CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 9 Natuurtoets (incl voortoets)Duinweg 58-60 Schoorl.pdf

Gemeenteraad 25 april 2024, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 8: Voorstel betreft het bestemmingsplan Duinweg 58 en 60 Schoorl en de bijbehorende begrotingswijziging vast te stellen11.616 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-263

Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl

Bijlage 1.6 Europese wetgeving Bijlage 1.6.1 Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn (HRl) wordt algemeen beschouwd als de richtlijn waarin de bepalingen van de Conventie van Bern (1979, in werking 1982) in het Europees Gemeenschapsrecht zijn omgezet. Hij heeft zowel een gebiedsbeschermend doel als een doel met betrekking tot soortbescherming. Gebiedsbescherming De Habitatrichtlijn is gericht op de realisatie van een coherent Europees ecologisch gebiedennetwerk, het zogenaamde Natura 2000netwerk. Hiervoor dienen de EU-landen in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aan te wijzen, soms in combinatie met Vogelrichtlijngebieden (zie Bijlage 1.6.2). Als speciale beschermingszones worden alleen gebieden aangewezen met natuurlijke vegetaties (habitats) genoemd in Bijlage I van de Habitatrichtlijn en/of de leefgebieden van diersoorten die zijn genoemd in Bijlage II (zie kader). De aanwijzing van gebieden als speciale beschermingszone heeft een aantal gevolgen. Zo dienen de EU-landen maatregelen te treffen zodat de natuurlijke vegetaties (habitats) en/of de leefgebieden van de te beschermen soorten zich verder kunnen ontwikkelen.

Binnen de aangewezen gebieden kunnen plannen of projecten die ‘significante gevolgen’ op deze ontwikkeling hebben alleen worden toegestaan indien ze een dwingende reden van groot openbaar belang vertegenwoordigen en indien is aangetoond dat voor het plan of project in kwestie geen alternatief is. Bovendien moeten als vergoeding voor de natuurwaarden die worden aangetast, compenserende maatregelen worden getroffen om de samenhang van het Natura 2000-netwerk te waarborgen. Soortbescherming De Habitatrichtlijn beschermt soorten die voorkomen in Bijlage IV. In deze Bijlage zijn soorten opgenomen waarvoor geen verplichting geldt om hun leefgebied als speciale beschermingszone aan te wijzen maar die wel op een andere wijze bescherming behoeven. Zo dienen de EU-landen voor deze soorten onder meer een verbod in te stellen op de beschadiging of de vernieling van hun voortplantings-, groeien rustplaatsen en moet een verbod gelden op het vangen, vernielen en doden van deze planten en dieren.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-263

Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl

Kader Bijlagen van de Habitatrichtlijn.

Bijlage Bijlage I

Omschrijving In deze bijlage staat een lijst met beschermde vegetaties (habitats) waarvoor Habitatrichtlijngebieden worden aangewezen. In Nederland gaat het om 52 habitattypen, waarvan 11 prioritaire typen met een zwaarder beschermingsregime. Bijlage II In deze bijlage staat een lijst met 50 diersoorten en 5 plantensoorten waarvoor beschermde gebieden moeten worden aangewezen In Nederland betreft het 36 soorten. Bijlage III Deze bijlage geeft diverse wetenschappelijke selectiecriteria voor de onderlinge beoordeling van mogelijke beschermingszones. Deze criteria hebben vooral te maken met de mate van representativiteit, de oppervlakte, de mate van instandhouding en de herstelmogelijkheden van de habitattypen. Bijlage IV In deze bijlage staat een lijst met 87 diersoorten en 4 plantensoorten waarvoor de lidstaten beschermingsmaatregelen moet nemen. Bijlage V In deze bijlage staat een lijst met 43 plantensoorten en 19 diersoorten waarvoor exploitatie en onttrekken aan de natuur -indien nodig- moet worden gereguleerd.

Bijlage 1.6.2 Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn (VRL) verplicht de lidstaten van de Europese Unie de instandhouding te garanderen van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Europese verdrag van toepassing is. Artikel 4 van de Vogelrichtlijn bevat, net als de Habitatrichtlijn, de verplichting tot het aanwijzen van zogenaamde speciale beschermingszones. Deze ‘Vogelrichtlijngebieden’ beschermen in Nederland 95 vogelsoorten (van Bijlage I van de richtlijn). Vogelrichtlijngebieden zijn vervolgens, vaak samen met Habitatrichtlijngebieden, ingevoegd in het Natura 2000-netwerk.

