CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 2 GRO Zuilenhof 24 jan 2025.pdf

Gemeenteraad 27 maart 2025, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 14: Voorstel betreft voor Zuilenhof aan de Oude Bergerweg 2 de nota van zienswijze vast te stellen en een VVGB af te geven16.035 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

DUURZAAMHEID Algemeen In het Beleidsplan & Uitvoeringsprogramma 2023 – 2026 ‘Op weg naar klimaatadaptieve en natuurinclusieve gemeenten’ (versie oktober 2022) zijn de ambities van de BUCH-gemeenten ten aanzien van klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit opgenomen. In 2050 dient de BUCH klimaatbestendig, waterrobuust en natuurinclusief te zijn. Daarnaast dient klimaatadaptatie verwezen te zijn in de werkprocessen met betrekking tot de inrichting van de ruimte. Hiervoor is het noodzakelijk dat men anders gaat denken en werken. Er dient integraal te worden gewerkt, er dient een verandering plaats te vinden in bewustzijn én gedrag, bij herinrichting en nieuwbouw dienen klimaatbestendige uitgangspunten te worden gehanteerd, er dienen duidelijke kaders te zijn voor klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen in de initiatieffase en tot slot dient een puntensysteem voor natuurinclusief bouwen te worden toegepast.

Relatie tot ontwikkeling Er worden diverse duurzaamheidsmaatregelen getroffen. De nieuwbouw wordt aardgasvrij gerealiseerd. Daarnaast wordt onder meer voorzien in zonnepanelen, een groendak en een douche-wtw. Ook is getoetst aan het puntensysteem natuurinclusief bouwen uit het Beleidsplan & Uitvoeringsprogramma 2023 – 2026 van de BUCH. Het puntensysteem in het gemeentelijk klimaatbeleid is er op gericht dat:  

Bij een nieuwbouwproject vanaf een (1) (recreatie)woning tot 5 woningen per (recreatie)woning een doelstelling van 3 punten wordt gehaald; bij enig ander bouwwerk van 200 tot 500 m2 grondoppervlak wordt een doelstelling van 10 punten gehaald. Bij een nieuwbouwproject van 5 (recreatie)woningen en meer of van een ander bouwwerk dat een grondoppervlak heeft van 500 m2 of meer wordt een doelstelling van minimaal 30 punten gehaald.

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 26 zorgwoningen dan wel het realiseren van bebouwing met een groter grondoppervlak dan 500 m2. Conform het puntensysteem dienen derhalve minimaal 30 punten te worden gehaald. De exacte uitwerking van de voorgenomen ontwikkeling is nog niet bekend. Vooralsnog wordt er echter op voorgesorteerd om de volgende maatregelen toe te passen:

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 27

Maatregel uit bijlage 1 behorende bij het puntensysteem Aanleg van groen dak (van 7 – 15 cm dik) met sedum, grassen en kruiden t.b.v. insecten over minimaal 60% van het bebouwde oppervlakte Aanplant van klimmend gevelgroen op een muur met weinig of geen ramen over een breedte van minimaal 5 meter en hoogte van 3 meter en bij voorkeur grondgebonden (plantgat minimaal 30 cm x 45 cm grondoppervlak), over minimaal 30% van de totale lengte van de gevel Het creëren van twee verblijfplaatsen en 5 m2 groen per 100 m2 bebouwd oppervlak t.b.v. de huismus inclusief biotoop Het creëren van één cluster per 500 m2 bebouwd oppervlak t.b.v. gierzwaluwen en spreeuwen Het creëren van één cluster per 500 m2 bebouwd oppervlak t.b.v. huiszwaluwen Het creëren van drie nestkasten per 500 m2 bebouwd oppervlak met 25 m2 passend groen t.b.v. zangvogels zoals koolmezen Het realiseren van een cluster van inheemse struiken >50 m2 Het realiseren van voor vlinders geschikte struiken >50 m2 Het realiseren van halfverharding of natuurlijke verharding >25% Totaal

Aantal punten 6 punten 6 punten

2 punten 2 punten 1 punt 2 punten 3 punten 3 punten 3 punten 30 punten

Bij de aan te vragen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal een definitieve uitwerking van de maatregelen beschikbaar worden gesteld tezamen met een daarbij behorend ecologisch advies.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Bergen.

