bij Bestemmingsplan Lijtweg 54 e.o. met bijlagen.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Lijtweg 54 e.o
Gemeente Bergen
Datum: 25 april 2024
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding Het plangebied Doelstelling Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer
3 3 4 4 5
2
Planbeschrijving
6
2.1 2.2
Ontstaansgeschiedenis en huidige situatie Nieuwe situatie
6 14
3
Beleid
16
3.1 3.2 3.3
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
16 17 19
4
Milieu- en omgevingsaspecten
25
4.1 4.2
Milieu-aspecten Omgevingsaspecten
25 33
5
Economische uitvoerbaarheid
42
5.1 5.2 5.3
Inleiding Beoordeling plan Conclusie
42 42 42
6
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
43
6.1 6.2 6.3
Overleg Zienswijzen Conclusie
43 43 43
7
Wijze van bestemmen
44
7.1 7.2 7.3
Inleiding Algemene methodiek Specifieke regeling dit bestemmingsplan
44 44 45
Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5.
Verkennend bodemonderzoek Lijtweg 54 Bergen, Grondslag, 23 februari 2023 Stikstofberekening Lijtweg 54 e.o, gemeente Bergen, 5 februari 2024 Quick scan natuur Lijtweg 54 e.o, SAB, 10 november 2022 Participatie avond Lijtweg 54 e.o, gemeente Bergen, 30 maart 2023 Nader Bodemonderzoek Lijtweg 54 Bergen, Grondslag, 26 juli 2023
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Aan de Lijtweg 54 bevindt zich een woning en een wasserette. In het geldende bestemmingsplan Bergen-Dorpskern Zuid zijn deze bestemd als Wonen respectievelijk Bedrijf, met daaromheen een bestemming Groen. Hoewel deze bestemming op zich correct is, komt het niet overeen met de mogelijkheden van het daarvoor geldende regime, namelijk het Uitbreidingsplan 1937. Op basis van dit Uitbreidingsplan waren 4 woningen mogelijk. Het ‘wegbestemmen’ van 3 van de 4 woningen kan tot waardedaling van de percelen leiden. Om deze ongewenste situatie te voorkomen, dient dit bestemmingsplan. Een 2e woning kan bij recht worden toegestaan, en de resterende 2 woningen zijn na toepassen van een wijzigingsbevoegdheid mogelijk op de locatie van de wasserette. Deze is immers momenteel nog in gebruik en de verwachting is dat dit nog enkele jaren het geval zal zijn. Als dit gebruik beëindigd wordt, en de bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, is hier ruimte voor de voornoemde 2 woningen. Naast het herstellen van ligt aan dit bestemmingsplan tevens de overweging ten grondslag, dat het gaat om een stedenbouwkundig en planologisch gewenste ontwikkeling. Ook is er beleidsmatig en op het gebied van wet- en regelgeving met betrekking tot milieu- en omgevingsaspecten geen belemmeringen. Dit wordt in deze toelichting nader uiteengezet. Er kan daarom medewerking verleend worden aan het initiatief.
Dit document (toelichting) –in combinatie met regels, verbeelding en bijlagen, voorziet daarin.
1.2
Het plangebied Het plangebied omvat de Lijtweg 54 en de wasserette + enige daaromheen gelegen grond in het zuiden van het dorp Bergen, zie navolgende afbeelding. De exacte ligging komt tot uitdrukking op de verbeelding.
(globale) ligging plangebied
3
1.3
Doelstelling Het voorliggend bestemmingsplan vervangt, nadat het van kracht is geworden, de vigerende regeling voor deze locatie uit het bestemmingsplan Bergen Dorpskern-Zuid.
1.4
Geldende bestemmingsplannen Ter plaatse van het plangebied geldt primair het bestemmingsplan Bergen DorpskernZuid, vastgesteld op 24 maart 2009.
Uitsnede geldend bestemmingsplan Aan de bestaande bedrijfswoning is een bestemming Bedrijf toegekend met aanduiding bw (bedrijfswoning). Het overige deel van het terrein heeft een bestemming Bedrijf, met voor een deel een bouwvlak met aanduidingen maximum bebouwingspercentage van 65% en aanduiding maximale bouwhoogte van 5 m en voor een deel 3 m. Tevens is een aanduiding ‘rkl’ opgenomen, hetgeen inhoudt dat er plaatse naast categorie 2 bedrijven als opgenomen in de bijlage bij de regels ook een wasserij en verhuurbedrijf voor linnen (van categorie 3) aanwezig mag zijn De rest van het plangebied heeft de bestemming Groen. Er geldt ook een dubbelbestemming Waarde-Archeologie 3, regime III. Dit is het lichtste regime. Er is archeologisch onderzoek bij ingrepen groter dan 500 m2 of dieper dan 40 cm. Er komen maximaal 3 woningen bij, van elk 120 m2. Daarmee wordt de grens van 500 m2 gebleven en zodoende levert dit artikel geen strijdigheid op cq is geen archeologisch onderzoe vereist. Het voorgenomen gebruik voor reguliere bewoning van de bedrijfswoning is in strijd met het bestemmingsplan en dat geldt ook voor het oprichten van nieuwe woningen, dit is niet mogelijk in zowel de bestemming Bedrijf als Groen. Volledigheidshalve wordt vermeld dat er ook een paraplubestemmingsplan Parkeren geldt (vastgesteld 31 mei 2018).
In essentie wordt hierin geregeld dat er bij elke ontwikkeling/ functie voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig moet zijn. Er is in de huidige en toekomstige situatie voldoende ruimte hiervoor en bovendien is de regeling 1 op 1 overgenomen in dit bestemmingsplan.
4
1.5
Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, de planregels en een verbeelding. De planregels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan waaruit het plan bestaat, hoe en wat met het plan juridisch-planologisch wordt geregeld en geeft de resultaten van het onderzoek naar de uitvoerbaarheid weer. De toelichting zoals bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is in navolging hiervan als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 is de inleiding. Na de beschrijving van het plan en het plangebied staat in hoofdstuk 2 de onderbouwing van het plan beschreven. In de navolgende hoofdstukken wordt getoetst of het plan uitvoerbaar is. Onderscheiden worden achtereenvolgens een toets aan het relevante ruimtelijke beleid van diverse overheden, milieu- en omgevingsaspecten, financieel-economische en tot slot de resultaten van de maatschappelijke procedure. In hoofdstuk 7 is een toelichting op de wijze van bestemmen (wat wordt er geregeld en hoe wordt het geregeld).
