CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 2 GRO Zuilenhof 24 jan 2025.pdf

Gemeenteraad 27 maart 2025, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 14: Voorstel betreft voor Zuilenhof aan de Oude Bergerweg 2 de nota van zienswijze vast te stellen en een VVGB af te geven16.035 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Project Status Projectnummer Datum Auteur Controle

Oude Bergerweg 2 te Bergen 2.0 20390 24 januari 2025 S. Elfrink MSc mr. A. van Dam

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 2

INHOUDSOPGAVE 1 2

3

4

5

6

Inleiding Projectbeschrijving

4 5

Projectlocatie Projectplan Geldend bestemmingsplan

5 5 10

Ruimtelijk beleid

13

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

13 15 19

Omgevingsaspecten

22

Motivering behoefte / Ladder voor duurzame verstedelijking Archeologie en cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bodem Duurzaamheid Externe veiligheid Geluid Kabels en leidingen Luchtkwaliteit Natuur Verkeer en parkeren Water (Vormvrije) m.e.r-beoordeling

22 23 25 26 27 28 29 30 31 33 36 37 39

Beschrijving uitvoerbaarheid

41

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

41 41

Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid

46

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 3

1

INLEIDING In opdracht van D.J. Management B.V. heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de gewenste ontwikkeling van 26 zorgappartementen met bijbehorende faciliteiten ter plaatse van de Oude Bergerweg 2 te Bergen. Het plan staat ook bekend onder de naam ‘Zuilenhof’. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivering om af te wijken van het geldende bestemmingsplan, de zogenoemde Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO). Voorliggende rapportage betreft de GRO, waarin het project aan de hand van zowel ruimtelijke als milieutechnische aspecten wordt gemotiveerd. Opgemerkt wordt dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling reeds een omgevingsvergunning is aangevraagd vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet (per 1 januari 2024). Derhalve valt de omgevingsvergunningaanvraag onder het overgangsrecht van de Omgevingswet en kan de aanvraag op basis van de voorgaande wetgeving worden afgewikkeld. Deze GRO spitst zich derhalve toe op de ‘oude’ wetgeving.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 4

2

PROJECTBESCHRIJVING PROJECTLOCATIE De projectlocatie is gelegen aan de Oude Bergerweg 2 te Bergen. Het plangebied bevindt zich direct naast een kruising van de Van Borselenlaan ten noorden, de Oosterweg ten oosten, de Oude Bergerweg ten zuiden en de Loudelsweg ten westen. De kadastrale gegevens van het plangebied betreffen BGN03 - A – 3377. Het plangebied is gelegen in de wijk Bergen Binnen, in de buurt Boendermaker. De omliggende gronden betreffen overwegend wonen. Figuur 1. Luchtfoto projectlocatie globaal (bron: QGIS, eigen bewerking).

PROJECTPLAN Huidige situatie Binnen het plangebied is momenteel een monumentale villa aanwezig: het Rijksmonument Zuilenhof. Oorspronkelijk stond hier één van de vele herbergen van Bergen. In 1884 is de herberg verbouwd tot een riant woonhuis. Het huis werd opgedeeld in meerdere grote kamers, waaronder een provisiekamer en een muziekkamer. Zuilenhof is altijd in bezit gebleven van de familie van August Maschmeijer.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 5

Figuur 2. Luchtfoto projectlocatie (bron: QGIS, eigen bewerking).

Figuur 3. Huidige situatie (bron: Google Streetview).

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 6

Toekomstige situatie Programma Het doel is om binnen het plangebied 26 zorgappartementen te ontwikkelen binnen zowel de bestaande monumentale villa als een nieuw te realiseren deel. Voor de te realiseren zorgappartementen geldt dat alle bewoners een zorgindicatie hebben. De zorgindicatie is veelal een VPT5 of VTP6, waarmee ook in een verpleeghuis gewoond kan worden. Per bewoner zal een zorgplan worden opgesteld en op de locatie is 24uur zorg aanwezig. Bewoners betalen zelf voor de huisvesting en daarmee verschilt het voorgenomen initiatief van een regulier verpleeghuis (gefinancierd door de overheid in combinatie met een hoge eigen bijdrage). De zorgvilla beschikt daarnaast over een ruime keuze aan faciliteiten. Daarnaast zullen verscheidene voorzieningen binnen de zorgvilla worden gerealiseerd zoals een salon, wintertuinen, beautysalon, fysiotherapie, eetzaal, keuken, spreekkamer en vergaderruimte. Al met al is het voorgenomen initiatief aan te merken als een hoogwaardig alternatief voor een verpleeghuis. Het initiatief voorziet daarnaast in het behoud van zoveel mogelijk (beuken)bomen. In de huidige situatie zijn – blijkens de uitgevoerde Bomen Effect Analyse (BEA) – 56 bomen in het projectgebied aanwezig. Als gevolg van de nieuwbouwontwikkeling dienen daarvan 25 bomen verwijderd te worden. In de BEA zijn de aanwezige bomen gecategoriseerd in 3 categorieën.

Deze categorieën zijn: moeten worden behouden, kan worden behouden en moeten / kan worden verwijderd. Alle bomen die zijn aangemerkt als ‘moeten worden behouden’ worden behouden, dit betreffen er 31. De 25 bomen die worden gekapt vallen allen in de categorie ‘moeten / kan worden verwijderd’, met uitzondering van 1 boom, die valt binnen de categorie ‘kan worden behouden’. De BEA is opgenomen in de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing. Tot slot wordt voorzien in de realisatie van parkeerplaatsen op eigen terrein. Maatvoering De basis van het ontwerp voor de nieuwbouw vormt de aansluiting van de nieuwbouw op de monumentale villa en op de aanwezige bomen. Het ontwerp plooit zich als het ware om drie bestaande beuken heen. Het totale plan beslaat in de toekomstige situatie een bruto vloeroppervlakte van maximaal 3.000 m2. De monumentale villa blijft de bestaande bouwhoogte behouden (conform het bestemmingsplan: maximale goothoogte van 4 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter). De nieuwbouw wordt tot een maximale bouwhoogte van 7 meter (dak), gemeten vanaf de begane grondvloer van het monument, gerealiseerd. De nieuwbouw bestaat uit een souterrain dat is gelegen op bovenkant vloer 3,35 meter – peil (peil = begane grondvloer van het monument), een begane grond en een verdieping.

