bij 1 2021-06-15 BP Delversduin.pdf
Tekst van het document
Watertoets Delversduin, Sweco Nederland BV, 22 maart 2021
GM-01 Pagina 24 van 61
Milieu- en omgevingsaspecten
winterperiode stijgen de grondwaterstanden en zullen de aanwezige greppels langs de duinen (Delverspad) een afvoerende functie hebben voor drangwater uit de hoger gelegen duinen en een ontwaterende functie voor de gronden in het plangebied zelf. Dit water dient te kunnen worden afgevoerd door het plangebied naar het oosten, alwaar het water afstroomt naar het polderwater. Het plangebied wordt dusdanig ingericht dat de neerslag die in het gebied valt (en het opgevangen kwelwater uit de duinen) infiltreert in de bodem. Hierdoor wordt geen afvoer gerealiseerd vanuit het plangebied gedurende neerslag. Wel blijft de mogelijkheid bestaan om in extreme situaties het overtollige regenwater af te voeren naar de polder via de afvoer onder de Herenweg. Door het opheffen van de bollenteelt in het plangebied kan de centrale afvoergreppel worden gedempt. De greppels aan de zijde van het plangebied langs de bestaande woonpercelen blijven gehandhaafd. De greppels krijgen daarmee een ontwateringsfunctie en moeten altijd bereikbaar blijven voor de gemeente. Naast de ontwaterende functie biedt de aanleg van DIT-riolering de mogelijkheid om verharding aan te sluiten. Daarmee kan het water dat van het naastgelegen verhard oppervlak afstroomt getransporteerd worden naar de waterberging. Gedurende droge periodes kan de DIT-riolering als berging en als infiltratiemedium gebuikt worden.
In het plan worden delen van het gebied met een oppervlak van in totaal circa 1,5 hectare, ten opzichte van het maaiveld, verlaagd aangelegd als droge waterberging. Waterkwantiteit Door toename van verhard oppervlak wordt het regenwater sneller afgevoerd, waardoor de werking van het ontvangende oppervlaktewatersysteem negatief wordt beïnvloed met snellere en hogere peilstijgingen en afvoer. Om een goed functionerend watersysteem te garanderen en te behouden is er een compensatieplicht voor de toename van het verhard oppervlak. De toename van verhard oppervlak is getoetst aan de hand van de “Keur 2016” van het HHNK. In de Keur staat dat er compensatieplicht geldt in de volgende gevallen; 10% watercompensatie van de toename in verhard oppervlak, wanneer er meer dan 800m2 en minder dan 2.000m2 verhard oppervlak wordt aangebracht; Maatwerkberekening bij verhardingstoename boven de 2.000m2. Voor dit plan is gekozen om gebruik te maken van een alternatieve vorm van waterberging. Hiervoor zijn beleidsregels van HHNK van toepassing. De waterberging wordt aangelegd middels een verlaging in het maaiveld met de capaciteit van de neerslag die op het dakoppervlak en het openbaar verhard oppervlak valt. Voor dit plangebied is er gekozen voor een infiltratiesysteem (waterberging middels bergingsgebieden). In de toekomstige situatie neemt de verharding toe met circa 23.700 m2.
De neerslag op dit oppervlak wordt afgevoerd middels DIT-riolering of regenwaterriool naar het bergingsgebied. De capaciteit van het bergingsgebied dient voor het opvangen van de neerslag circa 1.873 m3 aan water te kunnen bergen. Bij deze berekening is geen rekening gehouden met de infiltrerende capaciteit van de DIT-riolering en de berging (worst case benadering). Bij een gemiddelde bergingsdiepte van 0,5 meter van het bergingsgebied, is minimaal een oppervlak benodigd van 3.745 m2. De in het plan opgenomen bergingsgebieden bieden voldoende ruimte om waterberging en infiltratie te faciliteren. Daarnaast wordt er 1.120 m2 aan greppeloppervlak gedempt. Vanwege het opnieuw inrichten van het gehele perceel en het instellen van een nieuw watersysteem binnen het gehele plangebied (gebaseerd op infiltratie) hoeft deze demping niet te worden gecompenseerd. Waterkwaliteit Doordat er geen permanent open water wordt gerealiseerd, is er geen directe waterkwaliteitsopgave. Wel dient in het ontwerp rekening gehouden te worden met het voorkomen van ‘snipper-
GM-01 Pagina 25 van 61
Milieu- en omgevingsaspecten
blauw’ (vijvers met stilstaand water, geïsoleerde slootjes e.d.).Tevens dient het gebruik van koperen, loden of zinken dakbedekking en chemische onkruidbestrijdingsmiddelen voorkomen te worden. Waterkering Het plangebied is niet aan een waterkering gelegen, noch is het plangebied gelegen in de beschermingszone van de nabijgelegen Primaire waterkering (zanderige kust). Riolering en infiltratie. De afvalwaterproductie als gevolg van het plan bedraagt circa 5,83 m³/uur. De zandbodem en grondwaterhuishouding leent zich uitstekend voor infiltratie van hemelwater. Regenwater dat afstroomt van daken en verhardingen kunnen in plaats van af te stromen via oppervlaktewater direct infiltreren in de bodem. De gemeente Bergen heeft jarenlange ervaring met infiltreren van regenwater bij nieuwe ontwikkelingen en afkoppeling van regenwater van bestaande woonwijken. Hierbij zijn verschillende manieren toegepast: Infiltratiekratten (met bladafscheider en zandvangput) Drainageleidingen (in zandgrond) met uitstroompunt in lager gelegen gedeelte van het plan Daarnaast kan het afstromende regenwater op verschillende manieren worden behandeld: opslag in regentonnen op private terreinen afvoer via particulieren infiltratieputten / infiltratiekratten.
