CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 1.b Bestemmingsplan Laanweg 55-57 Schoorl - Bijlagen Toelichting.pdf

Algemene Raadscommissie 8 februari 2024, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 2: Voorstel betreft het vaststellen van het bestemmingsplan Laanweg 55 - 57 Schoorl21.983 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Asbestonderzoek Initialen analist Datum geanalyseerd

: P.J. : 03-04-2018

Analyse is uitgevoerd conform NEN 5898 (Q). Massa aangeleverde monster : Droge massa aangeleverde monster : Percentage droogrest : Type zeving :

zeeffractie (mm) <0,5 mm 0,5-1 mm 1-2 mm 2-4 mm 4-8 mm 8-20 mm >20 mm Totaal

zeeffractie (mm)

35240 32245 91,5 nat

g g m/m %

massa percentage massa percentage aantal massa asbestzeeffractie zeeffractie onderzocht onderzocht asbest houdend materiaal (gram) (m/m %) (gram) (m/m %) (deeltjes) (mg) 25991,6 81,0 12,7 0,05 n.v.t. n.v.t. 644,1 2,0 172,7 26,81 0 0,0 772,9 2,4 366,5 47,42 0 0,0 1360,3 4,2 569,3 41,85 0 0,0 1654,3 5,2 1654,3 100,00 0 0,0 1675,0 5,2 1675,0 100,00 0 0,0 0,0 0,0 0,0 100,00 0 0,0 32098,2 100,0 4450,5 0 0,0 asbest totaal ondergrens bovengrens

gehalte asbest (mg/kg ds)

<0,5 mm 0,5-1 mm 1-2 mm 2-4 mm 4-8 mm 8-20 mm >20 mm Totaal

(mg/kg ds)

(mg/kg ds)

0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0

0,0 0,1 0,4 0,0 0,0 0,0 0,5

0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 <0,6

Aangetroffen type asbest Bijzonderheden waargenomen

gehalte asbest (mg/kg ds)

serpentijn asbest ondergrens bovengrens

0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 <0,6

(mg/kg ds)

(mg/kg ds)

0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0

0,0 0,1 0,4 0,0 0,0 0,0 0,5

gehalte asbest (mg/kg ds)

amfibool asbest ondergrens bovengrens (mg/kg ds)

(mg/kg ds)

0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0

0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0

0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0

: Geen : Geen

Serpentijn asbest is chrysotiel. Amfibool asbest is amosiet, crocidoliet, actinoliet, anthophylliet en tremoliet. De bepalingsgrens is bepaald voor de zeeffracties kleiner dan 4 mm. De totale bepalingsgrens is verkregen door de bepalingsgrenzen van de afzonderlijke zeeffracties te sommeren. Het materiaal is middels polarisatiemicroscopie onderzocht, de analyse is uitgevoerd conform NEN 5896. gebondenheid hecht niet hecht totaal afgerond

serpentijn asbest 0,0 0,0 0,0

amfibool asbest 0,0 0,0 0,0

totaal afgerond 0,0 0,0

Gewogen concentratie (serpentijnasbestconcentratie vermeerderd met 10 maal de amfiboolasbestconcentratie) is: <0,6 mg/kg ds De gewogen asbestconcentratie wordt berekend uit de niet-afgeronde gehalten aan serpentijn en amfibool asbest. De weergegeven resultaten zijn afgerond. Verklaring kwalitatief onderzoek zeeffractie <0,5 mm: - : geen asbest waargenomen Dit analyse-certificaat, inclusief voorblad en eventuele bijlage(n), mag niet anders dan in zijn geheel worden gereproduceerd. - De met een 'Q' gemerkte analyses zijn door RvA geaccrediteerd (registratienummer L086). Opdrachtverificatiecode: BKOM-SXZB-KLXB-FAPO

Ref.: 751961_certificaat_v1

Tabel 2 van 2 ANALYSECERTIFICAAT Project code Project omschrijving Opdrachtgever

: 751961 : 28513-Laanweg te Schoorl : Grondslag Heerhugowaard

Opmerkingen m.b.t. analyses Opmerking(en) algemeen Asbest Individuele monsters van dit project zijn als asbest verdacht gekwalificeerd. De analysedeelmonsters zijn met beschermende maatregelen in het laboratorium in behandeling genomen. Opmerking bij project:

- Eurofins Omegam heeft het asbestonderzoek in dit/deze monster(s) uitgevoerd volgens de NEN 5898, en zoals beschreven in een aparte bijlage als onderdeel van dit analysecertificaat. Voor de analyseresultaten van het asbestonderzoek geldt dat Eurofins Omegam de analyse heeft uitgevoerd in de monsters die de opdrachtgever, zoals deze staan vermeld in de koptekst van dit analysecertificaat, zelf heeft genomen of laten nemen en aan Eurofins Omegam heeft aangeboden. Eurofins Omegam draagt geen verantwoordelijkheid inzake de herkomst en representativiteit alsmede de veiligheid tijdens de monsterneming.

Dit analyse-certificaat, inclusief voorblad en eventuele bijlage(n), mag niet anders dan in zijn geheel worden gereproduceerd. Opdrachtverificatiecode: BKOM-SXZB-KLXB-FAPO

Ref.: 751961_certificaat_v1

Bijlage 1 van 1 ANALYSECERTIFICAAT Project code Project omschrijving Opdrachtgever

: 751961 : 28513-Laanweg te Schoorl : Grondslag Heerhugowaard

Analysemethoden in Puin In dit analysecertificaat zijn de met 'Q' gemerkte analyses uitgevoerd volgens de onderstaande analysemethoden. Deze analyses zijn vastgelegd in het geldende accreditatie-certificaat met bijbehorende verrichtingenlijst L086 van Eurofins Omegam BV. Asbestonderzoek

: Conform NEN 5898

Dit analyse-certificaat, inclusief voorblad en eventuele bijlage(n), mag niet anders dan in zijn geheel worden gereproduceerd. Opdrachtverificatiecode: BKOM-SXZB-KLXB-FAPO

Ref.: 751961_certificaat_v1

BIJLAGE V

Verklarende woordenlijst Wet bodembescherming (Wbb): Deze wet is er vooral op gericht om in het belang van het milieu regels te stellen om bodemverontreiniging te voorkomen, te onderzoeken en te saneren. NEN-5725: Richtlijn voor gedegen vooronderzoek. Het vooronderzoek wordt uitgevoerd voorafgaand aan het feitelijke onderzoek van de bodem (= veld- en laboratoriumonderzoek). De bij het vooronderzoek verzamelde informatie dient om te komen tot een adequate invulling van het veld- en laboratoriumonderzoek en draagt bij aan de verklaring van de resultaten van het bodemonderzoek. NEN-5740: Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek naar de aanwezigheid van bodemverontreiniging. De norm is van toepassing op verkennend onderzoek van zowel onverdachte als verdachte locaties. Standaard NEN analysepakket grond en grondwater Boven- en ondergrond