5
2 2.1
Planbeschrijving Ontstaansgeschiedenis en huidige situatie Het plangebied maakt onderdeel uit van een landschappelijk en cultuurhistorisch waardevol gebied. Het is daarom zinvol kort de ontstaansgeschiedenis kort te beschouwen. De locatie ligt in het strandwallen- en strandvlaktenlandschap en het Oer-IJ gebied. Tijdens een periode van relatief snelle zeespiegelstijging die tot circa 4500-4000 voor Chr. duurde, bestond dit gebied uit een uitgebreid waddengebied met zandbanken en -platen die gescheiden werden door grote getijdegeulen. Dit waddengebied werd gedeeltelijk afgeschermd van de open zee door een reeks eilanden. Vanaf 4500-4000 voor Chr. nam de stijging van de zeespiegelstand sterk af . Vanuit de Noordzee en de grote rivieren werden grote hoeveelheden zand aangevoerd, waardoor de getijdengeulen geleidelijk verzandden en de reeks eilanden aan elkaar groeide tot een strandwal. Met name in perioden met meer en/of hevigere stormen werd het door de zee aangevoerde zand boven de vloedlijn op het strand hoog opgeworpen in een rug, een strandwal. Tot ongeveer 0-100 na Chr. bleef de grote aanvoer van zand in stand waardoor de kustlijn steeds verder naar het westen verschoof. Bij die verschuiving werden afwisselend strandvlaktes en strandwallen gevormd. Op de strandwallen zijn lage duinen opgestoven (de zogenaamde Oude Duinen).
Op deze onderlaag is een nieuwe duinenrij ontstaan (de zogenaamde Jonge Duinen). Aan de voet van de Jonge Duinen liggen nog steeds de Oude Duinen aan de oppervlakte, flauw hellend naar de polders.
Uitsnede kaart Chr. Sgrooten, 1573 De strandwallen waren vanwege de hogere ligging geschikte locaties voor bebouwing. De lager gelegen strandvlakten waren dat niet. Hierdoor is het langgerekte, lintvormige bebouwingspatroon ontstaan, dat zo kenmerkend is voor dit gebied. Veel binnenmeren in Noord-Holland stonden lange tijd in contact met de zee (zie voorgaande af-
6
beelding). Daardoor was het gebied erg gevoelig voor wateroverlast. Het riviertje de Rekere (nu deels het Noordhollands kanaal) vormde één van die risicofactoren. Deze werd uiteindelijk afgedamd in 1624 waarna het land veiliger werd. Daarna konden de strandvlaktes ingepolderd en gecultiveerd worden, vaak door loodrecht op de strandwal ontwateringssloten te graven. Hierdoor is uiteindelijk een patroon ontstaan van strokenverkaveling bestaande uit lange en smalle kavels. Het grondgebruik is altijd agrarisch geweest. Vanwege de vochtige bodemgesteldheid, was de grond met name geschikt als weideland voor (melk)vee. Bergen is gelegen op de noord-zuid georienteerde strandwal, het gebied tussen Duinen en strandvlakte, dat ook wel binnenduinrand (zuid) wordt genoemd. In feite vormt Bergen een dorp dat bestaat uit aan vier elkaar gegroeide buurtschappen(Oudburg, Oostdorp, Westdorp en Zanegeest) en een Kerkbuurt (aan het eind van de 11e eeuw na Chr. stond in Bergen een kapel die onder de parochie van Schoorl viel (genoemd 1094). In een bron van circa 940 na Chr. werd Bergen voor het eerst genoemd, maar het dorp is vrijwel zeker enige eeuwen ouder. Het perceel ligt binnen het zuidelijk deel van Bergen, alhoewel de Lijtweg onderdeel uitmaakt van het historisch stratenpatroon.
De zuidelijke uitbreiding is een woonwijk, gebouwd in de jaren '60 tot en met de jaren '90 met gevarieerde bebouwing. Het gebied ligt ten zuiden van de oude dorpskern van Bergen. Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door het landelijke gebied van Bergermeer. Het deelgebied Geestbuurt vormt de westelijke en noordelijke grens van het gebied; het lint van de Bergerweg de oostgrens. Het gebied kent een ruime doch inconsistente stedenbouwkundige structuur. Het bestaat feitelijk uit een samenvoeging van verschillende buurtjes die wel een eigen identiteit hebben. De onduidelijke stedenbouwkundige opzet wordt gecompenseerd door de eenduidige sobere vormgeving van de gebouwen, waardoor het gebied enigszins eenheid krijgt. De zuidoostkant van het gebied kenmerkt zich door een honingraatstructuur. De rest van het gebied heeft een standaard jaren '80structuur. Aan de zuidrand heeft de wijk, door de plaatsing van de bebouwing, wel een duidelijke relatie met het aangrenzend landelijk gebied. De bebouwing in het gebied bestaat voornamelijk uit eengezinswoningen, zowel vrijstaand als rijwoningen en twee-onder-een-kapwoningen. De kapvorm en kaprichting van de woningen variëren. De woningen zijn met hun voorzijde naar de weg gericht, maar variëren ten opzichte van de straat. De gebouwen hebben een standaarddetaillering met eenvoudig materiaalgebruik.
In het plangebied is al geruime tijd wasserette Dubbel Blank aanwezig, bestaande uit een bedrijfsgebouw en een bedrijfswoning. Meer in het algemeen kan gesteld worden dat aan een bedrijfswoning geen behoefte meer bestaat. De noodzaak er van kan maar zeer moeilijk aangetoond worden en daardoor ontstaat -vaak onbedoeld- strijd met het bestemmingsplan. De wens is de bestemming van de bedrijfswoning om te zetten naar een reguliere woonbestemming. Hiertegen bestaan geen ruimtelijke of stedenbouwkundige bezwaren. Het gaat om een traditioneel vormgegeven woning en dit geldt ook voor de wasserette. Op het perceel zijn daarnaast veel bomen aanwezig, zie navolgende foto’s. Aan de overzijde bevindt zich kloosterterrein van de congregatie van de Zusters Ursulinen van Bergen, dat deels is ontwikkeld als landgoed Merici, met zowel vrijstaande woningen, twee-onder-één kappers als appartementen.
7
Daarnaast is geconstateerd dat op basis van het Uitbreidingsplan 1937 (thans vervangen door Bergen-Dorpskern Zuid) vier woningen (inclusief de bestaande) gebouwd kunnen worden.
Impressies plangebied en omgeving 8
Het Uitbreidingsplan gemeente Bergen N.H. (1937) is vastgesteld door de raad van de gemeente Bergen op 16 november 1937, en voor zover ten deze van belang goedgekeurd door gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland op 14 december 1938.
