bij 1.b Bijlagen toelichting - Bobbeleweg 11 Schoorl.pdf
Tekst van het document
Categorie 4 4 2,3 4 2, 3 4 4 2 4 3 4 4 2 2 4 3 4 4 3 3 4 3, 4 4 4 2 4 3 3 4 4 1 3, 4 4 4 4 4 4 4, 3 4
Toelichting codes Vogelsoorten waarvan de nesten in principe jaarrond zijn beschermd met beschermingscategorie: 1 = soorten die ook buiten het broedseizoen het nest gebruiken als vaste rust- of verblijfplaats; 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop; 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing; 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in staat zijn een nest te maken.
De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). In de provincie Overijssel is de lijst in 2019 opnieuw aangepast (zie kader). In de provincie Limburg is de lijst in 2020 opnieuw aangepast (zie kader). In de provincie Limburg gelden nog enkele wijzigingen op de standaard, de volgende soorten vallen in deze provincie andere categorieën: Kerkuil (cat. 1), Oehoe (cat. 1), Roek (cat. 1), Grote gele kwikstaart (cat. 2), Ooievaar (cat. 2), Slechtvalk (cat. 2), Wespendief (cat. 3), Zwarte wouw (cat. 3), Zomertortel (cat. 4). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf kan het zijn dat zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan moet worden betrokken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-179
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in categorie 5. *Andere beschermingsstatus in provincies Limburg en/of Overijssel. **Geldt alleen in provincies Limburg en/of Overijssel De Grutto en Ringmus behoren bij categorie 5 in Overijssel, maar horen bij categorie 4 in Limburg. zie ook kader op voorgaande pagina.
Blauwe reiger* Boerenzwaluw* Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil* Brilduiker Draaihals* Eidereend Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Grutto*/** Hop Huiszwaluw* IJsvogel* Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger
Koolmees Kortsnavelboomkruiper Middelste bonte specht** Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf* Ringmus*/** Ruigpootuil Spreeuw Tapuit Torenvalk* Tureluur** Veldleeuwerik** Wulp** Zeearend* Zomertortel** Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht*
Voor soorten met jaarrond beschermde nesten kan soms, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, kan de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook soorten met jaarrond beschermde nesten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’.
Bijlage 1.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van LNV goedgekeurde gedragscode, hoeft bij werkzaamheden in het kader van
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-179
Bobbeleweg 11 te Schoorl
natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld.
Bijlage 1.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Bijlage 1.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan uit een project en ook voor zogenaamde ‘andere handelingen’ in of rond een Natura 2000-gebied, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.
Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-179
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings- en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000-gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden.
Bijlage 1.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 1.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN), in de wet: Ecologische Hoofdstructuur EHS Via de Wet Ruimtelijke Ordening wordt het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur EHS) planologisch beschermd. Op grond van artikel 2.10.4 Barro geldt er een algemeen beschermingsregime voor EHS-gebieden. Dit algemene regime bestaat eruit dat er geen toestemming mag worden verleend aan activiteiten die per saldo leiden tot een significante aantasting van de zogenaamde ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ of tot een significante vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen die gebieden. Toestemming voor dergelijke activiteiten kan wel worden gekregen indien er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. In de provinciale verordening moet dit ‘nee tenzij’-regime zo worden vastgelegd dat hieraan in alle bestemmingsplannen en/of omgevingsvergunningen voor het afwijken van bestemmingsplannen wordt voldaan. Bijlage 1.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘Bijzonder Provinciale Landschappen’ van de Provincie Noord-Holland.
Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-179
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Zie hiervoor, Bijlage 1.2.1
Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing
Geen ontheffing nodig
Zie hiervoor, Bijlage 1.2.2 Geen ontheffing nodig
Zie hiervoor, Bijlage 1.2.3
Zie hiervoor, Bijlage 1.2.3 Geen ontheffing mogelijk
Ontheffing onder voorwaarden mogelijk
Bijlage 1.4.3 Houtopstanden Houtopstanden groter dan 10 are of bomenrijen bestaand uit meer dan 20 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom, zijn beschermd. Men dient vergunning of ontheffing te verkrijgen indien dergelijke houtopstanden moeten worden gekapt of gerooid. In sommige gevallen is een herplantplicht aan de orde.
Bijlage 1.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 3 te worden gevolgd.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-179
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen. Bijlage 1.5.1 Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van: Een activiteitenplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven. Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen.
Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een activiteitenplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft voor het ‘natuur’ onderdeel van de omgevingsvergunning. De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd. Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes, strafrechtelijke vervolging of het stilleggen van werkzaamheden
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-179
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Stikstofberekening
G&G-advies AE2022-075
in het kader van de Wet natuurbescherming
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Bobbeleweg 11 te Schoorl Stikstofberekening in het kader van de Wet natuurbescherming
S.C. Wytema
2024
Opdrachtgever A.A.S.K.
