bij 3 Bestemmingsplan toelichting inclusief bijlagen .pdf
Tekst van het document
Hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid
25
• • • • • • •
Gewenste ontwikkelingen, de werking en de bescherming van de watersystemen in Nederland Benodigde maatregelen en ontwikkelingen Beheerplannen voor de stroomgebieden Beheerplannen voor de gebieden met overstromingsrisico Mariene Strategie Beleidsnota Noordzee Functies van de rijkswateren
Het Nationaal Waterplan vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. Er is geen formele hiërarchie tussen deze plannen, maar op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel) kan bij het vaststellen van een regionaal waterplan of een beheerplan niet zo maar worden afgeweken van het Nationaal Waterplan.
4.2.2.3 Waterbesluit In het Waterbesluit zijn de regels gegeven die betrekking hebben op beheer en gebruik van watersystemen die in beheer zijn van het Rijk. Voor het gebruik maken van een waterstaatswerk (een oppervlaktewaterlichaam, waterkering of kunstwerk zoals een sluis) kan een watervergunning vereist zijn. Voor de waterstaatswerken in beheer bij het Rijk is dat geregeld in het Waterbesluit en de Waterregeling. Voor regionale waterstaatswerken staan de regels in de keur van het waterschap. Oppervlaktewaterlichamen in rijksbeheer zijn o.a. IJsselmeer en daaraan verbonden wateren zoals het Markermeer en IJmeer; de Rijn en daarmee verbonden wateren zoals het Amsterdam-Rijnkanaal, Buiten IJ, Afgesloten IJ en Noordzeekanaal (zie bijlage II van het Waterbesluit). Ook de zijwateren van deze oppervlaktewateren zijn in principe in beheer bij het rijk. Andere watergangen zoals het Nieuwe Diep ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal (Boven Diep) en de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen zijn in beheer bij het Rijk. Voor het maken of behouden van werken, het plaatsen van vaste substanties of voorwerpen en het uitvoeren van werkzaamheden op of in rijkswateren, anders dan in overeenstemming met de functie, is een watervergunning vereist.
Met de toevoeging "anders dan in overeenstemming met de functie" wordt geregeld dat het varen op een vaarweg of het zwemmen in zwemwater niet vergunningplichtig is. Deze toevoeging moet echter vrij beperkt geïnterpreteerd worden; het maken van een laad- en losplaats voor schepen is wel degelijk vergunningplichtig, ook als het betreffende water de functie scheepvaart heeft. Op de vergunningplicht bestaat een flink aantal uitzonderingen. De volgende handelingen zijn niet vergunningplichtig: • • • •
het uitvoeren van activiteiten genoemd in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (behoudens enkele uitzonderingen); het uitvoeren van onderhoud, aanleg of wijziging van waterstaatswerken door of in opdracht van de beheerder; het maken van werken om oeverafslag tegen te gaan; het permanent afmeren van woonschepen of andere drijvende objecten in andere rijkswateren dan de grote rivieren.
26
Deze niet-vergunningplichtige activiteiten zijn in het algemeen wel meldingplichtig op grond van artikel 6.14 van de Waterregeling.
4.2.2.4 Watervisie 2021 - Uitvoeringsprogramma 2016 - 2021 De Watervisie 2021 geeft aan waar het provinciale waterbeleid voor de lange termijn op gericht is en waar de prioriteiten voor de planperiode 2016-2021 liggen. Het Uitvoeringsprogramma geeft inzicht in de uit te voeren acties, de instrumenten die worden ingezet en het beschikbare budget. Tevens wordt duidelijk gemaakt hoe wordt bijgedragen aan de in de Watervisie genoemde lange termijn doelen.
4.2.2.5 Waterbeleid HHNK Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.
4.2.3 Watertoets Hieronder wordt een watertoets uitgevoerd teneinde de waterbelangen die gelden voor de planlocatie goed te beschouwen. De locatie Herenweg 102z ligt niet binnen een waterkering(bescherming)zone. Er is een gemengd stelsel aanwezig. De hemelwaterafvoer van de nieuwe woning zal conform de geldende eisen worden afgekoppeld. Daarmee wordt voldaan aan de eisen van het Hoogheemraadschap. Er is in dit geval geen watercompensatie vereist aangezien de ondergrens voor watercompensatie van 800 m2 aan nieuwe verharding niet wordt overschreden. Er is daarom geen vooroverleg met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gevoerd.
4.2.3.1 Waterkering De planlocatie is niet binnen (de invloedsfeer van) een waterkering gelegen. Negatieve effecten op de waterkering zijn daarom niet aanwezig.
4.2.3.2 Oppervlaktewater Er ligt geen watergang in de nabijheid van het plangebied.
27
De voorliggende ontwikkeling heeft verder geen invloed op de hoeveelheid aanwezige oppervlaktewater.
4.2.3.3 Oppervlakteverharding / infiltratie hemelwater In de nieuwe situatie wordt veel groen aangebracht in de vorm van tuinen en openbaar groen. De oppervlakte verharding neemt niet toe. De bebouwingsgraad neemt iets toe. Het opvangen en afvloeien van hemelwater blijft onveranderd.
4.2.3.4 Klimaatadaptie Door een veranderend klimaat wordt het weer steeds extremer, hierdoor zullen periodes van hitte en droogte maar ook van overvloedige regenval steeds vaker voorkomen. Het is belangrijk om hier in het ontwerp rekening mee te houden om ook in de toekomst een prettig leefklimaat te behouden. Het uitgangspunt is om het hemelwater zoveel mogelijk te bergen binnen het plangebied. Omdat op de planlocatie sprake is van ziltige grond. Infiltratie van hemelwater is daardoor mogelijk, maar werkt het beste met extra maatregelen, zoals grindkoffers, cunet (met zand) of infiltratiekratten. Ruim bemeten (verdiepte) groenstroken en groene tuinen zijn zowel effectief bij wateroverlast als hittestress. Hierin voorziet het plan. Het hoogheemraadschap heeft initiatiefnemers aangegeven graag mee te denken over een klimaat adaptieve inrichting.
4.2.3.5 Waterkwaliteit en riolering De ambitie van het Hoogheemraadschap is om 100% van het hemelwater van nieuwe oppervlakken te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. In het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Het waterschap adviseert om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Deze adviezen worden in het kader van de omgevingsvergunning meegenomen. Plan specifiek De locatie Herenweg 102z ligt niet binnen een waterkering(bescherming)zone. Er is een gemengd stelsel aanwezig. De hemelwaterafvoer van de nieuwe woning zal conform de geldende eisen worden afgekoppeld. Daarmee wordt voldaan aan de eisen van het Hoogheemraadschap. Er is in dit geval geen watercompensatie vereist aangezien de ondergrens voor watercompensatie van 800 m2 aan nieuwe verharding niet wordt overschreden. Er is daarom geen vooroverleg met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gevoerd.
Het aspect waterhuishouding staat de voorliggende ontwikkeling niet in de weg.
