bij 9 Natuurtoets (incl voortoets)Duinweg 58-60 Schoorl.pdf
Tekst van het document
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
G&G-rapport 2023-263
Toetsing in het kader van de Wet Natuurbescherming
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming
R. Zimmerman
2023
Opdrachtgever DNS Planvorming B.V.
G&G-rapport 2023-263
Datum Versie
24 november 2023 V2
Gecontroleerd door: F.M. van Groen De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn.
Bovendijk 35-G
Hazenkoog 35-A
2295 RV Kwintsheul
1822 BS Alkmaar
www.vandergoesengroot.nl
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
3
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding 1.1
Aanleiding en doel ................................................................................................... 4
1.2
Het plangebied......................................................................................................... 6
1.3
Leeswijzer ................................................................................................................ 6
Methode 2.1
3
4
4
7
Habitattoets ............................................................................................................. 7
Projectbeschrijving
8
3.1
Huidige situatie ........................................................................................................ 8
3.2
Werkzaamheden en plansituatie............................................................................. 9
Habitattoets
11
4.1
Het Natura 2000-gebied ........................................................................................ 11
4.2
Effecten van het project ........................................................................................ 16
4.3
Gevoeligheid van de habitattypen en soorten ...................................................... 17 4.3.1 Algemeen................................................................................................................. 17
5
Voortoets
19
5.1
Significantie............................................................................................................ 19
5.2
Effectbeoordeling .................................................................................................. 20 5.2.1 Verontreiniging ........................................................................................................ 20 5.2.2 Verdroging ............................................................................................................... 20 5.2.3 Optische verstoring ................................................................................................. 21 5.2.4 Verstoring door geluid en trillingen ........................................................................ 21 5.2.5 Verstoring door licht................................................................................................ 21 5.2.6 Cumulatieve effecten .............................................................................................. 21
5.3
6
Conclusie Voortoets............................................................................................... 21
Samenvatting van de conclusies 6.1
22
Habitattoets ........................................................................................................... 22
7
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur
23
8
Bijlagen
25
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
4
1
Inleiding 1.1
Aanleiding en doel Het voornemen bestaat om de locaties Duinweg 58ZA en Duinweg 60 her in te richten. Op de locatie is eerder een quickscan uitgevoerd (FOKKENS, 2021). Vervolgens werd een inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving uitgevoerd (DE BEER, 2022). DNS Planvorming B.V. heeft aan ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot opdracht gegeven de sloop en nieuwbouw te toetsen aan de landelijke en provinciale natuurwetgeving. Onder de Wet Natuurbescherming (Wnb) valt soortbescherming en ook gebiedsbeschermende wet- en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (zie Bijlage 1.3). Naast bepalingen uit de Wnb kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (NNN, voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) aangewezen zijn’.
Ligging van het plangebied (rode omgrenzing), te renoveren bebouwing (geel omlijnd) en te slopen bebouwing (blauw omlijnd) ten opzichte van Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen, BPL, natuurverbindingen en het NNN.
Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
5
Natura 2000 Het plangebied ligt op meer dan 143 meter afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Schoorlse Duinen (zie Figuur 1 en Figuur 2). Gezien de ligging van het plangebied in de nabijheid van het Natura 2000-gebied 86 – Schoorlse Duinen is een toetsing van de gevolgen van dit plan voor dit Natura 2000-gebied aan de orde. Het plangebied ligt op meer dan 500 meter afstand van Natura 2000gebied, Noordhollands Duinreservaat. Gezien de grote afstand, afscherming door bebouwing, wegen, hoge bosrijke duinen en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid, trillingen, verdroging of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is door een andere partij een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Deze analyse wordt separaat aangeleverd, inclusief de bijbehorende pdf-bestanden. Houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, Er worden derhalve geen onder de Wnb genoemde beplantingen gekapt. Er is voor de kap van de bomen waarschijnlijk wel een gemeentelijke kapvergunning noodzakelijk.
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 1). De bescherming van gebieden als NNN-gebied is een planologische bescherming die alleen geldt voor ingrepen binnen de gebieden. ‘Externe werking’ op deze gebieden hoeft niet getoetst te worden. Wel dient te worden bekeken of een project valt onder ‘een goede ruimtelijke ordening’. De vraag is daarbij of de locatie wel de beste is voor deze bestemming (ook met het oog op natuurwaarden) en of de gevolgen van het plan het nabijgelegen NNN-gebied niet in betekenende mate aantasten. In het geval van het beschreven project wordt op grond van locatie, aard van het werk en afscherming geen belangrijke invloed verwacht op NNN-gebieden. Bijzonder Provinciaal Landschap Het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) is het regime voor bescherming in Noord-Holland voor gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. Het BPL is beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. De voormalige beschermingsregimes, Bufferzones, Aardkundige Monumenten en Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
6
Het plangebied ligt binnen BPL-nummer 11 Noord-Kennemerland. Zoals omschreven in het bestemmingsplan is er geen sprake van een aantasting van de kernkwaliteiten van het BPL Noord-Kennemerland. Voor de ruimtelijke inpassing is een uitgebreide analyse en verantwoording opgesteld. De locatie maakt deel uit van de binnenduinrand. De verkavelingsstructuur blijft ongewijzigd en er wordt met de herontwikkeling aangesloten op de Duinweg als ruimtelijke drager. Er vindt geen aantasting plaats van aardkundige waarden en de openheid in de omgeving. Er is geen sprake van geschikt habitat voor weidevogels. Tevens vindt de ontwikkeling plaats binnen de bestaande erven. Conclusie In dit rapport worden daarom de volgende toetsen uitgevoerd: Habitattoets.