Grondwater

Metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink)

*

*

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK)

*

Polychloorbifenylen (PCB)

*

Minerale olie

*

*

Vluchtige aromaten (BTEXSN)

*

Vluchtige chlooralifaten (VOCl)

*

m-mv: diepte in meter minus maaiveld pH en EC: zuurgraad en Geleidingsvermogen NTU: de eenheid waarin troebelheid (van onder andere) water wordt uitgedrukt. Conform het Kwaliteitshandboek van Grondslag wordt de troebelheid in afwijking van de NEN5744:2011 direct bij terugkomst op kantoor gemeten in plaats van in het veld. In het Kwaliteitshandboek is hiervoor de motivatie opgenomen. Streefwaarde: deze waarde geeft voor grondwater aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem Achtergrondwaarde: deze waarde is voor grond vastgesteld op basis van de gehalten zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Interventiewaarde: Is de waarde die het kwaliteitsniveau aangeeft, waarop de functionele eigenschappen van de bodem, voor mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen tot worden verminderd. T-waarde (tussenwaarde): Is voor grondwater gelijk aan (streefwaarde+interventiewaarde)/2 en voor grond gelijk aan (achtergrondwaarde+interventiewaarde)/2. Overschrijding van de T-waarde geeft aan dat er mogelijk een aanvullend/nader onderzoek nodig is. Maximale Waarde wonen (MWw): deze waarde geeft de bovengrens aan van de kwaliteit die nodig is om de bodem blijvend geschikt te houden voor de functie ‘wonen’.

Maximale Waarde industrie (MWi): deze waarde geeft de bovengrens aan van de kwaliteit die nodig is om de bodem blijvend geschikt te houden voor de functie ‘industrie’. Gebruikte afkortingen van stoffen: Ba

Barium

Olie

Minerale olie

Cd

Cadmium

VAK

Vluchtige Aromatische Koolwaterstoffen

Co

Kobalt

B

Benzeen

Cu

Koper

T

Tolueen

Hg

Kwik

E

Ethylbenzeen

Pb

Lood

X

Xylenen

Mo

Molybdeen

S

Styreen

Ni

Nikkel

Naft.

Naftaleen

Zn

Zink

VOCl

Vluchtige Organochloorverbindingen

PAK

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen

PCB

Polychloorbifenylen

Oer: een inspoelingslaag van sesqui-oxiden (aluminium- en ijzeroxiden) boven de hoogste grondwaterstand. De oxiden zijn afkomstig van hoger gelegen bodemhorizonten. Oer is vaak harder dan het bodemmateriaal zelf. Gley: (oranje-bruine) ijzer-/roestvlekken die worden gevormd als gevolg van een fluctuerende grondwaterstand. Gley komt, in tegenstelling tot oer, niet voor in hardere brokjes maar uit zich voornamelijk in kleurverschil.

1

Toetsingskader Besluit bodemkwaliteit: Per deelpartij wordt per parameter het gemiddelde van de gemeten gehalten getoetst aan de normen zoals genoemd in bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit. In het generieke kader wordt onderscheid gemaakt in drie kwaliteitsklassen voor hergebruik: -

kwaliteitsklasse ‘Altijd toepasbaar’ kwaliteitsklasse ‘Wonen’ kwaliteitsklasse ‘Industrie’

Er wordt voldaan aan de eisen voor ‘Altijd toepasbaar’ indien de gemiddelde gehalten de Achtergrondwaarden niet overschrijden. Afhankelijk van het aantal geanalyseerde stoffen mag voor een aantal parameters de Achtergrondwaarde wel worden overschreden met maximaal een factor twee, mits de Maximale Waarde (MW) Wonen niet wordt overschreden (uitgezonderd nikkel). Bij analyse op het standaardpakket is deze overschrijding toegestaan voor maximaal twee parameters. Er wordt voldaan aan de kwaliteitsklasse Wonen indien de gemiddelde gehalten de MW-Wonen niet overschrijden. Er wordt voldaan aan de kwaliteitsklasse Industrie indien de gemiddelde gehalten de MW-Industrie niet overschrijden. Bij overschrijding van de MW-Industrie is hergebruik niet mogelijk in het generieke kader 1). Om de partij grond te mogen toepassen moet de partij worden getoetst aan: 1. 2.

de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem, en de functieklasse van de ontvangende bodem.

Bij deze dubbele toets geldt dat de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond moet voldoen aan de strengste eis. Wanneer de ontvangende bodem niet in een bodemfunctieklassenkaart is opgenomen, of wanneer de kwaliteit van de ontvangende bodem voldoet aan de Achtergrondwaarden, dan gelden de Achtergrondwaarden als toepassingseis. Grond die voldoet aan de MW-Industrie en de emissietoetswaarden mag worden verwerkt in een grootschalige toepassing. Indien de emissietoetswaarde wordt overschreden is aanvullend uitloogonderzoek nodig. 1) In sommige gevallen is hergebruik wel mogelijk als er gebiedsspecifiek beleid is opgesteld. De grond kan dan

alleen binnen het eigen gebied, waarvoor het beleid is opgesteld, onder voorwaarden worden hergebruikt. Conserveringstermijnen: In enkele gevallen kan analyse van een monster niet plaats vinden binnen een vastgestelde conserveringstermijn. Voorbeelden zijn het uitsplitsen van mengmonsters en het gefaseerd analyseren van monsters bij nader onderzoek. Overschrijding van de conserveringstermijn leidt tot een opmerking in de bijlagen bij een analysecertificaat. De maximale conserveringstermijn is stofafhankelijk. Voor enkele vluchtige verbinden (aromaten, naftaleen) geldt een termijn van 4 dagen. Voor droge stof en minerale olie bedraagt de termijn 7 dagen. Overige stoffen hebben een langere conserveringstermijn (PAK 14 dagen, organische stof 28 dagen, zware metalen 6 maanden). Conserveringstermijnen zijn opgesteld in SIKB-protocol 3001 (versie 3, september 2009). De conserveringstermijn is vastgesteld op de periode waarbinnen de standaardafwijking van het meetresultaat niet meer dan 2,5 of 5 % bedraagt (afhankelijk van het monstertype). Analyse op droge stof vindt bij elke grondanalyse plaats. Overschrijding van een conserveringstermijn vindt derhalve veelal plaats op basis van deze parameter (termijn 7 dagen).