4.3 Ecologie
4.3.1 Soortbescherming
28
Op de planlocatie staat momenteel een zomerhuis. Het voornemen is dit zomerhuis te slopen en op de planlocatie een woonhuis te bouwen. In het kader van soortbescherming werd voor deze locatie in 2022 een QuickScan Natuurtoets uitgevoerd (AFO, 2022, zie bijlage 5). Uit deze QuickScan kwam naar voren dat aanvullend onderzoek noodzakelijk was voor de soortgroep vleermuizen en Huismus om te beoordelen of de Wet natuurbescherming mogelijk overtreden zou kunnen worden bij de voorgenomen ontwikkeling. Gewone dwergvleermuis Uit het aanvullend onderzoek (AFO, 2023, zie bijlage 6) is gebleken dat het huidige zomerhuis wordt gebruikt als zomerverblijfplaats van de Gewone dwergvleermuis. Ten behoeve van de ontwikkeling dient een ontheffing te worden aangevraagd, dan wel een verklaring van geen bedenkingen te worden verkregen bij het bevoegd gezag, on dit geval door de Provincie Noord-Holland (Omgevingsdienst). Ter compensatie van het verdwijnen van deze verblijfsplaats zijn in augustus 2023 vier grote vleermuistkasten geplaatst in de directe nabijheid van de huidige locatie. Overige soorten Voor de overige hier mogelijk te verwachten soorten die bij de voorgenomen ontwikkeling een rol kunnen spelen in het kader van de Wet natuurbescherming wordt in de QuickScan verduidelijkt welke preventieve stappen noodzakelijk zijn om schade en daarmee overtreding van deze wet te voorkomen.
4.3.2 Gebiedsbescherming Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (extern) effect hebben op nabijgelegen natuurgebieden. De gebiedsbescherming in de Wet natuurbescherming vindt plaats via de Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden). Aantasting van deze gebieden als gevolg van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is verboden. De planlocatie is niet gelegen in een Natura2000 gebied, zodat geen sprake is van directe gevolgen van de ontwikkeling voor een Natura2000 gebied. De locatie, Herenweg 102z is gelegen ten noorden van Egmond‐Binnen op ongeveer 200 meter van de grens van het Noord-Hollands Duinreservaat, een beschermd Natura 2000 gebied dat geregistreerd staat als gevoelig tot zeer gevoelig voor stikstofdepositie. Stikstofdepositie bestaat in gereduceerde vorm (NH3, ammoniak) en geoxideerde vorm (stikstofoxide, NOx). Beide vormen van stikstof kunnen worden omgezet tot de nutriënten ammonium (NH4) en nitraat (NO3). De extra aanvoer van deze voedingsstoffen kan vooral bedreigend zijn voor voedselarme habitattypen. Door de verrijking kan de vegetatie verruigen en kunnen kenmerkende soorten van schrale milieus verdwijnen. Daarnaast kan depositie van stikstof en dan vooral depositie van ammoniak, leiden tot een daling van de bodem-pH. Door verzuring verdwijnen gevoelige soorten en neemt de soortenrijkdom en kwaliteit van zuurgevoelige habitattypen af.
Voor de toetsing van de effecten is het van belang om vast te stellen of de kritische depositiewaarde (KDW) van de betreffende habitattypen wordt overschreden. De KDW is de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Een overschrijding van de KDW betekent niet direct dat dit leidt tot een daadwerkelijke verslechtering van de kwaliteit, dit is afhankelijk van lokale situatie, waarbij er sprake kan zijn van buffering ten aanzien verzuring of vermesting. 29
Plan specifiek De van het plangebied afkomstige stikstofemissie als gevolg van de bouw- en gebruiksfase kunnen in potentie het Natura2000 gebied aantasten. Daarom is onderzoek naar de stikstofemissie en depositie verricht door Stikstofonderzoek.nl d.d. 7 november 2023. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is een berekening met de AERIUS Calculator uitgevoerd, welke geen rekening meer houdt met de vrijstellingen in het voormalige PAS. Stikstofonderzoek.nl concludeert aan de hand van haar onderzoek dat ten opzichte van de huidige situatie in de gebruiksfase geen toename plaatsvindt van de stikstofdepositie. Voor de aanlegfase is er uitgegaan van sloop-nieuwbouw in hetzelfde jaar. Uit de berekening blijkt dat er geen depositieresultaten worden opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr. Op 13 mei 2024 heeft de Omgevingsdienst NHN een “advies natuur” afgegeven met een akkoord op de stikstofberekeningen. Door de Omgevingsdienst NHN is voor de beoordeling tevens een totaalberekening gemaakt, omdat de gebruiksfase en aanlegfase elkaar in één kalenderjaar overlappen. Deze berekening is toegevoegd aan de Aerius berekeningen in bijlage 3 bij deze toelichting. Ook in de totaalberekening zijn er geen rekenresultaten hoger dan de grenswaarden van 0,00 mol/ha/j.
Dat betekent dat er geen significant effect is te verwachten. Daarmee is het project niet vergunning plichtig onder de Wet natuurbescherming en is het bestemmingsplan uitvoerbaar.
4.4 Cultuurhistorie en archeologie
4.4.1 Erfgoedwet In de Erfgoedwet (2016) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. In het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Zuid' is de bescherming van archeologische waarden in het plangebied geregeld. Het plangebied kent in dat bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 3'. De dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van archeologische waarden. Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; b.
ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) geldt dat ter plaatse van de bestemming Waarde - Archeologie - 3 uitsluitend bouwwerken zijn toegestaan: 1. met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²; 30
2. met een oppervlakte van meer dan 500 m², waarvoor geen graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm uitgevoerd hoeven te worden of waarvoor geen heiwerkzaamheden uitgevoerd hoeven te worden. Het bevoegd gezag kan op basis van artikel 27 lid 3 van het bestemmingsplan met een omgevingsvergunning afwijken en bebouwing toestaan die hoger is dan 3,0 meter, groter dan 500 m² waarbij graafwerkzaamheden worden uitgevoerd die dieper gaan dan 40 centimeter mits aan de hand van onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. De geplande woning heeft een nokhoogte van maximaal 8 meter en heeft een oppervlakte van 80 m². Dat betekent dat er uitsluitend medewerking verleend kan worden als uit archeologisch onderzoek blijkt dat er geen waarden worden aangetast. In dit bestemmingsplan is de archeologische bescherming van het moederplan overgenomen. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning beoordeeld zal worden in hoeverre het bouwvoornemen in overeenstemming is met bovenstaande bouwregels. In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan kan worden opgemerkt dat het bouwvlak één woning toestaat met een grondoppervlakte van 80 m2. Conclusie De ontwikkeling is in strijd met het bestemmingsplan. Op het gedeelte van het perceel waar de nieuwe woning wordt gerealiseerd is geen bouwvlak aanwezig.
Dat betekent dat de rechtstreeks geldende regels hier geen woningen toe staat. In verband met de archeologische dubbelbestemming moet er eveneens afgeweken worden. De maximale waarden waarbij er geen nader onderzoek vereist is worden door de nokhoogte overschreden. Er moet daarom een afwijkingsprocedure gevolgd worden. Aan de definitieve aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet een archeologisch onderzoek te worden toegevoegd.
