1. Bestemmingsplan Bergerweg 125 inclusief bijlage.pdf
Tekst van het document
Overeenkomstig de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) geldt voor een supermarkt op basis van het aspect 'geluid' een richtafstand van 10 meter in een rustige woonwijk. Direct boven de supermarkt worden appartementen gerealiseerd, waardoor er niet aan de richtafstand wordt voldaan. Voor dit project is een akoestisch onderzoek inrichtingenlawaai uitgevoerd (bijlage 3). Het gasontvangststation ten zuiden van het plangebied behoort tot milieu categorie 3.1 waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter tot een rustige woonwijk en 30 meter tot een gemengd gebied. Het plangebied ligt op circa 100 meter afstand waarmee aan de richtafstand wordt voldaan. Resultaten akoestisch onderzoek inrichtingslawaai Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT Uit de resultaten volgt dat er sprake is van overschrijdingen van de voorkeurswaarde van 50 dB(A)‐ etmaalwaarde. De geluidsbelasting is maximaal 54 dB(A)‐etmaalwaarde. Er zijn maatregelen nodig.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
53
Figuur 4.9 Geluidbelasting langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Het gaat hierbij om overschrijdingen bij de appartementen boven de Aldi aan de west‐ en zuidzijde. In het onderzoek wegverkeerslawaai dienen voor deze woningen ook reeds hogere waarden te worden vastgesteld en aanvullende geluidreducerende maatregelen aan de gevel te worden gerealiseerd (zie 4.10 Wegverkeerslawaai). De geluidsbelastingen bij de overige woningen voldoen wel aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A). De maatgevende geluidsbronnen zijn het rijden van de personenwagens op de parkeerplaats en het rijden met winkelwagentjes. De volgende maatregelen zijn hiervoor mogelijk: Het gebruiken van kunststof winkelwagentjes met rubberen wielen in plaats van ijzeren winkelwagentjes. Het toepassen van een borstwering van ten minste 1 meter hoog op de galerij voor de woningen boven de Aldi, met een galerij van tenminste 1.5 meter breed. We gaan er daarbij vanuit dat de buitengevel van de appartementen circa 1,5 meter terugliggen van de buitengevel van de Aldi (aan de west‐ en zuidzijde). Het gebied aan de zuidzijde van de Aldi boven de parkeerplaatsen uitvoeren als voetgangerszone, zowel met het oog op akoestiek als verkeersveiligheid. Zie onderstaande figuur. Wellicht dat de zone voor de laatste 2 parkeerplaatsen iets moet worden ingesnoerd of schuin afgesneden.
Het is te voorkomen dat er personenwagens voor de ingang langs rijden. Zij moeten nu dus buitenom (zuidzijde) om deze te bereiken.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
54
Figuur 4.10 Aanduiding voorgestelde voetgangerszone Met het nemen van bovenstaande maatregelen voldoen de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A)‐etmaalwaarde. Maximale geluidsniveaus LAmax Uit de resultaten volgt dat er sprake is van overschrijdingen van de grenswaarde van 70 dB(A)‐ etmaalwaarde.
Figuur 4.11 Geluidbelasting maximale geluidsniveaus Het gaat hierbij om overschrijdingen bij de appartementen boven de Aldi. De geluidsbelastingen bij de woningen voldoen aan de grenswaarde van 70 dB(A). Het LAmax bedraagt maximaal 80 dB(A)‐etmaalwaarde. Er zijn maatregelen nodig. De maatgevende geluidsbronnen zijn de personenwagens op de parkeerplaats en de vrachtwagenbewegingen. Bovenop de maatregelen genoemd bij het langtijdgemiddelde is de volgende maatregel nodig: Het plaatsen van een overkapping of luifel over de laad‐ en loslocatie langs de noordzijde van de Aldi
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
55
Met het nemen van bovenstaande maatregel, inclusief die genoemd bij de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus voldoen de maximale geluidsniveaus aan de grenswaarde van 70 dB(A)‐ etmaalwaarde.
4.8
Cultuurhistorie en archeologie
Toetsingskader De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads‐ en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten.
Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2021 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads‐ en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Onderzoek Cultuurhistorie Volgens het huidige bestemmingsplan 'Landelijk gebied Zuid' en de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord‐Holland zijn er in het plangebied en de omgeving geen rijks‐ of beschermde monumenten aanwezig. Het plangebied maakt geen deel uit van cultuurhistorisch waardevol gebied. Archeologie Volgens het huidige bestemmingsplan 'Landelijk gebied Zuid' kent het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie'. Dit betekent dat bodemingrepen in beginsel verboden zijn zonder schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders. Vanwege het uitvoeren van grondbewerkingen is onderzoek noodzakelijk om aan te tonen dat er geen archeologische waarden worden geschaad. Conclusie In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning wordt archeologisch onderzoek uitgevoerd, indien nodig worden bodemschatten veilig gesteld.
Het aspect erfgoed vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.9
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
56
Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000‐gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord‐Holland In de provincie Noord‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (zie figuur 4.12). Het plangebied
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
57
maakt ook geen deel uit van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.13). Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied is het 'Noord Hollands Duinreservaat' dat circa 1,5 km ten westen van het plangebied ligt. Gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot Natura 2000 zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verstoring van weidevogels en verandering van de waterhuishouding uitgesloten. De realisatie (sloop‐ en aanlegfase) van de voorgenomen ontwikkeling en de verkeersgeneratie (gebruiksfase) kunnen leiden tot een toename aan stikstofdepositie in het 'Noord Hollands Duinreservaat'. De stikstofdepositie van de gebruiksfase en aanlegfase is berekend met behulp van AERIUS (zie bijlage 4). Uit deze berekeningen blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr na intern salderen. Dit betekent dat een Wnb vergunning zal worden aangevraagd. De depositie is berekend met behulp van AERIUS versie 2020. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000‐ gebied Botshol voor de sloop‐, aanleg‐ en gebruiksfases zijn AERIUS‐berekeningen (zie Bijlage 4) uitgevoerd.