In dit geval wordt er dan geen regenwaterstelsel in openbaar gebied gerealiseerd afvoer via een openbaar infiltratie transport stelsel waarbij uitlaten (benodigd voor piekafvoeren) aanwezig zijn in lager gelegen gedeeltes van het plan afvoer via een regenwaterstels waarbij het regenwater wordt afgevoerd naar het lager gelegen deel van het plan (de natuurzone). Alhier kan het afstromende regenwater infiltreren. Hierbij heeft het afstromende regenwater tevens tot doel voor het instandhouden van de vochtige (met bijbehorende natuurtype en vegetatietype) lagere delen van het plan. Afvoer van verhardingen in de berm. Het regenwater stroomt via de weg / verharding direct in de berm. Belangrijk hierbij is dat in het plan hoge kantopsluitingen worden gebruikt. Bij het toepassen van infiltratievoorzieningen is onderhoud een extra aandachtspunt. Dit dient goed mogelijk te zijn. Beheer en onderhoud In het plan wordt geen standaard open water gerealiseerd. Tijdelijk kan er water in de waterberging aanwezig zijn. Bij het stromen van water door de berging worden er fijne deeltjes meegenomen door het water. Deze deeltjes hopen op als slib in de laagste delen. Om de infiltratiecapaciteit te behouden dient de waterberging te worden onderhouden en beheerd door de gemeente. De doorlatende verharding maakt geen deel uit van de watercompensatie.
Het toepassen van doorlatende verharding is een ambitie van de gemeente. Dit is een extra maatregel om infiltratie te bevorderen. Indien dit wordt toegepast dient het geïntegreerd te worden in het onderhoudsplan van de gemeente.
5.3
Bodem
In een bestemmingsplan dat nieuwe functies mogelijk maakt dient de bodemgesteldheid in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.
GM-01 Pagina 26 van 61
Milieu- en omgevingsaspecten
Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek en waterbodemonderzoek uitgevoerd5. Met onderhavig onderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit ter plaatse van de bodem en waterbodem. Het bodemonderzoek is in 2017 uitgevoerd. Nadien is het gebruik niet gewijzigd. Er is bij dit gebruik geen sprake van bodembedreigende activiteiten. Het bodemonderzoek kan daarom nog gebruikt worden voor dit bestemmingsplan. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “onverdachte locatie”, strikt genomen niet juist is. Gezien de relatief lage gehalten en de toekomstige bestemming van de locatie is er echter geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek met een aangepaste hypothese. Op basis van de gemeten gehalten kan worden gesteld dat er vanuit milieuhygiënische oogpunt geen belemmeringen zijn om het terrein te ontwikkelen voor woningbouw.
5.4
Archeologie
Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze nieuwe wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. Als gevolg van het verdrag van Valletta (Malta) is iedere gemeente verplicht aandacht te besteden aan de archeologie op haar grondgebied en dit te verwerken in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke instrumenten. Betekenis voor het project De bodemingrepen die gepaard gaan met de geplande realisatie van het plan, kunnen mogelijk eventueel aanwezige archeologische resten in de bodem verstoren en/of vernietigen. Derhalve dienen voorafgaand aan die werkzaamheden de archeologische waarden binnen het plangebied in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek6 uitgevoerd, gevolg door een inventariserend veldonderzoek en grondradaronderzoek. Op het gebied van archeologie is in de tussentijd geen sprake geweest van gemeentelijke beleidswijzigingen en er kunnen in de tussentijd in de ondergrond geen archeologische waarden bij zijn gekomen. Het onderzoek kan daarom nog gebruikt worden voor dit bestemmingsplan. Uit het bureauonderzoek volgt dat het plangebied is gelegen op de Westelijke Kennemer Strandwal.
Hier kan bewoning hebben plaatsgevonden vanaf de IJzertijd. Uit een waarneming in het omgeving van het plangebied blijkt dat in ieder geval vanaf de Romeinse tijd of Vroege Middeleeuwen mensen aanwezig waren. Uit deze periodes kunnen nederzettingssporen, maar ook akkers of graven worden aangetroffen. De omvang hiervan is niet bekend. Vondsten kunnen worden gedaan vanaf het maaiveld, maar het is ook mogelijk dat deze door overstuiving en het opbrengen van humeus materiaal dieper zijn gelegen. Rond 1500 heeft in het zuidelijk deel van het plangebied mogelijk kasteel Rodenburg gelegen. De locatie hiervan is aangemerkt als archeologisch waardevol terrein. Wellicht kunnen nog funderingen worden aangetroffen direct onder het maaiveld. Hoewel de verwachting voor archeologische waarden vanaf de IJzertijd hoog is, dient rekening te worden gehouden met omvangrijke bodemverstoring. Dit kan zijn gebeurd door omzetting van de grond door bollenteelt en door de bouw en ontmanteling van een asielzoekerscentrum in het zuidelijk deel van het plangebied. Het toponiem van de locatie (Delvers Duin) doet vermoeden dat hier is gegraven. Of en tot hoe diep de bodem daadwerkelijk is verstoord, is niet bekend.
5 Verkennend bodemonderzoek en waterbodemonderzoek Locatie Delvers Duin te Egmond aan den Hoef, Sweco, 30 juni 2017 6 Archeologisch onderzoek Delvers Duin te Egmond aan den Hoef, gemeente Bergen (NH), Sweco, 24 november 2016
GM-01 Pagina 27 van 61
Milieu- en omgevingsaspecten
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek is een verkennend booronderzoek en grondradaronderzoek uitgevoerd7. Het doel van dit onderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting en het in kaart brengen van (de mate van gaafheid) van de bodemopbouw. Uit het booronderzoek is gebleken dat geen onverstoord bodemprofiel meer aanwezig is. De bodem is tot tenminste 65 cm beneden maaiveld omgewerkt, vermoedelijk door intensief agrarisch gebruik waaronder bollenteelt en/of de bouw en sloop van het asielzoekerscentrum. Dit betekent dat de top van de strandwal is omgewerkt. Er zijn geen overstoven niveaus aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen dat het terrein is opgehoogd. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor archeologische vindplaatsen. Het grondradaronderzoek heeft diverse vierkante structuren in kaart gebracht. Het betreft de resten van het asielzoekerscentrum dat tot voor enkele jaren geleden in het plangebied stond. Er zijn geen aanwijzingen in de metingen die duiden op de aanwezigheid van resten van kasteel Rodenburg in de ondergrond. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt voor het plangebied geen vervolgonderzoek aanbevolen. NMF Erfgoedadvies, archeologisch adviseur van de gemeente Bergen, heeft echter geadviseerd om 5% van het noordelijke deel van het plangebied door middel van proefsleuven te laten onderzoeken.