4.5 Kabels en leidingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen aardgasleidingen, warmtetransportleidingen of hoogspanningsleidingen aanwezig waarmee rekening dient te worden gehouden. Alvorens gegraven zal worden zal er een KLIC-melding worden gedaan.
4.6 Verkeer en parkeren Het bouwplan bestaat uit het slopen van de bestaande recreatiewoning. Na de sloop wordt op dezelfde locatie een woning teruggebouwd. Ten aanzien van parkeren is het parkeerbeleid van de gemeente Bergen van toepassing. Volgens de Nota parkeernormen uit 2020 geldt voor het buitengebied, voor een vrijstaand koophuis een parkeernorm van 2,4. Afgerond komt dat neer op drie parkeerplaatsen. In dit specifieke geval verdwijnt een recreatiewoningen, waarbij werd geparkeerd op eigen terrein. Er was geen sprake van een parkeerdruk op het openbare gebied. Om de parkeerdruk op het openbare gebied per saldo niet toe te doen nemen, dienen de drie parkeerplaats voor het vrijstaande koophuis op eigen erf gerealiseerd te worden. Hiervoor biedt het perceel voldoende ruimte.
31
4.7 Duurzaamheid De initiatiefnemer heeft net als de gemeente een hoge duurzaamheidsambitie. De beoogde woning zal worden uitgevoerd als duurzame gas loze woning welke voldoet aan de BENG-eisen (Bijna Energie Neutraal Gebouw).
32
Hoofdstuk 5 Juridische aspecten 5.1 Planmethodiek Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BRK-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekcoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.
5.2 Toelichting op de planregels De regels bestaan uit vier hoofdstukken: • • • •
Inleidende regels (hoofdstuk 1) Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) Algemene regels (hoofdstuk 3) Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4)
5.2.1 Inleidende regels In het hoofdstuk 'Inleidende regels' is een aantal begrippen verklaard dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten" opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.
5.2.2 Bestemmingsregels In het hoofdstuk 'Bestemmingsregels' zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Tevens zijn, waar mogelijk, flexibiliteitsbepalingen opgenomen.
5.2.2.1 Groen De bestemming Groen is primair bestemd voor behoud van openheid. De gronden mogen niet worden gebouwd of worden ingericht als erf. Vergunningsvrij bouwen is daarmee op deze gronden niet toegestaan.
5.2.2.2 Tuin De bestemming Tuin is primair bestemd voor de voortuin. Dit heeft als doel het tegengaan van bebouwing voor of naast de woning. In de planregels is dan opgenomen dat hier niet mag worden gebouwd
33
5.2.2.3 Wonen De bestemming 'Wonen' regelt de planologische rechten voor de te woningen in dit plan. Hierbij is aansluiting bezocht bij het bestaande planologische beleid voor woonpercelen.
5.2.2.4 Waarde Archeologie - 3 De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.
5.2.3 Algemene regels In het hoofdstuk 'Algemene regels' worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld.
5.2.3.1 Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen.
5.2.3.2 Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is aangegeven in welke maten bouwgrenzen mogen worden overschreden en hoe bestaande maten worden gedefinieerd.
5.2.3.3 Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat middels een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Het gaat bijvoorbeeld om een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte of het mogelijk maken van de bouw van schakelkastjes (nutsgebouwtjes) in het openbare gebied.
5.2.3.4 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden. Het betreft bijvoorbeeld een geringe wijziging van de bestemmingsgrens.
5.2.4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor legale bebouwing en legaal gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder 34
bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
35
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Vooroverleg Artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening schrijft voor dat kennis moet worden gegeven (ook via elektronische weg) van het voornemen een nieuw bestemmingsplan voor te bereiden. In het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient voorts voor dit bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de volgende instanties: Provincie Noord-Holland
Het bestemmingsplan Herenweg 102z geeft de provincie geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Het plan voor een enkele woning op nagenoeg dezelfde plaats als een recreatiewoning, heeft naar verwachting relatief weinig impact op de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. De bestemmingsplantekening biedt in ieder geval al een goede aanzet voor het borgen van ruimtelijke kwaliteit. Door het opnemen van de strook aan de noordzijde van het kavel met de bestemming 'Groen' wordt rekenschap gegeven van het belang van doorzicht naar het achterliggende landelijk gebied. Hierdoor is de ruimtelijke kwaliteit van dit deel van de Herenweg 102z op langere termijn gewaarborgd. Met de vergunningplicht voor werk in de bestemming 'Groen' wordt ook nog eens toegezien op het beperken van hoog opgroeiende beplanting die het doorzicht tussen de nieuwe woning en de bomenrij, richting de achtergelegen akkers, zou kunnen belemmeren.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6 Bro bepaalt dat de toelichting in het ontwerpbestemmingsplan en het vastgestelde bestemmingsplan een beschrijving bevat van de wijze, waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken.
6.3 Economische uitvoerbaarheid
6.3.1 Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Deze verplichting is echter niet aanwezig als het totaal aan verhaalbare kosten minder bedraagt dan € 10.000,-. In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is voorgeschreven dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor de gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In het onderhavige geval is geen sprake van een bouwplan conform de definitie uit het Bro en is het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig. In het Bro is aangegeven dat bij een gebruikswijziging dat voor andere doeleinden in gebruik of ingericht was, pas sprake is van een bouwplan als ten minste 10 woningen
36
worden gerealiseerd. In het onderhavige geval is slechts sprake van een gebruikswijziging voor één te realiseren woning. De plankosten worden gedragen door de initiatiefnemer. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van planschade. Hiervoor zal een overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente worden gesloten. Om deze reden is een exploitatieplan niet nodig. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd. Gelet op de ontwikkeling op eigen terrein en de mogelijkheid om plankosten en kosten voor het wijzigen van de uitwegen via de legesverordening te vergoeden, is er geen verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, van de Wro.
6.3.2 Planschade Door een ruimtelijk plan, zoals een bestemmingsplan, kan planschade voor omwonenden ontstaan. De gemeente heeft met de initiatiefnemer een verhaalovereenkomst gesloten, waarmee de gemeente de risico’s en kosten van planschade bij de initiatiefnemer heeft belegd. Gelet op de ruimtelijke ontwikkeling waarbij een in ruimtelijk opzicht zwaardere functie wordt vervangen door een lichtere functie, wordt de kans op vergoedbare planschade als gevolg van de ontwikkeling door initiatiefnemer als gering aangemerkt.