G&G-advies AE2022-075
Datum Versie
3 oktober 2022 6 maart 2023 V1 V1.1
22 juni 2023 V1.2
5 oktober 2023 31 januari 2024 12 februari 2024 V1.3 V1.4 V1.5
Bovendijk 35-G
Hazenkoog 35-A
2295 RV Kwintsheul
1822 BS Alkmaar
www.vandergoesengroot.nl
Bobbeleweg 11 te Schoorl
3
Inhoudsopgave 1
Inleiding 1.1
2
4
5
Werkwijze en werkzaamheden ............................................................................... 4
Methode 2.1
3
4 7
Berekening en uitgangspunten................................................................................ 7
Aanlegfase
8
3.1
Verkeersaantrekking ................................................................................................ 8
3.2
Inzet mobiele werktuigen ........................................................................................ 8
3.3
Berekening Aanlegfase ............................................................................................ 9
Gebruikfase
10
4.1
Verkeersaantrekking .............................................................................................. 10
4.2
Berekening Gebruikfase ........................................................................................ 11
Saldering 5.1
12
Bestaand gebruik ................................................................................................... 12 5.1.1 Berekening emissie adhv gasverbruik gegevens. .................................................... 13
5.2
Verkeersaantrekking .............................................................................................. 14
5.3
Berekening ............................................................................................................. 14
6
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving
15
7
Conclusie effectbeoordeling stikstof
16
8
Literatuur
17
9
Bijlagen
18
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
1
Inleiding Er bestaan plannen aan de Bobbeleweg 11 te Schoorl een terrein te herontwikkelen. Het is hiervoor nodig een berekening uit te voeren om de gegenereerde stikstofuitstoot/depositie van dit project te bepalen. De te realiseren bebouwing wordt zonder gasaansluiting aangelegd, maar er is wel sprake van extra verkeer en de inzet van mobiele werktuigen door de herinrichting. Alle verbrandingsprocessen waarbij fossiele brandstoffen en hitte zijn betrokken, leveren door oxidatie van vrije stikstof uit de lucht de gebonden stikstofoxiden nitriet (NO2) en/of nitraat (NO3). Tevens komt soms ammoniak (NH3) vrij. De gebonden stikstofmoleculen worden na verbranding luchtzijdig verspreid en slaan na verloop van tijd neer. De gebonden moleculen werken na het neerslaan vervolgens bodemverrijkend en/of verzurend. Nederland heeft zich door ondertekening van de Europese Habitatrichtlijn verplicht bepaalde vegetaties te beschermen binnen het gebiedennetwerk van de Natura 2000-gebieden. Deze vegetaties zijn in een aantal gevallen gevoelig voor bodemverrijking en/of verzuring en de neerslag van de gebonden stikstofmoleculen kunnen een bedreiging zijn voor het voortbestaan van deze vegetaties, zeker als de kritische (=maximale) depositiewaarde (KDW) op deze vegetaties reeds is bereikt.
1.1
Werkwijze en werkzaamheden In het plangebied zullen woningen worden gerealiseerd. Het betreft één nieuwbouwwoning en één vrijetijdsverblijf/schuur, zie Figuur 1. Tevens zullen een carport en een veranda worden gerealiseerd. Voorafgaand aan de bouw zal de huidige bebouwing (drie woningen, 11ZA, 11ZB en een schuurwoning, zie Figuur 2) worden gesloopt, zal het puin worden afgevoerd en zal het bouwterrein verder bouwrijp worden gemaakt door dit te ontdoen van vegetatie, het te vlakken en het benodigde graafwerk uit te voeren voor kabels, leidingen en fundamenten. Tijdens het werk zullen prefab betondelen, kozijnen en wanden worden ingehesen en een betonvloer worden gestort. Op het kadastrale perceel aanwezige bebouwing, zoals ‘Huize Oorsprong' blijft in gebruik gedurende de gehele ontwikkeling.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Figuur 1. Tekening van de geplande woning(en)(rood omrand). H = carport, L =
veranda, K = woning, M = recreatiewoning
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Figuur 2. Plankaart uit het huidige bestemmingsplan (2015) met de drie woningen rood omrand.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
2
Methode Om depositie van het project te berekenen wordt de meest recente versie van de rekentool ‘Aerius’ (AERIUS 2023.1) gebruikt. Vanwege een uitspraak van de Raad van State d.d. 29 mei 2019 kan niet meer gebruik gemaakt worden van automatische vergunningverlening op grond van de voorheen geldende drempelwaardes. Aangetoond moet worden dat geen significant negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden. In de berekening wordt de projectbijdrage door Aerius Calculator op concrete rekenpunten exact berekend, waarbij ook habitattypen, vegetaties of Natura 2000-gebieden op meer dan 3 km afstand betrokken worden. De depositie op de meest nabijgelegen ‘stikstofgevoelige habitattypen’ (zoals gedefinieerd in Aerius) wordt doorgerekend om te onderzoeken of deze hoger is dan 0,00. Als de projectbijdrage hoger is dan een berekende 0,00 mol/ha/jaar zijn mogelijk gevolgen te verwachten. Het rekenresultaat van 0,00 mol/ha/jaar betekent een maximale stikstofdepositie op het meest dichtbij gelegen stikstofgevoelige habitattype in Natura 2000gebieden die lager is dan 0,005 mol/ha/jaar. Dit komt omdat Aerius vanaf 0,005 mol/ha/jaar de depositie naar boven afrondt tot een projectbijdrage van 0,01 mol/ha/jaar.