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen.  Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.

Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 28

Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

Relatie tot ontwikkeling Op de risicokaart is te zien dat:  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting;  Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen;  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute;  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Figuur 10. Uitsnede risicokaart (bron: www.nederland.risicokaart.nl), plangebied rood omkaderd.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:  woningen;  onderwijsgebouwen;  ziekenhuizen;  verpleeghuizen;  verzorgingstehuizen;  psychiatrische inrichtingen;  kinderdagverblijven. Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 29

Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.

Relatie tot ontwikkeling Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van de Bergerweg. De beoogde ontwikkeling maakt de realisatie van geluidsgevoelige functies mogelijk, namelijk woningen. Door MoBIUS Consult is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van is terug te vinden in de bijlagen bij onderhavige ruimtelijke onderbouwing. De resultaten uit het onderzoek worden hieronder weergegeven. Uit het onderzoek blijkt het volgende:  Op de gevels van de (zorg)woningen is geen sprake van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Er is daarmee eveneens geen sprake van overschrijding van de maximale grenswaarden uit de Wet geluidhinder.  De geluidsbelasting van het wegverkeer op de wegen met een snelheidsregime van 30 km per uur is in het kader van een goede ruimtelijke ordening eveneens beoordeeld. De geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 51 dB, ten gevolge van wegverkeer op de Oosterweg en ten hoogste 50 dB, ten gevolge van wegverkeer op de Loudelsweg. In vergelijking met de maximale grenswaarde voor stedelijke (gezoneerde) wegen van 63 dB wordt deze geluidsbelasting als acceptabel beoordeeld.  De gecumuleerde geluidsbelasting is beoordeeld. Hierbij is aansluiting gezocht bij de GES-kwalificatie. Bij een groot deel van de (zorg)woningen is de gecumuleerde geluidsbelasting als goed tot zeer goed beoordeeld.

Bij een aantal woningen die gelegen zijn aan de noordgevels van het project is de gecumuleerde geluidsbelasting beoordeeld als redelijk. Slechts op één geveldeel (oostgevel t.p.v. de 1e verdieping van het oostelijk bouwdeel) is de gecumuleerde geluidsbelasting beoordeeld als matig. Wat betreft de geluidsbelasting van het wegverkeer, is realisatie van het project mogelijk zonder verdere maatregelen of aandachtspunten. Er wordt geadviseerd om bij de verdere uitwerking van het project wel aandacht te besteden aan de geluidwering van de gevels. Dit zal plaatsvinden in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning activiteit bouwen.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

KABELS EN LEIDINGEN Algemeen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 30

Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen.

Relatie tot ontwikkeling In figuur 11 is zichtbaar dat het plangebied niet binnen of in de nabije omgeving van het invloedsgebied van een hoogspanningslijn ligt. Figuur 11. Uitsnede kaart Hoogspanningnet, plangebied rood omcirkeld.

Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:  woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 31

kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de realisatie van 26 zorgappartementen en bijbehorende zorgfaciliteiten. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Voor de volledigheid is op basis van de berekende verkeersgeneratie (zie paragraaf 4.12) de NIBM-rekentool gebruikt. Op basis daarvan kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Figuur 12. NIBM-rekentool, aandeel vrachtverkeer worst-case op 2% (geraadpleegd op 11 maart 2024).

Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de luchtkwaliteitskaarten van Atlas Leefomgeving worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 32

Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd op 11 maart 2024) met bijbehorende grenswaarden. Tabel 2. Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in nabijheid van de projectlocatie Jaar Totale concentratie rekenpunt 15846579 NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3)

PM2,5 (µg/m3)

2021

10,3

14,8

7,1

Grenswaarden

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is. Dit blijkt ook uit figuur 12.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.

Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 33

Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door Van der Goes & Groot een ecologische quickscan en een stikstofdepositieberekening uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportages zijn bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. 4.11.2.1 Soortenbescherming Uit de ecologische quickscan volgt dat:  Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen;  Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan;  In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. He broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli;  In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus, Sperwer en Ransuil.

Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoort(en) noodzakelijk. Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven;  In het onderzoeksgebied kunnen beschermde zoogdieren voorkomen die zijn beschermd als ‘andere soort’. Het gaat om de Boommarter, Eekhoorn, Bunzing, Hermelijn en Wezel. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/o kennisdocumenten één of meer van deze soorten aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven;  Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’. Uit de quickscan volgt dat vervolgonderzoek noodzakelijk is.

Het vervolgonderzoek is door Van der Goes & Groot uitgevoerd en uit dit onderzoek volgt dat: 

   

in het plangebied geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen. In het plangebied kunnen wel broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedvogelseizoen plaats te vinden. Een ontheffing voor broedvogels is dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot half juli. in het plangebied geen verblijfsplaatsen van kleine marterachtigen voorkomen. in het plangebied alleen langsvliegende, in vlucht baltsende en foeragerende vleermuizen zijn waargenomen. verblijfplaatsen van vleermuizen niet konden worden vastgesteld in het plangebied. De in vlucht baltsende vleermuizen vertoonden geen gebouw gebonden activiteit en konden niet aan aanwezige bebouwing worden gekoppeld. het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en geen essentieel deel van het leefgebied is. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 34

  

vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde soorten of gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, het niet nodig is ontheffing aan te vragen in het kader van de Wnb. voor overige zorgen onverminderd de zorgplicht geldt. als gewerkt wordt conform de gestelde beperkingen en restricties in de eerder uitgevoerde ecologische quickscan (zie Fokkens, 2021) bij de uitvoer van de plannen geen belangrijke negatieve effecten voor beschermde soorten worden verwacht.

Het volledige onderzoek is opgenomen in de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing. 4.11.2.2 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Wel is het plangebied in de nabije omgeving van meerdere Natura 2000-gebieden gelegen, te weten:  het Noordhollands Duinreservaat, circa 800 meter;  de Noordzeekust, circa 5,5 kilometer;  Abtskolk & De Putten, circa 7,5 kilometer. Figuur 13 geeft de Natura 2000-gebieden rondom het plangebied weer. Gele gebieden zijn gebieden afkomstig uit de habitatrichtlijn, blauwe gebieden zijn gebieden afkomstig uit de vogelrichtlijn en groene gebieden zijn gebieden die zowel onder de habitatrichtlijn als de vogelrichtlijn vallen. In dit kader dient een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Figuur 13. Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden, plangebied ter hoogte van blauwe ‘i’ (bron: Atlasleefomgeving).

De stikstofdepositieberekening is uitgevoerd door Van der Goes & Groot. De rapportage hiervan is opgenomen in de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing. In de rapportage zijn de volgende conclusies opgenomen:  De maximale projectbijdrage van de aanleg en gebruik van de planlocatie is 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositie die bij realisatie van de plannen veroorzaakt zal worden, vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarden van de voorkomende stikstofgevoelige habitattypen dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden. Er is dus geen sprake van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 35

 

Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. Gezien de geplande werkzaamheden betreft de hoogste bijdrage van het project de tijdelijke inzet van mobiele werktuigen. In de aanlegfase wordt uitgegaan van het gebruik van materieel met stageklasse IV of nieuwer. Bij gebruik van ouder materieel dient een nieuwe berekening te worden gemaakt. Bij de berekening van de aanlegfase is rekening gehouden met een specifieke inzet van mobiele werktuigen en bijbehorende draaiuren. Indien hier (significant) van wordt afgeweken is de berekening niet meer representatief voor het te verwachten effect op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden. In de gerealiseerde bebouwing wordt door het afzien van stookinstallaties in de bebouwing (vrijwel) geen stikstof meer geëmitteerd. De transitie van oude bebouwing met zekere uitstoot van stikstof naar de beoogde bebouwing in dit project draagt daarmee bij aan de gewenste permanente daling van stikstof op kwetsbare natuurgebieden.