37
Overzicht van wijzigingen Het ontwerp bestemmingsplan is op 15 december 2023 ter visie gelegd voor een periode van zes weken. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen ingebracht, er is dan ook geen sprake van een zienswijzenota. Wel zijn een aantal ambtshalve wijzigingen in deze toelichting en de regels doorgevoerd welke in deze paragraaf worden verwoord: Wijzigingen in de toelichting:
Artikel 4.1.3.1: wegverkeersgeluid: het inmiddels afgegeven positief advies van OD NHN genoemd. Artikel 4.1.3.3: geluid van installaties: toegevoegd onderdeel dat voldaan moet worden aan Besluit Bouwwerken Leefomgeving bij technische uitwerking van het bouwplan qua geluidseisen aan een eventuele warmtepomp en airco. Artikel 4.1.6: spuitzone gewasbeschermingsmiddelen: Dit is een toegevoegde paragraaf. De conclusie luidt dat er geen belemmering is voor het woonklimaat en geen verdere beperking van agrarische bedrijfsvoering ten opzichte van de huidige situatie. Paragraaf 4.3: ecologie: conclusie uit aanvullend onderzoek natuurtoets opgenomen, zie tevens bijlage 6. Artikel 4.3.2: stikstofonderzoek: het inmiddels afgegeven positief advies van OD NHN genoemd. Bijlage 3: De stikstofberekening is uitgebreid met een totaalberekening, vanwege overlap van gebruik en aanleg in hetzelfde kalenderjaar. Bijlage 4: Toegevoegd: flora- en fauna rapportage Bijlage 6: Toegevoegd: aanvullend onderzoek natuurtoets Bijlage 8: Toegevoegd: hogere waardenbesluit Wijzigingen in de Regels:
In de bouwregels is artikel 5.2.2 lid e geschrapt. Hierin was opgenomen dat de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 3 meter dient te bedragen. De afstand van het nieuwe bouwvlak tot de zijdelingse perceelsgrens is echter 1,6 meter.
38
Bijlage 1 - Kwinfra BV - Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 2 - Kwinfra BV – Nader bodemonderzoek asbest in grond
Opdrachtgever Postbus of adres Postcode + plaats
: : :
Jasper Grin Ewisweg 40 1852 EK Heiloo
Datum Rapportnummer Status
: : :
12 oktober 2018 18157-RAP-01 Definitief
Adviesbureau Postadres Postcode+plaats Telefoon Website E-mail
: : : : : :
Kwinfra BV Helderseweg 54 g-h 1817 BB Alkmaar 072 – 751 3930 www.kwinfra.nl milieu@kwinfra.nl
Opgesteld door: Handtekening
Dhr. S.L.X. Buijs
Gecontroleerd door: Handtekening
Dhr. J.R. Busz Mw. I. de Kort Msc
RAPPORT VERKENNEND ASBEST IN GROND ONDERZOEK Herenweg 102A te Egmond Binnen
SAMENVATTING
Algemeen onderzoekslocatie kadastraal oppervlakte locatie omschrijving aanleiding doel
Herenweg 102a te Egmond Binnen. Gemeente Egmond, sectie B, perceelnummer 2279 (voorheen 1233/1234). Totaal circa 750 m2. Bouwkavel welke deels bebouwd met een vakantie woning, verder braakliggend. Voorgenomen verkoop van de locatie, nieuwbouw op de locatie en de daarmee samenhangende aanvraag van een omgevingsvergunning. Vastleggen van de milieuhygiënische situatie van de bodem (asbest).
Onderzoek soort onderzoek onderzoeksopzet
Verkennend asbest in grond onderzoek. Verkennend onderzoek asbest in grond, NEN5707 ‘kleinschalige verdachte locatie’.
Resultaten, conclusie en advies analyseresultaat asbest
Uit de analyse resultaten blijkt dat er een minimale hoeveelheid asbest is waargenomen in het grond(meng)monster MMasb01 van graafgat G01, G02, G04 en G05. Het waargenomen asbest betreft 10-15% hechtgebonden chysotiel asbest met een gewogen concentratie van 0,7 mg/kg ds.
Conclusie en advies
Gezien de minimale analytische aangetoonde hoeveelheid asbest is het niet de verwachting dat er op de onderzoekslocatie een concentratie asbest aanwezig is hoger dan de helft van de interventiewaarde (100mg/kgds). Derhalve is een nader onderzoek asbest ons inziens dan ook niet benodigd. Vooralsnog is het niet de verwachting dat er op de onderzoekslocatie naar aanleiding van de resultaten van onderhavig asbest in grondonderzoek belemmeringen zijn voor het afgeven van een omgevingsvergunning of aanvullende kosten verwacht kunnen worden bij een onroerend goed transactie.
Rapport: 18157-RAP-01 Verkennend asbest in grond onderzoek Herenweg 102A te Egmond Binnen
2
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING
4
1.1 1.2
Kwaliteitsborging .......................................................................................................... 4 Leeswijzer .................................................................................................................... 4
2.
VOORONDERZOEK
5
2.1 Locatiebeschrijving ........................................................................................................ 5 2.2 Terreinverkenning ......................................................................................................... 5 2.3 Historische informatie .................................................................................................... 5 2.3.1 Bodembelastende activiteiten 5 2.3.2 Bodeminformatie 6 2.3.3 Bodemkwaliteitskaart 6 2.3.4 Dempingen/ophogingen en asbest 6 2.3.5 Bodemopbouw 6 2.4 Onderzoeksopzet (hypothese en strategie) ....................................................................... 7
3.
VELDWERKZAAMHEDENEN LABORATORIUMONDERZOEK
8
3.1 Veldonderzoek .............................................................................................................. 8 3.1.1 Veldwaarnemingen verkennend asbest in grond onderzoek 8 3.1.2 Afwijkingen op vigerende protocollen 8 3.2 Monsterselectie laboratorium .......................................................................................... 8
4.
INTERPRETATIE ANALYSERESULTAAT
9
4.1 4.2
Toetsingskader ............................................................................................................. 9 Asbest ......................................................................................................................... 9
5.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
10
6.
REFERENTIES
A
BIJLAGEN Bijlage 1: Regionale ligging en situatietekeningen. Bijlage 2: Boorstaten met zintuiglijke waarnemingen. Bijlage 3: Toetsingskader. Bijlage 4: Analysecertificaten asbest.
Rapport: 18157-RAP-01 Verkennend asbest in grond onderzoek Herenweg 102A te Egmond Binnen
3
1.
INLEIDING
In opdracht van de heer J. Grin is door Kwinfra BV een verkennend asbest in grond onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Herenweg 102a te Egmond Binnen. Aanleiding voor het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen verkoop van de locatie, nieuwbouw op de locatie en de daarmee samenhangende aanvraag van een omgevingsvergunning. In dit kader is reeds een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd Kwinfra BV, 15062rap, d.d. 30 juni 2015. Naar aanleiding van voorgaand onderzoek verzoekt het bevoegd gezag nog een verkennend asbest in grond onderzoek (NEN5707) voor een volledige beoordeling van de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem. Middels onderstaande rapportage wordt inzicht verkregen van de huidige milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op het gebied van asbest van deze onderzoekslocatie. Er is gestreefd naar een zo groot mogelijke representativiteit van het onderzoek. Echter inherent verbonden aan de uitvoering van bodemonderzoek is het gegeven dat de grondmonsters steekproefsgewijs worden genomen. Hierdoor kan de invloed van lokale afwijkingen niet worden uitgesloten. Tevens wordt erop gewezen dat het uitgevoerde onderzoek een momentopname is.