2.1
Berekening en uitgangspunten Bij de berekening van stikstofemissie zijn twee fases te onderscheiden, de aanlegfase (sloop & bouw) en de gebruikfase (gebruik ontwikkelde gebied na afloop van de aanlegfase inclusief aantrekking verkeer e.d.). Aanleg en gebruik komen niet naast elkaar voor. In deze rapportage worden zowel de aanlegfase als de gebruikfase berekend, de fase met de hoogste projectbijdrage is bepalend voor de te verwachten gevolgen op Natura 2000-gebieden. Voor de berekening zijn de effecten ingeschat op de meest dichtbij zijnde stikstofgevoelige habitattypen. Het betreft diverse aangewezen (en in rekentool Aerius aangegeven) habitattypen in de Schoorlse Duinen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
3
Aanlegfase De stikstofemissies tijdens de aanlegfase zijn toe te wijzen aan twee bronnen. Het betreft verkeersaantrekkende werking en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwplaats. De aanlegfase zal ongeveer een jaar in beslag nemen. Omdat de precieze uitvoer van de plannen niet bekend is, is gedeeltelijk gerekend met zogenaamde ‘worst-case’ aannames. Aangezien de bouw van de woning(en) naar verwachting in 2024 plaats zal vinden, wordt hierbij 2024 als rekenjaar gebruikt.
3.1
Verkeersaantrekking De verkeersaantrekkende werking van de aanlegfase bestaat uit transport van materialen en personen (bouwvakkers). Het verkeer is gemodelleerd tot het eerste knooppunt/aansluiting op de doorgaande weg, in dit geval de aansluiting op de Voorweg. Buiten deze wegen wordt het verkeer geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld, omdat het verkeer zich in hoeveelheid, snelheid, rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. De verkeersaantrekkende werking bestaat uit: Transport personeel: in totaal 150 ritten met licht verkeer, gedurende een jaar, wordt gemodelleerd als 300 ritten omdat zowel aankomst als vertrek wordt meegerekend. Aanvoer bouwmaterieel en bouwmaterialen: 63 ritten met zwaar verkeer gedurende een jaar, wordt gemodelleerd als 126 ritten omdat zowel aankomst als vertrek wordt meegerekend. Tevens wordt uitgegaan van eenzelfde aantal draai- en keerbewegingen voor licht en zwaar verkeer op het terrein, gemodelleerd als 100% file.
3.2
Inzet mobiele werktuigen De belangrijkste werkzaamheden waarbij stikstof vrij komt, betreffen sloopwerk en afvoer van puin, vlakken van de vrijgekomen gronden, graven van sleuven voor bijvoorbeeld kabels en leidingen, hijswerk t.a.v. prefab constructiedelen, productie/aanvoer van beton op locatie t.b.v. vloeren en fundering. Veel graaf- en hijswerk zal hierbij elektrisch uitgevoerd worden. Elektrisch materieel wordt opgeladen middels bouwstroom en hierbij worden geen dieselgeneratoren bij betrokken. Voor het gebruik van mobiele werktuigen zijn de machines en draaiuren genomen die zijn vermeld in Tabel 1. Er wordt (indien beschikbaar) uitgegaan van de inzet van materieel van stageklasse V (m.u.v. één aanvoer met EURO2 vervoer).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Vermogenscategorie Aerius (kw)
Gem. belasting %
Dieselverbruik (l/u)
Verbruik AdBlue (%/Diesel (l))
Draaitijd totaal aantal uren
Totaal Diesel (l)
AdBlue liters
EURO2 IV IV
70 58 70
56-75 56-75 56-75
35 35 35
6,26 4,2 5,98
0,07 0,07 0,07
1 60 28
5 252 167
0 17 11
NH3
Vermogen (kw)
2001 2020 2020
NOx
Stageklasse
Vrachtwagen Vrachtwagen Betonwagen
Stagejaar
Bobbeleweg 11 te Schoorl
0,21 0,79 0,60 1,61
0,001 0,060 0,040 0,102
Geschatte materiaalinzet en geproduceerde stikstof in de aanlegfase op basis van directe invoer van bouwjaar in Aerius of met stageklasse (HULSKOTTE & VERBEEK 2009).
