CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 1.1 11-01-2022 BP Dorp en Duin (voorheen Veegplan) 2022 - Toelichting Inclusief Bijlagen.pdf

Gemeenteraad 8 februari 2022, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 8: BP Dorp en Duin (woningbouwlocaties EadH en Egm. Binnen) DOORGESCHOVEN NAAR RAAD 8 MAART 202229.066 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|55 in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. Hogeweg De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 45 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde, waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Limmerweg De voorkeursgrenswaarde wordt op een gedeelte van het plangebied overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Limmerweg bedraagt maximaal 52 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Indien woningen worden gebouwd in het gebied waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, zal de gemeente Bergen hogere waarden moeten verlenen. Kruisfkroft Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 42 dB (incl. art. 110g), waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Conclusie Als gevolg van de geluidbelasting vanwege de Herenweg /N512 en de Limmerweg zal voor delen van het plangebied Egmond Binnen Zuid door de gemeente hogere waarden verleend worden. Het betreft een hogere waarde van maximaal 53 dB. Conform artikel 110a lid 5 Wgh is onderzocht of de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege de weg, van de gevel van de betrokken woningen tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Het treffen van bronmaatregelen aan de Herenweg /N512, zoals het verlagen van de snelheid, het terugbrengen van de verkeersintensiteit of een ander wegdektype stuit op verkeerskundige en financiële bezwaren. Het betreft een doorgaande provinciale weg buiten de bebouwde kom met een belangrijk stroomfunctie. Aanpassingen aan de weg gericht op een lagere geluidsbelasting zijn vanwege de belangrijke verkeersfunctie niet wenselijk. Vanuit stedenbouwkundige en landschappelijke aard is het niet gewenst om geluidschermen of geluidwallen te realiseren. Deze zijn vanwege de gewenste zichtlijnen en openheid richting het omringende landschap niet gewenst.

In de “beleidsnotitie procedure hogere grenswaarden” van de gemeente Bergen zijn de beleidsuitgangspunten voor het verlenen van hogere grenswaarden opgenomen. Uit deze NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|56 beleidsuitgangspunten blijkt dat bij een geluidbelasting van maximaal 53 dB sprake is een Redelijk akoestisch leefklimaat volgens de Gezondheidseffectscreening. Bij de nadere uitwerking van de bouwplannen dient rekening gehouden te worden met: 

bronmaatregelen indien mogelijk

overdrachtsmaatregelen indien mogelijk

aandacht voor geluidluwe buitenruimte en gevel

Compensatie / geluidluwe zijde Met compensatie wordt bedoeld “het verbeteren van een verminderde leefomgevingskwaliteit die is ontstaan als gevolg van een te hoge geluidbelasting”. Bij compensatie kan onderscheid gemaakt worden tussen akoestische en niet-akoestische compensatie. Bij akoestische compensatie moet gedacht worden aan: slaapkamers, balkons en tuinen aan de achterkant (geluidluwe zijde) situeren. Wanneer de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, dient in eerste instantie gekeken te worden naar akoestische compensatie. Indien de woning beschikt over een buitenruimte, dan is deze bij voorkeur gelegen aan de geluidsluwe zijde. Naast (of in plaats van) de akoestische compensatie kan eventueel worden gekozen voor niet akoestische compensatie. Dit omvat alle factoren, die als positief element kunnen worden gezien in een omgeving, zoals een mooi uitzicht, veel groen, goed openbaar vervoer, winkels in de directe omgeving, enzovoort. Deze aspecten zijn soms zeer subjectief. Voor de motivering om een hoge geluidbelasting toe te staan, is het wel van belang om inzicht te krijgen in de niet-akoestische compensatie.

De vraag, die gesteld kan worden is: “Ondanks de hoge geluidbelasting wil men op deze locatie toch graag wonen / bouwen omdat ………….” Bij het plandeel waarvoor een hogere waarde verleend moet worden bestaat de mogelijkheid om geluidluwe buitenruimten en gevels te maken door een slim gebouwontwerp. Daarnaast hebben juist deze woningen een vrij en groen uitzicht, waardoor sprake is van niet akoestisch compensatie. De hogere waarden zijn in principe verleenbaar. In de regels van dit bestemmingsplan is vastgelegd dat vergunning voor bouwen pas verleend kan worden als is aangetoond dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder ofwel als hogere waarden zijn verleend. Onderzoek Egmond aan de Hoef Oost In het kader van de realisatie van nieuwbouwwoningen voor de locatie Egmond-Binnen Oost is door K+ Adviesgroep tevens een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van de Wet geluidhinder. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Hoeverweg N512. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de Sabine van Beierlaan en Prins Willem Alexanderlaan tevens opgenomen in het akoestisch onderzoek. De rapportage is opgenomen als bijlage bij de toelichting.

Hoeverweg N512 De voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde wordt op een gedeelte van het plangebied overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Hoeverweg N512 bedraagt maximaal 65 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh).

NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|57 Indien woningen worden gebouwd in het gebied waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, zal de gemeente Bergen hogere waarden moeten verlenen. Indien woningen buiten de bebouwde kom worden gebouwd in het gebied waar de maximale ontheffingswaarde buitenstedelijk gebied wordt overschreden of binnen de bebouwde kom in het gebied waar de maximale ontheffingswaarde binnenstedelijk gebied wordt overschreden, is nieuwbouw in dit gebied alleen mogelijk door het toepassen van een of meer dove gevels. Dit is een gevel waarin, voor zover zich daarachter een verblijfsruimte bevindt, geen te openen delen zijn opgenomen. Door de nieuwe woningen akoestisch slim te ontwerpen kan het aantal gevels wellicht beperkt blijven. Indien een hogere waarde is vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat de woningen dienen te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Conform het Bouwbesluit worden in het geval van het overschrijden van de voorkeursgrenswaarde eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering.

Wanneer een hogere waarde is verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. Sabine van Beierlaan/Prins Willem Alexanderlaan Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 45 dB (incl. art. 110g), waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Als gevolg van de geluidbelasting vanwege de Hoeverweg/ N512 zal voor delen van het plangebied Egmond aan den Hoef Oost door de gemeente hogere waarden verleend worden. Het betreft een hogere waarde van maximaal 53 dB.

