bij 1.b Bestemmingsplan Laanweg 55-57 Schoorl - Bijlagen Toelichting.pdf
Tekst van het document
2.2.5
Rugstreeppad ................................................................................................. 4
Resultaten ......................................................................................................................5 2.3.1
Huismus..........................................................................................................5
2.3.2
Gierzwaluw .....................................................................................................5
2.3.3
Vleermuizen ...................................................................................................5
2.3.4
Marterachtigen ...............................................................................................5
2.3.5
Rugstreeppad ................................................................................................. 6
CONCLUSIES NADER ONDERZOEK .............................................................................8 3.1
Huismus ....................................................................................................................... 8
3.2
Gierzwaluw ................................................................................................................... 8
3.3
Vleermuizen ................................................................................................................. 8
3.4
Marterachtigen ............................................................................................................. 8
3.5
Rugstreeppad ............................................................................................................... 8
4
SAMENVATTING VERVOLGSTAPPEN ..........................................................................9
5
LITERATUUR EN BRONNEN ....................................................................................... 10
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
Men is voornemens op het perceel Laanweg 55 en 57 te Schoorl (figuur 1.1), waar voorheen horecagelegenheid gehuisvest was, een appartementencomplex te realiseren. Voor de realisatie zal alle bebouwing op het erf gesloopt worden en zullen er bomen op het achtererf worden gekapt.
Figuur 1.1. Het plangebied te Schoorl.
Op 16 maart 2021 is voor dit project een ecologische quickscan uitgevoerd (Bureau FaunaX, 2021). In tabel 1.1 wordt een overzicht gegeven van de resultaten uit deze quickscan. In onderhavige rapportage worden de resultaten van het nader onderzoek uitééngezet. Tabel 1.1. Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in het plangebied. Art. Art. Art. Soortgroep Soort Aanwezigheid Vrijgesteld Advies 3.1 3.5 3.10 Vogels
Algemene broedvogels
Mogelijk
X
Werken buiten broedtijd
Vogels (jaarrond beschermde nesten)
Huismus Gierzwaluw
Mogelijk
X
Nader onderzoek
Vleermuizen (verblijfplaatsen)
Diverse soorten
Mogelijk
Marterachtigen
Diverse soorten
Mogelijk
X
Nader onderzoek
Amfibieën
Rugstreeppad
Mogelijk
X
Nader onderzoek
Vogels Zoogdieren Amfibieën Vissen
Algemeen voorkomende soorten
Mogelijk
X
X
Nader onderzoek
X
Zorgplicht
1
2 RESULTATEN NADER ONDERZOEK 2.1
Inleiding
In deze rapportage vindt men de resultaten van het nader onderzoek naar jaarrond beschermde nesten van huismussen en gierzwaluwen en verblijfplaatsen dan wel leefgebied van vleermuizen, kleine marterachtigen en de rugstreeppad, uitgevoerd in 2021. Bij de planning van het veldwerk is rekening gehouden met de optimale periode waarin verschillende soortgroepen geïnventariseerd kunnen worden. Deze optimale periode hangt bijvoorbeeld samen met vliegtijd, broedtijd en balts. Bureau FaunaX is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB) en werkt zoveel mogelijk conform deze protocollen om de kwaliteit van het uitgevoerde onderzoek te waarborgen.
2.2 Methodieken & Werkwijze 2.2.1
Huismus
Het onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de huismus is uitgevoerd conform de onderzoeksmethoden van het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Dit onderzoek heeft plaatsgevonden aan de hand van vier veldbezoeken (tabel 2.1) in de periode 10 maart – 20 juni met een tussenliggende periode van minimaal tien dagen. De veldbezoeken zijn afgelegd onder goede weersomstandigheden, zonder regen, harde wind en/of te koude temperaturen. De volgende waarnemingen van territoriale of nest-indicerende huismussen hebben gediend als criteria voor het vaststellen van de aanwezigheid van verblijfplaatsen:
De aanwezigheid van een territoriaal (zingend) mannetje op een goed zichtbare locatie als bijvoorbeeld een dakgoot of schoorsteen, dan wel de aanwezigheid van een paartje met balts, paring of ander gedrag dat wijst op de aanwezigheid van een nestplaats. Aan de hand van dergelijke waarnemingen kan worden aangetoond dat er in de directe nabijheid een nest aanwezig is, maar zal de exacte locatie hiervan vaak niet bekend zijn. Een nest-indicatieve waarneming: het nest zelf is vaak niet zichtbaar, wel kan een nestlocatie worden afgeleid aan de hand van een bezoek van een oudervogel aan de waarschijnlijke nestlocatie, de aanwezigheid van vogels met nestmateriaal, in- of uitvliegende vogels met voedsel of ontlastingspakketjes, hoorbaar bedelende jongen vanuit de nestlocatie.