Omegam Laboratoria heeft eigen onderzoek verricht naar de conserveringstermijn van droge stof (rapportage juni 2007, verricht conform NEN-ISO 11465 en gevalideerd op basis van SIKB project 55). Uit het rapport blijkt dat de gehaltes droge stof bij een conserveringstermijn van tenminste 42 dagen niet afnemen. Overschrijding van een conserveringstermijn bedraagt over het algemeen niet meer dan enkele dagen. In die tijd worden de monsters altijd koel en donker bewaard. Gezien de geringe standaardafwijking van 2,5 of 5 % waarop een conserveringstermijn is gedefinieerd, wordt gesteld dat een meetresultaat bij een geringe overschrijding van de conserveringstermijn, ook slechts in geringe mate kan afwijken van het daadwerkelijke gehalte op het moment van monstername.

2

102/327

Bijlage 3

103/327

Quickscan ecologie

2021 1

Quickscan Wet natuurbescherming Rho Adviseurs

Ontwikkeling Laanweg 55/57 te Schoorl

++

COLOFON BUREAU FAUNAX Tijnjedijk 89 8936 AC Leeuwarden +316 83 77 25 48 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus

Quickscan Wet natuurbescherming Rho Adviseurs Ontwikkeling Laanweg 55/57 te Schoorl Leeuwarden, april 2021 In opdracht van: Rho Adviseurs Uitvoering: Bureau FaunaX Veldwerk en rapportage: Mevr. A. Wieringa Autorisatie: Dhr. J. Groen Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied

© Bureau FaunaX. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX (2021). Quickscan Wet natuurbescherming/ Rho Adviseurs / Ontwikkeling Laanweg 55/57 te Schoorl. Rapport 21087 . Bureau FaunaX, Leeuwarden.

Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Wanneer deze rapportage, op wat voor manier dan ook, wordt aangepast en/of aangevuld door een partij anders dan Bureau FaunaX, verliest deze rapportage zijn validiteit en geldigheid. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.

INHOUDSOPGAVE 1.

2

INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1

Aanleiding ..................................................................................................................... 1

1.2

Doel ............................................................................................................................... 1

1.3

Onderzoeksopzet ..........................................................................................................2

1.4

Karakteristiek plangebied en planvoornemen .............................................................2

RESULTATEN QUICKSCAN ...........................................................................................4 2.1

Flora .............................................................................................................................. 4

2.2

Vogels ........................................................................................................................... 4

2.3

2.2.1

Jaarrond beschermde vogelnesten ............................................................... 4

2.2.2

Overige (broed)vogelsoorten .........................................................................5

Zoogdieren ................................................................................................................... 6 2.3.1

Vleermuizen .................................................................................................. 6

2.3.2

Marterachtigen ...............................................................................................7

2.3.3

Overige zoogdieren ....................................................................................... 8

2.4

Reptielen & amfibieën.................................................................................................. 9

2.5

Vissen .......................................................................................................................... 10

2.6

Ongewervelden ............................................................................................................ 11

2.7

Gebiedsbescherming ................................................................................................... 12 2.7.1

2.8 3

Houtopstanden ........................................................................................................... 13

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................. 14 3.1

Overzicht beschermde soorten .................................................................................. 14

3.2

Effectbespreking en aanbevelingen ............................................................................ 14

3.3 4

Stikstofgevoeligheid ..................................................................................... 12

3.2.1

Algemene broedvogels ................................................................................. 14

3.2.2

Jaarrond beschermde nesten (huismus) ..................................................... 15

3.2.3

Jaarrond beschermde nesten (gierzwaluw)................................................. 15

3.2.4

Vleermuizen (verblijfplaatsen) .................................................................... 15

3.2.5

Wezel, bunzing, hermelijn & steenmarter .................................................. 15

3.2.6

Rugstreeppad ................................................................................................ 15

3.2.7

Vrijgestelde- en niet beschermde soorten: de zorgplicht ........................... 16

3.2.8

Gebiedsbescherming (stikstofgevoeligheid) ............................................... 16

Overzicht vervolgstappen ........................................................................................... 16

LITERATUUR EN BRONNEN ....................................................................................... 17

BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 Wnb Soortbescherming ......................................................................................................- 1 Vogels en verstoring .................................................................................................- 1 -

Vrijgestelde soorten provincie Noord-Holland .......................................................- 1 Voorwaarden vrijstellingen ..................................................................................... - 2 Zorgplicht art 1.11 Wnb............................................................................................. - 2 Wnb Gebiedsbescherming ................................................................................................ - 3 Natura 2000-gebieden ............................................................................................. - 3 Wnb Houtopstanden ......................................................................................................... - 3 NatuurNetwerk Nederland/ Ecologische HoofdStructuur .............................................. - 3 -

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Men is voornemens op het perceel Laanweg 55 en 57 te Schoorl (figuur 1.1), waar voorheen horecagelegenheid gehuisvest was, een appartementencomplex te realiseren. Voor de realisatie zal alle bebouwing op het erf gesloopt worden en zullen er bomen op het achtererf worden gekapt. Voor de kap is al een kapvergunning verleend, maar de bomen zijn voor de volledigheid wel getoetst. Uit deze bomen zijn geen beschermde natuurwaarden naar voren gekomen. Omdat een deel van bovenstaande maatregelen een ruimtelijke ingreep betreft, dient een toetsing te worden uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze toetsing vindt eerst plaats in de vorm van een quickscan gebaseerd op het onderdeel soortbescherming. In het kader daarvan is door Bureau FaunaX een analyse gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer aanwezige beschermde natuurwaarden. Hierbij ligt de focus op flora en alle diergroepen waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat beschermde soorten voor kunnen komen in het plangebied. Tevens is een inschatting gemaakt van de eventuele effecten van de voorgenomen plannen op in de omgeving liggende beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en NNN/EHS) (onderdeel gebiedsbescherming).

Figuur 1.1. Het plangebied te Schoorl.

1.2 Doel Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1.

Komen binnen het plangebied (biotopen van) onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten voor? 1

2. Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden voor? 3. Wat zijn de mogelijke effecten van de werkzaamheden op deze beschermde natuurwaarden en -gebieden, zowel tijdens de realisatie als na afloop hiervan? 4. Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? 5. Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkomen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden? Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.

1.3 Onderzoeksopzet Soorten In opdracht van Rho Adviseurs heeft Bureau FaunaX het planvoornemen door middel van een ecologische quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze quickscan is uitgevoerd op dinsdag 16 maart 2021 en vond plaats onder winterse weersomstandigheden (7°C, windkracht 4, bewolkt/lichte regen). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.

Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Wet natuurbescherming zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent NatuurNetwerk Nederland/ Ecologische HoofdStructuur, ganzengedooggebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief.

1.4 Karakteristiek plangebied en planvoornemen Het plangebied ligt oostelijk binnen de bebouwde kom van Schoorl en bestaat uit een vervallen horecapand, vervallen schuren en omliggend erf met enkele bomen.

2

Het horecapand betreft een gebouw bestaande uit drie verdiepingen, met een uitbouw, een serre, veelal geplamuurde muren, schuine daken met gegolfde dakpannen en overstaande daklijsten. De schuurtjes ten noorden binnen het plangebied zijn gelijkvloers, de ene heeft een plat dak en de ander gegolfde dakpannen op het dak. Het erf ten noorden ligt vol puin en is overwoekerd door onkruid/wildgroei. De omgeving wordt gekenmerkt door de bebouwde kom van Schoorl met ten zuiden een klein bos en ten westen de Schoorlse Duinen. Het planvoornemen bestaat uit het slopen van alle bebouwing op het perceel en de kap van de zes bomen op het achtererf om plaats te maken voor een appartementencomplex met tuinen en bomen en parkeergelegenheid (figuur 1.2). De kastanjeboom aan de voorzijde zal voor zover ons bekend is behouden blijven.

Figuur 1.2. Planvoornemen plangebied (bron: Vincent Giling).

3

2 RESULTATEN QUICKSCAN 2.1 Flora Het plangebied wordt gekenmerkt voor voedselrijke soorten zoals Engels raaigras, krokus, narcis, speenkruid, klimop, zuring, brandnetel, rus en aangetroffen bomen: els (2x), iep (2x) een eik, een kastanje en een esdoorn (figuur 2.1). Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen, noch is het geschikte biotoop hiervoor aanwezig. De onder de Wnb beschermde plantensoorten stellen veelal kritische eisen aan hun standplaatsen. Aan deze eisen wordt binnen het plangebied niet voldaan.

Figuur 2.1. Impressie van de flora in het plangebied.

Op basis van de waargenomen soorten en de (habitat)eigenschappen van het plangebied is het voorkomen van beschermde plantensoorten uit te sluiten.

2.2 Vogels 2.2.1

Jaarrond beschermde vogelnesten

Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten of horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. De bomen binnen het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van boomnesten.

4

Het enige boomnest betrof een klein nest van hoogstwaarschijnlijk een algemene broedvogel in de kastanjeboom, deze zal voor zover ons bekend is met de werkzaamheden behouden blijven. Daarnaast zijn er ook vogelsoorten die over het algemeen in bebouwing tot broeden komen, waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn; de kerkuil, huismus en gierzwaluw. Kerkuil verblijfplaatsen binnen het plangebied kunnen op basis van de afwezigheid van invliegopeningen op voorhand worden uitgesloten. Het horecapand is vanwege de ruimtes onder de onderste rij dakpannen en nokpannen wel geschikt voor respectievelijk huismus en gierzwaluw om te verblijven (figuur 2.2). Ook kan het schuurtje met de gegolfde dakpannen gebruikt worden door huismussen om te verblijven. Negatieve effecten van de werkzaamheden op jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw kunnen dan ook niet op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 2.2. Broedmogelijkheden voor huismus (links) en gierzwaluw (rechts) binnen het plangebied.

De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten.

2.2.2 Overige (broed)vogelsoorten Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor (weide)broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. De nesten van deze soorten zijn uitsluitend beschermd tijdens het broedproces. Het plangebied biedt mogelijkheden voor diverse soorten broedvogels, in de bomen en hagen in en rondom het plangebied. Negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden op broedvogels waarvan de nesten tijdens het broedproces bescherming genieten, kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten. 

Binnen en grenzend aan het plangebied kunnen vogels tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces (grofweg 15 maart – 15 juli).

5

2.3 Zoogdieren 2.3.1

Vleermuizen

Het plangebied is tijdens het veldbezoek beoordeeld op waarden voor vleermuizen. Hierbij is de nadruk gelegd op de aanwezigheid van mogelijke verblijfplaatsen. Ook is gekeken of het plangebied onderdeel uitmaakt van essentiële vliegroutes of foerageergebied van vleermuizen. Vleermuizen verblijven voornamelijk in gebouwen of boomholtes. In de bomen binnen het plangebied zijn geen geschikte holtes aangetroffen. Hierdoor kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in boomholtes op voorhand worden uitgesloten. Het plangebied is naast beschermde vogelsoorten ook geschikt voor vleermuizen om te verblijven; onder de dak/nokpannen van het horecapand, maar ook via gaten in zowel het horecapand als de schuurtjes (figuur 2.3). Negatieve effecten van de werkzaamheden op vleermuisverblijfplaatsen in gebouwen kunnen niet op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 2.3. Impressie mogelijkheden voor vleermuizen om binnen het plangebied te verblijven.

6

Daarnaast kunnen bomenrijen, watergangen en andere verbindende elementen in de omgeving een beschermde status hebben als deze van essentieel belang zijn voor het in stand houden van een vleermuizen verblijfplaats. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes en foerageergebied kunnen op voorhand worden uitgesloten, aangezien er door de werkzaamheden verbindende elementen niet permanent verloren zullen gaan. Daarnaast biedt de omgeving voldoende alternatieven waardoor het plangebied zelf geen onderdeel zal zijn van een essentiële vliegroute of foerageergebied.  

De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op essentiële foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen kunnen op voorhand worden uitgesloten.

2.3.2 Marterachtigen Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor marterachtigen. Er zijn enkele waarnemingen van bunzing, hermelijn en wezel in de omgeving van het plangebied bekend (bron: NDFF, figuur 2.4). Deze soorten kunnen in de bebouwde kom van dorpen verblijven, zeker als deze aansluiten op een natuurlijkere omgeving. Daar is in deze situatie sprake van. Tevens zijn in het plangebied potentiële verblijfplaatsen aanwezig, bijvoorbeeld in de vorm van bulten met stenen welke zijn overgroeid met onder andere Hedera. De aanwezigheid van kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) binnen het plangebied kan daarom niet op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 2.4. Waarnemingen van wezel, bunzing en hermelijn uit Schoorl en omgeving (NDFF).