9
Voor de Lijtweg 54 en 56 geldt ingevolge de aanduiding op de plankaart: - Minimum terreinbreedte 15 m - Verhouding open terrein tot bebouwing 1:1 - Aantal woningen dat ieder gebouw ten hoogste mag bevatten: 1 - Soort bebouwing X: bestemd voor woningen, winkels en kleine verzorgende bedrijfjes. Op de plankaart is onder andere een voorgevelrooilijn aangeven. Er is geen sprake van een achtergevelrooilijn en/of bijzondere achtergevel rooilijn. Zie onderstaande uitsnede uit de legenda.
Bestemming onroerende zaak Lijtweg 54 en 56 Volgens de legenda behorend bij het Uitbreidingsplan 1937 is de onroerende zaak Lijtweg 54 en 56 ingevolge dit plan grotendeels bestemd voor Woningen, winkels en kleine verzorgende bedrijfjes. Dat geldt ook voor het belendende perceel Lijtweg 50. Voorts is de onroerende zaak Lijtweg 54 en 56 voor een ondergeschikt deel bestemd voor Weg. De gronden gelegen langs het verlengde van de Midden Geestweg zijn ingevolge het Uitbreidingsplan 1937 bestemd voor Woningen. De bestemming en overige bepalingen staan hieronder in citaat, evenals andere ten deze relevante planvoorschriften.
10
Opmerkingen/ constateringen: • De gezamenlijke breedte van aanvragers percelen bedraagt 71,4 m in de voorgevelrooilijn. Daarmee is voldaan aan het bepaalde van de minimum terreinbreedte voor het oprichten van een woning of bedrijfsgebouw. • Dat geldt ook voor het aan het perceel A 5453 grenzende perceel Lijtweg 50 en voor de ten westen van het perceel A 3876 gelegen gronden die deel uitmaken van het kadastraal perceel A 3603.4 • De breedte van de woning Lijtweg 54 bedraagt 10,54 m en de breedte van het bedrijfspand Lijtweg 56 bedraagt circa. 26,5 m. • Aan de verhouding open terrein tot bebouwing kon bij vervanging van de bestaande bebouwing worden voldaan. • Uitbreidingsplannen bevatten geen gebruiksvoorschriften. • De terreinbreedte bij hoekpercelen is geregeld in artikel 17 en de verhouding van open terrein tot bebouwing bij hoekpercelen is geregeld in artikel 22. Deze is voor de voorliggende aanvraag die betrekking heeft op een ‘tussenperceel’ niet van belang. • De breedte van de gronden gelegen tussen het perceel A 3876 en het verlengde van de Midden Geestweg is zodanig dat niet kan worden voldaan aan de minimale terreinbreedte en de verhouding open terrein tot bebouwing die geldt langs het verlengde van de Midden Geestweg. Deze gronden kunnen wel worden gebruikt ten behoeve van tuin c.q.
erf bij een ten zuidoosten en/of oosten van het perceel A 3876 op te • richten woning, of voor opslag ten behoeve van kleine verzorgende bedrijven. • het Uitbreidingsplan 1937 stond het realiseren van vrijstaande bijgebouwen of aanbouwen bij woningen ter plaatse van de bestemming Woningen, winkels en kleine verzorgende bedrijfjes niet toe • het Uitbreidingsplan 1937 stond het realiseren van vrijstaande bijgebouwen of aanbouwen bij woningen ter plaatse van de bestemming Woningen wel toe. • Het Uitbreidingsplan 1937 stond het realiseren van woningen, maar ook van gebouwen voor winkels, cafés, lunchrooms e.d. en kleine verzorgende bedrijven toe langs de Lijtweg.
11
12
Ingevolge de eertijds bestaande ruimere bouwmogelijkheden voor hoofdgebouwen op grond van het Uitbreidingsplan 1937 konden op de percelen die grenzen aan aanvragers percelen volumineuze woningen worden opgericht in of nabij de perceelsgrenzen van aanvragers perceel. Deze woningen op het aangrenzende perceel Lijtweg 50 en op de gronden gelegen ten westen van het perceel A 3876 konden zich met inachtneming van de voorgevelrooilijn uitstrekken langs aanvragers perceelsgrenzen met een bouwhoogte tot 15 m. Indien deze (fictieve doch planologisch toegestane) woningen op 2 m uit aanvragers perceelsgrenzen zouden zijn opgericht, dan waren in de naar aanvragers perceel gerichte gevels opengaande raam- en deuropeningen toegestaan. Dat deze wijze van invulling van de planologische bouwmogelijkheden op grond van het Uitbreidingsplan 1937 zeker niet onaannemelijk was, blijkt al uit de omstandigheid dat in het plangebied van het Uitbreidingsplan 1937 diverse woningen zijn vergund die op zeer korte afstand uit de zijdelingse perceelsgrens zijn gebouwd. Gezien de onder het Uitbreidingsplan 1937 geldende voorgevelrooilijn en de vereiste minimale terreinbreedte van 15 m per woning en de eigen-
13
domssituatie zouden vier woningen kunnen worden gerealiseerd. Dat niet alle kavels een gunstige kavelvorm zullen hebben, is een gegeven die aan dit feit niet afdoet.
2.2
Nieuwe situatie In de nieuwe situatie wordt de bestaande woning zoals aangegeven herbestemd naar Wonen. Ten noordwesten daarvan is ruimte voor een tweede woning. Deze mag een oppervlakte krijgen van maximaal 120 m2, bij een goothoogte van maximaal 4 m en een bouwhoogte van maximaal 10 m. De wasserette blijft vooralsnog in bedrijf en is daarom andermaal positief bestemd. Wel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen hier twee vrijstaande woningen te realiseren van gelijke oppervlakte en maatvoering als voornoemde tweede woning. Het straat- en bebouwingsbeeld wordt niet aangetast als gevolg van de ontwikkeling en stedenbouwkundig zijn drie woningen goed in te passen. Dat de locatie in bestaand stedelijk gebied ligt, versterkt deze conclusie. Bovendien neemt de bebouwing ter plaatse van de wasserette in de nieuwe situatie niet toe, en zelfs af (het huidige bedrijfsgebouw meet circa 350 m2, waar in de nieuwe situatie het bebouwd oppervlak 2*120= 240 m2 zal bedragen), hetgeen bijdraagt aan het infiltrerend vermogen van het gebied. Verder verdwijnt op termijn een bedrijfsfunctie, die temidden woonbebouwing (in theorie) milieu-overlast kan veroorzaken. Het realiseren van twee woningen na sloop bestaande bebouwing past beter in het functionele beeld, waar de woonfunctie immers domineert.