Overige gebieden De projectlocatie is niet gelegen binnen een NNN-gebied. Daarnaast is het plangebied geen weidevogelleefgebied, stiltegebied, wetlandgebied, nationaal landschap of gebied met aardkundige waarden.

Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.

Relatie tot ontwikkeling 4.12.2.1 Parkeren De gemeente Bergen heeft op 15 mei 2020 Nota Parkeernormen 2020 vastgesteld. Een nieuwe ontwikkeling dient aan de regels uit deze nota te voldoen. De gemeente Bergen maakt in deze nota onderscheid tussen verschillende woonfuncties. Het kan voorkomen dat voor een te realiseren functie geen parkeernorm is opgenomen. In dit geval dient de parkeernorm te worden gehanteerd die geldt voor de meest vergelijkbare functie. In onderhavige situatie is van een vergelijkbare parkeernorm geen sprake: het initiatief valt – voor wat betreft de kenmerken van het initiatief – tussen de functiegroepen ‘serviceflat’ en ‘verpleeghuis’ in. De norm voor een serviceflat ligt dusdanig hoog, dat van een vergelijkbare norm voor de toekomstige ontwikkeling niet gesproken kan worden. Deze norm bedraagt immers 1,2 parkeerplaats per woning. De norm voor een verpleeghuis betreft 0,6 parkeerplaatsen per woning/kamer. Het wordt derhalve gerechtvaardigd geacht om een norm van 0,9 parkeerplaatsen per woning te hanteren voor de voorgenomen ontwikkeling. Op basis van een tweetal referentieprojecten (in Heiloo, door dezelfde exploitant), wordt ervoor gekozen om eerst het aantal parkeerplaatsen op basis van de norm van 0,6 parkeerplaatsen aan te leggen en te werken met een monitoringsverplichting. Mocht uit de monitoring blijken dat toch sprake is van parkeeroverlast c.q.

een te hoge parkeerdruk, dan dient het volledig aantal parkeerplaatsen op basis van de norm van 0,9 parkeerplaatsen per woning aangelegd te worden. In de omgevingsvergunning en/of de anterieure overeenkomst worden derhalve de volgende bepalingen opgenomen: 1. Op eigen terrein kan in beginsel voorzien worden in de totale parkeerbehoefte, uitgaande van een norm van 0,9 parkeerplaatsen. Omdat de parkeerbehoefte in de praktijk naar verwachting lager uitvalt, wordt voorgesteld om uit te gaan van de parkeersituatie waarin 16 parkeerplaatsen worden gerealiseerd (= een Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 36

2. 3. 4. 5.

parkeernorm van 0,6 parkeerplaatsen) waarbij aanvullend op eigen terrein ruimte wordt gerealiseerd voor de realisatie van 8 parkeerplaatsen waardoor aan de totale parkeerbehoefte op basis van een parkeernorm van 0,9 wordt voldaan. Indien uit monitoring blijkt dat de parkeerdruk hoger in de directe omgeving van het plangebied, als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, hoger is dan 80% in de ochtend, middag, avond en nacht, dient op eigen terrein opgeschaald te worden naar in totaal 24 parkeerplaatsen. Monitoring dient drie keer in het jaar na ingebruikname van de ontwikkeling, gelijkmatig over het jaar verspreid, plaats te vinden gedurende de ochtend, middag, avond en nacht. Verkeerd geparkeerde voertuigen dienen te worden meegeteld. De resultaten van de parkeerdrukmetingen worden schriftelijk vastgelegd, waarbij eveneens wordt vastgelegd hoeveel van het totaal aantal woningen/kamers op het moment van monitoring zijn verhuurd. Op basis van de getelde bezetting van het aantal parkeerplaatsen, wordt de parkeerdruk bepaald, voor elk van de hiervoor genoemde momenten. Indien niet alle kamers verhuurd zijn, vindt een correctie plaats naar het totale aantal kamers. De parkeerdruk wordt afgerond op een geheel getal. Het totaal aantal te realiseren parkeerplaatsen op eigen terrein van 24 kan echter niet worden overschreden