Figuur 4.12 Ligging plangebied (rood) ten opzichte van Natuur Netwerk Nederland (prov. Noord‐ Holland)
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
58
Figuur 4.13 Ligging plangebied (rood) ten opzichte van Natura 2000 (bron: Aerius Calculator) Soortenbescherming Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een quickscan beschermde planten‐ en dierensoorten uitgevoerd (Van der Goes en Groot, 8 juni 2020, QS2020‐126). Dit onderzoek is in de bijlage toegevoegd (Bijlage 5). Uit de quickscan blijkt dat het plangebied potentieel geschikt is voor een aantal beschermde soorten vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Negatieve effecten van het plan op beschermde soorten is niet uit te sluiten. Het gaat om jaarrond beschermde roofvogels en uilen, kleine marterachtigen en vleermuizen waarvoor vervolgonderzoeken noodzakelijk zijn. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd. Er werden geen kleine marterachtigen of nadere beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen. Tijdens de 'najaarsronde' zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op verblijf van vleermuizen in de bebouwing. Wel is de begroeiing op het terrein geschikt voor foerageren. Afhankelijk van de ingrepen is hier ontheffing voor nodig. Het onderzoek naar broedvogels vindt in het voorjaar plaats. Bij de werkzaamheden zal rekening worden gehouden met de uitkomsten hiervan. Uit de inventarisatie van kleine marterachtigen blijkt dat het onderzochte gebied geen deel uitmaakt van het leefgebied van kleine marterachtigen.
De aanwezigheid van verschillende huiskatten, hond, Vos en de intensieve menselijke activiteit met vrachtauto’s en bewoning maar ook de relatief geïsoleerde ligging naast de drukke Bergerweg maakt het gebied niet geschikt voor deze soorten. Een
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
59
tussenrapportage van de inventarisatie is opgenomen in Bijlage 6. Conclusie De ontwikkeling leidt niet tot effecten op beschermde gebieden. Voor het aspect soortenbescherming wordt nader onderzoek uitgevoerd.
4.10
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is alleen geluidhinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige functies. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk als de woningen binnen de geluidzone vallen van gezoneerde wegen. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h‐wegen de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting te worden onderbouwd. De Wgh stelt dat op de gevels van nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals de geprojecteerde woningen en appartementen, voldaan moet worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale ontheffingswaarde is 63 dB. Omdat de woningen liggen in de onderzoekszone van de Bergerweg is akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 7). Onderzoeksresultaten Het plangebied ligt in de geluidzone van de gezoneerde Bergerweg (N510). Dat betekent dat conform de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voor nieuwe situaties in een buitenstedelijk situatie is de voorkeurswaarde 48 dB, en de maximale grenswaarde 53 dB. (incl aftrek art 110g uit de Wgh).
Het plangebied ligt aan een gedeelte van de Bergerweg dat buiten de bebouwde kom van Bergen valt. Daarmee is dus sprake van een buitenstedelijke situatie. De berekeningsresultaten zijn opgenomen in onderstaande figuur.
Figuur 4.14 Geluidbelasting wegverkeer op woningen
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
60
Hieruit blijkt dat: De geluidsbelasting op de drie oostelijke blokken voldoet aan de voorkeurswaarde. De geluidsbelasting op de twee blokken in het midden boven de voorkeurswaarde is, maar onder de maximale grenswaarde. Hogere waarden voor deze woningen zijn noodzakelijk. Een deel van de appartementen voldoet aan de voorkeurswaarde van 48 dB, een deel aan de grenswaarde van 53 dB, hogere waarden voor deze woningen zijn noodzakelijk. Voor een deel van de appartementen wordt echter zowel de voorkeurs‐ en grenswaarde overschreden. Hier is in het ontwerp rekening mee gehouden. Het gebouw is zodanig uitgevoerd dat op de gevels van de appartementen sprake is van geluidsbelastingen onder de grenswaarde. Dit wordt gedaan door middel van een galerij met borstwering bij de westelijke en zuidelijke gevel. Alle woningen beschikken daardoor over een geluidsluwe buitenzijde waar de geluidsbelasting lager ligt dan de grenswaarde van 48 dB.
4.11
Verkeer en parkeren
Inleiding Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. De verkeerskundige gevolgen van de komst van een nieuw Aldi filiaal aan de Bergerweg 125 in Bergen wordt in deze paragraaf beschreven. Toetsingskader Voor de beoogde ontwikkeling worden de verkeersgeneratie berekend op basis CROW‐normen. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van kencijfers uit de Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009. Verkeersstructuur Gemotoriseerd verkeer Het plangebied wordt ontsloten middels een nieuwe hoofdontsluiting op de Bergerweg. De bestaande in‐en uitrit blijft behouden maar zal slechts worden gebruikt voor noodverkeer. De Bergerweg (N510) betreft een provinciale gebiedsontsluitingsweg ten zuiden van de kern Bergen waar een maximum snelheid van 80 km/uur geldt. Ongeveer 150 meter ten noorden van het plangebied sluit de Bergerweg aan op een rotonde, hier ligt tevens de komgrens van Bergen. De maximum snelheid wordt dan 50 km/uur.
In zuidelijke richting leidt de Bergerweg in de richting van Alkmaar. Het plangebied is gezien de ligging langs de N510 goed bereikbaar voor gemotoriseerd verkeer. Voor het maken van een uitweg is volgens artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht jo. artikel 2:12 van de Algemene plaatselijke verordening Bergen 2019 en artikel 4 van de Wegenverordening Noord‐Holland 2015 een omgevingsvergunning vereist. De uitweg is voorzien op een weg die bij de provincie in beheer is. In dit soort gevallen is het college van Burgemeester en Wethouders krachtens artikel 9, tweede lid van de Wegenverordening Noord‐Holland 2015 jo. Artikel 2.26, derde lid van de Wabo verplicht alvorens zij een definitief besluit neemt over de omgevingsvergunning vereist voor het maken van de uitweg het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord‐Holland om advies te vragen. Krachtens artikel 3:16, eerste lid van de Awb bedraagt de termijn voor het uitbrengen van een advies als hiervoor behandeld zes weken, deze termijn loopt gelijk op met de ter inzagelegging van het ontwerpbesluit. Op 30 juli 2020 is door het college advies gevraagd aan GS. Dit advies is op 24 september, en dus buiten de hiervoor gestelde termijn, ontvangen. Zonder verder op de termijn overschrijding in te gaan wordt het advies hieronder behandeld.