1.2
Het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Op de kaart is tevens aangegeven hoe de locatie is gelegen ten opzichte van de oostelijke grens van het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt tussen de dorpen Bergen en Schoorl in. Verder is het plangebied voornamelijk omringd door open agrarisch landschap en losstaande woningen.
1.3
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt aangegeven hoe de toetsing is uitgevoerd. In hoofdstuk 3 wordt een beschrijving gegeven van het project dat getoetst moet worden. De habitattoets staat beschreven in hoofdstuk 4. Eerst wordt in §4.1 het Natura 2000-gebied beschreven en de daarin beschermde natuurwaarden. Hier wordt tevens het bekende of verwachte vóórkomen van deze waarden nabij of in het plangebied besproken. In §4.2 wordt aangegeven welke storende effecten zouden kunnen optreden bij het uitvoeren van het project, waarna in de volgende paragrafen de gevoeligheid van de relevante natuurwaarden voor de storende factoren wordt onderzocht en in een voortoets (hoofdstuk 5) de effecten van het project op de relevante natuurwaarden worden beoordeeld. Tenslotte worden in hoofdstuk 6 en 7 de conclusies op een rij gezet en wordt een literatuurlijst gepresenteerd. In Bijlage 1 wordt aangegeven hoe de wetgeving rond Natura 2000gebieden is ontstaan en wat deze wetgeving precies inhoudt. Tevens komt de bescherming van soorten aan de orde.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
2
7
Methode 2.1
Habitattoets Alhoewel in de wet het begrip ‘habitattoets’ niet voorkomt, wordt dit begrip in de praktijk veel gebruikt. De habitattoets dient om vast te stellen of, en zo ja, onder welke voorwaarden een nieuwe menselijke activiteit in en rondom een Natura 2000-gebied kan worden toegelaten. Volgens de Wnb is het verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor, het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. De vergunningplicht is dus beperkt tot die projecten die, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen/projecten, significante gevolgen kunnen hebben voor de relevante natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. Het begrip ‘natuurlijke kenmerken’ moet worden gerelateerd aan de instandhoudings-doelstellingen voor het gebied: ze hebben te maken met de ecologische functies. Wanneer op voorhand in een voortoets op basis van objectieve en navolgbare gegevens met zekerheid significante gevolgen zijn uitgesloten, dan geldt geen vergunningplicht. Wanneer er wel kans is op een significant negatief effect van het project op de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, is een passende beoordeling vereist.
De toetsing is uitgevoerd aan de hand van beschikbare literatuur, meest afkomstig van het ministerie van EZ en uit de rekentool Aerius (habitattypen). De informatie uit de gebiedendatabase werd aangevuld met informatie uit het beheerplan dat leidend is bij het behalen van de gestelde instandhoudingsdoelstellingen. Tevens werd tijdens het veldbezoek aan het plangebied op 23 november 2023 beoordeeld welke habitattypen aanwezig zijn nabij het plangebied, wat de kwaliteit hiervan is en zijn luchtfoto’s en recente foto’s bestudeerd, zie verder hoofdstuk 4.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
8
3
Projectbeschrijving In onderstaande paragrafen wordt een overzicht gegeven van de situatie die getoetst moet worden.
3.1
Huidige situatie Er staan zes gebouwen binnen het plangebied. Twee gebouwen behoren bij Duinweg 60 en vier gebouwen behoren bij Duinweg 58ZA. De stolp bij Duinweg 60 bestaat uit opgebouwde muren van steen met over het grootste deel strak aangesloten houten daklijsten en goten en heeft een met dakpannen belegd dak waar stro/riet onder zit. De schuur bij Duinweg 60 is opgebouwd uit diverse materialen. Zo is bij de bouw gebruik gemaakt van houten daklijsten, kunststof dakgoten, stenen muren, houten muren, dakpannen en dakplaten. Bij een gedeelte van de schuur zit er riet onder de dakplaten.
De stolp met stal bij Duinweg 60 (links) en de loods (rechts)
De gebouwen van Duinweg 58ZA betreffen allemaal kleine gebouwen met enkele muren. De gebouwen zijn opgebouwd uit hout en hebben platte daken, dakpannen of golfplaten op het dak. Bij beide woningnummers is het terrein begroeid met diverse bomen, struiken, gazons en tuinplanten. Verspreid door het plangebied zijn opgeslagen materialen aanwezig zoals bijvoorbeeld boomstronken, stenen en overige materialen. Direct naast het plangebied zijn wat graslanden waar paarden lopen. Het open veld bij Duinweg 58ZA bestaat vooral uit diverse bloemrijke ingezaaide kruiden en hier zijn
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
9
twee poeltjes aanwezig. Dit open veld stond grotendeels onder water. Bij Duinweg 58ZA ligt een vijver in de tuin. Deze vijver heeft
Twee gebouwen van Duinweg 58ZA.
steile, stenen oeverranden en is vrij diep.