4.12.2.2 Verkeersgeneratie en ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten via de bestaande ontsluiting. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW- publicatie 744 geraadpleegd. Hierbij hebben de volgende invoergegevens als worst-case uitgangspunt gediend: hoofdgroep wonen – serviceflat - rest bebouwde kom Bergen – sterk stedelijk. Per serviceflat bedraagt de verkeersgeneratie minimaal 2,1 en maximaal 2,8 verkeersbewegingen per etmaal. Voor 26 serviceflats bedraagt de totale verkeersgeneratie minimaal 55 en maximaal 70 verkeersbewegingen per etmaal. De verkeersgeneratiecijfers van CROW betreffen echter kencijfers voor weekdagen. Voor woningen is echter een werkdag maatgevend. Om weekdagen om te rekenen naar werkdagen wordt conform CROW systematiek een correctie van 1,11 toegepast. De toekomstige verkeersgeneratie van de ontwikkeling bedraagt hiermee maximaal 78 mvt per werkdagetmaal (70 x 1,11 = 77,7). De verkeersintensiteit in het spitsuur bedraagt over het algemeen circa 10% van de totale etmaal verkeersintensiteit. De verkeersgeneratie in het drukste spitsuur bedraagt hiermee 8 mvt. Dat komt in de praktijk neer op gemiddeld minder dan 1 auto per 5 minuten (8 auto's per 60 minuten). Deze toename is in de praktijk nauwelijks waarneembaar en gaat op in het huidige verkeersbeeld.

Daarmee zijn geen nieuwe verkeerskundige knelpunten te verwachten als gevolg van de ontwikkeling.

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Op 28 november 2023 is de digitale watertoets doorlopen. Het systeem concludeert dat de korte procedure doorlopen dient te worden, omdat het plan een beperkte invloed op het watersysteem en/of afvalwaterketen heeft. De resultaten zijn waar nodig verwerkt in deze waterparagraaf.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 37

Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling neemt de verharding op de projectlocatie toe met 1.843 m2, waarvan 500 m2 bestaat uit graskeien. Conform de regels van het Hoogheemraadschap dient de voorgenomen ontwikkeling te voorzien in compensatie. De voorgenomen ontwikkeling voorziet derhalve in een alternatieve vorm van waterberging. Daarbij worden de volgende voorzieningen getroffen: -

De buitenruimte wordt op souterrainniveau voorzien van grindbedden en infiltratiekratten, met ondergrondse berging. Hieruit zakt het water langzaam de bodem in. o

Onder een grindbed wordt het volgende verstaan: een geul gevuld met grind of een grindlaag in een deel van de tuin, waardoor het water snel de ondergrond in kan worden gebracht. Ongeveer een derde van het grindbed is beschikbaar voor water. Onder of in de grindlaag kan een infiltratiedoek worden gelegd om vuildeeltjes af te vangen.

o

Onder een infiltratiekrat wordt het volgende verstaan: infiltratiekratten betreffen kisten van kunststof of ander materiaal onder de grond. De kratten slaan regenwater op, waarna het in de grond zakt. De kratten worden in de grond gebracht met daaromheen een infiltratiedoek. Het infiltratiedoek voorkomt dat zand de infiltratievoorziening instroomt.

-

De in- en uitrit voor de auto wordt voor de helft van grasstenen gemaakt en voor de overige helft van grind.

-

Onderzocht wordt of het platte dak van de nieuwbouw geschikt kan worden gemaakt voor het toepassen van een groenblauw dak. Door middel van een groenblauw dak kan het water niet wegstromen uit de drainagelaag.