In haar advies geeft GS aan dat een verkeersveilige uitweg mogelijk is als de volgende maatregelen worden getroffen: het verlagen van de ter plaatse geldende maximale snelheid;
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
61
het aanleggen van een veilige fietsoversteek; het aanleggen van een linksafstrook voor verkeer komend vanuit de kern Bergen; het aanleggen van een opstelruimte tussen het fietspad en de weg;
In haar advies spreekt GS tevens de bereidheid uit om de voor die maatregelen waarvoor dit noodzakelijk is het verkeersbesluit te nemen. Door Goudappel Coffeng, een gerenommeerd adviesbureau op het gebied van mobiliteit en ruimte (waaronder uitwegen),is het advies van GS beoordeeld. In haar beoordeling concludeert Goudappel Coffeng gelijk aan GS dat wanneer de bovengenoemde vier maatregelen worden genomen de verkeersveiligheid van de uitweg is gewaarborgd. In dit bestemmingsplan nemen we het advies van GS een‐op‐een over zorgen we voor een planologisch borging door het toevoegen van een voorwaardelijke verplichting. Die verplichting maakt het planologisch gebruik van de gronden voorwaardelijk aan de aanleg van een uitweg met een linksafstrook, een veilige fietsoversteek en een opstelruimte als mede de verlaging van de maximale snelheid of wanneer realisatie van een van die maatregelen feitelijk onmogelijk is (geworden) vergelijkbare maatregel. Verkeersgeneratie en –afwikkeling Verkeersgeneratie Binnen het plangebied is in de huidige situatie een horecagroothandel aanwezig. In de toekomstige situatie komt hier een Aldi‐supermarkt en woningbouw voor in de plaats. Dit zorgt voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Deze verandering is gekwantificeerd aan de hand van CROW kencijfers (publicatie 381). Zie tabel 4.3.
Voor de berekening is de huidige bebouwing (groothandel) opgemeten, deze oppervlakte vormt het uitgangspunt voor de huidige situatie. Omdat hierbij geen rekening is gehouden met meerdere verdiepingen is dit een worst‐case benadering. Voor de toekomstige situatie is gerekend met een supermarkt met een oppervlakte van maximaal 1.500 m2 BVO. Verder is de verkeersgeneratie van 14 appartementen (koop, middensegment) en 24 grondgebonden woningen (koop, tussen/hoekwoning) berekend. Tabel 4. 3 Verkeersgeneratie plangebied (huidig en toekomstig)
Verkeersafwikkeling De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van circa 773 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Deze toename wordt afgewikkeld over de Bergerweg. Daarbij is de verwachting dat het verkeer van en naar de voornamelijk een relatie heeft met Bergen, terwijl de woningen afwikkelen richting Alkmaar, de N9 en het overige hoofdwegennet. Op de Bergerweg (N510, tussen de Groeneweg en Nesdijk) bedraagt de huidige verkeersintensiteit 12.599 mvt/etmaal (2019). Bij een 50‐50% verkeersverdeling van de berekende verkeerstoename over beide richtingen neemt deze intensiteit toe tot circa 12.985 mvt/etmaal. Dit is een toename van circa 6% ten opzichte van de huidige verkeersintensiteit. De Bergerweg is een provinciale weg die is ingericht voor dergelijke verkeersaantallen. Zo bedroeg de weekdaggemiddelde verkeersintensiteit in 2018 circa 13.157 mvt/etmaal (bron: provincie Noord‐Holland). De verkeersgroei als gevolg van de komst van de Aldi‐supermarkt en woningen in het plangebied is ten opzichte van de dagelijkse verkeersintensiteit op
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
62
de N510 beperkt en zal opgaan in het heersend verkeersbeeld. Bovendien kent de Aldi haar bezoekerspiek over het algemeen op vrijdag‐ en zaterdagmiddag, terwijl de Bergerweg in het spitsuur op werkdagen maatgevend zijn. Hierdoor kan de verkeerstoename zonder problemen worden afgewikkeld. Parkeren De gemeente Bergen hanteert geen eigen parkeernormen. Daarom wordt aangesloten bij de Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009. De normatieve parkeerbehoefte van de beoogde functies binnen het plangebied is berekend in tabel 4.4. Daarbij is net als bij de berekening van de verkeersgeneratie uitgegaan van 1.495 m2 bvo supermarktoppervlakte, 14 appartementen en 24 grondgebonden woningen. De totale parkeerbehoefte van deze functies op basis van het gemeentelijk parkeerbeleid bedraagt 181 wanneer uitgegaan wordt van ligging rest bebouwde kom (uitgaan van buitengebied leidt tot dezelfde resultaten). Tabel 4.4 Berekening parkeerbehoefte parkeernorm rest bebouwde kom 24 grondgebonden geschakelde woningen duur. 14 appartementen duur 1495 m2 bvo supermarkt
2,2 2,2 6,5
aantal parkeerplaatsen rest bebouwde kom 52,8 30,8 97,175 181
Op het parkeerterrein is ruimte voor dubbelgebruik. Uit de berekening blijkt dat de piek op zaterdagmiddag ligt; op dat moment zouden maximaal 164 parkeerplaatsen in gebruik zijn. In het plangebied wordt voorzien in 166 parkeerplaatsen. Daarmee wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Conclusie Het plangebied is goed bereikbaar voor de verschillende vervoerswijzen. De toekomstige parkeercapaciteit op eigen terrein voorziet in de parkeerbehoefte van de beoogde supermarkt en woonfuncties. De ontwikkeling leidt tot een verkeerstoename op de Bergerweg (N510). Deze biedt voldoende capaciteit om dit verkeer af te wikkelen. De parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en ‐ afwikkeling staan de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
63
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) bindende afspraken waarmee, bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie‐ en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. In de voorafgaande hoofdstukken zijn de planuitgangspunten voor het op te stellen bestemmingsplan op basis van de ruimtelijke en functionele structuur weergegeven. Deze uitgangspunten zijn (juridisch) vertaald naar het bestemmingsplan. In dit hoofdstuk wordt de doorvertaling van de plantoelichting naar planregels met de verbeelding verwoord.
5.2
Opzet planbeschrijving
Dit voorliggende bestemmingsplan heeft ontwikkelingsgericht karakter, het biedt een directe bouwtitel voor de beoogde ontwikkeling. Daarbij kent het westelijk deel (winkel met appartementen) een redelijk gedetailleerde regeling. De positionering van de bebouwing in dit gebied staat nagenoeg vast. Het oostelijk deel heeft een flexibel karakter. Voor dit gebied is nog niet exact bekend waar de bebouwing opgericht gaat worden. De regels zijn gestructureerd in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels waarin de begrippen en de wijze van meten worden uitgelegd. In hoofdstuk 2 wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. De algemene regels zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 bevat ten slotte de overgang‐ en slotregel. In de volgende paragrafen worden de bestemmingsregels nader beschreven.
