bij 1 2021-09-23 toelichtingBestemmingsplan Zomerdijkje 13a Egmond aan den Hoef ..pdf
Tekst van het document
Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
33/235
Onderzoek Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op de risicokaart die per provincie wordt bijgehouden. Uit de risicokaart blijkt dat nabij het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Verder worden in of nabij het plangebied geen gevaarlijke stoffen vervoerd over het spoor, water of door buisleidingen. Het plangebied ligt niet in invloedsgebieden van risicobronnen. Vanuit dit aspect bestaan dus geen belemmeringen voor het plan.
4.13 Planologisch relevante leidingen In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen of waterleidingen gelegen. Er zijn geen hoogspanningslijnen of straalpaden in de omgeving van het plan. Er wordt daarom geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan.
4.14 Geluidshinder Ten aanzien van geluidshinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidshinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is alleen geluidshinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang. In de wet is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft, waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. De Wgh onderscheidt geluidsgevoelige objecten enerzijds en niet-geluidsgevoelige objecten anderzijds. De Wgh stelt dat op de gevels van geluidsgevoelige objecten voldaan moet worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De bestaande woning en de nieuwe woning valt binnen de geluidszone van het Zomerdijkje. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een bedrijfswoning naar een reguliere woning. Geluidsgevoelige ruimten komen niet dichter op de weg dan in de huidige situatie. Voor de nieuwe woning dient echter wel een toetsing plaats te vinden. Het Zomerdijkje is een verkeersluwe weg in het buitengebied die vrijwel alleen voor bestemmingsverkeer dient. Het betreffende perceel ligt op bijna het einde van deze doodlopende weg. De afstand tot de weg bedraagt circa 50 meter.
Door de beperkte breedte van de weg en diverse snelheid beperkende maatregelen (middels diverse knikken in de weg) zijn de snelheden relatief laag. Daarnaast bevindt zich tussen de weg en het plangebied reeds bebouwing. Gezien de lage verkeersintensiteiten, de beperkende maatregelen van de weg en de tussenliggende bebouwing, wordt verwacht dat aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan en nader onderzoek niet noodzakelijk is.
4.15 Luchtkwaliteit Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken. Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate
34/235
bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2018 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de N9 (ten oosten van het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. In onderhavig bestemmingsplan wordt de N9 als toetsingskader gebruikt, omdat het Zomerdijkje en de nabije gelegen N512 niet is opgenomen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er worden daarnaast slechts één extra woning ten opzichte van de bestaande planologische mogelijkheden mogelijk gemaakt. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
De toevoeging van extra woningen leidt niet tot het oordeel dat deze extra belemmerend werkt, omdat in de omgeving reeds andere woningen aanwezig zijn waar rekening mee moet worden gehouden. Van een mogelijke toekomstige extra belemmering ten opzichte van de bestaande planologische situatie is dan ook geen sprake. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
35/235
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
In deze paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven. Enkelbestemming Agrarisch De bestemming 'Agrarisch - Bollenconcentratiegebied' blijft op het oostelijk deel van het perceel van overeenkomstige toepassing. Op de gronden zijn de bouwmogelijkheden verwijderd, zodat de openheid en de relatie met de aangrenzende gronden gewaarborgd is. Het is derhalve niet mogelijk om op de gronden bebouwing te realiseren. Enkelbestemming Tuin De bestemming 'Tuin' geldt voor de voortuin van de woningen. In beginsel is het de bedoeling dat binnen de bestemming geen gebouwen kunnen worden opgericht. Enkelbestemming Wonen De nieuwe woonpercelen krijgen de bestemming 'Wonen'. Het plan biedt mogelijkheden voor het wonen, in combinatie met ondergeschikte functies, aan huis verbonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Aan het uitvoeren van deze activiteiten zijn voorwaarden verbonden die ervoor zorgen dat het wonen de hoofdfunctie blijft met de daarbij behorende ruimtelijke uitstraling. Er zijn binnen de bestemming 'Wonen' twee bouwvlakken opgenomen, één voor de bestaande en één voor de nieuwe woning. Voor de bijbehorende bouwwerken geldt een maximale oppervlakte van 75 m2.
Deze dienen op een afstand van ten minste 3 meter achter (het verlengde van) de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden geplaatst. De voorgevel is als volgt gedefinieerd 'de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard,
36/235
functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4 Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied, is de dubbel bestemming 'Waarde - Archeologie 4' van toepassing. Bij ingrepen groter dan 2.500 m2 is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
37/235
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken. Hieronder volgt een nadere toelichting. Overleg Het bestemmingsplan is, conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verzonden naar de overleginstanties. Het plan is niet voor inspraak ter inzage gelegd. In het kader van het vooroverleg hebben onderstaande partijen gereageerd. 1. Veiligheidsregio Noord-Holland Noord en brandweer Het advies van de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord en brandweer is als bijlage 7 toegevoegd en luidt als volgt: 'Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, hogedruk aardgastransportleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Derhalve is er voor de besluitvorming, in het kader van externe veiligheid, geen advies van de veiligheidsregio nodig om inzicht te geven in het gevaar en de mogelijkheden voor de hulpverlening'. Het advies leidt niet tot wijzigingen in het bestemmingsplan. 2.
Liander
De overlegreacties van Liander is als bijlage 8 toegevoegd. Vanuit Liander zijn er geen opmerkingen op het plan. De reactie leidt niet tot wijzigingen in het bestemmingsplan. 3. Provincie Noord - Holland De overlegreacties van de provincie is als bijlage 9 toegevoegd. Het plan geeft de provincie de aanleiding om onderstaande opmerking te maken. De inhoudelijke beantwoording van de opmerking staat beschreven in paragaaf.2.4 Artikel 6.41, nog motiveren dat voorgestelde ontwikkeling de voorkomende kernkwaliteiten van het Bijzonder Provinciaal Landschap niet aantast. De kernkwaliteiten zijn omschreven in bijlage 6, zie daarvoor de volgende link: https://noord-holland.tercera-ro.nl/SiteData/9927/Publiek/BV00068/b_NL.IMRO.9927.POVPNH-VG01_569.pd f
38/235
Nog een tekstuele wijziging m.b.t. paragraaf 2.4: artikel 15 vervangen door artikel 6.54 (= ruimtelijke kwaliteitseis zoals nu is opgenomen in Omgevingsverordening). 4. Rijkswaterstaat West-Nederland Noord De overlegreacties van Rijkswaterstaat West-Nederland Noord (RWS) is als bijlage 10 toegevoegd. Vanuit RWS zijn er geen opmerkingen op het plan. De reactie leidt niet tot wijzigingen in het bestemmingsplan. 5. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier De overlegreacties van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) is als bijlage 10 toegevoegd. Vanuit HHNK zijn er geen opmerkingen op het plan. De reactie leidt niet tot wijzigingen in het bestemmingsplan. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpplan heeft daarom gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Een ieder is daarbij in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling zienswijzen op het plan naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen. Vaststellingsfase Het bestemmingsplan is vervolgens door de gemeenteraad vastgesteld. Tot slot is tegen de vaststelling van het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het kosten voor de uitvoering van het plan worden gedragen door de aanvrager. Uit de begroting blijkt dat de economische uitvoerbaarheid niet in het geding is. Grondexploitatie Door middel van de grondexploitatieregeling beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, bijvoorbeeld voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de ruimtelijke procedure. Omdat het bouwen van een woongebouw een bouwplan is in de zin van artikel 6.2.1 Bro is, is de grondexploitatieregeling van toepassing. In beginsel moet daarom een grondexploitatieplan worden vastgesteld. Hiervan kan worden afgeweken wanneer het kostenverhaal anderszins verzekerd is. De ambtelijke kosten worden vergoed door de initiatiefnemer. Hiervoor wordt een anterieure overeenkomst gesloten. De eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Dit is vastgelegd in een
39/235
planschadeverhaalsovereenkomst. Het kostenverhaal is privaatrechtelijk geregeld tussen gemeente.
40/235