Tabel 2.1. Details nader onderzoek verblijfplaatsen huismus.
Ronde 1 2 3 4
2
Datum 16-3-2021 20-5-2021 6-6-2021 17-6-2021
Begin- en eindtijd 11:40 - 12:00 uur 08:00 - 10:00 uur 08:00 - 10:00 uur 08:00 – 20:00 uur
Weersomstandigheden 7˚C, 4 BFT N, half bewolkt 10˚C, 2 BFT W, onbewolkt 13˚C, 3 BFT NW, onbewolkt 18˚C, 2 BFT NW, half bewolkt
2.2.2 Gierzwaluw Het onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gierzwaluwen is uitgevoerd conform het inventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (BIJ12, 2017). Het onderzoek heeft bestaan uit een territoriumkartering in de periode tussen 1 juni (voor deze datum zijn nog niet alle broedvogels aanwezig) en 15 juli 2021. In deze periode zijn in het plangebied drie onderzoekrondes (tabel 2.2) uitgevoerd, met een tussenliggende periode van minimaal tien dagen. Minimaal één van de onderzoek rondes is uitgevoerd tussen 20 juni en 7 juli, wanneer de kans op de aanwezigheid van jongen het grootst is. De veldbezoeken vonden steeds tegen zonsondergang plaats (over het algemeen tussen circa 21:00 en 23:00 uur), wanneer de kans op het invliegen van vogels het grootst is, en zoveel mogelijk onder gunstige weersomstandigheden, bij droog weer en met weinig wind. Een telling bij langdurig koud en nat weer is zinloos: de broedvogels zijn dan elders of zitten stil op het nest. Bij de onderzoeksronden is gelet op gedrag dat indicerend is voor broedende vogels, zoals door het plangebied vliegende groepjes gierende dieren met vluchten op dakgoot-, nok- en huishoogte en (vooral) bezoeken aan de waarschijnlijke nestplaats door invliegende dieren.
Bij het observeren van deze laatste groep is rekening gehouden met de aanwezigheid van bouncers, niet-broedende vogels die roepend op een potentiële nestplaats aanvliegen en even hiervoor blijven hangen of deze kort aantikken zonder naar binnen te vliegen. In het geval van de aanwezigheid van een bezette nestlocatie roept dit vaak een reactie op van de aanwezige broedvogel(s), derhalve vormt dit gedrag van bouncers een goede manier om verblijfplaatsen op te sporen. Tabel 2.2. Details veldbezoeken gierzwaluw.
Ronde 1 2 3
Datum 06-6-2021 24-6-2021 14-7-2021
Begin- en eindtijd 21:00 – 23:00 uur 21:30 – 23:30 uur 21:30 – 23:00 uur
Weersomstandigheden 15°C, 2 BFT NW, onbewolkt 12°C, 2 BFT W, licht bewolkt 16°C, 3 BFT N, bewolkt
2.2.3 Vleermuizen Het onderzoek naar vleermuizen heeft bestaan uit een onderzoek naar de aanwezigheid van paar- en kraamverblijfplaatsen en is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2021 (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging, 2021). In totaal heeft dit onderzoek bestaan uit vier onderzoeksronden tijdens de kraamperiode (15 mei - 15 juli 2021, met minimaal 10 dagen tussen de bezoeken, waarvan minimaal één een ochtendbezoek) en de paarperiode (15 augustus – 1 oktober 2021, met minimaal 10 dagen tussen de bezoeken) (tabel 2.3). Hierbij is naast de aanwezigheid van vleermuizen ook gelet op de aanwezigheid van sporen van andere beschermde diersoorten, zoals kerkuil. Afhankelijk van de soort verblijven vleermuizen in bomen (zoals rosse vleermuis, watervleermuis, bosvleermuis en franjestaart), in gebouwen (gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis) of zowel in bomen en gebouwen (ruige dwergvleermuis, grootoorvleermuis en baardvleermuis). De meeste soorten maken gebruik van een netwerk van verblijfplaatsen. Het onderzoek heeft zich specifiek gericht op die soorten waarvan mag worden aangenomen dat ze in gebouwen (kunnen) verblijven. Alle ronden zijn onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd.