3.2
Werkzaamheden en plansituatie Binnen het plangebied staan zes gebouwen van verschillende omvang. Vijf van deze gebouwen zullen worden gesloopt. De loods en stallen worden gesloopt. De stolp met stal bij Duinweg 60 zal blijven bestaan, maar zal worden omgebouwd tot een appartementencomplex. Hierbij wordt ook het dak vernieuwd en zal het riet onder het dak verwijderd worden. Daarnaast zal er een nieuwe stal met woongedeelte naast deze stolp gerealiseerd worden. Bij Duinweg 58ZA wordt alles gesloopt en hier zal een nieuwbouw woning voor terug komen. Onder de nieuwe vrijstaande woning wordt een parkeerkelder aangelegd. Hier zal mogelijk grondwater voor moeten worden onttrokken. Dit grondwater wordt in de directe omgeving geïnfiltreerd. Dit gebeurd zeer waarschijnlijk op het open veld direct ten westen van het plangebied. Het betreft bebouwing die zonder inzet van zwaar materieel gesloopt kan worden. Hinder door geluid- en trillingen kan hierdoor worden beperkt. De nieuwe bebouwing wordt op zandgrond gerealiseerd, waardoor heiwerkzaamheden niet nodig zijn. Tijdens de werkzaamheden zal bouwverlichting geplaatst worden. Deze tijdelijke verlichting zal op de bebouwing gericht zijn, en zo min mogelijk op de omgeving schijnen. Ook na de realisatie van de woningen zal min mogelijk licht richting de omgeving schijnen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
10
De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit renovatie/sloop van gebouwen met benodigd hak- breek- en zaagwerk, het verwijderen van de vegetatie-toplaag, het vergraven van de bodem of de oevers en/of het opbrengen van grond, het kappen en rooien van struiken en/of bomen. Bij uitvoering van het werk kan door geluid, trillingen, licht of de belemmerende werking van steigers, verstoring optreden van (beschermde) soorten.
Het open veld direct ten westen van het plangebied.
Planning Volgens planning zullen de werkzaamheden begin 2024 t/m eind 2025 plaatsvinden. Er zal alleen overdag gewerkt worden, globaal tussen 8.00 en 17.00 uur. De werkzaamheden zullen datum worden uitgevoerd, buiten het broedseizoen en buiten de periode dat onder de Wnb beschermde natuurwaarden zoals vleermuizen in het werkterrein verwacht kunnen worden. Materieel Bij de werkzaamheden wordt gebruik gemaakt van de volgende werktuigen: graafmachine voor sloop en bouwrijp maken, betonstorter, mobiele kraan en divers klein materieel. Het benodigde materiaal wordt aangevoerd per vrachtwagen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
4
11
Habitattoets 4.1
Het Natura 2000-gebied Hieronder worden eerst de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied beschreven (informatie van Ministerie van EZ, gebiedendocument en het beheerplan) en wordt een overzicht gegeven van de doelen die gesteld zijn voor dit gebied t.a.v. beschermde waarden waarvoor het is aangemeld. Vervolgens wordt aangeven waar deze onder de Wnb beschermde waarden te verwachten zijn. De voormalige status van delen van het gebied als Beschermd Natuurmonument en als Staatsnatuurmonument met bijbehorende doelen zijn vervallen met de definitieve aanwijzing van het gebied als Natura 2000-gebied. Op grond van de wet heeft de instandhoudingsdoelstelling voor de gedeelten van het Natura 2000-gebied waarop de aanwijzingen als natuurmonument van toepassing waren, mede betrekking op de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied zoals deze waren vastgelegd in de met de definitieve aanwijzing vervallen besluiten van deze natuurmonumenten, zie verder §4.1.4 en §4.1.5.
Nauwkeurige grens van Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen t.o.v. plangebied (rood omlijnd). Bestaande bebouwing, bouwkavels, erven, verhardingen en spoorlijnen maken geen deel uit van het aangewezen gebied.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
12
Het beschermd natuurmonument Hargergat is aangewezen op 13 april 1982. Het staatsnatuurmonument Schoorlse Duinen is aangewezen op 4 april 1995. De voormalige beschermde en staatsnatuurmonumenten Hargergat en Schoorlse Duinen vallen in het geheel binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen.