Ten tijde van het proefsleuvenonderzoek kan op basis van de resultaten worden uitgebreid tot maximaal 7,5% van het plangebied. Dit omdat het archeologisch niveau in het strandwalgebied moeilijk aantoonbaar is, in combinatie met de beperkte verstoring van het noordelijke deel van het plangebied en de diepteligging van archeologische resten in de omgeving van het plangebied. Het uitvoeren van een archeologisch vervolgonderzoek voorafgaand aan de bodemingrepen is met een dubbelbestemming Waarde – Archeologie in dit bestemmingsplan geborgd.
5.5
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Betekenis voor het project Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een aardkundig monument danwel aardkundig waardevol gebied. Ten westen van het plangebied staat de Korenmolen van Egmond (bouwjaar 1899). In paragraaf 5.7 is gemotiveerd dat in het plan rekening is gehouden met de molen. Het plan leidt niet tot aantasting van cultuurhistorische waarden.
5.6
Natuur
In de natuurwetgeving worden gebiedsbescherming en soortenbescherming onderscheiden. Beide beschermingsregimes zijn van belang voor de ontwikkelingsmogelijkheden van een gebied. Voor de onderhavige ontwikkeling is een verkennend natuuronderzoek8 opgesteld. Betekenis voor het project Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied grenst aan het Natura 2000-gebieden ’Noordhollands Duinreservaat’. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. De werkzaamheden kunnen leiden tot verstoring door verlichting en door mechanische
7 Inventariserend veldonderzoek door middel van verkennend booronderzoek en grondradaronderzoek, Sweco, 27 juli 2017 8 Verkennend natuuronderzoek Delversduin te Egmond a/d Hoef, Sweco, 23 maart 2021
GM-01 Pagina 28 van 61
Milieu- en omgevingsaspecten
effecten. Indien tijdens de werkzaamheden en in het plan rekening wordt gehouden met het toepassen van verlichting die niet uitstraalt richting het Natura 2000-gebied is verstoring door verlichting te voorkomen. Uit het veldbezoek is naar voren gekomen dat omwonenden het plangebied gebruiken als uitlaatveld voor honden. Loslopende honden veroorzaken relatief gezien een grote mate van verstoring op. Het is dan ook aannemelijk dat door de werkzaamheden en het plan geen toename aan mechanische verstoring op zal treden. Om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren wordt gebruikt gemaakt van verschillend materieel. Deze machines stoten onder andere stikstof uit wat uiteindelijk neer zal dalen (stikstofdepositie). Ook de extra verkeersgeneratie zal leiden tot uitstoot van meer stikstof. Om de hoeveelheid stikstofdepositie te bepalen zijn berekeningen met het programma AERIUS uitgevoerd9. Daaruit blijkt dat zonder intern salderen de woningbouw- en natuurontwikkeling Delversduin in de gebruiksfase leidt tot een toename van de stikstofdepositie van maximaal 0,12 mol/ha/jaar in het omliggende Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat. Voor de aanlegfase is dat maximaal 1,98 mol/ha/jaar. Voorwaarde daarbij is dat materieel in minimaal Stage-klasse IV of elektrische materieel wordt ingezet, conform de uitgangspunten in de notitie.
Vervolgens is intern salderen beschouwd ten aanzien van huidige stikstofemissies door agrarisch landgebruik. Hieruit volgt dat er in de gebruiks- en aanlegfase van de voorgenomen planontwikkeling geen toename van de stikstofdepositie optreedt groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie kunnen significante negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebiede worden uitgesloten. Conform de uitgangspunten in de notitie is het project niet vergunningplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Aanvullend wordt opgemerkt dat naar aanleiding van een aanvraag om aanspraak te maken op stikstofdepositieruimte uit het Stikstofregistratiesysteem, op 14 oktober 2020 door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is verleend10. Natuurnetwerk Nederland De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effect op beschermde gebieden in het kader van het NNN. Er is geen nader veldonderzoek en/of effectonderzoek noodzakelijk. Er zijn geen maatregelen nodig om effecten te voorkomen en er is geen nadere procedure noodzakelijk in de vorm van een “nee, tenzij-toets”. Gebieden met natuurwaarden buiten het NNN De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effect op beschermde gebieden met natuurwaarden buiten het NNN gelegen.
Er is geen nader veldonderzoek en/of effectonderzoek noodzakelijk en er zijn geen maatregelen nodig om effecten te voorkomen. Soortenbescherming Er zijn geen beschermde soorten aanwezig in of nabijheid van het plangebied. De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effect op beschermde soorten, mits navolgende maatregelen worden getroffen. Er zijn maatregelen nodig om kolonisatie van de rugstreeppad te voorkomen, dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van paddenschermen. Bomen en/of struiken dienen gerooid te worden buiten het broedseizoen van volgens. Als dit onvermijdelijk is dient er een broedvogelcontrole plaats te vinden, waarna een deskundige ecoloog maatregelen kan vaststellen om de nesten te sparen. Er is geen nader veldonderzoek en/of effectonderzoek noodzakelijk naar andere soorten. Ervan uitgaande dat de genoemde maatregelen worden uitgevoerd is geen ontheffing nodig. De soortenbeschermingskaders uit de Wet natuurbescherming staan dan niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
9
Onderzoek stikstofdepositie, Sweco Nederland BV, mei 2021 Vergunning Wet natuurbescherming zaaknummer OD.310259, Provincie Noord-Holland, 14 oktober 2020
10
GM-01 Pagina 29 van 61
Milieu- en omgevingsaspecten
5.7
Molenbiotoop
Molens zijn monumenten die de identiteit van menig Nederlands landschap bepalen. Daarom verdienen ze het om hun cultuurhistorische plek daarin te behouden. Molens zijn bovendien levende monumenten. Het zijn werktuigen. Voor hun werking stellen ze specifieke eisen aan hun omgeving. Wordt niet aan die eisen voldaan, dan is de molen gedoemd tot stilstaan en verval. De bescherming van de windvang en cultuurhistorische waarde van een molen vindt plaats door middel van de molenbiotoop. Betekenis voor het project Ten westen van het plangebied staat een beltmolen, de korenmolen van Egmond (of De Koffiemolen). De molen dateert uit 1899. De beltmolen is sinds 1968 aangewezen als rijksmonument (geregistreerd onder nummer 14593). De wieken van de molen zijn eind 1977 verwijderd. De molen werd tussen 2015 -2017 gerestaureerd, maar op het opnieuw aanbrengen van nieuwe wieken is in 2021 nog geen zicht. In het vigerende bestemmingsplan ‘Kernen Egmond’ uit 2013 is een gebiedsaanduiding – vrijwaringszone opgenomen: molenbiotoop 2 en molenbiotoop 3. De molenbiotoop van de Koffiemolen heeft betrekking op de omgeving van een molen, voor zover die van invloed is op het functioneren van die molen als maalwerktuig én als monument. Naast windvang dient dan ook te worden gelet op de belevingswaarde van de molen. Gebouwen en bomen kunnen de molenbiotoop aantasten.