Figuur 14. Te onderzoeken mogelijkheden alternatieve waterberging (bron: BREIN Architecten)

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 38

Beschermde gebieden Het plangebied bevindt zich niet in een gebied dat op de legger primaire of regionale waterkeringen is aangeduid. Riolering Er wordt op de bestaande riolering ter plaatse van het plangebied aangesloten. Grondwater Door BOOT is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit het onderzoek volgt dat het te realiseren souterrain in principe een obstakel in de ondergrond vormt, waardoor het grondwater niet door kan stromen. Daarbij zijn de volgende zaken relevant:    

Het souterrain vormt een blokkade en heeft mogelijk een negatieve invloed op de grondwaterstroming; De ondergrond rondom het souterrain is relatief goed doorlatend (k-waarde waarschijnlijk > 5 m/dag). Het grondwater kan relatief goed om het souterrain en onder het souterrain stromen en zo zijn weg vervolgen; Het souterrain is circa 40 m breed, haaks op de grondwaterstroming, in het gehele geohydrologische systeem is dit relatief smal; De ingeschatte GHG ligt 1,3 m-mv. Zowel in de huidige als toekomstige situatie (bij realisatie van het souterrain) wordt geen risico op grondwateroverlast verwacht.

Gelet op voorgaande wordt door BOOT geconcludeerd dat de effecten van het souterrain op het grondwater beperkt zijn. Op het gebied van grondwaterstanden en -stroming worden geen negatieve effecten verwacht.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.

Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 39

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van 26 zorgappartementen met bijbehorende zorgfaciliteiten. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Aanmeldnotitie en m.e.r.-beoordelingsbesluit Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling van 7 juli 2023 is toegevoegd aan de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Op basis van de aanmeldnotitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 40

5

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de herontwikkeling aan de Oude Bergerweg 2 te Bergen wordt een overeenkomst gesloten tussen Gemeente Bergen en initiatiefnemer. Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft de initiatiefnemer drie informatieavonden georganiseerd. De eerste informatieavond vond plaats op 20 september 2018, de tweede informatieavond vond plaats op 30 januari 2019 en de derde informatieavond vond plaats op 6 maart 2024. Van alle avonden is een verslag opgemaakt, welke als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd. Op de informatieavonden zijn vragen van omwonenden beantwoord en zijn de aandachtspunten voor de herontwikkeling van de locatie opgehaald. Dit betroffen o.a. aandachtspunten zoals het behoud van zoveel mogelijk groen en de parkeeroplossing. In de nadere planuitwerking is hiermee rekening gehouden, zie hiervoor ook onderstaande tabel. Thema

Vragen / opmerkingen omwonenden

Behoud groen

1. Wat gebeurt er met de bomen op het terrein? 2. Fantastisch plan, maar op verkeerde plek vanwege verlies van de mooie tuin en de verkeersdrukte 3. Wat blijft er van de tuin over? 4. Er worden bomen verwijderd, komen hier bomen / groen voor terug?

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Reactie initiatiefnemer c.q. relatie tot ontwikkeling O.a. op verzoek van de buren heeft het ontwikkelteam rekening gehouden met het behoud van zoveel mogelijk groen. Hierbij is de vorm van de nieuwbouw aangepast aan de positie van waardevolle gezonde bomen. Op basis van een boominventarisatie, op advies van de gemeentelijke kwaliteitscommissie (ARK), is een onderzoek gedaan waaruit bleek welke bomen gezond, waardevol en/of ongezond zijn. De meeste gezonde bomen blijven behouden (31 van de 56 en van de 25 te kappen bomen staan 24 bomen op de lijst ‘moeten/kunnen worden verwijderd’). Waar groen terug kan komen wordt te zijner tijd

Pagina | 41

Behoud monument

1. Hoe vindt de verbinding plaats tussen het monument en de nieuwbouw? 2. Moet het monument niet, wettelijk vastgesteld, onderhouden worden?

