bij 1.a Bestemmingsplan Laanweg 55-57 Schoorl - Toelichting.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan
Laanweg 55-57, Schoorl Bergen (NH.)
DATUM IMRO IDN
30-11-2023 NL.IMRO.0373.BPLaanweg55en57-C001
PROJECT PROJECTLEIDER
Laanweg 55-57 Schoorl J. van Broekhoven
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Aannemersbedrijf J.M. Putter 20210009
AUTEUR STATUS
Rho Adviseurs vastgesteld
Inhoudsopgave
Toelichting
6
Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Vigerende bestemmingsplan
7
1.4
Leeswijzer
8
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
9
2.1
Bestaande situatie
9
2.2
Beoogde ontwikkeling
10
Ruimtelijk beleid
13
3.1
Inleiding
13
3.2
Rijksbeleid
13
3.3
Provinciaal beleid
22
3.4
Gemeentelijk beleid
23
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
25
4.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
25
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
25
4.3
Bodem
27
4.4
Ecologie
28
4.5
Externe veiligheid
31
4.6
Luchtkwaliteit
33
4.7
Verkeer en parkeren
35
4.8
Bedrijven en milieuzonering
37
4.9
Water
38
4.10
Wegverkeerslawaai
43
4.11
Kabels en leidingen
44
4.12
Duurzaamheid
45
4.13
Schaduwwerking
46
Juridische planbeschrijving
47
5.1
Algemeen
47
5.2
Planopzet
47
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 5
3/327
5.3
Toelichting op de inleidende regels
47
5.4
Toelichting op de bestemmingsregels
47
5.5
Algemene regels
48
5.6
Overgangsrecht en slotregels
48
Uitvoerbaarheid
50
6.1
Economische uitvoerbaarheid
50
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
50
Hoofdstuk 6
Bijlagen bij de toelichting
53
Bijlage 1
Beluist milieueffectrapportage
55
Bijlage 2
Verkennend bodem- en asbestonderzoek
59
Bijlage 3
Quickscan ecologie
103
Bijlage 4
Nader ecologisch onderzoek
131
Bijlage 5
Stikstofonderzoek
147
Bijlage 6
Onderzoek wegverkeerslawaai
161
Bijlage 7
Berekeningen geluidwering gevel
207
Bijlage 8
Onderzoek installatiegeluid warmtepompen
247
Bijlage 9
Bezonningsstudie
263
Bijlage 10
Informatievoorziening verslag omwonenden 17-02-2022
291
Bijlage 11
Participatieverslag informatiebijeenkomst 31-05-2023
295
Bijlage 12
Nota zienswijzen
299
Regels Hoofdstuk 1
311 Inleidende regels
312
Artikel 1
Begrippen
312
Artikel 2
Wijze van meten
316
Bestemmingsregels
317
Artikel 3
Wonen
317
Artikel 4
Waarde - Archeologie
319
Hoofdstuk 3
Algemene regels
322
Artikel 5
Anti-dubbeltelregel
322
Hoofdstuk 2
4/327
Artikel 6
Algemene bouwregels
323
Artikel 7
Algemene gebruiksregels
324
Artikel 8
Algemene afwijkingsregels
325
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
326
Artikel 9
Overgangsrecht
326
Artikel 10
Slotregel
327
5/327
Toelichting
6/327
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
De Laanweg is een van de hoofdwegen die het westen van Schoorl verbindt met het oosten. Restaurant De Koperen Lantaarn was gevestigd aan de Laanweg op nummer 55-57. Nadat het restaurant haar deuren sloot heeft het pand leeg gestaan. Eerst was er het idee om hier opnieuw een horecazaak te openen. Omdat het pand erg verouderd is, voldeed het niet meer aan veel eisen, waaronder brandveiligheid. Het initiatief ligt nu voor om het restaurant te slopen en een nieuw plan te realiseren voor 12 appartementen. Om de beoogde ontwikkeling juridisch planologisch mogelijk te maken, is een nieuw bestemmingsplan nodig. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt aan de Laanweg 55-57 in Schoorl. Ten westen van het plangebied ligt een woning en ten oosten een kapperszaak. Aan de achterzijde van het plangebied, in het noorden, liggen woningen. Aan de overzijde van de Laanweg, in het zuiden, liggen eveneens woningen. De ligging van het plangebied is weergegeven op figuur 1.1.
Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Luchtfoto 2021)
1.3
Vigerende bestemmingsplan
Het plangebied is onderdeel van het bestemmingsplan 'Schoorl-Kernen en buurtschappen', vastgesteld op 23 juni 2009.
7/327
Figuur 1.2: Uitsnede van het bestemmingsplan 'Schoorl-Kernen en buurtschappen' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Ter plaatse van het plangebied is de bestemming 'Horeca' van kracht. Hierbinnen zijn horecabedrijven van ten hoogste categorie 1c toegestaan. Binnen deze bestemming zijn geen woningen toegestaan, alleen een bedrijfswoning. Er ligt een bouwvlak waarbinnen gebouwd mag worden. De goot- en bouwhoogte zijn vastgelegd in het bestemmingsplan op maximaal 4 en 10 meter. Dat betekent dat er nu een gebouw mag worden gebouwd van maximaal 10 meter hoog.