Het vigerende bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om af te wijken van de regels van de molenbiotoop indien uit advies van een cultuurhistorisch deskundige blijkt dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van de molen. In het voorliggende plan zijn na afweging keuzes gemaakt tussen de voorgenomen woningbouwopgave enerzijds en de molenbiotoop anderzijds. Hierbij is rekening gehouden met behoud van cultuurhistorische waarden (met name zichtlijnen en belevingswaarde) en zijn er gemotiveerde concessies gedaan ten aanzien van de windvang. Zowel het aangrenzende duingebied, als de molen zijn belangrijke identiteitsdragers voor Egmond aan den Hoef én voor de geplande ontwikkeling Delversduin. In het behoud en de versterking van de belevingswaarde is voorzien door de introductie van zichtlijnen die zorgen voor een visuele relatie tussen het plan Delversduin en de molen. De zichtlijn is geborgd in het bestemmingsplan door middel van het ontbreken van een bouwvlak voor deze gronden. Daarnaast zorgt de natuurontwikkeling in het plangebied voor een blijvende belevingswaarde vanaf het toeristische fietspad Delverspad/Nachtegalenlaantje. Voor de windvang is een volgende afweging gemaakt.
Het opnemen van verregaande voorschriften ten aanzien hiervan kan tot de onzekere situatie leiden dat, in een later stadium bij het verlenen van een omgevingsvergunning, toch geen medewerking verleend kan worden. Dat is een onwenselijke onzekerheid voor het doel van dit bestemmingsplan. De molenbiotoop is om deze reden losgelaten voor de bestemming Woongebied. Daar staat tegenover dat de molenbiotoop – voor zover functioneel – deels behouden blijft dankzij de bestemming natuur aan de westzijde van Delversduin. Daarbij is het niet redelijk om de molenbiotoop volledig te claimen, terwijl onduidelijk is of de molen na veertig jaar niet maalvaardig te zijn geweest, ooit weer maalvaardig zal worden.
5.8
Verkeer en parkeren
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een bestemmingsplan inzicht te geven in de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van verkeer en parkeren. Betekenis voor het project
GM-01 Pagina 30 van 61
Milieu- en omgevingsaspecten
Door middel van verkeersonderzoek11 zijn de verkeerskundige effecten van het plan en de parkeeropgave voor het plan inzichtelijk gemaakt. Het plan is verdeeld in twee gebieden. Gebied A met ontsluiting aan oostelijke kant op de Herenweg. Gebied B heeft twee ontsluitingen, aan de zuidoostelijke kant op de Herenweg en in het zuiden Duynmayers Kroft.
Figuur 5.1: Ontsluitingen plangebied Op basis van het woningprogramma en de kencijfers van de CROW is de verkeersgeneratie van beide deelgebieden bepaald. Voor gebied A geldt een verkeersgeneratie van circa 165 motorvoertuigen per etmaal. Voor gebied B bedraagt de verkeersgeneratie circa 926 motorvoertuigen per etmaal. Voor gebied A worden in het drukste uur (wanneer de bewoners naar het werk rijden, of terug komen) circa 17 motorvoertuigen verwacht, gemiddeld 1 voertuig per 3 minuten. Op basis van de relatief geringe verkeerstromen in de huidige situatie, het feit dat het drukste uur op de Herenweg niet samenvalt met de spitsuren van/naar deelgebied A en het uitgangspunt dat deze aansluiting duurzaam veilig wordt vormgegeven, worden geen knelpunten verwacht bij de aansluiting van de nieuwe woonwijk op de Herenweg. Voor gebied B wordt een verkeersgeneratie verwacht van 94 motorvoertuigen in het drukste uur (gemiddeld 3 voertuigen per 2 minuten). Dit wegrijdende verkeer verdeeld zich over beide aansluitingen. In lijn met de constateringen bij de aansluiting van gebied A op de Herenweg worden ook hier geen knelpunten voorzien bij de aansluiting op de Herenweg, mits deze duurzaam veilig wordt vormgegeven. De kruising Duinmayers Kroft zal worden opgewaardeerd. Dit biedt ook kansen om de doorstroming als geheel te verbeteren en aan te passen aan de verkeersstromen.
Voor het in- en uitrijden van de Duynmayers Kroft is men afhankelijk van de overige weggebruikers. Wanneer deze de ruimte, aangegeven met kruisen op de weg, vrijgelaten wordt kan het verkeer van en naar Delversduin rijden. Voordeel van het huidige plangebied is dat er een tweede ontsluiting is via de Herenweg. Hiermee is de nieuwe woonwijk altijd bereikbaar. De interne wegenstructuur van de wijk wordt ingericht als erftoegangsweg (30 km/u), conform de vigerende ontwerprichtlijnen van de CROW. 11
Onderzoek verkeersgeneratie en parkeeropgave Delversduin, Sweco, 22 maart 2021
GM-01 Pagina 31 van 61
Milieu- en omgevingsaspecten
5.9
Geluid wegverkeer
Op grond van de Wet geluidhinder dient de geluidbelasting afkomstig van geluidgezoneerde wegen op de nieuwe woningen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden. Betekenis voor het project Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Egmonderstraatweg, Nieuwe Egmonderstraatweg en Herenweg. Binnen en in de nabije omgeving van het plangebied zijn verder uitsluitend 30 km/u wegen aanwezig. Door middel van akoestisch onderzoek12 is de geluidbelasting als gevolg van het verkeer op de omliggende wegen inzichtelijk gemaakt. Uit het onderzoek volgt dat alleen in het uiterste noordoosten van het plangebied, sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In de concept verkaveling betreft dat een verhoogde geluidsbelasting voor drie woningen. Voor deze woningen worden hogere waarden aangevraagd. Deze hogere waarden zijn verleenbaar. In de regels van dit bestemmingsplan is vastgelegd dat vergunning voor bouwen pas verleend kan worden als is aangetoond dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder ofwel als hogere waarden zijn verleend.