Conform artikel 110a lid 5 Wgh is onderzocht of de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege de weg, van de gevel van de betrokken woningen tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Het treffen van bronmaatregelen aan de Hoeverweg /N512, zoals het verlagen van de snelheid, het terugbrengen van de verkeersintensiteit of een ander wegdektype stuit op verkeerskundige en financiële bezwaren. Het betreft een doorgaande provinciale weg buiten de bebouwde kom met een belangrijk stroomfunctie. Aanpassingen aan de weg gericht op een lagere geluidsbelasting zijn vanwege de belangrijke verkeersfunctie niet wenselijk.

NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|58 Vanuit stedenbouwkundige en landschappelijke aard is het niet gewenst om geluidschermen of geluidwallen te realiseren. Deze zijn vanwege de gewenste zichtlijnen en openheid richting het omringende landschap niet gewenst. In de “beleidsnotitie procedure hogere grenswaarden” van de gemeente Bergen zijn de beleidsuitgangspunten voor het verlenen van hogere grenswaarden opgenomen. Uit deze beleidsuitgangspunten blijkt dat bij een geluidbelasting van maximaal 53 dB sprake is een Redelijk akoestisch leefklimaat volgens de Gezondheidseffectscreening. Bij de nadere uitwerking van de bouwplannen dient rekening gehouden te worden met: 

bronmaatregelen indien mogelijk

overdrachtsmaatregelen indien mogelijk

aandacht voor geluidluwe buitenruimte en gevel

Compensatie / geluidluwe zijde Met compensatie wordt bedoeld “het verbeteren van een verminderde leefomgevingskwaliteit die is ontstaan als gevolg van een te hoge geluidbelasting”. Bij compensatie kan onderscheid gemaakt worden tussen akoestische en niet-akoestische compensatie. Bij akoestische compensatie moet gedacht worden aan: slaapkamers, balkons en tuinen aan de achterkant (geluidluwe zijde) situeren. Wanneer de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, dient in eerste instantie gekeken te worden naar akoestische compensatie. Indien de woning beschikt over een buitenruimte, dan is deze bij voorkeur gelegen aan de geluidsluwe zijde. Naast (of in plaats van) de akoestische compensatie kan eventueel worden gekozen voor niet akoestische compensatie. Dit omvat alle factoren, die als positief element kunnen worden gezien in een omgeving, zoals een mooi uitzicht, veel groen, goed openbaar vervoer, winkels in de directe omgeving, enzovoort. Deze aspecten zijn soms zeer subjectief. Voor de motivering om een hoge geluidbelasting toe te staan, is het wel van belang om inzicht te krijgen in de niet-akoestische compensatie.

De vraag, die gesteld kan worden is: “Ondanks de hoge geluidbelasting wil men op deze locatie toch graag wonen / bouwen omdat ………….” Bij het plandeel waarvoor een hogere waarde verleend moet worden bestaat de mogelijkheid om geluidluwe buitenruimten en gevels te maken door een slim gebouwontwerp. Daarnaast hebben juist deze woningen een vrij en groen uitzicht, waardoor sprake is van niet akoestisch compensatie. De hogere waarden zijn in principe verleenbaar. In de regels van dit bestemmingsplan is vastgelegd dat vergunning voor bouwen pas verleend kan worden als is aangetoond dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder ofwel als hogere waarden zijn verleend.

5.7

Luchtkwaliteit

De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Voor de verschillende stoffen zijn normen (grenswaarden) opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties en voor dagelijkse concentraties (vierentwintiguurgemiddelde). De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het “Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)”. Van bepaalde projecten met NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|59 getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de Algemene Maatregel van Bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de Ministeriële Regeling ‘Niet in betekenende mate’ (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgesteld die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip NIBM is gedefinieerd als de grenswaarde voor stikstof (NO2) en fijnstof (PM10). In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdrage aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarde voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekening, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarde voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Onderzoek De ontwikkeling betreft het realiseren van woningbouw op een tweetal aangewezen locaties. In totaal worden maximaal 250 woningen mogelijk gemaakt. De grootste locatie telt een maximum van 150 nieuwe woningen. Bijlage 3A van de Regeling NIBM geeft aan, in welke gevallen een nieuwe woningbouwlocatie in ieder geval ‘Niet in betekende mate’ is.

Een project omvangrijker dan 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, is in beginsel ‘In betekende mate’. Het planvoornemen voorziet in totaal in 250 woningen. De planontwikkeling blijft ruimschoots onder de voorgeschreven grens, waardoor gesteld kan worden dat het voornemen ‘Niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een toetsing aan de grenswaarde voor het aspect luchtkwaliteit is zodoende niet noodzakelijk. Uit de informatie die beschikbaar is via de Monitoringstool NSL blijkt dat de jaargemiddelde concentraties fijn stof en stikstofdioxide in 2020 en 2030 langs wegen in de nabijheid van de plangebieden onder de 35 µg/m³ liggen. Ter plaatse van de plangebieden zal dan ook worden voldaan aan de grenswaarden omdat de concentraties luchtverontreinigende stoffen afnemen naarmate een locatie verder van de weg ligt. Met betrekking tot luchtkwaliteit is in het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.8

Natuurwetgeving

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland.

NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|60 Natura 2000-gebied Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen.

Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes: • Soorten Vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); • Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlage van de verdragen worden tevens vogels genoemd; • Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor soorten die niet in de bijlage van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepalingen moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Quickscan natuurwetgeving Egmond-Binnen Zuid Aeres Milieu B.V. heeft in samenwerking met Faunaconsult B.V. een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd op de locatie Egmond-Binnen Zuid. Voor de locatie is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna.

Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000-gebiede en overige beschermde natuurgebied. De rapportage is opgenomen als bijlage bij de toelichting. NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|61 Natura 2000 Door de voorgenomen werkzaamheden kan verstoring door geluid en beweging optreden. Deze effecten zijn zeer lokaal; bovendien liggen de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Noordhollands Duinreservaat,’ ‘Noordzeekustzone,’ ‘Eilandspolder’ en ‘Schoorlse Duinen’ op een afstand van resp. 0,03; 7,1; 9,5 en 9,7 kilometer van het plangebied. Tussen Natura 2000-gebied ‘Noordhollands Duinreservaat’ en het plangebied in ligt de provinciale weg N512. Tussen het plangebied en Natura 2000-gebied ‘Noordzeekustzone’ ligt de provinciale weg N512, de bebouwde kom van Egmond-Binnen en enkele agrarische bedrijven. Tussen ‘Eilandspolder’ en het plangebied in liggen de snelweg A9, de provinciale wegen N203 en N244 een spoorweg en diverse agrarische bedrijven. Tussen ‘Schoorlse Duinen’ en het plangebied liggen de provinciale wegen N510, N511 en N512 en de bebouwde kom van Egmond-Binnen. Ook vanwege de afstand verwachten wij van de voorgenomen werkzaamheden geen effect op bovengenoemde Natura 2000-gebieden. De hierboven genoemde Natura 2000-gebieden bevatten tenminste één stikstofgevoelig habitattype, dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. De bouw van de woningen en de extra verkeersbewegingen zullen leiden tot wat stikstofuitstoot.