1.4
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en de toekomstige situatie van het plangebied. Vervolgens is in hoofdstuk 3 een samenvatting opgenomen van het actuele beleidskader dat relevant is voor het plangebied. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten beschreven, welke inzicht geven in de relevante omgevingsaspecten en de verrichtte onderzoeken. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de gekozen planvorm en de juridische regeling. Ten slotte gaat hoofdstuk 6 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
8/327
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
Ruimtelijke context Schoorl en de omliggende dorpen liggen in een uniek duinlandschap. Schoorl is een dorp tegen de hoogste en breedste duinen van Nederland. In de tiende eeuw wordt School al genoemd. De naam verwijst naar het woord lo, wat bos op een hoge zandgrond bij of nabij een drassig oeverland betekend. Mensen vestigden zich vroeger op de standwallen om zo in natte seizoenen droog te blijven. Op deze strandwallen werden ook akkers aangelegd, zogenaamde geesten. Veel dorpen zijn gebouwd langs deze geesten. Hoog genoeg om droog te blijven en laag genoeg om niet uit te drogen. De geesten werden met elkaar verbonden en bebouwing ontstond aan weerszijde. Dit werd ook wel de duinzijde en polderzijde genoemd. Met de toename van bebouwing groeiden de dorpen aan elkaar tot een lang lint. Ook Schoorl bestaat uit een lintbebouwing. De Damweg en Laanweg vormen de horizontale linten. De bebouwing is hier vrij dicht op elkaar en op de weg gebouwd. Veel van de woningen zijn vrijstaand, waardoor er een bepaald ritmiek in het lint ontstaat. Plangebied Het plangebied bestaat uit een oud horecapand waar café-restaurant De Koperen Lantaarn gevestigd was. Na vertrek van dit restaurant ontstond het idee om hier een nieuwe horecazaak te openen. Het pand was alleen sterk verouderd, waardoor het niet meer voldeed aan veel veiligheidseisen, zoals brandveiligheid.
Hierdoor was het niet mogelijk om het vergunningenproces goed te doorlopen. Het pand staat hierdoor sinds vertrek van de Koperen Lantaarn leeg.
Figuur 2.1: Bestaande situatie (bron: Faunax)
9/327
2.2
Beoogde ontwikkeling
De ontwikkeling bestaat uit het oprichten van een appartementencomplex met 12 woningen. Op de tweede verdieping komen 4 sociale woningen. Het gebouw krijgt twee kappen, waardoor de bouwmassa onderbroken wordt en het beter passend is in de omgeving. De bebouwing wordt ten opzichte van de huidige situatie verlengd, waarbij meer gebruik wordt gemaakt van de lengte van het perceel. De woningen op de eerste verdieping krijgt een balkon, welke is geïntegreerd in de uitbouwen met een plat dak. Bewoners kunnen parkeren op het eigen terrein. Tevens worden 3 parkeerplaatsen aangelegd langs de Laanweg. De bestaande beeldbepalende boom langs de Laanweg blijft gehandhaafd. Het perceel wordt gescheiden van het perceel ernaast door een dikke schutting, waar ook de berging in geïntegreerd is.
Figuur 2.2: Gevels en doorsneden van de beoogde ontwikkeling (bron: Vincent Giling)
10/327
Figuur 2.3: Plattegrond van de ontwikkeling (bron: Vincent Giling)
Figuur 2.4: Sfeerimpressie (bron: Vincent Giling) Ruimtelijke inpassing Vanaf de Rijksweg gaat de Damweg over in de Laanweg. De bebouwing aan de noordzijde van de Damweg bestaat uit relatief grote bouwvolumes waar naast woningen ook verschillende bedrijven te vinden zijn, zoals een bouwmarkt en tankstation. De bedrijfsgebouwen onderscheiden zich van de woningen omdat deze bestaan uit één of twee bouwlagen zonder kap. De bebouwing staat relatief ver uit elkaar. Na de overgang naar de Laanweg wordt het volume van de bebouwing kleinschaliger en staan de gebouwen dichter op elkaar. Het dorpse karakter is hier kenbaar doordat er voornamelijk woningen staan. De woningen zijn vrijstaand en zijn voorzien van een zadeldak die gepositioneerd is naar de weg. Doordat de woningen iets naar achteren zijn
11/327
gepositioneerd ontstaat een voortuin. Met de ontwikkeling wordt aangesloten op het ruimtelijke en stedenbouwkundige karakter van de straat. Er is gekozen voor één volume waarin gebruik wordt gemaakt van twee zadeldaken, waardoor het vanaf de straat lijkt alsof het om twee gebouwen gaat. Hiermee sluit het gebouw beter aan bij het straatprofiel. Voor de zijgevels is gekozen voor een afwijkend tussenprofiel waardoor het lijkt alsof het om twee woongebouwen gaat. Hiermee sluit het gebouw beter aan bij de grootte van de naastgelegen woningen. De maximale bouwhoogte van het huidige gebouw en naastgelegen woningen is nu 10 meter. Het beoogde gebouw heeft een bouwhoogte van 10,5 meter.
12/327
Hoofdstuk 3 3.1
Ruimtelijk beleid
Inleiding
De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door een aantal landelijke, provinciale en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante rijks-, provinciaal- en lokaal beleid beknopt samengevat.
3.2
Rijksbeleid
In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Hierin schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 rijksdoelen geformuleerd: De concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; De bereikbaarheid verbeteren; Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. Toets aan het SVIR en Barro De beoogde ontwikkeling heeft geen raakvlakken met het beleid op Rijksniveau.