5.10
Luchtkwaliteit
Op basis van wetgeving die bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit' kunnen ruimtelijkeconomische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden niet worden overschreden; de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft; het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan is er geen belemmering voor. Het ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie NOx, SO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling.
Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. Betekenis voor het project De ontwikkeling van het plangebied bevat de realisatie van minder dan 1.500 woningen. Op basis van deze gegevens kan worden geconcludeerd dat onderzoek naar luchtkwaliteit voor de
12
Akoestisch onderzoek Delversduin Egmond aan den Hoef, Egmond aan den Hoef, 26 mei 2021
GM-01 Pagina 32 van 61
Milieu- en omgevingsaspecten
ontwikkeling die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet nodig is en dat de ontwikkeling niet bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit de informatie die beschikbaar is via de Monitoringstool NSL blijkt dat de jaargemiddelde concentraties fijn stof en stikstofdioxide in 2017, 2020 en 2025 langs wegen in de nabijheid van het plangebied onder de 35 µg/m³ liggen. Ter plaatse van het gehele plangebied zal dan ook worden voldaan aan de grenswaarden omdat de concentraties luchtverontreinigende stoffen afnemen naarmate een locatie verder van de weg ligt. Met betrekking tot luchtkwaliteit is in het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat.
5.11
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen: bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt; transportroutes (wegen, waterwegen, spoorwegen) waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd; ondergrondse buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor LPG-tankstations geldt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen tevens de circulaire effectafstanden externe veiligheid lpg-tankstations. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen waterwegen is het wettelijk kader vastgelegd het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. De normen voor ondergrondse buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Betekenis voor het project De risicokaart geeft aan dat er één bedrijf met een risicocontour in de omgeving van het plangebied aanwezig is.
Het gaat om het tankstation met LPG-installatie dat aan de Heilooër Zeeweg 25 is gevestigd. In het vigerende bestemmingsplan is aangegeven dat ter plaatse lpg-verkoop plaatsvindt met een vergunde doorzet van 1.000 m³ lpg per jaar. Deze situatie is sindsdien niet gewijzigd. De risicoafstand van het plaatsgebonden risico 10-6 is 35 meter. Het invloedsgebied van dit tankstation voor het groepsrisico is 150 meter. Het plangebied is op circa 240 meter afstand van het tankstation gelegen. Het groepsrisico en het plaatsgebonden risico van het tankstation vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling.
GM-01 Pagina 33 van 61
Milieu- en omgevingsaspecten
Figuur 5.3 Uitsnede Risicokaart
Er vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats in de omgeving van het plangebied. Het voormalige ministerie van VROM heeft veiligheidsafstanden vastgelegd die aangehouden moeten worden tussen transportleidingen van gevaarlijke stoffen en nieuwe bebouwing. Een hogedruk aardgasleiding gelegen met kenmerk W-571-03-KR ligt ten zuidwesten van het plangebied op circa 270 meter afstand. Het betreft een buisleiding met een 6 inch diameter en een werkdruk van circa 26 bar. Deze leiding beschikt conform de risicokaart over een 100% letaliteitscontour op 50 meter. Het invloedsgebied voor het groepsrisico voor buisleidingen wordt begrensd door de 1% letaliteiteffectafstand die voor de leiding deze is bepaald op 70 meter. De voorgenomen ontwikkeling is niet van invloed op bestaande veiligheidsrisico’s.
5.12
Bedrijven en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: woonfuncties nabij bestaande en opvolgende bedrijvigheid zijn alleen mogelijk als ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd bestaande bedrijven worden niet onevenredig geschaad in hun bedrijfsvoering. Nutsvoorziening KPN (Duynmayers Kroft) Aan het Duynmayers Kroft staat ten zuiden van het plangebied een nutsgebouw van de KPN. Op basis van de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG geldt voor telecombedrijven (SBI-code 61) een richtafstand van 10 meter op basis van geluid. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Duinpark Egmond (Egmonderstraatweg 34) Ten westen van het plangebied ligt het verblijfsrecreatiepark ‘Duinpark Egmond’.
Het park wordt geherstructureerd waarbij in totaal 19 recreatiewoningen zijn toegestaan rond de molen. Het park grenst aan bestaande woningen aan de Egmonderstraatweg.
GM-01 Pagina 34 van 61
Milieu- en omgevingsaspecten
In de ruimtelijke onderbouwing die is opgesteld voor de toevoeging van drie recreatiewoningen op het park, is aangegeven dat “in vergelijking met de kampeerterreinen en vakantiecentra zoals bedoeld in de VNG-lijst, het onderhavige park veel kleinschaliger en introverter is van opzet. Er vinden ter plaatse van het projectgebied geen georganiseerde buitenactiviteiten plaats en ook zijn er geen in potentie overlastgevende collectieve voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een zwembad, voorzien. Op basis van deze argumenten kan gesteld worden dat de aanwezigheid van de recreatiewoningen niet hinderlijk is voor het leef- en woonklimaat ter plaatse van de omliggende woningen.” De woningen in het plangebied Delversduin worden niet dichter op het park gerealiseerd dan de bestaande woningen. Daarnaast is een natuurlijke groenbuffer aanwezig die beide functies van elkaar gescheiden. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het park geen belemmering vormt voor de woningbouw in het plangebied en het park niet in de bedrijfsvoering wordt beperkt. Glaszettersbedrijf (Egmonderstraatweg 20) Aan de Egmonderstraatweg 20 is ten zuiden van het plangebied een glaszettersbedrijf gevestigd. Het bedrijf is in de VNG-brochure in te delen in de categorie ‘Aannemersbedrijf met werkplaats b.o. < 1.000 m2’ (SBI-code 41,42,43).
Voor een dergelijk bedrijf geldt een richtafstand van 30 meter als gevolg van geluid. Aan deze afstand wordt voldaan.