Na uitvoering van het onderzoek kan de kwaliteit van bodem (grond en grondwater) beïnvloed worden door onder andere het bouwrijp maken van een terrein, de aanvoer/toepassing van grond van buiten de onderzoekslocatie zonder kwaliteitsgegevens of door de verspreiding van een verontreiniging via het grondwater vanaf een naburig terrein(deel). Derhalve hebben de onderzoeksresultaten een beperkte geldigheidsduur.
1.1
Kwaliteitsborging
Het veldwerk is uitgevoerd volgens de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek" en het bijbehorende protocol 2018. Kwinfra BV is hiervoor door Normec Certification gecertificeerd. De veldwerkers staan geregistreerd bij Rijkswaterstaat Leefomgeving. Inzake het uitgevoerde onderzoek is tussen Kwinfra BV (zusterbedrijven of het moederbedrijf) en de opdrachtgever op geen enkele juridische, financiële, personele of andere wijze een relatie, die de onafhankelijkheid van het resultaat heeft kunnen beïnvloeden. De analyses van het grond(meng)monster zijn uitgevoerd door een RvA geaccrediteerd laboratorium.
1.2
Leeswijzer
In hoofdstuk 1 is de inleiding met kwaliteitsborging weergegeven. Het vooronderzoek met hieruit voortvloeiend de onderzoeksopzet is beschreven in hoofdstuk 2. Het daadwerkelijk uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek is beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 zijn de analyseresultaten getoetst en besproken. De conclusies met eventueel advies zijn beschreven in hoofdstuk 5. Tot slot worden in hoofdstuk 6 enkele referenties weergegeven.
Rapport: 18157-RAP-01 Verkennend asbest in grond onderzoek Herenweg 102a te Egmond Binnen
4
2.
VOORONDERZOEK
Voor aanvang van de veldwerkzaamheden is een milieuhygiënisch vooronderzoek conform de NEN 5725:2017 uitgevoerd. Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. In het vooronderzoek wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. In onderstaande tabel zijn de geraadpleegde bronnen weergegeven en is aangegeven of hier geschikte informatie is aangetroffen. Tabel 1. Geraadpleegde bronnen:
Bron:
Bronvermelding:
Geschikte informatie:
Omgevingsdienst RUDNHN Website Bodemloket Website PDOK/BAG viewer Website kadaster
Geen onderzoeken bekend. Geen onderzoeken bekend. Algemene info Algemene info
Google Earth Pro Dino loket Opdrachtgever
www.RUDNHN.nl www.bodemloket.nl pdokviewer.pdok.nl www.kadaster.nl www.topotijdreis.nl www.google.nl/intl/nl/earth/ www.dinoloket.nl Bouwbedrijf Hertogh
Archief Kwinfra B.V.
Diverse onderzoeken
2.1
Algemene info Algemene bodemopbouw Algemene info, asbestinventarisatie. Verkennend bodemonderzoek bekend.
Locatiebeschrijving
Locatie Oppervlakte Kadaster Huidig gebruik
: Herenweg 102a te Egmond Binnen. : Circa 750 m2. : Gemeente Egmond Binnen, bekend als sectie B, perceelnummer 2279 (voorheen 1233/1234). : Bouwkavel met vakantiewoning.
De regionale ligging van de onderzoekslocatie en de huidige inrichting van de onderzoekslocatie is weergegeven op de situatietekeningen opgenomen in bijlage 1. De locatie betreft een bouwkavel welke deels is bebouwd met een vakantie woning en verder braakliggend is. In het verleden heeft op de onderzoekslocatie nog een woning gestaan welke volledig is gesloopt.
2.2
Terreinverkenning
De terreinverkenning is direct voorafgaand aan de uitvoering van het veldwerk uitgevoerd door de heer S.L.X. Buijs. Uit de terreinverkenning is geen aanvullende informatie naar voren gekomen ten opzicht van de reeds bekende informatie.
2.3
Historische informatie
2.3.1 Bodembelastende activiteiten Van de locatie zijn geen bijzonderheden (in gebruik zijnde brandstoftanks, calamiteiten e.d.) naar voren gekomen, die kunnen wijzen op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Rapport: 18157-RAP-01 Verkennend asbest in grond onderzoek Herenweg 102a te Egmond Binnen
5
2.3.2 Bodeminformatie Ter plaatse van de onderzoekslocatie is in het verleden het onderstaande bodemonderzoek uitgevoerd: Verkennend bodemonderzoek Kwinfra BV, 15062rap, d.d. 30 juni 2015. De zintuiglijk o.a. zwak brokjes baksteen(puin)houdende bovengrond is licht verontreinigd met kwik en PCB. De zintuiglijk schone ondergrond is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. Het grondwater is licht verontreinigd met naftaleen. Visueel is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen op het maaiveld en in de opgeboorde grond. Opgemerkt wordt dat de daadwerkelijke aan-/afwezigheid van asbest alleen kan worden vastgesteld middels de uitvoering van een asbest in grond analyse conform de NEN 5707. -
Asbestinventarisatie Type A, zomerhuis Herenweg 102z Egmond Binnen, Ingenieurs bureau Broomans BV, projectnummer 77529, d.d. 3 maart 2015.
Bij de asbestinventarisatie zijn asbesthoudende materialen aangetroffen in de vakantie woning. Hierbij is het niet de verwachting dat er een hoog risico is bij het huidige gebruik van de woning. Wel wordt geadviseerd om in geval van sloop of renovatie de asbesthoudende materialen te laten saneren door een SC-530 gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf.
2.3.3 Bodemkwaliteitskaart Volgens de bodemkwaliteitskaart van gemeente Alkmaar, Bergen, Castricum, Heerhugowaard en Heiloo, kenmerk 14M1136.RAP001, juli 2015 valt de onderzoekslocatie met de bovengrond in de zone B4 ‘Oudere woongebieden en bedrijven’ en de ondergrond in de zone O5 ‘Overige woongebieden, bedrijven en buitengebied’. Over het algemeen is de boven- en ondergrond ten hoogste licht verontreinigd met zware metalen, PCB, PAK en minerale olie.
2.3.4 Dempingen/ophogingen en asbest Voor zover bekend zijn op de onderzoekslocatie geen dempingen/ophogingen aanwezig. Volgens informatie van de opdrachtgever was op het voormalige woonhuis een asbesthoudende dakrand aanwezig. De asbesthoudende dakrand is verwijderd door een hiervoor gecertificeerd bedrijf.
2.3.5 Bodemopbouw Voor de algemene bodemopbouw is informatie geraadpleegd uit het Dinoloket:
De locatie bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied. Rapport: 18157-RAP-01 Verkennend asbest in grond onderzoek Herenweg 102a te Egmond Binnen
6
2.4
Onderzoeksopzet (hypothese en strategie)
Ten behoeve van het verkennend onderzoek asbest is uitgegaan van de strategie verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld” uit de “NEN5707, inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”.