Stedenbouwkundige / landschappelijke inpassing De basis van het ontwerp is de aansluiting op de monumentale villa en op de aanwezige bomen. Het ontwerp voor de aanbouw van de (zorg)villa plooit zich om drie bestaande beuken heen. De ambitie voor de zorgvilla is om het monument zo goed mogelijk in zijn waarde te herstellen, waarbij de gevelbegroeiing verwijderd zal moeten worden om het herstel te overzien. De begroeiing zal vervolgens weer worden herplant. De nieuwbouw gaat met gebruik van gevelbegroeiing en houten gevelelementen zoveel mogelijk op in de groene en boomrijke omgeving. De gevelbegroeiing heeft als nut het opgaan in de omgeving zoals ht monument ook doet. De verbinding tussen het monument en de nieuwbouw is zo transparant mogelijk voorzien en de aansluiting van deze verbinding op het monument zal zo subtiel mogelijk gedetailleerd worden zodat het monument bouwkundig en ontwerptechnisch zo min mogelijk wordt aangetast. Voor de materialisering zal gebruik worden gemaakt van hout, glas, metaal en beplanting. De nieuwbouw heeft een souterrainverdieping waarbij de tuin middels aflopende taluds van daglicht worden voorzien. Hier zal, met behulp van een landschapsarchitect, veel aandacht worden besteed aan het tuinontwerp en de aansluiting op het gebouw van de tuin.

In het kader van de aan te vragen vergunning voor het wijzigen van het monument, zullen de concrete maatregelen voor het herstel van het monument – in overleg met de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed – worden vastgesteld.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 7

Figuur 4. Schematische opbouw (bron: BREIN Architecten)

Behoud en restauratie van het monument Enkel de aanwezige villa is aangewezen als een Rijksmonument (nummer 520735). Het monument bevindt zich nog in een tamelijk goede staat, afgezien van noodzakelijk onderhoud van het houtwerk, de dakkapellen en roestsporen bij één van de zuilen. Het achterstallig onderhoud zal restauratief worden aangepakt: behoud en herstel van materiaal staat voorop. Bij de nadere uitwerking van het project dient – in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen in combinatie met de omgevingsvergunning voor het wijzigen van het monument – een restauratieplan te worden opgesteld, waaruit de restauratiekwaliteit blijkt. Het nieuwbouwonderdeel zal een verbinding krijgen met het monument. Deze verbinding wordt met minimale gevolgen voor het monument gerealiseerd. De locatie voor de verbinding is weloverwogen gekozen, te weten naast de bestaande keuken. De nieuwbouw dient bouwfysisch te worden verbonden met de oudbouw. Hierbij zullen de geveldelen in originele staat behouden blijven behoudens twee doorbraken op plekken, die met de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) zijn overlegd. De gezuilde buitenruimten worden gebruikt voor het uitbreiden van woonkamerfuncties, waarbij de bouwkundige ingrepen reversibel uitgevoerd zullen worden. Hier worden tevens restauratiewerkzaamheden uitgevoerd.

Op de verdieping komen naar verwachting een tweetal appartementen, slaapruimten voor personeel en een installatieruimten. Hiervoor zal deze zolder geïsoleerd en bewoonbaar worden gemaakt, dit zonder de monumentale elementen aan te tasten. De definitieve uitwerking hiervan, dient nog ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de RCE. Eindbeeld Op de figuren 5 t/m 7) is het eindbeeld van de toekomstige situatie weergegeven middels een situatietekening en geveltekeningen. De wijze waarop dit eindbeeld tot stand is gekomen is nader uitgewerkt in het stedenbouwkundig plan, wat als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd. De RCE heeft aangegeven het huidige plan voorstelbaar te vinden, voor wat betreft de beoogde functiewijziging (d.d. 23 juli 2024, kenmerk: 1571456). Bij de definitieve vergunningsaanvraag voor het wijzigen van het monument (gepaard met de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen) zal de uitwerking van de plannen gedetailleerder door de RCE worden getoetst. Ook zal uit deze uitwerking de zorgvuldige omgang met de monumentale waarden moeten blijken, om tot een positief advies in die desbetreffende omgevingsvergunningaanvraag te komen. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing ziet toe op de functiewijziging van het monument. Het advies van de RCE d.d.

23 juli 2024 is in dit kader voldoende voor de beoordeling of de voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar is c.q. in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 8

Figuur 5. Situatietekening toekomstige situatie (bron: BREIN Architecten)

Figuur 6. Zuid- en westgevel toekomstige situatie (bron: BREIN Architecten)

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 9

Figuur 7. Noord- en oostgevel toekomstige situatie (bron: BREIN Architecten)

GELDEND BESTEMMINGSPLAN Ter plaatse van de projectlocatie zijn diverse bestemmingsplannen van kracht. Deze bestemmingsplannen worden hieronder behandeld.

Bestemmingsplan “Bergen – Dorpskern Zuid” Ter plaatse van het projectgebied is het bestemmingsplan “Bergen- Dorpskern Zuid” geldend. Dit plan is op 24 maart 2009 vastgesteld door de gemeenteraad van Bergen. De projectlocatie kent diverse bestemmingen en aanduidingen te weten: -

de enkelbestemming ‘Wonen – 2’; ter plaatse van de bestemming ‘Wonen – 2’ kent de projectlocatie gedeeltelijk de aanduiding ‘a’, welke bepaalt dat een hoofdgebouw (niet zijnde een recreatiewoning) ten hoogste 120 m2 mag bedragen; ter plaatse van de bestemming ‘Wonen – 2’ kent de projectlocatie gedeeltelijk de aanduiding ‘c’, welke bepaalt dat een hoofdgebouw (niet zijnde een recreatiewoning) ten hoogste 200 m2 mag bedragen; ter plaatse van de bestemming ‘Wonen – 2’ kent de projectlocatie gedeeltelijk de aanduiding ‘rw’, welke bepaalt dat ten hoogste één recreatiewoning is toegestaan; ter plaatse van het huidige monument op de projectlocatie ligt een bouwvlak, waarbinnen gebouwd mag worden tot een goothoogte van 4 meter en een bouwhoogte van 10 meter; binnen het bouwvlak is de aanduiding ‘monument’ opgenomen; de enkelbestemming ‘Tuin (gedeeltelijk); de dubbelbestemming ‘archeologisch waardevol gebied, gebied waarvoor regime II van toepassing is’ (gedeeltelijk); de dubbelbestemming ‘archeologisch waardevol gebied, gebied waarvoor regime III van toepassing is’ (gedeeltelijk).