Drukkerij (Egmonderstraatweg 5) Aan de Egmonderstraatweg 5 is een drukkerij gevestigd. Op basis van de VNG-brochure geldt voor een kleine drukkerij (SBI-code 18129) een richtafstand van 30 meter op basis van geluid. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Garage (Egmonderstraatweg 12) Garage De Egmonden is gevestigd aan de Egmonderstraatweg 12. Het bedrijf is in de VNGbrochure in te delen in de categorie ‘Handel in auto’s, motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven’ (SBI-code 451, 252, 454). Voor een dergelijk bedrijf geldt een richtafstand van 30 meter als gevolg van geluid. Aan deze afstand wordt voldaan. Beekvliet (Herenweg 241) Het gebouw Beekvliet betreft een voormalige bollenschuur dat nu wordt gebruikt voor opslag. Het perceel heeft de bestemming Bedrijf waarbij activiteiten tot en met categorie 2 zijn toegestaan. Voor opslaggebouwen (SBI-code 52109) geldt een richtafstand van 30 meter als gevolg van geluid. Aan deze afstand wordt voldaan.
5.13
Duurzaamheid
Duurzaamheid is in het kader van de ontwikkeling een ambitie op zowel gebiedsniveau als gebouwniveau. Bij de uitwerking van het plan is het beheersbaar houden van de energielasten voor de gebruiker een belangrijk onderdeel. Nieuwbouw biedt kansen voor de reductie van de CO2-uitstoot, het opwekken van duurzame energie en het slim omgaan met water. Betekenis voor het project De ontwikkeling Delversduin wordt een duurzaam project op verschillende vlakken; energiegebruik, klimaatadaptatie en gezondheid. Energiegebruik De woningen worden niet aangesloten op het gasnet en zullen voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit. Momenteel zijn dit de BENG-eisen (bijna energieneutraal). De daken van de gebouwen worden gebruikt voor zonnepanelen om duurzame energie op te wekken. Klimaatadaptatie
GM-01 Pagina 35 van 61
Milieu- en omgevingsaspecten
Het klimaat veranderd, een belangrijk onderdeel hiervan zijn de hevigere weersomstandigheden zoals; wateroverlast, hittestress en droogte. In het plan worden delen van het gebied met een oppervlak van in totaal circa 1,5 hectare, ten opzichte van het maaiveld, verlaagd aangelegd als droge waterberging. Door in de openbare ruimte veel met halfverharding te werken kan er een maximale infiltratie van regenwater plaatsvinden. In het plan wordt veel groen opgenomen. Het groen in het plan zorgt voor een verkoelende werking in warme perioden. Biodiversiteit Naast een woonplek voor bewoners, wordt er ook rekening gehouden met vogels in het plan, door de plaatsing van nestkasten in de architectuur. Ook bij de keuze van beplanting wordt rekening gehouden met het vergroten van de biodiversiteit.
5.14
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In Nederland is het verplicht om de effecten op het milieu volwaardig onderdeel te laten zijn van de voorbereiding en de besluitvorming over ruimtelijke plannen. Daarvoor is in de Wet milieubeheer de methodiek van de milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is niet direct m.e.r. beoordelingsplichtig op basis van het onderdeel ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Echter, omdat de voorgenomen ontwikkeling wel valt onder de noemer van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling verplicht. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is in feite een beknopte opsomming van de beoordeling van de ontwikkeling op verschillende milieuaspecten. Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. Gemeenten zijn thans verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (Mer). Betekenis voor het project Uit het natuuronderzoek en het onderzoek naar stikstofdepositie, zoals beschreven in paragraaf 5.6 blijkt dat de ontwikkeling geen invloed heeft op Natura 2000-gebieden. De voorgenomen ontwikkeling is ook niet direct m.e.r.
beoordelingsplichtig op basis van het onderdeel ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Echter, omdat de voorgenomen ontwikkeling wel valt onder de noemer van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling verplicht. Door middel van een aanmeldnotitie13 is hier invulling aan gegeven. Hieruit volgt dat de omvang van het project ver onder de drempelwaarde ligt en de kenmerken van de activiteiten (sloop, herinrichting van het gebied en bouw van de woningen) en de mogelijke gevolgen voor het milieu als gevolg van deze activiteiten geen aanleiding geven voor het opstellen van een milieueffectrapportage.
5.15
Conclusie milieu- en omgevingsfactoren
Uit bovenstaande paragrafen kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen bestaan voor de woningbouwontwikkeling in het plangebied.
13
Aanmeldnotitie m.e.r. Delversduin Egmond aan den Hoef, Sweco Nederland BV, 17 maart 2021
GM-01 Pagina 36 van 61
6
Juridische planbeschrijving
6.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de planregels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de planvorm, de systematiek en leeswijzer bij de regels en ten slotte de handhaafbaarheid.
6.2
Planvorm en systematiek
Het voorliggende bestemmingsplan bevat globale eindbestemmingen. Deze planvorm is gewenst in verband met de behoefte aan flexibiliteit waarmee kan worden ingespeeld op de actuele woningbehoefte. Dit betekent dat een breed gebruik van de gronden binnen de bestemmingen mogelijk is. Een voorbeeld hiervan is dat paden binnen de bestemming ‘Groen’ zijn toegestaan. Binnen de bestemming ‘Woongebied’ zijn naast woningen ook behorende voorzieningen, zoals straten, paden, erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen en water toegestaan. Er is aan de zijde van bestaande percelen een bestemming Groen opgenomen met daarachter de bestemming Woongebied zonder bouwvlak waarmee wordt geborgd dat er voldoende afstand wordt gehouden tussen nieuwe woningen en bestaande woningen. Daarnaast is in de regels het maximum aantal woningen en de maximale goot- en nokhoogte bepaald. Ook is vastgelegd dat de afstand van het hoofdgebouw tot de voorste perceelsgrens minimaal 1 meter moet bedragen. Hetzelfde geldt voor de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse erfgrens aan de niet aangebouwde zijde. Binnen de regels is sprake van positieve bestemmingen. Een positieve bestemming laat rechtstreeks het gebruik toe, zonder dat nadere procedures nodig zijn. Bouwen is mogelijk nadat door burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend.