Mogelijke verkaveling nieuwe situatie Volledigheidshalve wordt vermeld dat onder de Omgevingswet geldende bestemmingsplannen automatisch overgaan in een omgevingsplan, maar dat wijzigingsbevoegdheden komen te vervallen. In zoverre wordt dit niet als bezwaarlijk gezien, nu de wijzigingsbevoegdheid de intentie van de gemeente voor dit perceel expliciet toont. Het betekent hooguit dat te zijner tijd het plan met een andere procedure moet worden
14
gerealiseerd. Bovendien bepaalt artikel 2.8 van de Omgevingswet dat de gemeenteraad de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan kan delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Deze nieuwe delegatiemogelijkheid komt mede in de plaats van de in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) genoemde specifieke mogelijkheid van de raad om de bevoegdheid om het bestemmingsplan uit te werken of te wijzigen, of om nadere eisen te stellen, over te dragen aan het college. In navolgende hoofdstukken wordt getoetst aan het ruimtelijk relevant beleid van de overheden en milieu- en omgevingsaspecten.
15
3
Beleid
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie 2021 De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en per 1 januari 2021 in werking getreden. De NOVI vervangt vanaf dat moment de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012). Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en economisch groeipotentieel; 3.
sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemt in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (in-ter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie ook paragraaf hierna. Beoordeling en conclusie Het plan tast de nationale belangen niet aan. .
16
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening (Barro/Bro, 2012) Het kabinet heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het kabinet heeft de keuze voor deze onderwerpen gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Het 1e deel van het Barro is in december 2011 van kracht geworden. Per 1 oktober 2012 is een aantal onderwerpen toegevoegd en is de Ladder van duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Met de uitbreiding van het Barro is de juridische verankering van de SVIR compleet geworden. Het laatste belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. De regeling komt er op neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond.
Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Beoordeling en conclusie: onderhavige ontwikkeling voorziet in het toevoegen van drie woningen. Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken - zie onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4- 201501297/1/R4- zijn plannen tot 11 woningenniet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Deze ontwikkeling is daarom ook niet als stedelijk ontwikkeling aan te merken. Verdere toetsing aan de Ladder kan daarom derhalve achterwege blijven.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Holland 2018 De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 door Provinciale Staten (PS) vastgesteld. In de Omgevingsvisie NH2050 staat een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving centraal. De leefomgeving is de basis is, met een samenleving die wensen en behoeften heeft en de leefomgeving gebruikt voor ruimtelijkeconomische ontwikkelingen. De hoofdambitie is gericht op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid.
17
De belangrijkste onderwerpen zijn: 1. Klimaatverandering bedreigt onze leefomgeving; de ambitie is een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland 2. Verbetering van bodem, water- en luchtkwaliteit; de ambitie is het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving 3. Biodiversiteit; de ambitie luidt deze te vergroten; 4. Economische transitie; ambitie is een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. 5. Energietransitie; de ambitie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 vol-ledig klimaatneutraal en gebaseerd is op (een maximale inzet op opwekking van) hernieuwbare energie. 6. Mobiliteit: de ambitie is dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zich-zelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en land-schap steeds nadrukkelijk meegewogen worden 7. Wonen en Werken: de ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklo-caties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn; 8. Landschap: de ambitie is het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Het wegnemen van de grote druk op de woningmarkt is één van de opgaven. In Noord-Holland Noord moeten er 20.000 woningen bijkomen tot 2040.
Het op peil houden van het voorzieningenniveau in de gehele provincie een andere. Beoordeling en conclusie Di bestemmingsplan gaat uit van een duurzaam gebruik van de ruimte, raakt geen provinciale belangen en is in overeenstemming met de Omgevingsvisie van de provincie Noord-Holland. 3.2.2
Omgevingsverordening NH202w In deze verordening worden regels gegeven omtrent de inhoud van (bestemmings)plannen over onderwerpen in zowel het landelijke als het bestaand bebouwd gebied van Noord-Holland waar een provinciaal belang mee gemoeid is. In de verordening worden algemene regels gegeven voor de Provinciale Planologische Commissie, de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling, bedrijventerreinen en detailhandel, de mogelijkheden voor woningbouw in het landelijke gebied, de vereiste ruimtelijke kwaliteit verbonden met stedelijke en niet-stedelijke ontwikkelingen in het landelijke gebied, de Groene en Blauwe Ruimte, energie en landbouw. Beoordeling en conclusie De locatie is gelegen binnen Bestaand Stedelijk gebied. In het algemeen stelt de Verordening weinig regels aan ontwikkelingen binnen BSG. De verordening werpt geen belemmeringen op voor het bestemmingsplan.
18
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Cultuurhistorische Nota Bergen 2009-2018 In deze nota formuleert de raad een visie op de cultuurhistorische waarden van de gemeente: “in wisselwerking met de burgerij van de gemeente Bergen, de waarde van het gebouwde, archeologische en cultuurlandschappelijke erfgoed aangeven, beheren, versterken en toegankelijk te maken. Door dit erfgoed te behouden en duurzaam te ontwikkelen wordt betekenis gegeven aan de leefomgeving. Dit uitgangspunt van behoud door ontwikkeling maakt nieuwe ontwikkelingen mogelijk, maar wel vanuit de visie dat de historische identiteit de basis is voor het behoud van een kwalitatief hoogwaardige leefomgeving”. De uitgangspunten die hierbij horen zijn: 1. Naarmate de ontwikkelingslocatie een grotere cultuurhistorische waarde heeft, wordt de cultuurhistorie eerder in de besluitvorming betrokken; 2. Bij ruimtelijke ingrepen wordt niet alleen onderzocht welke archeologische, maar ook welke andere cultuurhistorische waarden in het geding zijn; 3. Bergen is rijk aan cultuurhistorie. De cultuurhistorie is belangrijk voor de identiteit binnen de gemeente. Behoud en versterking van de cultuurhistorische waarden van de gemeente Bergen zijn de hoofduitgangspunten in het cultuurhistorische beleid; 4. Cultuurhistorie betreft een zaak van de hele samenleving; toegankelijkheid en ontsluiting van de cultuurhistorie is voor bewoners en bezoekers; 5.
Cultuurhistorie betreft het object in zijn omgeving, maar ook de omgeving als zodanig; 6. De diverse kernen van Bergen hebben elk een eigen karakter of identiteit. De kernen staan niet los van het landschap, maar zijn daarin opgenomen. Het landschap heeft ook een identiteit. Tezamen vormen deze componenten de identiteit van Bergen. In de doelstelling en ambitie wordt geen hiërarchie van de componenten aangebracht, maar een gericht beleid op maat aangehouden. Beoordeling plan en conclusie Het plangebied ligt in het bestaand stedelijk gebied. In hoofdstuk 2 is reeds onderbouwd dat de wezenskenmerken van Bergen niet worden aangetast cq. de ontwikkeling binnen het stedenbouwkundig patroon. Ook cultuurhistorische waarden worden niet aangetast.