Onderstaand figuur bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 10

Figuur 8. Uitsnede bestemmingsplankaart (bron: QGIS, eigen bewerking)

Toets aan bestemmingsplan De ontwikkeling van 26 zorgappartementen is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. De beoogde zorgwoningen zijn – vanwege de zorgindicatie van de bewoners en de 24-uurs aanwezigheid van zorg – aan te merken als een maatschappelijke functie, waardoor het gebruik in strijd is met de geldende bestemming ‘Wonen – 2’. Daarnaast wordt de nieuwbouw buiten het bestaande bouwvlak gerealiseerd. Er wordt derhalve niet voldaan aan de bebouwingsmogelijkheden die het huidige bestemmingsplan biedt. Daarnaast bevindt het plangebied zich binnen twee archeologische regimes. Door de aanleg van een souterrain is archeologisch onderzoek benodigd. Het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ wordt verder toegelicht in hoofdstuk 4.3. Om de genoemde strijdigheden weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken, wordt een procedure doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’.

Bestemmingsplan “Parkeren” Het facetbestemmingsplan “Parkeren” is op 31 mei 2018 door de raad van gemeente Bergen vastgesteld. Met het facetbestemmingsplan “Parkeren” zijn alle ruimtelijke plannen van de gemeente Bergen herzien. De in het bestemmingsplan opgenomen regels gelden in aanvulling op c.q. in afwijking van de regels van de ruimtelijke plannen van de gemeente Bergen voor wat betreft het onderwerp ‘parkeren’ en ‘laden en lossen’, en laten overige regels uit die onderliggende ruimtelijke plannen ongewijzigd. Het bestemmingsplan verwijst naar de ‘Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009’ en eventuele wijzigingen van deze nota gedurende de planperiode. Of sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van deze nota en de normen die daarin zijn opgenomen. Het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen terrein wordt opgelost. Daarnaast moet in voldoende mate worden voorzien in ruimte voor het laden en lossen van goederen. Of daarvan sprake is, wordt bepaald aan de hand van de richtlijnen die zijn opgenomen in het ASVV2012.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 11

Toets aan het facetbestemmingsplan In paragraaf 4.11 van deze ruimtelijke onderbouwing wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het geldende parkeerbeleid. Hiermee is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met het geldende facetbestemmingsplan.

Herstelplan Bergen 2022 Op 25 mei 2023 is het bestemmingsplan “Herstelplan Bergen 2022” vastgesteld door de gemeenteraad van Bergen. In dit bestemmingsplan zijn diverse omissies, daar waar het gaat om feitelijk aanwezig en vergunde bebouwing en/of gebruik op meerdere percelen, verspreid over de gemeente hersteld. Het gaat hierbij hoofdzakelijk om het alsnog positief bestemmen van aanwezige bebouwing in combinatie met het gebruik. Toets aan het bestemmingsplan Het bestemmingsplan “Herstelplan Bergen 2022” heeft geen wijzigingen ten opzichte van het reeds geldende planologische regime aangebracht op de projectlocatie. Strijd met het bestemmingsplan “Herstelplan Bergen 2022” doet zich derhalve niet voor.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 12

3

RUIMTELIJK BELEID RIJKSBELEID Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 9. Afwegen met de NOVI. Bron: Nationale Omgevingsvisie.

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 13

ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen 3.1.1.1 Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling sluit aan bij nationaal belang 5: ‘zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften’. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van 26 zorgappartementen, waarbij faciliteiten zoals een fysiotherapeut aanwezig zijn binnen de zorgvilla. Middels de beoogde ontwikkeling wordt dan ook speciaal ingezet op de woonbehoeften voor ouderen. Op het projectgebied zijn geen andere nationale belangen van toepassing. 3.1.1.2 Conclusie Nationaal belang nummer 5 is van toepassing op de beoogde ontwikkeling. Beleid voor deze specifieke locatie dan wel ontwikkeling is nader uitgewerkt in het beleid van de provincie en de gemeente.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. 3.1.2.1 Relatie tot ontwikkeling Het plangebied bevindt zich niet in een gebied dat is aangewezen binnen het Barro. 3.1.2.2 Conclusie Het Barro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien.

Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld. 3.1.3.1 Relatie tot ontwikkeling De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld. 3.1.3.2 Conclusie Het Bro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 14

PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie NH2050 De Omgevingsvisie NH2050 is vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Holland op 19 november 2018. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. De Omgevingsvisie richt zich op lange termijn ambities en –doelen, met oog voor kwaliteiten die de provincie langjarig wil koesteren en die proberen in te spelen op veranderingen en transities die tijd nodig hebben. De visie spreekt zich dus uit over het ‘waarom’ en ten dele over het ‘wat’. Onder de hoofdambitie, ‘balans tussen economische groei en leefbaarheid’, zijn samenhangende ambities geformuleerd. De ambities zijn uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. In die bewegingen worden meerdere ontwikkelprincipes gehanteerd. Alle ontwikkelprincipes hangen met elkaar samen. De omgevingsvisie laat in algemene zin zien wat de ontwikkelprincipes zijn voor de hele provincie om een hoge leefomgevingskwaliteit te bieden. Deze principes zijn overkoepelend: ze gelden voor de hele provincie. Hierbij komen de thema's gezondheid, veiligheid, klimaatadaptatie en landschap aan bod, alsook een aantal generieke principes voor het gebruik van de fysieke leefomgeving.

Daarnaast schetst de provincie vijf samenhangende bewegingen, die laten zien hoe wordt omgegaan met opgaven die op de samenleving afkomen en die de provincie wil faciliteren. Deze bewegingen zijn niet overkoepelend en zijn locatie- of onderwerp specifiek. Het gaat om de onderwerpen: Dynamisch Schiereiland, Metropool in ontwikkeling, Sterke kernen, sterke regio’s, Nieuwe energie en Natuurlijk en Vitaal landelijke omgeving. 3.2.1.1 Relatie tot ontwikkeling In de eerste fase van de omgevingsvisie zijn verkenningen uitgevoerd. Deze verkenningen maken nu onderdeel uit van de omgevingsvisie. In de Verkenningen NH2050 zijn acht hoofdthema's van trends en ontwikkelingen, met hun kernopgaven, geformuleerd. Een van deze acht hoofdthema's is verstedelijking. Hierin wordt aangegeven dat de woningbehoefte voor Noord-Holland Noord en Noord-Holland Zuid in de toekomst nog steeds toeneemt. De prognoses laten ook in lage scenario's nog groei zien in de Metropoolregio Amsterdam (MRA). Ook in Noord-Holland Noord is er een groei vergelijkbaar met het Nederlands gemiddelde, waarbij een deel van Noord-Holland Noord langzamerhand meer in beeld komt bij woningzoekenden in het zuidelijk deel van de provincie. Migratie, vooral van expats, heeft in toenemende mate invloed op de woningbehoefte.