Door deze keuze voor een planvorm met globale bestemmingen is er voldoende ruimte voor flexibiliteit in het ontwerp aan de ene kant, maar wordt aan de andere kant voldoende rechtszekerheid geboden door middel van kaderstellende regels. De gronden van het plangebied zijn in eigendom van de projectontwikkelaar. De meest zuidelijke gronden van het plangebied die aansluiten op de Egmonderstraatweg zijn niet in eigendom bij de ontwikkelaar of de gemeente. Deze gronden zijn conform het vigerende bestemmingsplan als Verkeer – Verblijfsgebied bestemd. De gemeente is voornemens deze gronden te verwerven ten behoeve van de ontsluiting op de Egmonderstraatweg.
GM-01 Pagina 37 van 61
Juridische planbeschrijving
6.3
Planregels
In het bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: Groen Natuur Verkeer - Verblijfsgebied Woongebied Binnen de regels zijn eindbestemmingen opgenomen. Deze bestemmingen geven een directe bouwtitel op basis waarvan omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In hoofdstuk 1 staan de inleidende bepalingen van de regels beschreven.
Artikel 1: Begrippen Artikel 1 geeft de betekenis aan een aantal in de regels voorkomende begrippen. Hierdoor wordt de interpretatie van de begrippen vastgelegd, waardoor de duidelijkheid wordt vergroot; Artikel 2: Wijze van meten De wijze van meten geeft aan hoe bepaalde maten dienen te worden berekend. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Deze artikelen bevatten de regels welke direct verband houden met de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Beschrijving van de bestemmingen:
Artikel 3: Groen De hoofdgroenstructuur in het plangebied is als ‘Groen’ bestemd. Het betreft onder meer de doorzichten in het plangebied en de buffer die is opgenomen tussen het woongebied en bestaande functies. Binnen deze bestemming mogen enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd ten behoeve van de groenbestemming. Voet- en fietspaden zijn binnen de bestemming toegestaan. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘verkeer’ is een weg toegestaan met een maximaal breedteprofiel van 5,20 meter. Artikel 4: Natuur De als ‘Natuur’ bestemde gronden zijn aangewezen voor behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. Met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet binnen deze bestemming worden gebouwd. Artikel 5: Verkeer - Verblijfsgebied De toegang vanaf de Egmonderstraatweg is conform de huidige situatie als ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ bestemd. Met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet binnen deze bestemming worden gebouwd. Artikel 6: Woongebied De als ‘Woongebied’ bestemde gronden zijn aangewezen voor wonen, eventueel in combinatie met de uitoefening van aan-huis-gebonden-beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Tevens zijn bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals toegangswegen, paden, erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen en water toegestaan.
Er zijn in het totale plangebied maximaal 162 woningen toegestaan binnen de bouwvlakken, met een maximale goot- en bouwhoogte van 6 respectievelijk 11 meter. Gestapelde woningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding ‘gestapeld’. Op bouwpercelen met de figuur ‘gevellijn’ dient de voorgevel van het hoofdgebouw richting deze figuur te worden gesitueerd. In de specifieke gebruiksregels is de toepassing van de doelgroepenverordening verankerd.
GM-01 Pagina 38 van 61
Juridische planbeschrijving
Voor bijbehorende bouwwerken is aangesloten bij de regels die op grond van het Besluit omgevingsrecht gelden voor bijbehorende bouwwerken. De bestemmingsregels voorzien in een regeling voor beroep en bedrijf aan huis tot maximaal 30% van de bruto vloeroppervlakte van de woning met aan-, uit- en bijgebouwen. Artikel 7: Waarde – Archeologie (dubbelbestemming) Ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden is de bestemming Waarde – Archeologie opgenomen. Indien een ingreep plaatsvindt dieper dan 0,40 meter over een oppervlak van meer dan 500 m² moet worden onderzocht of er archeologische waarden aanwezig zijn en of die kunnen worden geschaad. De oppervlakte en de diepte zijn cumulatieve voorwaarden, dat wil zeggen: als de ingreep kleiner is dan de vrijstellingsdiepte of oppervlakte, dan kan archeologisch onderzoek achterwege blijven. Hoofdstuk 3 Algemene regels Deze artikelen bevatten algemene regels die op de bestemmingen van toepassing zijn. De diverse artikelen worden hieronder kort toegelicht.
Artikel 8: Anti-dubbeltelregel Op grond van de antidubbeltelregel is bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft (artikel 3.2.4 Bro). Deze bepaling voorkomt dat er meer kan worden gebouwd dan er wenselijk is indien een kavel wordt gesplitst en op grond daarvan een nieuw bouwperceel ontstaat. Elk bouwperceel heeft immers in principe recht op een bepaalde hoeveelheid bebouwing. Artikel 9: Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn bepalingen opgenomen voor kleine overschrijdingen van de bouwgrenzen. Daarnaast is in de bouwregels geborgd dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. Artikel 10: Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is geborgd dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid bij uitbreiding of wijziging van de functie. Artikel 11: Algemene afwijkingsregels Deze bepaling geeft de mogelijkheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels ten aanzien van het bouwen van kleine niet voor bewoning dienende gebouwtjes, het overschrijden van bepalingen inzake goothoogte, hoogte, oppervlakte en inhoud van bouwwerken.
Artikel 12: Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor kleine overschrijdingen van de bestemmingsgrenzen. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de laatste bepalingen van de bestemmingsregels. Hieronder worden de verschillende artikelen toegelicht.
Artikel 13: Overgangsregels Het overgangsrecht is tweeledig en heeft betrekking op bouwwerken en gebruik. Artikel 14: Slotregel Dit artikel geeft de naam van het bestemmingsplan aan.
6.4
Handhaafbaarheid
GM-01 Pagina 39 van 61
Juridische planbeschrijving
Een van de uitgangspunten bij de ontwikkeling van een bestemmingsplan is dat de in het plan opgenomen regels handhaafbaar dienen te zijn. Handhaving van het ruimtelijk beleid verdient meer aandacht omdat het een voorwaarde is voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan is aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de in het plan opgenomen regels. Ten behoeve van een goede handhaving van de regels zijn de volgende factoren van belang: Voldoende kenbaarheid geven aan het plan; Voldoende draagvlak voor het beleid en de regelgeving in het plan; Inzichtelijke en realistische regeling; Handhavingsbeleid.