5.3
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte‐ en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
64
5.4
Bestemmingsregels
Artikel 3 Gemengd Het westelijk deel van het plangebied heeft de bestemming Gemengd. In dit deel is bestemd voor detailhandel in de vorm van een supermarkt met op de verdiepingen 12 woningen. Bij deze functies behorende voorzieningen, zoals groen en parkeervoorzieningen, zijn ook toegestaan in deze bestemming. Hoofdgebouwen worden in het bouwvlak opgenomen. Dit is redelijk strak gelegd om het beoogde pand. Het pand dient afgedekt te worden met een kap. In het bouwvlak is een maatvoeringsaanduiding opgenomen. Hiermee zijn de maximale goot‐ en bouwhoogte opgenomen. Verder is het maximaal aantal woningen opgenomen dat binnen deze bestemming gerealiseerd mag worden. In de bestemming zijn specifieke gebruiksregels opgenomen. Hierin zijn onder andere de maximale bruto vloeroppervlakte en de winkelvloeroppervlakte van de winkel opgenomen. Artikel 4 Wonen Het oostelijk deel van het plangebied heeft de bestemming Wonen. Binnen deze bestemming is de functie wonen in grondgebonden woningen toegestaan. Naast de functie wonen, zijn ook aan‐huis‐ gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toegestaan binnen de bestemming Wonen ‐ 1. Het vloeroppervlak voor deze functie mag niet meer bedragen dan 25% van de totale oppervlakte van de woning en mag ten hoogste 50 m² bedragen. Voor dit deel geldt een ruim bouwvlak.
Met betrekking tot de bebouwing op de percelen (zowel hoofdgebouwen als erfbebouwing) geldt een maximaal bebouwingspercentage ten opzichte van het bouwperceel. Voor vrijstaande woningen bedraagt dit percentage 35%, voor twee‐onder‐een‐ kapwoningen 40% en 45% voor meer dan twee‐onder‐een‐kapwoningen. Ter plaatse van de aanduiding 'maximale aantal wooneenheden' mogen ten hoogste het aangegeven aantal wooneenheden worden gebouwd. Ten behoeve van de maatvoering van de hoofdgebouwen zijn een bouw‐ en goothoogte opgenomen. Artikel 5 Waarde ‐ Archeologie ‐ 4 Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming Waarde ‐ Archeologie ‐ 4. Daarmee zijn de mogelijk aanwezige cultuurhistorische waarden in het gebied beschermd. In dit archeologie regime dient bij grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm en met een omvang van 2.500 m² of groter met de aanwezigheid van archeologische waarden rekening gehouden te worden. Bouwen op deze gronden is verboden voor bouwwerken groter dan 2.500 m². Hiervan kan worden afgeweken indien door middel van een archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Artikel 6 Waterstaat ‐ Waterkering In het plangebied is een waterkering aanwezig die wordt beschermd via de dubbelbestemming 'Waterstaat ‐ Waterkering'. Het oprichten van bouwwerken binnen deze bestemmingen is in principe niet toegestaan.
Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan verlenen van deze bepaling. Voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning wint het college advies in bij de waterbeheerder. Daarnaast moet er ontheffing op basis van de Keur aangevraagd worden bij de waterbeheerder.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
65
5.5
Algemene regels
Artikel 7 Antidubbeltelregel Het doel van de antidubbeltelbepaling is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 8 Algemene bouwregels De op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden met kleine bouwdelen. In het eerste lid van artikel 8 is geregeld hoe groot de overschrijding mag zijn en onder welke voorwaarden. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Voor ondergeschikte afwijkingen van het bestemmingsplan is een algemene bevoegdheid tot afwijken opgenomen. De onderhavige regeling voorziet in verband met de gewenste duidelijkheid, in een objectieve begrenzing van het toepassingsbereik van de afwijking. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarmee door middel van een wijzigingsbevoegdheid ex artikel 3.6 Wro het mogelijk is enige flexibiliteit in het plan aan te brengen. Artikel 11 Algemene gebruiksregels Met dit artikel is geborgd dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Een en ander dient bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen te worden aangetoond.
Artikel 12 Overige regels De eerste bepaling heeft betrekking op de borging van de watercompensatieopgave. De tweede bepaling heeft betrekking op de borging van landschappelijke inpassing. De derde bepaling heeft betrekking op de borging van een verkeersveilige uitweg. De vierde bepaling heeft betrekking op de staking van exploitatie van de supermarkt aan de Jan Oldenburglaan 21. De vijfde bepaling heeft betrekking op de borging van akoestische maatregelen. In de zesde bepaling is geregeld dat alle wettelijke regelingen, waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan.
5.6
Overgangsrecht en slotregels
Artikel 13 Overgangsrecht In artikel 3.2.1. van het Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Artikel 14 Slotregel Het laatste artikel van de planregels betreft de citeertitel van het onderhavige bestemmingsplan Bergerweg 125.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
66
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
67
Hoofdstuk 6
6.1
Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1.1 Wettelijk vooroverleg Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier In het kader van het vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 Bro is het concept bestemmingsplan toegezonden aan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Op 24 juli 2020 heeft zij per mail gereageerd op het voornemen. Daarbij heeft zij een aantal opmerkingen gemaakt. De voor het bestemmingsplan belangrijkste opmerkingen zijn:
In de toegezonden versie was nog geen waterparagraaf opgenomen. Dit is een verplicht onderdeel van de onderbouwing. Op basis van de toegezonden gegevens is bepaald dat bepaalde aspecten invloed hebben op de belangen van het waterschap dat de normale procedure moet worden gevolgd; naast een omgevingsvergunning is ook een watervergunning van HHNK nodig; het plangebied ligt grotendeels binnen beschermingszone B van een regionale waterkering. Deze ligging moet op de verbeelding en in de regels verwerkt worden; er is sprake van een substantiële toename van bebouwing en/of verharding van 1.500 m2. De watercompensatie eis bedraagt 10% van de verhardingstoename. Deze compensatie moet in het peilgebied plaatsvinden.
Reactie: in het ontwerp bestemmingsplan is een waterparagraaf opgenomen. Daarin is de reactie van het HHNK verwerkt; de regionale waterkering en de beschermingszone zijn opgenomen op de plankaart en verwerkt in de planregels; in het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Daarmee is geborgd dat het gebruik pas toegestaan is als de watercompensatie in hetzelfde peilgebied geborgd is.
Provincie Noord‐Holland Met inachtneming van hetgeen bepaald in artikel 3.1.1. jo artikel 3.1.6., eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit ruimtelijke ordening is ten behoeve van de ontwikkeling op de Bergerweg 125 het uit deze artikelen voortkomende vooroverleg gevoerd met de provincie Noord‐Holland. Dit overleg heeft plaatsgevonden op 17 juni 2020 en nogmaals op 10 juli 2020. Uit deze overleggen is geen formele vooroverlegreactie gekomen. De provincie heeft ambtelijk aangegeven dat, zo dit nodig zou zijn, een eventuele reactie wordt vervat in een zienswijze op het bestemmingsplan.