Tegelijkertijd is er steeds meer structureel leegstaand vastgoed en kunnen er leefbaarheidsproblemen in verouderde nieuwbouwwijken ontstaan. De woningbehoefte op de korte termijn is groot, op de lange termijn neemt deze volgens de huidige inzichten af. De ambitie ten aanzien van woningbouw is dat vraag en aanbod van woon- en werklocatie, zowel kwantitatief als kwalitatief, beter met elkaar in overeenstemming zijn. De woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Duurzaamheid van de totale voorraad is uitgangspunt. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een zorgvilla, bestaande uit 26 zorgappartementen en bijbehorende zorgfaciliteiten. Noord-Holland Noord kent een vergrijzende bevolking. De realisatie van dit programma verbetert het met elkaar in overeenstemming zijn van vraag en aanbod van (zorg)woonlocaties. Door het realiseren van de zorgwoningen, komen reguliere woningen vrij op de reguliere woningmarkt wat de doorstroming bevorderd. 3.2.1.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de voornoemde ambitie van de provincie om woningbouw vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden in te plannen.

De projectlocatie is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en er wordt voorzien in zowel een kwalitatieve als kwantitatieve behoefte, zoals ook zal blijken uit de beleidstoets in de navolgende paragrafen.

Omgevingsverordening NH2022 In de Omgevingsverordening NH2022 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, De meest recente versie van de Omgevingsverordening NH2022 geldt vanaf 2 januari 2025.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 15

3.2.2.1 Relatie tot ontwikkeling De provincie Noord-Holland heeft een interactieve kaart ontwikkeld behorend tot de Omgevingsverordening NH2020. Hieruit volgt dat de projectlocatie in de volgende specifieke werkingsgebieden van de Omgevingsverordening is gelegen: -

Datacenters uitgesloten Ontgrondingen Regionale verdringingsreeks regio IJsselmeergebied Noord-Holland Noord

Daarnaast gelden de regels die van toepassing zijn op het gehele grondgebied van de provincie NoordHolland. Hieronder wordt de voorgenomen ontwikkeling eerst getoetst aan de regels die gelden voor het gehele grondgebied en vervolgens aan de regels behorende bij de specifieke werkingsgebieden . Regels voor het gehele grondgebied Op grond van artikel 6.13 van de Omgevingsverordening NH2022 kan een omgevingsplan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte afspraken. Gedeputeerde Staten stellen nadere regels aan deze afspraken. Uit het Regionaal Actie Programma regio Alkmaar (RAP regio Alkmaar) volgt dat vergrijzing en de huisvesting van zorgbehoevenden belangrijke thema’s binnen de regio zijn. De behoefte aan bijv. levensloopbestendige woningen bedroeg tot 2020 ca. 6.600 stuks in de Regio Alkmaar, zowel in nieuwbouw als in de bestaande voorraad. De voorgenomen ontwikkeling voorziet voor een deel in deze behoefte door de realisatie van 26 zorgappartementen met bijbehorende zorgfaciliteiten. Het levert daarmee een bijdrage aan het voorzien in huisvesting van zorgbehoevenden in de regio.

Op grond van artikel 6.75 van de Omgevingsverordening NH2022 dient een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een risicoanalyse van de aanwezige en de te verwachten klimaatrisico’s binnen het plangebied te bevatten. Hierbij worden over de volgende onderwerpen de risico’s in beeld gebracht: a. b. c. d. e. f.

wateroverlast; overstroming; hitte; droogte (watertekort en verzilting); natuurinclusiviteit en biodiversiteit; en ecologische en chemische waterkwaliteit.

In het plangebied wordt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een alternatieve waterberging. Daarbij worden de volgende voorzieningen getroffen: -

De buitenruimte wordt op souterrainniveau voorzien van grindbedden en infiltratiekratten, met ondergrondse berging. Hieruit zakt het water langzaam de bodem in. o

Onder een grindbed wordt het volgende verstaan: een geul gevuld met grind of een grindlaag in een deel van de tuin, waardoor het water snel de ondergrond in kan worden gebracht. Ongeveer een derde van het grindbed is beschikbaar voor water. Onder of in de grindlaag kan een infiltratiedoek worden gelegd om vuildeeltjes af te vangen.

o

Onder een infiltratiekrat wordt het volgende verstaan: infiltratiekratten betreffen kisten van kunststof of ander materiaal onder de grond. De kratten slaan regenwater op, waarna het in de grond zakt. De kratten worden in de grond gebracht met daaromheen een infiltratiedoek. Het infiltratiedoek voorkomt dat zand de infiltratievoorziening instroomt.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 16

-

De in- en uitrit voor de auto wordt voor de helft van grasstenen gemaakt en voor de overige helft van grind.

-

Onderzocht wordt of het platte dak van de nieuwbouw geschikt kan worden gemaakt voor het toepassen van een groenblauw dak. Door middel van een groenblauw dak kan het water niet wegstromen uit de drainagelaag.

Daarnaast worden de volgende natuurinclusieve c.q. klimaatadaptieve maatregelen getroffen: - Aanleg van groen dak (van 7 – 15 cm dik) met sedum, grassen en kruiden t.b.v. insecten over minimaal 60% van het bebouwde oppervlakte - Aanplant van klimmend gevelgroen op een muur met weinig of geen ramen over een breedte van minimaal 5 meter en hoogte van 3 meter en bij voorkeur grondgebonden (plantgat minimaal 30 cm x 45 cm grondoppervlak), over minimaal 30% van de totale lengte van de gevel - Het creëren van twee verblijfplaatsen en 5 m2 groen per 100 m2 bebouwd oppervlak t.b.v. de huismus inclusief biotoop - Het creëren van één cluster per 500 m2 bebouwd oppervlak t.b.v. gierzwaluwen en spreeuwen - Het creëren van één cluster per 500 m2 bebouwd oppervlak t.b.v. huiszwaluwen - Het creëren van drie nestkasten per 500 m2 bebouwd oppervlak met 25 m2 passend groen t.b.v. zangvogels zoals koolmezen - Het realiseren van een cluster van inheemse struiken >50 m2 - Het realiseren van voor vlinders geschikte struiken >50 m2 - Het realiseren van halfverharding of natuurlijke verharding >25% Risico op wateroverlast, overstroming, hitte, droogte, natuurinclusiviteit en biodiversiteit en ecologische en chemische waterkwaliteit worden dan ook niet verwacht. Aan artikel 6.75 van de Omgevingsverordening NH2022 wordt derhalve voldaan.