Doordat de woningen circulair en klimaatneutraal worden gebouwd, zal er bij het gebruik van de woningen naar verwachting echter geen extra stikstof uitgestoten worden. Wel zal de toekomstige bewoning extra verkeersbewegingen opleveren (die tot een extra stikstofuitstoot leiden). De voorgenomen plannen hebben mogelijk een effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Het is wel mogelijk dat de komst van de woningen zal leiden tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het is daarom nodig te bepalen of dat het geval is. In paragraaf 5.9 Stikstof is nader onderzocht of het planvoornemen een significant effect op de natuurwaarden heeft ten gevolge van stikstofdepositie. Uit de berekeningen blijkt dat gedurende de gebruiksfase geen rekenresultaten met een toename hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op de omliggende Nederlandse Natura 2000-gebieden zijn berekend ten opzichte van de huidige situatie. Dit komt doordat met deze ontwikkeling een einde komt aan het huidige agrarisch gebruik, zowel fysiek als planologisch. Per saldo (intern salderen) is er dus geen toename aan stikstofdepositie (0,00 mol N/ha/jr). Effecten op Natura 2000, zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. Een vergunning inzake de Wet Natuurbescherming (Wnb) is dus niet vereist.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het nabij het plangebied gelegen Natura-2000 gebied Noordhollands Duinreservaat is tevens aangeduid als NNN. Stikstofgevoelige beheertypen ‘Duinbos’ en ‘Open Duin’ liggen op resp. 30 meter en 170 meter afstand van het plangebied. De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN in Noord-Holland bestaan uit de aanwezige actuele en potentiële natuurwaarden waarvoor de provincie op internationaal, nationaal of regionaal niveau een grote verantwoordelijkheid draagt, inclusief alle noodzakelijke abiotische en ruimtelijke condities voor deze natuurwaarden. Door de werkzaamheden gaat er geen NNN verloren. De bouw van de woningen en de toenemende verkeersbewegingen zorgen voor wat stikstofuitstoot dat mogelijk een effect kan hebben op het NNN. Omdat het nabij het plangebied gelegen NNN tevens is aangewezen als Natura-2000 gebied ‘Noordhollands duinreservaat’, is er naast de toetsing op stikstofdepositie (is uitgevoerd, zie paragraaf 5.9.) geen extra toetsing meer nodig.

NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|62 Soortenbescherming Uit de conclusies van de quick scan blijkt dat met inachtneming van de gestelde maatregelen ten aanzien van beschermde dieren en planten het soortenbeschermingsregime uit de Wnb niet in de wegstaat aan de uitvoering van het plan. Egmond aan den Hoef Oost Aeres Milieu B.V. heeft in samenwerking met Faunaconsult B.V. een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd op de locatie Egmond aan den Hoef Oost. Voor de locatie is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000-gebiede en overige beschermde natuurgebied. De rapportage is opgenomen als bijlage bij de toelichting. Natura 2000 Door de voorgenomen werkzaamheden kan verstoring door geluid en beweging optreden. Deze effecten zijn zeer lokaal. Bovendien liggen de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Noordhollands Duinreservaat,’ ‘Noordzeekustzone’ en ‘Schoorlse Duinen’ op een afstand van resp. 0,6; 3,6 en 5,9 kilometer van het plangebied. Tussen deze Natura 2000-gebieden en het plangebied in liggen de provinciale weg N511 en een gedeelte van de bebouwde kom van Egmond aan den Hoef. Tussen het plangebied en Natura 2000-gebied ‘Schoorlse Duinen’ in ligt daarnaast nog de provinciale weg N510 en een gedeelte van de bebouwde kom van Wimmenum.

Ook vanwege de afstand verwachten wij van de voorgenomen werkzaamheden geen effect op bovengenoemde Natura 2000-gebieden. De hierboven genoemde Natura 2000-gebieden bevatten tenminste één stikstofgevoelig habitattype, dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. De bouw van de woningen en de extra verkeersbewegingen zullen leiden tot wat stikstofuitstoot. Doordat de woningen circulair en klimaatneutraal worden gebouwd, is er voor de grondstoffen en het gebruik ervan geenextra stikstofemissie te verwachten. Ook zal de toekomstige bewoning extra verkeersbewegingen opleveren (die tot een extra stikstofuitstoot leiden). Het is dus mogelijk dat er een significant negatief effect op bovengenoemd (en verder van het plangebied gelegen) Natura 2000-gebied(en) zal ontstaan. In paragraaf 5.9 Stikstof is nader onderzocht of het planvoornemen een significant effect op de natuurwaarden heeft ten gevolge van stikstofdepositie. Uit de berekeningen blijkt dat gedurende de gebruiksfase geen rekenresultaten met een toename hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op de omliggende Nederlandse Natura 2000-gebieden zijn berekend ten opzichte van de huidige situatie. Dit komt doordat met deze ontwikkeling een einde komt aan het huidige agrarisch gebruik, zowel fysiek als planologisch. Per saldo (intern salderen) is er dus geen toename aan stikstofdepositie (0,00 mol N/ha/jr).

Effecten op Natura 2000, zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. Een vergunning inzake de Wet Natuurbescherming (Wnb) is dus niet vereist. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt op circa 515 meter afstand van het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bestaande uit het beheertype ‘Droog schraalland’. Door de werkzaamheden gaat er geen NNN verloren. De bouw van de woningen en de toenemende verkeersbewegingen hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNN.

NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|63 Soortenbescherming Uit de conclusies van de quick scan blijkt dat met inachtneming van de gestelde maatregelen ten aanzien van beschermde dieren en planten het soortenbeschermingsregime uit de Wnb niet in de wegstaat aan de uitvoering van het plan. Conclusie Uit de quick scans natuurwetgeving blijkt dat het aspect natuurwetgeving geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Het aspect ‘Stikstof’ wordt in de navolgende paragraaf behandeld.