4.1.1
Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen Het gebied Schoorlse Duinen beslaat een strook kalkarme (en plaatselijk kalkrijkere) duinen die ligt tussen Bergen en de Hondsbossche Zeewering. Hier bevinden zich de hoogste duinen van ons land, tot maximaal 58 meter boven zeeniveau. Het is een gevarieerd en uitgestrekt duinlandschap dat reliëfrijk en landschappelijk zeer afwisselend is. In het westen liggen lagere zeereepduinen, gevolgd door een sterk geaccidenteerd landschap met uitgestrekte valleicomplexen, die over een grote oppervlakte zijn begroeid met dophei- en kraaiheivegetatie. De binnenduinrand is vrijwel geheel bebost. Een deel van deze bossen zijn oude loofbossen, een ander deel bestaat uit naaldbossen, die gezien de ouderdom en het lokaal voorkomen van zeldzame planten grote natuurwaarde hebben. In het zuidelijke deel lopen de boscomplexen door tot aan het buitenduin. In 1997 is ter hoogte van de Parnassiavallei een kerf aangebracht in de 100-150 meter brede zeereep om zeewaterinvloed tot in de binnenduinen terug te brengen. Het Natura 2000-gebied beslaat een oppervlakte van 1731 ha. In Tabel 1 staan de habitattypen uit de Natura 2000-database.
Relevante habitattypen in Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen. Code
Habitattype (verkorte naam)
Code
Habitattype (verkorte naam)
H2110 Embryonale duinen
H2160 Duindoornstruwelen
H2120 Witte duinen
H2170 Kruipwilgstruwelen
H2130 Grijze duinen
H2180 Duinbossen
H2130A Grijze duinen (kalkrijk)
H2180A Duinbossen (droog)
H2130B Grijze duinen (kalkarm)
H2180B Duinbossen (vochtig) H2180C Duinbossen (binnenduinrand)
H2140 Duinheiden met kraaihei
H2190 Vochtige duinvalleien
H2140A Duinheiden met kraaihei (vochtig) H2140B Duinheiden met kraaihei (droog) H2150 Duinheiden met struikhei
H2190A Vochtige duinvalleien (open water) H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) (o) H3260 Beken en rivieren met waterplanten H3260A Beken en rivieren met waterpl. (waterranonkels)
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
13
Aanwijzing Het gebied is in mei 2003 aangemeld volgens de procedure zoals opgenomen in artikel 4 van de Habitatrichtlijn, waarna het gebied in december 2004 door de Europese Commissie onder de naam ‘Duinen Schoorl’ en onder nummer NL1000010 is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. Op 27 november 2006 is het ontwerp-aanwijzingsbesluit gepubliceerd. Dit ontwerp-aanwijzingsbesluit heeft in de periode van 9 januari 2007 tot en met 19 februari 2007 ter inzage gelegen. In 2009 zijn de Schoorlse Duinen definitief aangewezen als Natura 2000gebied. Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelen betreffen voor de habitattypen tenminste behoud van de oppervlakte en de kwaliteit. Voor de habitattypen Embryonale duinen, Witte duinen, Grijze duinen (kalkarm), Duinbossen (droog), Vochtige duinvalleien (ontkalkt) en Beken en rivieren met waterplanten wordt gestreefd naar uitbreiding van de oppervlakte. Voor de habitattypen Grijze duinen (kalkarm), Duinheiden met kraaihei, Duinbossen (droog), Vochtige duinvalleien (ontkalkt) en Beken en rivieren met waterplanten wordt tevens gestreefd naar verbetering van de kwaliteit. De instandhoudingsdoelen moeten richting geven aan het uit te voeren natuurbeheer- en beleid.
De situatie ten tijde van het publiceren van het aanwijzingsbesluit is bepalend voor wat onder 'behoud' moet worden verstaan en vanaf welk niveau 'uitbreiding' en 'verbetering' nagestreefd moet worden. Definitief beheerplan Het belangrijkste deel van dit beheerplan beschrijft hoe de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen (zie hierboven) kunnen (moeten) worden gerealiseerd. Het plan betreft de eerste beheerplanperiode. Het geeft een uitgebreid overzicht van de staat van de beschermde habitattypen en hoe de doelen daaromtrent kunnen worden verwezenlijkt. Het zal in grote lijnen het beleid voor de komende jaren in het Natura 2000-gebied sturen.
4.1.2
Aanwezige biotopen Tijdens het veldbezoek op 23 november 2023 is een beschrijving gemaakt van de aanwezige biotopen in het plangebied (zie §3.1). Ook werd gekeken naar de ligging ten opzichte van Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen. In het tussenliggende gebied bevinden zich open velden, bosschages, woonhuizen en de Postweg. De open velden bestaan uit velden waar paarden staan en uit een grotendeels ondergelopen grasland.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
14
De oostelijke grens van Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen bevindt zich achter de bebouwing op de achtergrond. Langs deze grens bevinden zich hoge bosrijke duinen met toppen die tussen de 25 meter en 45 meter hoog zijn. Het tussenliggende gebied bestaat uit open velden, bosschages en bebouwing (woonhuizen).
