Vast te stellen plan
Tekst van het document
Landschappelijk inpassingsplan Krommenhoek 3a - Reuver
juli 2020
Landschappelijk inpassingsplan Krommenhoek 3a - Reuver
datum: juli 2020 projectnummer: P01573
Projectteam: RvO MSc BC BSc
Ontwerpatelier BRO Wij zien de Nederlandse leefruimte als een schaars collectief goed. Daarom vinden wij dat een ruimtelijke opgave nooit sec te benaderen is. Ons ontwerpatelier is ingericht met landschapsarchitecten, stedenbouwkundigen, ecologen, architecten en planologen om integraal te werken. Anders dan de tekentafel- en de beeldgerichte ontwerpbureau’s richten
BRO Boxtel
wij ons daarbij op het social design door publieke en private
Boscheweg 107
belangen te verenigen waardoor grip en begrip ontstaat in het
5282 WV Boxtel
ontwikkelingsproces. Daarbij maken we visie’s en zoeken we
T +31 (0)411 850 400
naar het evenwicht van bestaand naar nieuw beleid.
E info@bro.nl
Inleiding Bij het toestaan van een ruimtelijke ontwikkeling is het van belang dat alle ruimtelijke waarden worden meegewogen. Een bouwplan kan immers afbreuk doen aan bestaande landschappelijke of cultuurhistorische waarden. Elke ontwikkeling dient bij te dragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid. In de landschappelijke inpassing wordt de omgeving bestudeerd en aan de hand daarvan ruimtelijke randvoorwaarden opgesteld voor de nieuwe ontwikkeling. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan kan de voorgestelde ontwikkeling op een natuurlijke en verzorgde wijze worden ingepast en aansluiten op de aanwezige landschapsstructuren.
Aanleiding en initiatief Initiatiefnemer is voornemens op het perceel nabij zijn woning (adres Krommenhoek 3a te Reuver) een paardenstal te realiseren voor maximaal 4 paarden. Daarnaast wil initiatiefnemer tevens het woonerf ter plaatse verruimen. Het perceel waarop de ontwikkeling plaatsvindt, staat kadastraal bekend als Beesel, sectie K, nummer 392. De gemeente Beesel heeft op 29 januari 2019 middels de beoordeling van een principeverzoek laten weten onder voorwaarden mee te werken aan het initiatief. Eén van de voorwaarden is dat op basis van het gemeentelijk kwaliteitsmenu een kwaliteitsbijdrage van € 160 per m2 betaald dient te worden voor de uitbreiding van de bestemming ‘Wonen’ (met bouwvlak). Verder dient de uitbreiding van de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ landschappelijk goed ingepast te worden in de omgeving.
3
W '
W '
W ' W '
W '
W '
W ' W '
W '
W '
W '
W '
W '
W '
W '
W '
V &
W '
W '
W ' W '
W '
W '
' W ' W
W '
W '
W '
W '
W '
V &
W '
W 'W '
W ' W '
W '
W '
W '
W ' V & W ' V & V &
V &
W '
W '
Begrenzing plangebied .
W ' W '
W ' W '
& W 'V
W ' W ' V & W '
V & V &V &
V &
W ' V &
W ' V &
W '
V &
V &
W '
W 'W '
& &V V &V
V &
T $
' W 'W
W '
W ' W '
V & W '
W ' W ' W '
W '
W '
W '
W ' W '
W '
W '
W ' ' W ' W ' W V &
V &
W ' V & V & W ' V & W ' W ' W ' W ' W ' V W ' & ' V & W ' W 'W V & V & V & W ' V V & V & V && W V & 'V & V & W ' V & ' W 'W W ' V & V & V & V & V & V & V & V & &landschapskader Uitsnede V noord- en midden Limburg (kwaliteitskaart landschap). V &
W '
W '
W ' W '
V & W '
Plangebied gelegen in ‘velden’ en ‘natte heideontginningen’.
V &
W '
V &
W ' V &
V &
W '
W ' W '
W ' V &
4
W ' W ' W '
W ' W '
V &
W ' V &
W ' W '
W '
' V &V &W
V &
' V &W
V & & V &V V &
W 'V & W '
W ' V &
V &
' W ' W V & V &
V & V & & V &V
V &
Gebiedsbeschrijving Het initiatief is volgens het landschapsontwikkelingsplan Beesel gelegen in het landschapstype Beekdalen: de beekdalen waren lange tijd onontgonnen terrein dat bestond uit veenmoeras en broekbos (els, wilg en populier). Vanaf de 16e eeuw werden veel beken gekanaliseerd om gebieden te ontwateren en gaandeweg werden veel beekdalen ontgonnen tot weideen hooiland. Vaak waren de ontginningen kleinschalig en werden de afzonderlijke kavelgrenzen beplant met rijen elzensingels of houtwallen, zodat op veel plekken een kleinschalig landschap ontstond. De echt natte en moerassige delen bleven (vaak tot op de dag van vandaag) broekbos (uit: landschapsontwikkelingsplan Beesel). In het landschapskader Noord- en Midden Limburg is de omgeving van het plangebied aangeduid als ‘velden’ en ‘natte heideontginningen’. Visueel-ruimtelijk wordt het landschapstype velden in het landschapskader omschreven als: Een typisch veld wordt gekenmerkt door een relatief grote maat van openheid zonder enige bebouwing welke in groot contrast staat met de kleinschaligere verdichte rand, waarin wel beplantingselementen en gebouwen staan. Het contrast in schaal en maat tussen dit open landschap en de omringende bebouwing en dorpen in de directe nabijheid maakt deze gebieden bijzonder waardevol.
De oude bebouwingslinten zijn kleinschaliger, kronkeliger en meer verdicht dan de jongere bebouwingslinten van de jonge ontginningslandschappen. Het belangrijkste visueel-ruimtelijke kenmerk van het landschapstype natte heideontginning is volgens het landschapskader de grote mate van openheid en het vaak ontbreken van bebouwing. Deze openheid heeft een bepaalde schoonheid in combinatie met het rechtlijnige karakter van de aanwezige beplanting, sloten en wegenpatroon.
Beschrijving plangebied Het plangebied ligt ten oosten van de kern van Reuver. In de huidige situatie bevindt zich binnen het plangebied een reeds bestaande woning met aan de noordzijde een garage van circa 45 m². Daarnaast bevindt zich binnen het noordelijke gedeelte van het plangebied een aantal bijgebouwen (tuinhuisjes). Het gebied ten noorden van de woning en garage bestaat momenteel uit gras met enkele bomen en struiken. Het plangebied grenst in
5
6
Bestaande bomen binnen het plangebied met onder meer een Tulpenboom.
Eén van de meerdere bijgebouwen op het terrein.
Zicht op de achtergelegen weides.
Bestaande rijbak en verschillende bijgebouwen.
oostelijke richting aan de Krommenhoek en in westelijke richting aan enkele agrarische percelen. Rondom het plangebied ligt in oostelijke richting de A73. Daarnaast bevinden zich ten zuidoosten en zuiden van het plangebied enkele woonpercelen. Ten noorden bevindt zich nog een bosschage. De belangrijkste groenelementen op het terrein zijn verschillende bomen waaronder een Tulpenboom en een Amerikaanse Esdoorn. Tevens wordt het terrein aan de oostzijde omringd door een haag die deels uit liguster bestaat en deels uit coniferen.
Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens nabij zijn woning een nieuwe paardenstal te realiseren. Deze ontwikkeling vindt plaats ten noorden van de reeds bestaande woning (en garage) op het perceel. De paardenstal heeft een bouwhoogte van 2,5 meter en een totale oppervlakte van 42 m2. De paarden die gestald worden in de paardenstal zullen in de toekomst gebruik maken van de agrarische percelen (bestaande uit grasland) ten noordwesten van het plangebied.
Ecologie Voor het realiseren van dit initiatief is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek is: op basis van deze quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen.
7
oek enh mm Kro 8
Schets huidige situatie
Bestaande situatie Paardenstal Krommenhoek 3a Reuver
Boxtel
Datum:
Schaal:
Bosscheweg 107
01-11-2019
1:500
Getekend:
Formaat:
BC
A3
5282 WV Boxtel +31 (0)411 850 400 www.bro.nl
•
Ten aanzien van broedvogels dienen werkzaamheden aan broedgelegenheden buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;
•
Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.
Op basis van deze quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNN) niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming.
Hemelwater De beoogde ontwikkeling voorziet in een geringe toename van het verhard oppervlak circa 42 m². Infiltratie van hemelwater dient op eigen terrein plaats te vinden op basis van de Waterwet. Als uitgangspunt geldt dat een bui van 100 mm in 24 uur geborgen moet kunnen worden op eigen terrein. Voor de paardenstal (opp. 42m2) betekent dit dat een capaciteit van 4,2 m3 benodigd is. Te verwezenlijken door de goot van de stal te koppelen aan een serie infiltratiekratten (1m3 p/stuk) welke langs de nieuw te bouwen stal komt te liggen. Onderstaande uitsnede van de bodemdoorlatendheidkaart van Waterschap Limburg toont aan dat de het plangebied en omgeving een K-waarde variërendvan 0,45 - 0,75 m/dag heeft. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de bodem in het plangebied voldoende doorlatend is, passend bij voorgestelde voorziening.
9
1
Bestaande ligusterhaag behouden
2
Aanplant nieuwe haag
3
Bestaande bomen (2x) behouden
4
Aanplant bomen (2x)
5
Boomgaard met fruitbomen (4x) en notenboom (1x)
6
Kruidenrijk grasland
7
Aanplant bosje
8
Rijbak (20 x 40 m)
9
Nieuwbouw paardenstal
10
Nieuw bouwvlak (275 m²)
7 6 5
8
Kro
mm
enh
oek
2
4
infiltratievoorziening
3 9
10
10
1
Schets landschappelijke inpassing
Landschappelijke inpassing Krommenhoek 3a Reuver
Boxtel
Datum:
Schaal:
Bosscheweg 107
06-11-2019
1:500
Getekend:
Formaat:
BC
A3
5282 WV Boxtel +31 (0)411 850 400 www.bro.nl
Inpassingsmaatregelen De inpassing en vormgeving van het plangebied aan de Krommenhoek richt zich op de overgang van het uitgebreide woonperceel naar het omliggende landschap en de openbare weg. Om de planontwikkeling mogelijk te maken zijn een aantal inpassingsmaatregelen voorgesteld, welke op basis van de gestelde kaders, kennis van het landschap en de betreffende locatie zijn vormgegeven. Onderstaande schets illustreert de voorgestelde maatregelen, gevolgd door een argumentatie. Concreet zijn de volgende ingrepen voorgesteld: 1. Bestaande Ligusterhaag behouden 2. Amoveren coniferen en aanplant nieuwe haag 3. Bestaande bomen behouden 4. Aanplant bomen 5. Aanplant boomgaard 6. Realisatie kruidenrijk grasland 7. Aanplant bosje -.
Amoveren bestaande bijgebouwen
1. Bestaande Ligusterhaag behouden Nabij de woning is reeds een bestaande Ligusterhaag aanwezig. Deze haag past bij de landelijke uitstraling van de woning en zorgt er met een hoogte van circa 2 meter voor dat de nieuw te bouwen paardenstal volledig aan het zicht onttrokken wordt. Daarnaast zorgt deze haag voor een goede scheiding tussen privé en openbaar. Het behoud van deze haag is momenteel niet geborgd. Door de haag op te nemen in het landschappelijk inpassingsplan is het behoud ervan gewaarborgd. 2. Amoveren coniferen en aanplant nieuwe haag In het verlengde van de bestaande Ligusterhaag is een haag van conifeer aangeplant. Dit is een uitheems soort en past daarom niet goed in een landschappelijke omgeving. Daarom wordt voorgesteld de coniferen te amoveren en op dezelfde locatie een haag van Liguster aan te planten. Dit is een inheems soort wat beter past in het landschap. Daarnaast ontstaat samen met de bestaande haag één geheel tussen de openbare weg en het privé terrein.
11
3. Bestaande bomen behouden Op het terrein zijn reeds een aantal bomen aanwezig. Waar mogelijk worden deze behouden. Zo zullen de Tulpenboom en de Amerikaanse Esdoorn behouden blijven. Beide bomen staan nabij de nieuw te bouwen paardenstal en zullen bijdragen aan het landschappelijke karakter rond de paardenstal. 4. Aanplant bomen In aanvulling op de te behouden bomen nabij de nieuw te bouwen paardenstal wordt voorgesteld twee solitaire bomen toe te voegen. 5. Aanplant boomgaard Op dit moment is in het noordelijk deel van het plangebied een paardrijbak gesitueerd. Dit is in strijd met het bestemmingsplan. De afmetingen mogen namelijk maximaal 40x20 meter zijn en de rijbak moet aansluiten op de bestemming ‘tuin’. Daarom wordt de rijbak naar het zuiden geplaatst in aansluiting op de tuin. Het noordelijk deel van het terrein wat hierdoor vrij komt zal landschappelijk ingericht worden. Hiermee wordt een geleidelijke en groene overgang gemaakt worden naar het omringende landschap. Hier zal een kleine boomgaard aangeplant worden met enkele fruitbomen en een notenboom. Dit draagt bij aan de versterking van de landschappelijke uitstraling van het plangebied. 6. Realisatie kruidenrijk grasland In de boomgaard zal een extensief beheerd kruidenrijk grasland gerealiseerd worden om in samenhang met de fruitbomen ook een ecologische meerwaarde te creëren. 7.
Aanplant bosje In het noordelijk deel van het plangebied zal een goede overgang van de boomgaard naar de omgeving gemaakt worden door middel van de aanplant van een bosjes. Dit bosje sluit aan bij de bosjes aansluitend aan het plangebied. Het bosje heeft naast een landschappelijke meerwaarde ook een ecologische meerwaarde als schuil- en nestelgelegenheid voor kleine dieren.
12
Amoveren bestaande bijgebouwen Verspreid op het plangebied zijn momenteel verschillende kleinere bijgebouwen aanwezig. Deze zullen worden geamoveerd ten behoeve de nieuwbouw van de paardenstal. Hiermee wordt de bebouwing meer geclusterd rond de woning. Hierdoor levert dit een meerwaarde op voor het landschap.
Beplantingsplan De soortensamenstelling voor de toe te voegen beplanting is toegespitst op inheemse soorten die passen bij het karakter van het gebied en de bodemgesteldheid. Daarnaast dienen de aangeplante bomen op eigen terrein uit te groeien. In onderstaande tabel zijn de verschillende vakken, maatvoering, voorgesteld sortiment, plantverband en het aantal aan te schaffen stuks opgenomen. Element
Omvang/ stuks
Voorgesteld sortiment
Verband
2. Haag
84 m1
Soort: Liguster Plantmaat aanplant: 100-125, Eindhoogte: 2 m.
Enkele rij, 5 st/m1
4. Bomen
2 st.
Soort: Walnoot Plantmaat aanplant: 16-18, Eindhoogte: 15 m.
Zoals op tekening aangegeven.
5. Boomgaard
5 st.
Soort: hoogstam fruitbomen (4 st.) bij voorkeur lokale rassen Plantmaat aanplant: 16-18 Eindhoogte: 7 m.
Zoals op tekening aangegeven.
Walnoot (1 st.) Plantmaat aanplant: 16-18 Eindhoogte: 15 m 6. Kruidenrijk grasland
440 m²
Soort: kruidenrijk mengsel
nvt
7. Bosje
218 m²
Soort: • hazelaar • kornoelje • vlier • veldesdoorn • lijsterbes • krenteboom • zwarte els • eik • gewone berk Plantmaat aanplant: 60-80, Eindhoogte: 15 m.
Onderlinge afstand tussen de rijen 1,5 meter. Afstand in de rij 1 meter. In de middelste rijen elke 5 meter een boomvormer.
13
Onderstaande afbeeldingen geven een indruk van het toegepaste sortiment:
Wilde liguster
Walnoot
Veldesdoorn
Zwarte els
Krentenboom
Lijsterbes
Zomereik
Gele kornoelje
Gewone Vlier
Hazelaar
Beheer en onderhoud •
De haag: minimaal 1x per jaar snoeien in de zomer. Het snoeien begint al bij het aanplanten van de haag. Hoe vaker de haag geknipt wordt des te rechter en óók des te dichter hij wordt. Snoei de bovenkant van de haag pas als deze de juiste hoogte heeft bereikt;
•
De bomen: worden periodiek gesnoeid, hierbij zal ten alle tijden rekening gehouden worden dat de kroon (onderste takken tot de top) na het snoeien altijd meer dan 50% van de lengte van de takvrije stam bedraagt;
•
Bosje: kan de eerste 10 tot 12 jaar vrij uitgroeien. Daarna worden de struikvormers om de 5 à 6 jaar afgezet waarbij in de middelste 2 rijen een aantal boomvormers (overstaanders) blijven. In het begin dienen er meer boomvormers te blijven staan, om de 5 meter een boom.
14
Uiteindelijk als er een volgroeid bosje is staan deze boomvormers op een afstand van 15 meter. •
De fruitbomen worden minimaal één keer per jaar gesnoeid tussen november en maart. De snoei is erop gericht de waterloten te verwijderen en de boom in vorm te houden zodat zoveel mogelijk kortloten behouden blijven of kunnen groeien. Aan deze kortloten komen namelijk de bloemen en later de bloemen.
GKM Op basis van het gemeentelijk kwaliteitsmenu dient voor dit initiatief een kwaliteitsbijdrage van € 160 per m² betaald te worden voor de uitbreiding van de bestemming ‘Wonen’ (met bouwvlak). De uitbreiding van de bestemming wonen bedraagt 48 m² (van 217 m² naar 265 m²). Dit komt neer op een kwaliteitsbijdrage van: 48 m² * € 160 = € 7.680 De structuurvisie Beesel zegt over deze kwaliteitsbijdrage het volgende: Bij kwaliteitsverbeterende maatregelen heeft het de voorkeur dat een initiatiefnemer zelf deze maatregelen uitvoert. (bijvoorbeeld de sloop van bebouwing) De initiatiefnemer is dan zelf verantwoordelijk voor de uitvoering. De financiële waarde van de eigen maatregelen worden in mindering gebracht op de kwaliteitsbijdrage voor de betreffende ontwikkeling. De initiatiefnemer geeft de voorkeur de impact van de ruimtelijke ontwikkeling ook ter plekke te compenseren. Hier is in het landschappelijk inpassingsplan rekening mee gehouden. Dit is ruimer opgezet dan noodzakelijk zou zijn voor enkel een goede landschappelijke inpassing. Het onderscheid tussen de maatregelen die gezien moeten worden als landschappelijke inpassing en de aanvullende kwaliteitsverbeterende maatregelen wordt in onderstaande opsomming uiteengezet:
15
Landschappelijke inpassing: •
1. Bestaande ligusterhaag behouden;
•
2. Amoveren coniferen en aanplant nieuwe haag;
•
7. Aanplant bosje.
Kwaliteitsverbeterende maatregelen: •
3. Bestaande bomen behouden;
•
4. Aanplant bomen;
•
5. Aanplant boomgaard;
•
6. Realisatie kruidenrijk grasland
Om de investering van de kwaliteitsverbeterende maatregelen te kunnen bepalen heeft de initiatiefnemer een begroting gevraagd aan een bedrijf gespecialiseerd in het uitvoeren van vergelijkbare groenprojecten. Deze begroting komt uit op een bedrag van € 4.196,56. Hierin zijn de aanlegkosten en de kosten voor het beheer van de eerste zes jaar meegenomen. Deze begroting is als bijlage bijgevoegd. Het bovenstaande bedrag kan in mindering worden gebracht op de totale kwaliteitsbijdrage (uitbreiding bestemming wonen x €160 per m2) zijnde 48m2 x €160= € 7.680. Dit betekent dat er een bedrag van € 3483,44 dient te worden afgedragen aan het gemeentelijk groenfonds.
16
Omschrijving
Bedrag (€) excl. BTW
Leveren en aanleggen beplanting (1,3,5 & 6)
€ 2.946,33
Leveren en aanleggen beplanting (7)
€ 1.250,23,-
Totaal
€ 4.196,56
BRO heeft vestigingen in Boxtel I Amsterdam I Tegelen
Bijlage 2 Quickscan Flora en Fauna
22
Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (vastgesteld)
Notitie
: Quickscan flora en fauna ‘Krommenhoek 3A’ te Reuver
Datum Projectnummer Opgesteld door Interne controle:
: 4 juni 2019 : P01573 : NL : MvdS
Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de realisatie van een paardenstal en rijbak, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Werkwijze quickscan flora en fauna In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen potentieel aanwezige natuurwaarden die vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid zijn beschermd.
Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016. Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 3 juni 2019 tussen 11:00 tot 12:00 uur door een ecoloog van BRO1 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. Het was circa 18°C, geheel bewolkt, zonder neerslag, met een zuidwestenwind van 2 Bft. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest-/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, soortgerichte literatuur, NDFF-gegevens en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke 1
BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.
1
beschermde planten- en diersoorten er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg geraadpleegd. Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden. Planbeschrijving Het plangebied is gelegen ten oosten van Reuver en ten westen van de A73. In figuur 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1. Topografische kaart ligging van het plangebied (1:25.000)
Huidige situatie Het plangebied bestaat momenteel uit een tuin met drie schuren en een paardenbak. In figuur 2 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven. De figuren 4 t/m 9 geven een impressie van het plangebied, middels foto’s die zijn genomen tijdens het verkennende veldbezoek. Toekomstige situatie De opdrachtgever is voornemens om twee schuurtjes en een tijdelijke stal te verwijderen, de grond bouwrijp te maken en een paardenstal te realiseren met een rijbak. De stal wordt gerealiseerd in het westen van het plangebied iets ten noorden van de woning. Figuur 3 geeft een beeld van de toekomstige situatie.
2
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving
Figuur 3. Toekomstige te reailseren stal binnen plangebied, een klein stuk ten noorden van de woning
3
Figuur 4. Plangebied met twee schuren vanaf noorden
Figuur 5. Te verwijderen tijdelijke stal (container) in noordoosten plangebied
Figuur 6. Te slopen schuurtje in midden plangebied
Figuur 7. Te wijzigen schuurtje in westen plangebied
Figuur 8. Te slopen schuurtje in zuidoosten
Figuur 9. Bestaande weiden met notenboom
4
Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “ Vogelschutzgebiet 'Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg' ”, bevindt zich op circa 2 kilometer afstand ten westen van het projectgebied over de grens in Duitsland. Het meest dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied is het “Swalmdal” op 6 kilometer afstand. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten.
Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een nieuwe particuliere paardenstal betreft waar reeds een paardenstal aanwezig is, is een toename aan stikstofuitstoot te niet verwachten. De ontwikkeling in combinatie met de afstand tot het Natura 2000-gebied is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs niet aan de orde, waardoor een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is uitgesloten. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Limburg bestaat het NNN uit de goudgroene natuurzone. Daarnaast worden ook de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone beleidsmatig beschermd.
Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone (zie figuur 10). Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 5 meter ten noordoosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk
5
geacht. Een deel van het plangebied is gelegen binnen de zilvergroene natuurzone. In dit deel wordt de bestaande schuur gesloopt en blijft de rest van het plangebied behouden. De paardenstal wordt gebouwd buiten de zilvergroene natuurzone gebouwd. Hierdoor blijven de wezenlijke kenmerken en waarden van de zilvergroene natuurzone onaangetast.
Figuur 10. Ligging goudgroene natuurzone (donkergroen), zilvergroene natuurzone (licht groen) en bronsgroene landschapszone (blauw) ten opzichte van perceel plangebied (rood omlijnd)
Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden bevat is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
6
Toetsing soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:
Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming)
Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Vogels (artikel 3.1 Wnb)
Europees beschermde soorten
Nationaal beschermde soorten
(artikel 3.5 Wnb)
(artikel 3.10 Wnb)
Art 3.1 lid 1
Art 3.5 lid 1
Art 3.10 lid 1a
Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen
Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2
Art 3.5 lid 4
Art 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3
Art. 3.5 lid 3
-
Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Art 3.1 lid 4 en lid 5
Art 3.5 lid 2
Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
-
Art 3.5 lid 5
Art 3.10 lid 1c
Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
-
7
De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot de meeste provincies, eekhoorn, steenmarter, hazelworm en levendbarende hagedis vrijgesteld in bepaalde periodes in het jaar in Limburg. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels In de ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ van de provincie Limburg (6 december 2017) is een aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten gepubliceerd. Hier wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten die beschermd zijn binnen de provincie Limburg. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn.
Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-3 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 4-soorten’). Op het terrein zijn schuren aanwezig, echter bevatten deze geen dakbetimmering, grote openingen of holtes. Daarnaast zijn er tijdens het veldbezoek geen waarnemingen gedaan van sporen of nesten die
8
kunnen duiden op de aanwezigheid van soorten met jaarrond beschermde nesten als kerkuil, huismus en gierzwaluw in de schuren. Hierdoor kunnen broedlocaties, binnen het plangebied, van bovengenoemde soorten worden uitgesloten. In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied bevinden zich tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als havik en ransuil. Wel kunnen hier mogelijk “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning en houtduif tot broeden komen. Tijdens het veldbezoek is er een waarneming gedaan van een steenuil die uit de zuidelijke bosrand aangrenzend aan het weiland kwam vliegen. Aangezien binnen het plangebied geen sporen of nesten zijn aangetroffen en er geen bomen met holten, ruimte onder de daken van de schuren en steenuilkasten zijn, is redelijkerwijs uitgesloten dat er een broedlocatie binnen het plangebied aanwezig is. Als foerageergebied vormt het plangebied matig geschikt habitat ten opzichte van het kort gemaaide en begraasde weiland aangrenzend aan het plangebied. Daarnaast blijft het plangebied wat betreft grondgebruik vrijwel hetzelfde. Toetsing Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel broedgelegenheden verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd.
Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van broedgelegenheden buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, franjestaart, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis en watervleermuis. De te slopen schuren bevatten geen geschikte rust- en verblijfplaatsen voor een vleermuizensoort, door het ontbreken van dak betimmering en spouwmuren.
Er is geen sprake van potentieel (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes, gezien het ontbreken van aspecten als grote hoeveelheden opgaand groen, oppervlaktewater en lijnvormige landschapselementen. Toetsing De schuren bevatten geen geschikte doorgangen naar potentiele verblijfplaatsen. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageerhabitat voor vleermuizen.
9
Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als vos, konijn, egel en veldmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen. Door de aanwezigheid van het naastgelegen weiland en de voorgenomen ontwikkeling, betreft er geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet (volledig) vrijgestelde soorten waterspitsmuis, steenmarter, das en eekhoorn voor. Het plangebied bevat geen oppervlaktewater en dus geen geschikt habitat voor de waterspitsmuis. Er zijn geen holen of nesten in de schuren of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor de steenmarter.
Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen dan wel burchten, loop- of eetsporen, latrines of wissels die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van het plangebied door de das. De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de muurhagedis, gladde slang, zandhagedis, hazelworm en levendbarende hagedis. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten.
Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het
10
plangebied ook de niet vrijgestelde Alpenwatersalamander, vinpootsalamander, boomkikker, rugstreeppad en poelkikker bekend. Het plangebied bevat echter geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing. Toetsing De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van kleine ijsvogelvlinder, grote vos, beekrombout, bosbeekjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, gaffellibel en gevlekte witsnuitlibel. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn.
Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellenof vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als blaasvaren en gladde zegge. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen. Gezien het aanwezige biotoop en binnenstedelijke ligging van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.
11
Conclusie Op basis van deze quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen. Ten aanzien van broedvogels dienen werkzaamheden aan broedgelegenheden buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNN) niet noodzakelijk geacht.
Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming.
12
Samenvatting In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 2. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Potentieel
Sprake van
Vervolgtraject / maatre-
Bijzonderheden / opmerkin-
aanwezig
overtreding
gelen
gen
Ja
Te voorkomen
Broedgelegenheid buiten Algemeen
broedseizoen verwijderen of controle vooraf
Broedvogels Jaarrond
Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht
Reptielen
Nee
Nee
-
Amfibieën
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Afstand tot
Sprake van
gebied
aantasting
Natura 2000
ca. 2 km
Nee
-
Natuurnetwerk Nederland
ca. 5 m
Nee
-
Houtopstanden
-
Nee
-
beschermd Verblijfplaatsen Vleermuizen
Foerageerhabitat Vliegroutes
Gebiedsbescherming
Vervolgtraject
Heeft betrekking op een soort als de egel Heeft betrekking op een soort als de gewone pad
Bijzonderheden / opmerkingen Geen externe verstorende factoren Wezenlijke ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk Niet van toepassing
13
Geraadpleegde bronnen Algemene Literatuur
Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse
Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion
Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbe-
Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Uitgevers, Utrecht.
scherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.
SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.
Algemene websites
Bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten)
Eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden)
Floron.nl (soortgegevens planten)
Ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen)
Sovon.nl (soortgegevens vogels)
Synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden)
Verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten)
Vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen)
https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01 (wettekst Wet natuurbescherming)
Zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)
Bronnen Limburg
van Buggenum, H.J.M., R.P.G. Geraerds & A.J.W. Lenders (red.) 2009. Herpetofauna van Limburg. Verspreiding en ecologie van amfibieën en reptielen in de periode 1980-2008. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht.
Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg, Gedeputeerde Staten van Limburg, 6 december 2017
Hermans, J.T., R.W. Akkermans, F. Mertens, J. van der Weele & H.W.G. Heijligers 2004. Werkatlas libellen in Limburg. Inventarisatiegegevens periode 1977-2003. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Roermond.
Huizinga, C.E., L.S.G.M. Verheggen & R.W. Akkermans 2005. Werkatlas zoogdieren in Limburg. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Roermond.
Huizinga, C.E., R.W. Akkermans, J.C. Buys, J. van der Coelen, H. Morelissen & L.S.G.M. Verheggen 2010. Zoogdieren van Limburg. Verspreiding en ecologie in de periode 1980-2007. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht.
Kurstjens, G., B. Peters & K. van Looy 2010. De flora van het Maasdal. Ontwikkelingen van bijzondere soorten sinds de start van natuurontwikkeling vanaf 1994. Deelrapport 7. Kurstjens ecologisch adviesbureau, Beek-Ubbergen / Bureau Drift, Berg en Dal / INBO, Brussel.
Natuurgegevensprovincielimburg.nl (natuurgegevens provincie Limburg)
Polviewer.nl (NNN en beschermde gebieden in Limburg)
14
Bijlage 3 Vooronderzoek conform NEN 5725
Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (vastgesteld)
37
RAPPORT Vooronderzoek conform NEN 5725 Krommenhoek 3A te Reuver
Opdrachtgever BRO Industriestraat 94 5931 PK Tegelen Projectnummer Aeres Milieu projectnummer AM19240 Status rapport Definitief
Autorisatie Opsteller rapport:
paraaf
Ing. J.M.G. Reuver Kwaliteitscontrole: Ing. T.K.P.G. Thijssen Contactgegevens Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
datum 27 juni 2019
paraaf
datum 27 juni 2019
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING
3
2. VOORONDERZOEK 5 2.1 Topografische beschrijving .............................................................................................................. 5 2.2 Historisch overzicht en omgeving .................................................................................................... 5 2.3 Dossieronderzoek ............................................................................................................................ 6 2.4 Bodemopbouw en geo(hydro)logie .................................................................................................. 7 2.5 Beschrijving van de onderzoekslocatie ........................................................................................... 7 2.6 Asbest .............................................................................................................................................. 8 2.7 Bodemkwaliteitskaart gemeente Beesel .......................................................................................... 8 2.8 Hypothese ........................................................................................................................................ 8 3. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Bijlagen: 1 2 3 4
Topografische en kadastrale overzichtskaart Foto’s onderzoekslocatie Fotolocatiekaart Bodeminformatie gemeente Beesel
9
Vooronderzoek NEN5725 Krommenhoek 3A te Reuver / AM19240
1.
INLEIDING
In opdracht van BRO heeft Aeres Milieu een vooronderzoek uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie : Krommenhoek 3A te Reuver Gemeente : Beesel Kadastrale registratie : Beesel, sectie K, nr. 392 (ged.) Oppervlakte : circa 1.400 m2 Huidig gebruik van de locatie : woning met bijgebouwen en tuin Toekomstig gebruik : woning met paardenstal, rijbak en tuin Op onderstaande luchtfoto is de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Afbeelding 1: luchtfoto van de onderzoekslocatie [bron: PDOK viewer]
Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen realisatie van een paardenstal en rijbak. Doel Doel van het vooronderzoek is om op basis van de onderzoeksgegevens vast te stellen of er sprake is van een mogelijke verontreiniging van de bodem met stoffen die een belemmering kunnen vormen met het oog op de voorgenomen ontwikkelingen.
Pagina 3 van 9
Vooronderzoek NEN5725 Krommenhoek 3A te Reuver / AM19240
Onderzoek Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de NEN 5725 van het Nederlands NormalisatieInstituut. In dit vooronderzoek wordt het volgende beschreven: a. algemene gegevens; b. het voormalige gebruik van de onderzoekslocatie; c. het toekomstige gebruik van de onderzoeklocatie; d. de directe omgeving van de onderzoekslocatie; e. de bodemopbouw en de diepte en stroming van het freatisch grondwater. In principe richt het vooronderzoek zich op alle percelen waarop het onderzoek betrekking heeft én de direct hieraan grenzende percelen. Indien een direct aangrenzend perceel smal (< 10 m breed) is, worden ook de percelen hier weer aan grenzend meegenomen. Indien de aangrenzende percelen groot zijn, wordt alleen het gedeelte van deze percelen binnen 25 meter vanaf de grens van de bodemonderzoekslocatie in beschouwing genomen, tenzij er aanleiding bestaat toch het gehele perceel te onderzoeken. De in hoofdstuk 2 opgenomen informatie is afkomstig van/uit: • opdrachtgever; • eigenaar/gebruiker; • gemeente Beesel; • PDOK viewer; • bodemloket.nl; • kadaster; • topotijdreis.nl; • terreininspectie. Aeres Milieu B.V. heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau. Opgemerkt wordt dat bij een vooronderzoek sprake is van een momentopname.
Dit betekent dat Aeres Milieu op voorhand geen aansprakelijkheid accepteert voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde onderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het historisch onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.
Pagina 4 van 9
Vooronderzoek NEN5725 Krommenhoek 3A te Reuver / AM19240
2. VOORONDERZOEK 2.1
Topografische beschrijving
De onderzoekslocatie ligt aan de Krommenhoek 3A te Reuver. De onderzoekslocatie ligt noordoostelijk van het centrum van Reuver nabij de A73. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Beesel, sectie K, nr. 392 (ged.). De coördinaten volgens het R.D. stelsel zijn X = 204.650 / Y = 366.440. Zie bijlage 1 voor een topografisch overzicht en kadastrale kaart. 2.2
Historisch overzicht en omgeving
In het kader van het vooronderzoek is historisch kaartmateriaal [www.topotijdreis.nl] bestudeerd, hieruit is af te leiden dat het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie al in 1896 bebouwd was. Het noordelijk terreingedeelte is nooit bebouwd geweest. De huidige woning is opgericht in 1966. Direct ten oosten van de onderzoekslocatie ligt de autosnelweg A73, die in 2009 is opengesteld.
2018
2000
1988
1964
Pagina 5 van 9
Vooronderzoek NEN5725 Krommenhoek 3A te Reuver / AM19240
1950 1896 Afbeelding 2: geraadpleegde historische kaarten (Bron kaarten: topotijdreis.nl)
2.3
Dossieronderzoek
Voor het verkrijgen van de historische informatie is op 21 mei 2019 per e-mail een verzoek ingediend bij de gemeente Beesel. Gevraagd is naar eventuele bodemonderzoeken, hinderwet- of milieuvergunningen, bouwvergunningen, sloopvergunningen, onder- en/of bovengrondse tankgegevens, gegevens over eventuele bodemsaneringen, gegevens over calamiteiten en eventuele asbestinventarisaties op het perceel Krommenhoek 3A, en op percelen in een straal van circa 25 meter hiervan. De gemeente Beesel heeft op 7 juni de beschikbare digitale bodeminformatie per e-mail aan Aeres Milieu beschikbaar gesteld (zie bijlage 4). Op de locatie heeft, voor zover bekend, geen bovengrondse of ondergrondse opslag van oliehoudende producten plaatsgevonden. Op de locatie zijn niet eerder bodemonderzoeken uitgevoerd. In de directe omgeving is een bodemonderzoek bekend met kenmerk R240.2000 d.d. 21 november 2000. Het betreft een onderzoek ter plaatse van de A73, locatie 246). Uit het bodemonderzoek blijkt dat de bovengrond licht verontreinigd is met asfaltdeeltjes. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen, Het grondwater is niet onderzocht. Er zijn geen (historische) bedrijfsactiviteiten bekend welke mogelijk de bodemkwaliteit van de locatie beïnvloed kunnen hebben. De onderzoekslocatie valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Beesel’.
De bestemming van de locatie is deels enkelbestemming wonen, deels enkelbestemming tuin en deels enkelbestemming agrarisch met waarden. Voor de onderzoekslocatie zijn geen milieuvergunningen verleend. Voor de onderzoekslocatie zijn de in tabel 2.1 weergegeven bouwvergunningen verleend.
Pagina 6 van 9
Vooronderzoek NEN5725 Krommenhoek 3A te Reuver / AM19240
Dossiernummer 9/50 60/56
Jaar 1950 1956
156/56 102/66 16/83
1956 1966 1983
Aard bouwvergunning Bouw van twee varkensstallen Bouw tuinderskas
Bouw bergplaats Bouw woonhuis Bouw semi-permanent nachtverblijf voor kleinvee 247/86 1986 Plaatsen nacht- en winterverblijf voor kleinvee Tabel 2.1: Overzicht verleende bouwvergunningen
Opmerkingen Geen De tuinderskas was gesitueerd ten noorden en westen van de huidige onderzoekslocatie Geen Geen Geen Geen
Voor zover bekend hebben er op de locatie geen ophogingen, opvullingen of dempingen plaatsgevonden.
2.4
Bodemopbouw en geo(hydro)logie
De bodemopbouw van de onderzoekslocatie wordt schematisch weergegeven in tabel 2.2. Diepte [m-mv]
Lithostratigrafie
Lithologie
0 – 18,43
Formatie van Beegden, zandige eenheid
18,43 – 20,0
Formatie van Breda, zandige eenheid
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand en kleiig zand, weinig grof zand en glauconiet zand en een spoor klei, bruinkool, grind en schelpen
Tabel 2.2: Geo(hydro)logische indeling (bron: Dinoloket)
Het maaiveld ter plaatse bevindt zich gemiddeld op circa 24,5 m +NAP. De stroming van het freatisch grondwater is globaal noordwestelijk gericht en bevindt zich op een hoogte van circa 22 m+ NAP. De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied 2.5
Beschrijving van de onderzoekslocatie
Op 21 juni 2019 is een veldinspectie uitgevoerd, hierbij is gelet op het terreingebruik en de aanwezigheid van ondergrondse tanks, stookplaatsen, (half)verhardingslagen, ophogingen, storthopen, dempingen, afgravingen en asbestverdacht materiaal op het terrein. De onderzoekslocatie is op het zuidelijk deel bebouwd met een woonhuis met aangrenzend een garage/schuur. Het dak van het woonhuis bestaat uit pannen. Het dak van de garage/schuur bestaat uit metaalplaten. Het noordelijk deel is grotendeels onbebouwd en in gebruik als tuin. Op dit terreingedeelte bevinden zich twee schuurtjes waarvan de dakbedekking bestaat uit respectievelijk bitumen en asbest golfplaten. Er is tevens een kleinschalige opslag van klinkers en betontegels. Tijdens de veldinspectie is op het terrein geen asbestverdacht materiaal aangetroffen, behoudens de asbestgolfplaten van een van de schuurtjes. Er zijn geen waarnemingen gedaan welke wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of bronnen van verontreinigingen. Een fotoreportage van de onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 2. De fotolocaties zijn weergegeven in bijlage 3. De onderzoekslocatie wordt aan de noordzijde begrensd door een paardenrijbak, aan de oostzijde door de Krommenhoek, aan de zuidzijde door een woonhuis met tuin (Krommenhoek nr. 3) en aan de westzijde door agrarisch bouwland.
Pagina 7 van 9
Vooronderzoek NEN5725 Krommenhoek 3A te Reuver / AM19240
2.6
Asbest
Conform de NEN 5707 (Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond)) is er sprake van een asbestverdachte locatie indien er sprake is van één of meer van de hieronder beschreven activiteiten of gebeurtenissen: de eventuele aanwezigheid in het verleden van bedrijven, die asbesthoudende producten, apparaten of voorwerpen vervaardigen en/of verwerken; de eventuele aanwezigheid in het verleden en/of heden van bedrijfsgebouwen (o.a. schuren), waarin (veel) asbesthoudende bouwstoffen zijn verwerkt, en of de aanwezigheid van asbestresten in de bodem en/of onder verhardingen (o.a. erven van boerderijen); de aanwezigheid van woongebouwen, gebouwd van asbestcementplaten, dan wel in het verleden gerenoveerd met toepassing van asbestcementproducten, met een gerede kans dat asbestresten in tuinen en/of plantsoenen zijn achtergebleven; eventuele stortingen van asbestverdachte afvalstoffen; de kans op aanwezigheid van asbesthoudende buizen of ophooglagen in de ondergrond; de toepassing van asbesthoudende beschoeiingen langs watergangen of in (volks)tuinen; de (vroegere) aanwezigheid van glastuinbouw, danwel afval van kassen op of in de bodem; er hebben in het verleden calamiteiten met asbest plaatsgevonden (asbestbrand), zonder dat de verspreid geraakte asbestresten (meteen) zijn opgeruimd.