake is van een monument, een karakteristiek pand of een beschermd gezicht, of; als er sprake is van en specifiek object (hoofdstuk 3), of; als voor een bepaald type bouwplan geen sneltoetscriteria zijn opgenomen.

Voor alle duidelijkheid: het is dus niet zo dat een bouwplan wordt afgewezen als het niet voldoet aan de sneltoetscriteria; het zal dan worden voorgelegd aan de commissie. Trendsetters De ruimtelijke samenhang van de openbare ruimte is in veel gevallen gebaat bij een herhaling van gelijkvormige oplossingen voor vergelijkbare bouwvormen als rijenhuizen. Een bouwplan dat identiek is aan een eerder voor het betreffende bouwblok of straat door de commissie goedgekeurde en door burgemeester en wethouders als zodanig aangewezen trendsetter, zal een positief advies krijgen. De commissie stelt de trendsetter vast. De trendsetter ‘overvleugelt’ de sneltoetscriteria voor kleine bouwwerken, dat wil zeggen dat de sneltoetscriteria niet van toepassing zijn als er een trendsetter is aangewezen. Informatie over de trendsetters is verkrijgbaar bij de gemeente en te vinden op de gemeentelijke website.

80

Voor- en achterkant Het bouwen aan de voorkant is in het algemeen van grotere invloed op het straatbeeld dan het bouwen aan de achterkant. Met het oog op behoud van kwaliteit worden bouwwerken aan de voorkant altijd kritischer beoordeeld. Daarom wordt in de criteria waar nodig onderscheid gemaakt in ‘achterkant’ (achtererfgebied) en ‘voorkant’ (voorerfgebied). Voor de definitie van achter- en voorkant sluit deze nota aan bij de definitie zoals bedoeld in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Daarin wordt met ‘achtererfgebied’ (achterkant) het erf bedoeld achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1.00 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen. Ook openbaar toegankelijk vaarwater wordt aangemerkt als openbaar toegankelijk gebied.

hoofdbebouwing en voorgevel achtererf(gebied) voorerf(gebied) openbaar groen openbaar vaarwater openbare weg

Illustratie achtererfgebied

81

2.2. Sneltoetscriteria De hierna volgende sneltoetscriteria zijn bedoeld om bepaalde kleine bouwplannen sneller te vergunnen. Als het bouwplan niet voldoet aan de sneltoetscriteria, bij twijfel over de toepasbaarheid van de criteria en in geval van monumenten, karakteristieke panden of specifieke bouwwerken wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de commissie.

2.2.1. Bijbehorende bouwwerken (erfbebouwing) Met ‘bijbehorend bouwwerk’ wordt bedoeld een uitbreiding van een hoofdgebouw, bijvoorbeeld aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en overige bouwwerken met een dak. Zonder hoofdgebouw kan er op het perceel geen sprake zijn van bijbehorende erfbebouwing. Er is onderscheid in: -

Aangebouwd bouwwerk: een toevoeging aan de begane grondgevel van een gebouw, zoals een aan- of uitbouw, erker, garage, carport e.d. Losstaand bouwwerk: een bouwwerk met (af)dak dat los van het hoofdgebouw op het erf staat zoals een schuur, tuinhuis, carport, dierenverblijf, planten- of groentekas, e.d.

Aangebouwd bouwwerk op het voorerf - Op het voorerf alleen als een erker en/of entreeportaal met gemetselde opbouw en kozijnen. - Sneltoetscriteria erkers en entreeportalen gelden alleen voor rijenwoningen. - Niet over de volle breedte van het gebouw. Ten minste aan één zijde op minimaal 1.00 meter van de zijgevel of het hart van de woningscheidende muur. - Maatvoering: o Hoogte maximaal 0.30 meter boven de 1e verdiepingsvloer. o Diepte aan de voorgevel maximaal 1.50 meter voor een vrijstaande woning, en 1.00 meter voor een niet-vrijstaande woning. o Boeidelen zijn maximaal 0.30 meter hoog. o Het dak is plat. De overstek van het dak van de erker en/of het entreeportaal is maximaal 0.15 meter. - Vormgeving, materiaal, kleur en detaillering: o Plattegrond is rechthoekig of afgeschuind. o Aansluitingen op de erfgrens uitvoeren als muurdam. o Materiaal, kleur, profilering en detaillering aansluitend aan het hoofdgebouw.