4.1.3
Beschermde waarden in en bij het plangebied Informatie over de verspreiding van de soorten binnen het gebied komt uit de NDFF (2013-2023) en het beheerplan (MEIJER ET AL., 2016). De locatie en ligging van in het plangebied aanwezige habitattypen zijn afkomstig uit de rekentool ‘Aerius’. Het plangebied is daarnaast op 23 november 2023 bezocht om enerzijds de aanwezige en aangrenzende habitattypen/biotopen te beschrijven en anderzijds eventuele incidentele waarnemingen te doen van relevante flora en fauna (voor zover waarneembaar). Op basis van de aangetroffen biotopen is per relevante soort/habitattype een inschatting gemaakt van het mogelijke voorkomen in en bij het plangebied. Habitattypen In het plangebied komen geen habitattypen voor. In de omgeving van het plangebied komt habitattype H2180A Duinbossen (droog) voor. Er is gekeken tot een afstand van 500 meter. De andere relevante habitattypen liggen verder dan 500 meter afstand van het plangebied. De oostelijke grens van Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen bestaat uit hoge bosrijke duinen met duintoppen tussen de 25 meter en 45 meter hoog. Door buffering van deze hoge bosrijke duinen worden negatieve effecten op de verder gelegen habitattypen in Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen op voorhand uitgesloten. Door
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
15
buffering van hoge bosrijke duinen, bebouwing en wegen worden negatieve effecten op de beschermde habitattypen uitgesloten.
Het plangebied en de ligging van habitattype H2180Abe, Duinbos (droog), berken-eikenbos, bron Aerius.
4.1.4
Beschermd Natuurmonument Hargergat Het Natura 2000-gebied omvat een voormalige beschermd natuurmonument, te weten het ‘Hargergat’. Gezien de aard van de plannen en de afstand tot dit gebied (>500 meter) worden geen effecten voorzien op doelen van dit voormalige beschermde Natuurmonument en zullen deze in de deze toetsing verder niet aan de orde komen.
4.1.5
Staatsnatuurmonument Schoorlse Duinen De Schoorlse Duinen zijn in hun geheel aangewezen als Staatsnatuurmonument (volgens art. 1.12 van de NBW) met een aantal doelstellingen en met het vermelden van verschillende bijzondere natuurwaarden en kwaliteiten die behouden dienen te worden. In de SN-toelichting wordt een groot aantal planten- en dierensoorten vermeld die in het gebied voorkomen (en moeten worden behouden). Het gebied heeft ook een aantal landschappelijke kwaliteiten en bijzondere abiotische kenmerken die beschermd dienen te worden, met name het vrijwel ongeschonden reliëf en het gave en gevarieerde duinlandschap dat mede vanwege de uitgestrektheid van het gebied van grote betekenis is.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
16
4.2
Effecten van het project Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden, ook in het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de bebouwing Duinweg 58ZA en 60. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in het Natura 2000-gebied.
4.2.1
Aanlegfase Verontreiniging Als gevolg van de bouwwerkzaamheden vindt mogelijk verontreiniging plaats wanneer bij de bouw schadelijke stoffen vrijkomen. Hinder door geluid en trillingen Vooral heien en andere bouwactiviteiten zorgen mogelijk voor productie van geluid en trillingen met als mogelijk gevolg hinder in het Natura 2000-gebied. Mechanische effecten Tijdens de werkzaamheden kunnen in theorie mechanische effecten optreden in het Natura 2000-gebied. Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. Optische verstoring Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in de natuurlijke omgeving. Tijdens de werkzaamheden is veelvuldig sprake van de aanwezigheid van mensen in het terrein en daar niet van nature thuishorende voorwerpen. Dit kan een verstorend effect hebben op relevante typen en soorten in het Natura 2000-gebied. Verdroging Verdroging kan optreden bij werkzaamheden waarbij verandering in grondwaterstand plaatsvinden, zoals de realisatie van de parkeerkelder. Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand kan door een project lager worden dan de gewenste/benodigde grondwaterstand.
Lichthinder Tijdens de aanlegfase wordt mogelijk gebruik gemaakt van bouwverlichting met als mogelijk gevolg hinder in het Natura 2000gebied. Deze tijdelijke verlichting zal op de bebouwing gericht zijn, en zo min mogelijk op de omgeving schijnen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
4.2.2
17
Aanwezigheidsfase Hinder door geluid en trillingen Tijdens de aanwezigheidsfase zullen de geluiden van de menselijke activiteit niet sterk genoeg zijn om gevoelige habitattypen in het nabijgelegen Natura 2000-gebied negatief te beïnvloeden. Optische verstoring Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in de natuurlijke omgeving. Het realiseren van extra woningen kan mogelijk leiden tot meer menselijke activiteit tijdens de aanwezigheidsfase. Lichthinder Met name voor ’s nachts actieve soorten kan lichthinder als gevolg van toegenomen lichtintensiteit verstorende effecten hebben.