Rapport: 18157-RAP-01 Verkennend asbest in grond onderzoek Herenweg 102a te Egmond Binnen
7
3.
VELDWERKZAAMHEDENEN LABORATORIUMONDERZOEK
3.1
Veldonderzoek
Het veldwerk is uitgevoerd met de gangbare boorsystemen (edelmanboor, gutsboor, riversideboor, schep e.d.). De veldwerkzaamheden voor verkennend asbest in grondonderzoek is uitgevoerd op d.d. 5 oktober 2018 door dhr. S.L.X. Buijs In onderstaande tabel zijn de verrichte veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 2. Verrichte veldwerkzaamheden: Werkzaamheden Graafgaten (circa 0,3 m x 0,3 m x 0,5 m-mv)*
Aantal 5
Coderingen G01, G02, G03, G04, G05
*Bij elk graafgat is een 12 cm boring tot circa 1,0 m-mv doorgezet in de zintuiglijk schone laag.
De opgeboorde/opgegraven grond is zintuiglijk beoordeeld op de bodemkundige samenstelling en eventueel aanwezige verontreinigingen. De opgegraven grond is uitgespreid en gezeefd middels een rooster en hark conform NEN5707. De zintuiglijke bijmengingen >20mm zijn gescheiden en gewogen t.b.v. het bepalen van de massa van het afgegraven materiaal. De locatie van de graafgaten zijn weergegeven op de situatietekening in bijlage 1.
3.1.1 Veldwaarnemingen verkennend asbest in grond onderzoek De profielbeschrijvingen met de bijbehorende zintuiglijke waarnemingen zijn verwerkt tot boorstaten. De boorstaten van zijn opgenomen in bijlage 2. Op basis van de verrichte graafgaten kan de lokale bodemopbouw worden omschreven. In de bodem worden zandlagen tot aangetroffen tot de maximale onderzoek diepte van circa 1,0 m-mv. Ten tijde van de uitvoering van de veldwerkzaamheden is het grondwater op circa 1,0 m-mv vastgesteld. Bij de maaiveldinspectie en bij de inspectie van de opgegraven grond ten behoeve van het verkennend asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De inspectie-efficiëntie van het maaiveld is ingeschat op 60%. De zintuiglijke bodemvreemde bijmengingen zijn per gat weergegeven in de onderstaande tabel. Hierin zijn tevens de omvang van het proefgat en de diepte waarop de waarneming betrekking heeft en de aard en mate van voorkomen aangegeven. Tabel 3. Overzicht zintuiglijke waarnemingen: Sleuf
Lengte(m) Breedte(m)
Diepte (m -mv)
Grondsoort
Zintuiglijke waarnemingen
G01, G02 G03 G04, G05
0,3 0,3 0,3
0,05-0,55 0,05-0,55 0,05-0,55
Zand Zand Zand
Zwak puinhoudend (tegels, steen, glas, puin ). Geen zintuiglijke bijmengingen. Zwak puinhoudend (tegels, grind, stenen). Slechts enkele zintuiglijke bijmengingen.
0,3 0,3 0,3
3.1.2 Afwijkingen op vigerende protocollen Er zijn geen afwijkingen op de uitvoeringsvoorschriften (BRL-SIKB 2000, protocol 2018 en NEN-normen) geconstateerd.
3.2
Monsterselectie laboratorium
Één grond(meng)monster (MMasb01) van de zintuiglijke zwak puinhoudende zandlaag van G01, G02, G04 en G05 is geanalyseerd op asbest conform de NEN5707. Rapport: 18157-RAP-01 Verkennend asbest in grond onderzoek Herenweg 102a te Egmond Binnen
8
4.
INTERPRETATIE ANALYSERESULTAAT
4.1
Toetsingskader
Het resultaat van de asbest in grond analyses zijn getoetst aan de interventiewaarde voor asbest uit de Circulaire bodemsanering 2013 welke is vastgesteld op 100 mg/kg d.s. (concentratie serpentijnasbest vermeerdert met 10 maal de concentratie aan amfiboolasbest). In bijlage 3 is een beschrijving gegeven van het toetsingskader waaraan de resultaten zijn getoetst.
4.2
Asbest
Het analysecertificaat van de analyses ‘asbest in grond’ is opgenomen in bijlage 4. Uit de analyse resultaten blijkt dat er een minimale hoeveelheid asbest is waargenomen in het grond(meng)monster MMasb01 van graafgat G01, G02, G04 en G05. Het waargenomen asbest betreft 10-15% hechtgebonden chysotiel asbest met een gewogen concentratie van 0,7 mg/kg ds.
Rapport: 18157-RAP-01 Verkennend asbest in grond onderzoek Herenweg 102a te Egmond Binnen
9
5.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten kan een oordeel worden gegeven over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie. Uit de analyse resultaten blijkt dat er een minimale hoeveelheid asbest is waargenomen in het grond(meng)monster MMasb01 van graafgat G01, G02, G04 en G05. Het waargenomen asbest betreft 10-15% hechtgebonden chysotiel asbest met een gewogen concentratie van 0,7 mg/kg ds. Gezien de minimale analytische aangetoonde hoeveelheid asbest is het niet de verwachting dat er op de onderzoekslocatie een concentratie asbest aanwezig is hoger dan de helft van de interventiewaarde (100mg/kgds). Derhalve is een nader onderzoek asbest ons inziens dan ook niet benodigd. Vooralsnog is het niet de verwachting dat er op de onderzoekslocatie naar aanleiding van de resultaten van onderhavig asbest in grondonderzoek belemmeringen zijn voor het afgeven van een omgevingsvergunning of aanvullende kosten verwacht kunnen worden bij een onroerend goed transactie.
Rapport: 18157-RAP-01 Verkennend asbest in grond onderzoek Herenweg 102a te Egmond Binnen
10
6. [1] [2] [3] [4]
REFERENTIES NEN 5725:2017 nl, Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek Publicatiedatum: oktober 2017 Circulaire bodemsanering 2013, Staatcourant Nr. 16675, 27-6-2013. Besluit BodemKwaliteit (Bbk) op 1 januari 2008 is de eerste fase van het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. NEN 5707+C2nl, Bodem - Inspectie, monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, Nederlands Normalisatie-instituut, december 2017.