in overleg met een landschapsarchitect bepaald. In ieder geval is daar op het perceel voldoende ruimte voor vrijgehouden, namelijk door plaatsen te creëren rond de verkeerlus op eigen terrein. De nieuwbouw zal natuurinclusief en met zoveel mogelijk groengevel worden gebouwd zodat deze zoveel mogelijk opgaat in de groene omgeving. De ontwikkeling voorziet deels in nieuwbouw en deels in het renoveren en hergebruiken van het monument Zuilenhof. Het ondersteunende programma van het zorgcentrum is beoogd in het monument en hierbij wordt de monumentale onderdelen van het monument opgeknapt en behouden. Dit is in overleg met gedaan met de ARK, afdeling monumenten van de gemeente en ook met de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). Hierbij is bepaald welke wanden binnen monumentale waarde hebben, waar de nieuwbouw op subtiele wijze kan aansluiten en welke onderdelen binnen kunnen worden aangepast. Het is daarnaast correct dat er een wettelijke instandhoudingsplicht bestaat voor rijksmonumenten. De instandhoudingsplicht verplicht de monumenteigenaar om zijn of haar rijksmonument zodanig te onderhouden dat instandhouding en de monumentale waarde zijn gewaarborgd.

Ten behoeve van de voorgenomen wijzigingen aan het rijksmonument in het plangebied, dient te zijner tijd een omgevingsvergunning voor het veranderen van het (rijks)monument aangevraagd te worden, in combinatie met de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Op dit moment ligt enkel de afwijking van het bestemmingsplan, bestaande uit de functiewijziging, voor en deze wordt onder meer door de RCE voorstelbaar geacht.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 42

Verkeerssituatie

1. Wordt er een oplossing bedacht voor het gevaarlijke kruispunt Oude Bergerweg/Loudelsweg/Oosterweg/Van Borselenlaan? 2. Hoe wordt de verkeersdrukte opgelost? En hoe zit het met de drukte op het kruispunt?

Parkeren

1. Hoeveel parkeerplekken zijn er nodig en hoe wordt het parkeren opgelost? 2. Waar is het parkeren, wat is de parkeernorm, hoe bereiken auto’s het parkeerterreinen waar komen de leveranciers?

Privacy Loudelsweg

1. Hoe hoog worden de nieuwbouwgebouwen? 2. Hoe wordt het aanzicht vanaf de straat? 3. Hoe zit het met de privcacy van tegenoverliggende woningen aan de Loudelsweg? 4. Kan er nog een extra 3D-beeld worden toegevoegd van het plan vanaf de Loudelsweg, om zo dat aanzicht ook in beeld te krijgen?

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

In overleg met afdeling verkeer is een oplossing gezocht voor bestemmingsverkeer, zoals toeleveranciers, ambulances en dergelijke. Hiervoor is op eigen terrein een verkeerslus bedacht, waarbij de bestelbussen en minivrachtwagens op eigen terrein op de lus kortstondig staan bij aflevering en weer de weg op kunnen draaien. Voor wat betreft de te verwachten verkeersdrukte geldt dat in paragraaf 4.12.2.2 van deze ruimtelijke onderbouwing reeds is in gegaan op de toename aan verkeersgeneratie. Daaruit volgt dat de extra verkeersgeneratie in het drukste spitsuur 8 mvt/etmaal bedraagt. Dat komt in de praktijk neer op gemiddeld minder dan 1 auto per 5 minuten (8 auto's per 60 minuten). Deze toename is in de praktijk nauwelijks waarneembaar en gaat op in het huidige verkeersbeeld. Daarmee zijn geen nieuwe verkeerskundige knelpunten te verwachten als gevolg van de ontwikkeling. Voor de beantwoording van deze vragen wordt verwezen naar paragraaf 4.12.2.1 van deze ruimtelijke onderbouwing. De ontsluiting vindt plaats via het Boendemakershof. Leveranciers dienen te laden en lossen in het projectgebied. Hiervoor is op eigen terrein een verkeerslus bedacht, waarbij de bestelbussen en minivrachtwagens op eigen terrein op de lus kortstondig staan bij aflevering en weer de weg op kunnen draaien.