4.3
Gevoeligheid van de habitattypen en soorten
4.3.1
Algemeen
→https://www.synbiosy
s.alterra.nl/bij12/effect enindicator.aspx
De gevoeligheid van een habitattype of soort voor een storende factor bepaalt of er negatieve gevolgen kunnen zijn voor dat type of die soort. In Tabel 2 is voor alle typen de gevoeligheid aangegeven voor de storende factoren. Hierbij is gebruik gemaakt van de ‘Effectenindicator’ van het ministerie van EZ←. Hierbij is uitgegaan van de activiteit “Woningbouw”. Voor de typen die gevoelig zijn voor een of meer factoren zouden er dus mogelijk negatieve gevolgen kunnen zijn van het project. Enkele van de storende factoren kunnen in dit geval niet optreden in het Natura 2000-gebied en worden verder in de toets niet besproken. Het betreft oppervlakteverlies, versnippering en mechanische effecten. Verderop in de voortoets wordt de eventuele beperkte werking van deze storende factoren besproken. Voor de typen en soorten die gevoelig zijn voor een of meer factoren zouden er dus mogelijk negatieve gevolgen kunnen zijn van het project.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
18
Gevoeligheid van de relevante typen in het nabijgelegen deel van Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen voor de verschillende storende factoren. Zie tekst.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
5
19
Voortoets Hieronder wordt eerst een globale toets uitgevoerd en aldus nagegaan of een vergunning nodig is op grond van de Wnb. Dit gebeurt aan de hand van de hoofdvraag in Bijlage 1.7.2, of er een kans is op een significant verstorend effect. Vanwege de aard van het project is ingeschat dat er geen effecten zullen zijn op de extra waarden van het Staatsnatuurmonument Schoorlse Duinen en beschermd natuurmonument Hargergat. Daarom zijn deze waarden van het Staatsnatuurmonument en beschermd natuurmonument bij deze toets verder buiten beschouwing gelaten. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied (zie Figuur 2), de optredende storende factoren en de gevoeligheid van de soorten daarvoor (§4.3 en Tabel 2), is het in dit stadium al duidelijk dat het plan geen significante gevolgen kan hebben voor de natuurlijke kenmerken van het gebied, oftewel de instandhoudingsdoelen ervan. Er is dus zeker geen significant negatief effect, maar mogelijk wel een negatief effect.
5.1
Significantie In het kader van deze toetsing is uitgegaan van de door het Steunpunt Natura 2000 in mei 2010 gepubliceerde ‘Leidraad bepaling significantie’. Er is sprake van een significant effect als er als gevolg van het project effecten zijn waardoor de instandhoudingsdoelstellingen op de lange termijn niet gerealiseerd kunnen worden. Onder effecten worden verstaan verslechtering van habitats en kwaliteit leefgebied van soorten en verstoring van soorten. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort dan wel de kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, kan sprake zijn van significante gevolgen. Deze bepalingen kunnen anders liggen indien de afname minder dan de minimum-oppervlakte van het habitattype (1 are) is (er is dan per definitie geen sprake van een meetbare afname) of wanneer het effect opgevangen kan worden in de natuurlijke fluctuaties, door de veerkracht van het gebied. Verslechtering van habitattypen en het leefgebied van soorten treedt op wanneer in een bepaald gebied de door dit habitattype of leefgebied van soorten ingenomen oppervlak afneemt of wanneer de kwaliteit afneemt. Het gaat dan om de specifieke structuur, functies en staat van instandhouding van typische soorten.
Daarmee is nog niet gezegd dat elke verslechtering leidt tot een significant effect.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
20
Een significant effect op soorten kan optreden wanneer door het verstorend effect (of door het cumulatieve effect van dit en andere projecten) de instandhoudingsdoelstelling van een bepaalde populatie niet kan worden behaald. Van meetbare sterfte veroorzaakt door een project ten opzichte van natuurlijke sterfte is pas sprake indien de extra sterfte meer dan 1% van de natuurlijke jaarlijkse sterfte is. Strikt tijdelijke effecten zijn ook niet significant.
5.2
Effectbeoordeling In onderstaande paragrafen wordt per storende factor beschreven wat de gevolgen zijn voor de gevoelige of zeer gevoelige soorten en typen (zie Tabel 2). Daar waar effecten worden beschreven, worden de gevolgen alleen beschreven voor die habitattypen en die soorten die inderdaad op enige manier daarvan gevolgen zouden kunnen ondervinden (vgl. Tabel 2). De niet genoemde typen en soorten zijn wel degelijk meegenomen in de beoordeling of de effecten gevolgen daarvoor zouden kunnen hebben. Alleen het habitattype H2180A Duinbossen (droog) komt voor in de omgeving van het plangebied.
5.2.1
Verontreiniging Het habitattype H2180A Duinbossen (droog) is gevoelig voor deze factor. Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden komt geen relevant habitattype voor, zie §4.1.3. Conclusie verontreiniging Het is duidelijk dat er door de aard van de activiteiten en de beschermde waarden geen negatieve gevolgen kunnen zijn voor het Natura 2000-gebied door verontreiniging.