6.1.2
Ontwerp bestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan is vanaf 31 juli 2020 gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid werd gesteld een zienswijze kenbaar te maken.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
68
Er zijn twee zienswijzen binnengekomen.De ingekomen zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in een nota beantwoording zienswijzen (bijlage 1). De zienswijzen hebben geleid tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan, in die zin dat de landschappelijke inpassing van de bebouwing is geborgd in de planregels. Voor het overige hebben de zienswijzen niet geleid tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan. Wel hebben zij geleid tot een aanvulling van de toelichting bij het bestemmingsplan.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan voorziet in het realiseren van een discount supermarkt met een woningbouwprogramma. De gronden zijn in eigendom van de gemeente Bergen. Deze worden overgedragen aan de initiatiefnemer. Het bouwplan wordt in zijn geheel voor eigen risico en rekening van de initiatiefnemer gerealiseerd. De eventuele kosten van de gemeente zijn gedekt in de grondprijs. Tussen de gemeente en initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst afgesloten. Hierin worden onder andere afspraken gemaakt over de gemeentelijke inzet en eventuele planschade.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
bijlagen bij de Toelichting
Bijlage 1 Nota van beantwoording zienswijzen
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
I.
Inleiding
Met ingang van 31 juli 2020 is het ontwerpbestemmingsplan Bergerweg 125 (hierna: “Ontwerpbestemmingsplan”) voor de duur van zes weken ter inzage gelegd, tezamen met de omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg Bergerweg 125, het besluit hogere waarden Bergerweg 125 en de op de ontwerpbesluiten betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling daarvan. Per 10 september 2020 is de terinzagelegging verlengd met twee weken vanaf die datum. In deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om te reageren op de inhoud van de ontwerpbesluiten en een zienswijze in te dienen. In totaal hebben burgemeester en wethouders twee zienswijzen ontvangen. In deze Nota van Zienswijzen zijn deze samengevat en beantwoord (hoofdstuk 2). Per aspect dat in de zienswijzen aan de orde is gesteld, is aangegeven of en in welke mate de zienswijzen aanleiding geven tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan Bergerweg 125. De zienswijze ingediend op de overige ontwerpbesluiten uit de gecoördineerde terinzagelegging worden steeds bij de definitieve besluitvorming op het desbetreffende ontwerpbesluit in een voor het bevoegde bestuursorgaan opgestelde Nota van Beantwoording behandeld.
II.
De ingediende zienswijzen
1. Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland Bij brief van 8 september 2020 heeft het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland (hierna: “GS”) een schriftelijke zienswijze ingediend. GS hebben daarin samengevat de volgende standpunten naar voren gebracht: -
in het Ontwerpbestemmingsplan zou de vestiging van een weidewinkel mogelijk worden gemaakt, hetgeen in strijd is met artikel 7 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland juni 2019 (hierna: “PRV”);
-
het Ontwerpbestemmingsplan zou in strijd zijn met het Detailhandelsbeleid Noord-Holland 2015-2020, omdat het plangebied buiten de detailhandelsstructuur valt en geen regionale afstemming heeft plaatsgevonden;
-
de ontsluiting van het perceel middels de uitrit op de provinciale weg zou in strijd zijn met artikel 2 van de Wegenverordening Noord-Holland 2015;
-
de ruimtelijke kwaliteit van het Ontwerpbestemmingsplan zou onvoldoende zijn en daarmee in strijd met artikel 15 van de PRV;
-
de woningbouw zou onvoldoende regionaal zijn afgestemd en in strijd met artikel 5a van de PRV.
GS sluiten af met de opmerking dat indien het vastgestelde Ontwerpbestemmingsplan niet in overeenstemming is gebracht met de PRV, zij een reactieve aanwijzing zullen overwegen. 2. Lidl Nederland GmbH Bij brief van 10 september 2020 heeft Lidl Nederland GmbH (hierna: “Lidl”) een schriftelijke (pro forma) zienswijze ingediend. Wij hebben haar vervolgens tot 17 september 2020 om 17:00 in de gelegenheid gesteld om de zienswijze aan te vullen. Bij brief van 17 september 2020 heeft Lidl van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Daarin heeft zij de volgende standpunten naar voren gebracht: -
het Ontwerpbestemmingsplan zou in strijd zijn met de eisen die volgen uit artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: “Bro”), ook wel genoemd de ‘ladder van duurzame verstedelijking’;
-
het Ontwerpbestemmingsplan zou in strijd zijn met ‘provinciaal en regionaal beleid’, waarbij Lidl in het bijzonder noemt de PRV, het ‘Eindconcept Omgevingsverordening NH2020’ van de provincie Noord-Holland, de Omgevingsvisie NH2050 van de provincie Noord-Holland, het Detailhandelsbeleid Noord-Holland 2015-2020, en de Detailhandelsvisie regio Almaar 2025;
-
het Ontwerpbestemmingsplan zou in strijd zijn met het gemeentelijk beleid, waarbij Lidl in het bijzonder noemt de Structuurvisie Landelijk gebied Bergen, het Beleid supermarkten centrum Bergen, en de Woonvisie 2015-2020;
-
de vormvrije mer-beoordeling zou onvolledig zijn en er diende een MER te worden opgesteld;
-
op basis van de ter inzage gelegde stukken zou niet kunnen worden geconcludeerd dat significante gevolgen in de zin van de Wet natuurbescherming (hierna: “Wnb”) zijn uitgesloten;
-
het Ontwerpbestemmingsplan zou niet uitvoerbaar zijn, doordat een vereiste ontheffing in de zin van artikel 3.3 van de Wnb niet kan worden verkregen;
-
er zou sprake zijn van oneerlijke concurrentie, hetgeen in strijd zou zijn met het recht van de Europese Unie, waaronder het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de Dienstenrichtlijn.
Lidl sluit af met het verzoek om het Ontwerpbestemmingsplan niet vast te stellen, de aanvraag om een omgevingsvergunning te weigeren, en geen besluit hogere waarden te nemen. III.
Reactie op de zienswijzen
In het hiernavolgende wordt gereageerd op de inhoud van de zienswijzen en wordt aangegeven of en in welke mate zij aanleiding geeft tot een gewijzigde vaststelling van het Ontwerpbestemmingsplan Bergerweg 125. 1. Met het Ontwerpbestemmingsplan wordt niet de vestiging van een weidewinkel mogelijk gemaakt Op grond van artikel 7 van de PRV is het niet toegestaan om in een bestemmingsplan te voorzien in de mogelijkheid tot vestiging van ‘weidewinkels’. Een weidewinkel is in artikel 2 onder ‘uu’ gedefinieerd als: een solitaire, los van het bestaand stedelijk gebied gelegen, winkelvestiging of cluster van vestigingen. Het Ontwerpbestemmingsplan voorziet niet in de vestiging van een weidewinkel. In dat verband geldt het volgende. 1.1. Het plangebied bevindt zich binnen het bestaand stedelijk gebied In de eerste plaats is van belang dat het plangebied zich binnen het bestaand stedelijk gebied bevindt, zodat van een weidewinkel geen sprake is. Dat wordt in het hiernavolgende toegelicht. Het begrip ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt op grond van artikel 2, onder j, van de PRV uitgelegd conform artikel 1.1.1, eerste lid onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening.
Die definitie luidt als volgt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Of in een concreet geval sprake is van bestaand stedelijk gebied hangt af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving (zie in dit verband ook Stb. 2017, 182, p.10). Volgens vaste rechtspraak moet bij de beantwoording van de vraag of een plangebied
als een bestaand stedelijk gebied worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt (zie in dat verband onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 (de overzichtsuitspraak, ECLI:NL:RVS:2017:1724) en 25 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1371)). Daaraan doet niet af dat de bebouwing waarin het voorgaande bestemmingsplan voorzag ten tijde van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan al dan niet al was gerealiseerd (zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4654), 26 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1800 en 3 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2129). Op grond van het voorgaande bestemmingsplan “Landelijk Gebied Zuid” rust op de gronden die tot het plangebied behoren de bestemming “Bedrijf”. Op gronden met die bestemming is reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing mogelijk ten behoeve van bedrijvigheid. Het aantal bedrijven is daarbij niet gelimiteerd en ook het aantal bedrijfsgebouwen is binnen de planregels niet gelimiteerd.
Als enige beperkingen geldt dat het bij vestiging moet gaan om bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en dat slechts één bedrijfswoning is toegestaan. Het feitelijke gebruik van het plangebied sluit aan bij de bestemming. Op de gronden is bebouwing aanwezig ten behoeve van een horecagroothandel en tevens is er een los staande bedrijfswoning aanwezig. Reeds om deze reden behoort het plangebied tot het bestaand stedelijk gebied in de zin van de PRV. De specifieke ligging en de aard van de omgeving van het plangebied en de invloed van die ligging en omgeving op de vraag, of het plangebied onderdeel uit maakt van bestaand stedelijk gebied, is reeds in de toelichting van het bestemmingsplan weergegeven. Hier wordt nog opgemerkt dat het plangebied op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan direct aansluit aan stedelijke functies. Zo bevindt zich direct aan de overzijde van de Bergerweg ten westen van het plangebied een bestemmingsvlak met de bestemming ‘Wonen’ en op 50 meter van het plangebied begint de stedelijke kern van het dorp Bergen. Daarnaast wordt de locatie omringd door zonnevelden ten zuiden en ten oosten van het plangebied, en stedelijk groen ten noorden daarvan. Ook om die reden behoort het plangebied tot het bestaand stedelijk gebied in de zin van de PRV.
Omdat het plangebied volgens de laatste wet- en regelgeving en jurisprudentie behoort tot het bestaand stedelijk gebied is geen sprake van een weidewinkel in de zin van artikel 7 van de PRV. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een in omvang en functie ondergeschikt deel van het plangebied op dit moment de bestemming ‘Natuur, specifieke vorm van natuur – windsingel’ heeft. Deze gronden zijn daarmee uitsluitend bestemd voor een windsingel. Zie artikel 14, lid 1, aanhef en onder d van het vigerende bestemmingsplan. Deze windsingel kan wordt aangemerkt als bij het stedebouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van bedrijvigheid op de Bergerweg 125 behorend ‘stedelijk groen’ als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder h, van het Bro. Hiervoor is relevant
dat deze windsingel en haar planologische bescherming stamt uit het bestemmingsplan Het Veer (1981). Dit bestemmingsplan is halverwege de jaren tachtig opgesteld voor hetzelfde perceel als het huidige Ontwerpbestemmingsplan om de bedrijfsverplaatsing van een groothandel in dranken vanuit het dorp naar de Bergerweg, noodzakelijk vanwege overlast die het vanouds aan Bergen gebonden bedrijf veroorzaakte, mogelijk te maken. Om de landschappelijke inpassing van de nieuwe bedrijfslocatie te bevorderen is destijds besloten de windsingel van een specifiek beschermingsregime te voorzien. De windsingel ontsluit de locatie volledig, staat functioneel ten dienste van de landschappelijke inpassing van de bedrijvigheid op de locatie en heeft een (in het bestemmingsplan Weidegebied 1993 omschreven) ‘windwerende functie’ voor de bedrijvigheid op de locatie. Omdat de windsingel gezien haar functie en ontstaansgeschiedenis duidelijk behoord tot het stedebouwkundig samenstel van bebouwing op de locatie Bergerweg 125 is sprake van stedelijke groen als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Bro en aldus van bestaand stedelijk gebied in de zin van hetzelfde artikel.
1.2. Het plangebied ligt niet ‘los van het bestaand stedelijk gebied’ In de tweede plaats is van belang dat het plangebied niet los van het bestaand stedelijk gebied ligt. In de PRV wordt, zoals hiervoor beschreven, een Weidewinkel gedefinieerd als: ‘een solitaire, los van het bestaand stedelijk gebied gelegen, winkelvestiging of cluster van vestigingen’. Voor de uitleg van deze definitie is doorslaggevend de tekst en niet de toelichting van de PRV (zie in dit verband ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1745). Binnen deze in de jurisprudentie omschreven grammaticale en tekstuele uitleg van de verordeningstekst is dus relevant of het plangebied los dan wel aangrenzend aan het bestaand stedelijk gebied ligt. Het plangebied en daarmee de geprojecteerde winkelvestiging bevindt zich op 50 meter van het bestaand stedelijk gebied in de vorm van de stedelijke kern van het dorp Bergen. In eerder jurisprudentie is aangenomen dat een afstand van 60 meter tot bestaand stedelijk gebied nog kwalificeert als aansluitend (zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2644).
Daarbij moet verder nog in de beoordeling worden betrokken dat een autoweg en twee fietspaden de winkelvestiging verbinden met de stedelijke kern van Bergen alsmede dat de winkelvestiging functioneel verbonden zal zijn met het dorp en een essentieel onderdeel zal vormen van het winkelaanbod. . Op basis van bovenstaande kan, zelfs al zou de locatie niet gelegen zijn binnen het bestaand stedelijk gebied, de ontwikkeling hoe dan ook niet worden aangemerkt als een los van het bestaand stedelijk gebied gelegen winkelvestiging. Ook om die reden is geen sprake van een weidewinkel in de zin van artikel 7 van de PRV.
1.3. Er wordt geen solitaire winkelvestiging mogelijk gemaakt In de derde plaats is van belang dat geen solitaire winkelvestiging mogelijk wordt gemaakt. In de PRV wordt, zoals hiervoor beschreven, een Weidewinkel gedefinieerd als: ‘een solitaire, los van het bestaand stedelijk gebied gelegen, winkelvestiging of cluster van vestigingen’ [onderstreping toegevoegd]. Voor de uitleg van deze definitie is, zoals reeds hierboven uiteengezet, doorslaggevend de tekst en niet de toelichting van de PRV. Binnen deze door de jurisprudentie omgeschreven grammaticale en tekstuele uitleg van de verordeningstekst is daarmee relevant of slechts een solitaire winkelvestiging of cluster van vestingen mogelijk wordt gemaakt of dat het gaat om een bredere ontwikkeling. Het Ontwerpbestemmingsplan maakt niet slechts de realisering van een supermarkt mogelijk, maar ook van 14 appartementen en 24 grondgebonden woningen. Ook om die reden is geen sprake van een weidewinkel in de zin van artikel 7 van de PRV. In dit kader is ook van belang dat de winkel geen solitaire functie zal vervullen, maar een functionele relatie met de kern van Bergen zal hebben en een essentieel onderdeel zal vormen van het winkelaanbod. In het gemeentelijk beleid is in dit verband opgemerkt dat het voor de voorzieningenstructuur van is belang is een harddiscounter te behouden voor de inwoners van Bergen. 2.
Het Ontwerpbestemmingsplan leidt niet tot leegstand en draagt bij aan de leefbaarheid van Bergen Wij kunnen ons niet vinden in de standpunten die in de zienswijzen zijn ingenomen met betrekking tot de consequenties van de ontwikkeling voor de lokale en regionale detailhandelsstructuur. In het hiernavolgende lichten wij dit toe. 2.1. De realisering van de supermarkt voldoet aan de vereisten van de ladder voor duurzame verstedelijking Uit artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro volgt dat een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, vergezeld moet gaan van een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling en – voor zover de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied is voorzien – een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De ontwikkeling is voorzien binnen bestaand stedelijk gebied In de eerste plaats geldt in dit verband dat de ontwikkeling die het Ontwerpbestemmingsplan mogelijk maakt, is voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied. Dat is hiervoor toegelicht. Om die reden volgt uit artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro geen juridische verplichting om de behoefte aan de ontwikkeling te beschrijven en de
locatiekeuze nader te motiveren. Niettemin achten wij het – ook zonder dat daartoe een juridische verplichting bestaat – van belang om die behoefte inzichtelijk te maken en onze beslissing zorgvuldig te motiveren. Dat is in de plantoelichting gedaan. In dat verband geldt het volgende. Het Ontwerpbestemmingsplan is nodig voor een compleet en kwalitatief supermarktaanbod in Bergen en draagt bij aan de leefbaarheid Uit het Detailhandelsbeleid Noord-Holland 2015-2020 volgt dat het belangrijk is om dorpen leefbaar te houden en dat leegstand van detailhandel in dorpscentra wordt voorkomen. Ook is het niet wenselijk dat het landelijk gebied onder druk komt te staan door activiteiten die goed in het stedelijk gebied kunnen worden ingepast. Bij deze beleidsdoelen sluit het Ontwerpbestemmingsplan aan. In dat verband geldt het volgende. Ook het gemeentelijk beleid is erop gericht dat de leefbaarheid van Bergen wordt beschermd en versterkt, en dat leegstand in het dorpscentrum wordt voorkomen. Die doelstellingen liggen ten grondslag aan de Structuurvisie Mooi Bergen 2.0 en de beleidsnotitie Supermarkten centrum Bergen.
In het bijzonder is de structuurvisie erop gericht om een levendiger en meer samenhangend centrum te creëren, de entree van het centrum en van het winkelcircuit te verbeteren, meer ruimte voor wonen in het centrum te realiseren, en de verkeerssituatie en het parkeren te verbeteren. In de beleidsnotitie is uiteengezet wat dit betekent voor de supermarktontwikkelingen in de gemeente. Hierop is in de toelichting op het bestemmingsplan ook nader ingegaan. Om de supermarkten optimaal te laten functioneren als kwaliteit voor het centrum van Bergen is het gewenst om deze te concentreren op twee locaties aan de belangrijkste toegangsroutes aan de uiteinden van het centrumgebied (het zogenoemde haltermodel). Daarmee vormen de supermarkten natuurlijke bronpunten voor het centrum en zorgen ze ervoor dat de auto zo veel mogelijk aan de rand van het centrumgebied blijft. Hierdoor blijft er zo veel mogelijk ruimte vrij voor de kwaliteit van de openbare ruimte en verblijven (in combinatie met horeca). De huidige locaties van Albert Heijn en Deen voldoen aan deze uitgangspunten. De huidige locatie van Aldi aan de Jan Oldenburglaan voldoet echter niet aan deze uitgangspunten. Deze supermarkt ligt niet aan een belangrijke toegangsroute naar het centrum, waardoor deze supermarkt autoverkeer het centrum in trekt. De huidige winkel is bovendien zo klein dat deze geen toekomstwaarde heeft.
Uitbreiding in voldoende mate is op de huidige locatie economisch niet mogelijk, maar – gelet op de doelstellingen voor het centrum – ook niet wenselijk. Wel is het voor een compleet en kwalitatief supermarktaanbod in Bergen nodig dat een harddiscountsupermarkt als Aldi behouden blijft voor haar inwoners. Daarmee is de kwalitatieve behoefte aan de ontwikkeling gegeven. Hierbij wordt nog opgemerkt dat zelfs indien de kwantitatieve behoefte zou ontbreken, hetgeen onwaarschijnlijk is gezien de beschikbare gegevens, een kwalitatieve behoefte voldoende zou zijn voor de behoeftebeschrijving op grond van artikel 3.1.6. lid 2 van het Bro (zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1689) en 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2579).
Het gemeentebestuur en Aldi zien zich aldus gesteld voor de opgave om een gewenste locatie te vinden, die voldoet aan de gewenste maatvoering voor een moderne Aldi (1.100 – 1.500 m² bvo, exclusief parkeren) én aan de eerder geschetste uitgangspunten voor het centrum van Bergen. Die locatie is gevonden aan de Bergerweg 125. In het kader van de locatiekeuze wordt in de zienswijzen nog de huidige locatie van de Europese school als optie genoemd. Die locatie voldoet evenwel niet aan de bereikbaarheidseisen van een toekomstbestendige discountsupermarkt, in het bijzonder voor het aan- en afrijdende vrachtverkeer. In de Structuurvisie Bergen-Oost is in dat verband voor deze locatie opgemerkt dat de vestiging van een buurtwinkel een optie kan zijn; over een harddiscountsupermarkt wordt daarin niet gesproken. Er zal geen leegstand ontstaan als gevolg van het Ontwerpbestemmingsplan In de beleidsnotitie Supermarkten centrum Bergen is de behoefte aan een uitbreiding van het winkelaanbod in dagelijkse goederen uiteengezet. Ten behoeve van de notitie is in dat verband een marktberekening uitgevoerd. Daaruit volgt onder meer dat thans circa 700 m² wvo ontwikkelingsruimte bestaat voor een verdere uitbreiding van het supermarktaanbod in Bergen; in 2030 zal deze ruimte naar verwachting 1.000 m² bedragen.
Als gevolg van het Ontwerpbestemmingsplan wordt netto 680 m² winkelvloeroppervlakte toegevoegd aan de dagelijkse goederensector van Bergen. Dat past binnen de berekende ontwikkelingsruimte. Ook in kwantitatieve zin bestaat aldus behoefte aan de ontwikkeling. Invulling van die ontwikkelingsruimte zal, zoals hieronder verder uiteengezet, niet leiden tot een uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare leegstand. Er bestaat niet alleen ontwikkelingsruimte maar ook een (ruimtelijke) behoefte tot aanwending daarvan Hierboven is reeds beschreven dat ontwikkelingsruimte bestaat voor een verdere uitbreiding van het supermarktaanbod in Bergen. Bij de beoordeling van de vraag, of er sprake is van een behoefte aan detailhandel, gaat het er niet (alleen) om of daarvoor marktruimte bestaat, maar of de desbetreffende detailhandelsontwikkeling een zodanige leegstand tot gevolg zal hebben dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie zal leiden (zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3487)) Hierbij is van belang dat uit de gegevens, opgenomen in de hiervoor genoemde beleidsnotitie Supermarkten centrum Bergen, kan worden geconcludeerd dat met de realisatie van deze ontwikkeling niet voor structurele leegstand behoeft te worden gevreesd.
Relevant bij de beoordeling zijn onder meer de bezoekfrequenties en het daaraan verwante combinatiebezoek. Als beschreven in de notitie vindt er momenteel weinig combinatiebezoek plaats van de bestaande Aldi-supermarkt en het centrumgebied; de Aldi-supermarkt is geen bronpunt. Vanwege de aanvullende functie die een harddiscountsupermarkt als Aldi vervult, zien wij ook geen grond voor de vrees dat (combinatie)bezoekers zullen afvloeien van de winkelcentra De Hoef en De Mare, waarop supermarkten gevestigd zijn die een primaire functie vervullen. Bovendien sluit het Ontwerpbestemmingsplan aan bij de gemeentelijke beleidsnotitie,
waarin – gelet op de huidige knelpunten – wordt voorgesteld dat de ontwikkelingsruimte aangewend wordt om de twee bestaande supermarkten (Albert Heijn en Aldi) qua omvang op een toekomstbestendig peil te brengen. Daarmee wordt voorkomen dat een structuurverschuiving plaatsvindt binnen het winkelaanbod in dagelijkse goederen, die het functioneren van de speciaalzaken in het centrum van Bergen in gevaar brengt. Op haar huidige locatie trekt de Aldi-supermarkt als gezegd bovendien autoverkeer het centrumgebied in, hetgeen afbreuk doet aan de aantrekkelijkheid van dat centrumgebied. Dat is een belangrijke reden voor ons om medewerking te verlenen aan de wens van Aldi om de supermarkt te verplaatsen naar een locatie buiten het centrumgebied. Uit het bovenstaande volgt dat er niet alleen ontwikkelingsruimte bestaat maar tevens (ruimtelijke) behoefte aan de invulling van die ontwikkelingsruimte. Wij kunnen ons niet vinden in de – niet nader onderbouwde – stelling van Lidl dat de verplaatsing van Aldi “een behoorlijk negatief effect” zal hebben op het functioneren van het centrum van Bergen 2.2. Het Ontwerpbestemmingsplan is niet in strijd met het Detailhandelsbeleid en de Detailhandelsvisie Regio Alkmaar Uit het Detailhandelsbeleid Noord-Holland 2015-2020 volgen drie specifieke regels die gemeenten in acht dienen te nemen.
Het gaat daarbij om: 1) Een verbod op weidewinkels, waarmee wordt gedoeld op grootschalige solitaire winkels en clusters van winkels die gelegen zijn in het landelijk gebied, en nadrukkelijk ook op factory outletcentra. Omdat deze weidewinkels een ongewenste verstedelijking van landelijk gebied vormen en ongewenste mobiliteitseffecten met zich brengen, staat de gemeente negatief tegenover de realisering daarvan. 2) Een verbod op detailhandel op bedrijventerreinen, met uitzondering van een aantal specifiek benoemde branches met een lage bezoekfrequentie. 3) Verplichte regionale afstemming en visies. Dit acht de provincie noodzakelijk, omdat grote ontwikkelingen altijd impact hebben op de detailhandelstructuur, buurgemeenten en soms ook op regio’s onderling. Deze regels worden met het Ontwerpbestemmingsplan in acht genomen. In dat verband geldt dat geen sprake is van de vestiging van grootschalige solitaire winkels of clusters van winkels in het landelijk gebied, en evenmin van een verstedelijking van landelijk gebied anderszins. Ook is geen sprake van de realisering van detailhandel op bedrijventerreinen. Wij kunnen ons bovendien niet vinden in het standpunt van GS dat wij gehouden waren om de vaststelling van het bestemmingsplan regionaal af te stemmen. In de Detailhandelsvisie Regio Alkmaar 2025 is in dit verband opgemerkt dat