De monumentale villa blijft de bestaande bouwhoogte behouden (conform het bestemmingsplan: maximale goothoogte van 4 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter). De nieuwbouw is twee verdiepingen hoog boven het maaiveld, met één verdieping als souterrain. Dit houdt Pagina | 43

in dat er op de kopse kant aan de Loudelsweg twee appartementen op de verdieping ‘naar de overkant’ kijken. De nieuwbouw wordt tot een maximale bouwhoogte van 7 meter (dak), gemeten vanaf de begane grondvloer van het monument, gerealiseerd, wat doorgaans lager is dan de zadeldaken van de woningen in de omgeving. Het plan had eerst nog een extra bouwlaag, maar die is vervallen om de hoogte te beperken. Hiervoor is het plan in het maaiveld verdiept om het programma te behuizen. De haag aan de Loudelsweg wordt behouden welke de privacy beide kanten op verbeterd.

Eventuele schade gebouwen omgevingd door bouwactiviteiten

1. Hoe wordt er voorkomen dat er met het heien schade zal ontstaan aan de omliggende bebouwing?

Bodemwater

1. Hoe wordt voorkomen dat er in het laagste appartement geen water komt te staan? 2. Wat voor een effect heeft de nieuwbouw op de hydrologie (grondwater)?

Bord aan de weg met beschrijving historisch erfgoed

1. Wordt er gedacht aan het plaatsen van een bord aan de weg met daarop een beschrijving van het historisch erfgoed?

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Een extra 3D-beeld is toegevoegd om het beeld vanaf de Loudelsweg te laten zien. Voordat er wordt geheid zal er geotechnisch onderzoek plaatsvinden, met sonderingen, om te bepalen of het onderheid moet worden. Zo ja, dan zal er een trillingsprognose plaatsvinden, zodat het juiste heisysteem kan worden bepaald. Ook wordt voorgesteld foto’s te nemen van de panden, zodat er een eventuele voor- en nasituatie in beeld is. Vanuit een omwonende is een vraag gekomen over de grondwaterstand en invloed op bodemwater door de nieuwbouw. Tijdens de informatieavond is toegezegd dat tijdens de bouwvoorbereidingsfase onderzoek zou plaatsvinden. Echter is, in overleg met de gemeente en naar aanleiding van een zienswijze, besloten in dit traject oriënterend onderzoek naar bodemwater te doen. Hieruit volgt dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatief heeft op de grondwaterstranden en -stroming. Hier is nog niet aan gedacht, maar het is wel een sympathieke en goede manier om het culturele erfgoed dat ‘Zuilenhof’ is, onder de

Pagina | 44

aandacht te brengen. Dit wordt meegenomen in de uitwerkingsfase.

Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 45

6

CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel op de projectlocatie 26 appartementen met bijbehorende zorgfaciliteiten te realiseren. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het relevante Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 46

Bijlage

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Stedenbouwkundig plan – BREIN architecten

Pagina | 47

Bijlage

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Archeologisch onderzoek – Bureau voor Archeologie

Pagina | 48

Bijlage

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Verkennend- en nader bodemonderzoek Kwinfra

Pagina | 49

Bijlage

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Akoestisch onderzoek – MoBIUS Consult

Pagina | 50

Bijlage

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Ecologische quickscan – Van der Goes & Groot

Pagina | 51

Bijlage

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Nader ecologisch onderzoek – Van der Goes & Groot

Pagina | 52

Bijlage

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Stikstofdepositieberekening – Van der Goes & Groot

Pagina | 53

Bijlage

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling – Mees Ruimte & Milieu

Pagina | 54

Bijlage

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Participatieverslagen

Pagina | 55

Bijlage

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Bomen Effect Analyse

Pagina | 56

Bijlage

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Geohydrologisch onderzoek

Pagina | 57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/5266/documents/44702