7

Ook van de boommarter zijn er in de omgeving veel waarnemingen bekend (figuur 2.5). Deze waarnemingen zijn echter vooral in het duingebied of de rand van het dorp gedaan. Het plangebied is door de ligging binnen de bebouwde kom van Schoorl en de afwezigheid van geschikte verblijfplaatsen zoals boomholtes niet geschikt als habitat om te verblijven. Op basis van verspreidingsgegevens (in de directe omgeving) en habitatgeschiktheid kan de aanwezigheid van boommarter binnen het plangebied op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 2.5. Waarnemingen boommarter van de laatste 10 jaar rondom het plangebied (rood kader) (bron: NDFF).

Een marterachtige die veel binnen de bebouwde kom voorkomt is de steenmarter. Het plangebied is geschikt als habitat voor deze soort, doordat het horecapand betreden kan worden via de losse dakpan of het gat in de muur (figuur 2.3, onder). Omdat deze soort oprukt en het plangebied zeer geschikt habitat biedt voor deze soort (in de vorm van leegstaande gebouwen), kan aanwezigheid van de steenmarter binnen het plangebied, ondanks de afwezigheid van waarnemingen uit de directe omgeving van het plangebied (bron: NDFF) niet op voorhand worden uitgesloten.

2.3.3 Overige zoogdieren Naast vleermuizen en marterachtigen is het plangebied eveneens gecontroleerd op waarden voor overige zoogdiersoorten. In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van eekhoorn (figuur 2.6). Deze waarnemingen zijn gedaan in de bossen rondom het plangebied. Het plangebied zelf betreft enkele losstaande bomen waarin geen eekhoornnesten zijn aangetroffen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van deze soort kunnen op voorhand worden uitgesloten.

8

Figuur 2.6. Waarnemingen van eekhoorn van de laatste decennia rondom het plangebied (rood kader) (bron: NDFF).

Op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en habitatgeschiktheid kan de aanwezigheid van overige beschermde zoogdiersoorten binnen het plangebied op voorhand worden uitgesloten. Wel is het plangebied op basis van de habitat geschikt voor lichter beschermde (vrijgestelde) zoogdiersoorten, zoals egel en mol. Hoewel deze soorten voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld binnen de provincie Noord-Holland, dient men zich wel te houden aan de voor deze soorten geldende zorgplicht (bijlage I).  

De aanwezigheid van verblijfplaatsen van steenmarters, hermelijnen, wezels en bunzingen in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied kunnen andere licht beschermde soorten voorkomen, zoals egel en mol. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de zorgplicht (bijlage I).

2.4 Reptielen & amfibieën Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor beschermde reptielen en amfibieën. De ligging van het plangebied nabij de duinen maakt dat er in de omgeving veel waarnemingen van zandhagedis en enkele waarnemingen van de hazelworm bekend zijn (bron: NDFF). Waarnemingen van de hazelworm zijn schaars en beperken zich tot beboste delen van het duingebied op relatief grote afstand tot het plangebied. Waarnemingen uit Schoorl of uit aangrenzende dorpen zijn niet bekend. Op basis hiervan achten we de kans dat de hazelworm in het plangebied voorkomt dusdanig klein dat we deze op voorhand uitsluiten. De zandhagedis komt in de omgeving van het plangebied algemener voor. Echter, ook in dit geval concentreert de populatie zich in het duingebied. Waarnemingen in bewoond gebied zijn zeer schaars en beperken zich vooral tot open en zanderige bermen. Van dergelijke habitateigenschappen is in het plangebied geen sprake. Ook het voorkomen van de zandhagedis in het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.

9

Het plangebied bevat veel puin waar reptielen onder kunnen verblijven. Echter zijn er van andere reptielen geen verspreidingsgegevens in de omgeving bekend. Op basis daarvan kan de aanwezigheid van andere reptielen binnen het plangebied op voorhand worden uitgesloten. De enige beschermde amfibieënsoort die in de omgeving van Schoorl is waargenomen (bron: NDFF, figuur 2.7) is de rugstreeppad. In Schoorl zelf is het aantal waarnemingen echter zeer beperkt. De populatie cocentreert zich duidelijk in de duinen waar het habitat voor deze soort optimaal geschikt is. In het plangebied is van dergelijk optimaal geschikt habitat geen sprake. Vanwege de afwezigheid van waterlichamen in het plangebied, kan op voorhand worden uitgesloten dat de soort zich hier voortplant. Buiten het plangebied bevinden zich echter wel sloten die kunnen dienen als suboptimaal voortplantingswater voor deze soort. Op basis hiervan en het feit dat de rugstreeppad een grote dispersieafstand heeft, kan niet worden uitgesloten dat de rugstreeppad het plangebied als (suboptimaal geschikt) landhabitat gebruikt. Hier kan de soort onder andere verblijven onder puin dat in het plangebied aanwezig is. Tenslotte geldt voor vrijgestelde soorten amfibieën de zorgplicht.

Figuur 2.7. Uit de omgeving van het plangebied (rode cirkel) zijn waarnemingen van de rugstreeppad bekend.

 

De aanwezigheid van landhabitat van de rugstreeppad in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van reptielen en de overige beschermde amfibieën kan op basis van habitatgeschiktheid en/of verspreidingsgegevens worden uitgesloten.

2.5 Vissen De afwezigheid van waterpartijen binnen het plangebied maakt dat negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde zoetwatervissen op voorhand kunnen worden uitgesloten.

10

Negatieve effecten op leefgebied van beschermde zoetwatervissen kunnen op voorhand worden uitgesloten.

2.6 Ongewervelden Het plangebied bevat geen waardplanten of watervegetatie die essentieel zijn bij de voortplanting van beschermde insecten of andere ongewervelden. Op basis hiervan kunnen negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde ongewervelden binnen het plangebied worden uitgesloten. 

De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde ongewervelden kan op voorhand worden uitgesloten.

11

2.7 Gebiedsbescherming Het plangebied valt niet onder het NatuurNetwerk Nederland (NNN, voormalig EHS) en is niet aangewezen als weidevogelkansgebied of ganzenfoerageergebied (bronnen: Atlas leefomgeving & Ganzenfoerageergebieden Noord-Holland). De provincie Noord-Holland is echter bevoegd gezag in dezen. 

Het plangebied valt niet onder de NNN/EHS, ganzenfoerageergebieden of weidevogelgebieden aangesteld door de provincie Noord-Holland. Een toetsing naar een mogelijk conflict tussen gebiedsbescherming en het initiatief is niet van toepassing.