82

Aangebouwd bouwwerk op het achtererf - Alleen achter het hoofdgebouw in de vorm van een uitbouw over de gehele of gedeeltelijke breedte van de achtergevel. Bebouwing op het zijerf wordt altijd voor advies voorgelegd aan de commissie. - Maatvoering: o Hoogte maximaal 0.30 meter boven de 1e verdiepingsvloer. o Boeidelen zijn maximaal 0.30 meter hoog. - Vormgeving, materiaal, kleur en detaillering: o Aansluitingen op de erfgrens uitvoeren als muurdam. o Geen secundaire aan- of uitbouw (b.v. uitbouw aan uit- of aanbouw). o Het dak is plat of maximaal 5˚ hellend bij lichtdoorlatende serredaken. o Een lichtstraatje van maximaal 0.80 meter breed is mogelijk. o Materiaal, kleur, profilering en detaillering aansluitend aan het hoofdgebouw. Losstaand bouwwerk - Maatvoering: o Maximaal 5 graden hellend of plat dak en niet meer dan 0.20 meter overstek. o Boeidelen zijn maximaal 0.30 meter hoog. - Vormgeving, materiaal, kleur, detaillering: o Rechthoekige plattegrond. o Zo veel mogelijk aansluiten bij het hoofdgebouw of reeds aanwezige bijgebouwen in de omgeving. o Geen opvallende details en kleuren. o Geen toepassing van beton, staal, kunststof, rietmatten of vlechtschermen.

Maatvoering aangebouwd bouwwerk.

83

2.2.2. Dakkapellen Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn een ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak. Plaatsing en maatvoering - Meerdere dakkapellen op hetzelfde dakvlak regelmatig gerangschikt op een horizontale lijn. - Geen dakkapellen boven elkaar op hetzelfde dakvlak. - Geen dubbele dakkapellen (over twee woningen). - Geen dakkapellen op aan- of uitbouwen of op bijgebouwen. - Bij mansardekap plaatsing alleen op het onderste steil hellende deel van de kap. - Minimaal 0.50 meter onder de noklijn. Bij een dakvlak aan de achterkant met een hellingshoek van maximaal 35 graden, kan een dakkapel tot onder de nokpan doorlopen. - Minimaal 0.50 meter van de zijkanten van het dakvlak, of van de hoekkepers (in geval van piramide- of schilddak) gemeten aan de bovenkant van de dakkapel.

Plaatsing dakkapel.

84

Maatvoering dakkapel aan de voorkant.

Bij een hellingshoek van minimaal 48° kan de dakkapel aangekapt zijn.

Nadere criteria voor dakkapellen op het voordakvlak en naar het openbaar gebied gekeerde zijdakvlak - Een dakkapel is niet breder dan 1/3 van de breedte van het dakvlak, gemeten ter hoogte van de bovenkant van de dakkapel ten opzichte van het dakvlak op die hoogte. Bij toepassing van meerdere dakkapellen geldt dit voor de som van de breedten van de dakkapellen. - Een dakkapel is niet hoger dan 1.50 meter. - Een dakkapel niet combineren met dakramen, gemetselde schoorstenen, zonnepanelen of zonnecollectoren in hetzelfde dakvlak. Vormgeving, materiaal, kleur en detaillering (alle dakkapellen) - De dakkapel is plat afgedekt. - Bij kappen met een hellingshoek van minimaal 48 graden kan de dakkapel aangekapt zijn. - De onderdorpel van het kozijn moet direct aansluiten op het dakvlak. - Boeidelen maximaal 0.30 meter hoog en kan maximaal 0,25 meter uitsteken buiten het onderliggende kozijn. - Het front van een dakkapel heeft maximaal voor 1/3 deel van zijn oppervlak een gesloten invulling. - Materiaal, kleur, profilering en detaillering aansluitend aan het hoofdgebouw (bouwlagen en dak).