5.2.2
Verdroging Het habitattype H2180A Duinbossen (droog) is gevoelig voor deze factor. Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden komt geen relevant habitattype voor, zie §4.1.3. Tijdens de aanlegfase zal onder de nieuwe vrijstaande woning een parkeerkelder worden gerealiseerd. Hier zal mogelijk plaatselijk grondwater voor moeten worden onttrokken. Dit grondwater wordt in de directe omgeving geïnfiltreerd waardoor de grondwaterstand in de aanwezigheidsfase niet zal veranderen (ten opzichte van de huidige situatie). Conclusie verdroging Het is duidelijk dat er door de aard van de activiteiten en de beschermde waarden geen negatieve gevolgen kunnen zijn voor het Natura 2000-gebied door verdroging.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
5.2.3
21
Optische verstoring Het habitattype H2180A Duinbossen (droog) en typische soorten behorend bij dit habitattype zijn gevoelig voor deze factor. Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden komt geen relevant habitattype voor, zie §4.1.3. Conclusie optische verstoring Het is duidelijk dat er door de aard van de activiteiten en de beschermde waarden geen negatieve gevolgen kunnen zijn voor het Natura 2000-gebied door optische verstoring.
5.2.4
Verstoring door geluid en trillingen Deze factor is niet van toepassing voor habitattype H2180A Duinbossen (droog). Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden komt ook geen relevant habitattype voor, zie §4.1.3. Conclusie mechanische effecten Het is duidelijk dat er door de aard van de activiteiten en de beschermde waarden geen negatieve gevolgen kunnen zijn voor het Natura 2000-gebied door geluid en trillingen.
5.2.5
Verstoring door licht Deze factor is niet van toepassing voor habitattype H2180A Duinbossen (droog). Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden komt ook geen relevant habitattype voor, zie §4.1.3. Conclusie mechanische effecten Het is duidelijk dat er door de aard van de activiteiten en de beschermde waarden geen negatieve gevolgen kunnen zijn voor het Natura 2000-gebied door licht.
5.2.6
Cumulatieve effecten Er zijn geen andere plannen en projecten bekend die spelen in en bij Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen, die in combinatie met dit project, kunnen leiden tot significant negatieve effecten.
5.3
Conclusie Voortoets De herinrichting van Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl zal niet leiden tot (significant) negatieve effecten van de typen waarvoor Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen is aangewezen. De instandhoudingsdoelstellingen komen door het project niet in gevaar.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
22
6
Samenvatting van de conclusies In deze natuurtoets de herinrichting van Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl getoetst aan de landelijke en provinciale natuurwetgeving. Hieronder staan per toets de getrokken conclusies op een rij.
6.1
Habitattoets Door de herinrichting van Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl kunnen negatieve effecten optreden op relevante natuurwaarden in Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen als gevolg van de volgende storende factoren: verontreiniging, verdroging, optische verstoring, geluid en trillingen en licht. In de toets wordt aangetoond dat de genoemde storende factoren in dit geval niet leiden tot een significant negatief effect op de habitattypen waarvoor Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen is aangewezen. De herinrichting van Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl zal niet leiden tot (significant) negatieve effecten op de typen en soorten waarvoor Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen is aangewezen. De instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied komen door het project niet in gevaar.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
7
23
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BEER, R. DE, 2022. Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl. Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving. G&Grapport 2022-124. Van der Goes en Groot, Alkmaar/Kwintsheul. BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. FOKKENS, J.R., 2021. Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl. Toetsing in het kader van de natuurwetgeving. G&G-rapport QS2021-216. Van der Goes en Groot, Alkmaar/Kwintsheul. GROEN, F.M., 2018. Natuurtoets dunningswerkzaamheden Schoorlse Duinen. Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming. G&G-rapport 2018-28. Van der Goes en Groot, Alkmaar/Kwintsheul. HERDER, J.E., J. KRANENBERG, D. HOOGENBOOM, J.
HAMERS & K. DEKKER (RED), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen. HEUSDEN, W. VAN. 2017. Mooi werk, mooi wad, meer licht op duisternis. Programma naar een rijke Waddenzee. HOOGENBOOM, D.M., F. VISBEEN, J. WONDERGEM, W. RUITENBEEK (RED.), 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noord-Hollandse Zooddier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. JANSSEN, J.A.M. & J.H.J. SCHAMINÉE, 2003. Europese natuur in Nederland. Habitattypen. KNNV Uitgeverij, Utrecht. JANSSEN, J.A.M. & J.H.J. SCHAMINÉE, 2004. Europese natuur in Nederland. Soorten van de Habitatrichtlijn. KNNV Uitgeverij, Utrecht. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland,
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
24
Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. MAARL, VAN DER, 2013. Bouwlawaai; hoe ermee om te gaan in de praktijk. Puetz BV. MEIJER, R.G., J.P. DWARSHUIS, & K.R. PIENING, 2018. Wat horen vleermuizen van door mensen geproduceerde geluiden? Lutra, Journal of the Dutch Mammal Society, 61:2 297-320, december 2018. MOLENAAR, J.G. DE, 2003. Lichtbelasting. Overzicht van de effecten op mens en dier. Alterra-rapport 778, Alterra, Research Instituut voor de Groene Ruimte, Wageningen.