5.9

Stikstof

Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De wet moet ervoor zorgen dat de verschillende planten- en diersoorten in de natuur blijven bestaan. De bescherming van Natura 2000-gebieden vindt dan ook plaats op grond van deze wet. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudings-doelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kan verschillen tussen habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. De Wet natuurbescherming kent, om dit toetsbaar te maken, eisen voor plannen die significante gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden (artikel 2.7, eerste lid, Wnb). Daarnaast geldt een vergunningsplicht voor projecten die (significant) negatieve gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden (artikel 2.7, tweede lid, Wnb).

Beoordelingskader effecten stikstofdepositie projecten Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en de daarbij behorende toetsingskader is in werking getreden op 1 juli 2015. Tot 29 mei 2019 was toestemming voor activiteiten waar stikstof bij vrij komt gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) het PAS echter ongeldig verklaard. Hierdoor verloopt de beoordeling en vergunningverlening voor projecten met stikstofdepositie weer per project, zoals beschreven in de wettelijke regeling van de Wnb (zie voorgaande paragraaf). Voor het onderdeel stikstofdepositie geldt geen vergunningplicht Wnb als uit de AERIUSberekeningen blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar). Indien uit de AERIUS-berekening blijkt dat er sprake is van een toename van de stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar), dan is er in de meeste gevallen wel een vergunningplicht Wnb. Dit geldt niet als uit een ecologische voortoets blijkt dat significante gevolgen op grond van objectieve criteria op voorhand zijn uit te sluiten. Een Wnb-vergunning kan in de volgende situaties worden verleend: 

in het stikstofregistratiesysteem is voldoende depositieruimte beschikbaar om de effecten van het project te salderen; o Met het stikstofregistratiesysteem is (door stikstofreducerende maatregelen) depositieruimte gecreëerd, waardoor een deel kan worden ingezet voor het verlenen

NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|64 van een Wnb-vergunning. Dit is uitsluitend mogelijk voor woningbouwprojecten en een beperkt aantal infrastructurele projecten. 

uit een passende beoordeling (eventueel incl. extern salderen) blijkt dat er geen risico’s zijn voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000gebieden;

na het succesvol doorlopen van de ADC-toets. o Dit is een onderzoek waaruit moet blijken dat er geen alternatieven zijn voor het project, er dwingende reden(en) van groot openbaar belang zijn en waarbij compensatie van Natura 2000 plaatsvindt.

Een vergunning Wnb kan niet worden verleend als uit de AERIUS-berekening blijkt dat er sprake is van een toename van de stikstofdepositie (> 0,00 mol N/ha/jaar) en er niet aan één van bovenstaande beschreven situaties is voldaan. Salderen stikstofdepositie en referentiesituatie Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:71) blijkt dat geen Wnb vergunning vereist is indien na intern salderen een project niet leidt tot een toename aan stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. De ABRvS overweegt (r.o. 17) dat met de wetswijziging van 1 januari 2020 alleen nog een vergunningplicht bestaat voor projecten die (negatief) significante gevolgen kunnen hebben op Natura 2000-gebieden. De vergunningplicht voor projecten die enige maar geen significante gevolgen kunnen hebben is vervallen. De referentiesituatie voor projecten wordt ontleend aan de geldende natuurvergunning of, bij het ontbreken daarvan, aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum (dat is het moment waarop artikel 6 van de Habitatrichtlijn van toepassing werd voor het betrokken Natura 2000gebied). Dit is niet het geval als nadien een milieutoestemming is verleend voor een activiteit met minder gevolgen, want dan geldt die toestemming als referentiesituatie (ECLI:NL:RVS:2021:71. R.o. 17.2).

Wanneer op de referentiedatum gronden werden bemest, viel dat bemesten onder de (algemene) meststoffenregelgeving. Daarmee wordt voldaan aan het vereiste van een milieutoestemming ten tijde van de referentiedatum (ABRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604, r.o. 22.5). Door dat oordeel van de ABRvS kan in een natuurvergunning intern worden gesaldeerd met de beëindiging van bemesting. Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland maken dit ook concreet in de Beleidsregel omtrent stikstof. Een activiteit die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die sindsdien onafgebroken aanwezig is geweest is een toestemming die gebruikt kan worden bij intern salderen (Art 1 lid n 50 van de Beleidsregel). Extern salderen is een mitigerende maatregel. Indien mitigerende maatregelen nodig zijn, staat niet op voorhand vast dat een project geen significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. Er is dan een op grond van artikel 2.7 tweede lid Wnb een vergunning nodig en op grond van artikel 2.8 derde lid een passende beoordeling nodig. Beslisboom vergunningverlening De provincies hebben beleidslijnen opgesteld om duidelijkheid te geven over de toepassing van intern en extern salderen in de vergunningverlening voor projecten. Deze berekening voorziet in stap 1 (AERIUS-berekening) en een beschouwing van stap 2 (Intern salderen).

Beoordelingskader voor bestemmingsplannen NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|65 De gemeenteraad stelt een bestemmingsplan alleen vast wanneer de raad voldoende zekerheid heeft verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Als een plan leidt tot een toename aan stikstofdepositie, en waarvoor significante gevolgen niet in een voortoets zijn uit te sluiten, dient een passende beoordeling opgesteld te worden. Indien ook in de passende beoordeling, na eventueel treffen van mitigerende maatregelen, significante gevolgen niet zijn uit te sluiten, stelt de raad het plan alleen vast na succesvol doorlopen van de ADC-toets (artikelen 2.7 en 2.8 Wnb). Net als bij projecten geeft een AERIUS berekening inzicht in de eventuele toename aan stikstofdepositie door een plan. De referentiesituatie voor plannen is echter anders dan bij projecten. De referentie voor plannen is niet de vergunde situatie, maar de feitelijke planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan (ECLI:NL:RVS:2020:1110, r.o. 12.7). Beoordeling aanlegfase Door intreding van de wet Stikstofreductie op 1 juli 2021 is het niet langer nodig een activiteit met tijdelijke emissies op de lokale effecten te toetsen. De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwing gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningplicht.

Cumulatie stikstofdepositie Conform de Wet natuurbescherming dient beoordeeld te worden of een project zelfstandig of in combinatie met andere plannen of projecten, tot significante effecten kan leiden op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied. Met deze cumulatietoets heeft de wetgever beoogd te voorkomen dat vele plannen en projecten met een klein effect, samen tot significante gevolgen kunnen leiden. Plannen en projecten die in het geheel geen effect hebben, kunnen ook niet in combinatie tot andere plannen of projecten tot significante gevolgen leiden. Indien uit de AERIUS-berekening blijkt dat het plan of project niet leidt tot een toename aan stikstofdepositie, is een verdere cumulatieve beoordeling dus niet nodig. In de praktijk ontstaan vaak discussies over de reikwijdte van de cumulatietoets. In eerdere uitspraken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak dan ook verduidelijkt om welke ontwikkelingen het gaat. Een voorbeeld is de zaak ‘ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1312’. Hieruit blijkt dat bij de cumulatietoets slechts rekening gehouden moet worden met andere projecten waarvoor een vergunning reeds is verleend, maar nog niet (of slechts ten dele) ten uitvoer is gelegd. Projecten waarvoor een vergunning is vereist, maar nog niet is verleend worden beschouwd als te ‘onzeker’ en hoeven in de cumulatietoets niet meegenomen te worden.

Ditzelfde geldt voor projecten di reeds zijn uitgevoerd, waarbij de gedachte geldt dat de gevolgen van die activiteiten reeds in de huidige situatie zijn verdisconteerd. Voor de vraag of een project in de beoordeling moet worden betrokken is dus zowel van belang in welke fase van het besluitvormings- en uitvoeringsproces het project zich bevindt (vergunning verleend en nog niet of nog slechts ten dele uitgevoerd), als de mogelijke effecten die ervan uit gaan (zie ook ABRvS 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2848). Onderzoek Voor de woningbouwontwikkelingen op de locaties Egmond-Binnen Zuid en Egmond aan den Hoef Oost zijn stikstofberekeningen uitgevoerd. De berekeningen zijn als bijlage bij de toelichting opgenomen. Met de berekening is bekeken of de toekomstige situatie leidt tot een toename van de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden ten opzichte van de huidige situatie. Door intreding van de wet Stikstofreductie op 1 juli 2021 is het niet langer nodig een activiteit met NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|66 tijdelijke emissies op de lokale effecten te toetsen. Het gaat hierbij om de bouw, sloop en eenmalige aanleg van bebouwing. Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn – gedurende de gebruiksfase geen rekenresultaten met een toename hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op de omliggende Nederlandse Natura 2000-gebieden zijn berekend ten opzichte van de huidige situatie. Dit komt doordat met deze ontwikkeling een einde komt aan het huidige agrarisch gebruik, zowel fysiek als planologisch. Per saldo (intern salderen) is er dus geen toename aan stikstofdepositie (0,00 mol N/ha/jr). Conclusie Uit het bovenstaand volgt dat een maximale invulling van de in het bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingsmogelijkheden niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige overbelaste Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. Er bestaat aldus de zekerheid dat significant negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten.

5.10

Spuitzones aangrenzende teeltgronden

Aangrenzend aan delen van het plangebied zijn gronden in gebruik voor de teelt van bloembollen en -knollen en overige bloemkwekerijgewassen. Voor de teelt van deze gewassen wordt gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, die, in bepaalde waarden, schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Er zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop deze gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige objecten, zoals woningen. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen moet plaatsvinden, waarbij de aan te houden afstand tussen de gronden waarop deze gewassen worden geteeld en woningen zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd en dat de bedrijven die de teelt op deze gronden uitvoeren niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Onderzoek Door de gemeente Bergen is de “Notitie Gewasbeschermingsmiddelen” (bijlage, gemeente Bergen, 5 januari 2022) opgesteld. Deze beoordeling valt uiteen in de volgende vijf onderwerpen; Activiteitenbesluit, Vuistregel, Locatiespecifiek onderzoek, Vanggewas en Bedrijfsbelangen. Conclusie In de notitie zijn alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen afgewogen.

De conclusie daarbij is dat door de regelgeving in het Activiteitenbesluit, diverse onderzoeken naar drift bij vollegrondsteelt, het locatiespecifieke onderzoek van Adromi en de opneming van een afstandseis en een voorwaardelijke verplichting tot toepassing van fysieke driftreductie, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldoende wordt geborgd en aangrenzende bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad.

NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|67

5.11

Water

De watertoets is een verplicht onderdeel van een bestemmingsplan. Het is verplicht in beeld te brengen wat de effecten van de voorgenomen activiteit op de waterhuishouding zijn. Het gaat hier zowel om de waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het streven is er zoveel mogelijk op gericht om water (regen-, afval- en oppervlaktewater) op een goede manier in te passen in het ontwerp. Door Aeres Milieu is een waterparagraaf opgesteld voor de ontwikkelingen van nieuwe woningen ter plaatse van Egmond-Binnen Zuid en Egmond aan den Hoef Oost. Tevens is een waterparagraaf voor de huidige situatie van Egmond aan den Hoef Noord opgesteld. De rapportages per deellocatie zijn als bijlagen bij de toelichting opgenomen. Het doel van deze rapportages is een beschrijving te geven van de manier waarop rekening wordt gehouden met de gevolgen van de voorgenomen nieuwbouw op het perceel voor de waterhuishouding. Hieronder zijn de bestaande waterhuishouding, gehanteerde uitgangspunten en randvoorwaarden om te komen tot een duurzame herontwikkeling kort beschreven. Voor de uitvoerige beschrijving en onderbouwing wordt verwezen naar de waterparagrafen opgenomen in de bijlage. Watertoets Egmond-Binnen Zuid Watersystemen De (water)systemen zoals die in het plangebied en omgeving voorkomen, worden onderverdeeld in grond-, oppervlakte-, afval- en hemelwater. Hieronder zijn deze aspecten kort beschreven.

Grondwater Het plangebied kent enig hoogteverschil en door het agrarisch gebruik zijn er verschillende afwatergeulen in de percelen aanwezig. De twee westelijke percelen lopen geleidelijk af in oostelijk richting vanaf 2,1 m +NAP naar circa 1,1 m +NAP. Door de aanwezigheid van de watergangen met een vaste stuw wordt de grondwaterstand ingeschat op circa 0,1 m +NAP. Het oostelijke perceel kent minder hoogteverschil en ligt gemiddeld op circa 0,9 m +NAP. Hier wordt de grondwaterstand ingeschat rond de 0,15 m -NAP. Daarnaast wordt geadviseerd om de woningen circa 20-30 centimeter boven de kruin van de weg/maaiveld aan te leggen, zodat eventuele instroom bij hevige neerslag vermeden kan worden. Binnen of vlak bij het onderzoeksgebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. De milieuhygiënische conditie van het grondwater vormt, zover bekend, geen belemmering voor de realisatie van woningen. Waterkeringen Binnen het plangebied zijn geen regionale of primaire waterkeringen aanwezig. Het plangebied ligt niet binnen een beschermingszone van een waterkering, waardoor werkzaamheden binnen het plangebied geen (direct) negatief effect hebben op de waterveiligheid van het gebied. Oppervlaktewater Binnen het plangebied zijn primaire en secundaire oppervlaktewateren aanwezig met een beschermingszone van 5 meter.

Binnen deze zone mag zonder toestemming niet worden gebouwd of obstakels worden geplaatst. Indien bij het uitvoeren van het planvoornemen watergangen gedempt worden is het noodzakelijk deze één op één te compenseren. Het nieuwe NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|68 oppervlaktewater dient gegraven te worden voordat een bestaande watergang gedampt mag worden. Een watervergunning is hiervoor verplicht. Afvalwater Bij het planvoornemen zal een gescheiden rioolstelsel worden aangelegd, zodat vuilwater apart verwerkt kan worden. Door deze scheiding zal de belasting op het gemeentelijk rioolstelsel beperkt blijven. Met de bouw van circa 100 woningen zal de vuilwaterstroom naar het gemeentelijk rioolstelsel toenemen naar circa 30 m3/d. In overleg met de gemeente Bergen en het HHNK dienen afspraken gemaakt te worden over de verwerking van het vuilwater in het huidige stelsel. Hemelwater In de huidige situatie is geen verharding aanwezig, waardoor het hemelwater lang binnen het gebied aanwezig blijft. Door het planvoornemen zal de verharding flink toenemen en komt het hemelwater versneld tot afstroom. Hiervoor dient gecompenseerd te worden volgens het beleid van het hoogheemraadschap, waarbij de voorkeur uitgaat naar het graven van (nieuw) oppervlaktewater of het realiseren van een infiltratievoorziening. Vanuit het hoogheemraadschap is aangegeven dar de wijze van compensatie in alternatieve vorm in dit gebied voor de hand ligt, omdat hier periodiek droogvallende waterlopen zijn. Voor een alternatieve waterberging dient gerekend te worden met een bui van 69 mm in 12 uur en 79 mm in 24 uur.

Opgave waterhuishouding met verwachte verhardingstoename en ligging hemelwatercompensatie.

Op het westelijke perceel zal de totale verharding toenemen met circa 8.050 m2. Om het verhard oppervlak te compenseren dient totaal circa 555 m3 geborgen te kunnen worden. Men is voornemens om het hemelwater te verwerken in een wadi met een diepte van circa 0,3 meter. Dit staat gelijk aan een wadi oppervlak van ca. 2.275 m2. In het huidige planvoornemen staan drie wadi’s gepland met een capaciteit tussen de 750 en 800 m2. Eenzelfde berekening is gemaakt voor het oostelijke perceel. Voor dit perceel bedraagt de totale compensatie circa 653 m3 waarvoor een totaal wadi oppervlak van circa 2.175 m2 benodigd is. Dit wordt verwerkt in één grote wadi aan de oostzijde van de woningen.

NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|69 In de planontwikkeling is derhalve afdoende ruimte aanwezig om de toekomstige verharding te compenseren. Voor een verdere verduurzaming en robuustere invulling kunnen de wadi’s dieper aangelegd worden om zo meer water te kunnen vasthouden. Voor langdurig natter periodes is een bovengrondse noodoverloop geadviseerd naar het omliggend oppervlaktewater. Verder kan binnen de ontwikkeling mogelijk in plaats van een dichte verharding gebruik gemaakt worden van halfverhardingen of waterpasserende / groene bestrating waardoor de piekafvoer verder afneemt. Door de aanleg van een gescheiden rioolsysteem, een voldoende hoog bouwpeil, de ruime wadi’s en rekening te houden met de genoemde aandachtspunten uit dit rapport, vindt de ontwikkeling hydrologisch neutraal plaats. Bij het definitieve bouwplan dient de uiteindelijke waterstelsels en maaiveldhoogtes opgenomen te zijn. Bij de verdere uitwerking dient de dimensionering van de wadi's en watergangen middels profielen op schaal met maatvoering in meters t.o.v. NAP pgemaakt te worden. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water kan ppervlakkig afstromen naar de voorziening of als noodoverloop naar het oppervlaktewater. Watertoets Egmond aan den Hoef Oost Watersystemen De (water)systemen zoals die in het plangebied en omgeving voorkomen, worden onderverdeeld in grond-, oppervlakte-, afval- en hemelwater.

Hieronder zijn deze aspecten kort beschreven. Grondwater Het plangebied kent enig hoogteverschil en door het agrarisch gebruik zijn er verschillende afwatergeulen in de percelen gemaakt. Het noordwestelijke perceel ligt op circa 0,2 m +NAP en de grondwaterstand wordt hier ingeschat op circa 0,3 m -NAP. Dit resulteert in een drooglegging van circa 0,5 meter, waardoor een minimale bouwhoogte van 0,4 m +NAP wordt geadviseerd. Voor het noordoostelijke perceel zal min of meer een gelijke drooglegging aanwezig zijn. Het zuidelijk deel (onder de Oude Vaart) heeft een lagere grondwaterstand in verband met de ligging in het peilgebied. Deze locatie heeft een zomerpeil van 0,95 m -NAP en een winterpeil van 1,05 m -NAP. Geadviseerd wordt om een minimale bouwhoogte van 0,2 m -NAP aan te houden. Deze percelen hebben merendeels reeds voldoende drooglegging. Daarnaast wordt geadviseerd om de woningen circa 20-30 centimeter boven de kruin van de weg/maaiveld te bouwen, zodat eventuele instroom bij hevige neerslag vermeden kan worden. Binnen of vlak bij het onderzoeksgebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. De milieuhygiënische conditie van het grondwater vormt, zover bekend, geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. Waterkeringen Binnen het plangebied is een regionale waterkering aanwezig.

Deze waterkering heeft een beschermingszone, kernzone en profiel van vrije ruimte. Ontwikkelingen binnen de kernzone zijn niet toegestaan. Voor ontwikkelingen binnen de beschermingszone is toestemming van het hoogheemraadschap vereist. In het bestemmingsplan is de dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering opgenomen ter bescherming van de regionale waterkering.

NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|70

Uitsnede Legger Waterveiligheid van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

Ook langs de gewenste nieuwe boezemverbinding tussen de Oude Vaart en Hoevervaart zal een regionale waterkering gerealiseerd moeten worden met een beschermingszone, kernzone en profiel van vrije ruimte. Door het hoogheemraadschap zijn de gewenste profielen hiervoor aangedragen. In hoeverre de kade zichtbaar is in het landschap, hangt af van de maaiveldhoogtes. De kruin van de kade heeft in ieder geval een minimale hoogte nodig van NAP +0,5m. Wanneer het omliggende gebied een maaiveldhoogte heeft van bijvoorbeeld NAP -0,3 m., dan steekt de kade daar 80 cm bovenuit. Wanneer het maaiveld op NAP 0,3 m ligt, dan is dat verschil slechts 20 cm. Ten aanzien van de grondsoort die kan worden toegepast in de kade, is het van belang dat er een minimale erosieklasse wordt gebruikt. Oppervlaktewater Ter plaatse is divers oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied valt binnen twee peilgebieden en deels is tevens vrij afwaterend. Centraal door het plangebied stroomt de Oude Vaart, een watergang die behoort tot het boezemwater van de Schermer boezem. Deze Boezem heeft een dynamisch peilbeheer met streefpeil 0,50 m -NAP en een marge van 20 centimeter. Dit boezemwater heeft een belangrijke functie van het regionaal waterbeheer. Afwatering van het gebied ten zuiden van de Oude Vaart moet geborgd blijven.

Omdat het gebied lager gelegen is, is hier nu geen mogelijkheid om onder vrij verval naar de boezem af te wateren (kan alleen als dit gebied integraal wordt opgehoogd naar NAP +0,5m of hoger). De percelen zuidelijk van de Oude Vaart vallen binnen het peilbesluit van het hoogheemraadschap. Hier wordt gestreefd naar een zomerpeil van 0,95 m -NAP en een winterpeil van 1,05 m -NAP. Het noordwestelijke perceel heeft een dynamische peil van 0,5 m -NAP en de noordoostelijke percelen liggen in een vrij afwaterend gebied zonder peil. Op verzoek van het hoogheemraadschap wordt een nieuwe waterverbinding tussen Nieuwe Vaart en Hoevervaart gerealiseerd, langs de oostelijke plangrens. De nieuwe watergang heeft een breedte van 8 tot 10 meter en minimaal 1 meter diepte. De nieuwe watergang vormt de verbinding tussen de twee huidige doorlopende takken van het watersysteem en zorgt voor een meer robuust watersysteem in het gebied tussen Egmond, Bergen en Alkmaar. Daarnaast biedt de watergang NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|71 recreatieve kansen, bijvoorbeeld doordat de kanoroute ten westen van Alkmaar afgerond kan worden. De aansluiting van de nieuwe boezoemverbinding richting de Hoevervaart valt buiten deze planontwikkeling en zal door hoogheemraadschap, gemeente en provincie worden opgepakt. Binnen het plangebied is primaire en secundaire oppervlaktewater aanwezig in de vorm van diverse sloten en watergangen met een beschermingszone van 5 meter. Binnen deze zone mag zonder toestemming geen gebouw of obstakels geplaatst worden. Indien bij het uitvoeren van het planvoornemen watergangen gedempt worden is het noodzakelijk deze één op één te compenseren. Het nieuwe oppervlaktewater dient gegraven te worden voordat een bestaande watergang gedampt mag worden. Afvalwater Bij het planvoornemen zal een gescheiden rioolstelsel worden aangelegd, zodat vuilwater apart verwerkt kan worden van. Hierdoor zal de belasting op het gemeentelijk rioolstelsel beperkt blijven bij (hevige) neerslag. Door de bouw van maximaal 150 woningen zal de vuilwaterstroom naar het gemeentelijk rioolstelsel toenemen naar circa 45 m3/d. In overleg met de gemeente Bergen en het HHNK dienen afspraken gemaakt te worden over de verwerking van het vuilwater in het huidige stelsel. Hemelwater In de huidige situatie is geen verharding aanwezig, waardoor het hemelwater lang binnen het gebied aanwezig blijft.

Door het planvoornemen zal de verharding flink toenemen en komt het hemelwater versneld tot afstroom. Hiervoor dient gecompenseerd te worden volgens het beleid van het hoogheemraadschap, waarbij de voorkeur uitgaat naar het graven van (nieuw) oppervlaktewater. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Vanuit het hoogheemraadschap is aangegeven dat voor het plandeel binnen het poldergebied met een vast peil het compensatiepercentage 5% bedraagt ten opzichte van het totaal aantal vierkante meter toename verhard oppervlak. Voor het noordoostelijke plandeel geldt dat dit een vrijafwaterend gebied is. Vanuit het hoogheemraadschap is aangegeven dar de wijze van compensatie in alternatieve vorm in dit gebied voor de hand ligt, omdat hier periodiek droogvallende waterlopen zijn. Voor een alternatieve waterberging dient gerekend te worden met een bui van 69 mm in 12 uur en 79 mm in 24 uur.

NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|72

Opgave waterhuishouding met aanduiding verwachte hemelwatercompensatie

Poldergebied met vastgesteld peil In de toekomstige situatie neemt de verharding in het plandeel binnen het poldergebied met vastgesteld peil toe met circa 27.780 m2 . Hiervoor hanteert het hoogheemraadschap een compensatiepercentage van 5%. Dit betekent dat ca. 1.390 m2 aan extra open water aangelegd moet worden. In het ruimtelijk plan is een nieuwe centrale waterpartij met een oppervlakte van ca. 1.200 m 2 alsmede een nieuwe boezemverbinding met een oppervlakte van ca. 2.750 m2 opgenomen. Hierdoor is er ruim voldoende mogelijkheid om aan de benodigde waterberging te voldoen. Vrijafwaterend gebied In de toekomstige situatie neemt de verharding in het plandeel binnen het vrijafwaterend gebied toe met circa 12.080 m2 . Hiervoor is een alternatieve waterberging van minimaal ca. 834 m3 noodzakelijk. Op diverse plaatsen worden wadi’s aangelegd met een diepte van minimaal 30 cm om te voorzien in de waterberging. Er is minimaal een oppervlakte van 3.417 m2 gereserveerd voor de waterberging. De locaties van de waterberging zijn in het bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming Waterstaat – Waterberging. Door de voorgenomen forse toename in oppervlaktewater en ruimte voor een wadi wordt er in de huidige bestemmingsplanfase voldoende gecompenseerd voor de verhardingstoename en vindt de ontwikkeling hydrologisch neutraal plaats.

NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|73 Watertoets Egmond aan den Hoef Noord Voor het deelgebied Egmond aan den Hoef Noord is een waterparagraaf opgesteld en de watertoetsprocedure doorlopen. De waterparagraaf is opgenomen in de bijlage bij de toelichting. Aangezien er geen nieuwe ontwikkelingen in dit deelgebied in dit bestemmingsplan zijn opgenomen, gaat de waterparagraaf uitsluitend in op de bestaande situatie en de bestaande waterhuishouding. Overleg hoogheemraadschap In de periode augustus tot en met december 2021 heeft meerdere malen overleg plaats gevonden met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. De opmerkingen en suggesties van het hoogheemraadschap zijn verwerkt in de ruimtelijke plannen. Conclusie De wateraspecten zijn geborgd in dit bestemmingsplan. Voor de bescherming van de waterkeringen is de dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering opgenomen. De benodigde compensatie-eis voor de toename van verhard oppervlak wordt juridisch gewaarborgd middels een voorwaardelijke verplichting. In de voorwaardelijke verplichting wordt gesteld dat de bouw en het gebruik van gronden uitsluitend is toegestaan, indien binnen de polder met vastgesteld peil is voorzien in ten minste 5% extra waterberging ten opzichte van de als gevolg van het voorgenomen gebruik aan te brengen verhardingen en, indien van toepassing, is voorzien in de compensatie van tenietgedane waterlopen.

In het vrij afwaterende gebied zonder vastgesteld peil dient voorzien te worden in een waterbergingsvoorzieing met een capaciteit van minimaal 69 mm per m2 voor de toename in verharding.

5.12

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In Nederland is het verplicht om de effecten op het milieu volwaardig onderdeel te laten zijn van de voorbereiding en de besluitvorming over ruimtelijke plannen. Daarvoor is in de Wet milieubeheer de methodiek van de milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is niet direct m.e.r. beoordelingsplichtig op basis van het onderdeel ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Echter, omdat de voorgenomen ontwikkeling wel valt onder de noemer van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling verplicht. De vormvrije m.e.r.beoordeling is in feite een beknopte opsomming van de beoordeling van de ontwikkeling op verschillende milieuaspecten. Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. Gemeenten zijn thans verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (Mer). Het college van Bergen NH heeft in het mer-beoordelingsbesluit van 27 september 2020 besloten dat voor de voorgenomen ontwikkeling binnen het Veegplan Bergen 2020 geen m.e.r.-procedure behoeft te worden doorlopen.

Betekenis voor het project Uit het natuuronderzoek en het onderzoek naar stikstofdepositie, zoals beschreven in paragraaf 5.8 en 5.9 blijkt dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op Natura 2000-gebieden. De NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|74 voorgenomen ontwikkeling is ook niet direct m.e.r. beoordelingsplichtig op basis van het onderdeel ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Echter, omdat de voorgenomen ontwikkeling wel valt onder de noemer van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling verplicht. Door middel van een aanmeldnotitie is hier invulling aan gegeven. Hieruit volgt dat de omvang van het project ver onder de drempelwaarde ligt en de kenmerken van de activiteiten (sloop, herinrichting van het gebied en bouw van de woningen) en de mogelijke gevolgen voor het milieu als gevolg van deze activiteiten geen aanleiding geven voor het opstellen van een milieueffectrapportage. De aanmeldnotities per deelgebied zijn als bijlagen bij de toelichting opgenomen.

NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|75

6.

JURIDISCHE ASPECTEN

De juridische aspecten bestaan uit een verbeelding en planregels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van juridische vertaling in planregels van de voor het plangebied gewenste functionele en stedenbouwkundige ontwikkeling. Bij het opstellen van de verbeelding en de planregels is uitgegaan van de bepalingen uit het Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP2012).

6.1

Verbeelding

Op de verbeelding is met behulp van de in de SVBP2012 bepaalde methode de bestemming van de gronden aangegeven. De bijbehorende bepalingen zijn vervolgens opgenomen in de planregels. De verbeelding visualiseert de planregels.

6.2

Planregels

De planregels bestaan uit de volgende vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels: dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel ‘Begrippen’ waarin wordt toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Het tweede artikel is de ‘wijze van meten’ waarin wordt toegelicht hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten. 2. Bestemmingsregels: in dit hoofdstuk worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen nader verklaard. De gehanteerde bestemmingen worden in paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk verder uitgewerkt. 3. Algemene regels: in dit hoofdstuk worden regelingen opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming. De gehanteerde algemene regels worden nader toegelicht in paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk. 4. Overgangs- en slotregels: binnen de overgangsbepalingen wordt geregeld dat met het bestemmingsplan strijdige bouwwerken en plannen welke bestaan ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan mogen worden uitgevoerd, mits er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. In de slotregel wordt de officiële naam van het bestemmingsplan genoemd, welke moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.

6.3

Toelichting op de bestemmingen

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de in het plan gebruikte begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt eventuele interpretatieruimte bij de begrippen beperkt en daarmee de duidelijkheid en rechtszekerheid van het plan vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.

NL.IMRO.0373.BPDorpDuin2022-VG01

bestemmingsplan Dorp en Duin 2022

|76 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch – Open agrarisch gebied De grond op de verbeelding als zodanig aangewezen zijn bestemd voor de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf alsmede voor het behoud van de ruimtelijk openheid en tevens voor ontsluitingspaden. Met dien verstande dat op de gronden als bedoeld in dit lid niet-grondgebonden agrarische activiteiten uitsluitend als ondergeschikt onderdeel van de bedrijfsvoering zijn toegestaan (veredelingstak). Hout- en fruitteelt op stam zijn op deze gronden niet toegestaan. Sierteelt is toegestaan. De opslag van strandhuisjes is niet toegestaan Artikel 4 Groen Deze gronden zijn bestemd voor plantsoenen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, parken, voet- en fietspaden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘verkeer’ voor wegen, in- en uitritten, kunstobjecten, kunstwerken, speelvoorzieningen, water, bermen en bermsloten en nutsvoorzieningen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Artikel 5 Water Deze gronden zijn bestemd voor waterlopen en -wegen, waterhuishouding, waterberging en vijvers als mede het behoud, de bescherming en aanleg van duinrellen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van water – duinrel’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/4664/documents/34203