GM-01 Pagina 40 van 61
7
Financiële uitvoerbaarheid
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in het kader van het bestemmingsplan een onderzoek te worden gedaan naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van het plan. De maatschappelijke aspecten worden in hoofdstuk 8 toegelicht. In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is voorgeschreven dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor de gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is de definitie van bouwplan gegeven, waarbij de bouw van één of meerdere woningen als bouwplan wordt gedefinieerd. Met het tweede lid van artikel 6.12 Wro kan worden afgeweken van de plicht een exploitatieplan vast te stellen, mits het verhaal van kosten anderszins is verzekerd. Voor de ontwikkeling van het plan is een anterieure overeenkomst gesloten met de ontwikkelaar BPD gesloten. Hierin wordt bepaald dat de ontwikkelende partij alle kosten en risico’s dragen die met de gebiedsontwikkeling zijn gemoeid. De gemeente acht deze partij in staat om deze kosten te dragen. De kosten worden terugverdiend in de vorm van verkoop van woningen. Op grond van deze gegevens kan de financiële uitvoerbaarheid van het plan in voldoende mate gewaarborgd worden geacht.
Pagina 41 van 61
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
8
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
8.1
Inspraak en overleg
In de fase van voorontwerp dienen, ingevolge artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), burgemeester en wethouders te overleggen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in geding zijn. In verband hiermee is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de verschillende overlegpartners. Tevens heeft het voorontwerp bestemmingsplan op grond van de ‘Inspraakverordening Bergen 2006’ vanaf 16 november 2017 gedurende vier weken voor eenieder ter inzage gelegen. Van 4 instanties is een vooroverlegreactie ontvangen. Naar aanleiding van de inspraak zijn binnen de inspraaktermijn 30 inspraakreacties ontvangen, waarvan 11 unieke reacties. In de Nota van beantwoording inspraak en vooroverlegreacties’ zijn de ontvangen vooroverlegreacties en de inspraakreacties samengevat en van een inhoudelijke beantwoording voorzien. Vervolgens is aangegeven of de reactie aanleiding geeft tot aanpassing van het plan en op welke wijze. Tot slot zijn de ambtelijke wijzigingen opgesomd.
8.2
Zienswijzen en beroep
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 26 maart 2021 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Het ontwerpbesluit met de relevante stukken hebben ter inzage gelegen op het gemeentehuis van de gemeente Bergen, en zijn ook op de gemeentelijke website gepubliceerd. Het ontwerpbestemmingsplan is daarbij gedurende de terinzagetermijn tevens op www.ruimtelijkeplannen.nl elektronisch beschikbaar gesteld. Gedurende de terinzagetermijn is eenieder in de gelegenheid gesteld (schriftelijk of mondeling) zienswijzen over de ontwerpbesluiten naar voren te brengen. Er zijn 48 zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn samengevat, geclusterd en van beantwoording voorzien in de ‘Nota van Zienswijzen’. In de Nota is een overzicht van aanpassingen in het bestemmingsplan opgenomen. Omdat het bestemmingsplan de bouw van meer dan 11 woningen mogelijk maakt, is de Crisisen Herstelwet van toepassing.
Pagina 42 van 61
REGELS
REGELS
Pagina 43 van 61
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 1.1
Begrippen
plan:
het bestemmingsplan "Delversduin, Egmond aan den Hoef" met identificatienummer NL.IMRO. NL.IMRO.0373.BPG1006Delversduin-C001 van de gemeente Bergen (NH). 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
aan-huis-gebonden beroep
het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, (para)medisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, niet zijnde thuisprostitutie, welke door hun beperkte omvang in een gedeelte van een woning en de daarbij behorende bebouwing worden uitgeoefend, waarbij de woonfunctie als primaire functie behouden en herkenbaar blijft. 1.4
aan- en uitbouw:
een aan een hoofdgebouw aangebouwd (deel van het) gebouw dat in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.5
aanduiding
en geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.6
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.7
archeologisch deskundige:
een deskundige met opgravingbevoegdheid of met gekwalificeerde kennis op het gebied van de archeologie. 1.8
archeologisch onderzoek:
onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt. 1.9
archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen in de bodem en uit het verleden. 1.10
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
Pagina 44 van 61
Hoofdstuk 1
1.11
Inleidende regels
bed en breakfast
een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt. Een bed & breakfast is gevestigd in een woonhuis of bijgebouw en wordt gerund door de eigenaren van het betreffende huis. 1.12
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak. 1.13
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.14
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. 1.15
bijgebouw
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand, gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en dat niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.16
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.17
bouwgrens
de grens van een bouwvlak. 1.18
bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. 1.19
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.20
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel. 1.21
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.22
bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.23
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
Pagina 45 van 61
Hoofdstuk 1
1.24
Inleidende regels
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.25
hoofdgebouw
een gebouw, dat door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming, als het belangrijkste gebouw valt aan te merken. 1.26
huishouden
de bewoning van een woning door een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame, gemeenschappelijke huishouding voeren en waarbij sprake is van zelfstandige bewoning. 1.27
kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, niet zijnde thuisprostitutie, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer geldt, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.28
landschapswaarde
de in een gebied aanwezige waarde, wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende natuur, levende natuur en cultuur. 1.29
middeldure huurwoning
een woning waarbij de in de gemeentelijke Doelgroepenverordening Bergen 2020 of opvolgende regeling, gestelde regels voor "middeldure huurwoning" van toepassing zijn. 1.30
natuur- en landschapsdeskundige
een door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen inzake natuur en landschap. 1.31 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.32
peil
a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld na voltooiing van de bouw. 1.33
prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.34
recreatiewoning:
een permanent ter plaatse aanwezig gebouw, geen woonkeet en geen caravan of andere constructie op wielen zijnde, dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt.
Pagina 46 van 61
Hoofdstuk 1
1.35
Inleidende regels
seksinrichting
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.36
sociale huurwoning
een woning waarbij de in de gemeentelijke Doelgroepenverordening Bergen 2020 of opvolgende regeling, gestelde regels voor "sociale huurwoning" van toepassing zijn. 1.37
voorgevel
de naar de openbare weg gerichte gevel van een gebouw / het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.38
wonen
het bewonen van een woning, door niet meer dan één huishouden; 1.39
woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.40
woonhuis
een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.