Ladder duurzame verstedelijking Conform het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke ontwikkelingen sprake zijn van zorgvuldig ruimtegebruik en moet overprogrammering worden voorkomen. Middels de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' vindt een toetsing plaats. De Ladder bestaat uit de volgende treden: 1. Is er een behoefte? Voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een behoefte voor het betreffende ruimtelijke verzorgingsgebied? De aard en omvang van een stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. 2. Buitenstedelijk? Indien de voorgenomen stedelijke ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, moet worden gemotiveerd waarom niet binnen een bestaand stedelijk gebied in
13/327
de behoefte van de ontwikkeling kan worden voorzien. De Ladder is kaderstellend voor juridisch verbindende ruimtelijke plannen van de centrale overheden, zoals bestemmingsplannen en projectbesluiten. Voor deze plannen moeten de treden van de Ladder worden doorlopen. Het doel van de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hiermee wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Toets aan ladder voor duurzame verstedelijking Ieder bestemmingsplan dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, moet een verantwoording bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6. lid 2 Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument met het doel efficiënt ruimtegebruik te bevorderen. Voor stedelijke projecten moet de behoefte worden beschreven. Indien het bestemmingsplan de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Wel of geen stedelijke ontwikkeling De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'.
Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt dat het toevoegen van meer dan 11 woningen wordt gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling. In dit geval is dus sprake van een stedelijke ontwikkeling. Er is ook sprake van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling omdat het geldende bestemmingsplan slechts bedrijfswoningen binnen de bestemming horeca mogelijk maakt. Bestaand stedelijk gebied In de algemene bepalingen van het Besluit ruimtelijke ordening (1.1.1 lid 1 onder h) is de volgende definitie opgenomen voor bestaand stedelijk gebied: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur". De beantwoording van de vraag of een plangebied als een bestaand stedelijk gebied kan worden aangemerkt, hangt volgens de Nota van toelichting (2017) af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Het begrip is in de jurisprudentie nader ingevuld. Hieruit wordt geconcludeerd dat het gebied onderdeel uitmaakt van het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied werd gebruikt voor horeca.
Het gebied is door de provincie in haar omgevingsverordening ook aangemerkt als stedelijk gebied (contramal landelijk gebied). Dit betekent dat de behoefte moet worden beschreven.
14/327
Figuur 3.1: Omgevingsverordening NH2020 Kaart 14 Landelijk gebied (2020) (bron: Ruimtelijkeplannen.nl) Relevante regio Het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling bepaalt tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De begrenzing van de regio is dus afhankelijk van de aard en omvang het programmaonderdeel dat als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. Voor wonen is dat de gemeente Bergen (N.H.) binnen de woonregio Alkmaar. Beschrijving woningbehoefte Voor het bepalen van de woningbehoefte zijn provinciaal, regionaal en gemeentelijk woonbeleid, de provinciale prognose en regionale afspraken leidend. Deze worden hierna behandeld. Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025 De woonagenda betreft de uitvoeringsagenda voor de komende vijf jaar met een beschrijving van de ambities, uitgangspunten en acties van de provincie. De ambitie van de provincie is als volgt geformuleerd: "Onze ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn of komen. De woningbouw wordt vooral in of aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, overeenkomend met de kwalitatieve behoefte en demografische trends. Duurzaamheid van de totale voorraad is uitgangspunt".
De doelstelling van de provincie is om te zorgen voor voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen. In lijn met de ambitie en doelstelling zijn vier ruimtelijke uitgangspunten opgesteld: 1. Wonen is onderdeel van een integrale verstedelijkingsopgave. 2. We geven ruimte voor woningbouw, uitgaande van zorgvuldig ruimtegebruik en mobiliteit. 3. We versterken de rol van de kernen en steden in het regionale netwerk, leidend tot keuzes voor woningbouw- en economische ontwikkeling en het voorzieningenniveau in de regio. 4. We bieden ruimte voor maatwerk en sturen op (inter)regionale samenwerking.
15/327
De speerpunten voor het woonbeleid van de provincie voor 2020-20205 zijn als volgt: 1. Een woning voor iedereen: a. adaptief en vraaggestuurd programmeren; b. productie op peil: aanjagen woningbouwproductie; c. kwalitatief, betaalbaar en divers woningaanbod. 2. Gezond, duurzaam en toekomstbestendig wonen in een aantrekkelijke provincie. De provincie stuurt op een versnelling van de woningbouwproductie de komende jaren. Daarbij wordt aandacht gegeven aan een kwalitatief divers aanbod, aansluitend op de vraag. Regionale programmeringen en gemeentelijk beleid zijn daarbij de basis. Met de toevoeging van 12 woningen kan worden bijgedragen aan de woningbouwproductie. In navolgend stuk wordt getoetst aan de regionale programmering en gemeentelijk beleid. Bevolkingsprognose provincie Noord-Holland 2019-2040 De indicatieve woningbehoefte in Noord-Holland Noord tot 2030 is 18.500 woningen, waarvan in de regio Alkmaar 9.400.
Figuur 3.2: Ontwikkeling woningbehoefte provincie Noord-Holland 2019-2040 (bron: Bevolkingsprognose provincie Noord-Holland 2019-2040, 2019) De beoogde ontwikkeling van 12 woningen in Schoorl valt binnen de woonregio Alkmaar. Uit de in de bevolkingsprognose vastgestelde woningbehoefte voor de gemeente Bergen blijkt dat tot 2030 550 woningen noodzakelijk zijn om in de woningbehoefte te kunnen voorzien. Met de beoogde ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd om te voorzien in deze behoefte.