Regels voor de specifieke werkingsgebieden Datacenters uitgesloten – artikel 6.32b De projectlocatie is gelegen binnen het werkingsgebied ‘Datacenters uitgesloten’. Artikel 6.32b van de Omgevingsverordening stelt dat binnen het werkingsgebied geen nieuwe datacenters met een bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m2 en een elektrisch aansluitvermogen van meer dan 5 MVA gerealiseerd mogen worden. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van een datacenter zoals bedoeld in artikel 6.32b. Nadere toetsing aan artikel 6.32b kan derhalve achterwege blijven. Ontgrondingen – artikel 4.56 t/m 4.58 Afdeling 4.5 van de Omgevingsverordening (bestaande uit artikel 4.56 t/m 4.58) stelt regels met het oog op het vrijstellen van activiteiten waarvoor vanwege het doel of de omvang van de ontgronding geen vergunningplicht geldt. In artikel 4.58 staan deze vrijstellingen opgenomen. De ontwikkeling voorziet onder meer in de realisatie van een souterrain. Voor de ontwikkeling geldt dat de ontwikkeling valt onder de vrijstelling uit artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zoals genoemd in artikel 4.56 van de Omgevingsverordening. Hierin is aangegeven dat voor ontgrondingen voor het treffen van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit een vrijstelling geldt als: 1.

De locatie van de ontgronding is opgenomen in dat plan, dat besluit of die vergunning; 2. Grondlagen dieper dan 3m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; en 3. Niet meer dan 10.000 m3 grond wordt ontgraven. Op het gebied van ontgrondingen hoeft derhalve geen vergunning te worden aangevraagd.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 17

Regionale verdringingsreeks regio IJsselmeergebied – artikel 6.92a Binnen het werkingsgebied ‘Regionale verdringingsreeks regio IJsselmeergebied’ gelden regels in het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort. Met het oog op de verdeling van het beschikbare water uit het IJsselmeer wordt in artikel 6.92a prioriteit toegekend aan bepaalde behoeften waarvoor dit water benodigd is. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 26 zorgappartementen. De ontwikkeling heeft geen betrekking op de verdeling van water bij een watertekort. Nadere toetsing aan artikel 6.92a kan derhalve achterwege blijven. Noord-Holland Noord – artikel 6.37 Artikel 6.37 ziet toe op ontwikkelingen van kleine windturbines in het landelijk gebied en bepaalt dat dergelijke windturbines, onder voorwaarden, ook buitende zoekgebieden zoals opgenomen in de Regionale energiestrategieën Noord-Holland Noord 1.0 en Noord-Holland Zuid 1.0 kunnen worden voorzien. Dit artikel is derhalve niet relevant voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.2.2.2 Conclusie Aan de regels zoals opgenomen in de Omgevingsverordening NH2022 wordt voldaan.

Provinciale Woonvisie 2010 – 2020 De provincie heeft op 25 mei 2010 de woonvisie 'Goed wonen in Noord-Holland' vastgesteld. De woonvisie beschrijft drie speerpunten: 1. Afstemming vraag en aanbod; 2. Voorzieningen in de woonomgeving; 3. Duurzaamheid en transformatie. De provinciale woonvisie komt voort uit de provinciale structuurvisie (welke inmiddels is vervangen door de Omgevingsvisie). Op basis van de woonvisie wil de provincie Noord-Holland samen met de gemeenten en corporaties en andere woonpartners afspraken maken over de aantallen en het soort woningen dat moet worden gerealiseerd. Deze afspraken zijn vastgelegd in bestuurlijke overeenkomsten, in de vorm van Regionale Actieprogramma's (RAP's). De RAP's Wonen geven hiermee uitvoering aan de Provinciale Woonvisie 2010-2020 'Goed Wonen in Noord-Holland'. 3.2.3.1 Relatie tot ontwikkeling De Provinciale Woonvisie schetst de verschillende demografische trends, waaronder vergrijzing. De vraag naar zorgvoorzieningen binnen de woonomgeving zal toenemen. De vergrijzing leidt tot een vraag naar woningen waarin mensen langdurig zelfstandig kunnen blijven wonen en actief deel kunnen blijven nemen aan de samenleving. Dit wekt de verwachting dat de bevolking in zorginstellingen zal afnemen.

Ondanks het feit dat ouderen steeds langer zelfstandig blijven wonen, doet de enorme vergrijzing de vraag naar intramurale zorg (verzorgingshuizen) toch toenemen. De extramuralisering van jongere mensen met een handicap neemt niet verder toe. Nu is al een toename te zien van jongeren in instellingen. Deze maatschappelijke ontwikkelingen vertalen zich in een toenemende vraag naar levensloopbestendige woningen en woningen waar zorg geboden kan worden. Daarnaast zet de provincie ook in op het verbeteren van de duurzaamheid van het woningaanbod en de woonomgeving om bij te dragen aan klimaatverbetering. Uit de Provinciale Woonvisie kan worden afgeleid dat er meer behoefte is aan zorgwoningen en de bijbehorende voorzieningen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in deze behoefte door de realisatie van 26 zorgappartementen met bijbehorende zorgfaciliteiten. 3.2.3.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de ambities uit de Provinciale Woonvisie 2010-2020.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 18

Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025 Op 31 maart 2020 is de Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025 vastgesteld. De Woonagenda is de uitvoeringsagenda van het woonbeleid van de provincie Noord-Holland voor de komende vijf jaar. De Woonagenda volgt uit en past binnen de randvoorwaarden van het provinciaal ruimtelijk beleid, zoals beschreven in de provinciale Omgevingsvisie NH2050 en het coalitieakkoord ‘Duurzaam doorpakken’. Vanuit het provinciaal én regionaal belang dat de woningmarkt goed functioneert en het wonen optimaal bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van Noord-Holland, maakt deze agenda de inzet en bijdrage van de provincie daaraan concreet. De Woonagenda bestaat uit drie delen die samen de uitvoeringsagenda voor de komende vijf jaar bevat: 1. Actieagenda 2020-2025; 2. De ambitie, doelstelling, rol en ruimtelijke uitgangspunten; 3. Speerpunten provincie en richtinggevende principes voor het woonbeleid. De actiepunten die uit deze drie onderdelen volgen zijn: a) b) c) d) e) f) g) h)

Maatwerkafspraken in regionale woonakkoorden; We bieden kennis, meedenkkracht en hulp; Versnellen woningbouwproductie; Samenwerking stimuleren; Verduurzaming wonen; Meer flexibiliteit in de woningmarkt; Stimuleren circulair bouwen; Leveren van informatie en monitoring.