Voor de determinatie van vleermuizen is gebruik gemaakt van een batdetector van het type D240X Petterson met opnameapparatuur met zowel heterodyne als vertraagde opnamemogelijkheden. 3
De sonargeluiden zijn geanalyseerd met gespecialiseerde software (programma ‘Batsound’). Daarnaast is er gebruik gemaakt van een verrekijker en een lichtsterke zaklamp. Tabel. 2.3. Details veldbezoeken vleermuizen.
Ronde Kraam 1 Kraam 2 Paar 1 Paar 2
Datum 24-6-2021 13-7-2021 01-9-2021 21-9-2021
Begin- en eindtijd 21:30 - 23:30 uur 3:15 - 5:30 uur 20:25 - 22:25 uur 19:40 - 21:40 uur
Zon op/onder 22:08 uur 5:31 uur 20:29 uur 19:40 uur
Weersomstandigheden 12°C, 2 BFT W, licht bewolkt 16°C, 3 BFT NW, bewolkt 16°C ,2 BFT N, bewolkt 15°C, 2 BFT W, licht bewolkt
2.2.4 Marterachtigen Het onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van marterachtigen heeft plaatsgevonden op basis van sporenonderzoek en onderzoek met cameravallen. Tijdens twee bezoeken op 17 en 29 juni 2021 is naar sporen zoals keutels of prooiresten van marterachtigen gezocht. Hierbij zijn in het plangebied tijdens het eerste bezoek drie camervallen van het merk Bushnell geïnstalleerd welke tijdens het tweede bezoek weer zijn verwijderd waarna de opnames zijn bekeken. De positie van de camervallen is bepaald op basis van een combinatie van zichtlijnen en potentiële looproutes (figuur 2.1.).
Figuur 2.1. De locaties van de geplaatste cameravallen.
2.2.5 Rugstreeppad Het onderzoek naar de aanwezigheid van de rugstreeppad heeft plaatsgevonden op basis van twee avondbezoeken in de maanden mei en juni (tabel 2.4). Tijdens deze bezoeken, welke na zonsondergang hebben plaatsgevonden, is gelet op kooractiviteit van de rugstreeppad.
4
Door roepende padden te lokaliseren welke zich op dat moment in voortplantingswater bevinden en dit in de ruime omgeving van het plangebied te doen is een beeld gecreëerd van de kans dat de rugstreeppad in het plangebied overwintert of dit anderzins als landhabitat gebruikt. Tabel 2.4.: Details veldbezoeken rugstreeppad.
Ronde 1 2
Datum 17-6-2021 29-6-2021
Begin- en eindtijd 23:00 – 01:00 uur 22:45 – 00:45 uur
Weersomstandigheden 18°C, 3 BFT, onbewolkt 17°C, 2 BFT , bewolkt
2.3 Resultaten 2.3.1
Huismus
Tijdens het nader onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van huismussen zijn binnen het plangebied geen verblijfplaatsen van huismussen vastgesteld. Ook in de directe omgeving van het plangebied zijn geen huismussen waargenomen.
2.3.2 Gierzwaluw Bij het nader onderzoek naar gierzwaluw verblijfplaatsen zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen binnen het plangebied. Ook in dit geval is de soort in het geheel niet waargenomen.
2.3.3 Vleermuizen Tijdens het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is binnen het plangebied een paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis vastgesteld in de grote boom die tussen de bebouwing in het plangebied en de Laanweg in staat. Uitgaande van het planvoornemen zoals weergegeven in figuur 1.2. van het quickscan-rapport blijft deze beeldbepalende boom behouden. Tijdens het nader onderzoek zijn geen verblijfplaatsen in de bebouwing in het plangebied vastgesteld. Naast de ruige dwergvleermuis werd verder enkel de gewone dwergvleermuis waargenomen. Deze soort werd echter alleen foeragerend waargenomen en had geen binding met het plangebied.
2.3.4 Marterachtigen Tijdens het nader onderzoek zijn geen sporen van marterachtigen aangetroffen. Ook stonden er geen opnames van marterachtigen op de cameravallen. In plaats daarvan werden er minimaal vijf verschillende gedomesticeerde katten op de film gezet, wat (deels) kan verklaren waarom geen verblijfplaatsen van marterachtigen zijn vastgesteld.