De
mobiele emissiebronnen zijn in Aerius per stageklasse ingevoerd, niet te kiezen bronnen zijn binnen Aerius ingegeven als ‘anders’ met factoren zoals aangegeven in Tabel 1. De materiële inzet is zo accuraat mogelijk ingeschat door de initiatiefnemer. Tijdens de werkzaamheden wordt niet gewerkt met kunstlicht, en wordt met het oog op de nabijheid van Natura2000 gebied geluids- en trillingsarm gewerkt; zo wordt onder andere met (elektrische) schroef-heipalen gewerkt.
3.3
Gebruik tijdens de aanlegfase Gedurende de aanlegfase wordt Bobbeleweg 11, Huize Oorsprong, continu bewoond. De emissie van stookkachels en verkeer aantrekkende werking wordt daarom mee berekend gedurende de aanlegfase. Voor een gedetailleerd overzicht en onderbouwing van de emissie zie hoofdstuk 4. De bijdrage van Huize oorsprong betreft 3,59 kg NO/jr voor de bebouwing en 0,4 kg NOx/j en 14 g NH3/j voor de verkeer aantrekkende werking.
3.4
Berekening Aanlegfase De uitkomst van de berekeningen (rekenscherm) is opgenomen in Bijlage 1. Separaat worden PDF bestanden opgeleverd als onderlegging van de berekening. Uit de berekeningen blijkt dat op het Natura2000-gebied Schoorlse Duinen de projectbijdrage van de aanlegfase van het initiatief maximaal 0,10 mol/ha/jaar is. Deze bijdrage wordt als vergunningplichtig beschouwd.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
4
Gebruikfase Er wordt bij de berekening met betrekking tot gebruik uitgegaan van één vrijstaande woning – naast één nieuwbouwwoning wordt een tuinhuis/bijgebouw geplaatst voor eigen gebruik. Aangezien niet ondubbelzinnig het gebruik van de recreatiewoning als intern gebruik kan worden aangemerkt, wordt hierbij uitgegaan dat dit niet zo is en de woning – mogelijk – als recreatiewoning gebruikt kan worden. De bebouwing wordt gasloos en zonder andere stookinstallaties aangelegd, zodat hier van emissie geen sprake is en alleen de bijdrage van de verkeersaantrekkende werking wordt berekend. Aangezien het gebruik van de woning naar verwachting pas in 2025 plaats zal vinden, wordt hierbij 2025 als rekenjaar gebruikt.
4.1
Verkeersaantrekking Bij de bepaling van het aantal verkeersbewegingen per woning per dag is bij het project respectievelijk uitgegaan van ‘koop,huis,vrijstaand’ en ‘bungalow (huisjescomplex)’, ligging ‘weinig stedelijk’, ‘rest bebouwde kom’ en ‘maximale verkeersgeneratie’. Dit resulteert in: -
8,6 vervoersbewegingen per dag voor Huize Oorsprong, 8,6 vervoersbewegingen per dag voor de hoofdwoning, en 2,3 vervoersbewegingen per dag voor de recreatiewoning (CROW 2018).
Het betreft zowel heen- als terugreizend verkeer. Gezien het gebruik van de woningen wordt dit verkeer in de ‘lichte verkeerscategorie’ gemodelleerd. Bij de berekening wordt rekening gehouden 0,02 verkeersbewegingen zwaar verkeer per dag; gezien de ligging wordt geen rekening gehouden met filevorming. Het verkeer is gemodelleerd tot het eerste knooppunt op de doorgaande weg, in dit geval de aansluiting op de Voorweg . Deze modellering is in lijn met een algemeen criterium voor verkeer aantrekkende werking van wegverkeer. De gevolgen voor het milieu van dit verkeer kunnen niet meer aan het nieuwe project worden toegerekend wanneer geacht kan worden dat dit verkeer is opgenomen in het “heersende verkeersbeeld”, omdat het verkeer zich in snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. De totale bijdrage van het verkeer is hierdoor 0,7 kg NOx/jaar en 23,8 g NH3/jaar.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
4.2
Berekening Gebruikfase De uitkomst van de berekeningen is opgenomen in Bijlage 2. Separaat worden PDF bestanden opgeleverd als onderlegging van de berekening. Uit de berekeningen blijkt dat op Natura2000 gebied de Schoorlse Duinen de projectbijdrage van het initiatief maximaal 0,08 mol/ha/jaar is, over een berekend oppervlakte van 11,3 hectare (6 habitattypen). Deze bijdrage wordt in principe als vergunningplichtig beschouwd.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
5
Saldering In de referentiesituatie, ofwel het moment dat relevante Natura 2000-gebieden werden aangewezen (meestal 7 december 2004, zie BIJ12, REFERENTIEDATA NATURA 2000-GEBIEDEN), was op de planlocatie reeds sprake van een activiteit. Het betreft de huidige bebouwing die is gerealiseerd tussen 1926 en 1931 (Kadaster, 2022, zie Bijlage 3. Omdat bij deze bebouwing sprake was van een zekere uitstoot van stikstof en deze bij aanwijzen van het Natura 2000-gebied reeds bestond, wordt deze gerekend tot ‘bestaand gebruik’ en kan de jaarlijkse uitstoot hiervan worden afgetrokken van de nieuwe uitstoot. Deze verrekening heet ‘saldering’. Volgens de ‘beleidsregels stikstof’ (RIJKSOVERHEID, 2019) wordt onderscheid gemaakt tussen interne en externe saldering. Hierbij is externe saldering vergunning plichtig, maar bij de uitspraak van Raad van State is geen vergunning meer nodig voor interne saldering (RAAD VAN STATE, 2021). Bij interne saldering wordt gekeken naar de activiteiten die plaatsvinden of hebben plaatsgevonden op het terrein waar de huidige stikstofberekening voor geldt; Bij externe saldering wordt gekeken welke mogelijkheden er zijn bij activiteiten buiten het gebied, die invloed hebben op hetzelfde Natura2000-gebied als berekend voor het terrein van onderhavige stikstofberekening. Bij het voorliggende project wordt intern gesaldeerd.