3.3.2
Ontwerp omgevingsvisie gemeente Bergen, 2021 Het ontwerp van de omgevingsvisie voor Bergen heeft ter inzage gelegen in 2021. Een omgevingsvisie is een toekomstvisie op hoofdlijnen. Een koersbepaling die aangeeft wat we belangrijk vinden en waar we ons voor in zetten. De gemeente schets een toekomstbeeld voor 2040, ‘de stip op de horizon’. De gemeente omschrijft deze aan de hand van vier ingangen: 1. leefbare kernen; 2. een toekomstbestendig buitengebied; 3. gezond, samen en inclusief, en;
19
4. duurzaam en bereikbaar. Met name het eerste thema is voor dit plan relevant. Leefbare kernen zijn kernen waar het goed wonen is. Kernen die een eigen karakter hebben waar de bewoners zich verbonden mee voelen en trots op kunnen zijn. Kernen waar een goede balans is tussen rust en levendigheid. En kernen waar woningen beschikbaar zijn voor verschillende doelgroepen. Zo dat vrienden en familie desgewenst bij elkaar in de buurt kunnen wonen. En zo dat verschillende mensen met elkaar in contact komen. Leefbare kernen zijn ook kernen waarin maatschappelijke voorzieningen en zorg bereikbaar zijn. Dit kan doordat deze voorzieningen in het eigen dorp beschikbaar zijn, of in een naburig dorp waarmee goede verbindingen bestaan. Leefbare kernen hebben een openbare ruimte die er goed uitziet. Een ruimte die het makkelijk maakt om elkaar te ontmoeten, die uitnodigt tot beweging, sport en spel. En een openbare ruimte die duurzaam en veilig is. De gemeente geeft invulling aan leefbare kernen aan de hand van vijf speerpunten. 1. we ontwikkelen met respect voor onze waarden; de cultuurhistorie en de identiteit van onze kernen; 2. onze kernen zijn vitaal en aantrekkelijk, met goede basisvoorzieningen; 3. in onze kernen kunnen jong en oud een woning vinden en elkaar ontmoeten; 4. verspreid over onze kernen is een netwerk van maatschappelijke voorzieningen en zorg aanwezig; 5.
in onze openbare ruimte komen alle maatschappelijke opgaven samen. Het zorgen voor voldoende woningen voor jong en oud is een behoorlijke opgave. De gemeente Bergen heeft te maken met woningschaarste. Bergen heeft een grote aantrekkingskracht op huishoudens van buiten de gemeente en een bovengemiddeld dure woningvoorraad. Daarnaast vindt in de gemeente onttrekking van reguliere woningen door tweede woningbezit of recreatieve verhuur plaats. Door verscherping van het beleid en handhaving willen we dit weglekken van permanente woningen voorkomen. Naast schaarste aan woningen hebben we te maken met een vergrijzing gedreven krimp. En er is ruimte nodig voor huisvesting van bijzondere doelgroepen bijvoorbeeld in de vorm van beschermd wonen. Er zijn meer jongeren die uitstromen dan ouderen. Dit zonder dat werkgelegenheid hieraan ten grondslag ligt. Deze krimp heeft negatieve gevolgen voor de leefbaarheid. Door sturing op de woningvoorraad en aanwezige voorzieningen zetten we in op het behouden van de helft van de jongeren, die anders zouden verhuizen naar een andere gemeente in de regio Alkmaar. De verwachting is dat hierdoor het aantal huishoudens in Bergen met ruim 1000 zal toenemen in de periode 2019 - 2029. Om de krimp tegen te gaan zetten we in op een ambitieus woningbouwprogramma. Voor een groot deel van de benodigde woningen is reeds een ruimtelijke procedure gestart.
Dit gebeurt voor een belangrijk deel op locaties binnen kernen. Bijvoorbeeld op plekken waar een functie kan veranderen naar wonen. We besteden extra aandacht aan woningen voor starters, jongeren, jonge gezinnen, voor geschikte huisvesting voor ouderen en huisvesting voor kwetsbare groepen. We verbeteren daardoor de doorstroming op de woningmarkt. In overleg met de ketenpartners zetten we naast gerichte nieuwbouw ook in op gerichte verbouw van woningen. Bijvoorbeeld om woningen levensloopbestendig en energiezuinig te maken. Ini-
20
tiatieven voor nieuwe woonconcepten in de sfeer van autoluw wonen en wonen gericht op zorg voor elkaar worden als waardevolle aanvulling gezien op het huidige aanbod. Onderdeel van dit speerpunt is het zorgen voor betaalbare woningen voor jongeren. En daarnaast voor voorzieningen die het wonen in gemeente Bergen aantrekkelijk maken. Hierbij horen goede verbindingen (doorfietspaden en goed OV) en werkplekken voor mensen die thuis geen gelegenheid hebben om op afstand te werken of studeren. Het kunstdorp Bergen heeft duidelijk een bovenlokale betekenis die we willen houden. Het hart en centrum van het dorp speelt daarin een belangrijke rol. Dit dorpshart wordt opgeknapt aan de hand van de uitgangspunten in de Structuurvisie en het beeldkwaliteitsplan Mooi Bergen 2.0. Naast verbeteringen in het centrum spelen er veel veranderingen in het noordoostelijke deel van het dorp. Daar gaan een aantal functieveranderingen plaatsvinden; vooral van voorzieningen naar wonen. Ook geldt dat de bomenrijkdom en het veelvuldig voorkomen van lanen een kwaliteit is die we willen behouden en versterken. In Bergen kan zowel door functieverandering als uitbreiding woningbouw plaatsvinden. In hoofdzaak zal dit plaatsvinden in een tot twee bouwlagen met of zonder kap. Maar voor locaties die daarvoor geschikt zijn is goed ingepaste gestapelde bouw ook mogelijk.
En vanwege de toenemende vraag naar één- tot twee persoonshuishoudens in de buurt van voorzieningen, ook wenselijk. Net als bij de andere kernen past hier maatwerk en kwalitatieve architectuur. Beoordeling en conclusie Dit plan geeft invulling aan de Omgevingsvisie: er is sprake van inbreiding en functieverandering (Bedrijf naar Wonen). De woningen zullen geschikt zijn voor gezinnen maar kunnen ook goed levensloopbestendig worden gebouwd. Daarnaast gaan de woningen bestana uit één bouwlaag met kap, passend binnen het dorpse karakter. De lanenstructuur en bomenrijkdom blijft voorts behouden, wel wordt de kap van enige bomen voorzien, doch dit wordt tot een minimum beperkt.