NEUMANN, F. & H.E. WOLDENDORP (RED.), 2003. Praktijkboek Habitattoets. Praktische leidraad voor de toepassing van natuurbeschermingswetgeving bij projecten in Nederland en Vlaanderen. Sdu Uitgevers, Den Haag. SCHARRINGA, C.J.G., W. RUITENBEEK & P.J. ZOMERDIJK, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, Landschap Noord-Holland. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND 2018. Vogelatlas van Nederland. Broedvogels, wintervogels en 40 jaar verandering. Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen. STEUNPUNT NATURA 2000. Leidraad bepaling significantie, nadere uitleg van het begrip ‘significante gevolgen’ uit de Natuurbeschermingswet. versie 27 mei 2010. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VAN ’T VEER, R & C.J.G. SCHARRINGA, 2008. Weidevogelonderzoek Laag Holland 2006, analyse en interpretatie van de aangetroffen soorten, aantallen en dichtheden in 30.000 hectare weidevogelgebied. Landschap Noord-Holland, maart 2008. VLEERMUISVAKBERAAD NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING, 2017. Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl. WINK, P., 2004. Jurisprudentie habitatrichtlijn. Artikel 6, tweede lid, Habitatrichtlijn. Meurs Juristen Nieuwsbrief 2(1): 3-4.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
8
Bijlagen
Bijlage 1
Huidige natuurwetgeving
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
25
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Wet Natuurbescherming (Wnb) De Wet Natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”
Bijlage 1.2 Soortbescherming Bijlage 1.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de Europese Habitatrichtlijn en soorten genoemd in de Europese Vogelrichtlijn. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 3.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.
Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld.
DR
FL
FR
GL
GR
L
NB
NH
OV
UT
ZH
ZL
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ + + + +
+ +
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + +
+ + + + + + + + +
+ + +
+ + +
+ + +
+ +
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + + +
+ + +
+ + + +
+ + +
+ + + +
+ + + + + +1 + + + + + + + + + +2 + + + +
+ + +
+ + +
+ + +
+ + + +
+ + + +
+ + + +
+
+
+
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ + +3 + +4 + +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Levendbarende hagedis Meerkikker Bastaardkikker
+ +
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
*: algemene vrijstelling wanneer soorten zich in/op gebouwen en bijhorende erven bevinden +1:geldt in de periode maart-april en juli t/m november +2:geldt in de periode 15 augustus t/m februari +3:geldt in de periode juli t/m september +4:geldt in de periode 15 augustus t/m 15 oktober
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
+ +
+
+ +
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
Bijlage 1.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹. 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bijlage 1.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 1.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig: in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig: ter bescherming van flora en fauna. in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig: ter bescherming van flora en fauna. in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Bijlage 1.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘jaarrond beschermde broedvogels’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Categorie Toelichting codes 4 Vogelsoorten waarvan de nesten in 4 principe jaarrond zijn beschermd met 2 beschermingscategorie: 3 1 = soorten die ook buiten het 4 broedseizoen het nest gebruiken als vaste 2 rust- of verblijfplaats, 3 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen 3 op dezelfde plaats broeden en die daarin 3 zeer honkvast zijn of afhankelijk van 4 bebouwing of biotoop, 2 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats 3 broeden en die daarin zeer honkvast zijn of 4 afhankelijk van bebouwing, 1 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in 4 staat zijn een nest te maken. 4
De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf wordt zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan, betrokken! Voor jaarrond beschermde soorten kan, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als geen schade optreedt en de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, zal de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen.
Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook jaarrond beschermde soorten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’. Bijlage 1.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goedgekeurde gedragscode hoeft bij werkzaamheden in het kader van
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld en er moet een belang zijn voor het project vergelijkbaar met genoemde belangen uit de VRL, HRL of de ‘andere soorten’.
Bijlage 1.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Bijlage 1.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.
Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, beoordeelt het bevoegd gezag of deze negatieve gevolgen in het licht Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
van de instandhoudings-doelstellingen aanvaardbaar zijn (zie verder Bijlage 1.6 en 1.7). Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000- gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden.
Bijlage 1.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 1.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Ingrepen in gebieden die horen bij het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) worden in principe niet toegestaan, tenzij bijvoorbeeld uitgesloten is dat de ingreep een negatief effect heeft op het netwerk of de ingreep een groot maatschappelijk belang dient. Getoetst wordt of een ingreep van invloed is op ‘wezenlijke kenmerken en waarden’, het NNN kent geen toetsing op ‘externe werking’. Als een ingreep wordt toegestaan, moeten eventuele nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen en de resterende schade moet worden gecompenseerd. Uitgangspunt bij het toestaan van ingrepen is dat netto sprake moet zijn van een versterking van het netwerk. Bijlage 1.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘weidevogelleefgebieden’ van de Provincie Noord-Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn.
Bijlage 1.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 3 te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl
Zie Bijlage 1.2.1
Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing
ghhghj Geen ontheffing nodig ghhghj Zie Bijlage 1.2.2 ghhghj Geen ontheffing nodig ghhghj Zie Bijlage 1.2.3 ghhghj
Zie Bijlage 1.2.3 ghhghj Geen ontheffing mogelijk ghhghj
Ontheffing onder voorwaarden mogelijk ghhghj
Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen. Bijlage 1.5.1 Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van: Een projectplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2023-263
Natuurtoets Duinweg 58ZA en 60 te Schoorl Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een projectplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft als onderdeel van de omgevingsvergunning. De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd. Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes of het stilleggen van werkzaamheden.