5.1
Bestaand gebruik Het in het verleden bestaande gebruik betreft (jaarlijkse) stikstofuitstoot tijdens het gebruik van de bebouwing. Huize Oorsprong Het woonhuis stamt uit 1926/1927. Aangezien het in de plannen niet wordt betrokken blijft de emissie bestaan. Het betreft een vrijstaand woonhuis, waarbij aangezien de historische emissie in alle fases (minstens) gelijk blijft van kencijfers wordt uitgegaan. De standaard emissie van een (oudere) vrijstaande woning betreft 3,59 kg NOx/j. Schuurwoning Aangezien aan de schuur geen functie kan worden toegekend (ondanks dat deze wel werd bewoond) is er geen aanvullende verkeersgeneratie berekend (zie 5.2). In eerdere versies is het gasverbruik berekend, maar aangezien de schuur reeds is gesloopt, wordt zekerheidshalve de emissie van de schuur niet meeberekend.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Woningen 11ZA en 11ZB Ondanks dat twee van de drie woningen jaarrond bewoond werden (11ZA en 11AB), wordt hier worst-case van uitgegaan dat dit zomerhuisjes betreffen met logiesfunctie van respectievelijk 53 en 38 m2 (Kadaster, 2022, zie Bijlage 3), aangezien er geen gegevens beschikbaar zijn omtrent gasverbruik, maar de reguliere emissie voor een vrijstaand huis (3,59 kg NOx/j, Aerius 2018) een te hoge emissie geven voor een realistische weergave. Voor logiesfunctie (vakantiepark) geldt een onzuinig energieverbruik van 425 kW/m2 (Weii Protocol 3.0, 2023). De onderbouwing van de slechte staat van de bebouwing en bijgaand onzuinig energieverbruik is weergegeven in een separate bijlage aangeleverd door de opdrachtgever. Standaard heeft 1 m³ Nederlands aardgas een bovenwaarde 35,17 MJ, de energetische waarde van 1 kWh staat op 3,6 MJ. 35,17 MJ (m³) / 3,6 MJ (kWh) = 9,77. Voor het gebruik van de logiesfunctie geldt 425/9,77 = 43,5 m3/m2/jaar. Dus in totaal 43,5*53 = 2305,5m3 en 43,5*38 = 1653 m3 gas/jaar. Deze waarde kan zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase worden afgetrokken.
5.1.1
Berekening emissie adhv gasverbruik gegevens. Op basis van het Activiteitenbesluit geldt dat het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen van 1 Megawatt of meer (geen grote stookinstallatie) aan de emissiegrenswaarde van 70 mg/Nm3 moet voldoen. Op basis van deze gestelde eis wordt er van uit gegaan dat de emissie per kubieke meter aardgas maximaal deze grenswaarde betreft. 1 m3 aardgas (Groningen kwaliteit) gebruikt op basis van de samenstelling 8,43 Nm3 lucht (stoichiometrisch). Dit geeft een stoichiometrisch rookgasvolume van 7,7 Nm3 (droog). Bij een zuurstof overmaat van 3% wordt dit getal gecorrigeerd met 21/(21-3) = 1,16667. De concentratie NOx bedraagt 70 mg/Nm3 (droog rookgas bij 3% zuurstof). Met bovenstaande gegevens kan de jaaremissie NOx van de stookinstallatie worden berekend: aantal m3 gasverbruik * 7,7 * 1,16667 * 70/1.000.000 (= m3 gasverbruik * 0,000629) = aantal kg emissie NOx/jr. Omgerekend betekent dit dat 1.590 m3 gasverbruik ongeveer 1 kg/jr NOx uitstoot. Voor het betreffende project houdt dit in dat bij het gasverbruik de stikstofbijdrage van 11ZA en 11 ZB respectievelijk is: 0,000629 * 2305,5 m3 = 1,45 kg NOx/jr 0,000629 * 1653 m3 = 1,04 kg NOx/jr. Daarnaast wordt uitgegaan van standaard 3,59 kg NOx/j voor Huize Oorsprong.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
5.2
Verkeersaantrekking Voor de verkeer aantrekkende werking wordt gebruik gemaakt van de cijfers van CROW (CROW, 2018) gecorrigeerd naar het jaar in de referentiesituatie. Gezien de jaarronde bewoning is voor het project is uitgegaan van eenmaal ‘koop, huis, vrijstaand’ voor Huize Oorsprong, tweemaal ‘koop, huis, vrijstaand’ voor woningen 11Za en 11ZB, ligging ‘weinig stedelijk’, ‘rest bebouwde kom’ en ‘maximale verkeers¬generatie’. Dit resulteert in 3*8,6 = 25,8 vervoersbewegingen per dag. (CROW 2018). Gezien het gebruik van de woningen wordt dit verkeer in de ‘lichte verkeerscategorie’ gemodelleerd. Het verkeer is gemodelleerd tot het eerste knooppunt/aansluiting op de doorgaande weg, in dit geval de aansluiting op de Voorweg . Deze modellering is in lijn met een algemeen criterium voor verkeer aantrekkende werking van wegverkeer dat de gevolgen voor het milieu van dit verkeer niet meer aan het nieuwe project kunnen worden toegerekend wanneer geacht kan worden dat dit verkeer is opgenomen in het “heersende verkeersbeeld”. Hierbij moet wel worden gerealiseerd dat het wagenpark in 2004 veel vervuilender was dan nu vanwege schonere motoren! Hiervoor is geen correctie toegepast. De totale bijdrage van het verkeer is hierdoor 0,9 kg NOx/j en 31,2 g NH3/j voor 2024 en 1,0 kg NOx/j en 36 g NH3/j voor 2025.
5.3
Berekening De in de referentiesituatie berekende emissiewaardes worden afgetrokken van de waardes in zowel aanlegfase als gebruikfase middels het vergelijken van situaties in Aerius. De referentiesituatie (als separate pdf bijlage toegevoegd) wordt hierbij eerst vergeleken met de aanlegfase en vervolgens vergeleken met de gebruikfase, aangezien aanlegfase en gebruikfase niet gelijktijdig voorkomen. De vergelijking van waardes wordt in de pdf bestanden van gebruik en aanleg direct meegenomen. De projectbijdrage in de aanlegfase (met saldering) is 0,00 mol/ha/jaar en de projectbijdrage in de gebruiksfase is (met saldering) 0,00 mol/ha/jaar. Deze bijdragen worden als verwaarloosbaar beschouwd. De gesaldeerde stikstofdepositie van het project blijft dus onder de norm van 0,00 mol/ha/jaar in zowel aanlegfase als de gebruiksfase zodat geen sprake kan zijn van significant negatieve effecten op relevante habitattypen en een VVGB voor het project verleend kan worden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
6
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstuk 3 en 4 is beschreven welke stikstofeffecten de plannen kunnen hebben. De Wet Natuurbescherming kent zowel soortbescherming, als gebiedsbeschermende wet- en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 4.3). Wanneer er geen vergunningplicht is voor stikstof, kan er nog wel een vergunningplicht zijn voor overige effecten zoals trillingen, grondwateronttrekkingen, geluid, versnippering of licht. Naast bepalingen uit de Wnb kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’, ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. In een separate rapportage (FOKKENS, 2022) zijn, naast de soortbescherming ter plaatse, ook de overige onderdelen van de gebiedsbescherming binnen de Wet Natuurbescherming beoordeeld. Zie deze rapportage voor de conclusies aangaande gebiedsbescherming.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
7
Conclusie effectbeoordeling stikstof De maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van de gebouwen is 0,10 mol/ha/jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt mogelijk een vergunning plichtig percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen. Er is mogelijk sprake van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000gebieden in gevaar zouden kunnen komen. Gezien de werkzaamheden betreft de hoogste bijdrage van het project de tijdelijke inzet en het tijdelijke effect van mobiele werktuigen. Deze tijdelijke effecten zijn vaak gemakkelijker op te vangen door de natuurlijke fluctuaties binnen het natuurgebied of eventueel herstelbeheer, dan effecten van permanente activiteiten. Bij (interne) saldering van het bestaande gebruik op de referentiedatum blijkt dat de huidige projectbijdrage van de aanlegfase en de gebruikfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Deze bijdrage wordt als verwaarloosbaar beschouwd. Hiermee is aangetoond dat een aanvraag voor Wnb-vergunning niet nodig is. In de gerealiseerde bebouwing wordt door het afzien van stookinstallaties in de bebouwing (vrijwel) geen stikstof meer geëmitteerd.