3.3.3
Lokale woonvisie Bergen N.H. (2015 - 2020) en Regionaal Actieprogramma 20016-2020 De gemeente Bergen heeft de volgende visie: de gemeente Bergen streeft naar een kwalitatief goed en gedifferentieerd woningaanbod dat aansluit op de vraag van haar huidige en toekomstige inwoners. De gemeente streeft er naar dat verschillende doelgroepen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en een wooncarrière kunnen maken binnen de gemeente. Hierbij zijn de demografische ontwikkelingen een gegeven. De gemeente heeft voor de periode tot 2020 de onderstaande beleidsdoelen geformuleerd: • • • •
Het zorgen voor een kwalitatief goed woningaanbod (geschiktheid, kwaliteit en duurzaamheid); Het realiseren van een gedifferentieerd woningaanbod; Het huisvesten van de huidige en toekomstige inwoners (doelgroepen); Flexibiliteit en maatwerk.
De gemeente Bergen richt zicht bij het zorgen voor een kwalitatief goed woningaanbod op geschiktheid, kwaliteit en duurzaamheid. Bij nieuwbouw hanteert de gemeente
21
Bergen de Ladder voor duurzame verstedelijking. Met andere woorden eerst herstructureren, dan inbreiden en tenslotte uitbreiden. Verder wil de gemeente zoveel mogelijk levensloopgeschikte woningen realiseren, bouwen voor de eigen inwoners en voor de regio, de verdeling in woningbouwcategorieën aanpassen, aan het Fonds sociale woningbouw 6 nadere voorwaarden verbinden, sociale koop sociaal houden en sociale grondprijzen voor sociale huurwoningen bij grond in eigendom van de gemeente. Bovendien wil de gemeente waar mogelijk particuliere initiatieven als CPO, woongroepen en herbestemming van leegkomende gebouwen faciliteren. Tot slot wil de gemeente het woningbouwprogramma met aanpassingen realiseren en prioriteren en het traject faseren & gedoseerd uitvoeren. Bij flexibiliteit onderzoekt de gemeente mogelijkheden om meer ruimte te bieden in bestemmingsplannen en wet- en regelgeving. De gemeente Bergen wil maatwerk bieden bij differentiatie in woningen, woningtypen, woonvormen, combinatie wonen en werken, inrichting woon- en leefomgeving en woonconcepten. Regionaal Actie Programma 2016 t/m 2020 Het Regionaal Actie Programma 2016 t/m 2020 is een document dat de belangrijkste ambities en afspraken op het gebied van wonen weer geeft.
In de regio Alkmaar is er veel aandacht om te komen tot een gezamenlijke programmering, die recht doet aan de ambitie van de regio en de huishoudensbehoefte en aan de situatie dat de regiogemeenten ook vanuit het verleden samen met de provincie en de marktpartijen zijn gekomen tot afspraken over woningbouwproductie. De regio Alkmaar zet in op een woningaanbod dat aansluit bij de vraag. De nieuwbouwprogrammering is flexibel om zo jaarlijks goed mogelijk te kunnen aansluiten bij de vraag. Voor nieuwbouwprogrammering hanteren we naast de actuele provinciale prognose voor demografie en nieuwbouw ook andere recente prognoses. Uitgangspunt is dat iedere gemeente in de regio Alkmaar de lokale uitbreidingsbehoefte kan faciliteren. Ook is afgesproken dat gemeenten niet meer dan het gemeentelijk aandeel in de prognose benutten. Actuele prognoses In het RAP is afgesproken dat de meest actuele prognoses worden gebruikt. De meest actuele prognose is van de provincie van 2020). In de regio Alkmaar is voldoende plancapaciteit aanwezig om in de woningbehoefte te voorzien tot 2040 (ook wanneer de inhaalvraag wordt opgeteld bij de groei van de woningbehoefte). Een groot gedeelte van de plancapaciteit is hard (circa 90% van de woningbehoefte tot 2040 is hard, dit is 77% wanneer de inhaalvraag bij de woningbehoefte wordt opgeteld).
Er wordt voorzien in een behoefte van 7.800 woningen bij een harde plancapaciteit van 7.900. Het plan voor de Harmonielocatie is (onder de naam de 7 Dorpelingen) opgenomen als één van die harde plannen in de Monitor Plancapaciteit. Het aantal bedraagt hier nog 20. Hier zijn 7 woningen aan toegevoegd. In de regio Alkmaar is bij de vaststelling van het RAP evenwel onder meer bepaald dat de kwantitatieve overcapaciteit van de gemeente Bergen wordt geaccepteerd aangezien het uitgangspunt is dat de gemeente Bergen niet alleen bouwt voor de eigen inwoners, maar ook voor de regio. De andere gemeenten hebben die capaciteit dus niet binnen BBG. Vanuit de gemeente Bergen zijn de binnenstedelijke mogelijkheden beperkt door het ontbreken van grootschalige locaties voor grondgebonden woningen.
22
Uit de Notitie Bergense Behoefte (januari 2021) volgt bovendien dat er ruimte is voor de bouw van 1.473 woningen om aan de woningbehoefte te kunnen voldoen. Binnen Bergen is sprake van een overaanbod van dure grondgebonden woningen en een oplopende schaarste in het sociale segment. Met het voorgenomen woningbouwplan wordt derhalve aangesloten bij de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte. Woningbouwcategorieën Het beleid ten aanzien van woningen is als volgt. Bij huur- en koopwoningen wordt een verdeling van 40% categorie 1 en 2 en 60% categorie 3 en 4 gehanteerd, waarbij per situatie bekeken wordt hoeveel woningen in categorie 1 en 2 gerealiseerd worden. De verdeling over woningbouwcategorieën wordt toegepast vanaf een toevoeging van meer dan vijf woningen aan de woningvoorraad op één locatie. Nieuwbouw Bij nieuwbouw moet gebruik worden gemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Herstructurering en inbreiding zijn voor de gemeente Bergen vrijwel de enige opties. Met herstructurerings- en inbreidingslocaties moet zorgvuldig omgegaan worden. De aantrekkingskracht van verschillende kernen in de gemeente Bergen wordt onder andere gevormd door het aanwezige groen en zichtlijnen op het omringende landschap. Wanneer kleinschalige inbreidingslocaties volgebouwd worden betekent dat ook dat juist aan die aantrekkingskracht getornd wordt.