5
Figuur 2.2. Met de cameravallen werden enkel huiskatten waargenomen.
2.3.5 Rugstreeppad Tijdens het nader onderzoek is tijdens beide veldbezoeken kooractiviteit van de rugstreeppad waargenomen. Daarbij leverden beide bezoeken een vergelijkbaar beeld op. De rugstreeppad plant zich plaatselijk en in relatief lage dichtheden voort in de weilanden om het plangebied. Op twee locaties zijn daadwerkelijk koren van meerdere exemplaren vastgesteld. Deze locaties bevinden zich beide op hemelsbreed meer dan 500 meter afstand van het plangebied. Op 17 juni werd een enkele rugstreeppad gehoord op kortere afstand (ongeveer 300 meter) van het plangebied, welke op 29 juni niet meer te horen was (figuur 2.3). Samengevat levert het nader onderzoek een beeld op waarbinnen de rugstreeppad zich voortplant in de omgeving van het plangebied, maar deze voortplanting zich concentreert in delen die verder van het plangebied afliggen. Al hoewel de rugstreeppad relatief grote afstanden af kan leggen, achten we de kans dat de rugstreeppad het plangebied als landhabitat gebruikt dusdanig klein, dat we het niet realistisch achten om hier rekening mee te houden. Niet alleen de afstand tussen voortplantingswater en het plangebied, maar ook de ligging van het plangebied (in het centrum van Schoorl) speelt in deze conclusie een belangrijke rol.
6
Figuur 2.3.: Waarnemingen van roepende rugstreeppadden (rode cirkels) in de omgeving van het plangebied (rode rechthoek).
7
3 CONCLUSIES NADER ONDERZOEK 3.1
Huismus
Bij het nader onderzoek naar huismusverblijfplaatsen zijn geen nesten van huismussen vastgesteld. De werkzaamheden zullen geen negatieve gevolgen door middel van verstoring en vernieling van een nestplaats of andere verblijfplaats teweeg brengen, waardoor er in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor wat betreft de voortgang van het project geen ontheffing betreffende huismus dient te worden aangevraagd bij de provincie Noord Holland.
Tijdens het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van huismus zijn geen huismusnesten aangetroffen, die door de werkzaamheden verstoord worden/verloren gaan. Voor de voortgang van het project omtrent huismus hoeft er geen ontheffing Wnb soorten te worden aangevraagd bij de provincie Noord Holland.
3.2 Gierzwaluw Bij het nader onderzoek naar gierzwaluw verblijfplaatsen zijn geen verblijfplaatsen binnen het plangebied aangetroffen. Voor deze soort hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
Tijdens het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van gierzwaluwen zijn geen gierzwaluw nestlocaties aangetroffen die door de werkzaamheden verstoord worden/verloren gaan. Er is geen ontheffing nodig zijn voor de gierzwaluw.
3.3 Vleermuizen Bij het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen zijn geen verblijfplaatsen binnen de bebouwing in het plangebied aangetroffen. Wel is er een verblijfplaats van de ruige dwergvleermuis vastgesteld in de boom tussen de bebouwing in het plangebied en de Laanweg. Uitgaande van figuur 1.2. in het quickscan-rapport blijft deze boom behouden. Mocht de boom toch worden gekapt dan dient er voor de ruige dwergvleermuis een ontheffing aan de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
Tijdens het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen zijn er geen vleermuisverblijfplaatsen binnen de bebouwing in het plangebied aangetroffen. Alleen als de oude boom welke tussen de bebouwing en de Laanweg staat wordt gekapt dient er een ontheffing aan de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
3.4 Marterachtigen Tijdens het nader onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen/leefgebied van marterachtigen zijn geen marterachtigen of sporen hiervan aangtroffen. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing aan de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
Tijdens het nader onderzoek naar verblijfplaatsen/leefgebied van marterachtigen zijn geen marterachtigen aangetroffen. Er is geen ontheffing nodig zijn voor deze soortgroep.
3.5 Rugstreeppad Tijdens het nader onderzoek is kooractivitiet van rugstreeppadden waargenomen in de weilanden welke grenzen aan de bebouwde kom van Schoorl.
8
Op basis van de afstand tussen de voortplantingslocaties en het plangebied, de populatiedichtheid en de ligging van het plangebied achten we de kans dat de rugstreeppad het plangebied als landhabitat gebruikt dusdanig klein dat we het niet realistisch achten om hier rekening mee te houden.