Bijlage 1.7 Landelijk: Wet Natuurbescherming Bijlage 1.7.1 Algemeen In deze wet is de bescherming van gebieden en soorten geregeld en zijn ook de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn uitgewerkt. De wet kent verschillende typen gebieden, waarbij alleen het eerste door de Minister van EZ wordt aangewezen en de overige door gedeputeerde staten (art. 1.12, 2.1, 2.11):  Natura 2000-gebieden: opnieuw begrensde samenstelling van Vogel- en Habitatrichtlijngebieden, 162 gebieden in Nederland.  Bijzondere nationale natuurgebieden, (1) opgenomen in natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen ecologsiche hoofdstructuur), (2) voorgedragen Natura 2000-gebieden die nog niet op de communautaire lijst geplaatst zijn, (3) compensatiegebieden buiten de Natura 2000-begrenzing en (4) gebieden die nodig zijn voor de instandhouding of het herstel van biotopen en leefgebie-

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-263

Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl

den voor vogels (VRL bijlage I plus ‘trekvogels’) of het behoud of herstel van een gunstige staat van instandhouding van habitats en soorten van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V).  Bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen: buiten NNN, ander beschermingsregime; o.a. voor het behoud of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van soorten van de Rode Lijsten (art. 1.12, lid 1, onderdeel c). De Minister stelt een nationale natuurvisie vast (art. 1.5), waarin o.a. aandacht wordt besteed aan (lid 3, onderdeel a) het behoud en zonodig herstel van een gunstige staat van instandhouding van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren en planten en de in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats en habitats van soorten; daarnaast ook aan (lid 4) Rode lijsten en aan (lid 5) instandhoudingsdoelstellingen voor de in Natura 2000gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden te beschermen habitats en soorten. Het aanwijzingsbesluit voor Natura 2000-gebieden (art. 2.1) omvat de instandhoudingsdoelstellingen en de begrenzing van het gebied (in de vorm van een kaart met een toelichting).

Gedeputeerde staten zorgen ervoor dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de onderscheiden gebieden, instandhoudingsmaatregelen getroffen worden die beantwoorden aan de ecologische vereisten van leefgebieden van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten en de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats en de soorten (HRl bijlage II) die in die gebieden voorkomen. Ook treffen zij passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van de habitatrichtlijn een significant effect zouden kunnen hebben (art. 2.2). Hiertoe stellen zij een beheerplan vast (art. 2.3) en kunnen zij verplichtingen opleggen aan degenen die een handeling verrichten en bij verordening regels opstellen voor categorieën van handelingen of de toegang beperken of zelf handelingen (laten) verrichten (artt. 2.42.6). Projecten en handelingen die zijn beschreven in het beheerplan (zoals het bestaande gebruik) en in genoemde provinciale verordening zijn niet vergunningplichtig; voor deze activiteiten is de in de volgende paragraaf beschreven beoordeling al uitgevoerd (art. 2.9, lid 1-4).

Bijlage 1.7.2 Beoordeling van plannen, projecten en andere handelingen “Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-263

Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl

significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan” bepaalde voorwaarden (art. 2.7, lid 1). “Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied” (art. 2.7, lid 2). Voor bovengenoemde plannen en projecten (ook buiten een Natura 2000-gebied) met significante gevolgen of significant verstorende effecten maken het bestuursorgaan resp. de aanvrager van de vergunning een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied (art. 2.8, lid 1). Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten (art. 2.8, lid 3). Als die zekerheid niet kan worden verkregen, moet voldaan zijn aan elk van de volgende voorwaarden (art. 2.8, lid 4): a. er zijn geen alternatieve oplossingen; b.

het plan of project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De voorwaarden zijn nog strenger wanneer er significante gevolgen kunnen zijn voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort. In plaats van punt b hierboven geldt dan dat het nodig is vanwege (art. 2.8, lid 5): d. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of e. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie. Significantie Gevolgen zijn ‘significant’ wanneer de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied op lange termijn niet gerealiseerd kunnen worden. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort dan wel de kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-263

Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl

instandhoudingsdoelstelling, kan sprake zijn van significante gevolgen. Bijlage 1.7.3 Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming (artikel 2.1 lid 4) beschrijven de doelen voor de instandhouding van leefgebieden, natuurlijke habitats en populaties in het wild levende plant- en diersoorten, zoals vereist door de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Deze natuurwaarden moeten in een gunstige staat van instandhouding gebracht of gehouden worden. De ‘staat van instandhouding’ van een natuurlijke habitat wordt als ‘gunstig’ beschouwd wanneer:  het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en  de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en  de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is.

De ‘staat van instandhouding’ voor een soort wordt als ‘gunstig’ beschouwd wanneer:  uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en  het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en  er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. Beschermde natuurmonumenten Bij Beschermd Natuurmonumenten gaat het om de wezenlijke kenmerken (natuurschoon, natuurwetenschappelijke betekenis, dieren en planten) die in het aanwijzingsbesluit zijn vermeld en of handelingen schadelijk kunnen zijn en deze wezenlijke kenmerken aantasten. Bijlage 1.7.4 Externe werking Zowel projecten en andere handelingen in- als buiten een Natura 2000-gebied kunnen vergunningplichtig zijn. De wet kent namelijk de externe werking. Dit houdt in dat als een activiteit, die buiten een beschermd gebied plaats zal vinden, negatieve gevolgen kan hebben voor dat gebied, deze beoordeeld moet worden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-263

Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl

Bijlage 1.7.5 Bestaand gebruik Onder bestaand gebruik dient te worden verstaan: “gebruik dat op 31 maart 2010 bekend is, of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn bij het bevoegd gezag”. Voor bestaand gebruik is in principe geen vergunning benodigd. Bestaand gebruik is echter niet vergunningsvrij als sprake is van een project met mogelijk significante effecten voor een Natura 2000-gebied. Bijlage 1.7.6 Crisis- en herstelwet Op 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet in werking getreden. Op 5 juli 2013 is deze voor het laatst gewijzigd en op enkele kleine punten aangepast. Eén van de maatregelen uit de Crisis- en herstelwet zijn wijzigingen van de voormalige Natuurbeschermingswet 1998. Deze wijzigingen hebben als doel om de wet in de praktijk beter hanteerbaar te maken zonder afbreuk te doen aan de beoogde doelen van de wet. Zo wordt in de wet onder andere ‘bestaand gebruik’ geregeld. Verder is een nieuwe regeling ingevoegd over hoe om te gaan met stikstofdepositie, de ‘PAS’ (zie hierna, Bijlage 1.7.7) en wordt voorzien in een verlicht beschermingsregime voor beschermde natuurmonumenten en voor de oude doelen van Natura 2000. Naast deze veranderingen regelt de wet nog een aantal zaken omtrent de procedurele werking van de voormalige NB-wet.

Bijlage 1.7.7 Stikstof Al jaren is er in veel Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstofdepositie, veroorzaakt door landbouw, verkeer en overige menselijke activiteit. Dit is schadelijk voor de natuur en het belemmert vergunningverlening voor economische activiteiten. Vanwege een uitspraak van de Raad van State d.d. 29 mei 2019 kan niet meer gebruik gemaakt worden van automatische vergunningverlening op grond van de voorheen geldende drempelwaardes voor stikstofdepositie. Aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve gevolgen kunnen zijn op Natura 2000-gebieden. Om de depositie van het project te berekenen moet de meest recente versie van de rekentool ‘Aerius’ (AERIUS 2022) worden gebruikt. Als de projectbijdrage op de meest nabijgelegen ‘stikstofgevoelige habitattypen’ hoger is dan een berekende 0,005 mol/ha/jaar zijn mogelijk gevolgen te verwachten. Bijlage 1.7.8 Spoedwet aanpak stikstof Sinds 1 januari 2020 is de Spoedwet aanpak stikstof van kracht. Belangrijke verandering in de wet is dat geen vergunningplicht meer geldt voor "andere handelingen". Ook is artikel 2.7 van de Wnb in die Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-263

Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl

zin aangepast dat indien uit een voortoets kan worden afgeleid dat als gevolg van een project significant negatieve effecten op een Natura 2000-gebied zijn uit te sluiten geen vergunningplicht geldt. Daarnaast maakt de Spoedwet aanpak stikstof het mogelijk om drempelwaarden in te voeren, om bij ministeriële regeling een stikstofregistratiesysteem in te voeren en biedt de Spoedwet de mogelijkheid om nadere regels te stellen aan veevoer om zodoende via deze route de stikstofdepositie als gevolg van veevoer te verminderen. Bijlage 1.7.9 Wet en Besluit stikstofreductie en natuurverbetering Sinds 1 juli 2021 is de ‘Wet stikstofreductie en natuurverbetering’ en het ‘Besluit stikstofreductie en natuurverbetering’ van kracht. Deze wet regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie. In 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben, in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de stikstofwet verder uit, waaronder de bouwvrijstelling. De vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd.

Dat betekent bijvoorbeeld dat nog steeds een natuurvergunning nodig kan zijn voor stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door verkeer op een aan te leggen weg. Bijlage 1.7.10 Vergunningverlening Wanneer plannen bestaan om een project in- of rond een Natura 2000-gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegd gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Voor het uitvoeren van projecten in of nabij beschermde gebieden is vaak een vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming nodig. De hoofdvraag is of er een kans op significant negatieve gevolgen bestaat. Dat is het geval als op grond van objectieve gegevens niet valt uit te sluiten dat het project significante gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het gebied. Op deze vraag zijn twee antwoorden mogelijk:  Wanneer uit een voortoets kan worden afgeleid dat als gevolg van een project geen significant negatieve effecten op een Natura 2000-gebied optreden betekent dit dat geen vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming nodig is.  Er is kans op een significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening (artikel 2.7 lid 2) aan de orde is. Omdat er Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-263

Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl

kans op een significant negatief effect bestaat, is een passende beoordeling vereist (artikel 2.8 lid 1). Uit dit onderzoek, waarbij ook cumulatieve effecten moeten zijn meegenomen, kan blijken (1) dat er geen kans is op een negatief effect. In dat geval wordt de vergunning verleend. Ook kan blijken dat (2) er kans is op een aanvaardbaar negatief effect. In dat geval wordt de vergunning verleend onder voorschriften/beperkingen. Wanneer de gevolgen (3) inderdaad significant blijken te kunnen zijn moet aangetoond worden dat er geen alternatieven zijn, dat er een dwingende reden van groot openbaar belang is en dat voorzien is in compensatie. De aanvrager moet in de vergunningaanvraag zijn belang bij het verlenen van de vergunning motiveren. Binnen dertien weken na datum van ontvangst wordt beslist of de vergunning verleend wordt, of dat de termijn eenmalig met dertien weken wordt verlengd.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-263

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/5106/documents/39899