Algemeen uitgangspunt voor de provincie is dat in de regio gekeken moet worden of andere gemeenten nog wel capaciteit binnen BBG hebben. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied in het kader van de PRV en de Ladder voor duurzame verstedelijking. Door middel van de voorgenomen ontwikkeling worden centrumvoorzieningen gecombineerd met wonen en wordt een levendiger en meer samenhangend centrum gecreëerd. Het aantal van 3 blijft onder de drempelwaarde van 5, zodat er geen verplichting is voor sociale woningbouw. 3.3.4
Nota Parkeernormen 2020 Gemeente Bergen De Nota Parkeernormen 2020 geldt sinds 1 december 2020 en vervangt de Nota Ruimtelijk Parkeren 2014. Belangrijk onderdeel binnen deze nota is dat de parkeerbehoefte die ontwikkelingen veroorzaken in principe binnen de grenzen van het betreffende plangebied dienen te worden opgelost. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de parkeernormen die in bijlage 2 bij de nota zijn opgenomen. Beoordeling en conclusie In paragraaf 4.2.5 is gemotiveerd op welke wijze aan de Nota Parkeernormen 2020 wordt voldaan. In de algemene bouw- en gebruiksregels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen op grond waarvan een omgevingsvergunning voor bouwen uitsluitend verleend kan worden als in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien.
23
3.3.5
Welstandsnota Voor het gehele grondgebied van de gemeente Bergen heeft de gemeenteraad (juni 2004) een Welstandsnota vastgesteld. In deze nota zijn de criteria beschreven die ten grondslag liggen aan de welstandsbeoordeling bij het beoordelen van bouwplannen. In de nota komen, na een hoofdstuk over het ruimtelijke welstandsbeleid in Bergen, de welstandscriteria aan de orde. Allereerst komen daarbij de algemene welstandscriteria aan de orde, vervolgens de 'relatieve' welstandscriteria voor specifieke gebieden en objecten. Tot slot komen de 'absolute' criteria aanbod voor de sneltoets van veel voorkomende kleine bouwwerken. Beoordeling en conclusie De bouwplannen word en tzt in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen aan de Welstandsnota getoetst. Op voorhans is er geen reden aan te nemen dat de welstandsnota uitvoering in de weg staat.
24
4
Milieu- en omgevingsaspecten
4.1
Milieu-aspecten
4.1.1
Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) Algemeen In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Beoordeling Het plan voorziet in de mogelijkheid tot het realiseren van drie woningen. Het gaat niet om activiteiten die zijn genoemd in de Dlijst (cate-gorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Hiermee wordt immers bedoeld grootschalige integrale gebieds (her)ontwikkeling1. Het milieubelang wordt in het kader van het bestemmingsplan in navolgende paragrafen voldoende mate afgewogen. Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect Besluit m.e.r. vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.1.2
Milieuzonering Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging tussen bedrijvigheid enerzijds en gevoelige functies met betrekking tot de hinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De SvB is opgesteld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Er dient hierbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt te worden in de bestaande situatie en de nieuwe situatie. Bij het realiseren van een nieuwe functie (woningbouw) dient vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (woningen) worden hinder en gevaar voorkomen (anders gezegd, er kan een acceptabel woon- en leefklimaat voor de woningen worden gegarandeerd) en wordt het bedrijven mogelijk binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen/ de bedrijfsvoering uit te oefenen. Dit heet milieuzonering.
1 ECLI:NL:RVS:2022:2394
25
Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.
Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, dienstverlening, horeca en/of kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Beoordeling In de eerste plaats wordt getoetst of de functie past in de omgeving. Voorliggend plan ziet op de realisatie van drie woningen. Dit is een milieugevoelige functie . Er zijn in de omgeving echter geen bedrijven aanwezig zodat van een acceptabel woon- en leefklimaat sprake zal zijn en bedrijven niet belemmerd worden in hun bedrijfsvoering. In de tweede plaats moet worden bepaald of de omgeving de nieuwe functie toelaat. Richtinggevend hierin zijn de indicatieve onderzoekszones zoals opgenomen in de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Van een woning gaat evenwel geen
26
hinder uit; en het bollenbedrijf is ter plaatse reeds aanwezig (de voornoemde VNG publicatie gaat over nieuwe situaties). Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 4.1.3
Externe veiligheid Wettelijk kader Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal dodelijke slachtoffers beperkt blijft. Het Vuurwerkbesluit en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stellen afstandseisen aan risicovolle bedrijfsactiviteiten. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zien toe op transportroutes met gevaarlijke stoffen en op transport via buisleidingen (alhoewel eerstgenoemde nog niet in werking getreden is, kan er al wel rekening mee worden gehouden). In het wettelijk kader en externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in twee soorten risico’s, namelijk plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). PR en het GR dienen elk een andere doelstelling. Het PR heeft te maken met de veiligheid van de risicobron (technisch systeem) en is bedoeld voor de burger / gebruiker als individu. Het GR zegt iets over de inrichting van de ruimte rond de risicobron en is bedoeld voor de bestuurder. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woon-, werk- of verblijfsomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die een jaar lang permanent op een plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een ongeluk. Deze basisnorm bepaalt dat het risico om te overlijden aan een ongeluk met een gevaarlijke stof voor omwonenden niet hoger mag zijn dan één op de miljoen (10-6). Groepsrisico Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het risico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1000 slachtoffers tegelijk vallen. Dit risico is daardoor een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde. Dit is geen norm, maar een ijkpunt. De oriëntatiewaarde wordt uitgedrukt in een risicocurve. De oriëntatiewaarde houdt in dat het bevoegd gezag in situaties daarboven gemotiveerd kan afwijken. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico’s accepteert. De gemeente is verplicht om een belangenafweging te maken. Dit is de verantwoording van het groepsrisico. Daarbij spelen onder de zelfredzaamheid, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol.
Situatie plangebied Uit de beoordeling van de risicokaart van de provincie Noord-Holland blijkt dat er geen Bevi-inrichtingen of vuurwerkbedrijven in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn en dat het plangebied niet binnen een invloedsgebied ligt van aangewezen routes
27
voor transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoorweg of buisleiding. Zie navolgende uitsnede van de Atlas voor de Leefomgeving.
Uitsnede Atlas voor de Leefomgeving Conclusie Gelet op bovenstaande, bestaan er geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid.
4.1.4
Bodem Algemeen Bij functiewijzigingen die leiden tot een verandering van de bestaande bestemming moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem de realisatie van de gewenste functie toestaat. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden. Beoordeling en conclusie Om na te gaan of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik, is bodemonderzoek verricht2. De gestelde hypothese dat verhogingen aan metalen en/of PAK worden verwacht is bevestigd. Er is een sterke verhoging aan zink in de bovengrond ter plaatse van boring 03 aangetroffen, alsmede een sterke verhoging aan PAK in de bovengrond ter plaatse van boring 08. Mogelijk is er sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Naar aanleiding van de bevindingen dient nader onderzoek plaats te vinden om de ernst en omvang van de verontreinigingen vast te stellen. De grond is aanvullend onderzocht op PFAS. Hieruit blijkt dat in de bovengrond in enige mate PFAS aangetoond wordt. De gehalten zijn echter niet dermate verhoogd aanwezig, dat er vanuit kan worden gegaan dat deze verhogingen afkomstig zijn van depositie. Asbestonderzoek De gestelde hypothese dat de bovengrond verdacht is op het voorkomen van asbest, is niet bevestigd. In de bovengrond is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen.