Figuur 3.3: Ontwikkeling woningbehoefte Bergen, binnen regio Alkmaar 2019-2030 (bron: Bevolkingsprognose provincie Noord-Holland 2019-2040, 2019)
16/327
Woondeal Noord-Holland Noord (2020) Provincie Noord-Holland en de regio's Kop van Noord-Holland, Regio Alkmaar en West-Friesland werken aan woonakkoorden op regionaal niveau. Hier worden meer gedetailleerde afspraken gemaakt over de regionale woningbouwopgave. In deze regiodeal gaat het om de grotere opgaven op het niveau van geheel Noord-Holland Noord. Deze Woondeal is de basis voor de verstedelijkingsafspraken die de Regio Alkmaar en Hoorn maken met de Rijksoverheid. De scope van de woondeal is om de steden hun eigen karakter te laten houden en tegelijk flexibel in te spelen op de groei van inwoners. Op een aantal concrete locaties in de steden Alkmaar, Hoorn en Heerhugowaard wordt ingezet op het op korte en lange termijn versnellen van de woningbouw. Bij realisatie van projecten wordt uitgegaan van de volgende principes: 1. Prioriteit op binnenstedelijk bouwen bij OV-knooppunten. 2. Aanvullend ontwikkelt de regio langs de infrastructuurlijnen ten noorden en oosten extra bouwlocaties om te voldoen aan de overlopende vraag. 3. Inzet op vereenvoudiging van methodiek en regels om op die plekken dat zo goed mogelijk in de tijd voor elkaar te krijgen. 4. Als dat niet (snel genoeg) lukt inzet op een regionale ladder onderbouwing en vinden van geschikte (goed bereikbaar, weinig 'groene' waarde) uitleglocaties. De regio wil woningen toevoegen om doorstroming tot stand te brengen.
In de woondeal is ook aandacht voor het bouwen van betaalbare woningen voor starters, doorstromers en alleenwonenden. Er wordt gewerkt aan het vergroten van de woningbouwproductie. Binnen de gemeente zijn geen locaties aangemerkt als versnellingslocatie. Met de beoogde ontwikkeling kan worden bijgedragen aan de woningbouwproductie in de regio. Met het toevoegen van woningen op deze locatie kan doorstroming in Schoorl en Bergen bevorderd worden. Woonakkoord regio Alkmaar Regio Alkmaar heeft samen met provincie Noord-Holland het Woonakkoord 2021-2025 opgesteld. Hierin is aangegeven welke woonopgaven er liggen, wat de gewenste richting is en welke afspraken daarbij passen. Het Woonakkoord bevat een gezamenlijke visie van de regiogemeenten, provincie en de Woningmakers (een samenwerkingsverband van ontwikkelaars, woningcorporaties, bouwers en makelaars) op brede woningbouwopgaven. Het Woonakkoord is een nieuw beleidsinstrument van de provincie Noord-Holland met als hoofddoel om voldoende woningen te realiseren. De provincie Noord-Holland vraagt in haar Woonagenda 2020-2025 aan regio's om, samen met de provincie, Woonakkoorden op te stellen, met daarin afspraken over woningbouw, nieuwbouw en een overzicht van woningbouwplannen in het landelijk gebied. De provincie wil ook het verduurzamen van de woningvoorraad stimuleren en inspelen op het veranderde klimaat.
Samengevat is de inhoud van het akkoord als volgt: Tot 2030 voegen we jaarlijks minimaal 2.000 woningen toe. Tot 2040 voegen we ca. 25.000-33.000 woningen toe. Aan alle segmenten is behoefte. Versnelling van woningbouwrealisatie is essentieel.
17/327
We gaan op zoek naar nieuwe locaties om versneld tot ontwikkeling te brengen. We willen zo veel mogelijk woningbouw binnenstedelijk en nabij OV-knooppunten realiseren ten aanzien van de mobiliteits- en duurzaamheidsopgaven. We houden de vinger aan de pols om te zien of we voldoende woningen van het juiste type bijbouwen om aan de (toekomstige) vraag te voldoen. De doorlooptijd van plan tot bouw is zeven tot vijftien jaar. In die tijd kan er (economisch) veel veranderen. We volgen de marktontwikkelingen, zodat we waar nodig kunnen bijsturen. Regio Alkmaar ziet het Woonakkoord als een goede basis om de woningbouw versneld te realiseren. Het Woonakkoord is de opvolger van het instrument Regionale Actie Programma's (RAP) en is tegelijkertijd in veel opzichten een voortzetting van bestaand beleid of eerdere regionale samenwerkingsafspraken. Monitor woningbouw 2020 De monitor woningbouw bevat cijfers over de ontwikkeling van de woningvoorraad en huishoudens, en de ontwikkeling van de plancapaciteit. Deze cijfers worden afgezet tegen de woningbehoefte uit de Bevolkingsprognose Noord-Holland 2019-2040. Deze monitor wordt jaarlijks uitgevoerd. Als eerste is de inhaalvraag bepaald van de afgelopen jaren. Dit is het aantal woningen dat bovenop de verwachte vraag naar woningen gebouwd zou moeten worden om de druk op de woningmarkt af te laten nemen.
Voor de regio Alkmaar geldt dat er de afgelopen jaren 1.500 woningen minder zijn gebouwd dan de toename van het aantal huishoudens is geweest.
Figuur 3.4: Inhaalvraag (aantal woningen) op basis van verschil huishoudensgroei en nieuwbouwproductie 2014-2018 (bron: Monitor Woningbouw, 2020) Voor de regio Alkmaar geldt dat de woningbehoefte tot 2030 7.800 woningen betreft. Het aantal harde plannen betreft 7.900 woningen. Daarnaast geldt voor de regio ook een inhaalvraag van 1.500 woningen. Dat betekent dat er extra harde plancapaciteit voor 1.400 woningen noodzakelijk is. De beoogde ontwikkeling van 12 woningen in Schoorl kan bijdragen aan het op peil brengen van de woningvraag.
Figuur 3.5: Woningbehoefte 2019-2040 en plancapaciteit (bron: Monitor Woningbouw, 2020) Woningbouwafspraken en programmering regio Alkmaar (2019) Om de woningbehoefte op de korte en middellange termijn tegemoet te komen, moeten er de komende jaren
18/327
meer woningen worden gebouwd en bestaande plannen worden versneld. Om dit waar te kunnen maken heeft de gemeente Bergen samen met de gemeenten in Regio Alkmaar en de Woningmakers de 'Woningbouwafspraken en programmering regio Alkmaar' gemaakt. Hierin zijn de ambities en opgaven, programmering- en woningbouwafspraken uit het Regionaal Actie Programma nader uitgewerkt. Met deze nieuwe woningbouwafspraken gaan de gemeenten in Regio Alkmaar zich richten op realisatiecapaciteit. Hierbij wordt steeds gebruikgemaakt van de meest recente marktinformatie en huishoudensprognoses. Regio Alkmaar ziet een vijftal opgaven: 1. Het bouwtempo moet stevig omhoog om de huidige druk op de markt het hoofd te bieden; 2. Flexibiliteit creëren in planvoorraad door adaptief te programmeren; 3. Inzet op de diversiteit in woonmilieus, waarbij drie subregio's op basis van de verscheidenheid aan woonmilieus wordt gehanteerd: Alkmaar, Heerhugowaard/Langedijk en de BUCH gemeenten; 4. Voorkomen van verdringing; 5. Inspelen op de langetermijnbehoefte. De regio Alkmaar wil met haar woningbouwprogrammering ruimte hebben om in te spelen op de korte termijn behoefte (met als doel voorkomen van verdringing) en anderzijds demografische trends op lange termijn (inspelen op ontgroening en vergrijzing). Om dit te bereiken: 1. Zet de regio in op adaptief programmeren, uitwerking in scenario's. 2.
Wordt rekening gehouden met vertraging en onzekerheid in de uitwerking van plannen. 3. Wordt afscheid genomen van oude plannen die niet (meer) voorzien in de huidige en toekomstige vraag. 4. Wordt frequent de woningmarkt gemonitord en de bijbehorende opgaven in samenwerking met de woningmakers. Om in te kunnen spelen op de korte termijn behoefte en invloeden op de woningmarkt is programmeren vanuit scenario's wenselijk. Voor alle scenario's geldt als basis de bevolkingsprognose van de provincie Noord-Holland 2017- 2040 'ontwikkeling woningbehoefte'. Hierop zijn aanvullend twee scenario's gemaakt die inspelen op enerzijds de recente ontwikkeling van verhoogde bovenregionale instroom vanuit andere delen uit de MRA en anderzijds de conjuncturele schommelingen die van invloed zijn op de woningmarkt. 1. Het eerste scenario gaat uit van de lokale en regionale verwachtingen van bevolkingsontwikkeling. Daarin is voor de eerste jaren ook enige overloop vanuit de MRA mee genomen (in aansluiting op de recente ontwikkelingen). Daarvoor is conform de provinciale bevolkingsprognose een toevoeging van 1.200 woningen per jaar nodig tot 2023. 2. Een tweede scenario biedt naast de lokale en regionale opgave ook ruimte aan een meer dan trendmatige overloop uit de Amsterdamse agglomeratie, waar vanuit de ervaring van woningaanbieders vraag naar is.
Vanuit deze trend is toevoeging van 400 tot 600 woningen per jaar extra nodig. Als deze locaties niet tijdig ontwikkeld worden, blijft ook bij dit aantal de krapte-indicator op het huidige (te) lage niveau. a. Scenario 2a: behoeftegroei, bij structurele (hoge) instroom vanuit delen uit de MRA. In dit scenario is het uitgangspunt dat de instroom voor een langere periode op een hoog niveau aanhoudt (+ circa 400 huishoudens per jaar tot 2022 en afvlakkend naar + 200 huishoudens in 2030). b. Scenario 2b: behoeftegroei, bij conjuncturele instroom vanuit andere delen uit de MRA. De hoge instroom vanuit de MRA is tijdelijk (circa +400 huishoudens per jaar tot 2020) en bij een volgend economische mindere periode is de verwachting dat ook de instroom vanuit andere delen uit de MRA weer terug zal zakken naar een laag niveau (circa -200 ten opzichte van de provinciale prognose uit
19/327
scenario 1 van 2020 tot 2026). Waarna de economie, en vervolgens daarmee de instroom, weer zal gaan toenemen in de jaren daarna. 3. Een derde scenario gaat uit van de Propositie Wonen in Noord-Holland-Noord, bedoeld om een bijdrage te leveren aan de provinciale verstedelijkingsopgave.
Figuur 3.6: Richtinggevende variatie in scenario's van mogelijke behoeftegroei naar gemeenten, woningbouwopgave per tijdsperiode (bron: Woningbouwafspraken en programmering regio Alkmaar, 2019) Woonvisie Bergen 2015-2020 De Woonvisie van Bergen 'Wonen in de gemeente Bergen NH 2015-2020' (8 december 2015) schetst de volgende visie: De gemeente Bergen streeft naar een kwalitatief goed en gedifferentieerd woningaanbod dat aansluit op de vraag van haar huidige en toekomstige inwoners. Wij streven er naar dat verschillende doelgroepen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en een wooncarrière kunnen maken binnen de gemeente. Hierbij zijn de demografische ontwikkelingen een gegeven. De gemeente heeft voor de periode tot 2020 de onderstaande beleidsdoelen geformuleerd: het zorgen voor een kwalitatief goed woningaanbod (geschiktheid, kwaliteit en duurzaamheid); het realiseren van een gedifferentieerd woningaanbod; het vergroten van de betaalbaarheid; het huisvesten van de huidige en toekomstige inwoners (doelgroepen); Kwalitatieve behoefte De belangrijkste demografische ontwikkelingen in de gemeente Bergen zijn de ontgroening (afnemende aantal jongeren) en vergrijzing (toenemende aantal ouderen). De vergrijzing is in de gemeente Bergen beter zichtbaar dan in de rest van Nederland.
De gemeente zit nu al op een percentage van 28%, terwijl dit in de rest van het land pas in 2040 wordt verwacht. Vooral de groep van 75 jaar en ouder zal de komende jaren nog sterker toenemen.
20/327
Figuur 3.7: Veranderingen in de bevolkingssamenstelling in Bergen vergeleken met het landelijk beeld (bron: Woonvisie Bergen) Naast de demografische ontwikkelingen zijn ook maatschappelijke ontwikkelingen van invloed op de kwalitatieve behoefte van mensen. De invoering van de Participatiewet, de overgang van begeleiding uit de Awbz naar Wmo en jeugdwet zorgen ervoor dat gemeente meer verantwoordelijkheid krijgen voor zorg. Ouderen krijgen hierdoor meer zorg vanuit huis en verhuizen daardoor minder snel naar verzorgings- of verpleeghuizen. In Bergen zorgt dat voor een halvering van het aantal verzorgingsplaatsen. Op basis van het Woonwensen onderzoek 2015 worden onderstaande belangrijkste uitkomsten en conclusies gedaan: Met name jongeren en ouderen hebben behoefte aan een woning die beter past bij hun leven. Inwoners jonger dan 35 jaar willen vooral een grotere woningen, terwijl ouderen juist behoefte hebben aan een kleinere woning. Jongeren hebben de grootste verhuiswens. Drie op de vier jongeren wil binnen drie jaar zelfstandig wonen en een kwart het liefst binnen een jaar. De ontwikkeling voorziet in het toevoegen van 12 woningen, waarvan 4 in het sociale segment. Alle woningen zijn gelijkvloers en toegankelijk met een lift, waardoor ze zowel geschikt zijn voor jongeren/starters als voor ouderen.
De woningen op de begane grond en eerste verdieping hebben een oppervlakte van tussen de 69 en 82 m² en zijn hiermee aantrekkelijk voor zowel starters als ouderen. De woningen op de tweede verdieping zijn respectievelijk 57 en 58 m² en zullen voornamelijk aantrekkelijk zijn voor jongeren. Zij zijn de groep binnen de gemeente met de grootste verhuiswens. Hiermee voorziet de ontwikkeling in de kwalitatieve vraag naar woningen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er zowel een kwantitatieve als kwalitatieve vraag bestaat naar uitbreiding van het woningaanbod in Schoorl.
21/327
3.3
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld op 19 november 2018 Middels de Omgevingsvisie NH2050 geeft de provincie Noord-Holland richting aan de toekomst van de leefomgeving in de provincie. Hierin wordt de balans gezocht tussen economische groei en leefbaarheid. In de visie zijn 5 bewegingen met ontwikkelprincipes beschreven voor de ontwikkeling van de leefomgeving: 1. Dynamisch schiereiland: hierin is het benutten van de unieke ligging van Noord-Holland, te midden van water, leidend. 2. Metropool in ontwikkeling: hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert. 3. Sterke kernen, sterke regio's: gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden. 4. Nieuwe energie: benut de economische kansen van de energietransitie. 5. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: staan het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector centraal. Toetsing De locatie vervult na het verlaten van horecazaak De Koperen Lantaarn geen actieve functie meer in Schoorl. Door de huidige locatie te herontwikkelen ontstaat er ruimte voor woningen en wordt de leefbaarheid van het dorp versterkt. Tevens wordt rekening gehouden met de architectuur van de omgeving door de façade aan te laten sluiten bij de stijl van de huizen in de straat.
Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan het ontwikkelprincipe van sterke kernen, sterke regio's. Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld op 22 oktober 2020, inwerktreding op 17 november 2020 De Omgevingsverordening is de vertaling van de Omgevingsvisie in regels. Hierin zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. Middels de Omgevingsverordening wordt woningbouw gestimuleerd. Regionale afstemming, duurzaam ruimtegebruik en het voorkomen van overprogrammering zijn daarbij vereisten. Toetsing Voor de ontwikkeling zijn de volgende aspecten relevant: 1. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen; 2. Klimaatadaptatie ad. 1 Nieuwe stedelijke ontwikkelingen Artikel 6.3 Nieuwe stedelijke ontwikkelingen
22/327
1. Een ruimtelijk plan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. 2. Gedeputeerde Staten stellen nadere regels aan de afspraken bedoeld in het eerste lid. De beoogde ontwikkeling zorgt voor het tegengaan van het woningtekort in Schoorl en Bergen en draagt hiermee bij aan de Omgevingsverordening. Er wordt rekening gehouden met duurzaam ruimtegebruik door binnenstedelijk te ontwikkelen. Daarnaast is de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. ad. 2 Klimaatadaptatie Artikel 6.62 Klimaatadaptatie 1. De toelichting van een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s van klimaatverandering. 2. In de beschrijving wordt in ieder geval betrokken het risico op: a. wateroverlast; b. overstroming; c. hitte; en d. droogte. 3. De beschrijving omschrijft tevens de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de in het tweede lid omschreven risico’s te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 4. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het waterschap in wiens beheergebied de ontwikkeling plaatsvindt.
Toetsing Op het gebied van hittestress, droogte en wateroverlast is het van belang groen en/of water een prominente plek te geven in het ontwerp. Groen ziet er aantrekkelijk uit, houdt minder warmte vast en verkoelt door verdamping van water. Via groenbestrating kan water ook deels infiltreren in de ondergrond. Binnen de beoogde ontwikkeling is rondom de bebouwing dan ook ruimte voor groen. Daarnaast wordt de verharding van de parkeervakken (met uitzondering van de parkeervakken grenzend aan de Laanweg) middels grasparkeertegels uitgevoerd. Deze groenbestrating is een klimaatadaptieve maatregel tegen wateroverlast en hittestress. Op het gebied van overstroming zijn de kans op een overstroming en de effecten van een plangebied in een gebied zonder kans op een overstroming.
3.4
Gemeentelijk beleid
Woonvisie 2015-2020 De gemeente Bergen schetst in de Woonvisie de gewenste ontwikkeling van het wonen tot 2020. Uitgangspunt in de woonvisie is dat er voldoende sociale en betaalbare woningen zijn en dat die woningen sociaal en betaalbaar blijven. Van de nieuwe woningen die worden gebouwd moet 30% betaalbaar (sociaal) zijn.
23/327
Belangrijke speerpunten in het woonbeleid zijn huisvesting voor starters, senioren, inwoners met een zorgvraag en verblijfsgerechtigden (statushouders). De instroom van jonge gezinnen en starters in de gemeente Bergen is beperkt door de relatief dure woningen. Het effect van de dure woningen is dat vooral oudere inwoners het zich kunnen veroorloven om in de gemeente Bergen te wonen. De vergrijzing is daarmee in de gemeente Bergen verder gevorderd dan in Nederland als geheel. Vooral de groep van 75 jaar en ouder zal in de toekomst sterk toenemen. Om deze reden heeft de gemeente het streven om woningen zoveel mogelijk levensloopbestendig te maken, zowel in de bestaande voorraad (opplussen) als in nieuwbouw. Herstructurering en inbreiding (binnen Bestaand Bebouwd Gebied) zijn daarnaast volgens de ladder voor duurzame verstedelijking de voor de hand liggende opties voor nieuwbouw. De gemeente Bergen zet in op realisatie van circa 20% van de koopwoningen in categorie 1, circa 20% in categorie 2 en circa 60% in categorie 3 en 4. Voor huur is dit 40% in categorie 1 en 2 en 60% in categorie 3 en 4.
Figuur 3.3: Woningbouwcategorieën met prijspeil per 1 maart 2015 (bron: Woonvisie 2015-2020) Toetsing Het bouwplan bevat 4 sociale woningen in categorie 2. Deze vier zijn allen gesitueerd op de tweede verdieping. Hoewel de insteek in principe is om 20% in categorie 1 te realiseren is dit op de voorliggende locatie om uiteenlopende redenen niet realistisch gebleken. Het komt ook voor dat op locaties 100% sociale woningbouw wordt gerealiseerd. Er is sprake van herontwikkeling van horeca naar wonen waar extra (sloop)kosten bij gemoeid zijn. Op een relatief kleine locatie is het nagestreefde percentage sociaal in categorie 1 niet rendabel. Met voorliggend plan wordt een oplossing voor de bestaande situatie geboden, waarbij een locatie met een leegstaand pand wordt getransformeerd naar een hoogwaardige invulling met woningen. Daarnaast worden er alsnog 4 sociale woningen gerealiseerd.
24/327
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling getoetst aan de relevante (milieu)aspecten. Daarbij wordt opgemerkt dat de ontwikkeling qua aard en omvang vergelijkbaar is met horeca, de functie die planologisch reeds mogelijk is.
4.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Onderzoek In dit bestemmingsplan worden 12 appartementen mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling valt onder categorie D11.2, ofwel de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.
Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het project betrekking heeft op 2.000 of meer woningen. De beoogde ontwikkeling blijft ruimschoots onder deze drempelwaarde. Omdat de beoogde ontwikkeling onder de drempelwaarde blijft wordt volstaan met een aanmeldnotite vormvrije m.e.r-beoordeling. Het bevoegd gezag heeft besloten dat op grond van de aanmeldnotitie geen milieueffectrapportage is vereist. Dit besluit is opgenomen in bijlage 1.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen
25/327
van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2019 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Gemeentelijk archeologiebeleid Om de gemeentelijke rol als beslissend bestuursorgaan adequaat te kunnen vervullen, is een gemeentelijk archeologiebeleid met een eigen (inhoudelijk en bestuurlijk) afwegingskader opgesteld.
De bij het beleid horende archeologische verwachtingskaart geeft op perceelsniveau inzicht in het voorkomen van bekende en te verwachten archeologische waarden. Daarnaast bevat de kaart een informatielaag met mogelijke diepteligging van de te verwachten archeologie en bodemverstoring. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor een archeologische beleidskaart: aan de verwachtingen worden voorschriften gekoppeld die inzichtelijk maken waar geen onderzoek nodig is en waar wel. Deze beleidskaart vormt op zijn beurt de basis voor het aanpassen van bestemmingsplannen en bij de verlening van bouw- en aanlegvergunningen. Het archeologiebeleid van Bergen onderscheidt vier verschillende waarden archeologie. Cultuurhistorische Nota Bergen In de beleidsnota Cultuurhistorie staan onder andere de volgende uitgangspunten:: Naarmate de ontwikkelingslocatie een grotere cultuurhistorische waarde heeft, wordt de cultuurhistorie eerder in de besluitvorming betrokken. Bij ruimtelijke ingrepen wordt niet alleen onderzocht welke archeologische, maar ook welke andere cultuurhistorische waarden in het geding zijn. Cultuurhistorie betreft een zaak van de hele samenleving. Toegankelijkheid en ontsluiting van de cultuurhistorie is voor bewoners én bezoekers. Cultuurhistorie betreft het object in zijn omgeving, maar ook de omgeving als zodanig.
De diverse kernen van Bergen hebben elk een eigen karakter of identiteit. De kernen staan niet los van het landschap maar zijn daarin opgenomen. Het landschap heeft ook een identiteit. Samen vormen deze componenten de identiteit van de gemeente Bergen. Bij de nota hoort de cultuurhistorische atlas en 8 verbeeldingen. Onderzoek Archeologie Op basis van de beleidskaart Archeologische verwachtingen van de gemeente Bergen moet er rekening worden gehouden met archeologie als werkzaamheden groter zijn dan 500 m² en dieper plaatsvinden dan 40 cm (zie
26/327
figuur 4.1). De oppervlakte van het bouwvlak van het nieuwe gebouw bedraagt 448 m2. De ontwikkeling is daarom vrijgesteld van archeologisch onderzoek.
Figuur 4.1: Uitsnede archeologische beleidskaart (plangebied geel omcirkeld) Cultuurhistorie Het plangebied heeft geen bijzondere aanmerking in de atlas over archeologie en bijzondere bouwkunde uit de beleidsnota Cultuurhistorie. Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie staan de ontwikkeling niet in de weg.
4.3
Bodem
Toetsingskader Op basis het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig gesaneerd dient te worden dat deze alsnog gebruikt kan worden voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet ten opzichte van de vigerende planologische situatie in een functiewijziging: van 'horeca' naar 'wonen'. Vanwege deze functiewijziging is in het kader van het bestemmingsplan een verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend en nader asbestonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 2). Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de bestemming van het terrein, kan geconcludeerd worden dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit niet te verwachten zijn. Ten aanzien van het asbestonderzoek is
27/327
geen aanleiding tot vervolg onderzoek of aanvullende maatregelen. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.4
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.
Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het
28/327
verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Holland In de provincie Noord-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening.
Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat. Onderzoek Soortenbescherming Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een quickscan beschermde planten- en dierensoorten uitgevoerd. Dit onderzoek is in de bijlage toegevoegd (Bijlage 3). Uit de quickscan blijkt dat nader onderzoek noodzakelijk is naar de mogelijke aanwezigheid van huismussen en gierzwaluwen (jaarrond beschermde nesten), vleermuizen (verblijfplaatsen) en marterachtigen (verblijfplaatsen). Nader onderzoek is uitgevoerd om inzicht te krijgen in het gebruik als habitat voor de bovengenoemde soorten (Bijlage 4). Bij het nader onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, vleermuizen of marterachtigen aangetroffen. Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen ligt op circa 960 meter (figuur 4.2). Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op een afstand van circa 15 meter (figuur 4.3).
29/327
Figuur 4.2: Locatie beoogde ontwikkeling (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (AERIUS calculator)
Figuur 4.3: Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. beschermde Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas Leefomgeving) Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Met het programma AERIUS Calculator is een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. De berekeningen zijn opgenomen in bijlage 5. Uit een berekening met AERIUS Calculator (2023.0.1) voor de aanlegfase en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr ten
30/327
opzichte van de referentiesituatie. Op basis van de berekening zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het project.
4.5
Externe veiligheid
Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.
Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.
31/327
Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden met een externe werking (figuur 4.4). Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor of het water.
Figuur 4.4: Uitsnede professionele risicokaart met plangebied gemarkeerd Transport gevaarlijke stoffen over de weg De N9 bevindt zich ten oosten van het plangebied. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het invloedsgebied van de N9 wordt bepaald door het vervoer van stofcategorie GF3 en bedraagt 355 meter. Het plangebied bevindt zich op een afstand van minimaal 490 meter van de weg. Het plangebied valt hiermee niet in het invloedsgebied. Transport gevaarlijke stoffen door buisleidingen Ten oosten van het plangebied bevinden zich buisleidingen. Het betreffen een leiding van TAQA Energy BV met een diameter van 12.75 inch, werkdruk van 101 bar en een invloedsgebied van 50 meter en buisleiding A-637 van de Gasunie met een diameter van 36.98 inch, werkdruk van 66.2 bar en invloedsgebied van 430 meter. Met een afstand van circa 370 meter tot de leidingen bevindt het plangebied zich niet in het invloedsgebied van de buisleiding van TAQA Energy BV. Wel bevindt de locatie zich in het invloedsgebied van buisleiding A-637, maar buiten de 100%-letaliteitscontour van 150 meter. Hierdoor is een berekening van het groepsrisico niet
32/327
noodzakelijk. Wel dient vanwege de ligging in het invloedsgebied nader te worden ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Laanweg. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Schoorl. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen 12 woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.
Het maatgevende scenario voor de buisleidingen betreft een fakkelbrandscenario. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Om schuilen/vluchten te bevorderen wordt geadviseerd om afschakelbare ventilatie te installeren om te voorkomen dat (rook) gassen naar binnen worden gezogen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de buisleiding A-637, maar buiten de 100%-letaliteitsgrens.
Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording, hieruit blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.6
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet
33/327
milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings- praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. Tabel 4.1: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet Milieubeheer Stof Toetsing van Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³ 40 µg/m³ Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³ 25 µg/m³
Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 12 woningen. Op basis van het huidige bestemmingsplan is een horecafunctie mogelijk. Er is op basis van de planologische situatie per saldo sprake an een verkeersafname. Gezien de beperkte omvang van 12 woningen valt de beoogde ontwikkeling verder onder het Besluit niet in betekende mate en is nader onderzoek niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort.