1. Bestemmingsplan Bergerweg 125 inclusief bijlage.pdf
Tekst van het document
rekening wordt gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble, en; de ambities en ontwikkelprincipes van de toepasselijke provinciale structuren, en; b. hierbij wordt betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes, en; de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble, en; de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van de toepasselijke provinciale structuren. 3. De toelichting van een bestemmingsplan bevat een motivering waaruit moet blijken dat voldaan is aan het bepaalde in het tweede lid. 4. Gedeputeerde Staten kunnen de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) om advies vragen over ontwikkelingen die een grote impact kunnen hebben op de landschappelijke en cultuurhistorische waarden of indien wordt afgeweken van de ontwikkelprincipes als bedoeld in het tweede lid onder a. Het landelijk gebied is in de PRV als volgt gedefinieerd: "het gebied, niet zijnde bestaand stedelijk gebied, als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening." Toetsing Het plangebied maakt geen deel uit van het landelijk gebied, het valt onder het bestaand stedelijk gebied van Bergen zoals weergegeven in paragraaf 3.1.3.1. Desondanks wordt, vanwege de overgangszone, aangesloten bij de uitgangspunten uit artikel 15 van de PRV.
Het plangebied maakt uit van het ensemble Noord Kennemerland, ingevolge de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen: bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek; bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en; helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. De ruimtelijke kwaliteit in dit gebied is gebaat bij het behouden en versterken van de specifieke ruimtelijke karakteristieken en de karakteristieke elementen van de strandwal van de duinzoom met daarop Beverwijk – Castricum – Egmond – Bergen – Schoorl – Camperduin. Zo is rondom de kernen is de ambitie om de landschappelijke kwaliteit van het afwisselende landschap te versterken. Hier wordt het open of juist bosrijke / lommerrijke karakter van de ruimte tussen de kernen versterkt gebruikmakend
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
31
van beplantingsstructuren met kenmerkende inheemse beplanting. Het beoogde plan gaat uit van behoud van de huidige landschappelijke elementen. De supermarkt en woningen worden zodanig ingepast dat hier de windsingels behouden blijven. Het halfopen landschap blijft hierdoor behouden. Er wordt rekening gehouden met een verschil in functionele kwaliteit tussen het voor‐ en achtererf. Het voorerf betreft de supermarkt en het achtererf de woningen. Op de erven wordt veel gebruik gemaakt van groen, om aan te sluiten bij het landelijke karakter. Daarbij wordt uitgegaan van een agrarisch geïnspireerde typologie en uitwerking, waarbij duurzaamheidsmaatregelen worden geïntegreerd in de architectuur. Rondom het erf ligt een robuuste groene omkadering die bestaat uit een struikenrand met bomen. Deze omkadering bindt voor‐ en achtererf aan elkaar en is over de hele rand consequent beplant. Op een aantal plekken wordt het groene kader doorbroken en ontstaat een venster naar het omringende landschap en het dorp. Dit venster is van groot belang voor de landschappelijke woonbeleving op het erf. Het geeft het erf een plek in de omgeving en maakt dat iedereen met uitzicht op het landschap woont. De meeste grote bomen in de groene rand zijn bestaand en moeten zoveel mogelijk gespaard blijven. Op plekken zullen bomen moeten worden bijgeplant.
De rand moet waar nodig met lagere bomen en struiken worden aangevuld om zo (weer) een dicht kader te vormen. De landschappelijke inpassing is geregeld in de algemene gebruiksregels bij dit bestemmingsplan. Provinciale Omgevingsverordening Noord‐Holland 2020 (oktober 2020) De Provinciale Omgevingsverordening 2020 is 22 oktober 2020 vastgesteld. Deze zal in gaan per half november. Voorliggend bestemmingsplan is als ontwerp ter inzage gegaan voordat de nieuwe Omgevingsverordening is vastgesteld, dat betekent dat de Provinciale Ruimtelijke Verordening zoals hiervoor getoetst van toepassing is. Wel zal worden ingegaan op de relevante artikelen in de Omgevingsverordening voor de beoogde ontwikkeling. Artikel 6.8 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over detailhandel op bedrijventerreinen en kantoorlocaties. Artikel 6.9 Oogmerk Deze paragraaf bevat regels met het oog op: 1. het voorkomen van ruimtelijk relevante leegstand in winkelgebieden om zo een detailhandelsstructuur te behouden die uitgaat van duurzaam ruimtegebruik; 2. het vrijwaren van veel consumentenverkeer op bedrijventerreinen; en 3. het voorkomen van versnippering van het aanbod, meer verkeersbewegingen buiten stedelijk gebied en aantasting van het landelijk gebied. Artikel 6.10 Detailhandel 1.
Een ruimtelijk plan kan uitsluitend nieuwe detailhandel mogelijk maken op bedrijventerreinen of kantoorlocaties, indien sprake is van detailhandel in de vorm van: a. een afhaalpunt ten behoeve van internethandel; b. detailhandel die zowel bedrijfseconomisch als ruimtelijk ondergeschikt is aan de toegelaten bedrijfsuitoefening en daarop nauw aansluit; c. brand‐ of explosiegevaarlijke detailhandel; of d. volumineuze detailhandel indien deze in winkelgebieden uit een oogpunt van hinder, veiligheid of verkeersaantrekkende werking niet inpasbaar is. Als het totaal winkelvloeroppervlak meer dan 1.500 m2 bedraagt, geldt dat: dit aantoonbaar niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand in bestaande winkelgebieden;
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
32
2.
en de regionale adviescommissie detailhandel hierover een advies heeft uitgebracht. Een ruimtelijk plan maakt geen nieuwe solitaire detailhandelsbedrijven mogelijk, tenzij wordt gemotiveerd dat dit niet leidt tot strijdigheid met het beleidsuitgangspunt tot clustering van detailhandel in winkelgebieden zoals omschreven in de Omgevingsvisie NH 2050.
Een bedrijventerrein wordt als volgt gedefinieerd: "een terrein van minimaal 1 ha bruto grondoppervlak dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet‐commerciële dienstverlening en industrie. Onder de beschrijving vallen daarmee ook (delen van) bedrijventerreinen die gedeeltelijk, maar niet overwegend, bestemd en geschikt zijn voor kantoorgebouwen. Ook vallen daaronder de zeehaventerreinen welke met laad en/ of loskade langs diep vaarwater toegankelijk zijn voor grote zeeschepen. De volgende terreinen vallen hier niet onder: terrein voor grondstoffenwinning, olie‐ en gaswinning, terrein voor waterwinning, terrein voor agrarische doeleinden, terrein voor afvalstort." Een kantoorlocatie wordt als volgt gedefinieerd: "een terrein van minimaal 1 hectare bruto grondoppervlak dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor gebruik door kantoren en openbare gebouwen, daaronder niet begrepen een terrein dat in overwegende mate bestemd is voor detailhandel of horeca." Advisering detailhandel (uit toelichting): Prioriteit geven aan hoofdwinkelgebieden, het voorkomen van extra leegstand en een vitale, concurrerende detailhandelsstructuur zijn de hoofddoelen van het Noord‐Hollandse detailhandelsbeleid.
In kleinere winkelgebieden kunnen detailhandelsontwikkelingen onder de 1500m2 wvo ook een grote impact hebben op omliggende winkelgebieden in de regio. Daarom brengen de adviescommissies ook advies uit over nieuwe detailhandelsontwikkelingen met een uitbreiding van het winkelvloeroppervlak van 10%. Dit is geregeld in de omgevingsregeling Noord‐Holland 2020, de uitvoeringsregeling bij deze verordening. Solitaire vestigingen van winkels zorgen voor een versnippering en versmalling van het aanbod in winkelgebieden. Ook binnen stedelijk gebied zijn dergelijke ontwikkelingen onwenselijk. Daarom is er een verbod op solitaire vestigingen tenzij de betreffende gemeente kan motiveren waarom een specifieke solitaire vestigingen passend is binnen het beleid gericht op clustering van detailhandel in winkelgebieden. Toetsing Het toepassingsbereik van de artikelen is bedrijventerrein en kantoorlocaties. Het plangebied kan niet als zodanig worden aangemerkt. Het bestemmingsplan maakt geen kantoorfuncties mogelijk, en het bestemmingsvlak voor bedrijfsfuncties is kleiner dan de aangegeven 1 hectare uit de Omgevingsverordening. De voorwaarden zoals genoemd in artikel 6.10 zijn dus niet van toepassing op het plangebied. Uit de toelichting bij de verordening wordt echter een toelichting gegeven op het gehele grondgebied.
Daarin wordt aangegeven dat ook ontwikkelingen kleiner dan 1.500 m2 wvo waar het een uitbreiding van meer dan 10% betreft ook regionaal advies nodig hebben. Dit is bij deze ontwikkeling het geval. Op basis van de verordening worden solitaire vestigingen niet toegestaan tenzij de gemeente kan motiveren waarom dit passend is binnen het beleid van clustering. In paragraaf 3.1.3 is aangetoond dat er behoefte bestaat aan de beoogde ontwikkeling. De huidige Aldi‐ discountsupermarkt is te klein om nog duurzaam‐economisch te kunnen functioneren. Uitbreiding op de huidige locatie is ruimtelijk gezien niet mogelijk. In het beleid Supermarkten centrum Bergen (2020) is daarnaast uiteengezet dat, vanwege de positionering van de discounter, deze ook niet gewenst is in het
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
33
centrum. De discounter is echter wel van belang voor de kwaliteit van het voorzieningenaanbod van Bergen. Het vormt een aanvulling op het overige supermarktaanbod en completeert het aanbod voor de consument van Bergen. Er is daarom gezocht naar een alternatieve locatie gezocht in Bergen. Deze is gevonden aan de Bergerweg, waar een moderne discounter gerealiseerd kan worden met voldoende ruimte voor parkeren, en een goede bereikbaarheid via de N510. Artikel 6.4 Kleinschalige woningbouwontwikkelingen 1. Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied MRA landelijk gebied niet voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling. 2. Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied Noord‐Holland Noord uitsluitend voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. 3. De in het tweede lid genoemde afspraken kunnen alleen afspraken bevatten over locaties die zijn gelegen in of aan kernen of in of aan dorpslinten. 4. Gedeputeerde Staten stellen nadere regels aan de afspraken bedoeld in het tweede lid. Toetsing De beoogde ontwikkeling wordt niet aangemerkt als kleinschalige ontwikkeling. Artikel 6.41 Bijzonder provinciaal landschap 1. De kernkwaliteiten van het bijzonder provinciaal landschap zijn vastgelegd in bijlage 6. 2.
Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied bijzonder provinciaal landschap bevat regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten. 3. In afwijking van artikel 6.3 bevat het ruimtelijk plan geen regels die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. 4. Het ruimtelijk plan kan regels bevatten die een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, mits deze ontwikkeling de voorkomende kernkwaliteiten niet aantast. 5. De toelichting op het ruimtelijk plan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en een motivering van de wijze waarop wordt voldaan aan het tweede en, indien van toepassing, het vierde lid. 6. Indien uit de motivering volgt dat maatregelen noodzakelijk zijn om te voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, dan dient de uitvoering hiervan te zijn geborgd bij de vaststelling van het ruimtelijk plan. 7. In afwijking van het vierde lid kan het ruimtelijk plan regels bevatten die de volgende ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken: a. een uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot maximaal twee hectare; of b. nieuwe bebouwings‐ en functiemogelijkheden op grond van artikel 6.28, eerste lid, onder e en f en artikel 6.28, tweede en derde lid. 8.
In afwijking van het derde en vierde lid kan het ruimtelijk plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling of een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling die de kernkwaliteiten aantast mogelijk maken, indien: a. er sprake is van groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn; en c. de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt en de aantasting wordt gecompenseerd. 9. In afwijking van het derde en vierde lid kan het ruimtelijk plan voorzien in woningbouw overeenkomstig de afspraken tussen Rijk en provincie met betrekking tot de “pilot Waterland”. 10. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de motivering als bedoeld in het vijfde lid en over de wijze van compensatie als bedoeld in het achtste lid, aanhef en onderdeel c. 11. Gedeputeerde Staten kunnen de kernkwaliteiten zoals opgenomen in bijlage 6 wijzigen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
34
Toetsing Het plangebied maakt onderdeel uit van het bijzonder provinciaal landschap. Stedelijke ontwikkelingen zijn enkel mogelijk indien er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieve zijn en de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt of gecompenseerd. In paragraaf 3.1.3.2 is geconcludeerd dat het van belang is de discountsupermarkt te behouden voor de compleetheid en kwaliteit van de voorzieningenstructuur van Bergen. Aldi heeft als harddiscounter een complementaire functie op het overige supermarktaanbod in Bergen. Voor de consumenten van Bergen is het van belang om voldoende keuzemogelijkheden te hebben. Aldi opereert in een lager prijssegment en biedt daarmee een aanvulling op de twee full‐servicesupermarkten in Bergen. Bovendien is verplaatsing van de discounter gewenst. Op de huidige locatie hebben auto's een te dominante rol in het centrum. Dit beïnvloed de ruimtelijke kwaliteit in negatieve zin. Om deze ruimtelijke kwaliteit te verbeteren is vertrek van de discounter gewenst. Omdat het belangrijk is de discounter te behouden voor de compleetheid en kwaliteit van de voorzieningenstructuur is naar een alternatieve locatie gezocht. Uit een locatieafweging is hier de locatie aan de Bergerweg uitgekomen.
Daarnaast is in paragraaf 3.1.3.3 geconcludeerd dat met de woningbouwontwikkeling wordt voorzien in een regionale en gemeentelijke behoefte aan woningen. Er is zowel een autonome vraag aan meer woningen, als een inhaalvraag. De afgelopen jaren zijn er in de regio niet voldoende woningen gebouwd om aan de woningbehoefte te kunnen voldoen. Met het voorliggende bouwplan kan in deze behoefte worden voorzien. Met de ontwikkeling op deze locatie zal rekening worden gehouden met de omliggende landschappelijke kwaliteiten. De winkel en woningen worden zodanig ingepast dat de windsingels kunnen blijven bestaan en het halfopen landschap behouden blijft. Artikel 6.54 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied 1. Gedeputeerde Staten stellen de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vast, die de provinciale belangen beschrijft ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. 2. Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied, wordt in het ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; b. bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en c.
bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren. 3. In aanvulling op het tweede lid, wordt bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in de Amstelscheg rekening gehouden met de karakteristieken en de ontwerpprincipes inzake de samenhang, de ruimtelijke kwaliteit en de identiteit van het landschap, zoals beschreven in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde rapport 'Gebiedsperspectief en Beeldkwaliteit Amstelscheg' (nr. 2011‐66880). 4. De toelichting van een ruimtelijk plan bevat een motivering waaruit moet blijken dat voldaan is aan het bepaalde in het tweede lid. 5. Gedeputeerde Staten of het College van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente kunnen het onafhankelijk adviesteam ruimtelijke kwaliteit om advies vragen, ook in een vroeg stadium, inzake de locatieafweging of de ruimtelijke inpassing. 6. Indien wordt afgeweken van de ontwikkelprincipes als bedoeld in het tweede lid onder a, wordt in ieder geval toepassing gegeven aan het vijfde lid. Toetsing Het plangebied maakt uit van het ensemble Kennemerland‐Zuid, ingevolge de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen: bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek;
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
35
bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en; helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers.
Zo is rondom de kernen is de ambitie om de landschappelijke kwaliteit van het afwisselende landschap te versterken. Hier wordt het open of juist bosrijke / lommerrijke karakter van de ruimte tussen de kernen versterkt gebruikmakend van beplantingsstructuren met kenmerkende inheemse beplanting. Het beoogde plan gaat uit van behoud van de huidige landschappelijke elementen. De supermarkt en woningen worden zodanig ingepast dat hier de windsingels behouden blijven. Het halfopen landschap blijft hierdoor behouden. Omgevingsvisie NH2050 (2018) Op 19 november 2018 is de Omgevingsvisie voor de provincie Noord‐Holland vastgesteld. De hoofdambitie in de Omgevingsvisie is als volgt: “Noord‐Holland heeft een relatief hoog welvaarts‐ en welzijnsniveau. Om deze ook voor de toekomst vast te kunnen houden, richten we ons op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven”. De provincie heeft vijf samenhangende bewegingen geschetst. Deze bewegingen laten zien hoe de provincie omgaat met opgaven die op onze samenleving afkomen en die ze willen faciliteren. Dat wordt gedaan door een aantal ontwikkelprincipes en randvoorwaarden mee te geven om de beweging naar de toekomst te kunnen maken.
Binnen de beweging sterke kernen, sterke regio's zet de provincie in op het zoveel mogelijk binnenstedelijk realiseren en concentreren van wonen en werken (transformeren, bundelen, verdichten). Nieuwe ontwikkelingen van voorzieningen worden geconcentreerd in kernen, passend bij de rol van die kernen in het regionale netwerk. Een van de uitgangspunten is het op peil houden van het voorzieningenniveau en de bereikbaarheid. Bergen is in de visie aangemerkt als dorpskern. Bij de dorpskernen lopen de functies en karakters van de vele kernen ver uiteen. Er worden in regionaal verband keuzes gemaakt over welke dorpskernen als voorzieningencentra (blijven) fungeren. Dit kan bijdragen aan het behoud van voorzieningen en de leefbaarheid in deze gebieden. Er is daarnaast een zeer divers beeld van de sociale cohesie (denk hierbij aan bijvoorbeeld een bruisend verenigingsleven) en ontwikkelkracht per kern. Dit vraagt daarom ook om maatwerk, in samenspraak met de lokale bevolking en ondernemers. Aldi is momenteel gevestigd in het centrum van Bergen en verplaatst naar een locatie buiten het centrum. Dit is vanuit ruimtelijke overwegingen gewenst. Aldi trekt als supermarkt met veel tertiaire klanten veel autobezoekers. Op een centrumlocatie is dat, zoals beschreven in de notitie 'Beleid supermarkten Centrum Bergen' niet gewenst.
De gemeente wenst de ruimtelijke kwaliteit van het centrum te verbeteren. Een (grotere) Aldi is daarbij niet passend. Overige, voornamelijk kleinschalige detailhandel, en de primaire supermarkten blijven wel geconcentreerd in het centrumgebied van Bergen. Omdat Aldi wel belangrijk is voor de kwaliteit van het supermarktaanbod is het van belang deze te behouden voor de inwoners van Bergen. Met de verplaatsing en uitbreiding kan Aldi daarnaast economisch‐duurzaam functioneren en behouden blijven voor de inwoners van Bergen. Het voorzieningenniveau wordt hiermee versterkt. Vooral in dorpskernen is het van belang dat voorzieningen behouden blijven. Daarnaast kan de beoogde verplaatsing van Aldi gecombineerd worden met woningbouw en daarmee voorzien in een behoefte aan woningen voor Bergen. Detailhandelsbeleid Noord‐Holland 2015‐2020 De provincie wil ruimte blijven bieden aan de verdere ontwikkeling van detailhandel, om ook op langere termijn een vitale, dynamische en concurrerende structuur te huisvesten. Hierbij wordt detailhandel niet alleen gezien als ruimtevragende sector, maar ook het economisch en maatschappelijk belang
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
36
wordt gezien. De missie van de provincie is 'het versterken van de detailhandelsstructuur in Noord‐ Holland'. Daarbij behoren de volgende zes beleidsdoelen: 1. Prioriteit geven aan hoofdwinkelgebieden; 2. Voorkómen van extra leegstand; 3. Internet‐afhaalpunten bij voorkeur situeren in bestaande winkelcentra; 4. Een vitale, dynamische en concurrerende detailhandelsstructuur, ruimte geven aan kwaliteit; 5. Primaire detailhandel bereikbaar op een aanvaardbare afstand; 6. Detailhandel die bijdraagt aan aantrekkelijke binnensteden. In 2010 zijn door de provincie Noord‐Holland twee Regionale Advies Commissies (RAC) Detailhandel ingesteld. Deze commissies stemmen grote detailhandelsontwikkelingen regionaal af. Nieuwe detailhandelsontwikkelingen en uitbreidingsplannen vanaf 1.500 m2 wvo dienen aan de commissie te worden voorgelegd. De beoogde ontwikkeling voldoet aan het provinciaal detailhandelsbeleid. De ontwikkeling voorziet in het behouden en versterken van de voorzieningenstructuur van Bergen. De discountsupermarkt is van belang voor een compleet en kwalitatief supermarktaanbod. Daarnaast is de uitbreiding van 680 m2 bvo dermate klein dat dit niet van provinciaal, lang is en afgestemd dient te worden.
3.3
Regionaal beleid
Detailhandelsvisie regio Alkmaar 2025 (2017) In 2017 is een geactualiseerde detailhandelsvisie voor de regio Alkmaar vastgesteld. Als onderbouwing voor de visie heeft Bureau RMC (Retail Management Center) onderzoek uitgevoerd. Het hoofddoel van de detailhandelsvisie is het versterken van de winkelgebieden binnen de structuur. Daarom streeft de regio ernaar dat winkels zoveel mogelijk deel uitmaken van winkelgebieden. Daar versterken ze elkaar en zijn aantrekkelijke gebieden te realiseren. De detailhandelsstructuur kent drie typen winkelgebieden, elk primair gericht op een bepaald bezoekmoment voor de consument: 1. recreatieve winkelgebieden; 2. boodschappenwinkelgebieden; 3. doelgerichte winkelgebieden. Daarnaast valt een aanzienlijk deel van de winkels in de regio buiten de detailhandelsstructuur. Er wordt niet actief gesaneerd, maar de regio zal wel terughoudend omgaan met nieuwe ontwikkelingen en uitbreidingen, vanuit de wens om uiteindelijk zoveel mogelijk winkels te concentreren in winkelgebieden. Regionale afstemming is bij kleine uitbreidingen (kleiner dan 1.500 m2) niet verplicht. Dergelijke uitbreidingen zijn een gemeentelijke afweging. Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuwe discountsupermarkt van 1.495 m2 bvo. De supermarktmogelijkheden van de huidige discount supermarkt in het centrum worden echter gesaneerd.
Daarmee is de totale uitbreiding die de ontwikkeling mogelijk maakt veel kleiner dan 1.500 m2 bvo en is regionale afstemming niet benodigd. Ondanks dat regionale afstemming niet verplicht is, is hier wel rekening mee gehouden. De gemeente heeft in een focusoverleg (2 september 2020) de beoogde ontwikkeling besproken met de omliggende gemeentes. Met de verplaatsing en uitbreiding van de discountsupermarkt wordt de bestaande detailhandelsstructuur versterkt. Discountsupermarkt Aldi maakt onderdeel uit van de structuur van Aldi, ook met de verplaatsing. Aldi is een essentieel onderdeel van een kwalitatief compleet supermarktaanbod voor de inwoners van Bergen, waar verder enkel full‐servicesupermarkten zijn gevestigd. Met de verplaatsing kan de discounter behouden worden voor de consument en daarmee ook de diversiteit in het supermarktaanbod. Bovendien blijkt er uit het distributieplanologisch
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
37
onderzoek dat er voldoende marktruimte is binnen de kern Bergen voor uitbreiding van het supermarktaanbod zonder dat als gevolg daarvan onaanvaardbare leegstand in Bergen zal ontstaan.
3.4
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie Mooi Bergen 2.0 (2015) De gemeente Bergen legt met de structuurvisie Mooi Bergen 2.0 de basis voor een herontwikkeling van de omgeving van het Plein. Daarbij gaat het om het creëren van een levendiger en meer samenhangend centrum, verbetering van de entree van het centrum en van het winkelcircuit, het realiseren van meer ruimte voor wonen in het centrum en verbetering van de verkeerssituatie en het parkeren. De Structuurvisie Mooi Bergen 2.0 gaat uit van een verbetering van het centrum en de daarin gelegen functies. Het betreft verbeteringen van de verkeersstructuur en de inrichting van de openbare ruimte. Ook wordt ruimte gegeven aan passende kwalitatieve stedelijke voorzieningen zoals winkels, horeca en woningen. De inzet is om stimulerende kaders te bieden zodat initiatiefnemers mee kunnen doen. Dat betekent ook dat naast duidelijke regie op de hoofdkoers, er voldoende flexibiliteit moet zijn zodat er speelruimte ontstaat voor de uitwerking. De visie wordt toegelicht aan de hand van: 1. Verkeer, verblijf en parkeren. 2. Functioneel streefbeeld. 3. Ruimtelijk streefbeeld. 4. Duurzaamheid. De structuurvisie richt zich met name op een kwalitatieve verbetering van de openbare ruimte in het centrum van Bergen. Aan de structuurvisie zijn een aantal uitvoeringsprogramma's gekoppeld om uitvoering te geven aan de ambities.
In de visie is oorspronkelijk de Harmonie‐locatie opgenomen als mogelijke locatie voor ontwikkeling van een supermarkt, maar recentelijk is besloten hier geen supermarkt toe te staan. Toetsing Voorliggend bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een discount supermarkt en woningen net buiten Bergen mogelijk. Op deze manier wordt invulling gegeven aan het beleid van de gemeente ten aanzien van supermarkten in het centrum. De ruimtelijke kwaliteit in het centrum kan op deze manier verbeterd worden door de kleinschaligheid te bewaren en het autoverkeer in het centrum te beperken. Structuurvisie Landelijk gebied Bergen (2010) Het plangebied valt binnen het werkingsgebied van de Structuurvisie Landelijk gebied van de gemeente Bergen. Zoals aangegeven in paragraaf 3.1.3.1 wordt het plangebied aangemerkt als bestaand stedelijk gebied. Desondanks zal wel aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van het landelijk gebied worden getoetst. De centrale koers van de gemeente is om de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten te behouden, versterken en herstellen. Dat doet zij al dan niet in samenwerking met betrokken partijen. In het landelijk gebied zijn diverse gebruiksfuncties aanwezig. Per thema zijn in de structuurvisie de belangrijkste uitgangspunten weergegeven.
Hoofdpunten visie landschap/cultuurhistorie: behouden waardevol agrarisch cultuurlandschap; opheffen en tegengaan verrommeling; cultuurhistorisch erfgoed beschermen en zichtbaar en beleefbaar maken.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
38
Hoofdlijnen visie wonen woningbouw vindt primair plaats binnen het bestaand stedelijk gebied. Uitbreiding vindt slechts plaats buiten de kern, indien de noodzaak hiervoor kan worden aangetoond. een landschappelijke afronding van Egmond aan den Hoef en Egmond Binnen biedt in dat geval mogelijkheden. vrijkomende agrarische bebouwing biedt onder voorwaarden ruimte aan realisatie van nieuwe woningen. Hoofdlijnen visie economie/bedrijvigheid de belangrijke economische bedrijvigheid in het landelijk gebied blijft de agrarische bedrijvigheid; voor nieuwe (niet‐agrarische) bedrijven is in het buitengebied in principe geen ruimte; vrijkomende agrarische bebouwing kan, onder voorwaarden, ruimte bieden aan kleinschalige bedrijvigheid. Voorliggend bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een supermarkt en woningen mogelijk. Op basis van de structuurvisie landelijk gebied is dit niet direct toegestaan. De locatie is aangewezen voor behoud van veeteelt. Het plangebied is in de huidige situatie al niet meer in gebruik als landbouwgebied bedoeld voor veeteelt. Momenteel ligt hier een bedrijfsbestemming. Daarnaast is in de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking bovendien aangegeven dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het bestaand stedelijk gebied en is de behoefte aan verplaatsing van de discountsupermarkt en realisatie van woningen in beeld gebracht.
Volgend uit het gemeentelijk beleid ten aanzien van supermarkten (zie hierna) is verplaatsing van deze supermarkt uit het centrum van Bergen gewenst. In de kern Bergen zijn geen mogelijkheden om de totale ontwikkeling van supermarkt en woningen in te passen. Daarop is een alternatieve locatie gevonden. Deze locatie wordt momenteel al ingevuld door een stedelijke functie (groothandel op basis van een bedrijfsbestemming). In plaats van een 'rommelige' bedrijfslocatie zal een supermarkt met woningen gerealiseerd worden die landschappelijk ingepast worden. Er wordt daarbij rekening gehouden met de huidige landschappelijke elementen die in het bouwplan zijn opgenomen. Beleid supermarkten centrum Bergen (ontwerp april 2020) De gemeente Bergen heeft in het kader van het nieuwe bestemmingsplan 'supermarkten' in het centrum van Bergen een beleidsnotitie opgesteld ten aanzien van de visie op het centrum van Bergen in relatie tot de supermarktontwikkelingen. De notitie biedt een actueel afwegingskader voor het beoordelen van supermarktontwikkelingen. Het centrum van Bergen heeft een specifieke samenstelling van het winkelaanbod dat zorgt voor een subtiel samenspel van supermarkten, speciaalzaken, winkels in mode en luxeartikelen en horeca.
Dit samenspel waarin geen van de verschillende onderdelen dominant is, zorgt voor de “eigen” vitaliteit van het centrum van Bergen en resulteert in het feit dat in Bergen vrijwel geen sprake is van leegstand. Dit is vrij uniek voor een kern van deze omvang. In Bergen is, vanwege de specifieke samenstelling van het aanbod, een (te) dominante rol van supermarkten niet gewenst. Het winkelen zal zich dan veel meer concentreren op vooral de locaties van de supermarkten, waardoor de positie en rol van de speciaalzaken in het gedrang komt. Voor Bergen is daarnaast van belang om de rol van de auto in het centrumgebied zodanig te reguleren dat er ruimte is en blijft voor een (gewenste) hoge verblijfskwaliteit. Het is daarom gewenst/ noodzakelijk om het parkeren aan de rand van het centrumgebied te concentreren, direct gekoppeld aan (de aanwezige) supermarkten. Om de supermarkten optimaal te laten functioneren als kwaliteit voor het centrum van Bergen is het gewenst om deze te concentreren op twee locaties aan de belangrijkste toegangsroutes aan de uiteinden van het centrumgebied (het zogenoemde haltermodel). Daarmee vormen de supermarkten natuurlijke bronpunten voor het centrum en zorgen ze ervoor dat de auto zo veel mogelijk aan de rand van het centrumgebied blijft. Hierdoor blijft er zo veel mogelijk ruimte vrij is voor de kwaliteit van de
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
39
openbare ruimte en verblijven (in combinatie met horeca). De huidige locaties van Albert Heijn en Deen voldoen aan deze uitgangspunten. De huidige locatie van Aldi aan de Jan Oldenburglaan voldoet echter niet aan deze uitgangspunten. Deze supermarkt ligt niet aan een belangrijke toegangsroute naar het centrum, waardoor deze supermarkt autoverkeer het centrum in trekt. De huidige winkel is bovendien zo klein dat deze geen toekomstwaarde heeft. Uitbreiding in voldoende mate is op de huidige locatie economisch niet mogelijk, maar ook niet wenselijk. Indien de Aldi wordt verplaatst, zou het in principe uitgesloten moeten worden dat hier een supermarkt terug kan komen. De vraag is wat de meest gewenste locatie zou zijn voor Aldi binnen Bergen, die voldoet aan de gewenste maatvoering voor een moderne Aldi (1.100 – 1.500 m² bvo, exclusief parkeren) én aan de eerder geschetste uitgangspunten voor het centrum van Bergen. Toetsing Voorliggend bestemmingsplan betreft een uitwerking van het gemeentelijk beleid ten aanzien van de supermarkten in het centrum van Bergen. In de beleidsnotitie wordt gesteld dat de Aldi op de huidige locatie te klein is, en ook niet een cruciaal onderdeel vormt voor het functioneren van het centrum. Vanwege de verkeersaantrekkende werking is het gewenst Aldi te faciliteren buiten het centrum van Bergen. Een locatie is gevonden aan de Bergerweg 125.
Hier kan een moderne Aldi‐supermarkt gerealiseerd worden, in combinatie met woningbouw. Op deze manier blijft de harddiscounter behouden voor de inwoners van Bergen, en blijft de voorzieningenstructuur verder versterkt. Woonvisie 2015‐2020 Begin 2016 is de lokale woonvisie 'Wonen in de gemeente Bergen 2015‐2020' vastgesteld. De gemeente schetst hierin de gewenste ontwikkeling van het wonen tot 2020. Uitgangspunt in de woonvisie is dat er voldoende sociale en betaalbare woningen zijn en dat die woningen sociaal en betaalbaar blijven. Van de nieuwe woningen die worden gebouwd moet 40% betaalbaar (sociaal) zijn. Regionaal is dit 30%. Belangrijke speerpunten in het woonbeleid zijn huisvesting voor starters, senioren, inwoners met een zorgvraag en verblijfsgerechtigden (statushouders). De instroom van jonge gezinnen en starters in de gemeente Bergen is beperkt door de relatief dure woningen. Het effect van de dure woningen is dat vooral oudere inwoners het zich kunnen veroorloven om in de gemeente Bergen te wonen. De vergrijzing is daarmee in de gemeente Bergen verder gevorderd dan in Nederland als geheel. Vooral de groep van 75 jaar en ouder zal in de toekomst sterk toenemen. Om deze reden heeft de gemeente het streven om woningen zoveel mogelijk levensloopbestendig te maken, zowel in de bestaande voorraad (opplussen) als in nieuwbouw.
Herstructurering en inbreiding (binnen Bestaand Bebouwd Gebied) zijn daarnaast volgens de ladder voor duurzame verstedelijking de voor de hand liggende opties voor nieuwbouw. De gemeente Bergen zet in op realisatie van circa 20% van de woningen in categorie 1, circa 20% in categorie 2 en circa 60% in categorie 3 en 4.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
40
Figuur 3.3 Woningbouwcategorieën met prijspeil per 1 maart 2015 (bron: Woonvisie 2015‐2020)
Toetsing Met het plan worden 38 woningen in de vrije sector mogelijk gemaakt. Daarbij wordt niet voldaan aan de voorwaarde om 40% in het sociale segment te realiseren. In de raadsvergadering van 30 juni 2020 is echter een motie aangenomen, vanwege de ruimtelijke en financiële onmogelijkheden van het realiseren van sociale huurwoningen op deze locatie, om elders in de kern Bergen minstens 25 sociale huurwoningen toe te voegen. Hiermee kan de beoogde ontwikkeling aan de Bergerweg doorgang vinden. De gemeenteraad van Bergen heeft bovendien ruimtelijke randvoorwaarden vastgesteld voor de planontwikkeling aan de Bergerweg. Deze randvoorwaarden zijn als volgt: zoek aansluiting bij het karakter van de omgeving; beperk het bouwvolume; behoud en versterking van de groenstructuren. Met het bestemmingsplan wordt hierin voorzien. Met de stedenbouwkundige opzet wordt rekening gehouden met de landschappelijke karakteristieken, door gebruik te maken van natuurlijke materialen en de situering van de gebouwen. Daarnaast wordt het oppervlak van de supermarkt in de regels beperkt tot 1.495 m2 bvo en wordt in het plan rekening gehouden met groenelementen die aansluiten bij de landschappelijke kwaliteiten van het gebied.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
41
Hoofdstuk 4
4.1
Omgevingsaspecten
Milieueffectrapportage
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek Met het voorliggend plan worden een Aldi‐discountsupermarkt (1.495 m2 bvo), 12 appartementen en 24 grondgebonden woningen gerealiseerd. Dit valt onder de activiteit 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van winkelcentra of parkeerterreinen' zoals genoemd in onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Voor deze activiteiten moet beoordeeld worden of belangrijke nadelige milieueffecten kunnen worden uitgesloten.
De ontwikkeling blijft onder de gestelde drempelwaarden (een oppervlakte =100 ha, een aaneengesloten gebied en =2.000 woningen of een bedrijfsvloeroppervlakte =200.000 m2). Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.‐beoordeling'. In bijlage 2 is de aanmeldingsnotitie voor de vormvrije m.e.r.‐beoordeling opgenomen. Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Op 30 juli is bij besluit van het college vastgesteld dat geen MER nodig is.
4.2
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen rekening gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig gesaneerd dient te worden dat zij gebruikt kan worden voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
42
Onderzoek Het voorliggend plan voorziet in de realisatie van een nieuwe Aldi discountsupermarkt en woningen. Hiervoor is een bestemmingswijziging nodig van Bedrijf en Natuur naar de bestemmingen Gemengd en Wonen. Vanwege deze functiewijziging moet beoordeeld worden of de bodem geschikt is voor deze nieuwe functies. Volgens de gegevens van het Bodemloket is er in het verleden voor het hele plangebied verkennend bodemonderzoek (ref. 98072, 1998) uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat ter plaatse geen vermoeden is van een verontreiniging. Voor het plangebied is geen vervolgonderzoek nodig, het heeft de status: voldoende onderzocht/gesaneerd.
Figuur 4.1 beschikbare bodeminformatie (bron: www.bodemloket.nl) Conclusie In het kader van het bestemmingsplan is de bodemkwaliteit voldoende in beeld gebracht. Het aspect bodem staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. In het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen is actualiserend bodemonderzoek nodig indien de bestaande onderzoeken ouder zijn dan vijf jaar. Bij de uitvoering dient rekening te worden gehouden met eventueel te treffen saneringsmaatregelen ter plaatse van de geplande nieuwbouw.
4.3
Water
Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt in het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK), verantwoordelijk voor de waterkwantiteit en waterkwaliteit. Via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl) is HHNK gevraagd een reactie te geven op het plan. De Watertoets is een instrument waarmee wateraspecten in een vroeg stadium bij de planvorming worden betrokken. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het advies van de waterbeheerder is verwerkt in deze paragraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal Watervisie 2021
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
43
Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016‐2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016‐2021 (voorheen waterbeheerplan) zijn de programma's en beheertaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheergebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Huidige situatie Algemeen Het plangebied, het perceel Bergerweg 125, ligt ten zuidoosten van de kern Bergen. Op het perceel staat een bedrijfspand met een grondoppervlak van circa 3250 m2. Rond het pand is circa 5000 m2 verharding ten behoeve van parkeren, laden‐ en lossen. Ook ligt binnen het plangebied een bedrijfswoning met tuin.
Het plangebied en direct aangrenzende percelen met grasland en zonneweide is gelegen in peilgebied 04090‐05 als onderdeel van de Sluispolder en heeft een dynamisch seizoensgebonden zomer/ winterpeil van NAP ‐1,15 / ‐1,20 meter. Het plangebied wordt in de huidige situatie vanaf de Bergerweg aan het oog onttrokken door een beplantingsstrook. Aan de zuidzijde wordt dit peilgebied begrensd door de Ringsloot en noordoostelijk van het plangebied ligt de Bergervaart. Zowel de Ringsloot als de Bergervaart zijn onderdeel van de Schermerboezem met een dynamisch waterpeil van NAP ‐0,50 meter. Het boezemwater wordt omzoomd met een regionale waterkering. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit zwaklemig fijn zand. Er is sprake van grondwater trap II. Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) dieper dan 40 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt tussen de 50 en 80 centimeter onder maaiveld. De maaiveldhoogte bedraagt circa ‐0,3 meter NAP.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
44
Figuur 4.2 Bodemkaart (bron: BIS Nederland)
Figuur 4.3 Grondwatertrappen (bron: BIS Nederland)
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
45
Waterkwantiteit Volgens de Legger Wateren zijn er in het plangebied geen oppervlaktewateren aanwezig. Wel wordt de locatie geheel omringd door windsingels die zijn aangewezen als 'secundaire waterlopen'. Langs deze waterlopen geldt een beschermingszone van 5 meter, gemeten vanaf de insteek van de waterloop. In de Keur is bepaald dat alle werkzaamheden binnen de beschermingszone vergunningplichtig zijn, omdat die invloed kunnen hebben op de water aan‐ en afvoer, waterberging of het onderhoud.
Figuur 4.4
Oppervlaktewater (bron: Watertoets)
Watersysteemkwaliteit en ecologie In het plangebied en de directe omgeving liggen geen oppervlaktewateren die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Ook zijn er geen natte ecologische verbindingszones zoals opgenomen in het (provinciale) Natuur Netwerk Nederland. Veiligheid en waterkeringen Uit de Watertoets blijkt dat de Bergerweg (N510) de status heeft van 'regionale waterkering'. Uit aanvullende informatie van de Legger Regionale Waterkeringen blijkt dat een smalle strook aan de westelijke rand van het plangebied binnen de kernzone van de waterkering ligt. De kernzone omvat het fysieke dijklichaam met een ruimte van 10 meter eromheen. Het voorgenomen plan bevindt zich grotendeels binnen de beschermingszone B van de regionale waterkering. Afhankelijk van de aard en de omvang van de bouwwerkzaamheden, terreininrichting en de bebouwing kan worden getoetst of en in welke mate in het plan rekening dient te worden gehouden met de waterstaatsbelangen. Hierbij wordt voor de waterkering getoetst of er als gevolg van de voorgenomen plannen negatieve effecten/ risico's kunnen optreden. In de praktijk zal met de bebouwing ter plaatse een minimale afstand tot de waterlijn aangehouden moeten worden van 25 meter. Bij graafwerkzaamheden (bijvoorbeeld t.b.v.
realisatie van kelders) en bij (al dan niet tijdelijke) grondwateronttrekkingen/ bronneringen geldt dat binnen beschermingszone B nadere informatie ter toetsing nodig is.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
46
Figuur 4.5 Legger Regionale Waterkeringen (bron: HHNK) Afvalwaterketen en riolering De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel, bestaande uit een gemend stelsel. Het hemelwater wordt deels direct afgevoerd naar het oppervlaktewater en een deel stroomt af naar de omliggende groenstroken waar het infiltreert. Toekomstige situatie Algemeen De beoogde ontwikkeling betreft het slopen van de bestaande bebouwing. Aan de westzijde van het terrein wordt een nieuw pand voor een Aldi discountsupermarkt met daarboven 12 appartementen gerealiseerd. Dit pand krijgt een groen sedumdak. In het oosten van het plangebied worden 24 woningen in de vorm van een modern woonerf gerealiseerd. In het ruimtelijk ontwerp is rekening gehouden met de landschappelijke inpassing. Bodem en grondwater De beoogde ontwikkeling heeft geen relevante gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Bij een toename van meer dan 800 m2 aan verharding bestaat er een verantwoordelijkheid voor het bergen van regenwater. Door de ontwikkeling verdwijnt circa 8.700 m2 aan verhard oppervlak en worden het pand voor de Aldi en appartementen (deels groen sedumdak), het omliggende parkeerterrein en de 24 woningen met bijbehorende tuin gerealiseerd. Dit is een substantiële verhardingstoename van >800 m2.
Door die toename aan verharding zal neerslag versneld worden afgevoerd naar het oppervlaktewater of rioolstelsel. In extreme situaties leidt dit tot pieken in de waterstand met mogelijke wateroverlast als gevolg. Om ervoor te zorgen dat de waterhuishoudkundige situatie niet verslechtert ten gevolge van de verhardingstoename zullen er in het desbetreffende peilgebied compenserende maatregelen getroffen moeten worden in de vorm van extra open water. Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
47
Deze watercompensatie eis bedraagt 10% ten opzichte van de verhardingstoename. Voor het aanbrengen van 800 m2 of meer onverhard oppervlak (bebouwing of bestrating) is een watervergunning nodig. Tabel 4.1 Benodigde watercompensatie bij aanleg extra verhard oppervlak
Voorkeursvolgorde: 1. Infiltratie behouden: De voorkeur is dat infiltratie blijft behouden en het water net als voor de bebouwing via de grond kan wegzakken naar het watersysteem. 2. Water graven: Als infiltratie niet kan, is het alternatief om open water te graven of bestaand water te verbreden. De extra wateroppervlakte moet minimaal 10% beslaan van het totaal aan te leggen m2 verharde grond. Hierbij geldt dat eerst het open water gecreëerd wordt en dan pas wordt verhard. Bij verharding >2.000 m2 geldt maatwerk. 3. Alternatieve vormen: Zijn infiltratie en open water graven niet mogelijk, dan zijn er alternatieve vormen van waterberging. Voorwaarden zijn dat de berging: a. Is berekend op een bui die 1x in de 100 jaar voorkomt; b. Zorgt voor vertraagde afvoer naar het wateroppervlak (8m3/min/100 ha oftewel 11,5 mm per 24 uur); c. Duurzaam is; voor langere tijd meegaat en de waterkwaliteit niet schaadt; d. Controleerbaar is voor de handhavers van het hoogheemraadschap. In dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen (zie 12.1). Hier is geborgd dat het beoogde gebruik pas toegestaan is nadat is voorzien in voldoende watercompensatie in hetzelfde peilgebied.
Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐ uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Er vinden geen ontwikkelingen plaats in het westelijke deel van het plangebied dat binnen de kernzone van de waterkering ligt. De aanwezige groenstrook blijft behouden. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in‐) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
48
Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan‐ of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Water en Waterstaat in het bestemmingsplan Ten behoeve van de compensatie verhardingstoename zal op basis van de ingevulde informatie 150 m2 extra open water gegraven moeten worden. Afhankelijk van waar dit wordt gerealiseerd, zal voor nieuw water binnen de grenzen van het plangebied de bestemming water van toepassing zijn. In het bestemmingsplan wordt het oppervlaktewater in het plangebied bestemd als 'Water'.
Voor waterkeringen (kernzone) inclusief de beschermingszones geldt een zogenaamde dubbelbestemming, deze hebben de bestemming 'Waterstaat ‐ Waterkering' toebedeeld gekregen. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
4.4
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings‐ praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. Tabel 4.2 Grenswaarden Wet milieubeheer Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 µg/m³ (NO2) concentratie Uurgemiddelde Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³ concentratie Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie 24‐uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³ concentratie Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m³ concentratie
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
49
Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in het slopen van de bestaande groothandel en de realisatie van een Aldi‐discountsupermarkt (1.495 m2 bvo), 12 appartementen en 24 grondgebonden woningen. Op basis van CROW kengetallen leidt deze ontwikkeling tot een toename van 773 voertuigbewegingen per dag.
Figuur 4.6 bijdrage volgens NIBM‐tool Uit de berekening met de NIBM tool blijkt dat het effect voor NO2 en PM10 minder dan 3% bedraagt. Het plan draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt een indicatie gegeven van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2018 (www.nsl‐ monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Steve Bikoweg ten oosten van het plangebied. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof in 2018 langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
50
Figuur 4.7 luchtkwaliteit rondom plangebied (bron: nsl‐monitoring.nl) De concentraties luchtverontreinigende stoffen langs deze weg bedroegen in 2018; 22.8 µg/m3 voor NO2, 19.1 µg/m3 voor PM10 en 10.9 µg/m3 voor PM2,5. Er waren 7 overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van de ontwikkeling het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.5
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
51
Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) bevat het wettelijk kader voor externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichting (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Volgens de professionele risicokaart liggen ten zuiden van het plangebied een gasregelstation en een buisleiding van GasUnie (figuur 4.8).
Figuur 4.8 risicovolle bronnen (www.risicokaart.nl) Rondom het gasregelstation ligt de PR10‐6 contour op 15 meter. Het invloedsgebied (1% letaliteit) strekt tot 70 meter buiten het station. De buisleidingleiding (methaan) heeft een uitwendige diameter van 168 mm (6,61 inch) en een maximale werkdruk van 40 bar (4000 kPa). De PR 10‐6 contour aan weerszijden van deze leiding komt overeen met de belemmeringenstrook van 5 meter. Op basis van diameter en werkdruk reikt het invloedsgebied (1%‐letaliteitgrens) van deze leiding tot 70 meter. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van het gasstation en de buisleiding. De ontwikkeling heeft daarom geen gevolgen voor het groepsrisico.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200920
52
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.6
Planologisch relevante kabels en leidingen
Met 'planologisch relevant' worden de belangrijkste verbindingen bedoeld die in het bestemmingsplan vastgelegd moeten worden. Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek Met de ontwikkeling van een Aldi‐discountsupermarkt, 12 appartementen en 24 grondgebonden woningen worden zowel milieu hinderende als milieu gevoelige functies mogelijk gemaakt.