2 3. Verkennend bodemonderzoek Lijtweg 54 Bergen, Grondslag, 23 februari 2023
28
Het nader bodemonderzoek heeft plaatsgevonden en is als bijlage toegevoegd 3. De omvang van de verontreinigingen met zink en PAK ter plaatse van de onderzoekslocatie Lijtweg 54 te Bergen is middels een nader onderzoek vastgelegd. De omvang van de verontreiniging is in kaart gebracht. De omvang van de sterke verontreiniging met zink in grond bedraagt circa 21 m3. Er is sprake van een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’ omdat deze deel uitmaakte van een grotere perceelsoverschrijdende sanering. De omvang van de sterke verontreiniging met PAK in grond bedraagt circa 18 m3. Er is géén sprake van een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’. De verontreinigingen zijn te relateren aan de bodemvreemde bijmengingen. De verontreinigingen zijn ontstaan voor 1987, waardoor er geen sprake is van een ‘nieuw geval van bodemverontreiniging’. Opmerkingen en aanbevelingen zinkverontreiniging Uit de risico-analyse volgt dat de verontreiniging bij het huidige gebruik geen risico’s oplevert en dat een sanering dus niet spoedeisend is. In verband met het voornemen de locatie te herontwikkelen voor woningbouw, zal de aangetroffen verontreiniging gesaneerd moeten worden. Aanbevolen wordt om voorafgaand aan de sanering een saneringsplan op te stellen, waarin de aanpak van de sanering en de randvoorwaarden worden beschreven.
In bepaalde gevallen is het mogelijk te saneren onder de BUS-regeling (Besluit Uniforme Saneringen), waarvoor een kortere en eenvoudiger procedure geldt. Opmerkingen en aanbevelingen PAK-verontreiniging Aangezien er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, geldt geen saneringsplicht. Echter, omdat de locatie herontwikkeld wordt voor woningbouw en de verontreiniging met zink gesaneerd moet worden, wordt aanbevolen om deze verontreiniging mee te nemen in de sanering. De BUS-melding/sanering zal plaatsvinden als onderdeel van een nog aan te vragen omgevingsverguning. Voor het bestemmingsplan is de bodem voldoende onderzocht. Voor de wasserij geldt, dat hier nog bodemonderzoek moet plaatsvinden. Nu niet exact bekend is wanneer de wasserij beëindigd en gesloopt wordt, is het niet opportuun nu al bodemonderzoek te verrichten. Bovendien is het rechtstreeks mogelijk de wasserette te saneren en 2 woningen te realiseren.
3
Boorpuntenkaart 29
4.1.5
Geluid Wettelijk kader De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De Wgh heeft tot doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidsniveaus. In de Wgh zijn hiervoor twee soorten grenswaarden opgenomen: a Voorkeursgrenswaarde : Deze waarde garandeert een vrij goede woon- en leefsituatie binnen de invloedssfeer van een geluidsbron (wegen, spoorwegen, enz). b Hoogste toelaatbare geluidsbelasting: Deze waarde geeft de hoogste gevelbelasting weer waarvoor een hogere waarde kan worden aangevraagd. De grenswaarden zijn onder andere afhankelijk van de geluidsbron (weg- of railverkeer), de ligging van de geluidsgevoelige bebouwing (stedelijk of buitenstedelijk gebied) en het type geluidsgevoelige bebouwing. In de onderstaande tabel zijn voor woningen de voorkeursgrenswaarden en de meest voorkomende hoogste toelaatbare geluidsbelastingen uit de Wgh voor wegverkeer en uit het Bgh voor railverkeer weergegeven.
Wegverkeer De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg: stedelijk of buitenstedelijk. De zone ligt aan weerszijden van de weg en is gemeten vanuit de rand van de weg. De zones, zoals beschreven in artikel 74 van de Wgh, zijn weergegeven in de volgende tabel.
Artikel 74 lid 2 van de Wgh maakt een uitzondering voor wegen met een 30 kmregime en woonerven. Deze wegen hebben geen zone en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig.
30
Beoordeling en conclusie Het plangebied ligt niet binnen de onderzoekszone van een weg en daarom is akoestoisch onderzoek niet vereist. Verder is de verkeerintensiteit zodanig laag dat op voorhand beredeneerd kan worden sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat vanwege wegverkeer. Het aspect geluid staat het initiatief niet in de weg.
4.1.6
Luchtkwaliteit Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 (hierna: “Wlk”) en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen betreffende luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 is 40 μg/m3; voor PM2,5 is dat 25 μg/m3. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende vier voorwaarden voldoet: 1. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2. een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. een project draagt slechts in ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in; 4. past binnen het NSL of een regionaal programma van maatregelen.
Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden omdat deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 ųg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.
Bij woningen ligt de grens op 1.500 bij één ontsluitingsweg.
31
Beoordeling en conclusie Het onderhavige project gaat over de realisatie van drie woningen. Het project is zodoende als NIBM aan te merken. Daarnaast blijkt uit de Atlas voor de leefomgeving dat de luchtkwaliteit ter plaatse goed is; er worden geen grenswaarden overschreden (PM10, PM2,5 of NO2). Het aspect “luchtkwaliteit” vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
32
4.2
Omgevingsaspecten
4.2.1
Water Beleid In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst waterbeleid 21e eeuw (WB’21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de “watertoets” de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water is gericht op het bereiken van een goede ecologische waterkwaliteit in alle Europese wateren. In 2015 moet dat gerealiseerd zijn. De lidstaten moeten in 2009 (inter)nationale stroomgebiedbeheersplannen vaststellen waarin zij aangeven welke maatregelen ze gaan nemen om de doelstelling te halen. De provincie Noord-Holland maakt volledig deel uit van het deelstroomgebied Rijndelta en het daarbinnen begrensde deelstroomgebiedsdistrict Rijn-West. Binnen RijnWest werkt Noord-Holland samen met alle betrokken waterbeheerders (Rijkswaterstaat, buurprovincies, waterschappen en gemeenten) aan het opstellen van het regionale deel van het genoemde stroomgebiedbeheersplan Rijndelta. Rijksbeleid In het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat in 2015 het watersysteem op orde moet zijn en blijven. Water moet weer de ruimte krijgen en is medesturend voor het ruimtelijk beleid.