2.7.1

Stikstofgevoeligheid

Het plangebied ligt hemelsbreed vanaf het dichstbijzijnde punt nabij Natura 2000-gebieden Schoorlse Duinen (1,0 km), Noordhollands Duinreservaat (2,5 km), Abstkolk & De Putten (3,9 km) en Noordzeekustzone (4,7 km), figuur 2.8. Voor deze gebieden zijn habitattypen zoals embryonale duinen, witte duinen en permament overstroomde zandbanken aangewezen, en gevlekte witsnuitlibel en zeeprik als habitatrichtlijnsoorten. Tijdens de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden komt er naar alle waarschijnlijkheid extra stikstof vrij door bijvoorbeeld het inzetten van mobiele werkvoertuigen. Deze extra stikstofemissie heeft mogelijk een effect op de voorgenoemde gebieden welke zijn aangewezen voor diverse (stikstof)geschikte habitattypen en soorten. Gezien de relatief kleine afstand tot Natura 2000gebieden, waarvan de dichtstbijzijnde twee (Schoorlse Duinen en Noordhollands Duinreservaat) ook staan aangeschreven als gevoelig voor stikstofdepositie, kan naar ons inzicht niet worden uitgesloten dat de extra stikstofemissie significant negatieve effecten zal veroorzaken binnen het voorgenoemde gebied en is een Aerius-berekening van toepassing. De provincie Noord-Holland is echter bevoegd gezag in dezen en bepaalt of het uitvoeren van deze berekening benodigd is.

Figuur 2.8. Natura 2000-gebieden nabij het plangebied (rood) die wel (blauw) en niet (groen) gevoelig zijn voor stikstofdepositie (bron: Provincie Noord-Holland Natura 2000 gebieden).

12

Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van extra stikstofuitstoot kunnen naar ons inzicht niet op voorhand worden uitgesloten. Een Aerius berekening is naar ons inzien van toepassing. De provincie Noord-Holland is hiervoor echter Bevoegd Gezag.

2.8 Houtopstanden Als er een (deel van een) houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een (deel van een) bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Het planvoornemen betreft het kappen van een zestal bomen en het planten van nieuwe bomen bij de realisatie van het appartementencomplex. Er is naar ons inziens dan ook geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht. 

Er is geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.

13

3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1 Overzicht beschermde soorten In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn alleen die soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus, en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1. Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in het plangebied. Art. Art. Art. Soortgroep Soort Aanwezigheid Vrijgesteld Advies 3.1 3.5 3.10 Vogels

Algemene broedvogels

Mogelijk

X

Werken buiten broedtijd

Vogels (jaarrond beschermde nesten)

Huismus Gierzwaluw

Mogelijk

X

Nader onderzoek

Vleermuizen (verblijfplaatsen)

Diverse soorten

Mogelijk

Marterachtigen

Diverse soorten

Mogelijk

X

Nader onderzoek

Amfibieën

Rugstreeppad

Mogelijk

X

Nader onderzoek

Vogels Zoogdieren Amfibieën Vissen

Algemeen voorkomende soorten

Mogelijk

X

Overige belanghebbenden

Aandachtspunt

Gebiedsbescherming

Significante extra stikstofemissie

X

Nader onderzoek

X

Zorgplicht

Advies Informeer bij de provincie Noord-Holland of een Aerius-berekening nodig is

3.2 Effectbespreking en aanbevelingen Het project kan naar ons inzien doorgang vinden binnen de kader van de Wet natuurbescherming, mits men zich houdt aan de hieronder volgende aanbevelingen.

3.2.1

Algemene broedvogels

Binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden komen waarschijnlijk vogels tot broeden waarvan de nesten alleen tijdens het broedproces beschermd zijn. We adviseren om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart – 15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat van belang is, is of er een broedgeval is en of er sprake is van wezenlijke verstoring van het betreffende broedgeval. Eventueel kan tijdens de broedtijd gewerkt worden, dit dient dan te gebeuren onder begeleiding van een ecoloog.

14

3.2.2 Jaarrond beschermde nesten (huismus) Het plangebied biedt broedmogelijkheden voor huismus en de omgeving biedt daarnaast voldoende rustplekken om het plangebied als geschikt functioneel leefgebied voor de huismus te beoordelen. Huismusverblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd en gaan door de sloopwerkzaamheden mogelijk verloren. Wij adviseren nader onderzoek uit te laten voeren om de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van huismussen binnen het plangebied vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit dient uitgevoerd te worden door middel van twee ochtendbezoeken (conform datumgrenzen SOVON, 1 april – 15 mei). Wanneer er jaarrond beschermde nesten van huismussen binnen het plangebied worden vastgesteld, dient er een ontheffing te worden aangevraagd voor deze soort. Deze wordt in de regel afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

3.2.3 Jaarrond beschermde nesten (gierzwaluw) De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van gierzwaluwen onder de nokpannen van het horecapand kan niet op voorhand worden uitgesloten. We adviseren nader onderzoek uit te laten voeren om de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van gierzwaluwen binnen het plangebied vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit dient uitgevoerd te worden doormiddel van drie avondbezoeken (conform datumgrenzen SOVON, 1 juni – 15 juli), waarbij één bezoek gecombineerd kan worden met vleermuizenonderzoek. Wanneer er jaarrond beschermde nesten van gierzwaluwen binnen het plangebied worden vastgesteld, dient er een ontheffing te worden aangevraagd voor deze soort. Deze wordt in de regel afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

3.2.4 Vleermuizen (verblijfplaatsen) Het plangebied is geschikt voor vleermuizen om in te verblijven, vanwege de ruimtes onder dakpannen, nokpannen en gaten in de muur. Gezien het de sloop van de bebouwingen betreft, kunnen mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Wij adviseren daarom nader onderzoek naar vleermuisverblijfplaatsen om vast te stellen of vleermuizen daadwerkelijk gebruikmaken van de gebouwen als zijnde verblijfplaats. Dit dient te gebeuren aan de hand van vier veldbezoeken verspreid over de kraam- (15 mei – 15 juli, met minimaal 10 dagen tussen de bezoeken en minimaal één ochtendbezoek) en de paarperiode (15 augustus – 1 oktober, met minimaal 10 dagen tussen de bezoeken). De onderzoeksmethodiek is vastgelegd in het Vleermuisprotocol, opgesteld door het ministerie van EZ, Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Indien er verblijfplaatsen van vleermuizen worden vastgesteld binnen de het plangebied, dient er voor de desbetreffende soort(en) een ontheffing te worden aangevraagd, welke in de regel wordt afgegeven onder de voorwaarde dat er compenserende en mitigerende maatregelen worden uitgevoerd.