2.2.3. Dakopbouwen Een dakopbouw is een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak, waardoor het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert. Een dakopbouw is, in tegenstelling tot een dakkapel, niet ondergeschikt aan het dakvlak. Een dakopbouw kan het silhouet van het oorspronkelijke dak aantasten en heeft een ingrijpende invloed op het straatbeeld. Een dakopbouw kan worden aangebracht op een hellend- of op een plat dak. Dakopbouwen op een plat dak of een dakopbouw tweezijdig over de nok zijn meestal zeer beeldbepalend en worden altijd door de commissie beoordeeld. Hiervoor kunnen wel vastgestelde trendsetters worden gebruikt. De hierna opgenomen sneltoetscriteria betreffen alleen dakopbouwen voor hellende daken met een symmetrisch of asymmetrisch zadeldak.

85

Voor dakopbouwen worden twee situaties onderscheiden, te weten: dakopbouw uit de eerste bouwlaag en het eenzijdig doortrekken van het dakvlak bij langskappen. Algemeen (voor alle dakopbouwen) - Dakopbouwen alleen op hellende daken met een symmetrisch of asymmetrisch zadeldak. - Er is sprake van een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn bij meerdere dakopbouwen op een doorgaand dakvlak. - Niet op aan- of uitbouwen of op bijgebouwen. - Materiaal, kleur en detaillering identiek aan, of afgestemd op het hoofdgebouw. - De voor- en/of achterzijde van de dakopbouw heeft maximaal voor 1/3 van zijn oppervlak een gesloten invulling. - Boeidelen zijn maximaal 0.30 meter hoog en kunnen voor maximaal 0.25 meter uitsteken buiten het onderliggende kozijn. - Vormgeving, materiaal, kleur en detaillering: gelijk of gelijksoortig aan het hoofdgebouw (bouwlagen en dak) of daarop afgestemd, gericht op een onopvallende toevoeging.

Dakopbouw uit eerste bouwlaag.

86

Dakopbouw over de nok.

Dakvlakverhoging bij langskappen.

A. Dakopbouw op een schuin dak uit de eerste bouwlaag - Alleen bij gebouwen met een goothoogte van maximaal 3.00 m. en alleen aan de achterzijde. - Minstens 1.00 meter van de zijkanten van het dakvlak. - Bij vrijstaande gebouwen met een dwarskap (nok dwars op de weg) over twee verdiepingen is aan de zijkant een opbouw toegestaan door het optrekken van de gevel over maximaal 1/3 deel van de lengte van het dakvlak gemeten aan de bovenzijde van de dakopbouw. - Hoogte bij langskappen bedraagt maximaal één volledige verdiepingshoogte. - Bij vrijstaande woningen met een dwarskap mag de inwendige stahoogte maximaal 2.40 meter bedragen. - De dakopbouw is plat afgedekt. - Het front van een dakkapel heeft maximaal voor 1/3 deel van zijn oppervlak een gesloten invulling. B. Dakvlakverhoging bij langskappen - Alleen op daken met een hellingshoek van maximaal 35 graden. - De noklijn wordt verhoogd door het doortrekken van het dakvlak naar achteren. - De afstand tussen de onderste pan en de onderdorpel, gemeten evenwijdig aan de dakhelling, bedraagt minimaal 1.20 meter. - De dakopbouw blijft minimaal 0.60 meter vrij van de kopgevel. - De nieuwe nok is niet meer dan 1.20 meter hoger dan de bestaande.

2.2.4. Gevelwijzigingen Van een gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, kozijn-invulling, luik of gevelpaneel. De opbouw en indeling van de gevel is een belangrijk onderdeel van de architectonische vormgeving van het gebouw en het aanzicht van de straat. De mogelijkheden voor gevelwijzigingen zijn dermate divers dat er geen sneltoetscriteria worden gegeven. Wel kunnen er trendsetters worden vastgesteld die vervolgens worden gehanteerd voor een sneltoets.