3.2.4.1 Relatie tot ontwikkeling Uit de Woonagenda volgt dat de vraag leidend moet zijn bij nieuwbouwopgaven. De doelgroep 65 plussers groeit en deze ontwikkeling leidt tot een geleidelijke verschuiving in de woningvraag. Van traditionele gezinswoningen naar gelijkvloerse (levensloopbestendige) woonconcepten met zorgvoorzieningen en in de nabijheid van OV en andere voorzieningen. Dit wordt versterkt door de extramuralisering. Het realiseren van 26 zorgappartementen met bijbehorende zorgfaciliteiten sluit hierbij aan. 3.2.4.2 De beoogde ontwikkeling is in lijn met de ambities uit de Woonagenda 2020-2025 provincie Noord-Holland.

GEMEENTELIJK BELEID Woonvisie Bergen N.H. (2015 -2020) De gemeente Bergen heeft de volgende visie: de gemeente Bergen streeft naar een kwalitatief goed en gedifferentieerd woningaanbod dat aansluit op de vraag van haar huidige en toekomstige inwoners. De gemeente streeft er naar dat verschillende doelgroepen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en een wooncarrière kunnen maken binnen de gemeente. Hierbij zijn de demografische ontwikkelingen een gegeven. De gemeente heeft voor de periode tot 2020 de onderstaande beleidsdoelen geformuleerd: 

Het zorgen voor een kwalitatief goed woningaanbod (geschiktheid, kwaliteit en duurzaamheid);

Het realiseren van een gedifferentieerd woningaanbod;

Het huisvesten van de huidige en toekomstige inwoners (doelgroepen);

Flexibiliteit en maatwerk.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 19

Lokaal woonwensenonderzoek Eind 2014 is een lokaal woonwensenonderzoek uitgevoerd. De uitkomsten hiervan zijn van belang voor de woningbouwplannen binnen de gemeente, ondanks het feit dat een onderzoek een momentopname is. De belangrijkste uitkomsten van het woonwensenonderzoek zijn onder andere: 

Jongere huishoudens (tot 35 jaar) willen een grotere woning en oudere huishoudens een kleinere woning.

Van de inwoners met verhuisplannen wil het grootste deel in de eigen gemeente blijven en ook nog vaak in de huidige woonkern; in Bergen (74%) en Egmond aan Zee (62%) bestaat de grootste oriëntatie op de huidige woonplaats.

De trek is naar de grotere kernen (van Egmond-Binnen en Egmond aan den Hoef naar Egmond aan Zee, van Groet naar Schoorl en van Schoorl naar Bergen).

Dit betekent dat vooral in Bergen, Egmond aan Zee en Schoorl een woningbehoefte bestaat.

Bijna de helft van de huishoudens met verhuisplannen heeft een voorkeur voor een koopwoning en een iets kleiner deel heeft een voorkeur voor een (sociale) huurwoning.

Wat betreft voorkeur voor type woning springt er niet één woningtype uit; voorkeur is verdeeld over een vrijstaande koopwoning (15%), een koopappartement of een gelijkvloerse huurwoning (12%).

Inwoners van Bergen die bij voorkeur een huis willen kopen, zoeken deze in de prijsklassen van € 225.000 tot € 325.000 (categorie 3) en voor een belangrijk deel (31%) ook daarboven.

Kansen woonmilieus benutten In de provinciale nota vraag gestuurd bouwen is onderzocht in welke ‘woonmilieus’ de vraag aansluit op het aanbod. De uitkomst is dat in de regio Alkmaar op zowel korte (tot 2020) als lange (tot 2040) termijn een tekort is aan woningbouwplannen in de woonmilieus ‘dorps’ en ‘landelijk bereikbaar’ en een (kleiner) tekort aan ‘centrum-dorpse’ woningbouwplannen. Dat biedt kansen voor nieuwbouw voor alle kernen in de gemeente Bergen, omdat de gemeente Bergen bestaat uit centrum-dorpse, dorpse en landelijk bereikbare woonmilieus. Regionaal Actie Programma 2016 t/m 2020 Het Regionaal Actie Programma 2016 t/m 2020 is een document dat de belangrijkste ambities en afspraken op het gebied van wonen weer geeft. In de regio Alkmaar is er veel aandacht om te komen tot een gezamenlijke programmering, die recht doet aan de ambitie van de regio en de huishoudensbehoefte en aan de situatie dat de regiogemeenten ook vanuit het verleden samen met de provincie en de marktpartijen zijn gekomen tot afspraken over woningbouwproductie. De regio Alkmaar zet in op een woningaanbod dat aansluit bij de vraag. De nieuwbouwprogrammering is flexibel om zo jaarlijks goed mogelijk te kunnen aansluiten bij de vraag. Uitgangspunt is dat iedere gemeente in de regio Alkmaar de lokale uitbreidingsbehoefte kan faciliteren.

Ook is afgesproken dat gemeenten niet meer dan het gemeentelijk aandeel in de prognose benutten. Uit het Regionaal Actie Programma regio Alkmaar (RAP regio Alkmaar) volgt dat vergrijzing en de huisvesting van zorgbehoevenden belangrijke thema’s binnen de regio zijn. De behoefte aan bijv. levensloopbestendige woningen bedroeg tot 2020 ca. 6.600 stuks in de Regio Alkmaar, zowel in nieuwbouw als in de bestaande voorraad. Trends en ontwikkelingen De belangrijkste demografische ontwikkelingen voor de gemeente Bergen zijn de ontgroening en vergrijzing. De babyboom van na de Tweede Wereldoorlog leidt nu tot een vergrijzinggolf, die rond 2030/2040 zijn top zal bereiken. Er komen in de toekomst dus veel ouderen bij en deze ouderen worden ook steeds ouder. Dat wordt ook wel de dubbele vergrijzing genoemd. De vergrijzing is in de gemeente Bergen verder gevorderd dan in Nederland als geheel. Het percentage 65 jaar en ouder in de gemeente in 2015 (28%) wordt op nationaal niveau pas in 2040 benaderd. In dat jaar is maar liefst 45% van alle inwoners van de gemeente Bergen 65 jaar en ouder is de verwachting. Vooral de groep van 75 jaar en ouder zal sterk toenemen.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 20

3.3.1.1 Relatie tot ontwikkeling Het zorgconcept dat met de voorgenomen ontwikkeling wordt gerealiseerd bestaat uit 26 zorgappartementen met bijbehorende faciliteiten. De appartementen kunnen in principe zelfstandig worden bewoond. De appartementen zijn ook geschikt om met een partner te bewonen, ook als slechts één van de partners zorg nodig heeft. Er is 24 uur per dag een zorgpost bemand, zodat zorg te allen tijde beschikbaar is. Het voorgenomen concept voorziet dan ook in de behoefte om ouderen langer zelfstandig te laten wonen. 3.3.1.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de ambities en doelstellingen uit de Lokale woonvisie Bergen N.H. (2015 -2020).