We achten de kans dat de rugstreeppad het plangebied als landhabitat gebruikt dusdanig klein dat we het niet realistisch achten om met deze soort rekening te houden. Er hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd.
4 SAMENVATTING VERVOLGSTAPPEN Om de werkzaamheden binnen de kaders van Wet natuurbescherming uit te voeren, bevelen wij de volgende vervolgstappen aan.
Vervolgstappen
Indien kap boom tussen bebouwing en Laanweg ontheffing ruige dwergvleermuis. Werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart – 15 juli). Houd rekening met de zorgplicht (zie quickscan, rapport nummer 21105).
9
5 LITERATUUR EN BRONNEN BIJ12, 2017. Kennisdocumenten huismus Passer domesticus, gierzwaluw Apus apus. Versie 2017. https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soortenontheffingen-wet-natuurbescherming/ Bureau FaunaX (2021). Quickscan Wet Natuurbescherming, Wijbenga | Rho Adviseurs/ Ontwikkeling Laanweg 55/57 te Schoorl. Rapport 21086 Bureau FaunaX, Leeuwarden. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2009. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Biologie, kenmerken, bedreigingen. Tirion Natuur. Korsten, E. en Regelink, J.R. (2010). Herkennen van potentiële vleermuiswaarden in het kader van quickscans en ander ecologisch vooronderzoek. Cursus; Zoogdiervereniging rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Lange R., R. Twisk, A. van Winden & A. van Diepenbeek (2003). Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij van de KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (red.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (KNNV), Utrecht. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl. Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl
10
146/327
Bijlage 5
147/327
Stikstofonderzoek
- MEMO Memo
DATUM KENMERK VAN
17 november 2023 20210009 S. Lie M. Tajqurishi
PROJECT OPDRACHTGEVER ONDERWERP
Laanweg 55-57 Aannemersbedrijf J.M. Putter Berekening stikstofdepositie
MEMO STIKSTOFBEREKENING LAANWEG 55-57 TE SCHOORL
1. INLEIDING Het voornemen bestaat om het oude horecapand op de locatie Laanweg 55-57 te Schoorl te slopen en een appartementencomplex met 12 woningen te realiseren. De beoogde ontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Wet natuurbescherming, waarbij de mogelijke gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 een rol spelen. Figuur 1 laat de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het plangebied bedraagt circa 960 meter. De andere Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op (nog) grotere afstand.
Figuur 1 Ligging plangebied (rood) ten opzichte van Natura 2000-gebied
Met het rekenmodel Aerius (versie 2023.0.1) is een berekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij is de realisatie- en gebruiksfase beschouwd. In deze memo wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. De invoer- en uitvoergegevens vanuit Aerius zijn opgenomen in een aparte bijlage.
2. TOETSINGSKADER Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming: ● verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; ● vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; ● legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen: ● De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. ● Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.
● Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een passende beoordeling noodzakelijk.
2/4
3. UITGANGSPUNTEN Referentiesituatie Het nabijgelegen Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen is op 7 december 2004 aangemeld bij de Europese Commissie en valt sindsdien onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn. Het bestaande restaurant is planologisch legaal, dateren van voor de datum 7 december 2004 en is sinds die datum permanent aanwezig geweest. Het bestaande restaurant binnen het plangebied kan om die reden worden ingezet als salderingsbron (interne saldering). De sloop van het bestaande restaurant leidt ertoe dat het gasverbruik en de daarmee samenhangende emissies permanent worden beëindigd. In de Factsheet emissiewaarden Aerius1 wordt een restaurant niet specifiek genoemd, maar is vergelijkbaar met kantoren en winkels uit de lijst. In de praktijk is het realistisch dat in een restaurant het gasverbruik hoger is dan voor kantoren en winkels. Worst-case wordt het kengetal van deze functies voor het restaurant gebruikt. Voor kantoren en winkels wordt uitgegaan van een emissie van 0,16 kg NOx per m2 per jaar. Het pand heeft een oppervlakte van 220 m2. De totale emissie voor het bestaande restaurant komt daarmee uit op 0,16 x 220 = 35,2 kg NOx per jaar. Deze bron is als vlakbron ingevoerd in Aerius. De verkeersgeneratie van het bestaande restaurant en de daarmee samenhangende emissies in de referentiesituatie zijn in de berekeningen buiten beschouwing gelaten.