Rapport: 18157-RAP-01 Verkennend asbest in grond onderzoek Herenweg 102a te Egmond Binnen
a
BIJLAGE 1. REGIONALE LIGGING EN SITUATIETEKENING
BIJLAGE
Regionale ligging
Locatie:
Herenweg 102A te Egmond Binnen
Titel:
Verkennend asbest in grond onderzoek
Opdrachtgever:
Dhr. J. Grin
Projectnr:
18157
Bijlage 2. BOORSTATEN MET ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN
c BIJLAGE
Pagina 1 / 1
Boring:
G01
Boring:
G02
Datum: Boormeester: Referentievlak: GWS:
5-10-2018 S. Buijs maaiveld 90
Datum: Boormeester: Referentievlak: GWS:
5-10-2018 S. Buijs maaiveld 90
0 5
0
braak
0 5
0
River, Zode
50
55
Zand, matig fijn, zwak humeus, zwak puinhoudend, Schep, Tegels, grind, stenen, glas etc
River, Zode
50
55
Zand, matig fijn, Edelmanboor
100
100
100
100
G03
Boring:
G04
Datum:
5-10-2018
Datum:
5-10-2018
Boormeester: Referentievlak: GWS:
S. Buijs maaiveld 90
Boormeester: Referentievlak: GWS:
S. Buijs maaiveld 90
0 5
braak
0
0 5
River, Zode
50
55
Zand, matig fijn, Edelmanboor
braak River, Zode
Zand, matig fijn, zwak humeus, Schep 50
Zand, matig fijn, zwak humeus, zwak puinhoudend, Schep, Tegels, grind, stenen, glas etc Zand, matig fijn, Edelmanboor
Boring:
0
braak
55 60
Zand, matig fijn, zwak humeus, sporen puin, Schep, Tegels, grind, stenen. Slechts enkele zintuiglijke bijmengingen Zand, matig fijn, Edelmanboor, Gestuit op kabel
100
100
Boring:
G05
Datum: Boormeester: Referentievlak: GWS:
5-10-2018 S. Buijs maaiveld 90
0
0 5
braak River, Zode
50
55
100
100
Zand, matig fijn, zwak humeus, resten puin, Schep, Tegels, grind, stenen. Slechts enkele zintuiglijke bijmengingen Zand, matig fijn, Edelmanboor
Projectnaam: Herenweg te Egmond Binnen Projectcode: 18157
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
ongeroerd monster volumering
overig bijzonder bestanddeel
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
peilbuis blinde buis
casing
hoogste grondwaterstand gemiddelde grondwaterstand laagste grondwaterstand zand afdichting bentoniet/mikoliet/klei afdichting
grind afdichting filter
Bijlage 3. TOETSINGSKADER
c BIJLAGE
De resultaten zijn conform het huidige overheidsbeleid getoetst aan de streefwaarde voor grondwater en interventiewaarden bodemsanering, zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 1 van de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [3] of het Besluit Bodemkwaliteit [4]. Op 1 januari 2006 is de wet tot wijziging van de Wet bodembescherming (Wbb) in werking getreden. Met deze wetswijziging is uitvoering gegeven aan de beleidsvoornemens, die in 2002 zijn geformuleerd in het kabinetsstandpunt Beleidsvernieuwing bodemsanering. Hierop volgend is eind december 2003 een Beleidsbrief over de volgende stap in de vernieuwing van het bodembeleid aan de Tweede Kamer gezonden, waarin beleidsvoornemens zijn verwoord die invloed hebben gehad op genoemde wetswijziging. Op 1 januari 2008 is de eerste fase van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden, die het toepassen van grond en baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam (waterbodem) regelt. Op 1 juli 2008 is de tweede fase van het Bbk van kracht geworden, die het toepassen van grond en baggerspecie op landbodems en het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem en in een oppervlaktewaterlichaam regelt. In de Circulaire bodemsanering staat de uitwerking van het saneringscriterium centraal waarmee wordt vastgesteld of een spoedige sanering noodzakelijk is.
Het milieuhygiënisch saneringscriterium (hierna genoemd saneringscriterium) is opgenomen in de gewijzigde tekst van artikel 37 van de Wbb. Daarnaast wordt in deze circulaire ingegaan op de uitwerking van de saneringsdoelstelling, zoals die is opgenomen in de gewijzigde tekst van artikel 38 van de Wbb. Bij de uitwerking van de saneringsdoelstelling is aansluiting gezocht bij het Besluit bodemkwaliteit. Het gevolg van de wijziging in de normstelling is dat in de uitvoeringspraktijk vanaf 1 oktober 2008 een aantal ongewenste situaties is ontstaan, namelijk een ongewenste toename van het aantal gevallen van ernstige bodemverontreiniging. Als gevolg van de ongewenste effecten heeft een heroverweging plaatsgevonden van de interventiewaarden grond voor drins (som), DDE en DDT. De circulaire is in 2009 onder andere hierop aangepast. Ook voor de interventiewaarde grond voor barium, de beoordeling van humane risico’s bij lood en de beoordeling van spoed bij ecologie (stap 2) zijn in 2009 op onderdelen wijzigingen doorgevoerd. Per 3 april 2012 is een gewijzigde versie van de Circulaire bodemsaneringen verschenen. De aanpassingen in 2012 betreffen onder ander: de reikwijdte van deze circulaire door de inwerkingtreding van de Waterwet. de beoordeling van de ecologische risico’s in stap 2 en 3. gewijzigde beoordeling van de humane risico’s van bodemverontreiniging met lood.
aangepast protocol risicobeoordeling asbest. een verduidelijking van de relatie met het Besluit Bodemkwaliteit. de gebiedsgerichte aanpak van verontreinigd grondwater (scheiding bronzone en pluim). een nuancering van het gebruik van de stabiele eindsituatie door een toenemend gebruik van de ondergrond. geactualiseerde versie van de ‘Richtlijn voor het omgaan met niet-genormeerde stoffen’ is toegevoegd. Deze richtlijn was niet meer vigerend met het vervallen van de Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering. actualisatie van verwijzingen naar regelgeving en literatuur. In 2013 heeft een beperkte wijziging van de circulaire bodemsanering plaatsgevonden. De belangrijkste wijzigingen zijn: bijlage 1 van de circulaire is voor het omgaan met meetwaarden beneden de bepalingsgrens en het hanteren van de bodemtypecorrectie in overeenstemming gebracht met een wijziging van de Regeling bodemkwaliteit, die per 1 juli 2013 in werking treedt. in bijlage 2, hoofdstuk 5: zijn de criteria voor het triadeonderzoek nader ingevuld en in hoofdstuk 6 is een verwijzing naar het RIVM informatieblad opgenomen. actualisatie van verwijzingen naar regelgeving en literatuur. enkele kleine correcties en tekstaanpassingen.
De wet geeft de bevoegdheid om algemene regels te stellen voor zowel het saneringscriterium als de saneringsdoelstelling. Mede aan de hand van de ervaringen, die in de praktijk worden opgedaan met de toepassing van deze circulaire, zal besluitvorming plaatsvinden over het opstellen van algemene regels.
Asbest In het ‘Milieuhygiënisch Saneringscriterium Bodem, protocol asbest’, dat is opgenomen als bijlage 3 bij de Circulaire bodemsanering 1 juli 2013 [3] is geregeld wanneer voor een bodemverontreiniging met asbest sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Voor een bodemverontreiniging met asbest is het volumecriterium voor het vaststellen van de ernst van het geval niet van toepassing. Het protocol is alleen van toepassing indien sprake is van een bodemverontreiniging met asbest, waarbij asbest aanwezig is in een gehalte boven de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. gewogen (concentratie serpentijn + 10 x concentratie amfibool). Opgemerkt wordt dat bij asbest in (water)bodem, grond en baggerspecie alleen over ‘verontreiniging’ wordt gesproken als de interventiewaarde wordt overschreden. Het protocol is alleen van toepassing op historische asbest verontreinigingen (die zijn voor 1993 ontstaan) in (water)bodem, grond en baggerspecie, die niet op basis van de zorgplicht gesaneerd dienen te worden. Bij het aantreffen van puin in de grond is de bodem asbestverdacht (brief IL&T 26 januari 2017), asbestonderzoek bij puin(resten) en is een onderzoek conform de NEN5707 dan wel NEN5897 benodigd.