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 21

4

OMGEVINGSASPECTEN MOTIVERING BEHOEFTE / LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen:  

Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Artikel 3.1.6 van het Bro: 

Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling omvat de realisatie van 26 zorgappartementen en kan daarmee, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, getypeerd worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. In het kader van de Ladder van duurzame verstedelijking dient derhalve de behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. In hoofdstuk 3 is zowel het provinciaal als het regionaal en gemeentelijk beleid aan bod geweest. Hieruit blijkt de behoefte aan (zorg)woningen voor ouderen als gevolg van de toenemende vergrijzing op regionaal en lokaal niveau. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de vraag naar levensloopbestendige woningen, waarbij zorg op afroep beschikbaar is.

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 22

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking.

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Gemeentelijk beleid De omgang met erfgoed is op gemeentelijk niveau geregeld in de Beleidsnota Cultuurhistorie en de Erfgoedverordening gemeente Bergen NH. In de Beleidsnota Cultuurhistorie staan onder andere de volgende uitgangspunten:     

Naarmate de ontwikkelingslocatie een grotere cultuurhistorische waarde heeft, wordt de cultuurhistorie eerder in de besluitvorming betrokken. Bij ruimtelijke ingrepen wordt niet alleen onderzocht welke archeologische, maar ook welke andere cultuurhistorische waarden in het geding zijn. Cultuurhistorie betreft een zaak van de hele samenleving. Toegankelijkheid en ontsluiting van de cultuurhistorie is voor bewoners én bezoekers. Cultuurhistorie betreft het object in zijn omgeving, maar ook de omgeving als zodanig. De diverse kernen van Bergen hebben elk een eigen karakter of identiteit. De kernen staan niet los van het landschap maar zijn daarin opgenomen. Het landschap heeft ook een identiteit. Samen vormen deze componenten de identiteit van de gemeente Bergen.

In de Erfgoedverordening zijn daarnaast bepalingen opgenomen met betrekking tot de bescherming en instandhouding van de gemeentelijke monumenten alsmede de archeologische terreinen. Tot slot beschikt de gemeente over een monumentenlijst eb zijn er drie (rijks)beschermde dorpsgezichten in de gemeente aanwezig.

Relatie tot ontwikkeling 4.2.2.1 Archeologie Op basis van het geldend bestemmingsplan ‘Bergen – Dorpskern Zuid’ kent het plangebied de dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol gebied waarvoor regime II van toepassing is’ in het oostelijk deel van het plangebied en ‘Archeologisch waardevol gebied waarvoor regime III van toepassing is’ in het westelijk deel van het plangebied. Binnen regime II geldt dat bij grondroerende werkzaamheden dieper dan 35 cm binnen een planomvang van 50 m² of groter met de aanwezigheid van archeologische waarden rekening gehouden te worden. Binnen regime III geldt dat bij grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm binnen een planomvang van 500 m² of groter met de aanwezigheid van archeologische waarden rekening gehouden te worden. Door de aanleg van een souterrain met een bruto vloeroppervlak van 921 m² is het uitvoeren van archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd door Bureau voor

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 23

Archeologie en bestaat uit een bureau- en booronderzoek. Het volledige onderzoek is opgenomen in de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing. De resultaten uit het onderzoek worden hieronder weergegeven. Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Duinen en strandwallen', ten noorden van het 'Zeegat van Bergen' op een strandwal die zich tussen 3850 en 2750 v. Chr. vormt. In de Middeleeuwen zijn de strandwallen grootschalig ontgonnen. Het plangebied ligt in de historische kern van Oostdorp in een bebouwingslint dat op een kaart uit de 16e eeuw staat aangegeven. Eind 19e eeuw is op het perceel Villa Zuilenhof gebouwd. In het plangebied zijn vijf handboringen gezet tot 350 cm-mv of dieper om de aard en intactheid van het bodemprofiel te verkennen. Hieruit blijkt dat het natuurlijke bodemmateriaal bestaat uit kalkloze matig fijne tot grove duinafzettingen met lokaal een veenlaag. Op de duinafzettingen ligt in drie boorprofielen een humeuze zandlaag, vermoedelijk een overstoven bodem. Deze wordt afgedekt door 30 tot 60 cm lichtgrijs stuifzand. Op dit stuifzand ligt in vier van de vijf boorprofielen een humeuze cultuurlaag van 30 tot 70 cm dik. De bovenste laag van het bodemprofiel bestaat uit omgewerkte grond (20 tot 60 cm dik) en soms een strooisellaag van 10 cm.

In het plangebied bevinden zich twee archeologische niveaus, namelijk de top van de stuifzandlaag tussen 18 en 36 cm NAP en de top van de oude bodem tussen -40 en -24 cm NAP. Op grond van het vondstmateriaal kan het ontstaan van de cultuurlaag in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden geplaatst. In het bovenste archeologische niveau kunnen dan ook archeologische resten uit genoemde periode, of ouder aanwezig zijn. In het bijzonder kunnen archeologische resten gerelateerd aan het erf dat in de 16e eeuw al bestaat langs de Oude Bergerweg en terug kan gaan tot in de Late Middeleeuwen. De datering van het diepere archeologische niveau kan niet nader worden bepaald op basis van het booronderzoek. Bij de ontwikkeling wordt een kelder aangelegd zodat de twee potentiële archeologisch niveaus worden vergraven. Daarom wordt aanbevolen om door middel van nader archeologisch onderzoek te bepalen of archeologische resten aanwezig zijn (kartering) en wat daarvan de waarde is (waardering). Dit kan, omdat de archeologische resten zich hoofdzakelijk als een sporenniveau zullen manifesteren, het beste worden gedaan door middel van een proefsleuvenonderzoek. Het aanbevolen proefsleuvenonderzoek zal te zijner tijd in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden uitgevoerd.