3.2.5 Wezel, bunzing, hermelijn & steenmarter De aanwezigheid van verblijfplaatsen van verschillende soorten marterachtigen in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. We adviseren daarom om te laten onderzoeken of hier sprake van is. Dit onderzoek kan worden uitgevoerd op basis van een combinatie van sporenonderzzoek en onderzoek met behulp van cameravallen en (deels) gecombineerd worden met het nader onderzoek naar de aanwezigheid van verbijfplaatsen van gierzwaluwen en vleermuizen.

3.2.6 Rugstreeppad Het kan niet op voorhand worden uitgesloten dat de rugstreeppad van het plangebied gebruik maakt als landhabitat. We adviseren op basis van nader onderzoek vast te laten stellen of de rugstreeppad zich voortplant in de directe omgeving van het plangebied.

15

Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd op basis van kooractiviteit in de maand mei. Tevens kan in het plangebied naar rugstreeppadden worden gezocht onder het daar aanwezige puin.

3.2.7 Vrijgestelde- en niet beschermde soorten: de zorgplicht Er kan een aantal niet beschermde of vrijgestelde soorten voorkomen in het plangebied, zoals verschillende soorten kleine zoogdieren en amfibieën. Voor schade aan deze soorten geldt in principe een vrijstelling. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming schrijft echter voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door voorafgaand aan de werkzaamheden dekking te verwijderen. Hierdoor worden eventueel aanwezige dieren vooraf bewogen een andere verblijfplaats te zoeken.

3.2.8 Gebiedsbescherming (stikstofgevoeligheid) Tijdens de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden komt er naar alle waarschijnlijkheid extra stikstof vrij door het inzetten van grote machines. Gezien de kleine afstand tot stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, is het mogelijk dat deze gebieden negatieve effecten zullen ondervinden van de extra stikstofemissie. Wij adviseren daarom een Aerius-berekening uit te voeren om vast te stellen, dan wel uit te sluiten of er daadwerkelijke significante effecten zullen zijn van de werkzaamheden. De provincie Noord-Holland is echter bevoegd gezag in dezen en bepaalt of het uitvoeren van deze berekening benodigd is.

3.3 Overzicht vervolgstappen Het planvoornemen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:       

16

Broedvogels: Werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart – 15 juli). Is dit niet mogelijk?  Voor aanvang werkzaamheden broedvogelcheck uit laten voeren. Jaarrond beschermde nesten: Nader onderzoek huismus en gierzwaluw. Vleermuizen (verblijfplaatsen): Nader onderzoek. Marterachtigen (verblijfplaatsen): Nader onderzoek. Rugstreeppad: Nader onderzoek. Licht beschermde en vrijgestelde soorten: Naleven van de zorgplicht. Gebiedsbescherming (stikstofgevoeligheid): Ga in overleg met de provincie NoordHolland of een Aerius-berekening benodigd is en wat de vervolgstappen zijn.

4 LITERATUUR EN BRONNEN Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (red), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Natuur van Nederland 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Ganzenfoerageergebieden Noord-Holland https://maps.noord-holland.nl/WebViewer/index.html?viewer=ganzenfoerageergebieden Gebiedsbescherming: Natura 2000 en stikstofgevoeligheid https://maps.noordholland.nl/kaartenportaal/apps/Embed/index.html?webmap=c8b69314edd04b94b543dc60b2a ab4a2 Google maps https://www.google.com/maps Kaarten provinciale natuurbeheerplannen Bij12 https://flamingo.bij12.nl/pnl-viewer/app/PNLNatuurbeheerplan

NationaleDatabank Flora en Fauna (NDFF) https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal Natura2000 gebieden Nederland https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/GoogleMapsZoek2.aspx Sovon https://www.sovon.nl/nl Synbiosis https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k&groep=1&id=n 2k19&topic=gevoeligheid Verspreidingsatlas planten FLORON http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl

17

BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in drie delen: soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.

Wnb Soortbescherming De Wet natuurbescherming draagt onder andere zorg voor de bescherming van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet bevat een aantal verbodsbepalingen die ervoor moeten zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van alle in het wild levende dier- en plantensoorten zal blijven gewaarborgd. De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen, de Europees beschermde soorten en de nationaal beschermde soorten. De eerste groep bestaat uit strikt beschermde soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 3.1 en 3.5). De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin wordt aangegeven welke diersoorten en welke typen natuurgebieden door de lidstaten dienen te worden beschermd. In de tweede categorie staan de overige (nationaal) beschermde soorten (art. 3.10). Binnen de Wet natuurbescherming vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Habitatrichtlijnsoorten. Ook zijn de belangen waaronder ontheffing aangevraagd mag worden, voor de nationaal beschermde soorten uitgebreider dan voor de habitatrichtlijnsoorten.

Vogels en verstoring Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat het verboden is om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Dit is echter niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Dit kan dus ook tijdens het broedseizoen het geval zijn, als kan worden aangetoond of beargumenteerd dat de verstoring geen negatieve effecten heeft op (de kansen van) het broedsucces. Of dit van toepassing is hangt af van meerdere factoren, zoals de biologie van een soort, de fase van de broedtijd waarin het broedpaar zich op dat moment bevindt (zoals balts, nestbouw, eieren of jongen) en de mate van verstoring. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als wezenlijke verstoring. In aanvulling op bovenstaande wordt er door de provincies een lijst met vogelsoorten gehanteerd, waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5).

Vrijgestelde soorten provincie Noord-Holland Hoewel de Wet natuurbescherming een nationale wet is, kunnen de provincies (als de bevoegde gezagen) soorten aanwijzen die vrijgesteld kunnen worden van de beschermde status, als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de via de Verordening Wet natuurbescherming door de provincie Noord-Holland vrijgestelde soorten (zoogdieren en amfibieën). De verordening van de Provinciale Staten van Noord-Holland is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2014-2568.html.

-1-

Tabel 1. Vrijgestelde soorten Verordening Wet natuurbescherming provincie Noord-Holland.

Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat

Amfibieën Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker

Voorwaarden vrijstellingen Zoals gezegd zijn de vrijstellingen onder het bevoegd gezag van de provincie Noord-Holland, en zijn hiermee geen onderdeel van de Wet natuurbescherming zelf. De provincie heeft de soorten zoals die genoemd zijn in bovenstaande tabel niet zonder meer vrijgesteld, hier zijn voorwaarden aan verbonden. Ten eerste is het van belang dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Ten tweede gelden de vrijstellingen niet in alle situaties. Deze zijn alleen van toepassing als de geplande werkzaamheden onder één van de volgende noemers vallen: a.

in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. in het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Ten derde is een aantal specifieke voorwaarden opgesteld (Bijlage I van de Verordening). Hierbij geldt dat indien sprake is van vangen of doden, alleen gebruik mag worden gemaakt van de in de verordening genoemde middelen en methoden. Dit is vooral van toepassing bij de vrijgestelde zoogdieren. Indien deze in winterslaap zijn en ze worden gevangen, dan moet alles er aan gedaan worden om ervoor te zorgen dat de overlevingskansen niet worden verminderd als gevolg van het vangen en verplaatsen. Voor amfibieën is het belangrijk te vernemen dat indien deze in winterslaap zijn, het niet is toegestaan ze te vangen (en verplaatsen). Indien bovengenoemde soorten voorkomen binnen een plangebied, is een ontheffing voor deze soort dus niet nodig.

Zorgplicht art 1.11 Wnb Echter, dit is niet nodig omdat nog steeds een inspanning wordt geleverd om deze soorten zo min mogelijk schade te doen, zoals is omschreven in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, meer algemeen bekend als de zorgplicht. Hoewel overtredingen niet strafbaar zijn gesteld, kan het uitvoeren van de zorgplicht wel worden gehandhaafd door toepassing van een bestuursdwang. Dat betekent dat de uitvoerende gedwongen kan worden herstelacties uit te voeren.

-2-

Wnb Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en Natura 2000-gebieden.

Natura 2000-gebieden Projecten of activiteiten die niet noodzakelijk zijn voor, of verband houden met, het beheer van de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) en mogelijk negatieve effecten hebben op deze waarden, dienen vanuit de Wet natuurbescherming getoetst te worden. Deze toetsing vindt enkel plaats in het geval de uitvoering van een project plaatsvindt binnen de invloedssfeer van een N2000-gebied en verwacht wordt dat deze uitvoering (mogelijk) negatieve effecten heeft op soorten of habitattypen waarvoor het N2000-gebied is aangewezen.

Wnb Houtopstanden De Boswet is in 2015 gewijzigd en per 1 januari 2017 opgenomen in de nieuwe Wet Natuurbescherming. Die wet zal op den duur weer (beleidsneutraal) in de Omgevingswet opgenomen worden. De, voor gemeenten, belangrijkste wijziging van de wet is de beperking in het stellen van regels ten aanzien van houtopstanden buiten de begrenzing zoals aangegeven op de kaart Begrenzing Bebouwde kom Boswet. Dit heeft effect op o.a. gemeentelijk kapbeleid. De provincie heeft, als bevoegd gezag, een provinciale verordening opgesteld voor de uitvoering van de Wet Natuurbescherming. Dat is in overleg met de Noord-Hollandse gemeenten gedaan. De APV, afd. 3 Het bewaren van houtopstanden, oftewel de kapverordening, vormt de basis voor het nader uitgewerkte kapbeleid. Tevens zijn in de APV regels opgenomen ten aanzien van de Bomenlijst. De bescherming van arealen bos en houtopstanden valt dus onder de Wnb, mochten deze groter zijn dan 10 are (1000 m2) of bestaan uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom. De gemeente hanteert soms voor ‘buiten de bebouwde kom’ een andere begrenzing dan voor de Weg- en verkeerswet. Bij twijfel kan hierover bij de gemeente informatie worden aangevraagd.

Als de houtopstand groter dan 10 are is of bestaat uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom, dan is er een meld- en herplantingsplicht van hetzelfde areaal bos binnen drie jaar na het kappen hiervan. Niet alle boomsoorten vallen onder deze wetgeving. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als biomassa zijn uitgezonderd, indien tenminste een keer per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan een aantal beplantingseisen is voldaan. Ook kerstbomen die niet ouder zijn dan twintig jaar, kweekgoed, fruitbomen en windschermen om boomgaarden zijn uitgezonderd.

NatuurNetwerk Nederland/ Ecologische HoofdStructuur Strikt genomen valt de EHS/NNN niet onder de Wet natuurbescherming aangezien dit bepaald wordt door de provincies en niet door het Rijk.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) maakt onderdeel uit van het rijksbeleid voor het creëren en vormgeven van een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden in Nederland. De provincies krijgen echter zelf de gelegenheid om dit naar eigen inzicht zo goed mogelijk aan te wijzen, inrichten en beheren. Indien een ruimtelijke ingreep binnen de begrenzing van het NNN plaatsvindt moet een 'nee, tenzij' procedure worden doorlopen en zal bij doorgang van de ingreep in de regel compensatie en mitigatie noodzakelijk zijn.

-3-

Bijlage 4

131/327

Nader ecologisch onderzoek

2021 Nader Onderzoek Wet natuurbescherming Ontwikkeling Laanweg 55+57 te Schoorl 1

++

COLOFON BUREAU FAUNAX Tijnjedyk 89 8936 AC Leeuwarden +316 83 77 25 48 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus

Nader Onderzoek Wet natuurbescherming Ontwikkeling Laanweg 55 + 57 te Schoorl Leeuwarden, oktober 2021

In opdracht van: Rho Adviseurs Uitvoering: Bureau FaunaX Veldwerk en rapportage: Dhr. J. Groen Autorisatie: Dhr. E.P. de Boer Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied © Bureau FaunaX. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX (2021). Nader Onderzoek Wet Natuurbescherming Rho Adviseurs/ Ontwikkeling Laanweg 55+57 te Schoorl. Rapport 21113. Bureau FaunaX, Leeuwarden. Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Wanneer deze rapportage, op wat voor manier dan ook, wordt aangepast en/of aangevuld door een partij anders dan Bureau FaunaX, verliest deze rapportage zijn validiteit en geldigheid. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1

2

RESULTATEN NADER ONDERZOEK ............................................................................ 2 2.1

Inleiding ........................................................................................................................2

2.2

Methodieken & Werkwijze ...........................................................................................2

2.3

3

Aanleiding ..................................................................................................................... 1

2.2.1

Huismus..........................................................................................................2

2.2.2

Gierzwaluw ..................................................................................................... 3

2.2.3

Vleermuizen ................................................................................................... 3

2.2.4

Marterachtigen .............................................................................................. 4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/5089/documents/39266