87

2.2.5. Erfafscheidingen en toegangspoorten Een erfafscheiding is een bouwwerk op de erfgrens, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of de openbare weg. Plaatsing en maatvoering - Hoogte achter de voorgevellijn maximaal 2.00 meter; hoogte voor de voorgevellijn maximaal 1.00 meter. Materiaal, kleur en detaillering - Uitvoering in houten delen, minimaal 12 millimeter dik, om en om bevestigd op of tussen houten of betonnen stijlen, dan wel een verzinkt stalen netwerk voorzien klimplanten, dan wel verzinkt stalen schanskorven gevuld met natuur- of baksteengranulaat. - Geen toepassing van beton, behalve desgewenst de betonnen palen en onderkanten 0.30 meter boven maaiveld. Geen toepassing kunststof, metaal (met uitzondering van stalen netwerk), rietmatten, vlechtschermen of golfplaat. - Bij toepassing metselwerk: maximaal 1.00 meter gemetseld in de kleur van het hoofdgebouw met een semi-transparante opbouw van hout of een stalen netwerk. Eventueel opgaande penanten van maximaal een steen breed, hartop-hart maximaal 1.20 meter, en tot maximaal 2.00 meter hoog. Geen prints van bak- of natuursteen toepassen. - Kleur naturel, of afgestemd op het hoofdgebouw, of geschilderd in een donkere kleur. - Toegangspoorten voor de voorgevellijn kunnen inclusief penanten of zijstijlen maximaal 2.00 meter hoog zijn over een breedte van maximaal 4 .00 meter.

De poort bestaat uit een transparant hekwerk van stalen spijlen of houten delen met een openingspercentage van minimaal 50 procent en is geflankeerd door gemetselde penanten in een soortgelijke steen als het gebouw, dan wel stalen of houten zijstijlen.

88

2.2.6. Reclame Reclame is een publieke aanprijzing van een bedrijf, een product of een dienst. Reclames op borden, lichtreclames en spandoeken of vlaggen vormen een belangrijk en beeldbepalend element van de openbare ruimte. De sneltoetscriteria zijn in principe van toepassing in alle gebieden, tenzij anders vermeld. Aanvragen die niet voldoen aan de sneltoetscriteria en ook aanvragen voor monumenten of beeldbepalende panden worden door de commissie behandeld. Plaatsing en aantal - Per vestiging en per pand maximaal twee onverlichte reclame-objecten: o één plat tegen de gevel geplaatst bord of ondiepe kast, en; o één haaks op de gevel geplaatst uithangbord. - Een haaks op de gevel aangebrachte reclame komt niet hoger dan de onderkant van het verdiepingskozijn en niet hoger dan 5.00 meter boven het straatniveau. - Reclame door op het raam aangebracht bestickering is alleen mogelijk als het raam voor 50% geheel doorzichtig blijft. - Vlaggenmasten alleen op bedrijventerreinen, mits niet gecombineerd met een woonfunctie. - Per 10 meter kavelbreedte op bedrijventerreinen maximaal één vlaggenmast van 6.00 meter hoog. - Vlaggenmasten staan minimaal 3.00 meter vrij van lantaarnpalen en lichtmasten.

Maatvoering plat aan de gevel aangebrachte reclame - Een plat aan de gevel aangebrachte reclame is: o maximaal 50% breed ten opzichte van de totale gevelbreedte; o maximaal 0.30 meter hoog; o maximaal 0.15 meter dik. - Bij een plat aan de gevel aangebrachte reclame zijn de hoeken en de zijpenanten van het gebouw minimaal 0.60 meter vrij gehouden. - Bij toepassing van losse letters zijn andere maten en proporties denkbaar. De beoordeling vindt in dat geval altijd plaats door de commissie. Maatvoering haaks aan de gevel aangebrachte reclame - Een haaks op de gevel aangebrachte reclame steekt maximaal 0.80 meter uit de gevel, exclusief bevestigingsconstructie.

89

-

-

De bevestigingsconstructie steekt minimaal 0.10 meter en maximaal 0.15 meter uit de gevel. Een haaks op de gevel aangebrachte reclame is: o maximaal 0.80 meter hoog; o maximaal 0.20 meter dik; o maximaal 0.64 vierkante meter groot (oppervlakte). Bij een rond object geldt een maximale diameter van maximaal 0.80 meter.

Losstaand bord in plaats van haaks aan de gevel aangebrachte reclame - In plaats van een haaks aan de gevel aangebrachte reclame kan ook worden gekozen voor een enkel, losstaand bord: o vrij te plaatsen op het eigen erf; o geplaatst op een paal met een maximale hoogte van 1.80 meter; o maximaal 0.25 vierkante meter groot (oppervlakte); o niet uitgevoerd als lichtbak. Een reclame voldoet niet aan redelijke eisen van welstand indien er sprake is van één van de onderstaande situaties. - Reclame voor diensten of producten die niet in het pand plaatsvinden respectievelijk worden verkocht, geproduceerd of verwerkt. Hoewel dit strikt gezien in zichzelf geen welstandscriterium is, past deze bepaling wel in het uitgangspunt reclame primair te zien als een kenbaar maken van de aanwezigheid van een bedrijf. - Bewegende reclame, LED reclame, lichtkranten en lichtreclame met veranderlijk of knipperend licht (met uitzondering van speciaal daartoe door het gemeentebestuur aangewezen plaatsen). Zwak oplichtende en incidenteel bewegende reclame wordt niet op voorhand uitgesloten maar per geval beoordeeld. - Reclame op daken. - Daglichtreflecterende reclame. - Gevelreclame die niet loodrecht op of in het vlak van de gevel is geplaatst. - Reclame-uitingen die het uitzicht op de openbare ruimte ernstig belemmeren.

- Reclame met een oppervlak groter dan 0.10 vierkante meter (oppervlakte) op vergunningplichtige zonweringen en rolluiken. - Reclame op steigers en andere hulpconstructies voor bouw- of renovatiewerkzaamheden, tenzij het gaat om tijdelijke, niet verlichte opschriften betreffende namen en activiteiten van direct bij het ontwerp en de uitvoering betrokkenen.

90

Aanvullende criteria voor beoordeling door de commissie Als een reclame niet voldoet aan de sneltoetscriteria, bij twijfel en in geval van monumenten of karakteristieke panden wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de commissie. De commissie zal dan naast de sneltoetscriteria ook gebruik maken van onderstaande criteria in relatie tot het pand, de directe omgeving en de gebiedskarakteristieken. Gevelreclame - Gevelreclame is een passend onderdeel van de totale gevelcompositie, ingetogen en ondergeschikt en passend bij de architectuur van het hoofdgebouw. - Reclame is in materiaal- of kleurstelling of in de detaillering niet verstorend voor de architectuur van het gebouw of het straatbeeld. - Op bedrijventerreinen vormt de reclame een samenhangende eenheid met het gehele bouwwerk en is als zodanig mee ontworpen. (Te denken valt daarbij aan: losse letters in het vlak van de gevel, reclame aangebracht op het glas of geïntegreerd als bouwkundig element.) Vlaggenmasten - Alleen verticaal vanaf de grond opgaande vlaggenmasten: o in centrumgebieden (gemengde voorzieningen en winkelcentra); o op bedrijventerreinen; o op sport- en recreatiegebieden; o bij grote gebouwen voor maatschappelijke doeleinden zoals onderwijsinstellingen of verzorgingshuizen tot maximaal drie. Niet bij de aangewezen bijzondere complexen.

- Vlaggenmasten harmoniëren met de omliggende bebouwing en zijn een verrijking zijn voor de stedenbouwkundige samenhang van de openbare ruimte. Vrijstaande reclame (niet gebouw gerelateerd, zoals reclamezuilen) - Geen vrijstaande reclame-uitingen in het buitengebied. - Vrijstaand reclame-uitingen op de bijzondere complexen zijn met uiterste zorg ontworpen, in een relatie met de architectuur van de bijbehorende gebouwen en de karakteristiek van de situatie. - Op sport- en recreatieterreinen kan per hoofdinrit vanaf de openbare weg een enkele, eventueel zwak verlichte reclamezuil worden geplaatst, maximaal 3.00 m. hoog en 0.80 m. breed, dan wel een andersoortig element met globaal dezelfde manifestatie maar dat specifiek past bij de betreffende situatie. Overige vrijstaande reclame-uitingen hoger dan 1.00 m. zijn niet toegestaan. - Op panden met een praktijk aan huis (dus niet wonen boven bedrijfsfunctie) alleen een onverlicht naambord toegestaan met oppervlak van maximaal 0.25 vierkante meter groot (oppervlakte) en een hoogte van maximaal 1.80 meter een bescheiden, bij het pand passende, omvang.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/4871/documents/36647