De transitie van oude bebouwing met zekere uitstoot van stikstof naar de beoogde bebouwing in dit project draagt daarmee bij aan de gewenste permanente daling van stikstof op kwetsbare natuurgebieden. Bij de berekening van de aanlegfase is rekening gehouden met een specifieke inzet van mobiele werktuigen en bijbehorende draaiuren. Indien hier (significant) van wordt afgeweken is de berekening niet meer representatief voor het te verwachten effect op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. De AERIUS-berekening ten tijde van het toetsingsmoment is bepalend. Het toetsingsmoment in AERIUS voor een bedrijfswijziging is het moment van realisatie van de bedrijfswijziging. Effecten van een latere wijziging in AERIUS hebben hier geen effect op. Voor bedrijven is het van belang om de AERIUS-berekening te bewaren. Conclusies omtrent dieren of hun leefgebied en/of gebieden die beschermd zijn onder de Wnb zijn omschreven in een gelijktijdig uitgevoerde quickscan. Voor nieuwbouw wordt geadviseerd om natuurinclusief te bouwen, zie https://www.checklistgroenbouwen.nl/ voor de mogelijkheden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
8
Literatuur AERIUS CALCULATOR, 2024. https://calculator.aerius.nl/calculator/ AERIUS, 2018. Emissiewaarden_aerius_def_versie_5_juli_2018. https://www.aerius.nl/nl/factsheets/ruimtelijke-plannenemissiefactoren/05-07-2018 BIJ12, 2022. Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2021, Versie 3. https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2022/01/ Instructie-gegevensinvoer-voor-AERIUS-Calculator-2021.pdf BIJ12, 2022. Handboek: Werken met Aerius Calculator 2021 V1. https://www.aerius.nl/files/media/handleiding/calculator_2021 /syllabus_werken_met_aerius_calculator.pdf BIJ12, 2021. Handreiking Voortoets Stikstof. https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2021/03/BIJ12Handreiking-Voortoets-Stikstof-%E2%80%93-Februari-2021.pdf, COMPENDIUM VOOR DE LEEFOMGEVING. Vermestende depositie, 19902016. https://www.clo.nl/indicatoren/nl018916-vermestendedepositie CROW, 2018. Toekomstigbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen .CROW, Ede FOKKENS, J.R., 2022.Bobbeleweg 11 te Schoorl. Toetsing in het kader van de natuurwetgeving, G&G-ADVIES QS2022-179. Van der Goes en Groot, Alkmaar. KADASTER, 2022. Basisregistratie adressen & gebouwen. https://bagviewer.kadaster.nl RAAD VAN STATE, 2021. Zaaknummer 201907146/1/R2. Intern salderen niet vergunnningplichtig. https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL: RVS:2021:71 RIJKSOVERHEID, 2019.
Beleidsregels stikstofaanpak 10 december 2019: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2019/12/04 RIJKSOVERHEID, 2021. Wet van 10 maart 2021 tot wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering). https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2021-140.html SIPMA, J., M.D.A. RIETBEEK, 2016. Ontwikkeling energiekengetallen utiliteitsgebouwen. ECN-E--15-068, ECN, Putten. TVVL EN DGBC, 2023. WEII-PROTOCOL 3.0, Werkelijke Energie intensiteit indicator. TVVL, Woerden VAN DOBBEN, H.F., R. BOBBINK, D. BAL EN A. VAN HINSBERG, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Alterra rapport 2397, Alterra, Wageningen
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
9
Bijlagen
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4
Berekening aanlegfase Berekening gebruikfase Referentiesituatie(s) Huidige natuurwetgeving
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Bijlage 1 Berekening aanlegfase
Bijlage 1.1 Berekening aanlegfase en saldering
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Bijlage 2 Berekening gebruikfase
Bijlage 2.1 Berekening gebruikfase en saldering
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Bijlage 3 Referentiesituatie(s)
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Bijlage 4 Huidige natuurwetgeving Bijlage 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 4.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”
Bijlage 4.2 Soortbescherming Bijlage 4.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 4.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10. Bijlage 4.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bijlage 4.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 4.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 4.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode.
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 4.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig: in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig: ter bescherming van flora en fauna. in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig: ter bescherming van flora en fauna.
in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in categorie 5. *Andere beschermingsstatus in provincies Limburg en/of Overijssel. **Geldt alleen in provincies Limburg en/of Overijssel De Grutto en Ringmus behoren bij categorie 5 in Overijssel, maar horen bij categorie 4 in Limburg. zie ook kader op voorgaande pagina.
Blauwe reiger* Boerenzwaluw* Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil* Brilduiker Draaihals* Eidereend Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Grutto*/** Hop Huiszwaluw* IJsvogel* Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger
Koolmees Kortsnavelboomkruiper Middelste bonte specht** Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf* Ringmus*/** Ruigpootuil Spreeuw Tapuit Torenvalk* Tureluur** Veldleeuwerik** Wulp** Zeearend* Zomertortel** Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht*
Bijlage 4.2.5 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van LNV goedgekeurde gedragscode, hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld.
Bijlage 4.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Bijlage 4.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan uit een project en ook voor zogenaamde ‘andere handelingen’ in of rond een Natura 2000-gebied, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen. Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings- en verstoringstoets.
Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000-gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden.
Bijlage 4.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 4.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN), in de wet: Ecologische Hoofdstructuur EHS Via de Wet Ruimtelijke Ordening wordt het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur EHS) planologisch beschermd. Op grond van artikel 2.10.4 Barro geldt er een algemeen beschermingsregime voor EHS-gebieden. Dit algemene Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
regime bestaat eruit dat er geen toestemming mag worden verleend aan activiteiten die per saldo leiden tot een significante aantasting van de zogenaamde ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ of tot een significante vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen die gebieden. Toestemming voor dergelijke activiteiten kan wel worden gekregen indien er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. In de provinciale verordening moet dit ‘nee tenzij’-regime zo worden vastgelegd dat hieraan in alle bestemmingsplannen en/of omgevingsvergunningen voor het afwijken van bestemmingsplannen wordt voldaan. Bijlage 4.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘Bijzonder Provinciale Landschappen’ van de Provincie Noord-Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn. Bijlage 4.4.3 Houtopstanden Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing
Houtopstanden groter dan 10 are of bomenrijen bestaand uit meer dan 20 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom, zijn beschermd. Men dient vergunning of ontheffing te verkrijgen indien dergelijke houtopstanden moeten worden gekapt of gerooid. In sommige gevallen is een herplantplicht aan de orde.
Bijlage 4.5 Procedure
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Zie hiervoor, Bijlage 4.2.1 Geen ontheffing nodig
Zie hiervoor, Bijlage 4.2.2 Geen ontheffing nodig
Zie hiervoor, Bijlage 4.2.3
Zie hiervoor, Bijlage 4.2.3 Geen ontheffing mogelijk
Ontheffing onder voorwaarden mogelijk
Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 1 te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Bobbeleweg 11 te Schoorl
Bijlage 4.5.1 Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van: Een activiteitenplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven. Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een activiteitenplan en inventarisatie bijgevoegd te worden.
De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft voor het ‘natuur’ onderdeel van de omgevingsvergunning. De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd. Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes, strafrechtelijke vervolging of het stilleggen van werkzaamheden
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2022-075
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl
Bureauonderzoek (BO) Schoorl, Bobbeleweg 11ZA en 11ZB Gemeente Bergen (NH)
Bureauonderzoek (BO) Schoorl, Bobbeleweg 11ZA en 11ZB
Gemeente Bergen (NH) Projectnummer 2023-0967
Lycens Archeologisch Rapport 337
21 maart 2024
ISSN 2772-8900
In opdracht van Oostwouder BV Versie 1.0 concept
Auteur
Autorisatie
S. de Graaf
A.M. Bakker
Archeoloog s.degraaf@lycens.nl
Senior KNA Archeoloog a.bakker@lycens.nl
M 06 453 681 57
M 06 828 989 39
Status bevoegde overheid: niet beoordeeld, conceptversie
lycens.nl info@lycens.nl
Oldenzaal Deventerstraat 10
Zwolle Schrevenweg 6
Groningen Euvelgunnerweg 25A
0541 – 570 730
7575 EM Oldenzaal
8042 HA Zwolle
9723 CV Groningen
Inhoud Administratieve gegevens ............................................................................................................................................. 4 Locatie gegevens ............................................................................................................................................................ 5 Samenvatting resultaten ............................................................................................................................................... 6
1. Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................................... 7 1.1.
Onderzoekskader ............................................................................................................................................. 7
1.2. 1.3.
Huidige en toekomstige situatie op de onderzoekslocatie ...................................................................... 7 Begrenzing onderzoeks- en plangebied .................................................................................................... 10
1.3.1.
Begrenzing plangebied .................................................................................................................................. 10
1.3.2.
Begrenzing onderzoeksgebied ..................................................................................................................... 10
1.4.
Doel van het onderzoek ................................................................................................................................ 10
1.5.
Onderzoeksvragen ......................................................................................................................................... 10
2. Bureauonderzoek ................................................................................................................... 11 2.1.
Aardwetenschappelijke gegevens .............................................................................................................. 11
2.2.
Bekende archeologische waarden .............................................................................................................. 13
2.3.
Archeologische en historische waarden .................................................................................................... 14
2.4.
bouwhistorisch onderzoek............................................................................................................................ 19
2.5.
Bekende verstoringen ................................................................................................................................... 21
2.6.
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ................................................................................. 21
3. Conclusie en aanbevelingen ................................................................................................. 24 3.1. Aanbevelingen ................................................................................................................................................ 24 Bijlage 1 Bouwplannen plangebied .................................................................................................................... 28
3
Bijlage 2
Onderzoeksmeldingen ARCHIS3 ........................................................................................................ 30
Bijlage 3
Tijdschaal archeologische perioden.................................................................................................. 31
Bijlage 4
Geomorfologische kaart ...................................................................................................................... 32
Bijlage 5
Actueel hoogtebestand van Nederland (AHN4) ............................................................................. 33