Indien uit een verkennend bodemonderzoek NEN5707/NEN5897 een gehalte aan asbest < de helft van de interventiewaarde wordt aangetoond, dan is de verwachting dat geen asbest boven de interventiewaarde aanwezig is op de locatie.
Een geval van ernstige verontreiniging Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging indien voor ten minste één stof (uitgezonderd asbest) de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m 3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. Er kunnen gevallen zijn waarbij de interventiewaarde niet wordt overschreden en toch sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. In bijlage 2 van de Circulaire bodemsanering 2009 zijn dergelijke gevoelige situaties beschreven in stap 1 van het saneringscriterium. Ook in het geval van verontreinigingen met stoffen waarvoor geen interventiewaarde is afgeleid kan sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. In bijlage 2 van de Circulaire bodemsanering 1 juli 2013 wordt hier op ingegaan.
Spoedeisendheid Als een geval van ernstige verontreiniging is vastgesteld dan is sprake van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. Artikel 37 Wbb heeft tot doel vast te stellen of sprake is van een zodanig risico bij het huidig of toekomstig gebruik dat spoedig moet worden gesaneerd. Risico’s hebben een directe relatie met gebruik van de bodem en daarmee met de functie. Als aan het gebruik binnen de aanwezige of toekomstige functie onaanvaardbare risico’s zijn verbonden, staat voorop dat maatregelen zo snel mogelijk moeten worden genomen. Als op grond van artikel 37 Wbb is vastgesteld dat niet met spoed hoeft te worden gesaneerd, geldt geen termijn voor het uitvoeren van een sanering. Er kunnen wel (langjarige) beheermaatregelen worden opgelegd, bijvoorbeeld als monitoring van de verspreiding van een grondwaterverontreiniging gewenst is. Dat betekent dat sanering van het geval van ernstige verontreiniging veelal plaatsvindt als nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwactiviteiten of herinrichting van een locatie of gebied, daartoe aanleiding geven.
De toetsingswaarden Sinds 1 oktober 2008 gelden geen streefwaarde grond meer, maar wordt aan de interventiewaarde getoetst aan het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk [4]) en de kwaliteitseis bovengrond (bijlage 4) uit de circulaire bodemsanering 1 juli 2013 [3]. De kwaliteitseis voor de bovengrond hangt af van de bodemfunctie. De toetsingswaarden zijn gerelateerd aan het organisch stof- en lutumgehalte van de bodem. Gemeenten dienen in het kader van het Besluit bodemkwaliteit te kiezen voor generiek of gebiedsspecifiek beleid. Het bevoegd gezag Wbb sluit aan bij de in het generieke beleid gehanteerde Achtergrondwaarden en Maximale Waarden voor de klasse wonen en industrie als terugsaneerwaarden en als kwaliteitseis voor leeflagen en aanvulgrond.
Het uitgangspunt is dat in het geval van generiek beleid de Achtergrondwaarden en Maximale Waarden voor wonen en industrie of in het geval van gebiedspecifiek beleid de Lokale Maximale Waarden als terugsaneerwaarden gelden. De saneerder kan ook een leeflaag, die voldoet aan de van toepassing zijnde kwaliteitseis, aanbrengen. Streefwaarden grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem. De getallen voor de streefwaarde grondwater zijn één op één overgenomen uit de Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering. De interventiewaarden bodemsanering geven aan wanneer de functionele eigenschappen, die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Ze zijn representatief voor het verontreinigingsniveau waarboven sprake is van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging.
Belangrijke data — 1 januari 1975: uit jurisprudentie blijkt dat men vanaf deze datum had kunnen weten dat de overheid inspanningen zou gaan leveren om bodemverontreiniging te saneren. Saneringskosten van bodemverontreiniging, na deze datum ontstaan, zijn verhaalbaar op de veroorzaker(s) (tenzij niet meer bestaand of niet solvabel). Voor deze datum zijn kosten niet meer verhaalbaar, tenzij kan worden aangetoond dat van ernstige nalatigheid sprake is. — 1 januari 1987: inwerkingtreding Wet Bodembescherming. In het zorgplichtartikel van deze wet wordt gesteld, dat eenieder die handelingen verricht die leiden tot bodemverontreiniging, verplicht is sanerende maatregelen te treffen met als doel verdere aantasting of negatieve gevolgen op te heffen of te beperken. — 5 mei 1994: eerste fase inwerkingtreding Saneringsregeling Wet bodembescherming. Hierin is het zorgplichtartikel geconcretiseerd en is er een meldingsplicht aan verbonden, waardoor de mogelijkheden tot aansprakelijkheidsstelling groter zijn geworden.
Bijlage 4 Analysecertificaten asbest
BIJLAGE
Kwinfra B.V. T.a.v. de heer S. Buijs Helderseweg 54g-h 1817 BB ALKMAAR
Uw kenmerk : 18157 Herenweg te Egmond Binnen Ons kenmerk : Project 816760 (betreft gewijzigd rapport) Validatieref. : 816760_certificaat_v2 Opdrachtverificatiecode : NUXE-AYJK-KSBJ-ZNBG Wijziging : Project- en/of monsteromschrijving online gewijzigd door opdrachtgever Bijlage(n) : 3 tabel(len) + 2 bijlage(n)
Amsterdam, 12 oktober 2018 Hierbij zend ik u de resultaten van het laboratoriumonderzoek dat op uw verzoek is uitgevoerd in de door u aangeboden monsters. De resultaten hebben uitsluitend betrekking op de monsters, zoals die door u voor analyse ter beschikking werden gesteld. Het onderzoek is, met uitzondering van eventueel uitbesteed onderzoek, uitgevoerd door Eurofins Omegam volgens de methoden zoals ze zijn vastgelegd in het geldende accreditatie-certificaat L086 en/of in de bundel "Analysevoorschriften Eurofins Omegam". De in dit onderzoek uitgevoerde onderzoeksmethoden van de geaccrediteerde analyses zijn in een aparte bijlage als onderdeel van dit analyse-certificaat opgenomen. De methoden zijn, voor zover mogelijk, ontleend aan de accreditatieprogramma's/schema's en NEN- EN- en/of ISO-voorschriften. Ik wijs u erop dat het analyse-certificaat alleen in zijn geheel mag worden gereproduceerd. Ik vertrouw erop uw opdracht volledig en naar tevredenheid te hebben uitgevoerd. Heeft u naar aanleiding van deze rapportage nog vragen, dan verzoek ik u contact op te nemen met onze klantenservice. Hoogachtend, namens Eurofins Omegam,