Bij de nadere planuitwerking dient rekening gehouden te worden met de eventuele archeologische waarden. Voorgaande wordt geborgd door de vergunningplicht die is opgenomen in het geldende bestemmingsplan ‘Bergen – Dorpskern Zuid’. Deze vergunningplicht is gekoppeld aan de bestemming ‘Archeologisch waardevol gebied waarvoor regime II van toepassing is’ en ‘Archeologisch waardevol gebied waarvoor regime III van toepassing is’, waar het projectgebied in is gelegen. Binnen regime II geldt dat bij grondroerende werkzaamheden dieper dan 35 cm binnen een planomvang van 50 m² of groter met de aanwezigheid van archeologische waarden rekening gehouden te worden. Binnen regime III geldt dat bij grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm binnen een planomvang van 500 m² of groter met de aanwezigheid van archeologische waarden rekening gehouden te worden. Een en ander wordt getoetst bij de daarvoor aan te vragen omgevingsvergunning. Het aspect archeologie staat derhalve de voorgenomen afwijking van het bestemmingsplan (inhoudende de functiewijziging) niet in de weg. 4.2.2.2 Cultuurhistorie In paragraaf 2.2.2 van deze ruimtelijke onderbouwing is reeds beschreven op welke wijze rekening wordt gehouden met de monumentale waarden van het aanwezige Rijksmonument in het projectgebied.

Bij de definitieve vergunningsaanvraag voor het wijzigen van het monument (gepaard met de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen) zal de uitwerking van de plannen gedetailleerder door de RCE worden getoetst. Ook zal uit deze uitwerking de zorgvuldige omgang met de monumentale waarden moeten blijken, om tot een positief advies in die desbetreffende omgevingsvergunningaanvraag te

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 24

komen. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing ziet toe op de functiewijziging van het monument. Het advies van de RCE d.d. 23 juli 2024 is in dit kader voldoende voor de beoordeling of de voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar is c.q. in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. In aanvulling op voorgaande wordt nog opgemerkt dat de commissie ‘Kennemerland’ in de vergadering ‘Kennemerland grote commissie’ d.d. 29 juli 2024 heeft geoordeeld dat zij op hoofdlijnen akkoord gaan met het getoonde schetsontwerp en geen bezwaar zien tegen de functiewijziging naar zorgappartementen. De commissie sluit zich aan bij het advies van de RCE. Op basis van het schetsontwerp is de functiewijziging voorstelbaar en biedt het zicht op goede omgevingskwaliteit. De commissie geeft nadrukkelijk aan dat de architectonische en landschappelijke uitwerking van het plan nog niet getoetst kan worden omdat het plan hiervoor onvoldoende is uitgewerkt. Voorwaarde is dat het ontwerp voor de architectonische uitwerking zoals voor de nieuwbouw, de aansluiting op het monument, de erfinrichting en de verbouwing van het monument in een later stadium aan de commissie ter advisering wordt voorgelegd om de omgevingskwaliteit en het behoud van de monumentale waarden te borgen.

Dit zal plaatsvinden in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen (die ook gepaard gaat met de omgevingsvergunning voor het wijzigen van het (rijks)monument). In relatie tot het gemeentelijk beleid ten aanzien van erfgoed geldt dat de projectlocatie niet is gelegen in een beschermd dorpsgezicht. Uiteraard komt de bestaande bebouwing op de projectlocatie ook voor op de monumentenlijst (het is immers een rijksmonumentaal pand).

Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de afgifte van de omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. Wel dient in verband met de geplande bouwwerkzaamheden een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden, teneinde vast te stellen of archeologische resten aanwezig zijn (kartering) en wat de waarde daarvan is (waardering).

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m

Pagina | 25

4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.

Relatie tot ontwikkeling Op de projectlocatie en in de directe omgeving van de projectlocatie is overwegend de woonfunctie aanwezig. De projectlocatie is dan ook gelegen in het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Het geldend bestemmingsplan staat enkel bedrijven met een milieucategorie 1 of milieucategorie 2 toe. Voor milieucategorie 2 geldt binnen het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ een richtafstand van 30 meter. De dichtstbijzijnde bedrijfsbestemming is op 35 meter afstand gelegen en betreft de enkelbestemming ‘Bedrijf-2’ gelegen met een aanduiding ‘bouw- en aannemersbedrijf’. Er wordt derhalve voldaan aan de richtafstand. Daarnaast geldt dat de hoofdfunctie van de voorgenomen ontwikkeling wonen betreft. Wonen levert geen hinder op voor omliggende woningen.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een bodemonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau Kwinfra. Het onderzoek bestaat uit een verkennend en nader bodemonderzoek en een nader onderzoek naar asbest in grond. Het onderzoek is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. Conclusies onderzoek Uit het onderzoek volgt dat de zintuiglijk schone bovengrond plaatselijk sterk verontreinigd is met lood (boringen 03 en 102). De sterke verontreiniging met lood is in verticaal vlak in voldoende mate afgeperkt. In horizontaal vlak is de sterke verontreiniging met lood tot aan het noordelijk deel van het huidige woonhuis

Mees Ruimte & Milieu | 20390.2.0.GRO

Pagina | 26

afgeperkt. De zintuiglijk schone tot resten baksteenhoudende ondergrond is plaatselijk matig verontreinigd met lood (boringen 02 en 103). De overige grond is ten hoogste licht verontreinigd met diverse zware metalen, PCB en PAK. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, koper, kwik, molybdeen, nikkel en zink. Uit resultaten van het nader onderzoek asbest in grond blijkt dat ter plaatse van RE1 (zie onderzoek in de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing) de interventiewaarde voor asbest niet wordt overschreden. Derhalve is ter plaatse geen asbesthoudende grond aanwezig. De opdrachtgever heeft de asbesthoudende golfplaten van de grondkering laten verwijderen na het uitvoeren van het nader onderzoek asbest in grond. Gezien de aangetoonde verontreinigingen wordt de hypothese verdacht bevestigd. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat naar verwachting in totaal circa 10 m³ grond, over een oppervlakte van circa 20 m2, tot circa 0,5 m-mv sterk verontreinigd is met lood en dat niet aannemelijk is dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De onderzoeksresultaten van onderhavig bodemonderzoek vormen volgens Kwinfra geen belemmering voor de afgifte van een omgevingsvergunning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/5266/documents/44702