Realisatiefase In tabel 1 zijn de afzonderlijke emissiebronnen in de realisatiefase uitgewerkt welke gebaseerd zijn op informatie vanuit vergelijkbare projecten en vanuit de ontwikkelaar. De uitkomsten op jaarbasis (laatste kolommen) zijn ingevoerd in AERIUS Calculator. De werkzaamheden vinden naar verwachting plaats in 2023. De verkeersbewegingen zijn ingevoerd als lijnbron. De inzet van het overige materieel is ingevoerd als vlakbron aangezien dit materieel op het hele terrein werkzaam zal zijn. Met het bouwbedrijf zal de afspraak gemaakt worden dat machines uitgezet worden indien deze niet in bedrijf. Zodoende is er geen sprake van stationair draaien van machines. Tabel 1 Materieel inzet beoogde ontwikkeling 2023
Materieel
Stage Klasse
Heistelling Stage V, 75-560 kW, >2019 Graafmachine Stage V, 75-560 kW, >2019 Mobiele kraan Stage V, 75-560 kW, >2019 Elektrische Verreiker Stage V, 75-560 kW, >2019 Betonpomp Stage V, 75-560 kW, >2019 Totaal Aanvoer materialen en personeel Vrachtwagens Woon-werkverkeer
Totaal uren 32 40 120 60 24 276
Literverbruik/uur 20 11 15 0 23
80 400
Totaal liter verbruik / jaar 640 440 1.800 0 552 3.432
AdBlue verbruik / jaar 44 30 126 0 38 238
160 zware bewegingen 800 lichte bewegingen
De verkeerstoename door een project wordt in de berekeningen meegenomen tot het extra verkeer opgaat in het ‘heersende verkeersbeeld’. Volgens de ‘instructie gegevensinvoer Aerius’ wil zeggen dat ‘het extra verkeer door zijn snelheid en rij- en stopgedrag zich niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt’. Hierbij weegt ook de verhouding mee tussen de hoeveelheid extra verkeer en het reeds op de weg aanwezige verkeer. Bij de modellering in Aerius is er van uitgegaan dat het verkeer wordt afgewikkeld via de Laanweg en Damweg naar de N9. Op de N9 1 Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, RIVM, 05-07-2018.
3/4
gaan de vervoersbewegingen die samenhangen met de realisatie van de bestaande woningen op in het heersende verkeersbeeld. Beoogde situatie Voor de gebruiksfase is het rekenjaar 2023 gehanteerd. Omdat dit hetzelfde rekenjaar is als de realisatiefase, zijn beide fases in één berekening uitgevoerd. De woningen worden gasloos gebouwd en kennen derhalve geen gebouwemissies. De bijbehorende verkeersbewegingen leiden wel tot extra stikstofemissie. Bij het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van CROW publicatie 381. Voor het te hanteren kencijfer voor de kern Schoorl wordt uitgegaan van een stedelijkheidsgraad van weinig stedelijk, rest bebouwde kom. Op basis van de beschreven uitgangspunten genereren de 12 appartementen een verkeersgeneratie van 72 mvt/etmaal weekdag. Het verkeer wikkelt zich af via de Laanweg en Damweg naar de N9. De verkeerstoename door een project wordt in de berekeningen meegenomen tot het extra verkeer opgaat in het ‘heersende verkeersbeeld’. Volgens de ‘instructie gegevensinvoer Aerius’ wil zeggen dat ‘het extra verkeer door zijn snelheid en rij- en stopgedrag zich niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt’. Hierbij weegt ook de verhouding mee tussen de hoeveelheid extra verkeer en het reeds op de weg aanwezige verkeer.
Bij de modellering in Aerius is er van uitgegaan dat het verkeer wordt afgewikkeld via de Laanweg en Damweg naar de N9. Op de N9 gaan de vervoersbewegingen op in het heersende verkeersbeeld.
4. RESULTATEN EN CONCLUSIE Uit de verschilberekening met AERIUS Calculator (2023.0.1) blijkt dat er tijdens de realisatie- en gebruiksfase geen sprake is van een berekende bijdrage aan de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden (0,00 mol/ha/jr). Zowel in de referentiesituatie (emissies bestaand restaurant) als in de beoogde situatie (emissies realisatie en gebruik van de woningen) is sprake van een depositiebijdrage van maximaal 0,01 mol/ha/jaar ter plaatse van het Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen. Op de overige Natura 2000-gebieden is geen sprake van een berekende depositiebijdrage. Op basis van de berekening zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten.
4/4
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers