CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 1 2021-09-23 toelichtingBestemmingsplan Zomerdijkje 13a Egmond aan den Hoef ..pdf

Gemeenteraad 23 september 2021, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 15: Voorstel betreft het vaststellen Bestemmingsplan Zomerdijkje 13a Egmond aan den Hoef10.731 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Egmond Aan Den Hoef - Zomerdijkje 13a Bergen (NH.)

DATUM IMRO IDN

NL.IMRO.0373.BPG09021Zomerd13a-C001

PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

20200675

AUTEUR STATUS

vastgesteld

Inhoudsopgave

Toelichting

6

Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging plangebied

7

1.3

Vigerende bestemmingsplan

8

1.4

Leeswijzer

9

Planbeschrijving

10

2.1

Inleiding

10

2.2

Bestaande situatie

10

2.3

Beoogde ontwikkeling

12

2.4

Landschappelijke inpassing

13

Ruimtelijk beleid

16

3.1

Inleiding

16

3.2

Rijksbeleid

16

3.3

Provinciaal en regionaal beleid

16

3.4

Gemeentelijk beleid

19

Hoofdstuk 4

Milieuonderzoek

24

4.1

Inleiding

24

4.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

24

4.3

Verkeer en parkeren

24

4.4

Bodem

25

4.5

Water

25

4.6

Ecologie

27

4.7

Archeologie

28

4.8

Cultuurhistorie

29

4.9

Bedrijven en milieuzonering

29

4.10

Spuitzone bestrijdingsmiddelen

31

4.11

Duurzaamheid

32

4.12

Externe veiligheid

32

4.13

Planologisch relevante leidingen

34

4.14

Geluidshinder

34

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

3/235

4.15

Luchtkwaliteit

34

Juridische planbeschrijving

36

5.1

Algemeen

36

5.2

Toelichting op de bestemmingen

36

Uitvoerbaarheid

38

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

38

6.2

Economische uitvoerbaarheid

39

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

Dummy_Vaststellingsbesluit

41

Bijlagen bij toelichting

43

Bijlage 1

Stikstofonderzoek

45

Bijlage 2

Stikstofberekening

57

Bijlage 3

Stikstofberekening

63

Bijlage 4

Quickscan flora en fauna

71

Bijlage 5

Watertoets

119

Bijlage 6

Verkennend bodemonderzoek

123

Bijlage 7

Advies Brandweer en Veiligheidsregio Noord-Holland Noord

187

Bijlage 8

Overlegreacties Liander

189

Bijlage 9

Overlegreactie provincie Noord - Holland

193

Bijlage 10

Overlegreacties Rijkswaterstaat

197

Bijlage 11

Overlegreactie Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

201

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

206

Artikel 1

Begrippen

206

Artikel 2

Wijze van meten

212

Bestemmingsregels

213

Artikel 3

Agrarisch - Bollenconcentratiegebied

213

Artikel 4

Tuin

215

Artikel 5

Wonen

217

Hoofdstuk 2

4/235

205

Artikel 6

Waarde - Archeologie - 4

221

Hoofdstuk 3

Algemene regels

224

Artikel 7

Antidubbeltelregel

224

Artikel 8

Algemene bouwregels

225

Artikel 9

Algemene afwijkingsregels

226

Artikel 10

Algemene wijzigingsregels

227

Artikel 11

Overige regels

228

Overgangs- en slotregels

232

Artikel 12

Overgangsrecht

232

Artikel 13

Slotregel

233

Hoofdstuk 4

Verbeelding

5/235

234

Toelichting

6/235

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan het Zomerdijkje 13a te Egmond aan den Hoef in de gemeente Bergen was tot voor kort een agrarisch bedrijf gevestigd. Aan de zuidzijde van bedrijf werd daarbij gewoond in een bedrijfswoning. In de schuren voor de woning vonden de bedrijfsactiviteiten plaats. Er ligt nu een verzoek om in ruil voor de sloop bestaande agrarische bedrijfsbebouwing een tweede woning op het perceel mogelijk te maken. De bestemming moet tevens op grond van de feitelijke situatie omgezet worden naar wonen. Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Het gebruik voor regulier wonen past namelijk niet binnen de agrarische bestemming. Paragraaf 1.3 gaat hier nader op in. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch te kunnen regelen, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2

Ligging plangebied

Het perceel ligt in het buitengebied van de gemeente Bergen. De begrenzing van het plangebied is afgestemd op de kadastrale percelen 2244 en 2302 (sectie B van de kadastrale gemeente Bergen). In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied rood omkaderd weergegeven. De bestaande woning aan het Zomerdijkje 13 maakt geen deel uit van het plangebied.

7/235

Figuur 1.1:

1.3

Ligging van het plangebied

Vigerende bestemmingsplan

De gemeenteraad van de gemeente Bergen heeft in 2014 het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Zuid' vastgesteld. Het Zomerdijkje 13a in Egmond aan den Hoef valt hieronder en heeft de bestemming 'Agrarisch – Bollenconcentratiegebied'. Op de gronden mag een grondgebonden veehouderij worden gevestigd, alsmede een agrarisch loonbedrijf en een bedrijf gericht op het vervoer, de opslag en/of verwerking van agrarische producten. Op 1 oktober 2014 is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over het bestemmingsplan Landelijk Gebied Zuid. Als gevolg van deze uitspraak (201307140/1/R1, d.d. 1 oktober 2014) is het noodzakelijk om het bestemmingsplan voor wat betreft de percelen die voor grondgebonden veehouderij zijn bestemd te repareren. Dit betekent dat de agrarische bestemming in het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Zuid', die op het perceel rust, is komen te vervallen. Het bestemmingsplan Landelijk Gebied 1998 is daarom van toepassing op het perceel. In dat bestemmingsplan is het perceel bestemd als 'Open agrarisch gebied'. Ten behoeve daarvan mogen binnen het bouwvlak een bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen worden gebouwd. De ontwikkeling is in strijd met de regels van het bestemmingsplan, omdat reguliere burgerwoningen binnen de agrarische bestemming niet zijn toegestaan.

8/235

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 volgt een omschrijving van de huidige situatie en de toekomstige ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het plan aan het relevante vigerende beleid getoetst. In hoofdstuk 4 wordt het plan aan de verschillende sectorale aspecten getoetst. In hoofdstuk 5 wordt de bestemmingsregeling uiteengezet en tot slot wordt in hoofdstuk 6 op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan ingegaan.

9/235

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling beschreven aan de hand van de bestaande situatie binnen het plangebied en de omgeving hiervan. Daarnaast wordt de toekomstige situatie beschreven, waarbij wordt ingegaan op de visie achter de beoogde ontwikkeling en de inpassing van het plan in de omgeving.

2.2

Bestaande situatie

Het plangebied van dit bestemmingsplan heeft betrekking op het agrarisch bedrijfsperceel aan het Zomerdijkje 13a te Egmond aan den Hoef. Het perceel ligt achter het bebouwinglint van het Zomerdijkje en daarin specifiek achter de bebouwing van het woonperceel van Zomerdijkje 13. Het Zomerdijkje is uitsluitende bedoeld als bestemmingsweg voor de aanliggende percelen en als fietsroute tussen Egmond en Heiloo. Het betreft een doodlopende weg. De verkeersintensiteiten zijn derhalve zeer laag. Aan het lint komen afwisselend bebouwing ten behoeve van agrarische functies en woonfuncties voor. Direct ten noorden van het plangebied staat een burgerwoning en ten oosten is een agrarisch bedrijf gevestigd. Dit betreft een bloembollenbedrijf. De agrarische bedrijven in de omgeving zijn met name gericht op bollenteelt. Het plangebied ligt dan ook in een bollenconcentratiegebied. Het betreft een voornamelijk open landschap waarbij de diverse bebouwde percelen zo nu en dan omzoomd zijn door forse beplantingsingels. De ligging van het plangebied is verder ingezoomd weergeven in figuur 2.1. Binnen het plangebied staat een bedrijfswoning met ten noorden van de bedrijfswoning de voormalige agrarische gebouwen. Hieronder een overzicht van de bestaande opstallen. Opstal Noordelijke schuur Schuur naast voormalige ligboxenstal Loods naast bestaande woning

Maten 25 x 29,5 met uitbouw 3,30 x 7,60 11,71 x 23,67

Oppervlakte 770 m2 277 m2

30,30 x 15,30 Totaal

463,6 m2 1.510,6 m2

De ontsluiting vindt plaats aan de westzijde. Het plangebied zelf ligt vrijwel open in het open agrarisch landschap. Aan de westkant van het perceel bevinden zich enige singels om de bedrijfsgebouwen uit het zicht te ontnemen. Een overzicht van de bestaande bebouwing is weergeven in figuur 2.2. Een aanzicht is weergeven in figuur 2.3.

10/235

Figuur 2.1

Ligging plangebied en omgeving

Figuur 2.2

Luchtfoto van perceel

11/235

Figuur 2.3

2.3

Vooraanzicht (de woning maakt geen deel uit van het plangebied)

Beoogde ontwikkeling

Het initiatief betreft het wijzigen van de functie van agrarisch bedrijfsperceel naar wonen. De woonfunctie zal plaatsvinden in de voormalige bedrijfswoning en in een nieuw te bouwen woning. Hiervoor worden alle bestaande agrarische gebouwen, met uitzondering van 75 m2, op het perceel gesloopt. In dit geval blijft 75 m2 aan agrarische gebouwen behouden en gaat als bijgebouw bij de woning dienen. Het is onwenselijk om eerst alle bebouwing te slopen en vervolgens, conform de bestemming 'Wonen', weer 75 m2 aan bijgebouwen terug te bouwen. De situering van de toekomstige woning is weergeven in figuur 2.4

Figuur 2.4

12/235

Situering toekomstige woning

2.4

Landschappelijke inpassing

Vanuit de provinciale verordening dient de landschappelijke inpassing een juridische doorwerking te krijgen in het bestemmingsplan. Artikel 6.54 van de provinciale verordening, regelt de juridische doorwerking van de Leiraad Landschap en Cultuurhistorie (leidraad) en dient ruimtelijke kwaliteit vanuit het oogpunt van landschappelijke en cultuurhistorische waarden te waarborgen. Dit is van toepassing op alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied. Volgens artikel 6.54 kan een bestemmingsplan of wijzigingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mits er rekening wordt gehouden met de ambities en ontwikkelingsprincipes van toepasselijke ensembles en provinciale structuren uit de provinciale leiddraad. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de kansen bij de ambities en ontwikkelprincipes van ensembles en de ontstaansgeschiedenis en kernwaarden van de ensembles en provinciale structuren. Ensemble Noord-Kennemerland Het plangebied valt onder het ensemble van Noord-Kennemerland. Het ensemble bestaat uit een brede zone jong duinlandschap, met daarachter een brede zone van strandwallen en –vlaktenlandschap en een klein deel droogmakerijenlandschap. De noord-zuid gerichte lineaire opbouw van het landschap, met hoger gelegen, zandige strandwallen, afgewisseld door lage, natte venige strandvlakten is nog in het landschap herkenbaar.

Kernwaarden in het ensemble Ensemble Noord-Kennemerland staat hieronder beschreven aan de hand van drie provinciale kernwaarden: de landschappelijke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen. openheid en ruimtebeleving: de beleving van de vrije open ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten. de ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen. Denk hierbij aan bebouwingslinten, bomenlanen en dijken. Ambities en Ontwikkelprincipes De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen: bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. Het plangebied valt in het gebied 'Open strandvlakten'. De open strandvlakten vormen een continue open ruimte tussen de strandwallen. Onderdeel van het strandvlakten is het open en kleinschalig karakter polder-/droogmakerijenlandschap ten westen van Alkmaar. Vanaf hier is zicht op het duingebied. Vanwege de kwetsbaarheid van deze ruimtes zijn zorgvuldige inrichting en inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen hier van groot belang. Schaalvergroting, verrommeling, doorsnijding en versnippering liggen hier op de loer.

De ruimtelijke kwaliteit van de strandvlakten is gebaat bij het open houden van de strandvlakten en het voorkomen van nieuwe bebouwing en doorsnijding in de strandvlakten. Voeg geen opgaande elementen, zoals bebouwing of beplanting langs wegen toe in de strandvlakten. Dit tast de openheid en daarmee de ruimtelijke kwaliteit aan. Behoud de onregelmatige en kleinschalige blokverkaveling van het polder-/droogmakerijenlandschap en het open karakter van het gebied ten westen van Alkmaar.

13/235

Landschappelijke beoordeling Van belang is dat nieuwe functies en bebouwing op een goede manier worden ingepast bij de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied. Het plangebied ligt, volgens de Structuurvisie Landelijk gebied Gemeente Bergen, in de Sammerpolder. Behoud van de openheid en relatieve grootschaligheid is in dit gebied het streefbeeld. Verder ligt het plangebied in het ensemble Noord-Kennemerland en daarin specifiek in het gebied 'Open strandvlakten'. Bijzonder Provinciaal Landschap, Provincie Noord-Holland Noord-Kennemerland In Bijzonder Provinciaal Landschap zijn, in lijn met de provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie, de kernkwaliteiten beschreven aan de hand van drie provinciale kernwaarden: 1. Landschappelijke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen. 2. Openheid en ruimtebeleving: de beleving van de ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten. 3. Ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen. Het BPL Noord-Kennemerland kenmerkt zich door het contrast tussen de openheid in de strandvlakten en beslotenheid op de strandwallen. In enkele gebieden is de stilte een belangrijk kenmerk. Dit maakt grote delen tot een geschikt habitat voor weidevogels.

De openheid in combinatie met het nabijgelegen duingebied maken het gebied aantrekkelijk voor wandel- en fietsrecreatie. De belangrijkste ruimtelijke dragers in het BPL Noord-Kennemerland zijn de stolpenstructuren, de historische wegen op de strandwallen en in de strandvlakten, oude dijken en kades, het Noordhollandsch Kanaal en de Hondsbossche Zeewering in samenhang met de Slaperdijk en Hargervaart. De kernkwaliteiten hier zijn de grillige verkaveling van de strandvlakten, open strandvlakten, habitat voor weidevogels. Ruimtelijk drager is de historische weg in de strandvlakte.

Openheid en weidevogelgebied

14/235

Historische wegen in de strandvlakten Met de ontwikkeling blijft het karakter van het open landschap behouden, omdat de nieuwe woning binnen de contouren van de bestaande agrarische gebouwen wordt gepositioneerd. In het open veld wordt geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt. De structuur van het erf en de begrenzing van het erf met sloten blijft ongewijzigd. Ter plaatse van de agrarische bebouwing komt een nieuwe woning met daarachter een ondergeschikt bijgebouw. Het perceel krijgt verder een gebiedseigen inrichting met streekeigen beplanting. Ook de historische weg (Zomerdijkje) blijft behouden. Met de uitwerking van dit bestemmingsplan wordt derhalve bijdragen aan de kernwaarden, ambities en ontwikkelprincipes van het ensemble Noord-Kennemerland. Er is sprake van een goede landschappelijke inpassing.

15/235

Hoofdstuk 3 3.1

Ruimtelijk beleid

Inleiding

In dit derde hoofdstuk zijn de relevante ruimtelijke beleidsdocumenten samengevat en is vastgesteld in hoeverre het plan overeen komt met het geldende beleid. Gezien de geringe omvang van de ontwikkeling kan er worden volstaan met een beperkte toetsing van het plan ten aanzien van Rijks- en provinciaal beleid.

3.2

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Voor dit bestemmingsplan zijn geen nationale belangen van belang. Ladder voor duurzame verstedelijking In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. De toelichting van een ruimtelijk project dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, moet een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling bevatten.

Indien het project die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een plan om een bedrijfswoning naar een reguliere woning om te zetten inclusief de bouw van een extra woning wordt, vanwege de aard en omvang, niet gezien als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in dit kader.

3.3

Provinciaal en regionaal beleid

Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 Het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Holland is vastgelegd in de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050. In de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 geeft de provincie een toekomstbeeld, waaruit het provinciaal belang volgt. Het toekomstbeeld is als volgt gedefinieerd: 'De Provincie Noord-Holland zorgt dat Noord-Holland een mooie, veelzijdige en internationaal concurrerende provincie blijft door in te zetten op klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik'.

16/235

Om het geschetste toekomstbeeld ruimtelijk te realiseren, heeft de provincie provinciale belangen benoemd. De drie hoofdbelangen (klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik) vormen gezamenlijk de ruimtelijke hoofddoelstelling van de Provincie. De hoofdbelangen uit de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 zijn juridisch vertaald in de Omgevingsverordening NH2020. Deze wordt onderstaand besproken. Omgevingsverordening NH2020 De provincie heeft op 16 november de nieuwe omgevingsverordening genaamd Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn de beleidsuitgangspunten juridisch vastgelegd. In de Omgevingsverordening NH2020 is onder andere een regeling opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen (waaronder woningbouw) in het landelijk gebied. In de verordening is een regeling opgenomen ten behoeve van functiewijziging naar wonen in landelijk gebied. Deze staan in artikel 6.7 opgenomen. Hieronder is het artikel opgenomen. Daarnaast is ook in de nieuwe verordening een ruimtelijke kwaliteitseis opgenomen (artikel 6.54), waarbij de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie als handvat gebruikt moet worden. Het voorliggende plan past binnen het Ontwerp Omgevingsverordening NH2020. Artikel 6.7 Functiewijziging naar wonen in landelijk gebied 1.

Ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied kan een ruimtelijk plan voorzien in functiewijziging van een stedelijke functie of van een agrarisch bouwperceel naar wonen in de vorm van maximaal twee burgerwoningen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de functiewijziging naar een woonfunctie beperkt de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet; b. de bestaande bedrijfsbebouwing op de overige gronden wordt gesloopt en aan deze gronden wordt een bestemming toegekend zonder bouwmogelijkheden; en c. een tweede burgerwoning is alleen mogelijk als meer dan 1.500 m² grondoppervlakte aan bestaande bedrijfsbebouwing op het bestemmingsvlak wordt gesloopt. 2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kan een nieuwe burgerwoning worden toegestaan, indien deze woning wordt gesitueerd in een bebouwingslint en hierbij een aanwezige bedrijfswoning binnen het werkingsgebied glastuinbouwconcentratiegebied wordt wegbestemd en gesloopt. 3. In afwijking van het bepaalde eerste lid, aanhef en onder c, kan een ruimtelijk plan voorzien in een functiewijziging van een karakteristieke boerderij naar een woonfunctie waarbij de karakteristieke boerderij mag worden gesplitst in meerdere burgerwoningen, indien geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing.

Onderhavig project voorziet in een functiewijziging van een agrarisch bouwperceel naar een woonperceel voor maximaal twee burgerwoningen. Aan de voorwaarden wordt voldaan want: 1. lid 1 a. de functiewijziging beperkt de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet;

17/235

b. de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing op de overige gronden van het agrarisch bouwperceel wordt gesloopt; c. in het plangebied staat in totaal 1.510,60 m2 aan bestaande agrarische bedrijfsbebouwing. In dit geval is initiatiefnemer voornemens om, conform de bestemming 'Wonen', 75 m2 aan bijgebouw te realiseren bij de nieuw te bouwen woning. Slopen en weer terugbouwen lijkt niet verenigbaar met duurzaamheid. Daarom is de provincie verzocht om in overweging te geven om de maximaal te realiseren oppervlakte bijgebouw bij de nieuwe woning in mindering te brengen op de te slopen oppervlakte. Aangezien deze te bouwen oppervlakte in het bestemmingsplan is vastgelegd, doet dit geen afbreuk aan beeldkwaliteit of de regeling als zodanig. De provincie heeft in zijn reactie van 14 september laten weten dat de 75 m2 aan agrarische bebouwing in het plangebied mag blijven staan. In dit geval is nog extra relevant dat in de te slopen hal naast de bestaande woning de warmtewisselaar voor de verwarming van de te handhaven woning is geplaatst. Het is niet wenselijk om deze duurzame manier van verwarmen te saneren en vervolgens weer op te bouwen. 2. lid 2 is niet van toepassing. 3. lid 3 is niet van toepassing.

Het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) Het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) is het regime voor bescherming en waar mogelijk versterking en ontwikkeling van gebieden in Noord-Holland die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. Het BPL is beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. De voormalige beschermingsregimes Bufferzones, Aardkundig Monument en Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, gericht op de wezenlijke kenmerken en waarden van natuur en landschap) en Provinciale Monumenten hebben een eigen regime en vallen daarom buiten het BPL-regime. In het BPL zijn ruimtelijke ontwikkelingen, met uitzondering van nieuwe stedelijke ontwikkelingen, toegestaan wanneer de beschreven kernkwaliteiten niet worden aangetast. Per locatie kan aan de hand van de kernkwaliteiten een zorgvuldige afweging worden gemaakt welke ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk en welke niet wenselijk zijn. Hierdoor is er ruimte voor maatwerk en gebiedsgerichte differentiatie. In de ruimtelijke onderbouwing van een bestemmingsplan dat een ontwikkeling in het BPL mogelijk maakt, moet worden gemotiveerd dat de ter plaatse geldende kernkwaliteiten niet worden aangetast.

In lijn met de provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie zijn de kernkwaliteiten beschreven aan de hand van drie provinciale kernwaarden: 1. Landschappelijke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen. 2. Openheid en ruimtebeleving: de beleving van de ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten. 3. Ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen. Het plangebied valt onder het ensemble van Noord-Kennemerland. Meer dan de helft van de oppervlakte van het BPL Noord-Kennemerland is habitat voor weidevogels. Een aantal gebieden in de strandvlakten, strandwallen en duinzoom is onderdeel van het NNN. Delen van de duinzoom vallen onder N2000, evenals een

18/235

groot deel van de Harger- en Pettemerpolder. In paragraaf 4.6 is een beschrijving opgenomen waarin beschreven wordt dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft op NNN-gebieden, Natura-2000 gebieden en er ook geen negatieve effecten ontstaan op weidevogels. Ten aanzien van de landschappelijke karakteristieken wordt verwezen naar paragraaf 2.4. Met de uitwerking van dit bestemmingsplan wordt bijgedragen aan de kernwaarden, ambities en ontwikkelprincipes van het ensemble Noord-Kennemerland. Er is sprake van een goede landschappelijke inpassing. Het plangebied ligt daarnaast niet op gronden met aardkundige waarden.

3.4

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie landelijk Gebied 2010 De structuurvisie beschrijft de gewenste ontwikkeling van het landelijk gebied. De visie is een leidraad die richting geeft aan het eigen gemeentelijk handelen en helpt bij het maken van keuzes met de blik gericht op de toekomst. Naast de beschrijving van wat de gemeente wil bereiken, beschrijft de visie ook hoe de gemeente dit wil bereiken en met wie. De centrale koers van de structuurvisie is het behouden, versterken en herstellen van de aanwezige landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische kwaliteiten. Per thema zijn in de structuurvisie de belangrijkste uitgangspunten weergegeven. Voor de ontwikkeling in het plangebied zijn de thema's wonen en landbouw relevant. Vrijkomende agrarische bebouwing biedt onder voorwaarden ruimte aan realisatie van nieuwe woningen. De inpassing van de nieuwe woonfunctie zal in alle gevallen moeten worden getoetst aan landschappelijke eisen. In geen van de gevallen mag de vestiging van burgers in voormalige agrarische woningen en opstallen leiden tot een beperking van de bedrijfsvoering van de in het gebied gevestigde agrarische bedrijven. Bij de uitwerking zal rekening gehouden worden met de milieuzonering rond deze agrarische bedrijven in relatie tot de functie wonen. Daarnaast wil de gemeente het bollenconcentratiegebied instandhouden om de sector zekerheid te geven.

Onderhavig plangebied valt volgens de visiekaart binnen het bollenconcentratiegebied. Dit project voorziet in de realisatie van nieuwe woningen op een vrijkomend agrarisch perceel. Met de ontwikkeling is sprake van een goede landschappelijke inpassing. Paragraaf 2.4 gaat hier nader op in. In paragraaf 4.9 wordt nader ingegaan op de milieuzonering van agrarische bedrijven. Geconcludeerd wordt dat de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven in de omgeving met dit bestemmingsplan niet beperkt wordt. Bestemmingsplan Landelijk Gebied Zuid In het bestemmingsplan Landelijk Gebied Zuid van 2013 is het beleid van de gemeente Bergen vastgelegd in de regels. Ondanks dat dit bestemmingsplan niet van toepassing is op onderhavig perceel, bevat het bestemmingsplan wel het meest recente beleid dat ook op onderhavige perceel van toepassing moet worden verklaard op het moment dat zich daar een ontwikkeling voordoet, waarbij een afweging gemaakt moet worden op basis van het geldende beleid. In het bestemmingsplan is het beleid onder meer vertaald in artikel lid 3.7.1. In dit artikellid is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de agrarische bestemming onder meer te wijzigen

19/235

naar wonen. Daarbij is een heel scala aan voorwaarden opgenomen. a. het agrarisch gebruik is beëindigd en agrarisch hergebruik is aantoonbaar niet mogelijk; In dit geval is het agrarisch bedrijf beëindigd. De initiatiefnemer heeft aantoonbaar gemaakt dat agrarisch hergebruik niet mogelijk is. b. de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven alsmede de woonkwaliteit van omringende woonpercelen, mogen niet worden beperkt/geschaad; de functiewijziging beperkt de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet. Zie hiervoor ook paragraaf 4.9. c. er dient gebruikgemaakt te worden van de reeds aanwezige agrarische gebouwen en monumentale, cultuurhistorische en karakteristieke bebouwing dient behouden te blijven; nieuwe gebouwen zijn niet toegestaan; In dit geval blijft alleen de bestaande woning staan. De rest van de gebouwen worden gesloopt en hiervoor in de plaats komt een nieuwe woning. Dit is mogelijk op basis van artikel 3.7.1 lid q. d. het aantal woningen mag niet toenemen; In dit geval wordt één extra woning gemaakt. Dit is mogelijk op basis van artikel 3.7.1 lid q. e. indien er sprake is van een stolp mag aanpassing van de stolp aan de nieuwe functie geen afbreuk doen aan het oorspronkelijke karakter daarvan (constructie, hoofdvorm, uiterlijk etc.); Er is geen stolp aanwezig. f.

er dient een beeldkwaliteitplan te worden opgesteld waaruit de nieuwe stedenbouwkundige en landschappelijke opzet van het perceel blijkt en waarbij rekening worden gehouden met het Landschapsontwikkelingsplan van de gemeente Bergen; De landschappelijke inpassing staat beschreven in paragraaf 2.4.Met de ontwikkeling is sprake van een goede landschappelijke inpassing. g. de nieuwe functie mag geen afbreuk doen aan de bestaande stedenbouwkundige, cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische kwaliteiten en/of karakteristieken van het gebied, hetgeen dient te blijken uit het op te stellen beeldkwaliteitplan; Voor de beoordeling hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 waarin nader op de genoemde aspecten wordt ingegaan.

20/235

h. de nieuwe functies mogen uitsluitend worden gerealiseerd binnen het (voormalige) agrarische bouwvlak; Aan de voorwaarde wordt voldaan. i.

ten behoeve van de nieuwe functies mag geen buitenopslag plaatsvinden;

Met de wijziging worden geen functies mogelijk gemaakt waarbij sprake is van de noodzaak voor buitenopslag. j. het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de functieverandering mag aantoonbaar niet leiden tot een onevenredige toename; de bestaande verkeersstructuur moet de gevolgen van de functieverandering naar aard en omvang kunnen verdragen; Voor een beschrijving hiervan wordt verwezen naar paragraaf 4.3. Er ontstaan geen toename aan verkeer en het Zomerdijkje kan het verkeer van de nieuwe functie verdragen. k. milieuaspecten moeten worden meegewogen; De milieuaspecten zijn meegewogen. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 4 omgevingsaspecten. l. er dient ten behoeve van de nieuwe functie voldoende parkeergelegenheid te zijn op het eigen (achter)erf; Op het terrein is voldoende ruimte om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Paragraaf 4.3 gaat hier nader op in. m. de totale omvang van gebouwen en voorzieningen voor bedrijven t/m categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten mag niet meer bedragen dan 800 m³; Lid m is niet relevant voor de woonfunctie die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. n. in het kader van de nieuwe functie werken mag er geen sprake zijn van industrie, transport en distributie; Aan de voorwaarde wordt voldaan. De nieuwe functie betreft namelijk wonen en betreft geen industrie, transport en distributie. o.

in afwijking van het bepaalde onder c mogen ten behoeve van de woonfunctie nieuwe bijgebouwen worden opgericht indien alle bestaande voormalige bedrijfsgebouwen worden gesloopt, waarbij ten hoogste 50% van de gesloopte oppervlakte mag worden teruggebouwd;

21/235

In dit geval wordt, met uitzondering van 75 m2, alle bedrijfsgebouwen gesloopt. In de regels van dit bestemmingsplan is een regeling opgenomen dat 75 m2 aan bijgebouwen is toegestaan. p. In afwijking van het onder c en o bepaalde mag de oppervlakte aan bijgebouwen bij hobbyboeren maximaal 1% van de gronden bedragen met een maximum van 300 m²; Dit lid is voor dit bestemmingsplan niet relevant. q. in afwijking van het onder c, d en o bepaalde mag, bij sloop van ten minste 1.000 m² voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, een nieuwe woning worden gebouwd met een maximale inhoud van 650 m³; indien de oppervlakte van de aanwezige voormalige agrarische bedrijfsgebouwen meer bedraagt dan 1.000 m², dient het meerdere eveneens te worden gesloopt verminderd met de maximale toegestane erfbebouwing bij woningen; In dit geval wordt, met uitzondering van 75 m2, alle bedrijfsgebouwen gesloopt en in ruil daarvoor een nieuwe woning mogelijk gemaakt. r. ten behoeve van de bouw van een nieuwe woning zoals onder q bedoeld, kan van het bepaalde onder h worden afgeweken, mits uit het opgestelde beeldkwaliteitplan blijkt dat een andere locatie de voorkeur geniet vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt; Dit lid is voor dit bestemmingsplan niet relevant. De bouw van de woning wordt binnen het (voormalige) agrarische bouwvlak gerealiseerd. s.

de nieuw te bouwen woning zoals onder q bedoeld, dient gesitueerd te zijn aan en gericht te zijn op de openbare weg (niet bouwen op het achtererf); Aan deze voorwaarde kan niet worden voldaan, maar gezien de specifieke situatie waarbij de bestaande woning al achter op het erf staat en er bovendien een hoop bebouwing weggaat, heeft de gemeente in dit geval aangegeven dat medewerking verleend kan worden. t. Voor de nieuw te bouwen woningen zoals onder q bedoeld, zijn de voor dat gebied gebruikelijke regels ten aanzien van goot- en bouwhoogten en kapvormen van toepassing; Aan de voorwaarde wordt voldaan. u. (beperkt) kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risicocontouren van gasleidingen zijn niet toegestaan. Paragraaf 4.12 gaat hier nader op in. In of nabij het plangebied worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd over het spoor, water of door buisleidingen. Het plangebied ligt niet in invloedsgebieden van risicobronnen. Vanuit dit aspect bestaan dus geen belemmeringen voor het plan.

22/235

23/235

Hoofdstuk 4 4.1

Milieuonderzoek

Inleiding

Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat getoetst moet worden of de beoogde ontwikkeling mogelijk is gezien de sectorale milieuaspecten en/of gebiedswaarden. Daarbij gaat het om eisen die vanuit milieutechnisch oogpunt of vanwege de aanwezigheid van bepaalde gebiedswaarden gevolgen hebben voor de situering van de beoogde functies. In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling hieraan getoetst. Naast het feit dat ontwikkelingen in het plangebied binnen het beleidskader van Rijk, provincie en gemeente tot stand moeten komen, moet rekening worden gehouden met de aanwezige functies in en rond het plangebied. Uitgangspunt voor het bestemmingsplan is dat er een goede omgevingssituatie ontstaat.

4.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven voor activiteiten, plannen en besluiten plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Aangezien voorliggende ontwikkeling onder de drempelwaarden blijft zou hiervan sprake kunnen zijn. Dan moet het wel gaan om een stedelijk ontwikkelingsproject. In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van twee woningen. De beoogde ontwikkeling valt daarmee onder een perceelsgebonden ontwikkeling waarbij geen sprake is van een stedelijk ontwikkeling zoals in het Besluit Milieueffectrapportage is beschreven. Een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' wordt daardoor niet noodzakelijk geacht. In de opvolgende paragrafen worden de mogelijke milieugevolgen nader toegelicht.

Hieruit blijkt dat er geen significante effecten ontstaan als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

4.3

Verkeer en parkeren

Een ruimtelijke ontwikkeling mag niet leiden tot knelpunten, verkeersonveilige situaties of een gebrek aan parkeerruimte. Voor de verkeersbewegingen en parkeerplaatsen worden de CROW-kencijfers gehanteerd. Verkeersafwikkeling De ontwikkeling mag niet leiden tot knelpunten of tot onveilige situaties in de verkeersafwikkeling. Het plangebied is direct ontsloten op het Zomerdijkje. Als gevolg van de nieuwe ontwikkeling neemt de verkeersgeneratie nauwelijks toe ten opzichte van de voormalige functie die in het plangebied gevestigd was. Er is namelijk slechts sprake van het toevoegen van één extra woning ten opzichte van de huidige planologische

24/235

mogelijkheden. De verkeersgeneratie van één extra woning bedraagt 8 mvt/etmaal conform de kengetallen van het CROW. Daarnaast neemt het aandeel agrarisch verkeer af. Vergelijkend met de huidig vigerende verkeersgeneratie betekent dit voor de toekomstige situatie een afname. Ten gevolge van de toekomstige functies is derhalve geen sprake van een verzwaring van het gebruik van het Zomerdijkje. Daarnaast heeft deze weg ruim voldoende capaciteit voor het toekomstig gebruik. Parkeren Voor de parkeerbehoefte wordt uitgegaan van de gemeentelijke parkeernormen, vastgelegd in de Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid van de gemeente Bergen uit 2009. Op basis hiervan bedraagt de parkeerbehoefte van middeldure woningen in het buitengebied 1,85 parkeerplaatsen per woning. Voor de 2 woningen dienen derhalve 4 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd op het eigen terrein. Op het terrein is voldoende ruimte om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

4.4

Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Uitgangspunt ten aanzien van de bodemkwaliteit is dat deze bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zodanig goed moet zijn dat er geen risico's voor de volksgezondheid bestaan bij het gebruik van het plangebied. Verdachte plekken met betrekking tot de kwaliteit van de bodem dienen in het kader van de Wet bodembescherming bij ruimtelijke plannen te worden gesignaleerd vanuit een goede ruimtelijke ordening. Voor de ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is als bijlage 6 toegevoegd. In het plangebied zijn een aantal lichte verhogingen aangetroffen. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik, wonen met tuin.

4.5

Water

Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige plangebied ligt in het beheersgebied van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het HHNK (kenmerk: 20200806-12-23996) (zie bijlage 5). Het plan heeft een zodanige invloed op bepaalde aspecten van de belangen van het hoogheemraadschap dat de normale proceduremoet worden gevolgd. Deze aspecten heeft het waterschap benoemd in het eerste deel van het concept wateradvies. Hierop verstrekt het waterschap nog een definitief wateradvies. Het conceptadvies is reeds in deze waterparagraaf verwerkt en zal bij de uitvoering van het plan rekening mee worden gehouden. In het tweede deel komen de onderwerpen aan bod die slechts een beperkte invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap en die hierdoor ondervangen kunnen worden met standaard maatregelen.

25/235

DEEL I Waterkwantiteit Ten aanzien van dit aspect verstrekt het waterschap nog ander advies. In dit advies wordt aangegeven of de ontwikkeling gevolgen kan hebben voor de zuidelijk gelegen primaire waterloop. Hiervoor geldt een zone van 5 meter waarbinnen geen ingrepen mogen plaats vinden. In dit bestemmingsplan is hier geen sprake van. DEEL II De watertoets is een procesinstrument dat is verankerd in de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO), het Besluit Ruimtelijke Ordening (BRO) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 2011. De bedoeling van het instrument is om wateraspecten van meet af aan mee te nemen bij ruimtelijke plannen en besluiten. Het gaat hierbij om zes thema's: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer.

Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. Verharding en compenserende maatregelen Met de ontwikkeling neemt het verharde oppervlakte af. Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden. Waterkwaliteit en riolering Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Dit betekent dat het waterschap adviseert om voor de nieuwe ontwikkeling een gescheiden stelsel aan te leggen.

Het afvalwater wordt geloosd op het rioolstelsel. De wijze van het afvoeren van hemelwater wordt in overleg met het waterschap afgestemd. Het hoogheemraadschap adviseert om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Met voorgenoemde adviezen wordt bij de uitvoering van het plan rekening gehouden.

26/235

Vergunningen Voor werkzaamheden in, langs, op, bij of aan open water, waterkeringen, alsmede voor het doen van lozingen op het oppervlaktewater en het realiseren van verhardingstoenames groter dan 800 m2 is een watervergunning nodig.

4.6

Ecologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Deze zijn geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming Het plangebied ligt niet in een beschermd natuurgebied. De dichtstbijzijnde beschermde gebieden liggen op circa 1,8 kilometer afstand. Het gaat om het Noordhollands Duinreservaat. Gelet op het voormalige en toekomstige gebruik van het plangebied, de aard omvang van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde gebieden kunnen directe effecten, zoals verstoring of verontreiniging, op de Natura 2000-gebieden niet geheel worden uitgesloten. Om deze reden is een stikstofonderzoek uitgevoerd (bijlage 1). Uit dit onderzoek blijkt dat de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Tevens is door de Omgevingsdienst Noord-Holland-Noord ook een stikstofberekening gemaakt. De berekeningen zijn als bijlage toegevoegd. Negatieve effecten in de vorm van verzuring en vermesting op Natura 2000-gebieden kunnen dus worden uitgesloten.

Het bestemmingsplan is daarom uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. NNN (EHS) en Weidevogelleefgebied Het NNN wordt beschermd via het ruimtelijke spoor en is opgenomen in de Provinciale Structuurvisie. Ook de aanduiding Weidevogelleefgebied is opgenomen in de Provinciale Structuurvisie. Ruimtelijke ontwikkelingen, die de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland en weidevogelleefgebieden aantasten, staat de provincie in beginsel niet toe. De locatie grenst niet aan het NNN. Wel ligt het plangebied midden in een Weidevogelleefgebied (zie figuur 4.2). Gelet op het voormalige en toekomstige gebruik van het plangebied, het ongewijzigd laten van de omvang en inpassing van de gronden in het landschap, de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde gebieden kunnen negatieve effecten op het NNN en het Weidevogelleefgebied worden uitgesloten.

27/235

Figuur 4.2

Ligging middenin Weidevogelleefgebied.

Soortenbescherming In verband met de sloop van de bestaande bebouwing is een ecologische quickscan uitgevoerd. Deze activiteit kan effect hebben op beschermde planten- en diersoorten, bijvoorbeeld vleermuizen. Op grond hiervan is een verkennend onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. Deze is als bijlage 4 bij de toelichting gevoegd. Uit dit onderzoek is gebleken dat er in het plangebied mogelijk beschermde soorten aanwezig zijn. Voor deze soorten wordt een nader onderzoek uitgevoerd. Mogelijk is voor de ontwikkeling een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Bij deze aanvraag hoort ook aan activiteitenplan met daarin te nemen mitigerende maatregelen. Met inachtneming van de eventueel te nemen maatregelen in het activiteitenplan worden negatieve effecten op soorten uitgesloten. Ten slotte is op basis van de Wnb altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving. Concreet betekent dit dat bij (ruimtelijke) ingrepen gezorgd moet worden dat dieren niet verstoord of gedood worden en dat planten niet zomaar verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld broedende vogels, de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.

4.7

Archeologie

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2022 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

28/235

De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. In het geldende bestemmingsplan zijn op basis van het gemeentelijk archeologische beleid van de gemeente gebieden voorzien van een beschermende regeling, opgenomen in dubbelbestemmingen. Voor het plangebied geldt een archeologische verwachting, die is vertaald naar de bestemming 'Waarde – Archeologie 4'. Bij ingrepen groter dan 2.500 m2 is archeologisch onderzoek nodig. In dit plan worden geen ingrepen gedaan die groter zijn dan 2.500 m². Vanuit dit aspect bestaan dan ook geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Wel wordt deze dubbelbestemmingen weer overgenomen in het bestemmingsplan om in de toekomst een vinger aan de pols te houden.

4.8

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een bestemmingsplan worden beschreven op welke manier rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden in het plangebied. De gebouwen zijn daarnaast niet aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument. In het projectgebied zelf komen dan ook geen specifieke cultuurhistorische waarden voor. Daarnaast kunnen de structuren en kenmerken van het landschap als van cultuurhistorische betekenis worden aangemerkt. Met de perceelsgebonden ontwikkeling worden deze structuren en kenmerken gerespecteerd. Het is niet noodzakelijk om nadere eisen ten aanzien van de bescherming van deze cultuurhistorische waarden te stellen.

4.9

Bedrijven en milieuzonering

Bij de ontwikkeling van woningen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder ten aanzien van bedrijfsactiviteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de milieugevoelige objecten, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt milieuzonering toegepast. Daarvoor wordt gebruikgemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan een categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied'. Voor andere omgevingstype dan een rustige woonwijk kunnen kleinere richtafstanden worden gehanteerd. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Op het perceel Zomerdijkje 15 is een agrarisch bedrijf gevestigd. Dit betreft een bloembollenbedrijf. Het in het bestemmingsplan aangegeven bouwvlak geeft de maximale planologische mogelijkheden weer.

Deze is in figuur 4.2 rood gestippeld aangegeven. De afstand van het bouwvlak van dit bedrijf tot de toekomstige woning

29/235

bedraagt circa 50 meter. De bedrijfsgebouwen van dit bedrijf bevinden zich op circa 138 meter van de huidige bedrijfswoning op het perceel Zomerdijkje 13a. Vanuit het feitelijke gebruik kan op grond van de VNG-lijst bedrijfszoneringen worden geconcludeerd dat het bloembollenbedrijf niet in zijn bedrijfsvoering wordt geschaad door het plan, aangezien de minimale afstand volgens de VNG-lijst voor bloembollenbedrijven 30 meter bedraagt. Echter planologisch gezien zijn naast een bloembollenbedrijf ook grondgebonden veehouderijen mogelijk (het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op opengrond (waaronder ook paardenfokkerij wordt verstaan) en mogen de bedrijfsgebouwen binnen het agrarische bouwvlak worden gerealiseerd. Dat betekent op een afstand van 30 meter van de bebouwing op het perceel Zomerdijkje 13a. Voor grondgebonden veehouderijen geldt op grond van de Wet geurhinder veehouderijen een richtafstand van 50 meter buiten de bebouwde kom. Kortom wanneer wordt uitgegaan van de planologisch maximale invulling van het naastgelegen agrarische bouwvlak, dan dient er een afstand van 50 meter tot aan de twee woningen te worden aangehouden. De huidige (bedrijfs)woning staat op meer dan 70 meter van het bouwvlak. De nieuwe woning kan op meer dan 60 meter van het bouwvlak. Daarmee kan op basis van de huidige inzichten worden voldaan aan de genoemde richtafstanden.

De functiewijziging zorgt er derhalve ook niet voor dat de bedrijven in de omgeving in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt worden en voor de toekomstige gebruikers van de woningen zal sprake zijn van een verantwoord woonklimaat. Op nagenoeg dezelfde afstand/kortere afstand van het bedrijf dan de nieuw te projecteren woning zijn overigens de bestaande woningen Zomerdijkje 13 en 17 gelegen. Het agrarisch bedrijf wordt hierdoor nu al ingeperkt in zijn mogelijkheden. De komst van de twee woningen zorgt ervoor dat het bedrijf niet extra in zijn mogelijkhedne wordt beperkt.

Figuur 4.3

30/235

Bouwblok agrarisch bedrijf Zomerdijkje 15

4.10 Spuitzone bestrijdingsmiddelen Toetsingskader Ruimtelijk spoor Er bestaan geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen boomgaarden waarin met gewasbeschermingsmiddelen kan worden gespoten en nabijgelegen woningen en daarbij behorende tuinen en andere gevoelige functies. Uit jurisprudentie van de Raad van State (onder meer in de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1/R2) blijkt dat een afstand van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid in de fruitsector waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt in algemene zin niet onredelijk wordt geacht. Hierbij wordt gemeten vanaf de bestemmingsgrens: vanaf de bestemming die het telen van bollen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen mogelijk maakt tot aan de grens van de bestemming die de woning(en) mogelijk maakt. Dit betekent dat ook tot tuinen een richtafstand moet worden aangehouden. In bijzondere gevallen kan met een geringere afstand worden volstaan. Uit jurisprudentie (onder meer in de uitspraak van 30 maart 2016 in zaak nr. 201402301/3/R3) blijkt dat het aanhouden van een kortere afstand dan de richtafstand zorgvuldig moet worden onderzocht en goed moet worden onderbouwd. Daarbij gaat het om het aspect gezondheid/woon- en leefklimaat en om de milieuruimte voor agrarische bedrijvigheid waarmee zij hun bedrijfsactiviteiten kunnen uitoefenen.

Verder is van belang dat richtafstanden alleen van toepassing zijn op nieuwe situaties. Dat houdt in; nieuwe woonbestemmingen of nieuwe bestemmingen waarmee de teelt van gewassen mogelijk wordt gemaakt waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Milieuspoor Voor agrarische bedrijven en tuinbouwbedrijven geldt dat zij op grond van het Activiteitenbesluit Wet milieubeheer bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen rekening dienen te houden met voorwaarden en beperkingen. Daarbij gaat het onder meer om het volgende: bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht dient een techniek te worden gebruikt met een driftreductie van minimaal 75% (ten opzicht van een vastgelegde referentietechniek); een oppervlaktewaterlichaam. De minimumafstand tot een oppervlaktewaterlichaam is afhankelijk van het soort gewas en overige aspecten waaronder de mate van driftreductie. Onderzoek en conclusie De omliggende gronden zijn bestemd als agrarisch zonder specifieke aanduiding bomenteelt of teelt ondersteunende voorzieningen. Derhalve zijn fruitboomgaarden op basis van de huidige bestemming niet toegestaan. Wel is teelt van bloembollen toegestaan op de omliggende gronden. Anders dan wanneer gewasbeschermingsmiddelen in de bomen- of fruitteelt worden toegepast, is bij bloembollenteelt nauwelijks sprake van een spuitnevel.

De afstand van de nieuw te bouwen woning tot aan het perceel in westelijke richting waar bollenteelt plaatsvindt is 30 meter. De afstand van de huidige bedrijfswoning die wordt omgezet naar een woonbestemming tot aan het perceel in westelijke richting waar bollenteelt plaatsvindt bedraagt 20 meter.

31/235

Voor agrarische bedrijven en tuinbouwbedrijven geldt dat zij op grond van het Activiteitenbesluit Wet milieubeheer bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen rekening dienen te houden met voorwaarden en beperkingen. De regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zijn de afgelopen jaren aangescherpt. Hierbij is van belang dat in artikel 3.78a, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is vastgelegd dat in ieder geval een driftreductie moet worden bereikt van 75%. Uit artikel 3.83, lid 5 van het Activiteitenbesluit volgt daarnaast een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s. Gezien het voorgaande is een kleinere afstand dan 50 meter in dit geval gerechtvaardigd. Desondanks wordt een afstand van circa 15 meter aangehouden vanaf de tuin tot aan omliggende percelen waar bloembollenteelt mag plaatsvinden. Doormiddel van een singel en een wintervaste haag worden eventuele resten van gewasbeschermingsmiddelen tegenhouden. Hiermee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen en bijbehorende tuin.

4.11 Duurzaamheid Met het oog op doelstellingen op het gebied van onder andere energiezuinigheid en waterbeheer, wordt duurzaam bouwen door de overheid gestimuleerd. Naast eisen op het gebied van energieprestatie van gebouwen zijn er verschillende stimuleringsregelingen in het leven geroepen. Daarnaast zijn er handreikingen gepubliceerd waarin verschillende maatregelen op het gebied van duurzaam bouwen worden beschreven. Nederland is bezig met een energietransitie van fossiele naar meer duurzame energiebronnen. In dit kader is op 1 juli 2018 de Wet Voortgang Energietransitie in werking getreden (Wet VET). Met deze wet is de Gaswet gewijzigd, waardoor onder de 40 m3 doorlaatwaarde per jaar netbeheerders nieuwe gebouwen niet meer op het gasnet mogen aansluiten. In de praktijk betekent dit dat nieuwe woningen en (kleinere) bedrijfsgebouwen gasloos moeten worden gebouwd. Dit betekent dat voor het voorziene project moet worden omgezien naar alternatieven voor verwarming en andere energievoorziening. De nieuwbouw wordt voorzien van de volgende duurzaamheidsmaatregelen: gasloos bouwen; toepassen warmtepomp; het zo groen mogelijk inrichten van de inrichting; onderzoeken toepassen zonnepanelen.

4.12 Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar)

32/235

en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden.

Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/4574/documents/32599